From 3cee9c94d0b3368a97f008830d6bb364320ccfdd Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Thu, 1 Jan 2004 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2004-01-01 | BWBR0011453 | Wet studiefinanciering 2000 --- .../BWBR0011453/README.md | 12 ++++++------ 1 file changed, 6 insertions(+), 6 deletions(-) diff --git a/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md b/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md index b163146cee7..48803e6a577 100644 --- a/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md +++ b/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md @@ -394,7 +394,7 @@ c. een combinatie van de onderdelen a en b. **2.** Indien ingevolge artikel 9.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geen aanslag wordt vastgesteld of een aanslag wordt vastgesteld waarbij verrekening van de loonbelasting achterwege blijft, treedt het gecorrigeerde belastbare loon, in de plaats van het gecorrigeerde verzamelinkomen. -**3.** Het gecorrigeerde verzamelinkomen in het peiljaar wordt, indien het een negatief bedrag is, gesteld op nihil. Vervolgens wordt daarop in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 2001 gelijk aan € 12937,76 per 1 januari 2003: € 13.983,31. Indien een van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een studerende die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, blijkens die basisadministratie slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien voor een ouder voor de inkomstenbelasting – naast de algemene heffingskorting – de alleenstaande-ouderkorting of de aanvullende alleenstaande-ouderkorting van toepassing is, en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de derde volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 2001 gelijk is aan € 16634,26 per 1 januari 2003: € 17.978,54. +**3.** Het gecorrigeerde verzamelinkomen in het peiljaar wordt, indien het een negatief bedrag is, gesteld op nihil. Vervolgens wordt daarop in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 2001 gelijk aan € 12937,76 per 1 januari 2004: € 14.510,48. Indien een van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een studerende die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, blijkens die basisadministratie slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien voor een ouder voor de inkomstenbelasting – naast de algemene heffingskorting – de alleenstaande-ouderkorting of de aanvullende alleenstaande-ouderkorting van toepassing is, en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de derde volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 2001 gelijk is aan € 16634,26 per 1 januari 2004: € 18.656,33. **4.** Het bruto kortingsbedrag op jaarbasis is 26% van het verschil tussen het gecorrigeerde verzamelinkomen in het peiljaar en de vrije voet in dat jaar. @@ -465,7 +465,7 @@ Het verschil tussen het maximale bedrag van de aanvullende beurs en de voor een ### Artikel 3.17 -**1.** Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van de IB-Groep op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2000 van € 8849 per 1 januari 2003: € 9.847,22. Bij de berekening van het toetsingsinkomen is artikel 3.9, eerste lid, tweede en derde volzin, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. +**1.** Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van de IB-Groep op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2000 van € 8849 per 1 januari 2004: € 10.218,46. Bij de berekening van het toetsingsinkomen is artikel 3.9, eerste lid, tweede en derde volzin, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. **2.** @@ -482,7 +482,7 @@ f. het voordeel uit sparen en beleggen, bedoeld in hoofdstuk 5, van de Wet inkom Tot het toetsingsinkomen behoren niet: -a. een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet, de Toeslagenwet of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en +a. een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, de Toeslagenwet of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en b. de studiefinanciering verstrekt op grond van deze wet en voor zover in deze inkomsten begrepen. **4.** Voor iedere maand dat een studerende een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene nabestaandenwet, blijft daarvan een bedrag ter grootte van het bedrag voor een thuiswonende, particulier verzekerde deelnemer, bedoeld in artikel 3.8, buiten beschouwing. @@ -682,7 +682,7 @@ Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 augustus 1996 **2.** Indien aan de voorwaarden, bedoeld in dit hoofdstuk, wordt voldaan wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift. Deze omzetting is slechts een maal mogelijk. -**3.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2000 € 680,67 per 1 januari 2003: € 745,48. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt. +**3.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2000 € 680,67 per 1 januari 2004: € 770,53. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt. ### Artikel 5.3 @@ -696,7 +696,7 @@ Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 augustus 1996 **1.** Een lening voor het volgen van een opleiding als bedoeld in artikel 2.12, wordt op aanvraag gedurende ten hoogste 36 maanden uitsluitend verstrekt voor het aantal maanden studiefinanciering in de vorm van een lening waarop de student nog geen aanspraak heeft gedaan. -**2.** Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2000 € 680,67 per 1 januari 2003: € 745,48. Artikel 3.17 is niet van toepassing. +**2.** Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2000 € 680,67 per 1 januari 2004: € 770,53. Artikel 3.17 is niet van toepassing. ### Artikel 5.5 @@ -1214,7 +1214,7 @@ In dit hoofdstuk wordt onder tempobeurs verstaan een voorwaardelijke gift die on **2.** Studiefinanciering met uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 5 jaren of het aantal jaren genoemd in artikel 10.5, verstrekt in de vorm van een tempobeurs. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een gift. -**3.** Studiefinanciering met uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 2 jaren na de periode, bedoeld in het tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een gift. Het bedrag dat per maand gedurende deze periode kan worden geleend, bedraagt, in afwijking van artikel 3.2, naar de maatstaf van 1 januari 2000 € 680,67 per 1 januari 2003: € 745,48. De artikelen 3.13 en 3.18 zijn niet van toepassing. +**3.** Studiefinanciering met uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 2 jaren na de periode, bedoeld in het tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een gift. Het bedrag dat per maand gedurende deze periode kan worden geleend, bedraagt, in afwijking van artikel 3.2, naar de maatstaf van 1 januari 2000 € 680,67 per 1 januari 2004: € 770,53. De artikelen 3.13 en 3.18 zijn niet van toepassing. ### Artikel 10.4