2006-09-14 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

This commit is contained in:
Coornhert 2006-09-14 12:00:00 +00:00
parent ed49651303
commit 3d2dfcb780

View file

@ -7214,20 +7214,11 @@ Het gestelde in de paragrafen 4.2.2 en 4.2.4 is ook van toepassing op gemengd ge
###### 4.3.1. Vlucht-of vestigingsalternatief in Azerbeidzjan
Gemengd gehuwden, die na 1992 uit Azerbeidzjan zijn vertrokken, kan een binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief worden tegengeworpen in andere delen van Azerbeidzjan, indien dit mogelijk is op grond van het algemene beleidskader zoals omschreven in C1/3.3.3.
Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat indien op grond van het relaas van een etnisch Armeniër wordt geconcludeerd dat hij geen Verdragsvluchteling is, niet subsidiair alsnog wordt getoetst op toepassing van het vluchtalternatief. Beoordeling of sprake is van een vluchtalternatief vindt alleen plaats nadat is vastgesteld dat een etnisch Armeniër Verdragsvluchteling is.
Bij de beoordeling kan worden meegewogen dat blijkens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 juli 2004 (kenmerk DPV/AM-850660) in Azerbeidzjan geen sprake meer is van discriminatie van overheidswege en dat er geen gevallen bekend zijn van etnisch Armeniërs die problemen hebben ondervonden, die uitsluitend gerelateerd waren aan hun etnisch afkomst. Indien desondanks geconcludeerd wordt dat een persoon met een gemengd huwelijk aangemerkt moet worden als Verdragsvluchteling vanwege discriminatie door derden, dan kan hij zich in beginsel elders in Azerbeidzjan vestigen.
Gemengd gehuwden, afkomstig uit Nagorny Karabach, wordt geen binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen in de rest van Azerbeidzjan, tenzij zij na het vertrek uit Nagorny Karabach, langdurig in (de rest van) Azerbeidzjan hebben verbleven.
20052910-02-200528-01-200520052910-02-200528-01-200512-02-2005
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
###### 4.3.2. Vlucht-of vestigingsalternatief in Nagorny Karabach
Het binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief in Nagorny Karabach wordt niet tegengeworpen bij gemengd gehuwden, afkomstig uit Azerbeidzjan, aangezien het blijkens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 juli 2004 over de situatie in Azerbeidzjan (kenmerk DPV/AM-850660) niet zeker is dat zij zich kunnen handhaven in Nagorny Karabach, tenzij zij na het vertrek uit Azerbeidzjan, langdurig in Nagorny Karabach hebben verbleven.
Vorenstaande houdt in dat, indien van gemengd gehuwden wordt geconcludeerd, dat zij Verdragsvluchteling zijn, dat zij in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000.
Voor de vraag of een gemengd gehuwde in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000, wordt eerst verwezen naar paragraaf 4.3.3.
20052910-02-200528-01-200520052910-02-200528-01-200512-02-2005
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
###### 4.3.3. Buitenlands vestigingalternatief in Armenië
@ -8349,286 +8340,263 @@ Naar de DRC is terugkeer praktisch mogelijk.
#### 1. Datum
Deze versie van dit hoofdstuk is vastgesteld op 8 augustus 2005.
Deze versie van dit hoofdstuk is vastgesteld op 30 augustus 2006.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
#### 2. Achtergrond
Op 23 maart 2005 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een ambtsbericht uitgebracht over de situatie in Eritrea (kenmerk: DPV/AM-867138). Dit ambtsbericht is vrijgegeven op 10 mei 2005.
Voorts heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 5 juli 2005 uitspraak gedaan in de zaak Said versus Nederland (kenmerk 2345/02).
Dit hoofdstuk bevat de uitvoeringsconsequenties van het vastgestelde beleid.
Dit hoofdstuk bevat het landgebonden asielbeleid voor Eritrea. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C6 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
De beleidsconclusies in dit hoofdstuk zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van 13 april 2006 over de situatie in Eritrea (kenmerk DPV/AM-901547) en op de uitspraak van 4 november 2005 van de ABRS (nummer 200505429/1). Dit ambtsbericht is vrijgegeven op 17 augustus 2006.
Voor een beschrijving van de actuele situatie wordt verwezen naar het ambtsbericht van de Minister van BuZa.
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
#### 3. Algemene situatie in Eritrea
#### 3. Besluitmoratorium
Het is in Eritrea sedert de staakt-het-vuren overeenkomst van 18 juni 2000 relatief veilig, al vinden nog incidenten plaats. Wel heeft sinds eind 2004 met name aan Ethiopische zijde van de grens een aanzienlijke troepenopbouw plaatsgevonden. Hoewel er geen concrete aanwijzingen zijn dat één van beide partijen plannen heeft voor een offensieve actie, is de situatie gespannen. De humanitaire situatie in Eritrea blijft zorgelijk: internationale voedselhulp blijft noodzakelijk. De relaties van Eritrea met de buurlanden Ethiopië en Soedan zijn niet verbeterd. De relatie met Ethiopië blijft uiterst gespannen. Eritrea beschuldigt Ethiopië van opzettelijke obstructie van de implementatie van de uitspraak van de Grenscommissie. Eritrea blijft benadrukken dat Ethiopië zich dient terug te trekken uit Eritrees grondgebied en dat er geen reden is tot verdere onderhandelingen.
De relatie met Soedan blijft gespannen vanwege gastvrijheid en (vermeende) actieve steun die beide landen aan elkaars (gewapende) oppositionele groeperingen zouden geven. Ook zou Soedan volgens Eritrea de drijvende kracht zijn achter een vermeende couppoging in Asmara in oktober 2004.
Ten aanzien van asielzoekers uit Eritrea is geen besluit genomen in de zin van artikel 43 Vw.
#### 4. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
##### 4.1. Ethiopiërs en personen van gemengde afkomst
Allereerst dient te worden vastgesteld wat het land van herkomst van betrokkene is.
Toetsing van het asielrelaas dient conform C1/4.2.4 plaats te vinden aan de hand van het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft, niet aan de hand van het land waar een vreemdeling laatstelijk heeft verbleven. Bij personen met de Ethiopische nationaliteit dient Ethiopië als land van herkomst te worden beschouwd, ook indien een vreemdeling daar nimmer heeft verbleven. Een (langdurig) verblijf van een persoon met de Ethiopische nationaliteit in Eritrea vormt blijkens het algemeen ambtsbericht voor Ethiopië geen reden om deze persoon bij terugkeer de toegang tot Ethiopië te ontzeggen.
De huidige Eritrese nationaliteitsverordening is qua regelgeving onvolledig en biedt ruimte voor verschillende interpretaties. De Eritrese autoriteiten gaan daarom momenteel noodgedwongen pragmatisch om met de huidige nationaliteitsverordening. De nationaliteitskwestie is in Eritrea een moeilijk onderwerp. Eritrea is een nieuw land, heeft geen geautomatiseerde bevolkingsregistratie, er is geen of slechte uitwisseling van gegevens tussen steden onderling en vele dossiers en archieven zijn tijdens de oorlog vernietigd. Indien aannemelijk is dat de Eritrese autoriteiten betrokkene beschouwen als Eritrees burger, dan dient van de Eritrese nationaliteit te worden uitgegaan.
Bij de beoordeling of de asielaanvraag van betrokkene aan de hand van de Eritrese nationaliteit beoordeeld moet worden, dient vorenstaande in acht te worden genomen.
In het geval van personen van gemengde afkomst dient te worden vastgesteld van welk land de vreemdeling de nationaliteit heeft. Blijkens het algemeen ambtsbericht kan een persoon met een niet-Eritrese nationaliteit door een huwelijk met een persoon van Eritrese nationaliteit na een legaal verblijf van drie jaar in Eritrea de Eritrese nationaliteit verkrijgen, mits die persoon zijn niet-Eritrese nationaliteit opgeeft.
Indien een vreemdeling door geen enkel land als onderdaan wordt erkend, moet hij worden aangemerkt als staatloze. In dat geval dient in overeenstemming met C1/4.2.4 te worden beoordeeld welk land het land van gebruikelijk verblijf is.
Omtrent de inhoudelijke beoordeling van asielaanvragen geldt het volgende.
De situatie in Eritrea vormt geen aanleiding om personen van gemengde afkomst reeds op grond van die afkomst in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet.
De leefomstandigheden van Ethiopiërs in Eritrea zijn verbeterd, al is er nog steeds sprake van hinder en discriminatie, met name op het gebied van werk en voorzieningen.
Met in achtneming van het beleid zoals neergelegd in C1/4.2.5 kan betrokkene in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet, indien op grond van het individuele relaas blijkt dat de ondervonden discriminatie een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
Toetsing van het asielrelaas dient conform C1/4.2.4 plaats te vinden aan de hand van het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft, niet aan de hand van het land waar de vreemdeling laatstelijk heeft verbleven.
De in Eritrea wonende Ethiopiërs bevinden zich in een moeilijke situatie. Zij mogen officieel niet werken en mogen geen bedrijf uitoefenen. In Eritrea bestaan gemengde gevoelens ten opzichte van Ethiopiërs, mede vanwege het grensconflict.
In het geval van personen van gemengde afkomst dient te worden vastgesteld van welk land de vreemdeling de nationaliteit heeft. Blijkens het voornoemde algemeen ambtsbericht kan een persoon met een niet-Eritrese nationaliteit door een huwelijk met een persoon van Eritrese nationaliteit na een legaal verblijf van drie jaar in Eritrea de Eritrese nationaliteit verkrijgen, mits die persoon zijn niet-Eritrese nationaliteit opgeeft.
##### 4.2. Aanhangers van nieuwe religies
Eritrea is een seculiere staat met vier gevestigde religies: de Eritrese orthodoxe kerk, de islam, de Eritrese katholieke kerk en de kleinere evangelisch-lutherse kerk. De twee dominante godsdiensten, islam en christendom, bestaan over het algemeen in goede harmonie naast elkaar.
De nieuwe religies, waaronder Jevoha-getuigen, hebben echter blijkens het algemeen ambtsbericht van 23 maart 2005 te kampen met ernstige beperkingen van de vrijheid van godsdienst. Onder de noemer nieuwe religies vallen de religies die niet onder de vier gevestigde religies vallen. In paragraaf 3.3 van het algemeen ambtsbericht wordt beschreven welke groeperingen onder de nieuwe religies kunnen worden geschaard. Het bestaan van andere, niet genoemde religieuze groeperingen die onder dezelfde noemer kunnen worden geschaard, kan niet worden uitgesloten. Alle nieuwe religies zijn verboden (met als argument dat zij niet op de juiste manier zijn geregistreerd), evenals (huis)bijeenkomsten met meer dan drie mensen. Het komt voor dat leden van nieuwe religies op grond daarvan worden opgepakt en gedetineerd. Tijdens deze detenties, waarvan sinds februari 2003 op grote schaal leden van nieuwe religies het slachtoffer zijn geworden, zijn opgepakte leden het slachtoffer geworden van marteling en mishandeling, terwijl eveneens voorkwam dat zij werden gedwongen om een verklaring te ondertekenen waarin zij hun geloof herriepen als voorwaarde voor vrijlating.
Ook binnen het leger komt het voor dat aanhangers van nieuwe religies worden lastiggevallen, gedetineerd en gemarteld vanwege het praktiseren van een nieuwe religie.
De Eritrese autoriteiten houden de activiteiten en bewegingen van de nieuwe religieuze groeperingen en hun leden nauwlettend in de gaten. Dit geldt ook voor vernieuwingsbewegingen binnen de Eritrese orthodoxe kerk.
Er is voorts sprake van een zekere maatschappelijke aversie tegen leden van de nieuwe religies. Sommige burgers werken samen met de autoriteiten door leden van de nieuwe religies aan te geven en lastig te vallen. De maatschappelijke houding tegenover de nieuwe religies is een uitzondering op de algemene religieuze tolerantie in Eritrea. Gelet op de houding van de autoriteiten kan niet worden verlangd dat de bescherming van de autoriteiten wordt ingeroepen tegen problemen met medeburgers. In het geval een beroep wordt gedaan op discriminatie van mede-burgers dient op de gebruikelijke wijze aannemelijk te worden gemaakt dat de discriminatie als daad van vervolging kan worden aangemerkt.
Eritrese asielzoekers die het land zijn ontvlucht op grond van het praktiseren van een nieuwe religie, kunnen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning, indien zij aannemelijk maken dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM. Daarvoor is het enkele aanhangen van een nieuwe religie niet voldoende. Indien gebleken is van op de persoon van betrokkene gerichte problemen, die kunnen worden gekwalificeerd als daden van vervolging, kan het relaas niet als onvoldoende zwaarwegend worden afgewezen.
In het nader gehoor dient uitdrukkelijk aandacht te worden besteed aan de geloofwaardigheid dan wel aannemelijkheid van het asielrelaas, waarbij doorgevraagd dient te worden naar specifieke kennis van de religie, de wijze waarop betrokkene aanhanger is geworden, de manier waarop de religie werd gepraktiseerd en de daarbij ondervonden problemen.
Indien Eritrese asielzoekers zich hier te lande bekeren, dient te worden voldaan aan het in C1/4.2.6 neergelegde beleid voor refugiés sur place om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet. Voorts dient in het nader gehoor aandacht te worden besteed aan de geloofwaardigheid dan wel aannemelijkheid van de bekering hier te lande.
Eritrea is een seculiere staat met vier gevestigde religies: de Eritrese orthodoxe kerk, de islam, de Eritrese katholieke kerk en de kleinere evangelisch-lutherse kerk.
*Nader gehoor*
De nieuwe religies, waaronder Jehova-getuigen, hebben blijkens het algemeen ambtsbericht van 29 maart 2006 te kampen met ernstige beperkingen van de vrijheid van godsdienst. Het komt voor dat leden van nieuwe religies op grond daarvan worden opgepakt en gedetineerd, waarbij opgepakte leden het slachtoffer worden van marteling en mishandeling. Ook binnen het leger komt het voor dat aanhangers van nieuwe religies worden lastiggevallen, gedetineerd en gemarteld vanwege het praktiseren van een nieuwe religie.
Tijdens het nader gehoor gelden onder andere de volgende aandachtspunten:
de duur lidmaatschap spirituele beweging;
welke functie heeft betrokkene;
in hoeverre heeft betrokkene religieuze activiteiten ontplooid en in hoeverre is dit openlijk gebeurd;
hoe zijn de Eritrese autoriteiten van de activiteiten van betrokkene op de hoogte geraakt (dan wel de verwachting dat de autoriteiten hiervan op de hoogte zullen raken).
Er is voorts sprake van een zekere maatschappelijke aversie tegen leden van de nieuwe religies. Sommige burgers werken samen met de autoriteiten door leden van de nieuwe religies aan te geven en lastig te vallen. Gelet op de houding van de autoriteiten kan niet worden verlangd dat de bescherming van de autoriteiten wordt ingeroepen tegen problemen met medeburgers. In het geval een beroep wordt gedaan op discriminatie door medeburgers dient op de gebruikelijke wijze aannemelijk te worden gemaakt dat de discriminatie als daad van vervolging kan worden aangemerkt.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
##### 4.3. Dienstplichtigen en deserteurs
Eritrea kent een nationale dienstplicht (*National Service*) voor mannen en vrouwen van 18 tot 40 jaar. Ontheffing wordt slechts verleend aan moeders met kleine kinderen. Vrijstelling op grond van religieuze of principiële bezwaren is niet mogelijk. Ook bestaat er bij gewetensbezwaren geen mogelijkheid voor alternatieve dienstplichtvervulling. In de praktijk worden dienstplichtontduikers, dienstweigeraars en deserteurs niet berecht, ook niet door de militaire rechtbank. In plaats daarvan worden zij zonder proces bestraft, in het geval van deserteurs door hun superieuren. Hierbij kan worden gedacht aan taakstraffen, gedwongen tewerkstelling (in mijnen, bij wegenbouw), lijfstraffen en detentie, gevolgd door basistraining (bij dienstplichtontduikers en dienstweigeraars) en actieve dienst.
Voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet wordt verwezen naar het beleid van C1/4.2.12 inzake vervolging wegens dienstweigering of desertie. De beoordeling of er sprake is van een onevenredige of discriminatoire bestraffing dient niet (enkel) plaats te vinden aan de hand van de theoretische strafmaten, maar met inachtneming van de in het algemeen ambtsbericht genoemde specifieke omstandigheden van betrokkene.
Bij de beoordeling van het asielrelaas van betrokkene dient aandacht te worden besteed aan de mogelijke betrokkenheid bij gevechtshandelingen. Gelet op de beoordeling van 1F-aspecten, dient in alle gevallen waarin betrokkene verklaart te hebben gediend in het leger te worden doorgevraagd over de werkzaamheden van betrokkene.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
Eritrese asielzoekers die het land hebben verlaten vanwege problemen naar aanleiding van het praktiseren van een nieuwe religie, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, respectievelijk b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, indien zij aannemelijk maken dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM. Daarvoor is het enkel aanhangen van een nieuwe religie niet voldoende.
Indien Eritrese asielzoekers zich hier te lande bekeren, dient te worden voldaan aan het in C1/4.2.6 neergelegde beleid voor refugiés sur place om op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. De vreemdeling zal in dat geval wel aannemelijk dienen te maken dat hij hier te lande bekeerd is. Indien de vreemdeling aannemelijk kan maken dat er bij terugkeer naar Eritrea sprake is van een reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM, kan betrokkene op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning.
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
###### 4.3.1. Deserteurs
##### 4.3. Politieke opposanten
Voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet wordt verwezen naar het beleid van C1/4.2.12 inzake vervolging wegens dienstweigering.
Daarbij is het volgende van belang. Ten aanzien van Eritrea heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict.
Aangenomen dient te worden dat deserteurs als zodanig bij de autoriteiten staan geregistreerd. Gelet op de behandeling die deserteurs ten deel dreigt te vallen, wordt eerder aangenomen dat bij terugkeer een schending plaatsvindt van het gestelde in artikel 3 EVRM.
Weliswaar is de bestraffing van deserteurs blijkens het algemeen ambtsbericht van 23 maart 2005 afhankelijk van de specifieke omstandigheden van betrokkene, maar op basis van de voorhanden zijnde informatie kan niet worden beoordeeld in welke gevallen er geen schending van artikel 3 EVRM behoeft te worden aangenomen. Indien er echter in het individuele relaas duidelijke aanknopingspunten aanwezig zijn dat betrokkene op grond van zijn desertie geen reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM loopt, bestaat er grond om een verblijfsvergunning te onthouden.
Indien betrokkene aannemelijk heeft gemaakt uit het leger te zijn gedeserteerd, komt hij in beginsel in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet, behoudens contra-indicaties die in de weg staan aan verlening van de vergunning. Ook in een dergelijk geval kan vanwege de absolute bescherming van artikel 3 EVRM van uitzetting echter geen sprake zijn. Voor het nader gehoor is van belang dat wordt doorgevraagd naar het verblijf van betrokkene in het leger. Van betrokkene mag worden verwacht dat hij gedetailleerde verklaringen kan afleggen omtrent de plaats van legering en zijn functie binnen het leger.
Indien aannemelijk is dat betrokkene in het leger heeft gediend, dient vervolgens aandacht te worden besteed aan de vraag of er sprake is van een aannemelijk beroep op desertie. Bij een vertrek uit het leger na het daadwerkelijke begin van de demobilisatie dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat betrokkene het leger heeft verlaten op grond van een demobilisatieprogramma.
Na de uitspraak van de Grenscommissie op 13 april 2002 is een begin gemaakt met de demobilisatie. Zo zijn in de zomer van 2002 ongeveer 6000 soldaten (vooral vrouwen) gedemobiliseerd en is het totale aantal afgezwaaide soldaten in de daaropvolgende periode opgelopen tot 97.678 op het moment van totstandkoming van het algemeen ambtsbericht van 23 maart 2005.
In het nader gehoor dient aandacht te worden besteed aan het moment waarop betrokkene het leger heeft verlaten. Indien er grond is voor het oordeel dat betrokkene het leger heeft verlaten in het kader van een demobilisatieprogramma, is niet aannemelijk dat de asielzoeker een reëel risico loopt in de zin van artikel 3 EVRM.
###### 4.3.2. Dienstweigeraars
Voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet wordt verwezen naar het beleid van C1/4.2.12 inzake vervolging wegens dienstweigering.
Daarbij is het volgende van belang.
Ten aanzien van Eritrea heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict.
De beoordeling of er sprake is van een onevenredige of discriminatoire bestraffing dient niet (enkel) plaats te vinden aan de hand van de theoretische strafmaten, maar met inachtneming van de in het algemeen ambtsbericht genoemde specifieke omstandigheden van betrokkene.
In het geval van dienstweigeraars en dienstplichtontduikers geldt dat zij in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet, indien zij aannemelijk maken dat zij op grond van hun dienstweigering of dienstplichtontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan. Ook hier geldt dat contra-indicaties in voorkomende gevallen in de weg kunnen staan aan verlening van een vergunning, maar niet aan uitzetting naar het land van herkomst.
Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat men wordt geacht zich na het voltooien van de middelbare school te melden voor de nationale dienstplicht. Uit het algemeen ambtsbericht van 23 maart 2005 komt naar voren dat dienstweigeraars en dienstplichtontduikers worden opgespoord door de (militaire) politie door middel van documentcontroles, die bij onder meer huiszoekingen en wegversperringen worden uitgevoerd. Daarbij wordt gezocht naar personen in de dienstplichtige leeftijd die hun nationale dienstplicht nog niet geheel hadden vervuld en of geen gehoor aan de oproepen hadden gegeven en die niet konden aantonen vrijstelling of uitstel te hebben.
In het algemeen ambtsbericht van 23 maart 2005 is voorts opgenomen dat geen gedwongen rekrutering zou plaatsvinden van moslimvrouwen uit de regios aan de Rode Zee-kust. Meer in het algemeen maakt voornoemd algemeen ambtsbericht melding van bronnen die aangeven dat in de praktijk alleen vrouwen in de leeftijd tussen 18 en 27 jaar dienstplichtig zijn. Dit biedt op zichzelf onvoldoende aanknopingspunten om vrouwen die boven deze leeftijd Eritrea hebben verlaten en die aannemelijk hebben gemaakt dat zij op grond van hun dienstweigering of -ontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan, een vergunning te weigeren. Wel dient specifiek aandacht te worden besteed aan de verklaringen van betrokkene op dit punt.
Er dient sprake te zijn van een aannemelijk beroep op dienstweigering dan wel dienstplichtontduiking. In het nader gehoor dient aandacht te worden besteed aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van betrokkene dat hij een dienstweigeraar dan wel dienstplichtontduiker is. Ook dient te worden bezien of betrokkene in aanmerking komt voor ontheffing dan wel of hij reeds militaire dienst heeft vervuld. Indien betrokkene gedurende zijn dienstplichtige leeftijd lange tijd in Eritrea heeft verbleven zonder te worden opgeroepen, dient in het bijzonder aandacht te worden besteed aan de vraag of de dienstplicht niet reeds is vervuld. Een lang verblijf in Eritrea zonder te worden opgeroepen is op zichzelf onvoldoende om tot afwijzing van de aanvraag over te gaan en dient te worden bezien in samenhang met de overige verklaringen van betrokkene.
##### 4.4. Politieke opposanten
De enige toegestane politieke partij is de PFDJ.
Personen die oppositionele activiteiten ontplooien, lopen het gevaar in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten te geraken. Niet alle oppositionele bewegingen worden door de Eritrese autoriteiten als bedreigend gezien. Bij de beoordeling of er sprake is van gegronde vrees voor vervolging dient onder meer aandacht te worden besteed aan de positie die binnen de betreffende oppositiebeweging wordt ingenomen, aan de vraag in hoeverre deze beweging in verband wordt gebracht met gewelddadige of terroristische activiteiten en aan de vraag in hoeverre deze persoon verdacht wordt van voortdurende oppositionele steun.
Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de georganiseerde oppositie hoofdzakelijk in het buitenland actief is, maar dat niet kan worden uitgesloten dat de Eritrese autoriteiten via hun inlichtingennetwerk op de hoogte zijn van oppositionele activiteiten buiten Eritrea.
Asielzoekers kunnen op grond van hun oppositionele activiteiten in aanmerking komen voor vluchtelingschap, indien zij aannemelijk maken dat zij vanwege hun activiteiten gegronde vrees voor vervolging hebben van de zijde van de Eritrese autoriteiten.
In Eritrea is de enige toegestane politieke partij de Peoples Front for Democracy and Justice.
Personen die oppositionele activiteiten ontplooien, lopen het gevaar in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten te geraken. Ook familieleden van opposanten in Eritrea kunnen van de zijde van de Eritrese autoriteiten problemen ondervinden. Niet alle oppositionele bewegingen worden door de Eritrese autoriteiten als bedreigend gezien. Bij de beoordeling of er sprake is van gegronde vrees voor vervolging dient onder meer aandacht te worden besteed aan de positie die binnen de betreffende oppositiebeweging wordt ingenomen, aan de vraag in hoeverre deze beweging in verband wordt gebracht met gewelddadige of terroristische activiteiten en aan de vraag in hoeverre deze persoon verdacht wordt van voortdurende oppositionele steun.
Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat arrestatie en detentie in Eritrea vaak tamelijk arbitrair lijken te gebeuren. Voorts is van belang dat de georganiseerde oppositie hoofdzakelijk in het buitenland actief is, maar dat niet kan worden uitgesloten dat de Eritrese autoriteiten via hun inlichtingennetwerk op de hoogte zijn van oppositionele activiteiten buiten Eritrea.
Asielzoekers kunnen op grond van hun oppositionele activiteiten op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel indien zij aannemelijk maken dat zij vanwege hun activiteiten gegronde vrees voor vervolging hebben van de zijde van de Eritrese autoriteiten.
Bij aanhangers van partijen die zich bedienen van gewelddadige methodes dient te worden beoordeeld of deze activiteiten mogelijk aanleiding zijn om toepassing te geven aan artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
##### 4.5. Journalisten
##### 4.4. Journalisten
Alle onafhankelijke kranten en tijdschriften in Eritrea, die naast de staatsmedia verschenen, hebben in september 2001 door de regering een verschijningsverbod opgelegd gekregen. In maart 2003 zou de Eritrese regering dit verbod voor onbepaalde tijd verlengd hebben. Journalisten die in september 2001 zijn gedetineerd, zitten nog steeds om redenen van nationale veiligheid gevangen, zonder formele aanklacht of proces. Ook na september 2001 zijn enkele journalisten opgepakt. In september 2004 verbleven in totaal veertien journalisten in (afgezonderde) detentie.
Journalisten kunnen, indien zij aannemelijk maken dat zij vanwege hun activiteiten vervolging vrezen van de Eritrese autoriteiten, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000.
Alle onafhankelijke kranten en tijdschriften in Eritrea, die naast de staatsmedia verschenen, hebben in september 2001 door de regering een verschijningsverbod opgelegd gekregen. Voor informatie over arrestaties en detenties van journalisten wordt verwezen naar eerdergenoemd algemeen ambtsbericht.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
Journalisten kunnen, indien zij aannemelijk maken dat zij vanwege hun activiteiten vervolging vrezen van de Eritrese autoriteiten, op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
##### 4.6. Vrouwen
##### 4.5. Vrouwen
Bij de beoordeling van asielaanvragen van vrouwen is het normale beleid, zoals weergegeven in C1/3.3.2, C1/4.2.11 en C1/4.3, van toepassing.
Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C1/3.3.2, C1/4.2.11 en C1/4.3.3 is van toepassing.
Voor het algemene beoordelingskader inzake vrouwenbesnijdenis en vragen voor het nader gehoor wordt verwezen naar C1/4.3.3.3.
Indien vrouwenbesnijdenis binnen een bepaalde bevolkingsgroep veelvuldig wordt toegepast, kan dit leiden tot de conclusie dat er sprake is van een reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM, indien er geen mogelijkheden zijn voor onttrekking aan de dreigende besnijdenis.
De leeftijd waarop genitale verminking wordt uitgevoerd, is afhankelijk van de etnische groep waartoe men behoort. Met in achtneming van hetgeen hieromtrent bekend is uit algemene bron, dient te worden beoordeeld of er gelet op de leeftijd sprake is van een aannemelijk beroep op vrouwenbesnijdenis.
In Eritrea is de leeftijd waarop genitale verminking wordt uitgevoerd afhankelijk van de etnische groep waartoe men behoort. Met in achtneming van hetgeen hieromtrent bekend is uit algemene bron, dient te worden beoordeeld of er gelet op de leeftijd sprake is van een aannemelijk beroep op vrouwenbesnijdenis.
Indien is vastgesteld dat er sprake is van een reëel risico, dient conform het beleid van C1/4.3.3.3 te worden beoordeeld of er sprake is van een vestigingsalternatief of de mogelijkheid van het inroepen van bescherming van de autoriteiten.
Bescherming door de autoriteiten kan alleen worden tegengeworpen als uit individuele omstandigheden dan wel uit algemene bron kan worden afgeleid dat het inroepen ervan daadwerkelijk soelaas kan bieden. Het verbieden bij wet of een enkel voorbeeld dat in het verleden is opgetreden is niet voldoende. Zonder verdere aanknopingspunten dient het inroepen van bescherming in dergelijke gevallen zinloos te worden geacht. In zijn algemeenheid zal de aanwezigheid van bescherming gelet op de houding van de Eritrese autoriteiten niet snel kunnen worden aangenomen.
Voorts dient overeenkomstig het beleid zoals neergelegd in C1/4.3.3.3 te worden bezien of er een vestigingsalternatief aanwezig is. Erop gelet dat de toepassing van vrouwenbesnijdenis in Eritrea wijdverspreid is en in het gehele land plaatsvindt, kan er (in beginsel) geen sprake zijn van een vestigingsalternatief.
Indien een Eritrees meisje nog niet is besneden, kan bij terugkeer naar het land van herkomst sprake zijn van een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM. Dit kan ook gelden voor in Nederland geboren meisjes. Indien een dochter in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet, kunnen ook de ouders gelet op C1/4.3.3.3 in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op dezelfde grond.
Bij een vestigingsalternatief is het volgende van belang. Gelet op het feit dat de toepassing van vrouwenbesnijdenis in Eritrea wijdverspreid is en in het gehele land plaatsvindt, kan er (in beginsel) geen sprake zijn van een vestigingsalternatief.
Ten aanzien van de mogelijkheid van het inroepen van bescherming van de autoriteiten zal in zijn algemeenheid de aanwezigheid van bescherming gelet op de houding van de Eritrese autoriteiten niet snel kunnen worden aangenomen, tenzij uit individuele omstandigheden dan wel uit algemene bron kan worden afgeleid dat het inroepen van bescherming daadwerkelijk soelaas kan bieden.
Bij uitvoerders van vrouwenbesnijdenis dient te worden bezien in hoeverre artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
#### 5. Bijzondere aandachtspunten
##### 4.6. Dienstplichtigen en deserteurs
In deze paragraaf wordt ingegaan op meer algemene omstandigheden die van belang (kunnen) zijn bij de beoordeling of de asielzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.
Elke Eritrese burger in de leeftijd van 18 tot 50 jaar is verplicht om deel te nemen aan de nationale dienstplicht. Voor informatie omtrent de ontheffing, vrijstelling en de onmogelijkheid voor alternatieve dienstplichtvervulling bij gewetensbezwaren wordt verwezen naar eerdergenoemd algemeen ambtsbericht.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
##### 5.1. Besluitmoratorium
Ten aanzien van asielzoekers uit Eritrea is geen besluit genomen in de zin van artikel 43 Vreemdelingenwet.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
##### 5.2. Veilig land van herkomst
Eritrea wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.
In de praktijk worden dienstplichtontduikers, dienstweigeraars en deserteurs niet berecht, ook niet door de militaire rechtbank. In plaats daarvan worden zij zonder proces bestraft, in het geval van deserteurs door hun superieuren. Hierbij wordt verwezen naar de informatie in het algemene ambtsbericht.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
##### 5.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf
Eritrea wordt niet beschouwd als een veilig derde land.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
##### 5.4. Vlucht- en/of vestigingsalternatief
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C1/3.3.3 is van toepassing.
Voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw wordt verwezen naar het beleid van C1/4.2.12 inzake vervolging wegens dienstweigering of desertie. De beoordeling of er sprake is van een onevenredige of discriminatoire bestraffing dient niet (enkel) plaats te vinden aan de hand van de theoretische strafmaten, maar zal moeten worden beoordeeld met inachtneming van de in het algemeen ambtsbericht genoemde specifieke omstandigheden ten aanzien van dienstweigeraars en deserteurs en de omstandigheden van het individuele geval.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
Daarnaast is van belang dat ten aanzien van Eritrea zich niet de situatie heeft voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict.
Bij de beoordeling van het asielrelaas van de vreemdeling dient aandacht te worden besteed aan de mogelijke betrokkenheid bij gevechtshandelingen en dient te worden bezien in hoeverre artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.
*Deserteurs*
Het normale beleid, zoals weergegeven in C1/4.2.12 is van toepassing.
Aangenomen dient te worden dat deserteurs als zodanig bij de autoriteiten staan geregistreerd. Gelet op de behandeling die deserteurs ten deel dreigt te vallen, wordt eerder aangenomen dat bij terugkeer een schending plaatsvindt van het gestelde in artikel 3 EVRM.
Weliswaar is de bestraffing van deserteurs blijkens het algemeen ambtsbericht van 29 maart 2006 afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de vreemdeling, maar op basis van de voorhanden zijnde informatie kan niet worden beoordeeld in welke gevallen er geen schending van artikel 3 EVRM behoeft te worden aangenomen. Indien er echter in het individuele relaas duidelijke aanknopingspunten aanwezig zijn dat deze persoon op grond van zijn desertie geen reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM loopt, bestaat er grond om een verblijfsvergunning te onthouden.
Indien aannemelijk is dat de vreemdeling in het leger heeft gediend, dient vervolgens aandacht te worden besteed aan de vraag of er sprake is van een aannemelijk beroep op desertie. Bij een vertrek uit het leger na het daadwerkelijke begin van de demobilisatie in 2001 dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de vreemdeling het leger heeft verlaten op grond van een demobilisatieprogramma.
Indien er grond is voor het oordeel dat de vreemdeling het leger heeft verlaten in het kader van een demobilisatieprogramma, is niet aannemelijk dat de asielzoeker een reëel risico loopt in de zin van artikel 3 EVRM.
Indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt uit het leger te zijn gedeserteerd, komt hij in beginsel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Indien contra-indicaties in de weg staan aan verlening van de vergunning, kan vanwege de absolute bescherming van artikel 3 EVRM evenwel geen sprake zijn van uitzetting naar het land van herkomst.
*Dienstweigeraars*
Het normale beleid, zoals weergegeven in C1/4.2.12 is van toepassing.
In het geval van dienstweigeraars en dienstplichtontduikers geldt dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning indien zij aannemelijk maken dat zij op grond van hun dienstweigering of dienstplichtontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan. Indien contra-indicaties in de weg staan aan verlening van de vergunning, kan vanwege de absolute bescherming van artikel 3 EVRM evenwel geen sprake zijn van uitzetting naar het land van herkomst.
Daarbij dient het volgende in aanmerking te worden genomen.
In het algemeen ambtsbericht van 29 maart 2006 is opgenomen dat geen gedwongen rekrutering zou plaatsvinden van moslimvrouwen uit de regios aan de Rode Zee-kust. Meer in het algemeen maakt voornoemd algemeen ambtsbericht melding van bronnen die aangeven dat in de praktijk alleen vrouwen in de leeftijd tussen 18 en 27 jaar dienstplichtig zijn. Dit biedt op zichzelf onvoldoende aanknopingspunten om vrouwen die boven deze leeftijd Eritrea hebben verlaten en die aannemelijk hebben gemaakt dat zij op grond van hun dienstweigering of dienstontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan, een vergunning te weigeren. Wel dient specifiek aandacht te worden besteed aan de verklaringen van betrokkene op dit punt.
Ook dient te worden bezien of betrokkene in aanmerking komt voor ontheffing dan wel of hij reeds militaire dienst heeft vervuld. Indien betrokkene gedurende zijn dienstplichtige leeftijd lange tijd in Eritrea heeft verbleven zonder te worden opgeroepen, dient in het bijzonder aandacht te worden besteed aan de vraag of de dienstplicht niet reeds is vervuld. Een lang verblijf in Eritrea zonder te worden opgeroepen, is op zichzelf onvoldoende om tot afwijzing van de aanvraag over te gaan en dient te worden bezien in samenhang met de overige verklaringen van betrokkene.
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
##### 5.5. Traumatabeleid
##### 4.7. Homoseksuelen
Homoseksuelen ondervinden in Eritrea ernstige maatschappelijke discriminatie en omtrent homoseksualiteit heerst een groot taboe. Aangenomen kan worden dat men in het algemeen afwijzend staat tegenover homoseksualiteit indien men er openlijk mee geconfronteerd wordt. Het is mogelijk dat daar waar homoseksuele geaardheid vermoed wordt, de betrokken persoon in een sociaal isolement raakt.
Indien een Eritrese asielzoeker die zich beroept op discriminatie vanwege homoseksualiteit, aannemelijk kan maken dat de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren, dan kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Het inroepen van bescherming van de autoriteiten kan slechts op basis van concrete aanknopingspunten in het individuele asielrelaas worden tegengeworpen. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen de omstandigheid dat uit het ambtsbericht blijkt dat homoseksualiteit mogelijk strafbaar is, daar de Eritrese Penal Code Proclamation seksuele afwijkingen verbiedt, waaronder ook het verrichten van handelingen met iemand van dezelfde sekse zou vallen.
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
##### 4.8. Schenders van mensenrechten
De volgende groepen hebben in Eritrea mensenrechten geschonden:
* Al Ittihad al Islamiya;
* Functionarissen van het DERG-regime;
* Eritrean Liberation Front;
* Eritrean Peoples Liberation Front;
* Ethiopian Peoples Revolutionary Democratic Front;
* Ethiopian Peoples Revolutionary Party;
* Oromo Liberation Front;
* Prominente Mengistu-aanhangers;
* Tigray Peoples Liberation Front;
* Uitvoerders van vrouwenbesnijdenis.
#### 5. Traumatabeleid
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C1/4.4 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Eritrea geen bijzonderheden.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
##### 5.6. Opvangmogelijkheden minderjarigen en bijzonderheden met betrekking tot het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen
#### 6. Categoriale bescherming
Voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen is adequate opvang in Eritrea voorhanden. Traditioneel worden alleenstaande minderjarige vreemdelingen door familie opgevangen. De familie heeft de functie van een sociaal vangnet. De Eritrese regering heeft in samenwerking met UNICEF, de Wereldbank en Italië, een infrastructuur opgezet om overige wezen op te vangen. Indien plaatsing bij familie niet mogelijk is, kunnen de minderjarigen in groepstehuizen worden geplaatst. De tehuizen functioneren goed en de kwaliteit is naar lokale maatstaven gemeten acceptabel, ook naar oordeel van UNICEF. Tot slot is er de mogelijkheid van opvang in weeshuizen. De capaciteit hiervan is echter beperkt. Men heeft nog geen ervaring opgedaan met terugkerende minderjarige vreemdelingen.
Minderjarige asielzoekers van Eritrese nationaliteit komen gelet op vorenstaande niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Wel moet bij de feitelijke terugkeer de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.
Asielzoekers uit Eritrea komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (zie C1/4.5) in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
##### 5.7. Driejarenbeleid
#### 7. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
##### 7.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C1/3.3.3 is van toepassing.
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
##### 7.2. Veilig land van herkomst
Eritrea wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
##### 7.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf
Eritrea wordt niet beschouwd als een veilig derde land.
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
##### 7.4. Schending
Bij uitspraak van 4 november 2005 heeft de ABRS uitspraak gedaan in het hoger beroep van de Minister tegen een Eritrese vreemdelinge. Deze vreemdelinge stelde bij terugkeer naar Eritrea door de autoriteiten aldaar te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, omdat er aanwijzingen zijn dat vanuit Malta (oktober 2002) en Libië (juli en augustus 2004) verwijderde Eritreeërs bij aankomst in Eritrea door de autoriteiten zijn gedetineerd en sindsdien vastzitten. De ABRS heeft geoordeeld dat uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa van februari 2005 niet blijkt waarom de vanuit Malta en Libië verwijderde Eritreeërs zijn gearresteerd en gedetineerd. Derhalve kan volgens de ABRS niet worden volstaan met een verwijzing naar het ambtsbericht om de asielaanvraag met een beroep op artikel 3 EVRM af te wijzen. Het algemene ambtsbericht van 29 maart 2006 bevat op dit punt geen andere informatie dan het ambtsbericht waar de ABRS in de uitspraak naar verwijst. Dat wil zeggen dat de motieven om de uit Malta en Libië teruggekeerde Eritreeërs bij terugkeer te detineren en tot op heden vast te houden, niet zijn geëxpliciteerd.
Indien een Eritrese asielzoeker stelt bij terugkeer naar Eritrea een risico te lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM, kan niet worden volstaan met een enkele verwijzing naar het ambtsbericht om dit beroep op artikel 3 EVRM af te wijzen. Gezien de uitspraak van de ABRS en de omstandigheid dat ook het huidige ambtsbericht geen inzicht verschaft in redenen voor detentie van de uit Malta en Libië teruggekeerde Eritreeërs, zal in elk individueel geval goed gemotiveerd dienen te worden waarom terugzending geen schending van artikel 3 EVRM betekent.
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
##### 7.5. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Het beleid zoals neergelegd in C1/5.13.3 is van toepassing. Voor wat betreft de procedure in 1F-zaken wordt verwezen naar C3/10.14. In paragraaf 4 van dit hoofdstuk is aangegeven ten aanzien van welke groepen sprake zou kunnen zijn van de bedoelde gedragingen. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C3/10.15.
##### 7.6. Legale uitreis
Om Eritrea te kunnen verlaten is een uitreisvisum vereist. Aan de verstrekking hiervan gaat een uitvoerige controle vooraf. Uitreisvisa worden regelmatig geweigerd aan jonge mannen en vrouwen die de leeftijd van hun dienstplicht naderen, personen in de dienstplichtige leeftijd, studenten, Jehovas getuigen, beambten van het voormalige Mengistu regime en andere personen die bij de Eritrese regering in ongenade zijn gevallen. Indien de vreemdeling het land heeft verlaten met een uitreisvisum, vormt dit in beginsel een contra-indicatie bij de beoordeling of betrokkene op grond van gegronde vrees voor vervolging in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
#### 8. Ambtshalve toets
##### 8.1. Opvangmogelijkheden amv's
Voor amvs is adequate opvang in Eritrea voorhanden.
Traditioneel worden amvs door familie opgevangen. De familie heeft de functie van een sociaal vangnet. Indien plaatsing bij familie niet mogelijk is, kunnen de minderjarigen in groepshuizen worden geplaatst. Kinderen in de leeftijdscategorie van 5 tot 18 jaar kunnen in deze groepshuizen verblijven. De groepshuizen functioneren goed en de kwaliteit is naar lokale maatstaven gemeten acceptabel, ook naar het oordeel van UNICEF. Daarnaast bestaat er momenteel één door de overheid beheerd weeshuis in Eritrea. Kinderen kunnen in een weeshuis terecht indien zij in de leeftijdscategorie vallen van 0 tot en met 4 jaar. Vervolgens worden zij overgebracht naar een van de groepshuizen. Men heeft nog geen ervaring opgedaan met terugkerende minderjarige vreemdelingen.
Minderjarige asielzoekers van Eritrese nationaliteit komen gelet op vorenstaande niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor amvs. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.
200617712-09-200630-08-20062006/29200617712-09-200630-08-20062006/2914-09-2006
##### 8.2. Driejarenbeleid
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/9, is van toepassing.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
##### 5.8. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
#### 9. Vertrekmoratorium
Het gestelde in C1/5.13.3 is van toepassing. In 4.3, 4.4 en 4.6 van dit hoofdstuk is aangegeven ten aanzien van welke groepen sprake zou kunnen zijn van de bedoelde gedragingen. Voor Ethiopië en Eritrea geldt dat in de volgende gevallen sprake is van 1F-indicaties:
Al Ittihad al Islamiya
DERG
ELF
EPLF
EPRDF
EPRP
OLF
Prominente Mengistu-aanhangers
TPLF
De reden dat bovenstaande lijst wordt gegeven voor zowel Ethiopië als Eritrea is mede gelegen in de mogelijkheid dat betrokkene in het verleden in het bezit was van de Ethiopische nationaliteit, maar daarna aanspraken op de Eritrese nationaliteit heeft verkregen.
Indien er aanwijzingen zijn dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, dient conform C3/10.14 contact te worden opgenomen met de unit 1F van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
Ten aanzien van asielzoekers uit Eritrea is geen besluit genomen in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.
##### 5.9. Legale uitreis
#### 10. Overgangsrecht
Om Eritrea te kunnen verlaten is een uitreisvisum vereist. Aan de verstrekking hiervan gaat een uitvoerige controle aan vooraf. Uitreisvisa worden regelmatig geweigerd aan jonge mannen en vrouwen die de leeftijd van hun dienstplicht naderen, personen in de dienstplichtige leeftijd, studenten, Jehovas getuigen, beambten van het voormalige Mengistu regime en andere personen die bij de Eritrese regering in ongenade zijn gevallen. Indien betrokkene het land heeft verlaten met een uitreisvisum, vormt dit in beginsel een contra-indicatie bij de beoordeling of betrokkene op grond van gegronde vrees voor vervolging in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
#### 6. Procedurele aspecten
Het gestelde in C3/10 tot en met C3/16 is van toepassing. Alle onderzoeksvragen dienen te worden voorgelegd aan het Gemeenschappelijk Centrum Kennis, Advies en Ontwikkeling van de Immigratie- en Naturalisatiedienst IND). Een uitzondering hierop vormt het leeftijdsonderzoek in het kader van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Zie C5/24.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
#### 7. Terugkeer en uitzetting
##### 7.1. Categoriale bescherming
Asielzoekers uit Eritrea komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet (zie C1/4.5).
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
##### 7.2. Vertrekmoratorium
Ten aanzien van asielzoekers uit Eritrea is geen besluit genomen in de zin van artikel 45, vierde lid, Vreemdelingenwet.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
##### 7.3. Terug- en overnameovereenkomsten
Met Eritrea is geen overeenkomst gesloten met betrekking tot de terugname van eigen onderdanen.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
##### 7.4. Praktische aspecten terugkeer
Naar Eritrea is terugkeer praktisch mogelijk.
Bij de feitelijke terugkeer van alleenstaande minderjarigen moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.
200516122-08-200508-08-20052005/41200516122-08-200508-08-20052005/4124-08-2005
Het beleid zoals weergegeven in het gelijknamige hoofdstuk van 8 augustus 2005 komt te vervallen met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze versie van het hoofdstuk.
### [8/44b]. Het asielbeleid ten aanzien van Ethiopië