2007-01-01 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C)
This commit is contained in:
parent
6942f01238
commit
3dfedad186
1 changed files with 36 additions and 1265 deletions
|
|
@ -1896,1149 +1896,70 @@ Er zijn situaties denkbaar waarin, nadat de aanvraag onherroepelijk is afgewezen
|
|||
|
||||
### 2/7. Alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen
|
||||
|
||||
[Artikel 3.4, 3.5, 3.6 en 3.56 Vreemdelingenbesluit]
|
||||
#### 7.1. Toetsing van de asielaanvraag
|
||||
|
||||
#### 7.1. Inleiding en begripsbepaling
|
||||
De asielaanvraag van Amv’s wordt beoordeeld aan de hand van de gebruikelijke maatstaven (inclusief die van artikel 31, tweede lid, onder f, Vw). Het Vluchtelingenverdrag bevat geen bijzondere bepalingen over minderjarige asielzoekers. Het Handboek van de UNHCR met betrekking tot procedures en criteria voor de bepaling van de vluchtelingenstatus bevat in de paragrafen 213 tot en met 219 wel specifieke aandachtspunten over de bepaling van vluchtelingschap van alleenstaande minderjarigen. Hierin staat onder meer dat bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingschap rekening moet worden gehouden met de mate van geestelijke ontwikkeling en volwassenheid van de alleenstaande minderjarige. Voor de bijzonderheden van de procedure voor Amv’s wordt verwezen naar C5/24.
|
||||
|
||||
##### 7.1.1. Inleiding
|
||||
#### 7.2. Ambtshalve toets
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.4
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
De in artikel 14, tweede lid, van de Wet bedoelde beperkingen houden verband met:
|
||||
(...)
|
||||
x. –
|
||||
verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
De beperkingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning.
|
||||
(...)
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.5
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
Het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is tijdelijk of niet-tijdelijk.
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
Het verblijfsrecht is tijdelijk, indien de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met:
|
||||
a.(...)
|
||||
q. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling;
|
||||
(...)
|
||||
r. (...)
|
||||
|
||||
|
||||
3
|
||||
(...)
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.6
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan slechts ambtshalve worden verleend onder een beperking verband houdend met:
|
||||
(...)
|
||||
b. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
(…)
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.56
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling worden verleend aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
wiens aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Wet is afgewezen, anders dan met toepassing van artikel 30 van de Wet;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
die zich naar het oordeel van Onze Minister niet zelfstandig kan handhaven in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, en
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
voor wie naar het oordeel van Onze Minister, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang ontbreekt in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
Artikel 16, eerste lid, onder d en e, van de Wet is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Regelmatig komt het voor dat een alleenstaande minderjarige vreemdeling een asielaanvraag indient. Als deze aanvraag niet leidt tot verlening van een verblijfsvergunning asiel, moet de minderjarige in beginsel terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan.
|
||||
|
||||
|
||||
Het kan echter zijn dat de minderjarige zich in dat land niet zelfstandig kan handhaven en dat daar evenmin adequate opvang aanwezig is. Voor die gevallen is in artikel 3.56 Vreemdelingenbesluit in een regeling voorzien, inhoudende dat dan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. Het betreft hier een tijdelijk verblijfsrecht (artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit).
|
||||
|
||||
|
||||
De aanspraken op deze verblijfsvergunning worden tijdens de asielprocedure bepaald in een ambtshalve toets op grond van artikel 3.6 Vreemdelingenbesluit. Deze toets vindt plaats indien:
|
||||
|
||||
|
||||
a)
|
||||
de vreemdeling verklaringen aflegt waaruit kan worden afgeleid dat hij meent te behoren tot de doelgroep van het in dit hoofdstuk beschreven beleid;
|
||||
|
||||
|
||||
b)
|
||||
de Minister op grond van de casus oordeelt dat ambtshalve dient te worden getoetst of de vreemdeling in aanmerking komt voor een ambtshalve te verlenen vergunning op grond van het in dit hoofdstuk beschreven beleid.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
ad a)
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling een opgave doet of verklaringen aflegt waaruit kan worden afgeleid dat hij meent te behoren tot de doelgroep van het beleid met betrekking tot een ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier, dan wordt in de beschikking expliciet getoetst aan het betreffende beleid. Dit kan betekenen dat de vreemdeling zich expliciet op het beleid beroept, maar het kan ook zijn dat hij slechts aangeeft alleenstaand en minderjarig te zijn.
|
||||
|
||||
|
||||
Dit uitgangspunt geldt ook als op zeker moment blijkt dat de vreemdeling niet behoort tot de doelgroep van het beleid en het beleid dus niet van toepassing kan zijn.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*Voorbeeld 1:* indien een vreemdeling aangeeft dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’, terwijl uit leeftijdsonderzoek of uit optische waarneming is gebleken dat de vreemdeling meerderjarig is, dan wordt expliciet ambtshalve getoetst.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*Voorbeeld 2:* indien de vreemdeling aangeeft alleenstaand en minderjarig te zijn, wordt expliciet getoetst, ook als de vreemdeling zich niet expliciet beroept op het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen en ook als later blijkt dat de opgave niet juist is.
|
||||
|
||||
ad b)
|
||||
|
||||
De Minister kan uit eigen beweging een ambtshalve toets uitvoeren indien de vreemdeling mogelijk behoort tot de doelgroep van een beleid zoals bedoeld in artikel 3.6 Vreemdelingenbesluit, maar dit zelf niet aangeeft in de verklaringen.
|
||||
Ambtshalve toetsing vindt in dit kader in ieder geval plaats indien een minderjarige vreemdeling wordt begeleid door een meerderjarige, niet zijnde de ouder of voogd, en het gaat om een begeleide minderjarige vreemdeling.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien er geen sprake is van een situatie als genoemd onder a) of b) vindt geen toetsing plaats. Dan is er immers geen aanleiding om te vermoeden dat de vreemdeling behoort tot de doelgroep van een beleid als bedoeld in artikel 3.6 Vreemdelingenbesluit. Indien niet ambtshalve wordt getoetst, wordt hiervan geen mededeling gedaan in de beschikking.
|
||||
|
||||
|
||||
Hieronder wordt nader ingegaan op de aspecten ‘minderjarigheid’ en ‘alleenstaand’.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
Indien de vreemdeling een opgave doet of verklaringen aflegt waaruit kan worden afgeleid dat hij meent te behoren tot de doelgroep van het beleid met betrekking tot een ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier, dan wordt in de beschikking expliciet getoetst aan het betreffende beleid. Dit kan betekenen dat de vreemdeling zich expliciet op het beleid beroept, maar het kan ook zijn dat hij slechts aangeeft alleenstaand en minderjarig te zijn.
|
||||
|
||||
##### 7.1.2. Minderjarigheid
|
||||
|
||||
De minderjarigheid wordt beoordeeld naar Nederlands recht. Artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek luidt: ‘Minderjarigen zijn zij, die de ouderdom van achttien jaren niet hebben bereikt en niet gehuwd of geregistreerd zijn dan wel gehuwd of geregistreerd zijn geweest of met toepassing van artikel 253ha meerderjarig zijn verklaard.’
|
||||
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 5 Wet conflictenrecht huwelijk wordt een huwelijk alleen erkend indien het rechtsgeldig is ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond. Een minderjarige wordt dus niet meerderjarig door een niet-erkend traditioneel huwelijk.
|
||||
Op grond van artikel 6 Wet conflictenrecht huwelijk wordt een huwelijk evenmin erkend als dit onverenigbaar zou zijn met de openbare orde. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij gedwongen huwelijken of huwelijken tussen jonge kinderen.
|
||||
|
||||
|
||||
Iemand die een geregistreerd partnerschap heeft gesloten ingevolge het Nederlands recht is op grond van artikel 1:233 Burgerlijk wetboek meerderjarig.
|
||||
Ongehuwd samenwonen (ook als er een samenlevingscontract is) leidt op zichzelf echter niet tot meerderjarigheid.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
##### 7. 1.3. Alleenstaand
|
||||
|
||||
Een minderjarige asielzoeker of vreemdeling wordt in het kader van het bijzondere beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen als alleenstaand beschouwd, als hij niet wordt begeleid door zijn meerderjarige ouder(s) of door een eventuele in het buitenland reeds toegewezen voogd.
|
||||
|
||||
|
||||
Dit bijzondere beleid is derhalve niet van toepassing als de minderjarige vreemdeling met zijn meerderjarige ouder(s) of een eventuele reeds in het buitenland toegewezen voogd Nederland inreist, of als de meerderjarige ouder(s) van de minderjarige vreemdeling, of een eventuele reeds in het buitenland toegewezen voogd, zich reeds in Nederland bevind(t)(en).
|
||||
|
||||
|
||||
Een minderjarige asielzoeker of vreemdeling die enkel wordt begeleid door een minderjarige ouder, is wel alleenstaand in het kader van dit beleid.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
#### 7.2. Uitgangspunten van het beleid
|
||||
|
||||
Alleenstaande minderjarige vreemdelingen kunnen in Nederland asiel aanvragen. Deze asielaanvraag wordt zorgvuldig getoetst volgens het normale geldende beleid aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het toetsingskader is hier gelijk aan het toetsingskader voor volwassen asielzoekers, waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere positie waarin minderjarigen kunnen verkeren.
|
||||
|
||||
|
||||
Alleenstaande minderjarige vreemdelingen van wie de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen, moeten terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan. Dit is ook in het belang van het kind zelf. Slechts weinig kinderen die ontworteld of ontheemd raken, hebben uiteindelijk baat bij de scheiding van ouders en hun omgeving. Het belang van het kind vraagt in beginsel om herstel van de relatie met ouders, familie en/of sociale omgeving.
|
||||
Op basis van artikel 3.56 Vreemdelingenbesluit wordt daarom in elk individueel geval beoordeeld of terugkeer mogelijk en verantwoord is.
|
||||
|
||||
|
||||
Het kan echter voorkomen dat uit feiten en omstandigheden blijkt dat aannemelijk is dat de minderjarige zich in het land van herkomst, of in een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, niet zelfstandig kan handhaven. In dat geval dient te worden beoordeeld of bij terugkeer aldaar voor de minderjarige naar plaatselijke maatstaven gemeten adequate opvang aanwezig is.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien dat niet het geval is, kan de minderjarige in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’. Ook na verlening van de verblijfsvergunning blijft het uitgangspunt dat de alleenstaande minderjarige vreemdeling in beginsel moet terugkeren.
|
||||
|
||||
|
||||
De uitgangspunten van dit bijzondere beleid zijn alleen van toepassing op alleenstaande minderjarige vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend. De verblijfsvergunning op grond van dit beleid kan alleen worden verleend:
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
ambtshalve in het kader van een asielprocedure, nadat is geconstateerd dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd wordt afgewezen;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
ambtshalve in het kader van een procedure waarbij is besloten dat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd wordt ingetrokken.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake minderjarige vreemdelingen en asielzoekers wordt derhalve niet verleend op aanvraag.
|
||||
|
||||
|
||||
De toetsing aan het bijzondere beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen is ex nunc. Van belang is dus niet de situatie op het moment van de asielaanvraag, maar die op het moment van ambtshalve beslissen.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
#### 7.3. Toetsing van de asielaanvraag
|
||||
|
||||
##### 7.3.1. Alleenstaande minderjarigen en de Dublinprocedure
|
||||
|
||||
Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie (zie C1/2/2) wordt in beginsel niet toegepast op asielzoekers die alleenstaande minderjarigen zijn indien er sprake is van een overnameverzoek. Artikel 6 van de Verordening stelt dat, indien de asielzoeker een niet begeleide minderjarige is, de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek berust bij de lidstaat waar een lid van het gezin (vader en/of moeder of voogd) zich wettig (rechtmatig in de zin van de Vreemdelingenwet) ophoudt, voor zover dit in het belang van het kind is. Indien er geen vader en/of moeder of voogd is, berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek bij de lidstaat waarbij de minderjarige het asielverzoek heeft ingediend. Indien er sprake is van een terugnameverzoek, wordt de minderjarige wel geclaimd.
|
||||
Voor zover de Overeenkomst van Dublin van toepassing is of zal zijn, bijvoorbeeld bij Denemarken, wordt echter conform de Verordening gehandeld en in beginsel niet verzocht om overname tenzij zich een vader en/of moeder of voogd in een andere lidstaat bevindt.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
##### 7.3.2. Beoordeling of een verblijfsvergunning asiel kan worden verleend
|
||||
|
||||
De asielaanvraag wordt beoordeeld aan de hand van de gebruikelijke maatstaven (inclusief die van artikel 31, tweede lid, onder f, Vreemdelingenwet). Het Vluchtelingenverdrag bevat geen bijzondere bepalingen over minderjarige asielzoekers. Het Handboek van de UNHCR met betrekking tot procedures en criteria voor de bepaling van de vluchtelingenstatus bevat in de paragrafen 213 tot en met 219 wel specifieke aandachtspunten over de bepaling van vluchtelingschap van alleenstaande minderjarigen. Hierin staat onder meer dat bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingschap rekening moet worden gehouden met de mate van geestelijke ontwikkeling en volwassenheid van de alleenstaande minderjarige.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
#### 7.4. Ambtshalve toetsing aan het bijzondere beleid
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.79
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan slechts op grond van artikel 16, eerste lid, onder e, van de Wet worden afgewezen, indien de vreemdeling niet bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan of daaraan niet meewerkt.
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
De aanvraag kan niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder e, van de Wet worden afgewezen, indien de vreemdeling de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
|
||||
##### 7.4.1. Algemeen
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, dan wordt beoordeeld of de betrokkene in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
|
||||
In dit kader is van belang of de alleenstaande minderjarige vreemdeling adequate opvang behoeft en of er adequate opvang bij terugkeer beschikbaar is.
|
||||
|
||||
|
||||
Alleenstaande minderjarige vreemdelingen, die tijdens de procedure een mogelijk onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land frustreren, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
|
||||
Hiervan is sprake als de betrokkene – ook los van de context van het totale asielrelaas – ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen aflegt of indien hij vage, summiere verklaringen aflegt en zaken verzwijgt (de zogeheten ‘jokkende en zwijgende ama's’) omtrent identiteit, nationaliteit of opvang. Ook indien de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen op grond van artikel 31, tweede lid, onder f, Vreemdelingenwet en het relaas mede op grond daarvan als ongeloofwaardig moet worden beschouwd, kan dit leiden tot de conclusie dat de betrokkene het onderzoek frustreert.
|
||||
Het bovenstaande kan ook worden tegengeworpen als de betrokkene jonger is dan vijftien jaar.
|
||||
|
||||
|
||||
Bij het beoordelen *of* er sprake is van ‘jokken’ of ‘zwijgen’, wordt rekening gehouden met druk, traumata, de geestelijke ontwikkeling en de leeftijd van betrokkene. Van een kind kan immers niet altijd dezelfde mate van volledigheid en gedetailleerdheid worden verwacht als van een volwassene.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
##### 7.4.2. Wanneer is opvang noodzakelijk (zelfstandigheid)
|
||||
|
||||
Om te bepalen of bij terugkeer de aanwezigheid van adequate opvang noodzakelijk is, moet worden bepaald of aannemelijk is dat de minderjarige zich zelfstandig kan handhaven. Indien dat aannemelijk is, behoeft voor terugkeer geen adequate opvang in het land van bestemming aanwezig te zijn. Hierbij zijn de volgende indicatoren van belang:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
de leeftijd van de betrokken alleenstaande minderjarige vreemdeling;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
de omstandigheden die zijn gelegen in de persoon van de jongere.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**Ad a.**
|
||||
|
||||
|
||||
Zelfstandigheid wordt niet tegengeworpen indien de alleenstaande minderjarige vreemdeling ten tijde van de beslissing jonger is dan zestien jaar.
|
||||
|
||||
|
||||
**Ad b.**
|
||||
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling ten tijde van de beslissing zestien jaar of ouder is, is van belang of uit overige omstandigheden, die in de persoon zelf zijn gelegen, aannemelijk is dat hij zich zelfstandig kan handhaven in het buitenland, gerelateerd aan de ter plaatse geldende normen. Hiervan is sprake indien de betrokkene voor zijn komst naar Nederland voor zichzelf heeft gezorgd. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit het feit dat de betrokkene in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan werk had en/of op zichzelf woonde en niet aannemelijk is dat dit serieuze problemen heeft opgeleverd, noch dat serieuze problemen te verwachten waren.
|
||||
|
||||
|
||||
Het moet voorts gaan om werkzaamheden waarvan in redelijkheid mag worden verwacht dat een minderjarige die weer oppakt. Van minderjarigen die werkzaam waren in de prostitutie, als soldaat of strijder, of ten aanzien van wie sprake was van kinderarbeid, wordt niet verwacht dat zij deze werkzaamheden weer oppakken.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien wordt geconstateerd dat aannemelijk is dat de alleenstaande minderjarige vreemdeling van zestien jaar of ouder zich zelfstandig kan handhaven en dus geen opvang behoeft, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
##### 7.4.3. Wanneer is opvang adequaat
|
||||
|
||||
Indien aan de hand van de vorige paragraaf wordt geconstateerd dat de alleenstaande minderjarige vreemdeling opvang behoeft, is van belang of voor hem adequate opvang voorhanden is in het land van herkomst of in een ander land waar hij redelijkerwijze naar toe kan gaan.
|
||||
|
||||
|
||||
Onder adequate opvang wordt verstaan iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden niet wezenlijk verschillen van de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een vergelijkbare positie als de betrokkene bevinden. Dit kan bestaan uit opvang door ouders, familieleden, vrienden, buren, stam-, clan- of dorpsgenoten.
|
||||
Het bestaan van adequate opvang in een land wordt in ieder geval aangenomen als in het betreffende land een familielid tot in de vierde graad aanwezig is, of indien het de echtgenoot betreft in een niet-erkend traditioneel huwelijk. Adequate opvang wordt voorts aangenomen indien uit feiten en omstandigheden naar voren komt dat een familielid, anders dan hiervoor bedoeld, of een meerderjarige, niet zijnde een familielid, adequate opvang kan bieden. Hiervan is onder meer sprake als de meerderjarige de minderjarige al eerder begeleidde of verzorgde op meer dan incidentele basis.
|
||||
|
||||
|
||||
Opvang in een (particuliere) opvanginstelling is aan te merken als adequaat indien de opvanginstelling naar lokale omstandigheden aanvaardbaar is.
|
||||
Indien in het landgebonden asielbeleid (zie C8) is vastgelegd dat algemene opvangvoorzieningen beschikbaar en toereikend zijn, mag ervan worden uitgegaan dat er adequate opvang is. Daadwerkelijke plaatsing behoeft ten tijde van de beschikking niet te zijn geregeld.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat de autoriteiten zorgdragen voor de opvang en dat de opvangvoorzieningen adequaat zijn, behoeft geen onderzoek naar een concrete opvangplaats in een opvanginstelling te worden gedaan.
|
||||
|
||||
|
||||
In al deze gevallen wordt verwacht dat de betrokkenen vertrekken naar het land van herkomst of naar een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
##### 7.4.4. Weigeringsgronden
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de vraag of een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ verleend of verlengd moet worden, zijn de gebruikelijke afwijzingsgronden van artikel 16, eerste lid, onder d en e, Vreemdelingenwet van overeenkomstige toepassing, zie artikel 3.56, tweede lid, Vreemdelingenbesluit en B1/2.2.4 en B1/2.2.6.
|
||||
Op grond hiervan is ook artikel 3.79 Vreemdelingenbesluit van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
#### 7.5. Geldigheidsduur en verlenging van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling op grond van het bijzondere beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, wordt deze verleend onder de beperking: ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
|
||||
De arbeidsmarktaantekening luidt: “Specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV”. De afkorting TWV staat voor 'tewerkstellingsvergunning' (artikel 1.1 Voorschrift Vreemdelingen). De term 'specifieke' houdt in dat de arbeidsperiode binnen een tijdsbestek van 52 weken niet meer dan in totaal twaalf weken mag bedragen.
|
||||
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning wordt verleend voor een jaar, maar ten hoogste tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt. De ingangsdatum is de dag waarop de vreemdeling voor het eerst aan de voorwaarden voldoet, maar valt niet voor de datum waarop de asielaanvraag is ingediend en ondertekend.
|
||||
Indien de verlening plaatsvindt naar aanleiding van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, ligt de ingangsdatum niet voor de datum van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel.
|
||||
|
||||
|
||||
De geldigheidsduur kan twee maal worden verlengd met een jaar, maar ten hoogste tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt. Verlenging vindt alleen plaats indien de betrokken vreemdeling nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning zoals omschreven in C2/7.2. De verlengingsaanvraag wordt conform B1/2.2.2 in beginsel niet afgewezen wegens het enkele ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
#### 7.6. Gronden voor intrekken en niet-verlengen van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
De aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier onder een beperking die verband houdt met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling kan op grond van artikel 18, eerste lid, onder f, Vreemdelingenwet worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden. Op grond van artikel 18, eerste lid onder e, Vreemdelingenwet kan deze aanvraag worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Op grond van artikel 19 Vreemdelingenwet kan de vergunning om deze redenen ook worden ingetrokken.
|
||||
|
||||
|
||||
Het gaat om de volgende gevallen:
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
indien achteraf blijkt dat de vreemdeling ten tijde van de aanvraag meerderjarig was;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
indien de vreemdeling meerderjarig is;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
indien gedurende de looptijd blijkt dat in Nederland een of beide meerderjarige ouder(s) of een eventuele in het buitenland reeds toegewezen voogd van de minderjarige vreemdeling zich reeds in Nederland bevind(t)(en);
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
indien gedurende de looptijd van de vergunning nieuwe informatie beschikbaar komt, waaruit zou blijken dat er opvangmogelijkheden bestaan in het land van herkomst of in ieder ander land waar de minderjarige vreemdeling redelijkerwijs naar toe kan gaan;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
indien er anderszins sprake is van afwijzingsgronden, zoals openbare-ordeaspecten.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
#### 7.7. Voortgezet verblijf
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.51
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met:
|
||||
(...)
|
||||
c. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, (...)
|
||||
(...)
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
De verblijfsvergunning kan worden verleend, indien in de in het eerste lid bedoelde periode is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
|
||||
3
|
||||
(...)
|
||||
|
||||
|
||||
4
|
||||
De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet.
|
||||
|
||||
|
||||
5
|
||||
(...).
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.52
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
In andere gevallen dan genoemd in de artikelen 3.50 en 3.51, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.64
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend voor de duur van vijf jaren.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.67
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
In afwijking van artikel 3.57, kan de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden verlengd met vijf jaren, indien de houder van de verblijfsvergunning op het moment waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
(...)
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
gedurende vijf jaren aaneengesloten rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet heeft en het verblijfsrecht niet-tijdelijk in de zin van artikel 3.5 is (...)
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
(...)
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
##### 7.7.1. Algemeen
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling kan op aanvraag worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met voortgezet verblijf.
|
||||
|
||||
De vreemdeling dient daartoe een aanvraag om wijziging van de vergunning in te dienen, gelijktijdig met een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
##### 7.7.2. Verblijf op grond van artikel 3.51 Vreemdelingenbesluit
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.51, eerste lid, onder c, Vreemdelingenbesluit kan aan een alleenstaande minderjarige vreemdeling op aanvraag een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “Voortgezet verblijf” worden verleend, indien:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
hij drie jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling” (de tijd dat betrokkene in het bezit is geweest van een vergunning voor asiel bepaalde tijd telt derhalve niet mee); en
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
hij nog minderjarig is; en
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
hij ook overigens nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning op grond van het bijzonder beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen; en
|
||||
|
||||
|
||||
d.
|
||||
er overigens geen gronden voor weigering zijn.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
De peildatum voor de vraag of de vreemdeling aan deze voorwaarden voldoet, ligt, gezien de bewoordingen van artikel 3.51 Vreemdelingenbesluit, op de laatste dag van geldigheid van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien er sprake is van een te late indiening van de aanvraag om verlenging of de aanvraag om wijziging van de beperking, is het gestelde in B1/1.2.3 en B1/2.1.2 van toepassing.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
##### 7.7.3. Verblijf op grond van artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van het vorenstaande artikel 3.51, kan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan. Hierin voorziet artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit. In individuele gevallen, waarin niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf wordt voldaan, wordt altijd bezien of het voortgezet verblijf moet worden aanvaard op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.
|
||||
|
||||
|
||||
Bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit kunnen worden aangenomen, indien:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
de vreemdeling tot zijn meerderjarigheid in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling”; en
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
hij drie jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning; en
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
hij gedurende zijn verblijf in Nederland steeds voldeed aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning op grond van het bijzonder beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Van de bevoegdheid om de vergunning in een dergelijk geval aldus te wijzigen zal geen gebruik worden gemaakt indien er een of meer van de algemene gronden voor weigering van toepassing zijn.
|
||||
|
||||
|
||||
In afwijking van B1/2.2.2. en 2.2.3 wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van het feit dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
|
||||
Het betreft hier met name vreemdelingen van wie de verblijfsvergunning asiel is ingetrokken, dan wel niet is verlengd, en aan wie vervolgens een verblijfsvergunning is verleend op grond van het bijzondere beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Indien deze vreemdelingen op het moment dat zij meerderjarig worden meer dan drie jaar op grond van een verblijfsvergunning in Nederland verblijven, maar nog geen drie jaar in het bezit zijn van laatstgenoemde verblijfsvergunning, kunnen zij niet op grond van artikel 3.51 Vreemdelingenbesluit in aanmerking komen voor voortgezet verblijf. Van deze vreemdelingen kan, in de geest van het bijzondere beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen, echter niet gevergd worden dat zij na meer dan drie jaar verblijf in Nederland op grond van een verblijfsvergunning Nederland alsnog verlaten. Daarom kan in deze zaken artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit worden toegepast.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
##### 7.7.4. Geldigheid en rechtspositie
|
||||
|
||||
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.
|
||||
De afkorting TWV staat voor “tewerkstellingsvergunning” (artikel 1.1 Voorschrift Vreemdelingen).
|
||||
|
||||
|
||||
De vergunning wordt verleend voor vijf jaar. De vergunning kan op grond van artikel 3.67 Vreemdelingenbesluit op aanvraag worden verlengd voor nog eens vijf jaar. Het middelenvereiste (artikel 18, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet) wordt hierbij niet tegengeworpen.
|
||||
De aard van de verblijfsvergunning onder de beperking ‘Voortgezet verblijf’ brengt verder met zich dat de verblijfsvergunning niet wordt ingetrokken, en de aanvraag tot verlenging niet wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet langer voldoet aan de voorwaarden van het bijzonder beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen.
|
||||
|
||||
|
||||
Dit laat echter onverlet dat onder toepassing van artikel 18, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning kan worden afgewezen als blijkt dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid. Op grond van artikel 19 Vreemdelingenwet kan de vergunning om dezelfde reden worden ingetrokken.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
#### 7.8. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
|
||||
|
||||
Conform artikel 21 Vreemdelingenwet kan de vreemdeling die gedurende vijf jaar in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
|
||||
|
||||
|
||||
De afwijzingsgronden van artikel 21 Vreemdelingenwet zijn van toepassing. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling voldoende middelen van bestaan moet hebben (artikel 21, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet). Indien de vreemdeling echter tien jaar aaneengesloten rechtmatig verblijf heeft gehad, dan wordt het middelenvereiste niet tegengeworpen (artikel 21, tweede lid, Vreemdelingenwet).
|
||||
|
||||
|
||||
Voorts geldt op grond van artikel 21, eerste lid, onder f, Vreemdelingenwet als afwijzingsgrond dat de vreemdeling op het moment van de aanvraag in het bezit is van een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie ook B1).
|
||||
|
||||
|
||||
Dit betekent dat als de vreemdeling op het moment van de aanvraag in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking “Voortgezet verblijf“ en hij minimaal vijf jaar in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning, hij in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Is hij evenwel op het moment van de aanvraag in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, zijnde een verblijfsrecht van tijdelijke aard, dan komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
#### 7.9. Overgangsrecht
|
||||
|
||||
##### 7.9.1. Toepasselijkheid van het beleid
|
||||
|
||||
Op 4 januari 2001 heeft een wijziging plaatsgehad van het beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen.
|
||||
|
||||
|
||||
In de gevallen waarin de asielaanvraag is ingediend vóór 4 januari 2001, is het beleid van toepassing zoals dat gold vóór 4 januari 2001. Dit beleid is beschreven in paragraaf B7/13 van de Vreemdelingencirculaire 1994 en de TBV's 1996/1, 2000/6 en 2000/7.
|
||||
In de gevallen waarin de asielaanvraag is ingediend in de periode van 4 januari 2001 tot en met 31 maart 2001, is het beleid van toepassing zoals beschreven in TBV 2000/30.
|
||||
In de gevallen waarin de asielaanvraag is ingediend op of na 1 april 2001, is het beleid van toepassing zoals beschreven in de Vreemdelingencirculaire 2000.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
##### 7.9.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
9.4
|
||||
Vreemdelingenbesluit
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder u, worden verleend aan de vreemdeling die inmiddels achttien jaar oud is en aan wie een vergunning tot verblijf onder de beperking verband houdende met verblijf als alleenstaande minderjarige asielzoeker is verleend op grond van een asielaanvraag, welke is ingediend vóór een door Onze Minister te bepalen tijdstip.
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
De aanvraag wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling nog geen drie jaren in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid.
|
||||
|
||||
|
||||
3
|
||||
De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
In artikel 9.4 Vreemdelingenbesluit is een overgangsregeling getroffen voor vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend onder het oude beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers en die inmiddels achttien jaar oud zijn geworden. De datum, bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, Vreemdelingenbesluit is de datum waarop het huidige beleid van kracht is geworden, te weten 4 januari 2001.
|
||||
|
||||
|
||||
Op grond van deze bepaling komen vreemdelingen in beginsel vanaf de achttiende verjaardag in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “Voortgezet verblijf”, indien zij:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
in het bezit zijn of worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling”, én
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
hun asielaanvraag hebben ingediend vóór 4 januari 2001, én
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
de achttienjarige leeftijd bereiken of reeds hebben bereikt.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ wordt in de hierboven genoemde gevallen ten hoogste verlengd *tot* de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.
|
||||
Met ingang van zijn achttiende verjaardag kan de vreemdeling vervolgens op aanvraag, behoudens contra-indicaties, in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Voortgezet verblijf’.
|
||||
|
||||
|
||||
In de gevallen waarin de geldigheidsduur van een reeds uitgegeven verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ nog doorloopt tot na de achttiende verjaardag, kan de vreemdeling een aanvraag indienen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Voortgezet verblijf’. Deze wordt, behoudens contra-indicaties, niet geweigerd.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien er sprake is van een eerste beslissing op de asielaanvraag waarbij ambtshalve een vergunning op grond van het beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen wordt verleend, geldt het volgende.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien betrokkene vóór 4 januari 2001 (ingangsdatum huidige beleid) achttien jaar oud is geworden, en hij op grond van het toenmalig geldende beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers in aanmerking komt voor verblijf, dient voor de periode tot en met 3 januari 2001 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ te worden verleend. Vanaf 4 januari 2001 komt betrokkene op grond van artikel 9.4 Vreemdelingenbesluit in aanmerking voor voortgezet verblijf.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien betrokkene op of na 4 januari 2001 achttien jaar oud is geworden, wordt aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ verleend tot de datum waarop hij achttien jaar oud wordt. Vanaf de datum waarop betrokkene achttien jaar oud wordt, komt hij in aanmerking voor voortgezet verblijf op grond van artikel 9.4 Vreemdelingenbesluit.
|
||||
|
||||
|
||||
Als er sprake is van een eerste beslissing op de asielaanvraag en de vreemdeling is inmiddels achttien, dan wordt in deze gevallen de asielaanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Voortgezet verblijf’. De vreemdeling hoeft deze vergunning dus niet apart aan te vragen.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
##### 7.9.3. Bijzonder overgangsbeleid voor begeleide minderjarigen
|
||||
|
||||
Een vreemdeling is voor 1 april 2001 in het bezit gesteld van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, die per 1 april 2001 is omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De vreemdeling wil doorprocederen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’. Het bezwaarschrift gericht tegen het niet verlenen van de verblijfsvergunning regulier wordt niet-ontvankelijk verklaard. Immers, de vreemdeling heeft de bescherming gekregen waarvoor hij in eerste instantie een asielaanvraag heeft ingediend. In deze is geen belang tot doorprocederen gelegen.
|
||||
|
||||
###### 7.9.3.1. Inleiding
|
||||
|
||||
Op 20 juli 2004 is in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer meegedeeld dat het beleid inzake begeleide minderjarige vreemdelingen is gewijzigd. Alleenstaande minderjarige vreemdelingen, die worden begeleid of verzorgd door een meerderjarige anders dan hun ouder(s) of in het buitenland aangewezen voogd, worden niet langer als ‘begeleid’ aangemerkt. Dit hoofdstuk, met name C2/7.1.2, is in die zin aangepast. C2/7.10 (oud) is komen te vervallen.
|
||||
|
||||
|
||||
Vreemdelingen aan wie eerder een verblijfsvergunning voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling is geweigerd omdat zij begeleid werden, kunnen conform bovengenoemde brief een nieuwe asielaanvraag indienen. C5/20 is hierbij van toepassing. Deze aanvraag geeft recht op opvang gedurende de asielprocedure.
|
||||
Voor wat betreft de ambtshalve toets geldt het nieuwe beleid als novum.
|
||||
|
||||
|
||||
Op grond van het Vreemdelingenbesluit moet in de afhandeling onderscheid worden gemaakt naar vreemdelingen die nog minderjarig zijn en vreemdelingen die inmiddels meerderjarig zijn geworden. In de volgende subparagrafen wordt de toetsing beschreven.
|
||||
|
||||
|
||||
Het hier beschreven bijzonder overgangsbeleid voor begeleide minderjarigen is alleen van toepassing op nog openstaande procedures waarin de asielaanvraag is ingediend vóór 1 september 2005.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
###### 7.9.3.2. Uitgeprocedeerde minderjarigen
|
||||
|
||||
Indien een nog minderjarige vreemdeling, aan wie eerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen is geweigerd omdat hij niet alleenstaand was, een nieuwe asielaanvraag indient, geldt het nieuwe beleid als novum voor wat betreft de ambtshalve toets. In dat geval wordt getoetst aan het huidige geldende beleid.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien wordt geconcludeerd dat de vreemdeling als gevolg van de gewijzigde definitie van het begrip ‘alleenstaand’ in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen wordt de vergunning verleend.
|
||||
|
||||
|
||||
De ingangsdatum van deze vergunning kan op grond van artikel 44, tweede lid, Vreemdelingenwet niet liggen vóór datum van de (nieuwe) aanvraag. Dit kan leiden tot ongewenste gevolgen.
|
||||
Zo kan het voorkomen dat de vreemdeling, indien hij in de eerste procedure in het bezit zou zijn gesteld van deze verblijfsvergunning, in aanmerking zou kunnen komen voor voortgezet verblijf, terwijl die mogelijkheid er naar aanleiding van de tweede aanvraag niet meer is, omdat betrokkene op zijn achttiende verjaardag nog geen drie jaar in het bezit zal zijn van bedoelde vergunning.
|
||||
|
||||
|
||||
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 14 mei 2003 (20031352/1) geoordeeld dat de beslissing van destijds, om aan een minderjarige vreemdeling de verblijfsvergunning te weigeren omdat hij begeleid was, niet in overeenstemming is met de Vreemdelingenwet. Daarom is de volgende voorziening getroffen voor hen die voor hun achttiende verjaardag een tweede aanvraag indienen.
|
||||
|
||||
|
||||
Een alleenstaande minderjarige vreemdeling, aan wie een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ wordt verleend, kan in aanmerking komen voor voortgezet verblijf op grond van artikel 3.52:
|
||||
|
||||
|
||||
1)
|
||||
op de dag dat hij meerderjarig wordt, dan wel
|
||||
|
||||
|
||||
2)
|
||||
op de dag dat hij, als de beslissing in de eerste procedure volgens de nieuwe inzichten was genomen, in aanmerking zou zijn gekomen voor voortgezet verblijf op grond van artikel 3.51 Vreemdelingenbesluit.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
|
||||
a)
|
||||
de eerdere asielaanvraag van betrokkene dateert van op of na 4 januari 2001 (ingangsdatum huidige beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen en het per 20 juli 2004 afgeschafte beleid inzake begeleide minderjarige vreemdelingen);
|
||||
|
||||
|
||||
b)
|
||||
aan betrokkene is in de eerste procedure een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen geweigerd omdat betrokkene werd aangemerkt als een begeleide minderjarige vreemdeling;
|
||||
|
||||
|
||||
c)
|
||||
als de beslissing in de eerste procedure volgens de nieuwe inzichten was genomen, was betrokkene in aanmerking gekomen voor bedoelde verblijfsvergunning (ex-tunctoetsing naar het moment van de eerste beschikking);
|
||||
|
||||
|
||||
d)
|
||||
als de beslissing in de eerste procedure volgens de nieuwe inzichten was genomen, dan zou betrokkene op grond van zijn verblijfsvergunning uiteindelijk in aanmerking zijn gekomen voor een verblijfsvergunning ‘voortgezet verblijf’.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
###### 7.9.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen
|
||||
|
||||
De overgangsregeling van C2/7.9.3.2 kan niet van toepassing zijn op personen die op het moment van aanvraag inmiddels meerderjarig zijn geworden. Het is immers niet mogelijk een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen te verlenen aan een meerderjarige en het is niet mogelijk voortgezet verblijf te verlenen aan een vreemdeling die niet reeds in het bezit is van een verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
|
||||
Om dit te ondervangen is op grond van artikel 3.6, tweede lid, Vreemdelingenbesluit een nieuw artikel 17a gevoegd in het Voorschrift Vreemdelingen. Hierdoor is het mogelijk geworden om ambtshalve, in het kader van een asielaanvraag, een verblijfsvergunning te verlenen onder de beperking “Verblijf als meerderjarige ex-bama”.
|
||||
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning onder deze beperking kan worden verleend aan vreemdelingen aan wie in het verleden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdeling is geweigerd op grond van het feit dat zij niet alleenstaand waren, die inmiddels meerderjarig zijn en die voldoen aan de voorwaarden a t/m d als genoemd in C2/7.9.3.2.
|
||||
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning wordt verleend voor één jaar. De ingangsdatum is de dag waarop de asielaanvraag in de lopende procedure is ingediend. Deze categorie is vrijgesteld van het vereiste om in het bezit te zijn van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. In afwijking van B1/2.2.2 en B1/2.2.3 wordt de aanvraag niet afgewezen op de enkele grond dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. De arbeidsmarktaantekening luidt: ”Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV”.
|
||||
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning onder de beperking “Verblijf als meerderjarige ex-bama” kan ten tijde van de eerste verlenging, indien de houder hiertoe een aanvraag indient, worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking “Voortgezet Verblijf” op grond van artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit. De geldigheidsduur is dan vijf jaar.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
#### 7.10. Bijzonderheden als de minderjarige vreemdeling wordt begeleid
|
||||
|
||||
##### 7.10.1. Begeleiding en verzorging
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
|
||||
##### 7.10.2. Adequate opvang
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
De Minister kan uit eigen beweging een ambtshalve toets uitvoeren indien de vreemdeling mogelijk behoort tot de doelgroep van een beleid zoals bedoeld in artikel 3.6 Vb, maar dit zelf niet aangeeft in de verklaringen.
|
||||
|
||||
### 2/8. Vreemdelingen die buiten hun schuld niet kunnen vertrekken
|
||||
|
||||
[Artikel 3.4, 3.6, 3.51 en 3.79 Vreemdelingenbesluit]
|
||||
#### 8.1. Inleiding
|
||||
|
||||
#### 8.1. Beleidsregel
|
||||
Indien een vreemdeling, van wie de aanvraag om toelating is afgewezen, kan aantonen dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, komt hij onder voorwaarden in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’, zie voor het beleid ter zake B14.
|
||||
|
||||
|
||||
Een verblijfsvergunning onder deze beperking kan worden aangevraagd, maar kan op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a, Vb ook ambtshalve tijdens een asielprocedure worden verleend, indien is gebleken dat hij niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel, terwijl hij wel heeft aangetoond dat hij in aanmerking komt voor verblijf op grond van het beleid inzake vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken.
|
||||
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.4
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
De in artikel 14, tweede lid, van de Wet bedoelde beperkingen houden verband met:
|
||||
(...)
|
||||
w. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken;
|
||||
(...)
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
De beperkingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning.
|
||||
(...)
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.5
|
||||
Vreemdelingenbesluit
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
Het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is tijdelijk of niet-tijdelijk.
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
Het verblijfsrecht is tijdelijk, indien de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking, verband houdend met:
|
||||
(…)
|
||||
r. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Indien een vreemdeling, van wie de aanvraag om toelating is afgewezen, kan aantonen dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, komt hij onder voorwaarden in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Op grond van artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit gaat het hier om een tijdelijk verblijfsrecht.
|
||||
|
||||
20056301-04-200515-03-20052005/1120056301-04-200515-03-20052005/1103-04-2005
|
||||
|
||||
#### 8.2. Toelichting
|
||||
|
||||
Uitgangspunt van het terugkeerbeleid is, dat in beginsel alle vreemdelingen kunnen terugkeren naar hun land van herkomst. Er is op dit moment geen land bekend dat de volkenrechtelijke verplichting, om eigen onderdanen terug te nemen, niet naleeft. Desalniettemin kunnen zich bijzondere situaties voordoen waarin een vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken omdat hij de benodigde reisdocumenten niet kan bemachtigen, terwijl er geen twijfel bestaat omtrent de door hem verstrekte gegevens over zijn identiteit en nationaliteit. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de vreemdeling staatloos is en hij geen wedertoelating kan verkrijgen tot het land waar hij eerder zijn gewone verblijfplaats (‘former habitual residence’) had.
|
||||
In deze gevallen kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van dit beleid.
|
||||
|
||||
|
||||
Het begrip ‘buiten hun schuld’ dient hier te worden opgevat als een objectief criterium, hetgeen betekent dat de vreemdeling aan de hand van objectief toetsbare bescheiden moet kunnen aantonen dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst of van het land alwaar de persoon verblijf heeft (gehad), geen toestemming zullen verlenen aan zijn terugkeer. Veelal gaat het hierbij om het verkrijgen van vervangende reisdocumenten waarmee de vreemdeling naar het betreffende land kan reizen en op grond waarvan hij bovendien in beginsel toegang zal krijgen tot het betreffende land. Bij de pogingen om de vereiste medewerking van de betreffende autoriteiten te krijgen, alsmede om in het bezit te komen van de benodigde (vervangende reis-) documenten, heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid.
|
||||
Van de vreemdeling wordt verwacht dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land van herkomst en dat hij ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit de juiste gegevens verstrekt. Van de vreemdeling mag eveneens worden verwacht op andere wijze in het bezit te komen van documenten om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen waarmee hij vervangende reisdocument kan verkrijgen teneinde Nederland te kunnen verlaten, bijvoorbeeld door het aanschrijven van familieleden in het land van herkomst. Daarnaast mag van de vreemdeling verwacht worden dat hij vertrekt naar een derde land, indien op basis van het geheel aan feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang zal worden verleend.
|
||||
|
||||
20056301-04-200515-03-20052005/1120056301-04-200515-03-20052005/1103-04-2005
|
||||
|
||||
#### 8.3. Voorwaarden voor verblijf
|
||||
|
||||
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het hier beschreven bijzondere beleid, dient de vreemdeling zich te wenden tot de vertegenwoordiging van zijn land van herkomst en eventuele landen van eerder verblijf. De vreemdeling komt in aanmerking voor verblijf als cumulatief aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de vreemdeling heeft zelfstandig geprobeerd zijn vertrek te realiseren. Hij heeft zich aantoonbaar gewend tot de vertegenwoordiging van het land of de landen waarvan hij de nationaliteit heeft, dan wel tot het land of de landen waar hij als staatloze vreemdeling eerder zijn gewone verblijfplaats had, en/of tot andere landen waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang zal worden verleend; en
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
hij heeft zich gewend tot de Internationale Organisatie voor Migratie voor facilitering van zijn vertrek en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek van de vreemdeling te realiseren vanwege het feit dat de vreemdeling stelt niet te kunnen beschikken over reisdocumenten; en
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
hij heeft, al dan niet door tussenkomst van de vreemdelingenpolitie, verzocht om bemiddeling van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij het verkrijgen van de benodigde documenten van de autoriteiten van het land waar hij naar toe kan gaan, welke bemiddeling niet het gewenste resultaat heeft gehad; en
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
er is sprake van een samenhangend geheel van feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat betrokkene buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten; het dient daarbij te gaan om objectieve, verifieerbare feiten en omstandigheden die zien op de persoon van betrokkene en die in de eerste plaats zijn onderbouwd met bescheiden; en
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
hij verblijft zonder verblijfstitel in Nederland, en voldoet niet aan andere voorwaarden voor een verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Toelichting bij het vierde gedachtestreepje
|
||||
|
||||
|
||||
Hierbij moet gedacht worden aan een verklaring van de ambassade waarin staat dat betrokkene niet in het bezit zal worden gesteld van een vervangend reisdocument, hoewel er niet getwijfeld wordt aan de door betrokkene opgegeven identiteit en nationaliteit. Ook kan gedacht worden aan een door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opgestelde verklaring waaruit blijkt dat de betreffende ambassade weigert een vervangend reisdocument te verstrekken hoewel de nationaliteit en identiteit niet worden betwist.
|
||||
|
||||
|
||||
Verschillende landen van herkomst en/of nationaliteiten binnen één gezin
|
||||
|
||||
|
||||
Indien de leden van één gezin verschillende nationaliteiten hebben en/of afkomstig zijn uit verschillende landen van herkomst, dienen zij de bovenstaande stappen te ondernemen om terugkeer voor het gehele gezin naar één land te bewerkstelligen. De pogingen dienen ten aanzien van alle landen waarvan op basis van het geheel aan feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat het gezin aldaar de toegang zal worden verleend te worden ondernomen.
|
||||
Indien objectief is vastgesteld dat gezinsleden buiten hun schuld niet naar één en hetzelfde land kunnen terugkeren, kunnen de leden van dat gezin alsnog in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van dit beleid.
|
||||
|
||||
|
||||
In dit verband wordt onder een ‘gezin’ verstaan:
|
||||
|
||||
|
||||
1.
|
||||
(huwelijks)partners die feitelijk een gezin vormen;
|
||||
|
||||
|
||||
2.
|
||||
(één) ouder(s) met één of meer minderjarige kinderen die feitelijk een gezin vormen;
|
||||
|
||||
|
||||
3.
|
||||
(één) ouder(s) met één of meer meerderjarige kinderen die zodanig afhankelijk zijn van hun ouder(s) dat feitelijk sprake is van een gezin.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Voorwaarde is dat het gezinsverband al bestond vóórdat de leden Nederland binnenreisden.
|
||||
|
||||
20056301-04-200515-03-20052005/1120056301-04-200515-03-20052005/1103-04-2005
|
||||
|
||||
#### 8.4. Contra-indicaties en weigeringsgronden
|
||||
|
||||
Voorts kan de verblijfsvergunning geweigerd worden indien de vreemdeling een afwijzende beschikking op zijn asielaanvraag heeft ontvangen op grond van artikel 31, tweede lid, onder f, Vreemdelingenwet 2000 wegens het toerekenbaar ontbreken van documenten die betrekking hebben op identiteit en nationaliteit.
|
||||
|
||||
#### 8.5. Ambtshalve verlening
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.6
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan slechts ambtshalve worden verleend onder een beperking verband houdend met:
|
||||
a. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken;
|
||||
(…)
|
||||
|
||||
|
||||
20056301-04-200515-03-20052005/1120056301-04-200515-03-20052005/1103-04-2005
|
||||
|
||||
##### 8.5.1. Wanneer ambtshalve toetsen?
|
||||
#### 8.2. Ambtshalve toets
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling een opgave doet of verklaringen aflegt waaruit kan worden afgeleid dat hij meent dat het beleid met betrekking tot een ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier op hem van toepassing is, dan wordt in de beschikking expliciet getoetst aan het betreffende beleid.
|
||||
|
||||
De Minister kan uit eigen beweging een ambtshalve toets uitvoeren indien de vreemdeling mogelijk behoort tot de doelgroep van een beleid zoals bedoeld in artikel 3.6 Vreemdelingenbesluit, maar dit zelf niet aangeeft in de verklaringen.
|
||||
|
||||
##### 8.5.2. Hoe ambtshalve toetsen
|
||||
|
||||
In beginsel wordt het ambtshalve besluit genomen in de beschikking waarin ook het besluit op de asielaanvraag is opgenomen. In de beschikking worden besluit en overwegingen ten aanzien van de ambtshalve toets steeds opgenomen ná het besluit en de overwegingen ten aanzien van de asielaanvraag. Dit hangt samen met de wettelijke toetsvolgorde: de ambtshalve toets komt pas aan de orde als de asielaanvraag is afgewezen.
|
||||
|
||||
#### 8.6. De aanvraag
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling is uitgeprocedeerd, bijvoorbeeld omdat hij ten tijde van de asielprocedure niet kon aantonen dat hij in aanmerking kwam voor verblijf op grond van het beleid inzake vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken, maar inmiddels meent dat hij aan de voorwaarden voldoet, kan hij de verblijfsvergunning regulier aanvragen bij de gemeente waar hij zijn woon- of verblijfplaats heeft. De gemeente zendt de aanvraag door aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), die vervolgens namens de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op de aanvraag beslist. Indien de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor verlening, wordt hij vrijgesteld van het vereiste in het bezit te zijn van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
|
||||
|
||||
|
||||
Ter zake van de aanvraag is de vreemdeling leges verschuldigd.
|
||||
Dit leidt echter uitzondering indien de vreemdeling door middel van een begeleidende brief door de Minister is uitgenodigd een verblijfsvergunning op grond van dit beleid aan te vragen. Dit kan zich voordoen in die gevallen waarin gedurende het terugkeertraject door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt geconstateerd dat, ondanks de bereidwilligheid van de vreemdeling om te werken aan de eigen terugkeer, het niet lukt om de benodigde reisdocumenten ten behoeve van de terugkeer te verkrijgen.
|
||||
|
||||
20056301-04-200515-03-20052005/1120056301-04-200515-03-20052005/1103-04-2005
|
||||
|
||||
#### 8.7. Verlening van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
Indien de betrokkene in aanmerking komt voor verblijf op grond van het hierboven beschreven beleid, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Hij wordt daarbij ontheven van het paspoortvereiste.
|
||||
De verblijfsvergunning wordt conform het gestelde in B1 aan de vreemdeling uitgereikt door middel van een document als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onder a, Voorschrift Vreemdelingen (model M75-A). De beperking luidt: ‘Verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’.
|
||||
|
||||
|
||||
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
|
||||
De afkorting TWV staat voor ‘terwerkstellingsvergunning’(artikel 1.1 Voorschrift Vreemdelingen).
|
||||
|
||||
|
||||
Kennisgeving van het besluit vindt plaats overeenkomstig de algemene procedure die plaatsvindt als een verblijfsvergunning wordt verleend (zie B1).
|
||||
|
||||
20056301-04-200515-03-20052005/1120056301-04-200515-03-20052005/1103-04-2005
|
||||
|
||||
#### 8.8. Geldigheidsduur en verlenging van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.51
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met:
|
||||
(…)
|
||||
d. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
De verblijfsvergunning kan worden verleend, indien in de in het eerste lid bedoelde periode is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
|
||||
3
|
||||
(…)
|
||||
|
||||
|
||||
4
|
||||
De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet.
|
||||
|
||||
|
||||
5
|
||||
|
||||
(…)
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van een jaar, met als ingangsdatum de dag waarop de vreemdeling voor het eerst heeft voldaan aan de hierboven weergegeven voorwaarden voor verlening, maar niet eerder dan de datum waarop de (asiel)aanvraag is ingediend. De geldigheidsduur kan tweemaal met een jaar worden verlengd, indien de vreemdeling nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien na afloop van de periode van drie jaar de vreemdeling nog immer voldoet aan de voorwaarden voor verlening, wordt hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (in de zin van artikel 14 Vreemdelingenwet) onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is vijf jaar.
|
||||
De arbeidsmarktaantekening luidt in dit geval: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
|
||||
|
||||
20056301-04-200515-03-20052005/1120056301-04-200515-03-20052005/1103-04-2005
|
||||
|
||||
#### 8.9. Gezinshereniging en -vorming
|
||||
|
||||
Hoofdstuk B2 is van toepassing.
|
||||
|
||||
#### 8.10. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
Indien gedurende de looptijd van in totaal drie jaar nieuwe informatie beschikbaar komt, waaruit blijkt dat de vreemdeling zich redelijkerwijs alsnog kan begeven naar zijn land van herkomst of een ander land, dient tot intrekking of niet-verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning te worden overgegaan.
|
||||
De Minister kan uit eigen beweging een ambtshalve toets uitvoeren indien de vreemdeling mogelijk behoort tot de doelgroep van een beleid zoals bedoeld in artikel 3.6 Vb, maar dit zelf niet aangeeft in de verklaringen.
|
||||
|
||||
### 2/9. Driejarenbeleid
|
||||
|
||||
[Artikel 3.4 Vreemdelingenbesluit]
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
#### 9.1. Algemeen
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.4
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
De in artikel 14, tweede lid, van de Wet bedoelde beperkingen houden verband met:
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
x.
|
||||
het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag, of
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
De beperkingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.6
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan slechts ambtshalve worden verleend onder een beperking verband houdend met:
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag, of
|
||||
|
||||
.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Met ingang van 1 januari 2003 is het driejarenbeleid afgeschaft, onder handhaving van het bestaande beleid als overgangsrecht voor aanvragen die op dat moment drie jaar oud waren. Een aanspraak op het driejarenbeleid ontstaat pas op het moment dat de driejarentermijn is vol gemaakt. Aanvragen, ontvangen op 1 januari 2000 of latere datum, komen dus niet op grond van het driejarenbeleid in aanmerking voor inwilliging.
|
||||
Voor aanvragen, ontvangen vóór 1 januari 2000, blijft het driejarenbeleid wel gelden met dien verstande dat na 1 januari 2003 geen relevante tijd meer wordt opgebouwd.
|
||||
|
||||
|
||||
Het driejarenbeleid is een bijzonder beleid binnen het vreemdelingenbeleid. Het enkele tijdsverloop in een procedure omtrent een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet is geen reden om tot verblijfsaanvaarding over te gaan. Het driejarenbeleid heeft zich gevormd vanuit de volgende overweging: als gevolg van het tijdsverloop in een verblijfsrechtelijke procedure kan, onder omstandigheden, enerzijds bij de vreemdeling de gedachte opkomen dat de Minister in zijn verblijf in Nederland zal berusten en kan anderzijds de Minister in redelijkheid niet meer gebruikmaken van zijn bevoegdheid de vreemdeling verblijf te weigeren.
|
||||
|
||||
|
||||
Toetsing aan het driejarenbeleid komt pas aan de orde als de individuele situatie van de aanvrager geen aanleiding geeft om de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen. De termijn van drie jaar wordt alleen aan de asielaanvraag gekoppeld. De lange duur van de procedure moet voornamelijk of uitsluitend terug te voeren zijn op effecten van bestuurlijk beleid, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het verloop van de procedure. In dat verband is van belang dat de vreemdeling geen handelingen heeft verricht die het bestuursorgaan of de rechter noodzaken tot het uitstellen van de beslissing (traineren). Daarbij kan gedacht worden aan het (telkenmale) aandragen van informatie die moet worden onderzocht (zie C2/9.4 over de berekening van de termijn).
|
||||
Hieronder worden de voorwaarden aangegeven.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
#### 9.2. Voorwaarden
|
||||
|
||||
a. Op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of het verlengen van de geldigheidsduur daarvan, als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet is drie jaren na ontvangst ervan niet onherroepelijk beslist. Ditzelfde geldt voor de aanvraag van een vergunning voor onbepaalde tijd asiel als bedoeld in artikel 33 Vreemdelingenwet.
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van dit beleid wordt een bezwaarschrift of een beroepschrift (indien geen bezwaar mogelijk was) tegen de intrekking van een verblijfsvergunning gelijkgesteld met een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van deze vergunning. Ook in deze gevallen moet het gaan om een beslissing, die nog niet onherroepelijk is, terwijl de vreemdeling rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vreemdelingenwet. Voor reeds afgesloten zaken geldt het beleid dus niet.
|
||||
|
||||
b. De vreemdeling moet gedurende deze periode rechtmatig verblijf hebben gehad op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vreemdelingenwet in afwachting van de beslissing op het beroepschrift gericht tegen de afwijzing van deze aanvraag.
|
||||
|
||||
Dit betekent dat de vreemdeling ofwel aansluitend vanaf de datum van de aanvraag tot aan het moment van het vollopen van de driejarentermijn rechtmatig verblijf heeft gehad omdat hij de beslissing op de aanvraag mocht afwachten, ofwel na een rechterlijke uitspraak, waarin het verzoek om een voorlopige voorziening is toegewezen of het beroep gegrond is verklaard, geacht wordt de gehele periode van drie jaar rechtmatig verblijf te hebben gehad. Gelet op het feit dat in asielzaken de procedure bij de rechtbank in veel gevallen in Nederland mag worden afgewacht (artikel 82 Vreemdelingenwet) en de proceduretijd in die gevallen dus meetelt, zal deze voorwaarde slechts van belang zijn in de uitzonderingsgevallen van artikel 82 Vreemdelingenwet en bij het hoger beroep. Indien de voorlopige voorziening wordt toegewezen dan wel het (hoger) beroep gegrond is verklaard, geldt de tijd vanaf de datum van het verzoekschrift (verzoek om een voorlopige voorziening, (hoger) beroepschrift) als relevante tijd voor het bepalen van de driejarentermijn.
|
||||
|
||||
In het geval de rechter met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Algemene wet bestuursrecht het bestreden besluit heeft vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand laat, wordt de periode van behandeling van het (hoger) beroep niet alsnog rechtmatig geacht. Eén van de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing is immers dat er aanspraken kunnen ontstaan op een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid.
|
||||
|
||||
c. Gedurende de relevante periode van drie jaar moet de asielaanvraag nog aan de orde zijn, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet inmiddels een ander verblijfsdoel nastreeft.
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
#### 9.3. Contra-indicaties
|
||||
|
||||
a. de vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid;
|
||||
b. er zijn onjuiste gegevens verstrekt dan wel gegevens achtergehouden, terwijl de achtergehouden gegevens tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid;
|
||||
c. de vreemdeling heeft zich zonder geldige reden onttrokken aan het toezicht;
|
||||
d. de vreemdeling voert (deels) gelijktijdig met de procedure in Nederland een procedure in een ander land;
|
||||
e. er bestaan ernstige twijfels over de identiteit van de vreemdeling;
|
||||
f. het door eigen toedoen langdurig procederen.
|
||||
|
||||
ad a. gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van deze grond is het tijdstip van het plegen van het delict van belang. Indien tijdens de driejarentermijn een strafbaar feit is gepleegd, terzake waarvan een serieuze verdenking is ontstaan (het gaat dan om een misdrijf), dan wordt aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, tenzij de strafzaak is afgerond zonder veroordeling (sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging). Ook als een transactie heeft plaatsgevonden of als de strafzaak nog niet is afgerond, is er sprake van deze contra-indicatie.
|
||||
|
||||
Is het delict gepleegd voorafgaand aan de asielaanvraag, of na het verstrijken van de driejarentermijn, dan wordt aansluiting gezocht bij het algemene beleid inzake de weigering van verblijf bij gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid, aangezien het driejarenbeleid ziet op de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, zie B1/2.2.4. Is het delict gepleegd op een moment dat er reeds drie jaar en zes maanden (de normale beslistermijn plus de driejarentermijn) verstreken zijn, dan wordt getoetst aan de glijdende schaal.
|
||||
|
||||
ad b. onjuiste gegevens
|
||||
|
||||
Zie C1/5.2.3 voor toepassing van deze grond.
|
||||
|
||||
Deze contra-indicatie heeft voor het driejarenbeleid geen absoluut karakter in die zin dat altijd een verblijfsvergunning zal worden onthouden. Als de vreemdeling, na confrontatie met de bevindingen van de Minister (bijvoorbeeld op grond van een onderzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken) toegeeft dat hij op relevante (essentiële) onderdelen van zijn asielrelaas onjuiste gegevens heeft verstrekt, kan hij vanaf dat moment relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid opbouwen. Dat geldt niet voor zaken waarin de vreemdeling de resultaten van het onderzoek betwist en vervolgens (op dit onderdeel van de procedure) in het ongelijk wordt gesteld. In dat geval blijft de vreemdeling in feite onjuiste gegevens verstrekken en staat dit (nog steeds) in de weg aan het opbouwen van relevant tijdsverloop.
|
||||
|
||||
ad c. zich onttrekken aan het toezicht
|
||||
|
||||
Uit het gedrag van de vreemdeling moet blijken dat hij kennelijk geen belang meer hecht aan de beslissing op zijn oorspronkelijke aanvraag door (bijvoorbeeld) zijn adres met onbekende bestemming te verlaten of geen contact meer te houden met de bevoegde autoriteiten. Overigens geldt als voorwaarde voor toepassing van deze afwijzingsgrond niet dat de vreemdeling een meldplicht had. De tijd die verstreken is voordat de vreemdeling met onbekende bestemming vertrok, telt niet mee voor het berekenen van de relevante termijn; pas op het moment dat de vreemdeling zich weer bij de bevoegde autoriteiten meldt, gaat er een nieuwe termijn lopen.
|
||||
|
||||
ad d. deels gelijktijdig procederen in een ander land
|
||||
|
||||
Gelet op de systematiek van de Vreemdelingenwet is het voeren van een procedure in een ander land in het algemeen een afwijzingsgrond voor de asielaanvraag. Zolang de procedure in het andere land nog niet is afgerond, neemt de relevante periode voor het driejarenbeleid nog geen aanvang. De reden hiervoor is dat de vreemdeling het in eigen hand heeft om een van de procedures te beëindigen. Zaken waarin wordt geprocedeerd over de vaststelling van de verantwoordelijkheid van een ander land voor de asielaanvraag (op grond van artikel 30, onder a of d Vreemdelingenwet) leveren geen relevante periode op voor het driejarenbeleid, omdat dan door het aanwenden van rechtsmiddelen de verantwoordelijkheid automatisch op Nederland zou overgaan, hetgeen niet in overeenstemming is met het karakter van de onderliggende procedure. In het geval de rechter heeft vastgesteld dat Nederland wel de asielaanvraag moet behandelen, en dus af moet zien van een overdracht van de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag, telt de gehele aan die uitspraak voorafgaande procedure mee voor de bepaling van de termijn
|
||||
|
||||
ad e. twijfels omtrent de identiteit
|
||||
|
||||
Deze grond is bijvoorbeeld van toepassing indien de vreemdeling zich heeft bediend van verschillende personalia (pseudoniemen) en ten aanzien van geen van deze personalia authentieke documenten heeft overgelegd. Ook hier heeft de vreemdeling het zelf in de hand om aan de twijfel een einde te maken, en zolang hij dat niet doet, levert de verstreken tijd in de procedure geen relevante termijn voor het driejarenbeleid op.
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
#### 9.4. Berekening termijn
|
||||
|
||||
##### 9.4.1. Aanvang termijn
|
||||
|
||||
De termijn gaat lopen vanaf de datum van ontvangst van de asielaanvraag door middel van het formulier als bedoeld in artikel 3.108 Vreemdelingenbesluit (zie C3/12.4).
|
||||
De dag van ontvangst van de aanvraag telt dus mee bij de berekening van de termijn.
|
||||
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van dit beleid wordt een bezwaarschrift of een beroepschrift (indien geen bezwaar mogelijk was) tegen de intrekking van een verblijfsvergunning gelijkgesteld met een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van deze vergunning. In deze gevallen gaat de termijn lopen vanaf de datum van ontvangst van het rechtsmiddel. Let wel, deze procedure staat los van de procedure omtrent de aanvraag van de verblijfsvergunning. Het tijdsverloop van de oorspronkelijke procedure mag niet worden opgeteld bij het tijdsverloop van de intrekkingprocedure.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
##### 9.4.2. Einde termijn
|
||||
|
||||
Er wordt geen tijdsverloop meer opgebouwd vanaf de datum waarop de beslissing rechtens onaantastbaar wordt. Daarvan zal in beginsel sprake zijn vier weken na de datum waarop de beslissing, met inachtneming van de artikelen 3:40 en 3:41 Algemene wet bestuursrecht in werking treedt, als de vreemdeling tenminste binnen de daarvoor gestelde termijn geen beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling beroep heeft ingesteld, eindigt de termijn, behoudens een gegrondverklaring van het beroep met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan in het geval de vreemdeling de procedure niet in Nederland mocht afwachten, op de datum van de uitspraak, tenzij binnen de daarvoor gestelde termijn hoger beroep tegen de uitspraak wordt ingesteld.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling verzet doet tegen de uitspraak in (hoger) beroep wordt geen tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzetschrift ontvangen is, tenzij het verzet gegrond wordt verklaard en het (hoger) beroep vervolgens alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling herziening vraagt van de uitspraak in (hoger) beroep wordt evenmin tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzoekschrift wordt ontvangen, tenzij het verzoek om herziening wordt toegewezen en het (hoger) beroep alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
##### 9.4.3. Onderbrekingen van de termijn
|
||||
|
||||
a. de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e of l, Vreemdelingenwet;
|
||||
b. de vreemdeling niet in Nederland verblijft, tenzij de vreemdeling geoorloofd buiten Nederland verblijft;
|
||||
c. de termijn, bedoeld in artikel 42 Vreemdelingenwet, met toepassing van artikel 43, Vreemdelingenwet is verlengd;
|
||||
d. onderzoek wordt gedaan naar door de vreemdeling verstrekte gegevens of bescheiden die naar het oordeel van de Minister in redelijkheid niet tot inwilliging van de aanvraag zouden kunnen leiden.
|
||||
|
||||
ad a. In onderdeel a is neergelegd dat niet in aanmerking wordt genomen de periode waarin de vreemdeling al rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning, als gemeenschapsonderdaan of als vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Dat betekent dat het verlenen van een verblijfsvergunning, van welke aard ook (met name regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd), of de vaststelling dat de vreemdeling een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht of het Associatiebesluit de opbouw van de relevante tijd stopt. De gehele geldigheidsduur van de verblijfsvergunning telt niet mee, ook al wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van een datum die ligt voor de datum waarop de beschikking, strekkende tot verlening, is genomen.
|
||||
|
||||
Let wel: in zaken waarin het relevante tijdsverloop moet worden beoordeeld naar de stand van zaken vóór 1 april 2001, en dus moet worden vastgesteld of de driejarentermijn is volgelopen vóór 1 april 2001, is dit op grond van een uitspraak van de REK van 1 november 2000 anders. Indien de vreemdeling in de loop van de procedure reeds in het bezit is gesteld van een andere verblijfstitel ongeacht de vraag of deze verblijfstitel naar zijn aard tijdelijk is of niet, telt die periode niet mee in de opbouw van het relevante tijdsverloop voor de nog openstaande procedure.
|
||||
|
||||
Buiten beschouwing blijft derhalve de periode vanaf de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de vreemdeling een verblijfstitel wordt toegekend tot en met de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de verblijfstitel wordt ingetrokken dan wel, bij niet verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfstitel, de expiratiedatum daarvan. Bij verzending per post wordt de dag na de verzending als dag van ontvangst gezien, tenzij deze dag valt op een zondag of een algemeen erkende feestdag. In dit laatste geval wordt de dag van ontvangst geacht te zijn de eerstvolgende dag die niet een zondag of algemeen erkende feestdag is.
|
||||
|
||||
Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat in deze gevallen in twee stappen gekeken wordt naar de driejarentermijn. Eerst wordt bepaald aan de hand van de lijn van de REK van 1 november 2000 – het feitelijk bezit van de verblijfsvergunning – op welke datum de vreemdeling drie jaar relevant tijdsverloop heeft opgebouwd. Indien deze termijn volloopt vóór 1 april 2001, dan is in ieder geval voldaan aan één van de voorwaarden van het driejarenbeleid en kan, indien aan de overige voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan, een verblijfsvergunning worden verleend.
|
||||
|
||||
Indien de termijn, op deze wijze berekend, volloopt op of ná 1 april 2001 dan geldt de hoofdregel dat de gehele periode van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet wordt meegeteld.
|
||||
|
||||
De verlening van een verblijfsvergunning asiel houdt in dat de vreemdeling heeft gekregen waarom hij heeft gevraagd, en daarmee komt een einde aan de procedure.
|
||||
|
||||
ad b. In onderdeel b is bepaald dat bij de berekening van de driejarentermijn buiten beschouwing blijft de periode waarin de vreemdeling niet in Nederland verbleef. Daarop wordt een uitzondering gemaakt ingeval de vreemdeling geoorloofd buiten Nederland verbleef. Daarvan is in ieder geval sprake indien de vreemdeling voorafgaande aan zijn vertrek van de korpschef een verklaring heeft gekregen die recht geeft op terugkeer naar Nederland en hij tijdig, dat wil zeggen voor de aangegeven expiratiedatum, naar Nederland is teruggekeerd.
|
||||
|
||||
Datzelfde geldt, indien de vreemdeling bijvoorbeeld na afwijzing van een verzoek om voorlopige voorziening uit Nederland vertrekt en daarmee voldoet aan de op hem rustende vertrekplicht, maar de rechtbank zijn beroep vervolgens alsnog gegrond verklaart en het bestreden besluit vernietigt. Ook dan ligt het niet voor de hand het verblijf buiten Nederland tegen te werpen.
|
||||
|
||||
In de uitzondering van onderdeel b komt de ratio tot uiting dat met geoorloofd verblijf buiten Nederland de opbouw van de driejarentermijn niet eindigt. Wel zal, aangezien het verblijf buiten Nederland berust op een keuze van de vreemdeling, de periode van het verblijf in het buitenland niet meetellen.
|
||||
|
||||
ad c. In onderdeel c is bepaald dat buiten beschouwing blijft de periode waarmee de beslistermijn op grond van het besluitmoratorium is verlengd. De duur van het besluitmoratorium telt niet mee als relevant tijdsverloop bij het bepalen van het recht op een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid. Hierbij zijn de volgende situaties te onderkennen:
|
||||
|
||||
1. Het besluitmoratorium is ingesteld na het indienen van de asielaanvraag. In dit geval telt de periode tussen het instellen van het moratorium en de datum van de uiteindelijke beslissing op de aanvraag door het bestuursorgaan niet mee, tot een maximum van één jaar.
|
||||
|
||||
De asielaanvraag is ingediend op 1 januari 2002 en het besluitmoratorium is ingesteld per 1 april 2002 en wordt ingetrokken per 1 augustus 2002. De uiteindelijke beslissing wordt door het bestuursorgaan op 1 juli 2003 genomen. In deze situatie telt de periode tussen 1 april 2002 en 1 april 2003 niet mee.
|
||||
|
||||
De asielaanvraag is ingediend op 1 januari 2002 en het besluitmoratorium is ingesteld per 1 april 2002. Het bestuursorgaan neemt de uiteindelijke beslissing op 1 september 2002. Het besluitmoratorium wordt ingetrokken per 1 december 2002. In dit geval telt de periode tussen 1 april en 1 september 2002 niet mee.
|
||||
|
||||
De asielaanvraag is ingediend op 1 januari 2002 en het besluitmoratorium ingesteld per 1 april 2002. Dit besluitmoratorium eindigt per 1 april 2003. De uiteindelijke beslissing wordt door het bestuursorgaan op 1 juli 2003 genomen. Dan telt de periode tussen 1 april 2002 en 1 april 2003 niet mee.
|
||||
|
||||
Het besluitmoratorium is ingesteld per 1 januari 2002 en de asielaanvraag wordt ingediend op 1 april 2002. Het besluitmoratorium eindigt per 1 januari 2003 en de uiteindelijke beslissing wordt door het bestuursorgaan genomen op 1 april 2003. In dit geval telt de periode tussen 1 april 2002 en 1 april 2003 niet mee.
|
||||
|
||||
ad d. In onderdeel d is bepaald dat indien de vreemdeling gegevens of bescheiden heeft overgelegd waarnaar onderzoek heeft moeten plaatsvinden, terwijl achteraf blijkt dat die in redelijkheid niet tot inwilliging van de aanvraag zouden hebben kunnen leiden, deze periode niet meetelt voor de opbouw van de driejarentermijn. De noodzaak tot het verrichten van onderzoek wordt dan beschouwd als voort te vloeien uit een handeling van de vreemdeling, waardoor de extra proceduretijd die met het onderzoek gemoeid is voor rekening van de vreemdeling komt.
|
||||
|
||||
Indien het onderzoek redelijkerwijs tot inwilliging van de aanvraag kan leiden, bestaat er geen aanleiding om de termijn van het onderzoek aan de vreemdeling toe te rekenen. In die gevallen zal de gevraagde vergunning in het algemeen worden verleend en is reeds daarom het driejarenbeleid niet van toepassing.
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
#### 9.5. Aard van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
3.61
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.57 kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag, worden verleend voor vijf jaren.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
De lange duur van de procedure behoort niet tot de in artikel 29 Vreemdelingenwet genoemde gronden, waarop de verblijfsvergunning asiel kan worden verleend. Derhalve is de te verlenen verblijfsvergunning een reguliere verblijfsvergunning. Deze kan op grond van artikel 3.6 Vreemdelingenbesluit ambtshalve worden verleend, indien wordt vastgesteld dat aan de voorwaarden voor de verlening is voldaan. De vreemdeling behoeft deze verblijfsvergunning dus niet bij de korpschef aan te vragen.
|
||||
|
||||
|
||||
De verlening van deze verblijfsvergunning regulier heeft tot gevolg dat de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, Vreemdelingenwet heeft. Een redelijke wetstoepassing brengt echter met zich dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet niet op de grond genoemd in artikel 30, onder b, Vreemdelingenwet wordt afgewezen, omdat aan de vreemdeling een verblijfsvergunning is verleend wegens het driejarenbeleid. De verblijfsvergunning kan ingevolge het bepaalde in artikel 3.61 Vreemdelingenbesluit voor de duur van vijf jaren worden verleend, aangezien deze verblijfsvergunning ambtshalve wordt verleend en niet wordt onthouden wegens het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding. De verblijfsvergunning behelst naar zijn aard een niet tijdelijk doel en kan dan ook uiteindelijk aanspraken op een vergunning voor onbepaalde tijd regulier als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet opleveren.
|
||||
|
||||
|
||||
In de toelichting op artikel 3.6 Vreemdelingenbesluit wordt aangegeven dat in het geval de in dit artikel bedoelde vergunning niet ambtshalve wordt verleend en de vreemdeling zich daar niet mee kan verenigen, deze de eventuele gronden tegen de niet-verlening van de hier bedoelde verblijfsvergunning bij voorkeur in beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag aanvoert. Dit is van belang voor de voortgang van de verblijfsrechtelijke procedure en de samenhang met de asielprocedure.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
#### 9.6. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
|
||||
|
||||
De korpschef verleent de verblijfsvergunning onder de beperking ‘Tijdsverloop in de asielprocedure’.
|
||||
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.
|
||||
De afkorting TWV staat voor ‘tewerkstellingsvergunning’ (artikel 1.1 Voorschrift Vreemdelingen).
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
## 3. De asielprocedure
|
||||
|
||||
|
|
@ -4412,7 +3333,7 @@ Indien een vreemdeling aangeeft asiel te willen aanvragen, terwijl al eerder in
|
|||
|
||||
#### 20.2. Het maken van een afspraak voor een volgende asielaanvraag
|
||||
|
||||
Gedurende de periode voorafgaand aan de daadwerkelijke indiening van de tweede of volgende asielaanvraag maakt de vreemdeling geen aanspraak op verblijf in een tijdelijke noodvoorziening.
|
||||
In verband met de administratieve voorbereiding die met een tweede of volgende aanvraag samenhangt, wordt voor het indienen van een tweede of volgende asielaanvraag vooraf een afspraak gemaakt met de vreemdeling.
|
||||
|
||||
#### 20.3. Bijzonderheden betreffende de aanmeldcentrumprocedure
|
||||
|
||||
|
|
@ -4616,94 +3537,9 @@ Indien het land waar de claim is gelegd, akkoord gaat met overname van de behand
|
|||
|
||||
200316528-08-200327-08-2003HKUIT-4079(AUB)200316528-08-200327-08-2003HKUIT-4079(AUB)01-09-2003
|
||||
|
||||
#### 21.5. Overdracht Overeenkomst van Dublin/de
|
||||
#### 21.5. Overdracht Overeenkomst van Dublin/de Verordening (EG) 343/2003
|
||||
|
||||
Indien in het kader van de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening (EG) 343/2003 een claim is gehonoreerd en het asielverzoek derhalve op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet wordt afgewezen, wordt de beschikking zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling uitgereikt en wordt hem mededeling gedaan door welk land zijn asielverzoek (in de zin van de Overeenkomst van Dublin/de Verordening (EG) 343/2003) zal worden behandeld. Voorts wordt hem meegedeeld dat hij krachtens deze Overeenkomst dan wel de Verordening (EG) 343/2003 en met inachtneming van de nationale regelgeving zal worden overgedragen.
|
||||
|
||||
|
||||
Middels deze beschikking wordt voldaan aan hetgeen gesteld in artikel 19, eerste en tweede lid en artikel 20, eerste lid, onder e, van de Verordening (EG) 343/2003. Voorts zal, in overeenstemming met hetgeen is gesteld in artikel 19, derde lid en artikel 20, eerste lid, onder d, Verordening (EG) 343/2003 343/2003, zodra hierover meer bekend is, de datum van overdracht bekend worden gemaakt. In elk geval zal de overdracht in beginsel niet later dan 6 maanden plaatsvinden vanaf de aanvaarding van het verzoek of vanaf de beslissing op het beroep wanneer dit opschortende werking heeft.
|
||||
|
||||
|
||||
Vreemdelingen, ten aanzien van wie op grond van de Verordening (EG) 343/2003 een verzoek tot overname/terugname is of zal worden gelegd, behouden hun recht op opvang gedurende de periode waarin het verzoek in behandeling is. De opvang wordt niet voortgezet in het geval betrokkene beroep heeft aangetekend tegen de afwijzende (Dublin)beschikking nu dit beroep niet in Nederland mag worden afgewacht (artikel 82, tweede lid, Vreemdelingenwet).Wel kan de vreemdeling een verzoek om een voorlopige voorziening indienen bij de rechtbank teneinde de beslissing in beroep hier te lande af te wachten (zie voor het overgangsrecht C1/3.2).
|
||||
Het onthouden van opschortende werking aan de beroepsprocedure in de Verordening (EG) 343/2003 is gelegen in het uitgangspunt dat snel en efficiënt wordt gehandeld inzake de Dublinprocedure temeer daar het gaat om overdracht naar een andere lidstaat en niet naar het land van herkomst. Ingevolge de Nederlandse beleidsregels mag een eerste tijdig ingediende voorlopige voorziening in beginsel worden afgewacht. Indien dit echter leidt tot een situatie waarbij de overdracht ingevolge de bepalingen van de Verordening (EG) 343/2003 (artikel 19, derde lid of artikel 20, eerste lid, onder d van de Verordening (EG) 343/2003) dreigt illusoir te worden, zal tot overdracht worden overgegaan en de voorlopige voorziening niet langer mogen worden afgewacht, mede bezien in het licht van C4/17.3.2 Vc.
|
||||
|
||||
|
||||
Hierbij wordt opgemerkt dat de voorlopige voorziening tijdig moet zijn ingediend en voorts dat het de eerste voorlopige voorziening dient te zijn nu deze in beginsel mag worden afgewacht. Indien de eerste voorlopige voorziening tijdig is ingediend, blijft het recht op opvang bestaan (zie hoofdstuk I, artikel 5, eerste lid onder b, RVA 2005).
|
||||
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 19, derde lid, of artikel 20, eerste lid, onder d, Verordening (EG) 343/2003 343/2003 wordt de vreemdeling, zodra het praktisch mogelijk is en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek of vanaf de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening – *wanneer dit opschortende werking heeft* – overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat. Indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, berust de verantwoordelijkheid bij de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend. Ingevolge artikel 19, vierde lid, of artikel 20, tweede lid, Verordening (EG) 343/2003 kan de termijn tot overdacht tot maximaal één jaar worden verlengd indien de overdracht wegens detentie niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd. De termijn tot overdracht kan tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd wegens onderduiking van de asielzoeker.
|
||||
|
||||
|
||||
Het Dublinbureau dient derhalve de overdracht zo spoedig mogelijk en bij voorkeur binnen deze termijn van 6 maanden te regelen. Het feit dat een eventuele overdracht nog niet rond is, doet geen (verlengd) recht op opvang ontstaan. De vreemdeling is na een geaccordeerd verzoek immers op de hoogte welke lidstaat zijn asielverzoek in behandeling neemt en kan een beroep doen op de daar geldende faciliteiten.
|
||||
De regeling voor inbewaringstelling van artikel 59, tweede lid, Vreemdelingenwet is van toepassing. Onder ‘terugkeer’ in de zin van artikel 59, tweede lid, Vreemdelingenwet dient in de eerste plaats gedacht te worden aan terugkeer naar het land van herkomst. Daarnaast kan gedacht worden aan vertrek naar het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening (EG) 343/2003.
|
||||
|
||||
|
||||
Ook in dat geval kan de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste en tweede lid, Vreemdelingenwet in bewaring worden gesteld totdat de vreemdeling vertrekt naar het land dat de behandeling van de aanvraag zal overnemen (zie A5/5.3 en A5/5.3.3.7 in het bijzonder). Voor de belangenafweging wordt verwezen naar C1/2.
|
||||
|
||||
|
||||
De ambtenaar van het Dublinbureau vraagt op grond van de instemming van de verantwoordelijke lidstaat een laissez-passer aan bij het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hij legt hierbij een pasfoto van de asielzoeker en de volgende gegevens over: nummer van het Centraal Register Vreemdelingen (CRV) dan wel het V-nummer van het Basisvoorziening Vreemdelingensysteem (BVV), tenaamstelling, geboorteplaats en -datum, nationaliteit en het adres in het andere land waar de asielzoeker zich dient te melden. Het betreft hier meestal de locatie waar de overdracht feitelijk plaatsvindt.
|
||||
|
||||
|
||||
Voor het bepalen van de datum waarop de vreemdeling zich dient te melden bij de autoriteiten van de overnemende lidstaat is het van belang om te weten of de vreemdeling rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de beschikking op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet.
|
||||
|
||||
|
||||
Gelet op artikel 82, Vreemdelingenwet is geen opschortende werking verbonden aan het aanwenden van eventuele rechtsmiddelen tegen het besluit om de asielzoeker te doen overdragen aan een andere lidstaat. Wel bestaat de mogelijkheid een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen (zie voor het overgangsrecht C1/3.2).
|
||||
|
||||
|
||||
In het geval dat binnen de AC-procedure een beschikking is genomen of in geval een maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vreemdelingenwet is opgelegd, geldt dat zowel onder de Overeenkomst van Dublin als de Verordening (EG) 343/2003 de rechtsgevolgen niet worden opgeschort, tenzij tijdig is verzocht om een eerste voorlopige voorziening. De betrokken lidstaat moet hiervan in kennis worden gesteld.
|
||||
|
||||
|
||||
Nederland heeft internationaal de verplichting er zoveel mogelijk voor te zorgen dat de asielzoeker zich niet zal onttrekken aan de overdracht. De korpschef en/of de bevelhebber van de Koninklijke Marechaussee beoordeelt daarom of de asielzoeker zich zelfstandig of begeleid naar het land van bestemming dient te begeven. Het Bureau Dublin heeft hierin een adviserende rol. Vaak blijkt ook uit het geaccordeerde verzoek of begeleide overdracht gewenst is.
|
||||
|
||||
|
||||
Aan de asielzoeker wordt verstrekt:
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
een beschikking met een afwijzing op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vreemdelingenwet;
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
een kennisgeving van overdracht aan een ander land dat partij is bij de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening (EG) 343/2003;
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
een laissez-passer indien hij zelfstandig reist; indien hij onder begeleiding reist houdt zijn begeleider het laissez-passer onder zich; bij vertrek per vliegtuig wordt het laissez-passer afgegeven aan de gezagvoerder die bij aankomst het document aan de grensbewakingsautoriteiten overhandigt;
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
eventueel zijn reisdocument;
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
zijn geld en andere persoonlijke eigendommen.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Naar het land van bestemming wordt gezonden:
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
de vlucht- en/of reisgegevens;
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
een kopie van het laissez-passer, dat via het snelste technische middel (meestal de fax) wordt verzonden;
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
een kopie van de eventueel beschikbare reis- of identiteitspapieren (voor zover deze nog niet verstrekt zijn bij het leggen van de claim).
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Alle originele documenten worden aan het ontvangende land ter hand gesteld door tussenkomst van de autoriteit die de feitelijke uitvoering geeft aan de overdracht. Indien de vreemdeling per vliegtuig reist, worden de documenten in een envelop afgegeven aan de gezagvoerder van het vliegtuig die ze overhandigt aan de grensbewakingsautoriteiten van het ontvangende land.
|
||||
|
||||
|
||||
De plaats waar de asielzoeker zich in het land van bestemming dient te melden, wordt vermeld op het laissez-passer. Het betreft hier veelal de locatie waar de feitelijke overdracht plaatsvindt. Op de kennisgeving van overdracht wordt het land van bestemming aangegeven.
|
||||
|
||||
200520521-10-200511-10-20052005/49200520521-10-200511-10-20052005/4923-10-2005
|
||||
Indien in het kader van de Overeenkomst van Dublin dan wel de Verordening (EG) 343/2003 een claim is gehonoreerd en het asielverzoek derhalve op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vw wordt afgewezen, wordt de beschikking zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling uitgereikt en wordt hem mededeling gedaan door welk land zijn asielverzoek (in de zin van de Overeenkomst van Dublin/de Verordening (EG) 343/2003) zal worden behandeld. Voorts wordt hem meegedeeld dat hij krachtens deze Overeenkomst dan wel de Verordening (EG) 343/2003 en met inachtneming van de nationale regelgeving zal worden overgedragen.
|
||||
|
||||
### 5/22. Asielaanvragen door vreemdelingen wier vrijheid is ontnomen
|
||||
|
||||
|
|
@ -5484,16 +4320,7 @@ Het gestelde in C5/24.7 is van toepassing. Hieraan wordt het volgende toegevoegd
|
|||
|
||||
##### 24.9.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang
|
||||
|
||||
Indien uit feiten en omstandigheden niet aannemelijk is dat de alleenstaande minderjarige vreemdeling zich zelfstandig staande zal kunnen houden (zie C2/7.4.2), kan onderzoek door het ministerie van Buitenlandse Zaken geïndiceerd zijn indien in het land van herkomst of in een ander land waar de vreemdeling redelijkerwijs naar toe kan gaan, geen adequate opvang, bijvoorbeeld in de vorm van opvangtehuizen, bekend is. Onderzoek is in beginsel niet noodzakelijk indien de vreemdeling zelf verklaart dat adequate opvang aanwezig is, en daarbij voldoende geloofwaardige informatie geeft waaruit blijkt hoe de adequate opvang bij terugkeer bereikt kan worden, zoals adresgegevens.
|
||||
Indien de informatie niet voldoende geloofwaardig is, gezien de leeftijd of de ontwikkeling van de minderjarige, kan onderzoek wel geïndiceerd zijn ter aanvulling of verificatie van de overgelegde gegevens.
|
||||
|
||||
|
||||
Met het oog op het belang dat de alleenstaande minderjarige asielzoeker zo spoedig mogelijk duidelijkheid krijgt omtrent zijn aanvraag, dient zo spoedig mogelijk na het nader gehoor te worden bepaald of onderzoek geïndiceerd is. Als dit het geval is, wordt het onderzoek zo spoedig mogelijk door de beslisser of hoormedewerker aangevraagd. De betrokkene wordt ervan op de hoogte gesteld indien onderzoek wordt ingesteld.
|
||||
|
||||
|
||||
De beschikking met de ambtshalve beslissing inzake de verblijfsvergunning regulier onder de beperking wordt in beginsel pas gegeven nadat het onderzoeksresultaat is ontvangen.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
#### 24.10. Kennisgeving van het voornemen en de beschikking
|
||||
|
||||
|
|
@ -5543,82 +4370,26 @@ In beginsel wordt het ambtshalve besluit genomen in de beschikking waarin ook he
|
|||
|
||||
In het geval dat aan de vreemdeling een nieuwe geboortedatum is toegekend, hetzij op grond van de uitslag van het leeftijdsonderzoek, hetzij om een andere reden (zie C5/24.4.3), dan dient het W-document te worden aangepast. Op het nieuwe W-document dient de in het geautomatiseerde informatiesysteem van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gehanteerde 'toegekende geboortedatum' te worden ingevuld. De korpschef neemt op verzoek van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het oude W-document in en reikt een nieuw W-document uit.
|
||||
|
||||
#### 24.12. Verlening van de verblijfsvergunning
|
||||
#### 24.12. Procedure indien verblijf niet wordt toegestaan
|
||||
|
||||
##### 24.12.1. Algemeen
|
||||
Uitgeprocedeerde Amv’s die niet in aanmerking komen voor verblijf zijn in te delen in drie categorieën:
|
||||
|
||||
Indien de betrokkene op grond van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, stelt de gemeente hem in het bezit van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onder a, Voorschrift Vreemdelingen (model M75-A).
|
||||
|
||||
|
||||
De beperking luidt: “Verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling”.
|
||||
|
||||
|
||||
De arbeidsmarktaantekening luidt: “Specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV”. De afkorting TWV staat voor 'tewerkstellingsvergunning'(artikel 1.1 Voorschrift Vreemdelingen). De term 'specifieke' houdt in dat de arbeidsperiode binnen een tijdsbestek van 52 weken niet meer dan in totaal twaalf weken mag bedragen.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
Indien er geen twijfel is over de opgegeven leeftijd en de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking op grond van het bijzondere beleid inzake Amv’s (zie B14) is geweigerd, komt betrokkene nog in aanmerking voor voorzieningen in Nederland totdat het vertrek geëffectueerd wordt, onder voorwaarde dat en zolang hij nog minderjarig is.
|
||||
|
||||
##### 24.12.2. Herhaald onderzoek naar adequate opvang
|
||||
In de gevallen ad b en ad c is het regelen van opvang niet nodig. In deze gevallen is het algemene terugkeerbeleid van toepassing. De voorzieningen worden derhalve beëindigd.
|
||||
|
||||
In iedere individuele zaak dient beoordeeld te worden of een herhaald onderzoek in het buitenland naar adequate opvang aangewezen is. Dit is ten eerste afhankelijk van de onderzoeksmogelijkheden in het betreffende land. Een herhaald onderzoek is voorts eerder aangewezen naarmate de vreemdeling jonger is. Een herhaald onderzoek wordt niet aangevraagd indien de vreemdeling bij ontvangst van het onderzoeksresultaat naar verwachting zeventien en een half jaar of ouder is.
|
||||
Daarnaast is herhaald onderzoek eerder aangewezen bij landen waarvoor weinig aannemelijk is (gegeven de sociale structuur van de samenleving) dat een minderjarige geen opvang heeft bij familie of instellingen. Herhaald onderzoek is in elk geval aangewezen indien:
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
in een eerder ambtsbericht is aangegeven dat niet bekend is of voor de betrokken vreemdeling adequate opvang aanwezig is en dat nader onderzoek tot resultaten zou kunnen leiden;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
de rechter de aanwezigheid van adequate opvang niet voldoende aannemelijk vindt omdat nader onderzoek nodig is.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
#### 24.13. Feitelijke terugkeer
|
||||
|
||||
#### 24.13. Procedure indien verblijf niet wordt toegestaan
|
||||
|
||||
Uitgeprocedeerde alleenstaande jongeren die niet in aanmerking komen voor verblijf zijn in te delen in drie categorieën:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
uitgeprocedeerde alleenstaande minderjarige vreemdelingen waarbij geen twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd en die op het moment van de uitzetting nog minderjarig zijn;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
uitgeprocedeerde alleenstaande jongeren die hebben gesteld minderjarig te zijn maar die dit niet aannemelijk hebben gemaakt of van wie is gebleken dat zij meerderjarig zijn;
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
uitgeprocedeerde alleenstaande jongeren die inmiddels meerderjarig zijn geworden.
|
||||
|
||||
|
||||
Amv’s van zestien jaar en ouder worden bij terugkeer niet begeleid, tenzij zij zich verzetten tegen hun vertrek naar het land van bestemming.
|
||||
|
||||
|
||||
**Ad a.**
|
||||
Bij Amv’s, bij wie dat verzet niet te verwachten is, wordt de betrokken luchtvaartmaatschappij verzocht te handelen volgens de regels voor ‘unaccompanied minors’. De steward(ess) zal in dat geval enige extra aandacht besteden aan het alleenreizende kind. In geval de terugkerende Amv naar verwachting zijn uitzetting zal trachten te frustreren, zal begeleiding plaatsvinden door daartoe opgeleid personeel van de KMar.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien er geen twijfel is over de opgegeven leeftijd en de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking op grond van het bijzondere beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen is geweigerd, komt betrokkene nog in aanmerking voor voorzieningen in Nederland totdat het vertrek geëffectueerd wordt, onder voorwaarde dat en zolang hij nog minderjarig is.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien niet aannemelijk is geworden dat betrokkene zich zelfstandig kan handhaven (zie C2/7.4.2), dient bij de feitelijke terugkeer de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld te zijn, tenzij in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat de autoriteiten van het land van herkomst of een ander land waar betrokkene redelijkerwijs heen kan gaan, zorgdragen voor de opvang van alleenstaande minderjarigen. In dat geval rust op de Nederlandse overheid geen taak om te treden in de wijze van opvang van de minderjarigen.
|
||||
|
||||
|
||||
Alvorens tot uitzetting over te gaan van een alleenstaande minderjarige vreemdeling van wie de asielaanvraag is afgewezen, dient contact opgenomen te worden met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De voogd wordt op de hoogte gesteld van het besluit dat de betrokkene wordt uitgezet en van de wijze waarop de uitzetting zal plaatsvinden.
|
||||
|
||||
|
||||
**Ad b. en c.**
|
||||
|
||||
|
||||
In de gevallen ad b) en ad c) is het regelen van opvang niet nodig. In deze gevallen is het algemene terugkeerbeleid van toepassing. De voorzieningen worden derhalve beëindigd.
|
||||
|
||||
20056301-04-200508-03-20052005/1220056301-04-200508-03-20052005/1203-04-2005
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
#### 24.14. Feitelijke terugkeer
|
||||
|
||||
Alleenstaande minderjarigen van zestien jaar en ouder worden bij terugkeer niet begeleid, tenzij zij zich verzetten tegen hun vertrek naar het land van bestemming.
|
||||
|
||||
Bij jongere minderjarigen, bij wie dat verzet niet is te verwachten is, wordt de betrokken luchtvaartmaatschappij verzocht te handelen volgens de regels voor ‘unaccompanied minors’. De steward(ess) zal in dat geval enige extra aandacht besteden aan het alleenreizende kind. In geval de terugkerende alleenstaande minderjarige vreemdeling naar verwachting zijn uitzetting zal trachten te frustreren, zal begeleiding plaatsvinden door daartoe opgeleid personeel van de Koninklijke Marechaussee.
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
### 5/25. Verzoeken om asiel op de diplomatieke posten in het buitenland
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue