2005-02-01 | BWBR0001876 | Schepenwet

This commit is contained in:
Coornhert 2005-02-01 12:00:00 +00:00
parent 8a1f262c54
commit 3e9ed0d0ab

View file

@ -442,7 +442,7 @@ Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de werkwijze van de veiligheidsc
**2.** Het onderzoek bestaat uit een voorloopig onderzoek door de scheepvaartinspectie, zoo noodig gevolgd door een onderzoek door den Raad voor de scheepvaart.
**3.** Het voorloopig onderzoek wordt ingesteld wanneer een schip door eene ramp is getroffen, tenzij de ramp valt onder artikel 1, vierde lid, van de Marinescheepsongevallenwet 1928 (*Staatsblad* n°. 69).
**3.** Het voorloopig onderzoek wordt ingesteld wanneer een schip door eene ramp is getroffen, tenzij de ramp een schip betreft dat in gebruik is bij Onze Minister van Defensie of een buitenlandse krijgsmacht.
**4.** Indien een Commissie van Onderzoek, bedoeld in artikel 26*bis*, na een onderzoek overeenkomstig het tweede lid, van oordeel is, dat aanleiding bestaat tot het uitspreken van een berisping of het ontnemen van de bevoegdheid om als kapitein, stuurman, machinist of radio-telegrafist op te treden, doet de commissie geen uitspraak, doch verwijst de zaak naar de Raad voor de Scheepvaart voor het instellen van een onderzoek. Meent de Raad, dat er geen aanleiding bestaat tot het uitspreken van een berisping of het ontnemen van de bevoegdheid om als kapitein, stuurman, machinist of radio-telegrafist op te treden, dan kan de Raad de zaak ter afdoening weder in handen van de Commissie stellen.
@ -462,13 +462,11 @@ Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de werkwijze van de veiligheidsc
**1.** Het hoofd van de scheepvaartinspectie stelt, met inachtneming van het voorschrift in het derde lid van artikel 27 gegeven, nopens elke te zijner kennis gekomen scheepsramp een onderzoek in of doet dit instellen door een of meer der in artikel 10 bedoelde ambtenaren en deelt de uitkomsten van dit onderzoek zoo spoedig mogelijk onder overlegging van stukken aan den voorzitter van den Raad mede, vergezeld van zijn voorstel om met het oog op aard en omvang van de ramp al dan niet een onderzoek daarnaar door den Raad te doen instellen. Hij kan daarbij eene opgave indienen van de getuigen en deskundigen, wier verhoor tijdens de behandeling voor den Raad hij noodig acht. Betreft de scheepsramp een schip, varende met een zeebrief van de Nederlandse Antillen of van Aruba, dan treedt een aldaar daartoe aangewezen ambtenaar van de Scheepvaartinspectie op en worden de uitkomsten van het onderzoek met de stukken aan de in artikel 26*bis* genoemde commissie ter hand gesteld, die hiermede handelt als voor de Raad voor de Scheepvaart is voorgeschreven.
**2.** Op dezelfde wijze wordt door hem gehandeld ten aanzien van eene scheepsramp, waarvan de stukken hem op grond van artikel 17 van de Marinescheepsongevallenwet 1928 (*Staatsblad* n°. 69) in handen zijn gesteld. Betreft de scheepsramp een schip, varende met een zeebrief van de Nederlandse Antillen of van Aruba, dan zendt het hoofd van de scheepvaartinspectie de stukken door aan de Scheepvaartinspectie in het betreffende land voor het instellen van een onderzoek overeenkomstig het eerste lid.
**2.** Over het voorstel van het hoofd van de scheepvaartinspectie om al dan niet een onderzoek in te stellen wordt beslist door eene commissie uit den Raad, bestaande uit den voorzitter en twee door dezen opgeroepen leden. Wijst deze commissie het voorstel af, dan heeft het hoofd van de scheepvaartinspectie het recht te vorderen, dat de Raad de beslissing herziet, waarna de voorzitter zoo spoedig mogelijk den Raad bijeenroept, die - na het hoofd van de scheepvaartinspectie te hebben gehoord - ter zake eene eindbeslissing neemt. De leden der commissie, met uitzondering van den voorzitter, nemen aan deze zitting geen deel.
**3.** Over het voorstel van het hoofd van de scheepvaartinspectie om al dan niet een onderzoek in te stellen wordt beslist door eene commissie uit den Raad, bestaande uit den voorzitter en twee door dezen opgeroepen leden. Wijst deze commissie het voorstel af, dan heeft het hoofd van de scheepvaartinspectie het recht te vorderen, dat de Raad de beslissing herziet, waarna de voorzitter zoo spoedig mogelijk den Raad bijeenroept, die - na het hoofd van de scheepvaartinspectie te hebben gehoord - ter zake eene eindbeslissing neemt. De leden der commissie, met uitzondering van den voorzitter, nemen aan deze zitting geen deel.
**3.** Wanneer beslist is, dat een onderzoek zal worden ingesteld, stelt de voorzitter de plaats, den dag en het uur daarvoor vast en worden door of namens hem de noodige getuigen en deskundigen tegen die zitting van den Raad opgeroepen.
**4.** Wanneer beslist is, dat een onderzoek zal worden ingesteld, stelt de voorzitter de plaats, den dag en het uur daarvoor vast en worden door of namens hem de noodige getuigen en deskundigen tegen die zitting van den Raad opgeroepen.
**5.** De commissie en de Raad zijn bevoegd zoo noodig het hoofd van de scheepvaartinspectie op te dragen middelerwijl nog nopens bepaalde onderwerpen nadere gegevens te verzamelen.
**4.** De commissie en de Raad zijn bevoegd zoo noodig het hoofd van de scheepvaartinspectie op te dragen middelerwijl nog nopens bepaalde onderwerpen nadere gegevens te verzamelen.
### Artikel 30