2007-01-01 | BWBR0020420 | Besluit prudentiële regels Wft

This commit is contained in:
Coornhert 2007-01-01 12:00:00 +00:00
parent f465d0546e
commit 3f79a490e3

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit prudentiële regels Wft
bwb_id: BWBR0020420
type: AMvB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2016-01-01'
datum_inwerkingtreding: '2007-01-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0020420
citeertitel: Besluit prudentiële regels Wft
---
@ -16,24 +16,48 @@ citeertitel: Besluit prudentiële regels Wft
In dit besluit wordt verstaan onder:
*authenticatie:* een procedure waarmee een betaaldienstverlener de identiteit van een betaaldienstgebruiker dan wel de validiteit van het gebruik van een specifiek betaalinstrument kan verifiëren, met inbegrip van het gebruik van persoonlijke beveiligingsgegevens van de betaaldienstgebruiker;
*back-to-back lening:* kredietinstrument waarbij de kredietnemer geld of financiële instrumenten ter beschikking krijgt, waartegenover de kredietverstrekker een zekerheid ontvangt, direct of indirect, uit eigen liquide middelen van de kredietnemer;
*betaalgegevens:* gegevens die samenhangen met het houden van een betaalrekening en met het uitvoeren van een betalingstransactie vanaf deze rekening;
*business line*: afgezonderde categorie activiteiten, bedoeld in bijlage X, deel 2, tabel 2, van de herziene richtlijn banken;
*betalingstransactie op afstand:* betalingstransactie die via het internet of met een voor communicatie op afstand bruikbaar apparaat wordt geïnitieerd;
*convertibele valutas:* valutas van:
a. de staten die deel uitmaken van de G10;
b. de overige staten die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte; of
c. Australië of Nieuw-Zeeland;
*daggeld:* kortlopende vorderingen die dagelijks opvraagbaar zijn en die uiterlijk twee werkdagen na opvraging dan wel opzegging moeten worden terugbetaald;
*gemiddeld uitstaand elektronisch geld:* het gemiddelde totale bedrag gedurende de zes voorafgaande kalendermaanden van de met elektronisch geld verband houdende financiële verplichtingen dat op het eind van elke kalenderdag in omloop is, berekend op de eerste kalenderdag van elke kalendermaand en toegepast voor die kalendermaand.
*entiteit voor securitisatiedoeleinden*: onderneming:
*gevoelige betaalgegevens:* betaalgegevens, waaronder persoonlijke beveiligingsgegevens, met behulp waarvan fraude kan worden gepleegd, met uitzondering van de naam van de rekeninghouder en het rekeningnummer voor zover betaalinitiatie- en rekeninginformatiedienstverleners deze gegevens gebruiken ten behoeve van hun bedrijfsuitoefening;
a. die geen kredietinstelling is;
b. die is opgericht ten behoeve van een of meer securitisaties;
c. wier activiteiten zich beperken tot hetgeen noodzakelijk is voor die securitisaties;
d. wier oprichting dient om haar verplichtingen te scheiden van de verplichtingen van de initiator; en
e. wier eigenaars hun deelneming onvoorwaardelijk in pand kunnen geven of kunnen verkopen;
*groepsbestuurder:* ieder die binnen een groep het beleid bepaalt;
*groep van verbonden wederpartijen:* ten minste twee personen die:
a. met elkaar zijn verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur; of
b. uit een oogpunt van de te lopen risicos als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij zodanig onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen zou ondervinden, in elk geval een van de anderen waarschijnlijk in betalingsproblemen zou komen;
*grote posities:* niet naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling ten aanzien van een wederpartij of groep van verbonden wederpartijen waarvan de waarde ten minste tien procent van het toetsingsvermogen bedraagt, uitgezonderd:
a. de activa en posten buiten de balanstelling die een financiële onderneming in mindering brengt op haar toetsingsvermogen;
b. de niet naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling die worden aangehouden in het kader van de normale afwikkeling van:
1°. valutatransacties binnen 48 uur nadat de betaling heeft plaatsgevonden;
2°. effectentransacties binnen vijf werkdagen nadat de betaling heeft plaatsgevonden of nadat de effecten geleverd zijn indien deze levering eerder plaatsvindt;
*incident:* gedraging of gebeurtenis die een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf van de desbetreffende financiële onderneming;
*initiator*: onderneming die:
a. zelf of via een andere onderneming rechtstreeks of middellijk partij is geweest bij de oorspronkelijke overeenkomst waarmee de verplichtingen of mogelijke verplichtingen van de debiteur of mogelijke debiteur die worden gesecuritiseerd, zijn ontstaan; of
b. vorderingen van een derde koopt, in haar balans opneemt en vervolgens securitiseert;
*integriteitgevoelige functie:*
a. leidinggevende functie direct onder die van de personen die het beleid van een financiële onderneming bepalen of mede bepalen; of
@ -41,11 +65,25 @@ b. functie waaraan een bevoegdheid is verbonden die een wezenlijk risico inhoudt
*integriteitsrisico:* gevaar voor aantasting van de reputatie of bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen of resultaat van een financiële onderneming als gevolg van een ontoereikende naleving van hetgeen bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is voorgeschreven;
*internationale jaarrekeningstandaarden:* internationale standaarden voor jaarrekeningen die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn verklaard overeenkomstig artikel 3 van verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 (PbEG L 243);
*internationale jaarrekeningstandaarden:* internationale standaarden voor jaarrekeningen die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn verklaard overeenkomstig artikel 3 van verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 (PbEG L 243);
*interne modellenmethode*: methode waarbij de som van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling voor de kredietrisicos van een financiële onderneming wordt bepaald op basis van een intern model;
*kalenderpost:* actiefpost of passiefpost waarvan de kasinstromen respectievelijk kasuitstromen als gevolg van aflossing of rentebetalingen in de vervalkalender worden opgenomen;
*kasstromen van het kernbedrijf:* kasstromen van leningen die met een vaste termijn zijn verstrekt aan tegenpartijen, die geen kantoren en bancaire deelnemingen zijn die niet in de rapportage worden betrokken, die geen banken en geen professionele geldmarktpartijen zijn, en van deze tegenpartijen met een vaste termijn opgenomen gelden, met inbegrip van te ontvangen onderscheidenlijk te betalen rente;
*kans op wanbetaling*: kans dat een wederpartij over een periode van een jaar in gebreke blijft;
*kasstromen van het kernbedrijf:* kasstromen van leningen die met een vaste termijn zijn verstrekt aan tegenpartijen, die geen kantoren en bancaire deelnemingen zijn die niet in de rapportage worden betrokken, die geen kredietinstellingen en geen professionele geldmarktpartijen zijn, en van deze tegenpartijen met een vaste termijn opgenomen gelden, met inbegrip van te ontvangen onderscheidenlijk te betalen rente;
*kredietbeoordeling*: taxatie van de kans op wanbetaling en de mate van wanbetaling door een bepaalde debiteur op al zijn verplichtingen of een deel van zijn verplichtingen;
*kredietbeoordelingsbureau*: bureau dat kredietbeoordelingen opstelt;
*kredietrisicovermindering*: techniek ter beperking van het kredietrisico dat verbonden is aan activa en posten buiten de balanstelling;
*kredietverbetering*: contractuele regeling die de kans op wanbetaling en de mate van wanbetaling van een securitisatiepositie vermindert ten opzichte van de situatie waarin van die regeling geen sprake zou zijn;
*leningverstrekkende financiële onderneming*: financiële onderneming die een vordering heeft, ongeacht of daaraan een lening ten grondslag ligt;
*maandperiode:* eerste kalendermaand volgend op de verslagdatum;
@ -53,13 +91,29 @@ b. functie waaraan een bevoegdheid is verbonden die een wezenlijk risico inhoudt
*officiële stand-by faciliteiten:* liquiditeitsgarantie die, onder door de Nederlandsche Bank te stellen voorwaarden, is ontvangen van onderscheidenlijk afgegeven door een binnenlandse of buitenlandse bank;
*omgekeerde retrocessieovereenkomst*: overeenkomst waarbij een wederpartij aan een financiële onderneming effecten, grondstoffen of gegarandeerde rechten betreffende de eigendom van effecten of grondstoffen verkoopt, onder de ontbindende voorwaarde deze of vervangende effecten of grondstoffen tegen een vastgestelde prijs op een door de wederpartij te bepalen tijdstip in de toekomst terug te kopen, indien:
a. in geval van gegarandeerde rechten, de garantie is verstrekt door een gereglementeerde markt die houder is van de rechten; en
b. de overeenkomst bepaalt dat het de financiële onderneming niet is toegestaan een bepaald effect of een bepaalde grondstof aan meer dan een wederpartij tegelijkertijd over te dragen of toe te zeggen;
*omrekeningsfactor*: verhouding tussen het op een bepaald moment onbenutte bedrag van een kredietlijn dat naar verwachting opgenomen wordt en openstaat in geval van wanbetaling en het onbenutte bedrag van die kredietlijn, waarbij de omvang van de kredietlijn wordt bepaald door de toegestane limiet, tenzij de niet-toegestane limiet hoger is;
*operationeel risico*: risico van verliezen als gevolg van tekortschietende of falende interne procedures en systemen of als gevolg van externe gebeurtenissen, met inbegrip van juridische risicos;
*persoonlijke beveiligingsgegevens:* gepersonaliseerde kenmerken die door de betaaldienstverlener aan een betaaldienstgebruiker worden verstrekt ten behoeve van authenticatie;
*opgenomen effectenlening*: overeenkomst waarbij een wederpartij aan een financiële onderneming effecten uitleent tegen zekerheid, onder de ontbindende voorwaarde dat de financiële onderneming op een tijdstip in de toekomst of zodra de wederpartij daarom verzoekt, gelijkwaardige effecten teruglevert;
*opgenomen grondstoffenlening*: overeenkomst waarbij een wederpartij aan een financiële onderneming grondstoffen uitleent tegen zekerheid, onder de ontbindende voorwaarde dat de financiële onderneming op een tijdstip in de toekomst of zodra de wederpartij daarom verzoekt, gelijkwaardige grondstoffen teruglevert;
*professionele geldmarktpartij:* persoon die geen bank is en die in het kader van zijn middelenbeheer transacties verricht op de geldmarkt met bij de geldmarkt passende volumes en op die markt met enige regelmaat opereert op een manier die vergelijkbaar is met die van een bank;
*rekeninghoudende betaaldienstverlener:* een betaaldienstverlener die ten behoeve van een betaler een betaalrekening aanbiedt en beheert;
*retrocessieovereenkomst*: overeenkomst waarbij een financiële onderneming aan een wederpartij effecten, grondstoffen of gegarandeerde rechten betreffende de eigendom van effecten of grondstoffen verkoopt, onder de ontbindende voorwaarde deze of vervangende effecten of grondstoffen tegen een vastgestelde prijs op een door de financiële onderneming te bepalen tijdstip in de toekomst terug te kopen, indien:
a. in geval van gegarandeerde rechten, de garantie is verstrekt door een gereglementeerde markt die houder is van de rechten; en
b. de overeenkomst bepaalt dat het de financiële onderneming niet toegestaan is een bepaald effect of een bepaalde grondstof aan meer dan een wederpartij tegelijkertijd over te dragen of toe te zeggen;
*revolverende vordering*: vordering waarbij de wederpartij het openstaande bedrag mag laten variëren tot een van tevoren afgesproken limiet;
*risicomeetsysteem*: systeem voor de meting van het operationeel risico;
*securitisatie*: transactie of regeling waarbij:
@ -69,23 +123,43 @@ c. de rangorde van de tranches bepalend is voor de verdeling van de verliezen ti
*securitisatiepositie*: vordering in het kader van een securitisatie;
*sponsor*: onderneming, niet zijnde een initiator, die securitisatieregelingen waarbij vorderingen van derden worden gekocht, opzet en beheert;
*stresstest*: onderzoek naar de risicos die ontstaan als zich veranderingen in de marktsituatie voordoen of zouden voordoen die een ongunstige invloed uitoefenen op de toereikendheid van het toetsingsvermogen van een financiële onderneming, en naar de risicos die ontstaan als zekerheidsrechten worden uitgeoefend in crisissituaties;
*suppletiebijdragen:* bedragen die het bestuur van een onderlinge waarborgmaatschappij krachtens haar statuten in verband met een nadelig saldo over enig boekjaar te allen tijde en zonder bijkomende voorwaarden van haar leden kan eisen;
*synthetische securitisatie*: securitisatie waarbij:
a. de onderverdeling in tranches van het kredietrisico van een vordering of verzameling van vorderingen geschiedt door middel van kredietderivaten of garanties; en
b. de vordering of verzameling van vorderingen in de balanstelling van de initiator blijft opgenomen;
*tegenpartijkredietrisico*: risico dat de wederpartij bij een transactie in gebreke blijft voordat de definitieve afwikkeling van de met de transactie samenhangende kasstromen heeft plaatsgevonden;
*toetsingsvermogen:* het eigen vermogen, bedoeld in artikel 72 van de verordening kapitaalvereisten of, in het geval van beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, artikel 9 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen;
*traditionele securitisatie*: securitisatie waarbij:
a. de gesecuritiseerde vorderingen in economische zin worden overgedragen aan een entiteit voor securitisatiedoeleinden die daartoe effecten uitgeeft;
b. de eigendom van de gesecuritiseerde vorderingen door de initiator wordt overgedragen of de kasstromen uit hoofde van de gesecuritiseerde vorderingen door middel van een overeenkomst van subdeelneming door de initiator worden overgedragen; en
c. de uitgegeven effecten niet leiden tot een betalingsverplichting voor de initiator;
*tranche*: contractueel vastgesteld segment van het kredietrisico van een gesecuritiseerde vordering of verzameling van vorderingen, waarbij een securitisatiepositie in dit segment een groter of kleiner risico op verlies meebrengt dan een securitisatiepositie van dezelfde omvang in elk ander segment, indien geen rekening wordt gehouden met de volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie die door derden rechtstreeks aan de houders van de securitisatieposities in dit segment of in andere segmenten wordt geboden;
*verordening digitale operationele weerbaarheid:*
Verordening (EU) 2022/2554 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 909/2014 en (EU) 2016/1011 (PbEU 2022, L 333);
*verordening solvabiliteit II:* gedelegeerde verordening (EU) nr. 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU L12);
*verlies bij wanbetaling*: verhouding tussen het verwachte economisch verlies op een vordering als gevolg van wanbetaling, met inachtneming van de tijdwaarde van geld, en het naar verwachting uitstaande bedrag bij wanbetaling;
*verslagdatum:* datum van de dag direct voorafgaande aan de periode waarover wordt gerapporteerd;
*verstrekte effectenlening*: overeenkomst waarbij een financiële onderneming aan een wederpartij effecten uitleent tegen zekerheid, onder de ontbindende voorwaarde dat de wederpartij op een tijdstip in de toekomst of zodra de financiële onderneming daarom verzoekt, gelijkwaardige effecten teruglevert;
*verstrekte grondstoffenlening*: overeenkomst waarbij een financiële onderneming aan een wederpartij grondstoffen uitleent tegen zekerheid, onder de ontbindende voorwaarde dat de wederpartij op een tijdstip in de toekomst of zodra de financiële onderneming daarom verzoekt, gelijkwaardige grondstoffen teruglevert;
*vervalkalender:* overzicht van contractuele looptijden van overeenkomsten gesloten door een financiële onderneming;
*vervroegde-aflossingsbepaling*: contractuele bepaling op grond waarvan de securitisatieposities van beleggers voor de oorspronkelijke vervaldatum van de uitgegeven effecten geheel of gedeeltelijk worden afgelost;
*verwachte verliespost*: product van de kans op wanbetaling, het verlies bij wanbetaling en de waarde van een actief of post buiten de balanstelling;
*verwateringsrisico*: risico dat de waarde van een kortlopende handelsvordering afneemt door crediteringen aan de debiteur;
*volgestorte kredietprotectie*: kredietrisicovermindering waarbij het kredietrisico met betrekking tot een vordering van een financiële onderneming wordt beperkt door het recht van die financiële onderneming om bij wanbetaling van de wederpartij of bij andere specifieke gebeurtenissen in verband met de wederpartij die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het kredietrisico met betrekking tot de vordering:
a. bepaalde activa of posten buiten de balanstelling te gelde te maken;
@ -96,51 +170,48 @@ e. de waarde van bepaalde activa of posten buiten de balanstelling te vervangen
*voorraadposten:* liquide activa die niet in de vervalkalender worden opgenomen;
*vorderingswaarde:* waarde van een niet naar risico gewogen actief of post buiten de balanstelling;
*waarde van de gekwalificeerde deelneming:* koopprijs van een aandeel, op het moment van de verwerving of vergroting van de gekwalificeerde deelneming, vermenigvuldigd met het aantal verworven aandelen;
*wanbetaling*:
a. situatie waarin een financiële onderneming het onwaarschijnlijk acht dat een debiteur zijn verplichtingen jegens haar, de moederonderneming of een van de dochterondernemingen van de financiële onderneming volledig zal nakomen zonder dat de financiële onderneming, de moederonderneming of een van de dochterondernemingen zal moeten overgaan tot maatregelen; of
b. situatie waarin een debiteur meer dan negentig dagen in gebreke is bij het nakomen van een aanzienlijke verplichting jegens een financiële onderneming, de moederonderneming of een van de dochterondernemingen van de financiële onderneming;
*weekperiode:* eerste zeven kalenderdagen volgend op de verslagdatum;
*de wet:* de Wet op het financieel toezicht.
### Artikel 2
De artikelen 1, 4, 5 tot en met 25, 27 tot en met 31, 35, 48, 50, 59, 138, 139, en 145 zijn, voor zover zij betrekking hebben op banken, van overeenkomstige toepassing op financiële instellingen die beschikken over een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 van de wet.
De artikelen 1, 4, 5 tot en met 25, 27 tot en met 31, 35, 48, 50, 59 tot en met 62, 89 tot en met 94, 102, 103, 138, 139, en 145 zijn, voor zover zij betrekking hebben op banken, van overeenkomstige toepassing op financiële instellingen die beschikken over een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 van de wet.
### Artikel 3
Vervallen
### Artikel 3a
**1.**
De hoofdstukken 9 en 10 zijn niet van toepassing op betaalinstellingen:
De hoofdstukken 9, 10 en 13 zijn niet van toepassing op:
a. voor zover zij uitsluitend in Nederland betaaldiensten verlenen als bedoeld onder 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten;
b. waarvan het gemiddelde van het totale bedrag van de betalingstransacties die zij de voorafgaande twaalf maanden hebben verricht, met inbegrip van die van agenten waarvoor zij volledig aansprakelijk zijn, niet hoger is dan € 3.000.000 per maand; en
c. waarvan geen van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen personen zijn met antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdelen a, b en d, voor zover deze betrekking hebben op het witwassen van geld, terrorismefinanciering of vermogensmisdrijven of als misdrijf aangemerkte overtredingen van financiële toezichtswetgeving.
a. plaatselijke ondernemingen, met dien verstande dat hoofdstuk 9 wel van toepassing is op plaatselijke ondernemingen die vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat beleggingsdiensten mogen verlenen; en
b. beleggingsondernemingen die:
**2.** Een betaalinstelling als bedoeld in het eerste lid stelt de Nederlandsche Bank in kennis van elke verandering in zijn situatie die relevant is voor het naleven van de in het eerste lid gestelde voorschriften.
1°. op een gereglementeerde markt uitsluitend handelen voor eigen rekening, anders dan door middel van het verrichten van transacties met betrekking tot financiële instrumenten teneinde een markt in financiële instrumenten te onderhouden, voorzover de uitvoering en afwikkeling van de transacties geschieden onder de verantwoordelijkheid van en worden gegarandeerd door een clearinginstelling met zetel in Nederland; en
2°. niet vanuit een bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten beleggingsdiensten in, onderscheidenlijk naar een andere lidstaat mogen verlenen.
**3.** Indien een betaaldienstverlener zijn werkzaamheden niet gedurende de gehele periode van de voorafgaande twaalf maanden heeft verricht, kan voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, worden uitgegaan van een programma van werkzaamheden waarin naar het oordeel van de Nederlandsche Bank een reële begroting van het totale bedrag aan betalingstransacties is opgenomen.
**2.** Hoofdstuk 10 is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die uitsluitend de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel a van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet verlenen. In afwijking van artikel 130 verstrekt een beleggingsonderneming als bedoeld in de vorige volzin slechts staten ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot het minimum vermogen ingevolge de artikelen 3:53, eerste lid, en 3:54, eerste lid, van de wet. De artikelen 131 tot en met 133 zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 4
**1.** Berekeningen met betrekking tot het minimumbedrag aan eigen vermogen, de solvabiliteit, de kapitaalbuffer, de hefboomratiobuffer onderscheidenlijk de liquiditeit van financiële ondernemingen, niet zijnde verzekeraars, op grond van de hoofdstukken 9, 10, 10A onderscheidenlijk 11 worden, voor zover niet anders is bepaald, gedaan op basis van de enkelvoudige jaarrekening zoals opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.
**1.** Berekeningen met betrekking tot het minimumbedrag aan eigen vermogen, de solvabiliteit en de liquiditeit op grond van de hoofdstukken 9, 10 onderscheidenlijk 11 worden, voor zover niet anders is bepaald, gedaan op basis van de enkelvoudige jaarrekening zoals opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.
**2.** Berekeningen met betrekking tot de solvabiliteit van banken op grond van hoofdstuk 10, de kapitaalbuffer en de hefboomratiobuffer van banken op grond van hoofdstuk 10A en de liquiditeit van banken op grond van hoofdstuk 11 worden, voor zover niet anders is bepaald, gedaan op basis van de geconsolideerde jaarrekening indien deze wordt opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.
**3.** Onverminderd artikel 3:69a van de wet waardeert een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voor zover in dit besluit niet anders wordt bepaald, zijn activa en passiva op basis van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
**4.** Een verzekeraar met beperkte risico-omvang houdt zich aan door de Nederlandsche Bank te stellen nadere regels met betrekking tot de waardering van deelnemingen.
**2.** Berekeningen met betrekking tot de solvabiliteit van kredietinstellingen op grond van hoofdstuk 10 en de liquiditeit van banken op grond van hoofdstuk 11 worden, voor zover niet anders is bepaald, gedaan op basis van de geconsolideerde jaarrekening indien deze wordt opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.
## Hoofdstuk 2. Betrouwbaarheid
### Artikel 5
**1.** De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, 3:11, 3:13, 3:37, derde lid en vierde lid, 3:47, eerste en vijfde lid, of 3:99, eerste lid, van de wet en van een persoon als bedoeld in artikel 17aa, vierde lid, buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van de betrouwbaarheid van een persoon door de Nederlandsche Bank op grond van een verordening als bedoeld in artikel 1:24, derde lid, van de wet.
De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, 3:11, 3:13, 3:37, derde lid en vierde lid, 3:47, eerste en vijfde lid, 3:99, eerste lid, of 3:149 van de wet buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.
### Artikel 6
@ -159,8 +230,8 @@ e. de in onderdeel 6 van Bijlage A genoemde overige antecedenten.
De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 5 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:
a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;
b. door de Landelijke Officier van Justitie verstrekte politiegegevens;
c. gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet controle op rechtspersonen;
b. van de Landelijke Officier van Justitie verkregen gegevens uit de politieregisters;
c. gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet documentatie vennootschappen;
d. gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst;
e. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;
f. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;
@ -180,16 +251,7 @@ c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.
### Artikel 8
**1.**
De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 5 staat niet buiten twijfel indien:
a. deze onherroepelijk veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van bijlage A, waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak minder dan acht jaren zijn verstreken;
b. deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van bijlage A, waarbij de uitspraak nog niet onherroepelijk is of waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht of meer jaren zijn verstreken;
c. deze veroordeeld is terzake van een overtreding van artikel 69 van de Algemene wet inzake de rijksbelastingen of artikel 65 van de Invorderingswet 1990, waarbij betrokkene veroordeeld is tot een gevangenisstraf of boete; of
d. deze een vergrijpboete van meer dan € 62.500 opgelegd heeft gekregen terzake van een feit, genoemd in onderdeel 5 van bijlage A, en het besluit waarbij de vergrijpboete is opgelegd onherroepelijk is geworden of waarbij ten minste de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
**2.** De Nederlandsche Bank kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 9, afwijken van het eerste lid, ten aanzien van de onderdelen b, c en d.
De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 5 staat niet buiten twijfel als deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van bijlage A, tenzij er sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.
### Artikel 9
@ -197,13 +259,13 @@ De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 5, in aanmer
a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;
b. de belangen die de wet beoogt te beschermen; en
c. de overige belangen van de onderneming en de betrokkene.
c. de overige belangen van de clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar en de betrokkene.
## Hoofdstuk 3. Integere uitoefening van het bedrijf
### Artikel 10
**1.** Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, 3:11, 3:12, 3:12a, 3:13 of 3:14 van de wet draagt zorg voor een systematische analyse van integriteitsrisico´s.
**1.** Een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, 3:11, 3:12, 3:13 of 3:14 van de wet draagt zorg voor een systematische analyse van integriteitsrisico´s.
**2.** De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt er zorg voor dat het beleid, bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, van de wet zijn neerslag vindt in procedures en maatregelen.
@ -219,24 +281,24 @@ c. de overige belangen van de onderneming en de betrokkene.
**1.**
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, 3:23, 3:24a, 3:24b, 3:26 of 3:27 van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van privé-belangen van:
Een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, 3:23, 3:26 of 3:27 van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van privé-belangen van:
a. personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen;
b. groepsbestuurders;
c. leden van het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming; en
d. andere werknemers of andere personen die in haar opdracht op structurele basis werkzaamheden voor haar verrichten, met haar belangen of die van haar cliënten.
**2.** De entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het verlenen van financiële diensten op basis van personeelscondities aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen en groepsbestuurders.
**2.** De kredietinstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het verlenen van financiële diensten op basis van personeelscondities aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen en groepsbestuurders.
**3.** Financiële dienstverlening door de entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, op basis van personeelscondities aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen of groepsbestuurders vindt uitsluitend plaats in de normale uitoefening van het bedrijf en vindt telkens slechts plaats na instemming door het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming dan wel namens een daartoe aangewezen orgaan.
**3.** Financiële dienstverlening door de kredietinstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, op basis van personeelscondities aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen of groepsbestuurders vindt uitsluitend plaats in de normale uitoefening van het bedrijf en vindt telkens slechts plaats na instemming door het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming dan wel namens een daartoe aangewezen orgaan.
**4.** Financiële dienstverlening door de entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen of groepsbestuurders vindt, indien de dienst buiten de grenzen van het bij de financiële onderneming bestaande systeem van personeelscondities wordt verleend, uitsluitend plaats in de normale uitoefening van het bedrijf en tegen de gebruikelijke commerciële voorwaarden en zekerheden.
**4.** Financiële dienstverlening door de kredietinstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen of groepsbestuurders vindt, indien de dienst buiten de grenzen van het bij de financiële onderneming bestaande systeem van personeelscondities wordt verleend, uitsluitend plaats in de normale uitoefening van het bedrijf en tegen de gebruikelijke commerciële voorwaarden en zekerheden.
**5.** Financiële dienstverlening door de entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, aan leden van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, alsmede aan familieleden, niet zijnde personeelsleden, van personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen, van groepsbestuurders en van leden van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, geschiedt uitsluitend in de normale uitoefening van het bedrijf en tegen de gebruikelijke commerciële voorwaarden en zekerheden.
**5.** Financiële dienstverlening door de kredietinstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, aan leden van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, alsmede aan familieleden, niet zijnde personeelsleden, van personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen, van groepsbestuurders en van leden van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, geschiedt uitsluitend in de normale uitoefening van het bedrijf en tegen de gebruikelijke commerciële voorwaarden en zekerheden.
### Artikel 12
**1.** Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de omgang met en vastlegging van incidenten.
**1.** Een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de omgang met en vastlegging van incidenten.
**2.** De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, neemt naar aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risicos en het voorkomen van herhaling.
@ -244,41 +306,31 @@ d. andere werknemers of andere personen die in haar opdracht op structurele basi
### Artikel 13
**1.** Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, maakt een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van personen die zij wil benoemen in een integriteitsgevoelige functie.
**1.** Een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, maakt een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van personen die zij wil benoemen in een integriteitsgevoelige functie.
**2.** De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degenen die, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden in een integriteitgevoelige functie verrichten.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voor zover het een integriteitgevoelige functie betreft die is aan te merken als een sleutelfunctie als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II.
### Artikel 13a
**1.** Een verzekeraar draagt er zorg voor dat de betrouwbaarheid van de werknemers en andere natuurlijke personen die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met het verlenen van financiële diensten en van de feitelijk leidinggevenden die voor deze personen verantwoordelijk zijn, buiten twijfel staat.
**2.** Een persoon als bedoeld in het eerste lid is betrouwbaar, indien hij een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële strafvorderlijke gegevens over kan leggen, en hij niet failliet is verklaard, tenzij rehabilitatie als bedoeld in artikel 212 van de Faillissementswet heeft plaatsgevonden.
**3.** De verzekeraar legt alle relevante documentatie met betrekking tot de toepassing van dit artikel vast en houdt de documentatie bij.
### Artikel 14
**1.** Een bank, levensverzekeraar, premiepensioeninstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf over procedures en maatregelen met betrekking tot de acceptatie van cliënten.
**1.** Een kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf over procedures en maatregelen met betrekking tot de acceptatie van cliënten.
**2.** Onverminderd het bepaalde ingevolge de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme beschikt een bank, levensverzekeraar, premiepensioeninstelling of bijkantoor als bedoeld in het eerste lid, over procedures en maatregelen met betrekking tot het vaststellen van de identiteit van cliënten en van de verificatie daarvan. De bank, levensverzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, accepteert een cliënt niet indien de identiteit niet is vastgesteld overeenkomstig het daarvoor opgestelde beleid.
**2.** Onverminderd het bepaalde ingevolge de Wet identificatie bij dienstverlening beschikt de kredietinstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, over procedures en maatregelen met betrekking tot het vaststellen van de identiteit van cliënten en van de verificatie daarvan. De kredietinstelling, verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, accepteert een cliënt niet indien de identiteit niet is vastgesteld overeenkomstig het daarvoor opgestelde beleid.
**3.** De financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt met het oog op een integere uitoefeningvan het bedrijf over organisatorische en administratieve procedures en maatregelen die betrekking hebben op risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten of diensten.
**3.** De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt met het oog op een integere uitoefeningvan het bedrijf over organisatorische en administratieve procedures en maatregelen die betrekking hebben op risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten of diensten.
**4.** De financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de analyse van gegevens van cliënten, mede in relatie tot de door de cliënt afgenomen producten of diensten, en terzake van de detectie van afwijkende transactiepatronen. Aan de hand van voornoemde procedures en maatregelen bepaalt de financiële onderneming tevens de risicos van bepaalde cliënten, producten of diensten voor de integere uitoefening van haar bedrijf.
**4.** De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de analyse van gegevens van cliënten, mede in relatie tot de door de cliënt afgenomen producten of diensten, en terzake van de detectie van afwijkende transactiepatronen. Aan de hand van voornoemde procedures en maatregelen bepaalt de financiële onderneming tevens de risicos van bepaalde cliënten, producten of diensten voor de integere uitoefening van haar bedrijf.
**5.** De financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor de documentatie en vastlegging met betrekking tot de acceptatie en indeling naar risico van cliënten, de identificatie en verificatie van de gegevens van cliënten en de bewaking van het handelen van cliënten. Dergelijke gegevens worden tot vijf jaar na de dienstverlening of het beëindigen van de relatie bewaard.
**5.** De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor de documentatie en vastlegging met betrekking tot de acceptatie en indeling naar risico van cliënten, de identificatie en verificatie van de gegevens van cliënten en de bewaking van het handelen van cliënten. Dergelijke gegevens worden tot vijf jaar na de dienstverlening of het beëindigen van de relatie bewaard.
**6.** De Nederlandsche Bank kan met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf regels stellen met betrekking tot het door banken en bijkantoren van banken als bedoeld in het eerste lid te voeren beleid met betrekking tot afgeschermde rekeningen.
**6.** De Nederlandsche Bank kan met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf regels stellen met betrekking tot het door kredietinstellingen en bijkantoren van kredietinstellingen als bedoeld in het eerste lid te voeren beleid met betrekking tot afgeschermde rekeningen.
### Artikel 15
**1.** Een bank of bijkantoor van een bank als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt over procedures met betrekking tot de verstrekking van back-to-back leningen.
**1.** Een kredietinstelling of bijkantoor van een kredietinstelling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt over procedures met betrekking tot de verstrekking van back-to-back leningen.
**2.** Indien de bank of het bijkantoor voornemens is een back-to-back lening te verstrekken, onderzoekt zij of het krediet voor legitieme doeleinden gebruikt zal worden.
**2.** Indien de kredietinstelling of het bijkantoor voornemens is een back-to-back lening te verstrekken, onderzoekt zij of het krediet voor legitieme doeleinden gebruikt zal worden.
**3.** Indien er een back-to-back lening wordt verstrekt, legt de bank of het bijkantoor de overeenkomst met vermelding van de gestelde essentiële zekerheden, deugdelijk vast.
**3.** Indien er een back-to-back lening wordt verstrekt, legt de kredietinstelling of het bijkantoor de overeenkomst met vermelding van de gestelde essentiële zekerheden, deugdelijk vast.
### Artikel 16
@ -294,10 +346,10 @@ d. andere werknemers of andere personen die in haar opdracht op structurele basi
**1.**
De bedrijfsvoering van een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, 3:23, 3:24a, 3:24b, 3:26 of 3:27 van de wet omvat:
De bedrijfsvoering van een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, 3:23, 3:26 of 3:27 van de wet omvat:
a. een duidelijke, evenwichtige en adequate organisatiestructuur;
b. een duidelijke, evenwichtige en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
a. een duidelijke en adequate organisatiestructuur;
b. een duidelijke en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
c. een adequate vastlegging van rechten en verplichtingen;
d. eenduidige rapportagelijnen; en
e. een adequaat systeem van informatievoorziening en communicatie.
@ -306,710 +358,154 @@ e. een adequaat systeem van informatievoorziening en communicatie.
**3.** De bedrijfsvoering wordt op een inzichtelijke wijze vastgelegd.
**4.** De effectiviteit van de organisatie-inrichting en van de procedures en maatregelen wordt ten minste jaarlijks op onafhankelijke wijze getoetst. Daartoe beschikt de financiële onderneming of het bijkantoor over een organisatieonderdeel dat deze interne controlefunctie uitoefent. De financiële onderneming of bijkantoor voorziet erin dat gesignaleerde tekortkomingen worden opgeheven.
**5.** De toepassing van het vierde lid op betaalinstellingen, elektronischgeldinstellingen of hun bijkantoren ziet tevens op het gebruik van hun betaaldienstagenten.
### Artikel 17a
Het organisatieonderdeel, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van een bank als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, of 3:23, tweede lid, van de wet die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, heeft als taak:
a. het vaststellen en uitvoeren van een controleplan om de deugdelijkheid en effectiviteit van de systemen, interne controleprocedures en regels van de bank te onderzoeken en te beoordelen;
b. het doen van aanbevelingen op basis van de resultaten van de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel a;
c. het controleren of aan deze aanbevelingen gevolg wordt gegeven; en
d. het ten minste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de bank bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank inzake aangelegenheden met betrekking tot de interne controle en de genomen maatregelen in geval van gesignaleerde tekortkomingen.
### Artikel 17aa
**1.** Het organisatieonderdeel van een premiepensioeninstelling dat is belast met de uitoefening van de interne controlefunctie, bedoeld in artikel 17, vierde lid, heeft in ieder geval als taak het interne controlesysteem en andere onderdelen van de bedrijfsvoering, inclusief de uitbesteding van werkzaamheden, te evalueren, om te beoordelen of deze adequaat en doeltreffend zijn.
**2.** De premiepensioeninstelling stelt beleid op met betrekking tot de interne controle en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. De premiepensioeninstelling evalueert het beleid ten minste eenmaal per drie jaar en past het beleid in geval van een belangrijke wijziging in het interne controlesysteem of met betrekking tot de overige onderdelen van de bedrijfsvoering zo spoedig mogelijk aan.
**3.** De interne controlefunctie bij een premiepensioeninstelling wordt uitgeoefend door personen die geschikt zijn in verband met de uitoefening van deze functie en van wie de betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Artikel 3:9, tweede lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
**4.** De premiepensioeninstelling stelt de persoon die verantwoordelijk is voor de interne controlefunctie in staat diens taken op een objectieve en eerlijke wijze uit te oefenen.
**5.** De personen die betrokken zijn bij de uitoefening van de interne controlefunctie kunnen niet tevens de risicobeheerfunctie, bedoeld in artikel 23, zesde lid, uitoefenen.
### Artikel 17ab
**1.** De persoon die binnen een premiepensioeninstelling verantwoordelijk is voor de interne controlefunctie, bedoeld in artikel 17aa, vierde lid, rapporteert periodiek en schriftelijk materiële bevindingen en doet aanbevelingen aan het bestuur van de premiepensioeninstelling naar aanleiding van de uitoefening van de interne controlefunctie. Indien de persoon die verantwoordelijk is voor de interne controlefunctie tevens bestuurder is van de premiepensioeninstelling, worden de materiële bevindingen en aanbevelingen tevens gericht aan het toezichthoudend orgaan.
**2.** Het bestuur draagt zorgt voor tijdige en passende maatregelen naar aanleiding van een rapportage of aanbeveling als bedoeld in het eerste lid.
**3.**
De persoon, bedoeld in het eerste lid, meldt het de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk indien het bestuur van de premiepensioeninstelling niet tijdig passende maatregelen neemt, nadat het bestuur overeenkomstig het eerste lid op de hoogte is gesteld van:
a. een substantieel risico dat de premiepensioeninstelling niet zal voldoen aan een wettelijk vereiste en dit ernstige nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen van de pensioendeelnemers, gewezen pensioendeelnemers, pensioengerechtigden of andere aanspraakgerechtigden; of
b. een ernstige overtreding van een wettelijk vereiste dat van toepassing is op de premiepensioeninstelling.
**4.** De premiepensioeninstelling zorgt ervoor dat een persoon die op grond van het derde lid te goeder trouw en naar behoren een melding heeft gedaan bij de Nederlandsche Bank, niet wordt benadeeld als gevolg van de melding.
### Artikel 17b
De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot de bedrijfsvoering van afwikkelondernemingen.
### Artikel 17c
**1.** Een bank of clearinginstelling als bedoeld in artikel 17, eerste lid, beschikt over interne regelingen en procedures die zijn gericht op een doeltreffend en prudent bestuur van de onderneming, dat voldoet aan de vereisten in artikel 88, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
**2.** Een bank als bedoeld in artikel 17, eerste lid, die significant is ingevolge artikel 17d, beschikt over een benoemingscommissie waarvan de taken en bevoegdheden voldoen aan de vereisten in artikel 88, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
### Artikel 17d
Een bank is, mede voor de toepassing van artikel 3:8, vierde lid, van de wet, significant, indien:
a. zij op individuele basis een instelling van groot belang is op grond van de voorwaarden ingevolge artikel 6 van de verordening bankentoezicht; of
b. zij door de Nederlandsche Bank, gelet op haar omvang, interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van haar activiteiten als significant wordt aangemerkt.
**4.** De effectiviteit van de organisatie-inrichting en van de procedures en maatregelen wordt intern onafhankelijk getoetst. De financiële onderneming of bijkantoor voorziet erin dat gesignaleerde tekortkomingen worden opgeheven.
### Artikel 18
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een adequate functiescheiding met het oog op een beheerste bedrijfsvoering.
Een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een adequate functiescheiding met het oog op een beheerste bedrijfsvoering.
### Artikel 19
**1.** De bedrijfsvoering van een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 voorziet in een juiste, tijdige en volledige vastlegging van alle rechten en verplichtingen van de financiële onderneming of bijkantoor in een daartoe bestemde administratie.
**2.** De administratie, bedoeld in het eerste lid, van een premiepensioeninstelling is zodanig dat deze geen belemmering vormt of kan vormen voor de toepassing van het in artikel 4:71a van de wet bepaalde.
**3.** Een verzekeraar met beperkte risico-omvang beschikt over een organisatie-onderdeel dat op onafhankelijke en effectieve wijze een actuariële functie uitoefent. Het organisatie-onderdeel heeft als taak de berekening van de technische voorzieningen te coördineren en te controleren en de personen die het dagelijks beleid van de verzekeraar bepalen te informeren over de adequaatheid en betrouwbaarheid van die berekening.
**4.** Het derde lid is op schadeverzekeraars alleen van toepassing voor zover deze verzekeringsovereenkomsten sluiten met een contractduur van meer dan vier jaar.
De bedrijfsvoering van een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 voorziet in een juiste, tijdige en volledige vastlegging van alle rechten en verplichtingen van de financiële onderneming of bijkantoor in een daartoe bestemde administratie.
### Artikel 20
**1.** Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een informatiesysteem dat een effectieve beheersing van de bedrijfsprocessen en de risicos mogelijk maakt en dat voorziet in interne en externe informatiebehoeften.
**1.** Een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een informatiesysteem dat een effectieve beheersing van de bedrijfsprocessen en de risicos mogelijk maakt en dat voorziet in interne en externe informatiebehoeften.
**2.** De financiële onderneming of bijkantoor beschikt over procedures en maatregelen om de integriteit, voortdurende beschikbaarheid en beveiliging van geautomatiseerde gegevensverwerking te waarborgen.
**3.** De functiescheidingen binnen de geautomatiseerde gegevensverwerking sluiten aan bij de organisatiestructuur.
**4.** Onverminderd het eerste lid beschikt een bank over een netwerk- en informatiesysteem dat wordt opgericht en beheerd overeenkomstig de verordening digitale operationele weerbaarheid.
### Artikel 21
**1.** Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een organisatieonderdeel dat op onafhankelijke en effectieve wijze een compliancefunctie uitoefent. Het organisatieonderdeel heeft als taak het controleren van de naleving van wettelijke regels en van interne regels die de financiële onderneming of bijkantoor zelf heeft opgesteld.
**2.**
Het organisatieonderdeel, bedoeld in het eerste lid, van een bank als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, of 3:23, tweede lid, van de wet die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, heeft voorts als taak:
a. het adviseren van de personen die verantwoordelijk zijn voor het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten bij de naleving van wettelijke regels en interne regels;
b. het toezien op de deugdelijkheid en effectiviteit van de interne regels en procedures;
c. het beoordelen van de effectiviteit van de procedures die zijn opgesteld en maatregelen die zijn genomen om gesignaleerde onvolkomenheden bij de naleving van wettelijke regels en interne regels op te heffen; en
d. het ten minste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de bank bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank inzake aangelegenheden met betrekking tot de naleving van wettelijke regels en interne regels. In de jaarlijkse rapportage wordt met name vermeld of maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde tekortkomingen.
**3.** Het organisatieonderdeel van een bank als bedoeld in het tweede lid beschikt over de nodige autoriteit, middelen, deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie om haar taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen.
Een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een onafhankelijke compliancefunctie voor het toezicht op de naleving van wettelijke regels en van interne regels die de financiële onderneming of bijkantoor zelf heeft opgesteld.
### Artikel 22
De opdracht tot onderzoek van de jaarrekening van een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 aan de externe accountant voorziet in een toetsing en beoordeling op hoofdlijnen met betrekking tot de toereikendheid van de organisatie-inrichting en risicobeheersing.
### Artikel 22a
De werknemers van een bank met zetel in Nederland die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten en andere personen die door de bank zijn belast met het verrichten van zodanige werkzaamheden beschikken over de nodige vakbekwaamheid en deskundigheid om de hun toevertrouwde verantwoordelijkheden uit te oefenen.
De opdracht tot onderzoek van de jaarrekening van een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 aan de externe accountant voorziet in een toetsing en beoordeling op hoofdlijnen met betrekking tot de toereikendheid van de organisatie-inrichting en risicobeheersing.
### Paragraaf 4.2. Risicomanagement
### Artikel 23
**1.** Een bank, beheerder van een icbe, beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in de artikelen 3:17, eerste en derde lid, 3:22, 3:23, 3:24a, 3:24b, 3:24c, 3:26 of 3:27 van de wet voert beleid gericht op het beheersen van relevante risicos.
**1.** Een beleggingsonderneming, clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:17, eerste en derde lid, 3:22, 3:23, 3:26 of 3:27 van de wet voert beleid gericht op het beheersen van relevante risicos.
**2.** Onder relevante risicos, bedoeld in het eerste lid, worden in het bijzonder verstaan het concentratierisico, krediet- en tegenpartijrisico, liquiditeitsrisico, marktrisico, operationeel risico, renterisico voortvloeiend uit niet-handelsactiviteiten, restrisico, risico van buitensporige hefboomwerking, securitisatierisico, verzekeringsrisico en afkooprisico.
**2.** Onder relevante risicos, bedoeld in het eerste lid, worden in het bijzonder verstaan het concentratierisico, krediet- en tegenpartijrisico, liquiditeitsrisico, marktrisico, operationeel risico, renterisico voortvloeiend uit niet-handelsactiviteiten, restrisico, securitisatierisico en verzekeringsrisico. Een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:17, eerste of derde lid, 3:22, 3:23 of 3:27 van de wet houdt tevens rekening met de risicos die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin de onderneming actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.
**3.** Het beleid wordt vastgelegd in procedures en maatregelen ter beheersing van relevante risicos en geïntegreerd in de bedrijfsprocessen. De procedures en maatregelen die zijn gericht op de beheersing van het liquiditeitsrisico hebben betrekking op het beheer van de actuele en toekomstige netto financiële positie en behoeften.
**3.** Het beleid wordt vastgelegd in procedures en maatregelen ter beheersing van relevante risicos en geïntegreerd in de bedrijfsprocessen.
**4.** De procedures en maatregelen, bedoeld in het derde lid, bestaan onder meer uit autorisatieprocedures, limietstellingen, limietbewaking en procedures en maatregelen voor noodsituaties en zijn afgestemd op de aard, de omvang, het risicoprofiel en de complexiteit van de werkzaamheden van de financiële onderneming of bijkantoor.
**4.** De procedures en maatregelen, bedoeld in het tweede lid, bestaan onder meer uit autorisatieprocedures, limietstellingen, limietbewaking en procedures en maatregelen voor noodsituaties en zijn afgestemd op de aard, de omvang, het risicoprofiel en de complexiteit van de werkzaamheden van de financiële onderneming of bijkantoor.
**5.** De procedures en maatregelen, bedoeld in het derde lid, worden vastgelegd en ter kennis gebracht van alle relevante bedrijfsonderdelen van de financiële onderneming of het bijkantoor.
**5.** De procedures en maatregelen, bedoeld in het tweede lid, worden vastgelegd en ter kennis gebracht van alle relevante bedrijfsonderdelen van de financiële onderneming of het bijkantoor.
**6.** De financiële onderneming, niet zijnde een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, heeft een onafhankelijke risicobeheerfunctie die op systematische wijze een onafhankelijk risicobeheer uitvoert dat gericht is op het identificeren, meten en evalueren van de risicos waaraan de financiële onderneming of het bijkantoor is of kan worden blootgesteld. Het risicobeheer wordt zowel uitgevoerd ten aanzien van de financiële onderneming of het bijkantoor als geheel als ten aanzien van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.
**7.** De risicobeheerfunctie beschikt over de nodige autoriteit en toegang tot alle noodzakelijke informatie om haar taken te kunnen uitoefenen.
**8.** Een bank, beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:17, eerste of derde lid, 3:23 of 3:27 van de wet houdt in aanvulling op het tweede lid rekening met de risicos die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin de onderneming actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.
**9.** Een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:17, derde lid, van de wet, niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, houdt in aanvulling op het tweede lid tevens rekening met de risicos die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin zij actief is en die verband houden met haar bedrijfscyclus en de risicos die zij voor anderen inhoudt of kan inhouden.
**10.**
Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:22 van de wet waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat:
a. de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn, voldoet aan de op een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten van toepassing zijnde verplichting bedoeld in het achtste lid; of
b. de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen van toepassing zou zijn, voldoet aan de op een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen van toepassing zijnde verplichting bedoeld in het negende lid.
**6.** De financiële onderneming voert op systematische wijze een onafhankelijk risicobeheer uit dat gericht is op het identificeren, meten en evalueren van de risicos waaraan de financiële onderneming of het bijkantoor is of kan worden blootgesteld. Het risicobeheer wordt zowel uitgevoerd ten aanzien van de financiële onderneming of het bijkantoor als geheel als ten aanzien van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.
### Artikel 23a
Het beleid en de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, eerste en derde tot en met vijfde lid:
**1.** Een bank als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, of 3:23 van de wet legt de procedures voor de acceptatie, aanpassing, vernieuwing en herfinanciering van kredieten duidelijk vast.
a. van een bank, een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tiende lid, aanhef en onderdeel a, of een clearinginstelling voldoen aan de op de betrokken onderneming van toepassing zijnde technische criteria voor de organisatie en behandeling van risicos in de artikelen 79 tot en met 87 van de richtlijn kapitaalvereisten;
b. van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tiende lid, aanhef en onderdeel b, voldoen aan de technische criteria voor de organisatie en behandeling van risicos, bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, onderdelen b en c, derde lid, en 29, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en indien de beleggingsonderneming kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen aan die bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdelen a, c, en d, van die richtlijn.
**2.** Voor de doorlopende administratie en bewaking van de verschillende portefeuilles en vorderingen waaraan een kredietrisico is verbonden, inclusief de detectie en het beheer van probleemkredieten, het verrichten van adequate waardeaanpassingen en de vorming van voorzieningen, wordt van doeltreffende systemen gebruik gemaakt.
### Artikel 23.0a
In aanvulling op artikel 23, eerste lid, omvat het risicobeheerbeleid van een beheerder van een icbe procedures ter beheersing van duurzaamheidsrisicos als bedoeld in artikel 2, onder 22, van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PbEU 2019, L 317).
### Artikel 23aa
**1.** De Nederlandsche Bank kan een bank of beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten verplichten de gestandaardiseerde methode, bedoeld in artikel 84, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten te gebruiken indien zij van oordeel is dat de interne systemen die de bank of beleggingsonderneming heeft voor de beoordeling van renterisicos als bedoeld in dat artikellid niet adequaat zijn.
**2.** De Nederlandsche Bank kan een kleine en niet-complexe instelling, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 145 van de verordening kapitaalvereisten, verplichten de gestandaardiseerde methode te gebruiken indien zij van oordeel is dat de vereenvoudigde gestandaardiseerde methode, bedoeld in artikel 84, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten niet adequaat is voor het ondervangen van renterisicos als bedoeld in dat artikellid.
**3.** De bank zorgt ervoor dat de spreiding van de kredietportefeuille aansluit bij de doelmarkten en bij de algemene kredietstrategie van de bank.
### Artikel 23b
**1.**
**1.** De procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, die zijn gericht op het liquiditeitsrisico hebben betrekking op het beheer van de actuele en toekomstige netto financiële positie en behoeften.
Het bestuur van een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, en, indien aanwezig, het orgaan dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming:
a. zijn betrokken bij het beleid gericht op het beheersen van relevante risicos overeenkomstig artikel 76, eerste en tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, dan wel, in het geval van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, overeenkomstig artikel 28, eerste en tweede lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen;
b. worden daarbij bijgestaan en geadviseerd door een risicocommissie overeenkomstig artikel 76, derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, dan wel, in het geval van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, overeenkomstig artikel 28, vierde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen; en
c. hebben voldoende toegang tot informatie betreffende de risicosituatie van de financiële onderneming, de risicobeheerfunctie en de adviezen van externe deskundigen overeenkomstig artikel 76, vierde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, dan wel, in het geval van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, overeenkomstig artikel 28, derde en vijfde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.
**2.** De risicobeheerfunctie van een bank, beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten of clearinginstelling als bedoeld in het eerste lid is ingericht overeenkomstig artikel 76, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
**3.** Het eerste lid, onderdeel b, vindt slechts toepassing, indien de bank of beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten significant is ingevolge artikel 17d, respectievelijk artikel 31f van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft dan wel indien de beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen niet voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 32, vierde lid, onderdeel a, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.
**4.** Artikel 23, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
**5.** Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen die kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen.
**2.** Door een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin, worden alternatieve scenarios in overweging genomen en de hypothesen die aan beslissingen betreffende de netto financiële positie ten grondslag liggen, worden regelmatig aan een nieuw onderzoek onderworpen.
### Artikel 23c
**1.** Een clearinginstelling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, beschikt over een plan dat voorziet in een duurzaam herstel van de financiële positie van de onderneming na een aanzienlijke verslechtering van de financiële positie.
**1.** De procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, die zijn gericht op het beheersen van het operationeel risico zijn eveneens gericht op zelden voorkomende, zeer ernstige gebeurtenissen.
**2.** Het plan, bedoeld in het eerste lid, wordt afgestemd op de aard, de omvang, het risicoprofiel en de complexiteit van de werkzaamheden van de clearinginstelling.
**3.** De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid.
**2.** Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin, geeft in aanvulling op hetgeen in dit besluit onder operationeel risico wordt verstaan, aan wat zij onder operationeel risico verstaat.
### Artikel 23d
**1.** Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2 van de wet die geen deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet, beschikt over een herstelplan dat door de Nederlandsche Bank is goedgekeurd en dat voorziet in maatregelen die de onderneming in staat stellen haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen. Een herstelplan wordt ter goedkeuring voorgelegd na vaststelling door het bestuur van de onderneming.
**2.** Het herstelplan voldoet aan de eisen ingevolge de artikelen 5, derde tot en met zesde en tiende lid, en 9, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
**3.** Het herstelplan wordt ten minste eenmaal per jaar herzien en voorts wanneer zich een wezenlijke verandering in de organisatie of bedrijfsvoering van de onderneming voordoet die noodzaakt tot aanpassing van het plan.
**4.** De Nederlandsche Bank kan toestaan dat het bepaalde in het tweede of derde lid op vereenvoudigde wijze wordt toegepast.
**5.** De Nederlandsche Bank kan, indien zij de consoliderende toezichthouder is, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 41, van de verordening kapitaalvereisten, besluiten dat een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2 van de wet die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet, beschikt over een eigen herstelplan overeenkomstig het eerste en tweede lid.
**6.** De Nederlandse Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede tot en met vierde lid.
Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin, past systemen toe voor de beoordeling en het beheer van het risico dat uit potentiële veranderingen in rentetarieven voortvloeit, voor zover deze veranderingen van invloed zijn op de activiteiten buiten de handelsportefeuille van die bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling.
### Artikel 23e
**1.** Een EU-moederonderneming met zetel in Nederland van een groep als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet beschikt over een herstelplan dat door de consoliderende toezichthouder, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 41, van de verordening kapitaalvereisten, is goedgekeurd en dat voorziet in maatregelen met betrekking tot de EU-moederonderneming of haar dochterondernemingen, die de groep in staat stellen haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen. Een herstelplan wordt ter goedkeuring voorgelegd na vaststelling door het bestuur van de onderneming.
**1.** De procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, die betrekking hebben op het beheersen van het securitisatierisico zijn erop gericht dat bij het nemen van beslissingen op het gebied van risicobeoordeling en het risicobeheer rekening wordt gehouden met het economisch belang van de transactie.
**2.** Het groepsherstelplan voldoet aan de eisen ingevolge de artikelen 5, derde tot en met zesde en tiende lid, 7, vierde tot en met zesde lid, en 9, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
**3.** Artikel 23d, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**4.** Een groepsherstelplan dat is goedgekeurd door de consoliderende toezichthouder in een andere lidstaat, is op entiteiten van een groep met zetel in Nederland van toepassing, tenzij de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 8, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen besluit dat deze entiteiten moeten beschikken over een eigen herstelplan, waarop artikel 23d van overeenkomstige toepassing is.
**5.** De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede en derde lid.
### Artikel 23f
**1.**
De inrichting van de bedrijfsvoering van een onderneming of entiteit als bedoeld in de artikelen 23d, eerste of vijfde lid, of 23e, eerste of vierde lid, is in overeenstemming met het herstelplan en waarborgt dat het herstelplan zonder wezenlijke belemmeringen ten uitvoer kan worden gelegd, in ieder geval met betrekking tot:
a. het risicoprofiel van de onderneming;
b. de mogelijkheden tot tijdige herkapitalisatie;
c. de strategie en structuur van de onderneming;
d. de financieringsstrategie, teneinde de weerbaarheid van de kernbedrijfsonderdelen en kritieke functies te waarborgen; en
e. de governancestructuur.
**2.** De bedrijfsvoering voorziet in een periodieke evaluatie van de indicatoren, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, voor het uitvoeren van in het herstelplan opgenomen maatregelen.
**3.** De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid.
### Artikel 23g
**1.** De Nederlandsche Bank beoordeelt een herstelplan of groepsherstelplan dat haar goedkeuring behoeft binnen zes maanden na de voorlegging ervan, overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
**2.** De beoordeling van een groepsherstelplan geschiedt overeenkomstig de afstemmingsprocedure van artikel 8 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
**3.** Indien het herstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of indien er wezenlijke belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging van het herstelplan, wordt goedkeuring aan het plan onthouden. Binnen twee maanden legt de indiener van het herstelplan opnieuw een herstelplan ter goedkeuring voor, waarbij de bij de afwijzing geconstateerde tekortkomingen of belemmeringen zijn weggenomen.
**4.** De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en derde lid.
### Artikel 23h
Indien een onderneming, entiteit of groep als bedoeld in de artikelen 23d, eerste of vijfde lid, of 23e, eerste of vierde lid, uitvoering geeft aan maatregelen die zijn opgenomen in het herstelplan of deze maatregelen achterwege laat in afwijking van de uitkomsten van de indicatoren, bedoeld in artikel 23f, tweede lid, doet de onderneming, de entiteit of de EU-moederonderneming van de groep daarvan onverwijld mededeling aan de Nederlandsche Bank.
### Artikel 23i
**1.** Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, eerste lid, beschikt over passende procedures die haar werknemers in staat stellen om door hen geconstateerde mogelijke of feitelijke overtredingen van de verordening kapitaalvereisten, de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen of het bij of krachtens hoofdstuk 1.7 en het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde intern te melden.
**2.** Deze procedures voldoen aan de vereisten in artikel 71, tweede lid, onderdelen b, c en d, en derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, of, in het geval van beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, aan de vereisten in artikel 22, eerste lid, onderdelen b, c en d, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. Artikel 23, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 23j
**1.**
De beheerder van een icbe vermeldt in het beleid, bedoeld in artikel 23, eerste lid:
a. de technieken, instrumenten en regelingen om te allen tijde de risicos te kunnen meten en beheren waaraan elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten is of zou kunnen worden blootgesteld;
b. de verantwoordelijkheden binnen de organisatie van de beheerder met betrekking tot het risicobeheer; en
c. de voorwaarden, inhoud en frequentie van de rapportage door de risicobeheerfunctie, bedoeld in artikel 23, zesde lid, aan de personen die het dagelijks beleid van de beheerder van de icbe bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beheerder.
**2.**
De procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, stellen een beheerder van een icbe in staat:
a. te allen tijde de risicos te kunnen meten waaraan de instelling voor collectieve belegging in effecten wordt of zou kunnen worden blootgesteld; en
b. de naleving van limieten voor het totale risico en het tegenpartijrisico voor elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten, bedoeld in de artikelen 133 en 134 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, te waarborgen.
**3.**
Een beheerder van een icbe neemt voor de toepassing van het tweede lid de volgende maatregelen:
a. zorgen voor procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, die noodzakelijk zijn om te garanderen dat de risicos van ingenomen posities en het aandeel van deze posities in het totale risicoprofiel nauwkeurig en op basis van degelijke en betrouwbare gegevens worden gemeten en dat deze procedures en maatregelen op adequate wijze zijn gedocumenteerd;
b. zorgen dat in de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de activa van de icbe niet uitsluitend of mechanisch wordt uitgegaan van ratings, uitgegeven door een ratingbureau;
c. in voorkomend geval, achteraf uitvoeren van periodieke tests om de geldigheid te evalueren van regels met betrekking tot risicometingregelingen die modelmatige prognoses en ramingen omvatten;
d. in voorkomend geval, uitvoeren van periodieke stresstests en scenarioanalyses om de eventueel uit wisselende marktomstandigheden voortvloeiende risicos aan te pakken die negatieve gevolgen voor de instelling voor collectieve belegging in effecten kunnen hebben;
e. het opzetten, implementeren en in stand houden van een gedocumenteerd systeem van interne limieten voor de maatregelen die worden genomen om de relevante risicos voor elke beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten te beheren en te controleren, waarbij rekening wordt gehouden met relevante risicos als bedoeld in artikel 23, tweede lid, en waarbij overeenstemming met het risicoprofiel van de instelling voor collectieve belegging in effecten wordt gewaarborgd;
f. zorgen dat voor elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten de huidige risico-omvang voldoet aan het risicolimietensysteem, bedoeld in onderdeel d; en
g. opzetten, implementeren en in stand houden van adequate procedures die in geval van feitelijke en voorzienbare inbreuken op het risicolimietensysteem van de instelling voor collectieve belegging in effecten tot tijdige herstelmaatregelen in belang van de deelnemers leiden.
**2.** Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin, die initiator is van een securitisatie van revolverende vorderingen waarop een vervroegde- aflossingsbepaling van toepassing is, stelt een liquiditeitsplan vast om de gevolgen van zowel geplande als vervroegde aflossingen op te vangen.
### Artikel 24
**1.** Een bank, beheerder van een icbe, beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 23, eerste lid, ziet er op systematische wijze op toe dat de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, worden nageleefd en zorgt ervoor dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden opgeheven.
**2.** Een betaaldienstverlener die betaaldiensten verleent als bedoeld onder 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten, beschikt over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering, of over een andere vergelijkbare waarborg, tegen aansprakelijkheid ingevolge de artikelen 528, 545a of 547 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
**3.** Een betaaldienstverlener die betaaldiensten verleent als bedoeld onder 8 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten, beschikt over een verzekering, of over een andere vergelijkbare waarborg, tegen aansprakelijkheid jegens de rekeninghoudende betaaldienstverlener of de betaaldienstgebruiker als gevolg van niet-toegestane of frauduleuze toegang tot of niet-toegestaan of frauduleus gebruik van betaalrekeninginformatie.
Een beleggingsonderneming, clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 23, eerste lid, ziet er op systematische wijze op toe dat de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, tweede lid, worden nageleefd en zorgt ervoor dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden opgeheven.
### Artikel 24a
**1.** Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, achtste lid en tiende lid, aanhef en onderdeel a, beschikt over solide, doeltreffende en alomvattende strategieën en procedures aan de hand waarvan zij doorlopend nagaat of en ervoor zorgt dat de hoogte, samenstelling en verdeling van haar toetsingsvermogen aansluiten op de omvang en de aard van haar de korte- en langetermijnrisicos waaraan zij blootstaat of zou kunnen blootstaan.
**1.** Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin, beschikt over solide, doeltreffende en alomvattende strategieën en procedures aan de hand waarvan zij doorlopend nagaat of en ervoor zorgt dat de hoogte, samenstelling en verdeling van haar eigen vermogen aansluiten op de omvang en de aard van haar huidige en mogelijk toekomstige risicos.
**2.** Een verzekeraar met beperkte risico-omvang gaat regelmatig na hoe zijn solvabiliteit zich verhoudt tot de korte- en langetermijnrisicos waaraan hij blootstaat of zou kunnen blootstaan.
### Artikel 24a1
**1.** Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, negende lid en tiende lid, aanhef en onderdeel b, beschikt over solide, doeltreffende en allesomvattende strategieën en procedures aan de hand waarvan zij doorlopend nagaat of en ervoor zorgt dat de hoogte, samenstelling en verdeling van haar toetsingsvermogen en haar liquide activa aansluiten op de omvang en de aard van de risicos waaraan zij blootstaat, zou kunnen blootstaan en die zij voor anderen kan inhouden.
**2.** De Nederlandsche Bank kan categorieën beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen die kwalificeren als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, verplichten te voldoen aan het eerste lid, indien zij dit passend acht.
### Artikel 24a2
**1.** Indien een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen die eerst niet kwalificeerde als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, op enig moment wel als zodanig kwalificeert dan mag zij aan de artikelen 23, 23a en 23b van dit besluit, de artikelen 29a, vierde lid, en 31ga van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en artikel 3 van het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijnen kapitaalvereisten en prudentieel toezicht beleggingsondernemingen voldoen als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming zodra een periode van zes aaneengesloten maanden is verstreken vanaf de datum waarop zij voor het eerst als zodanig heeft gekwalificeerd, zij gedurende die periode doorlopend als zodanig heeft gekwalificeerd en mits zij de Nederlandsche Bank daarvan in kennis heeft gesteld.
**2.** Indien een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen niet langer kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, dan stelt zij de Nederlandsche Bank daarvan in kennis en voldoet zij binnen twaalf maanden na de datum waarop zij niet meer als zodanig kwalificeert aan de artikelen 23, 23a en 23b van dit besluit, de artikelen 29a, vierde lid, en 31ga van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en artikel 3 van het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijnen kapitaalvereisten en prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, als beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming.
### Artikel 24b
**1.**
Het risicobeheer, bedoeld in artikel 23, zesde lid, van een bank die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, een bank als bedoeld in artikel 3:23, tweede lid, van de wet, een beheerder van een icbe, een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten en een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:22 van de wet, waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn oefent controle uit op:
a. de deugdelijkheid en effectiviteit van de door de bank, beheerder van een icbe of beleggingsonderneming vastgestelde procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid;
b. de mate waarin de bank, beheerder van een icbe of beleggingsonderneming en haar medewerkers de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, naleven; en
c. de deugdelijkheid en effectiviteit van de maatregelen die zijn genomen om gesignaleerde tekortkomingen of gebreken op te heffen.
**2.** Het risicobeheer rapporteert ten minste jaarlijks aan personen die het dagelijks beleid van de bank, beheerder of beleggingsonderneming bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank, beheerder of beleggingsonderneming. In de jaarlijkse rapportage wordt met name aangegeven of maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde onvolkomenheden.
**3.**
Het risicobeheer van een beheerder van een icbe brengt regelmatig verslag uit aan de personen die het dagelijks beleid van de beheerder bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beheerder over:
a. de consistentie tussen de actuele omvang van het risico dat elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten loopt, en het risicoprofiel dat voor deze instelling voor collectieve belegging in effecten is overeengekomen;
b. de nakoming van het relevante risicolimietensysteem door elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten; en
c. de deugdelijkheid en effectiviteit van de risicobeheerprocedure, waarbij met name wordt aangegeven of passende maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde onvolkomenheden.
**4.**
Het risicobeheer van een beheerder van een icbe brengt aan de personen die het dagelijks beleid bepalen van de beheerder:
a. advies uit betreffende de identificatie van het risicoprofiel van elke door de beheerder beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten; en
b. regelmatig verslag uit over de actuele omvang van het risico dat elke door de beheerder beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten loopt en feitelijke of voorzienbare inbreuken op de limieten van de desbetreffende instelling voor collectieve belegging in effecten opdat onmiddellijk passende maatregelen kunnen worden ondernomen.
**5.** Het risicobeheer van een beheerder van een icbe onderzoekt en ondersteunt in voorkomend geval de procedures en maatregelen, bedoeld in de artikelen 34, eerste lid, onderdeel g, en derde lid, en 34a van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.
**2.** De financiële onderneming ziet er op systematische wijze op toe dat de strategieën en procedures, bedoeld in het eerste lid, worden nageleefd en zorgt ervoor dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden opgeheven.
### Artikel 25
Indien een beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank of bijkantoor als bedoeld in artikel 23, eerste lid, gebruik maakt van intern ontwikkelde modellen, beoordeelt deze die modellen en de gehanteerde veronderstellingen en variabelen op systematische wijze op validiteit, onder meer door voorspellingen van het model te vergelijken met de werkelijke uitkomsten.
Indien een beleggingsonderneming, clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 23, eerste lid, gebruik maakt van intern ontwikkelde modellen, beoordeelt deze die modellen en de gehanteerde veronderstellingen en variabelen op systematische wijze op validiteit, onder meer door voorspellingen van het model te vergelijken met de werkelijke uitkomsten.
### Artikel 25a
De Nederlandsche Bank kan een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2 van de wet verplichten gedetailleerde gegevens bij te houden over financiële contracten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 100, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen waarbij zij partij is, indien dit nodig is met het oog op:
**1.**
a. het opstellen of het uitvoeren van een herstelplan als bedoeld in de artikelen 23d of 23e; of
b. de toepassing van hoofdstuk 3A.1 van de wet of de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme.
De door de Nederlandsche Bank uitgevoerde evaluatie, bedoeld in artikel 3:18a, eerste lid, van de wet heeft ten minste betrekking op:
a. de risicos, bedoeld in artikel 60, eerste lid;
b. het renterisico dat een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin, bij niet-handelsactiviteiten loopt;
c. de resultaten van de stresstests die zijn uitgevoerd door de financiële onderneming die voor het kredietrisico een interne modellenmethode toepast;
d. de blootstelling aan en het beheer van het concentratierisico, het liquiditeitsrisico en grote posities door de financiële onderneming;
e. de deugdelijkheid, geschiktheid en wijze van toepassing van de door de financiële onderneming gevolgde procedures met het oog op het beheer van het restrisico dat de toepassing van toegelaten technieken van kredietrisicovermindering met zich brengt;
f. de vraag in hoeverre het toetsingsvermogen dat de financiële onderneming houdt met betrekking tot de activa die zij heeft gesecuritiseerd, toereikend is in het licht van de economische kenmerken van de transactie, inclusief de mate waarin sprake is van risico-overdracht;
g. de impact van de diversificatie-effecten en de wijze waarop dergelijke effecten in het systeem van risicometing worden verwerkt; en
h. de resultaten van de stresstests die zijn uitgevoerd door de financiële onderneming die gebruik maakt van interne modellen voor de berekening van de vereiste solvabiliteit voor het risico, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b.
**2.** De Nederlandsche Bank controleert of de financiële onderneming een securitisatie stilzwijgend buiten de grenzen van haar contractuele verplichtingen heeft gesteund. Indien blijkt dat de financiële onderneming meerdere keren buiten de grenzen van haar contractuele verplichtingen stilzwijgende steun heeft verleend, neemt de Nederlandsche Bank passende maatregelen op basis van het vermoeden dat de kans groot is dat de financiële onderneming ook in de toekomst haar securitisaties zal steunen buiten de grenzen van haar contractuele verplichtingen.
**3.** De Nederlandsche Bank houdt bij het bepalen of het aangehouden toetsingsvermogen een beheerste en duurzame dekking van risicos waarborgt, rekening met de vraag of de waardeaanpassingen en voorzieningen voor posities en portefeuilles in de handelsportefeuille de financiële onderneming in staat stellen haar posities onder normale marktomstandigheden op korte termijn te verkopen of af te dekken zonder dat wezenlijke verliezen worden geleden.
### Artikel 25b
Een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die een activiteit verricht of een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, van de wet, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet, voldoet aan het bepaalde in de artikelen 23, eerste tot en met vijfde lid en negende lid, 23a, aanhef en onderdeel b, 23b, eerste, derde en vierde lid, en 24a1 voor een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen of voor een beleggingsonderneming die kwalificeert als klein en niet-verweven als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen indien wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in dat artikel. Artikel 24a2, voor zover het de toepassing van de artikelen 23, 23a en 23b betreft, is van overeenkomstige toepassing.
**1.** De Nederlandsche Bank treft maatregelen indien de economische waarde van een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin, met meer dan twintig procent van het toetsingsvermogen afneemt door een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt de omvang van de verandering in de rentetarieven vast, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 26
**1.** Een beheerder van een icbe, een bewaarder, pensioenbewaarder of premiepensioeninstelling beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat de omvang en samenstelling van en mutaties in de aan te houden financiële waarborgen getrouw en volledig kunnen worden vastgesteld.
**1.** Een beheerder of bewaarder als bedoeld in artikel 3:17, derde lid, of 3:25 van de wet beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat de omvang en samenstelling van en mutaties in de aan te houden financiële waarborgen getrouw en volledig kunnen worden vastgesteld.
**2.**
Met het oog op de bewaking en beheersing van solvabiliteitsrisicos voorziet de bedrijfsvoering van een beheerder van een icbe of een premiepensioeninstelling in ieder geval in de bewaking en beheersing van de:
Met het oog op de bewaking en beheersing van solvabiliteitsrisicos voorziet de bedrijfsvoering van een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten in ieder geval in de bewaking en beheersing van de:
a. aard en omvang van de activa en passiva;
b. niet uit de balans blijkende verplichtingen; en
c. resultaatontwikkeling, uitgesplitst naar de onderscheiden bedrijfsactiviteiten en bedrijfsonderdelen.
**3.** Met het oog op de bewaking en beheersing van liquiditeitsrisicos voorziet de bedrijfsvoering van een beheerder van een icbe voor elke icbe die hij beheert onder meer in autorisatieprocedures, limietstellingen, limietbewaking en procedures en maatregelen voor noodsituaties met betrekking tot de liquiditeitspositie van de icbe.
**4.** In voorkomend geval voert een beheerder van een icbe stresstests uit die een beoordeling van het liquiditeitsrisico van de instelling voor collectieve belegging in effecten in uitzonderlijke omstandigheden mogelijk maken.
**5.** De beheerder van een icbe draagt er zorg voor dat voor elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten het liquiditeitsprofiel past bij het terugbetalingsbeleid dat in het fondsreglement, in de statuten of in het prospectus is vastgelegd.
### Artikel 26.0
**1.** De procedures en maatregelen van een premiepensioeninstelling ter beheersing van de relevante risicos, bedoeld in artikel 23, derde lid, zijn gericht op de relevante risicos waaraan de premiepensioeninstelling wordt of kan worden blootgesteld, alsmede op de risicos voor de door de premiepensioeninstelling uitgevoerde pensioenregelingen, waarbij de onderlinge afhankelijkheden en relaties in acht worden genomen.
**2.**
Tot de relevante risicos voor een premiepensioeninstelling worden, in aanvulling op de risicos, bedoeld in artikel 23, tweede lid, tevens gerekend:
a. risicos in verband met afgestemd beheer van activa en passiva;
b. risicos in verband met beleggingen, met name derivatencontracten, securitisaties en vergelijkbare overeenkomsten;
c. risicos in verband met verzekering en andere risicobeperkingstechnieken;
d. bestaande of opkomende risicos met betrekking tot het milieu, maatschappelijk verantwoord ondernemen of behoorlijk bestuur, waaronder risicos op het gebied van klimaatverandering, het gebruik van hulpbronnen, maatschappelijke risicos of risicos in verband met waardevermindering van activa als gevolg van gewijzigde regelgeving; en
e. de risicos die de pensioendeelnemers, gewezen pensioendeelnemers of pensioengerechtigden dragen overeenkomstig de voorwaarden van de pensioenregeling, vanuit het oogpunt van de pensioendeelnemer of pensioengerechtigde.
**3.** Een premiepensioeninstelling draagt er zorg voor dat de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, tevens procedures omvatten voor het rapporteren van relevante risicos door de risicobeheerfunctie aan het bestuur en, indien aanwezig, het toezichthoudend orgaan van de premiepensioeninstelling.
**4.** De premiepensioeninstelling evalueert het beleid, bedoeld in artikel 23, eerste lid, ten minste eenmaal per drie jaar en past het beleid in geval van een belangrijke wijziging op het gebied van het risicobeheer of met betrekking tot de overige onderdelen van de bedrijfsvoering zo spoedig mogelijk aan.
**5.** De premiepensioeninstelling draagt er zorg voor dat in de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de activa niet uitsluitend of mechanisch wordt uitgegaan van ratings, uitgegeven door een ratingbureau.
### Artikel 26.01
Artikel 17aa, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van de risicobeheerfunctie bij een premiepensioeninstelling. De artikelen 5, eerste lid, 17aa, vierde lid, en 17ab zijn van overeenkomstige toepassing op de personen die verantwoordelijk zijn voor de risicobeheerfunctie van een premiepensioeninstelling.
### Artikel 26.02
**1.** Een premiepensioeninstelling voert in het kader van het risicobeheer ten minste eenmaal per drie jaar een eigenrisicobeoordeling uit en legt de resultaten hiervan schriftelijk vast.
**2.**
De eigenrisicobeoordeling en de vastlegging van de resultaten hiervan wordt door de premiepensioeninstelling in aanmerking genomen bij het nemen van strategische beslissingen en omvat in ieder geval:
a. een beoordeling van de relevante risicos, bedoeld in artikel 23, tweede lid en artikel 26.0, tweede lid;
b. een beoordeling van de doelmatigheid van het beleid, bedoeld in artikel 23, eerste lid, en de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, en artikel 26.0, eerste en derde lid;
c. een kwalitatieve beoordeling van de mechanismen ter bescherming van de pensioenuitkeringen;
d. een beschrijving van de methoden waarover een premiepensioeninstelling beschikt om de risicos, bedoeld in onderdeel a, te identificeren en evalueren; en
e. een beschrijving van de wijze waarop de eigenrisicobeoordeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 23, derde lid, is geïntegreerd in de bedrijfsprocessen.
**3.** Indien het risicoprofiel van de premiepensioeninstelling, dan wel het risicoprofiel van een door de premiepensioeninstelling uitgevoerde pensioenregeling, in belangrijke mate wijzigt, vindt zo spoedig mogelijk een nieuwe eigenrisicobeoordeling plaats, met dien verstande dat bij een wijziging in het risicoprofiel van een specifieke pensioenregeling de eigenrisicobeoordeling beperkt kan blijven tot de betreffende pensioenregeling.
**4.** De premiepensioeninstelling zendt de door het bestuur vastgestelde resultaten van de eigenrisicobeoordeling of wijzigingen in de resultaten van de eigenrisicobeoordeling zo spoedig mogelijk na de totstandkoming daarvan aan de toezichthouder.
### Artikel 26.03
De Nederlandsche Bank kan een premiepensioeninstelling de verplichting opleggen om een stresstest uit te voeren, om de financiële omstandigheden van de premiepensioeninstelling te kunnen bepalen of de ontwikkeling ervan te kunnen volgen.
### Artikel 26.1
**1.** Een beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:17, derde lid, van de wet voert met betrekking tot de beleggingsinstellingen die hij beheert beleid gericht op het beheersen van risicos die de soliditeit van die instellingen kunnen aantasten.
**2.** De beheerder beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat wordt voldaan aan de ingevolge artikel 15 en 16 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde voorwaarden die met het oog op de in het eerste lid bedoelde belangen worden gesteld.
### Paragraaf 4.3. Bijzondere bepalingen voor de verzekeringsector
### Artikel 26.2
**1.** Een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voldoet met betrekking tot zijn bedrijfsvoering aan de artikelen 41 en 44 tot en met 48 van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk IX, afdelingen 1 en 2, van de verordening solvabiliteit II.
**2.** De werknemers van een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid, niet zijnde personen als bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, derde volzin, van de wet, die een sleutelfunctie vervullen als bedoeld in artikel 42 van de richtlijn solvabiliteit II zijn geschikt voor de vervulling van hun taken.
### Artikel 26.3
**1.**
De artikelen 41 en 44 tot en met 48 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk IX, afdelingen 1 en 2, van de verordening solvabiliteit II inzake de bedrijfsvoering van verzekeraars zijn van overeenkomstige toepassing op de volgende verzekeraars, voor zover zij hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
**2.** Artikel 26.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op werknemers van verzekeraars als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.
### Artikel 26.4
De artikelen 319, 320, 321, 324, 326 en 327 van de verordening solvabiliteit II inzake de bedrijfsvoering van entiteiten voor risico-acceptatie zijn van overeenkomstige toepassing op entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
### Paragraaf 4.3a. Voorbereidend crisisplan
### Artikel 26.5
**1.** Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, of artikel 3:23, eerste lid, van de wet beschikt over een voorbereidend crisisplan dat door de Nederlandsche Bank is goedgekeurd en dat voorziet in maatregelen die de verzekeraar in staat stellen zijn financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen.
**2.** Een voorbereidend crisisplan wordt ten minste elke drie jaar geëvalueerd en zo nodig bijgewerkt, alsook na elke significante verandering in de juridische structuur, de feitelijke bedrijfsuitoefening of de financiële positie van de verzekeraar.
**3.** Een aanzienlijke verslechtering van de financiële positie als bedoeld in het eerste lid omvat ten minste een dreigende of daadwerkelijke doorbreking van het solvabiliteitskapitaalvereiste, een dreigende of daadwerkelijke doorbreking van het minimumkapitaalvereiste, alsmede een dreigende of daadwerkelijke verslechtering van de liquiditeitspositie.
**4.**
Het voorbereidende crisisplan bevat in ieder geval:
a. de maatregelen voor herstel van de financiële positie in verschillende crisisscenarios, de verwachte effectiviteit ervan en de voor de uitvoering benodigde tijd;
b. een beschrijving van de procedures voor het bepalen van de waarde en verkoopbaarheid van bedrijfsactiviteiten en activa in diverse crisisscenarios;
c. een beschrijving van de wijze waarop het voorbereidende crisisplan in de bestuurs- en bedrijfsvoeringsstructuur is geïntegreerd, alsmede van het beleid en de procedures met betrekking tot de goedkeuring van het voorbereidende crisisplan en de identificatie van de personen in de organisatie die voor de opstelling en uitvoering van het plan verantwoordelijk zijn;
d. de wijze waarop de verzekeraar de continue werking van de kritische bedrijfsprocessen waarborgt;
e. de wijze waarop de verzekeraar beoogt verzekeringsportefeuilles of delen daarvan met de daarbij behorende activa te verkopen binnen een tijdsbestek dat passend is voor het herstel van de financiële soliditeit;
f. voorbereidingen die de verzekeraar heeft getroffen of voornemens is te treffen om de uitvoering van het voorbereidende crisisplan te vergemakkelijken, met inbegrip van maatregelen die nodig kunnen zijn voor een tijdige herkapitalisatie van de verzekeraar;
g. indien van toepassing: een samenvatting van wezenlijke veranderingen in de juridische structuur of de feitelijke bedrijfsuitoefening die zich sinds de opstelling van het laatste voorbereidende crisisplan hebben voorgedaan;
h. een analyse van het effect van de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen op de polishouders en, voor zover van toepassing, de rest van de groep;
i. een communicatieplan voor de media en het publiek; en,
j. indien van toepassing: een beschrijving van de wezenlijke belemmeringen voor de doeltreffende uitvoering van het voorbereidende crisisplan en maatregelen om deze belemmeringen weg te nemen en de voor de uitvoering van die maatregelen benodigde tijd.
**5.** Indien in het laatst ingediende periodieke toezichtrapport, bedoeld in artikel 304, eerste lid, onderdeel b, van de verordening solvabiliteit II, reeds de in het vierde lid genoemde onderdelen zijn opgenomen, vervalt de verplichting bedoeld in het vierde lid, voor de betreffende onderdelen.
**6.** De Nederlandsche Bank kan toestaan dat het tweede tot en met vierde lid op vereenvoudigde wijze wordt toegepast.
### Artikel 26.6
**1.** Een verzekeraar of holding als bedoeld in artikel 3:288i1, eerste lid, van de wet beschikt over een voorbereidend groepscrisisplan dat door de Nederlandsche Bank is goedgekeurd en dat voorziet in maatregelen met betrekking tot de verzekeraar, zijn dochterondernemingen of holding, die de groep in staat stellen de financiële positie van de afzonderlijke groepsleden en de groep als geheel na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen.
**2.** Het voorbereidende groepscrisisplan bevat een identificatie van de belangrijkste onderdelen van de groep.
**3.** Artikel 26.5, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op een voorbereidend groepscrisisplan.
### Artikel 26.7
De inrichting van de bedrijfsvoering van een verzekeraar als bedoeld in artikel 26.5, eerste lid, of van een verzekeraar dan wel holding als bedoeld in artikel 26.6, eerste lid, waarborgt dat elke maatregel bedoeld in artikel 26.5, vierde lid, onderdeel a, zonder wezenlijke belemmeringen ten uitvoer kan worden gelegd, in ieder geval met betrekking tot:
a. aanpassingen in het risicoprofiel van de verzekeraar;
b. de mogelijkheden tot tijdige herkapitalisatie;
c. aanpassingen in de strategie en bedrijfsvoering; en
d. de financieringsstrategie, teneinde de weerbaarheid van de bedrijfsonderdelen te waarborgen.
### Artikel 26.8
**1.** De Nederlandsche Bank beoordeelt een voorbereidend crisisplan of voorbereidend groepscrisisplan binnen zes maanden na de voorlegging ervan.
**2.** Indien het voorbereidend crisisplan of groepscrisisplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of indien er wezenlijke belemmeringen zijn voor de uitvoering van het voorbereidende crisisplan en deze tekortkomingen of belemmeringen niet binnen een redelijke termijn zullen worden weggenomen, wordt goedkeuring aan het plan onthouden. Binnen drie maanden legt de indiener van het voorbereidende crisisplan opnieuw een voorbereidend crisisplan ter goedkeuring voor, waarbij de geconstateerde tekortkomingen of belemmeringen binnen een redelijke termijn zullen worden weggenomen.
### Artikel 26.9
Indien een verzekeraar, onderdeel of holding als bedoeld in artikel 26.6, eerste lid, uitvoering geeft aan maatregelen die zijn opgenomen in het voorbereidende crisisplan of deze maatregelen achterwege laat bij een aanzienlijke verslechtering van de financiële positie als bedoeld in artikel 26.5, eerste lid, doet de verzekeraar, het onderdeel of de holding daarvan onverwijld mededeling aan de Nederlandsche Bank.
### Paragraaf 4.4. Vangnetregelingen
### Artikel 26a
**1.** Een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 heeft, beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat de voor de uitvoering van de vangnetregelingen noodzakelijke gegevens voortdurend actueel worden bijgehouden en adequaat zijn vastgelegd.
**2.** De financiële onderneming verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de Nederlandsche Bank binnen een door de Nederlandsche Bank te bepalen termijn en op een op de Nederlandsche Bank te bepalen wijze.
### Paragraaf 4.5. Regels ter bevordering van de goede werking van het betalingsverkeer
### Artikel 26b
Afwikkelondernemingen, banken, betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen nemen bij de inrichting van hun bedrijfsvoering de regels in acht die door de Nederlandsche Bank terzake worden gesteld ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden om de goede werking van het betalingsverkeer te waarborgen.
### Artikel 26ba
**1.** Een betaalinstelling beschikt over een beschrijving van de regelingen op het gebied van bestuur en mechanismen voor interne controle.
**2.**
De in het eerste lid genoemde bestuursregelingen en interne controlemechanismen omvatten in elk geval:
a. administratieve en boekhoudkundige procedures;
b. procedures voor risicobeheersing;
c. regelingen voor het gebruik van ICT-diensten in overeenstemming met de verordening digitale operationele weerbaarheid, waaruit blijkt dat die bestuursregelingen en interne controlemechanismen evenredig, passend, degelijk en adequaat zijn.
### Artikel 26bb
**1.** Een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling voldoet aan de vereisten uit artikel 35 bis van de richtlijn betaaldiensten indien zij verzoekt om deelname of deelneemt aan een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet.
**2.** Een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling stelt de Nederlandsche Bank in kennis van de wijze waarop zij aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid, voldoet.
### Paragraaf 4.6. Bijzondere bepalingen voor betaaldienstverleners
### Artikel 26c
**1.** Een betaalinstelling beschikt over een beveiligingsbeleid om betaaldienstgebruikers te beschermen tegen beveiligingsrisicos, zoals fraude en illegaal gebruik van gevoelige betaalgegevens en persoonsgegevens.
**2.**
Het beveiligingsbeleid omvat ten minste:
a. maatregelen op het gebied van beveiliging en risicobescherming, met inbegrip van een risicoanalyse met betrekking tot de aangeboden betaaldiensten onder meer in relatie tot digitale operationele veiligheid als bedoeld in de verordening digitale operationele weerbaarheid;
b. procedures voor het registreren en afhandelen van veiligheidsincidenten en veiligheidsgerelateerde klachten van cliënten en de nabehandeling ervan, met inbegrip van een mechanisme voor het melden van incidenten die rekening houden met de kennisgevingsverplichtingen voor betaalinstellingen die zijn vastgelegd in hoofdstuk III van de verordening digitale operatonele weerbaarheid;
c. procedures voor het opslaan, monitoren, traceren en beperken van de toegang tot gevoelige betaalgegevens; en
d. uitgangspunten en standaarden die worden toegepast bij het verzamelen van statistische gegevens over prestaties, transacties en fraude.
**3.** Indien de betaalinstelling uitsluitend betaaldiensten verleent als bedoeld onder 8 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten, is het tweede lid, onderdeel d, niet van toepassing.
**4.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen.
### Artikel 26d
Een betaaldienstverlener beschikt over procedures ter waarborging van de bedrijfscontinuïteit, waaronder de bedrijfscontinuïteit op het gebied van de informatie- en communicatievoorziening, waarin de kritieke bedrijfsactiviteiten zijn opgenomen, met inbegrip van respons- en herstelplannen voor de informatie- en communicatievoorziening en een procedure om de toereikendheid en efficiëntie van deze procedures en plannen periodiek te toetsen en te herzien met inachtneming van de verordening digitale operationele weerbaarheid.
### Artikel 26e
Een betaaldienstverlener, met uitzondering van de betaaldienstverlener die uitsluitend betaaldiensten verleent als bedoeld onder 8 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten, verkrijgt alleen met de uitdrukkelijke toestemming van de betaaldienstgebruiker toegang tot diens persoonsgegevens, om deze gegevens te verwerken en te bewaren voor zover noodzakelijk voor het verlenen van betaaldiensten.
### Artikel 26f
**1.** Een betaaldienstverlener voorziet in passende risicobeperkende maatregelen en controlemechanismen ter voorkoming van operationele en beveiligingsrisicos die zijn verbonden aan de door hem aangeboden betaaldiensten.
**2.** Een betaaldienstverlener beschikt over procedures ter beheersing incidenten, inclusief een procedure om grote operationele incidenten en veiligheidsincidenten te detecteren en te classificeren.
**3.** Een betaaldienstverlener verstrekt de Nederlandsche Bank ten minste jaarlijks een beoordeling van de operationele en beveiligingsrisicos en van de toereikendheid van de in reactie op deze risicos ingevoerde risicobeperkende maatregelen en controlemechanismen.
**4.** Dit artikel is van toepassing onverminderd hoofdstuk II van de verordening digitale operationele weerbaarheid.
### Artikel 26g
**1.** Een betaaldienstverlener stelt de Nederlandsche Bank onverwijld in kennis van een groot operationeel of beveiligingsincident. Indien het incident gevolgen heeft of kan hebben voor de financiële belangen van hun betaaldienstgebruikers, stelt de betaaldienstverlener ook deze onverwijld van het incident in kennis en vermeldt hij welke maatregelen hij treft om de mogelijke schadelijke gevolgen van het incident te beperken.
**2.** Een betaaldienstverlener verstrekt ten minste jaarlijks statistische gegevens over de door hem geconstateerde fraude met betrekking tot verschillende betaalmiddelen aan de Nederlandsche Bank.
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op de in artikel 96, zevende lid, van de richtlijn betaaldiensten genoemde betaaldienstverleners.
### Artikel 26l
De artikelen 26e tot en met 26k zijn van toepassing op betalingstransacties in alle valuta, waarbij één of de enige bij de betalingstransactie betrokken betaaldienstverlener zijn zetel in een lidstaat heeft, met betrekking tot de delen van de betalingstransactie die binnen een lidstaat worden uitgevoerd.
### Artikel 26h
**1.**
Een betaaldienstverlener voorziet in sterke cliëntauthenticatie indien:
a. een betaler zich via het internet toegang tot zijn betaalrekening verschaft;
b. een betaler een elektronische betalingstransactie initieert;
c. een betaler via een communicatiemiddel op afstand een handeling uitvoert die een risico op betaalfraude of andere vormen van misbruik met zich mee kan brengen;
d. een betaling via een betaalinitiatiedienstverlener wordt geïnitieerd; of
e. informatie via een rekeninginformatiedienstverlener wordt opgevraagd.
**2.**
Sterke cliëntauthenticatie is een vorm van authenticatie die zodanig is opgezet dat de vertrouwelijkheid van de persoonlijke beveiligingsgegevens wordt beschermd en waarbij gebruik wordt gemaakt van twee of meer van de volgende factoren:
a. wetenschap, iets wat alleen de gebruiker weet;
b. bezit, iets waarover alleen de gebruiker beschikt; of
c. inherente eigenschap, een unieke persoonlijke eigenschap van de gebruiker.
**3.** De factoren dienen onderling onafhankelijk te zijn, in die zin dat schending van de vertrouwelijkheid van één ervan geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de andere factoren.
**4.** Indien een betaaldienstverlener sterke cliëntauthenticatie toepast treft hij beveiligingsmaatregelen en voorziet hij in authenticatieprocedures ter bescherming van de vertrouwelijkheid en integriteit van de persoonlijke beveiligingsgegevens van betaaldienstgebruikers.
**5.** Indien er sprake is van het initiëren van een elektronische betalingstransactie op afstand, gebruikt een betaaldienstverlener sterke cliëntauthenticatie met elementen die transacties op dynamische wijze aan een specifiek bedrag en een specifieke betalingsbegunstigde verbinden.
**6.** De rekeninghoudende betaaldienstverlener staat de betaalinitiatiedienstverlener en de rekeninginformatiedienstverlener toe dat zij mogen vertrouwen op de door hem ten behoeve van de betaaldienstgebruiker verstrekte authenticatieprocedures.
**7.** Toepassing van dit artikel geschiedt met inachtneming van de krachtens artikel 98 van de richtlijn betaaldiensten door de EBA vastgestelde technische reguleringsnormen.
### Artikel 26i
**1.** Een betaalinitiatiedienstverlener zorgt ervoor dat de persoonlijke beveiligingsgegevens van de betaaldienstgebruiker alleen toegankelijk zijn voor de gebruiker en de uitgever van de persoonlijke beveiligingsgegevens, en verzendt de persoonlijke beveiligingsgegevens op een veilige en efficiënte manier.
**2.** Een betaalinitiatiedienstverlener verstrekt iedere andere informatie over de betaaldienstgebruiker, die is verkregen bij het verstrekken van betaalinitiatiedienst, alleen aan de betalingsbegunstigde en alleen met de uitdrukkelijke instemming van de betaaldienstgebruiker.
**3.** Een betaalinitiatiedienstverlener identificeert zich bij elke betaalinitiatie ten overstaan van de rekeninghoudende betaaldienstverlener van de betaler en communiceert op een veilige manier met de rekeninghoudende betaaldienstverlener.
**4.** Een betaalinitiatiedienstverlener slaat geen gevoelige betaalgegevens van de betaaldienstgebruiker op.
**5.** Een betaalinitiatiedienstverlener vraagt uitsluitend gegevens op van de betaaldienstgebruiker die nodig zijn voor het verstrekken van de betaalinitiatiedienst.
**6.** Een betaalinitiatiedienstverlener gebruikt, verschaft zich toegang tot of slaat gegevens op, uitsluitend ten behoeve van de door de betaler uitdrukkelijk gevraagde betaalinitiatiedienst.
**7.** Een betaalinitiatiedienstverlener laat het bedrag, de betalingsbegunstigde of enig ander element van de transactie ongewijzigd.
**8.** Toepassing van dit artikel vindt plaats met inachtneming van de krachtens artikel 98 van de richtlijn betaaldiensten door de EBA vastgestelde technische reguleringsnormen.
### Artikel 26j
**1.** Een rekeninginformatiedienstverlener verricht zijn diensten alleen met uitdrukkelijke instemming van de betaaldienstgebruiker.
**2.** Een rekeninginformatiedienstverlener zorgt ervoor dat de persoonlijke beveiligingsgegevens van de betaaldienstgebruiker alleen toegankelijk zijn voor de gebruiker en de uitgever van de persoonlijke beveiligingsgegevens, en verzendt de persoonlijke beveiligingsgegevens op een veilige en efficiënte manier.
**3.** Een rekeninginformatiedienstverlener identificeert zich bij elke communicatiesessie met de rekeninghoudende betaaldienstverlener van de betaaldienstgebruiker en communiceert op een veilige manier met de rekeninghoudende betaaldienstverlener en de betaaldienstgebruiker.
**4.** Een rekeninginformatiedienstverlener heeft uitsluitend toegang tot de informatie van de aangewezen betaalrekeningen en de betrokken betalingstransacties.
**5.** Een rekeninginformatiedienstverlener vraagt geen gevoelige betaalgegevens met betrekking tot de betaalrekeningen op.
**6.** Een rekeninginformatiedienstverlener gebruikt, verschaft zich toegang tot of slaat gegevens op uitsluitend ten behoeve van het uitvoeren van de door de betaaldienstgebruiker uitdrukkelijk gevraagde rekeninginformatiedienst, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG en bij of krachtens de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming gestelde regels.
**7.** Toepassing van dit artikel vindt plaats met inachtneming van de krachtens artikel 98 van de richtlijn betaaldiensten door de EBA vastgestelde technische reguleringsnormen.
### Artikel 26k
**1.**
De rekeninghoudende betaaldienstverlener:
a. communiceert op een veilige manier met zowel betaalinitiatiedienstverleners als rekeninginformatiedienstverleners;
b. behandelt een door een rekeninginformatiedienstverlener verzonden verzoek om gegevens niet anders dan een door de betaaldienstgebruiker verzonden verzoek om gegevens, tenzij om objectieve redenen;
c. behandelt de via de diensten van een betaalinitiatiedienstverlener doorgegeven betaalopdrachten niet anders dan door de betaler rechtstreeks verzonden betaalopdrachten, met name wat betreft termijn, voorrang of kosten, tenzij om objectieve redenen;
d. verstrekt onmiddellijk na ontvangst van de betaalopdracht van de betaalinitiatiedienstverlener alle informatie over de initiëring van de betalingstransactie, alsmede alle informatie die toegankelijk is voor de rekeninghoudende betaaldienstverlener met betrekking tot de uitvoering van deze transactie aan de betaalinitiatiedienstverlener, of stelt deze informatie ter beschikking;
e. laat het gebruik van betaalinitiatie- en rekeninginformatiediensten niet afhangen van een contractuele relatie tussen hem en de betaalinitiatie- of rekeninginformatiedienstverlener;
f. werpt geen obstakels op voor het verlenen van betaalinitiatiediensten en rekeninginformatiediensten.
**2.** Toepassing van dit artikel vindt plaats met inachtneming van de krachtens artikel 98 van de richtlijn betaaldiensten door de EBA vastgestelde technische reguleringsnormen.
**3.** Met het oog op de bewaking en beheersing van liquiditeitsrisicos voorziet de bedrijfsvoering van elke beleggingsinstelling waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald onder meer in autorisatieprocedures, limietstellingen, limietbewaking en procedures en maatregelen voor noodsituaties met betrekking tot de liquiditeitspositie van de beleggingsinstelling.
## Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden
### Artikel 27
**1.** Een financiële onderneming of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:18, eerste lid, 3:22, 3:23, 3:24b, 3:26 of 3:27, van de wet gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien die uitbesteding een belemmering kan vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van het bij of krachtens het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde.
**1.** Een financiële onderneming of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:18, eerste lid, 3:22, 3:23, 3:25, 3:26 of 3:27, van de wet gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien die uitbesteding een belemmering kan vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van het bij of krachtens het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde.
**2.** Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:18, tweede lid, 3:23, 3:26 of 3:27 van de wet besteedt de taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van het beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid, niet uit.
### Artikel 27a
**1.** Indien een betaalinstelling voornemens is werkzaamheden in verband met het verlenen van betaaldiensten uit te besteden, stelt zij de Nederlandsche Bank daarvan in kennis.
**2.** Een betaalinstelling deelt de Nederlandse Bank onverwijld elke wijziging mee met betrekking tot het gebruik van entiteiten waaraan werkzaamheden worden uitbesteed en, in overeenstemming met artikel 2:3c, tweede lid, van de wet, van het gebruik van betaaldienstagenten.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen.
### Artikel 27b
Bij de uitbesteding van werkzaamheden in verband met het verlenen van betaaldiensten draagt de betaalinstelling er zorg voor dat uitbesteding de verplichtingen van de betaalinstelling jegens haar cliënten en de rechten van haar cliënten uit hoofde van de wet of Titel 7B van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet wijzigt.
### Artikel 27c
De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot de uitbesteding door afwikkelondernemingen van werkzaamheden.
### Artikel 27d
Een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voldoet met betrekking tot uitbesteding van werkzaamheden aan artikel 49 van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk IX, afdeling 4, van de verordening solvabiliteit II.
### Artikel 27e
Artikel 49 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk IX, afdeling 4, van de verordening solvabiliteit II inzake uitbesteding van werkzaamheden zijn van overeenkomstige toepassing op de volgende verzekeraars, voor zover zij hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
### Artikel 27f
**1.** Een premiepensioeninstelling stelt de Nederlandsche Bank tijdig in kennis van het voornemen om werkzaamheden uit te besteden en van belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot de uitbestede werkzaamheden. Bij uitbesteding van de uitoefening van de interne controlefunctie, de risicobeheerfunctie of het beheer van de premiepensioeninstelling, stelt de premiepensioeninstelling de Nederlandsche Bank daarvan in kennis voordat de overeenkomst, bedoeld in artikel 31, in werking treedt.
**2.** In geval van uitbesteding van werkzaamheden door een premiepensioeninstelling aan een onderneming die geen financiële onderneming is, draagt een premiepensioeninstelling er zorg voor dat het beloningsbeleid van die onderneming in overeenstemming is met de vereisten ingevolge afdeling 1.7.2. van de wet.
**2.** Een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:18, tweede lid, 3:23, 3:26 of 3:27 van de wet besteedt de taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van het beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid, niet uit.
### Artikel 28
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat afbreuk doet aan de kwaliteit van haar onafhankelijke interne toetsing als bedoeld in artikel 17, vierde lid.
Een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat afbreuk doet aan de kwaliteit van haar onafhankelijke interne toetsing als bedoeld in artikel 17, vierde lid.
### Artikel 29
**1.** Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, voert een adequaat beleid en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het op structurele basis uitbesteden van werkzaamheden.
**2.** De premiepensioeninstelling legt het beleid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk vast en evalueert het beleid ten minste eenmaal per drie jaar en past dit zo spoedig mogelijk aan in geval van een belangrijke wijziging met betrekking tot de uitbesteding of de overige onderdelen van de bedrijfsvoering.
Een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, voert een adequaat beleid en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het op structurele basis uitbesteden van werkzaamheden.
### Artikel 30
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, beschikt over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de op structurele basis uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.
Een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, beschikt over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de op structurele basis uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.
### Artikel 31
**1.** Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden op structurele basis worden uitbesteed schriftelijk vast.
**1.** Een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden op structurele basis worden uitbesteed schriftelijk vast.
**2.**
@ -1025,101 +521,32 @@ e. de wijze waarop de overeenkomst wordt beëindigd, en de wijze waarop wordt ge
### Artikel 32
De artikelen 29 tot en met 31 zijn niet van toepassing op het uitbesteden van werkzaamheden aan ondernemingen met zetel in een lidstaat die deel uitmaken van de groep waartoe de financiële onderneming behoort, tenzij die financiële onderneming een bank, betaalinstelling, elektronischgeldinstelling of premiepensioeninstelling is.
### Artikel 32a
**1.** Dit hoofdstuk is, met uitzondering van artikel 27a, slechts van toepassing op het uitbesteden van werkzaamheden door betaalinstellingen of elektronischgeldinstellingen voor zover het belangrijke werkzaamheden betreft.
**2.** Een werkzaamheid wordt als belangrijk aangemerkt indien een gebrekkige of tekortschietende uitvoering ervan wezenlijk afbreuk zou doen aan de naleving door de betaalinstelling van de vergunningsvereisten, als bedoeld in artikel 2:3b van de wet, of van andere verplichtingen ingevolge de wet of Titel 7B van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel aan haar financiële resultaten of de soliditeit of continuïteit van haar betaaldiensten.
**3.** Een werkzaamheid wordt als belangrijk aangemerkt indien een gebrekkige of tekortschietende uitvoering ervan wezenlijk afbreuk zou doen aan de naleving door de elektronischgeldinstelling van de vergunningvereisten, genoemd in artikel 2:10b van de wet, dan wel aan haar financiële resultaten of de soliditeit of continuïteit van haar dienstverlening ter zake van de uitgifte van elektronisch geld.
## Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij en centrale effectenbewaarinstelling
### Artikel 32aa
**1.**
Met betrekking tot het voornemen, bedoeld in artikel 3:28a, eerste lid, van de wet, legt de centrale tegenpartij over:
a. een beschrijving van de voorgenomen wijziging, bedoeld in het eerste lid;
b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen is bepaald in de artikelen 26 tot en met 35 en 40 tot en met 54 van de verordening, bedoeld in het eerste lid, en op basis waarvan de Autoriteit Financiële Markten redelijkerwijs een advies als bedoeld in Bijlage 5, onder 3, eerste lid, van het Besluit EU-verordeningen Wft kan geven.
**2.** De centrale tegenpartij geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in artikel 3:28a, eerste lid, van de wet, voordat de Nederlandsche Bank heeft ingestemd met de wijziging.
**3.**
De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent instemming:
a. binnen zes weken na de kennisgeving;
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving; of
c. indien de Nederlandsche Bank de Autoriteit Financiële Markten om advies heeft gevraagd ingevolge Bijlage 5, onder 3, eerste lid, van het Besluit EU-verordeningen Wft, binnen vier weken na ontvangst van dat advies.
### Artikel 32bb
**1.**
Met betrekking tot een voornemen tot wijziging als bedoeld in artikel 3:28a, tweede lid, van de wet legt de centrale effectenbewaarinstelling over aan de Nederlandsche Bank:
a. een beschrijving van de voorgenomen wijziging;
b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan de artikelen 39 tot en met 47, 54 en 59 van de verordening centrale effectenbewaarinstellingen.
**2.** De centrale effectenbewaarinstelling geeft geen uitvoering aan het voornemen voordat de Nederlandsche Bank heeft ingestemd met de wijziging.
**3.**
De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving; of
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
De artikelen 29 tot en met 31 zijn niet van toepassing op het uitbesteden van werkzaamheden aan ondernemingen met zetel in een lidstaat die deel uitmaken van de groep waartoe de financiële onderneming behoort.
## Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens
### Artikel 32b
**1.**
Een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling geeft onverwijld schriftelijk aan de Nederlandsche Bank kennis van een wijziging in de ingevolge artikel 2:3b, tweede lid, van de wet respectievelijk ingevolge artikel 2:10b, tweede lid, van de wet verstrekte gegevens met betrekking tot:
a. de activiteiten die de betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling voornemens is te verrichten;
b. het bedrijfsplan waarmee wordt aangetoond dat de betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling in staat is gebruik te maken van passende en evenredige systemen, middelen en procedures om op een gezonde basis te opereren;
c. de identiteit van personen die, direct of indirect, gekwalificeerde deelnemingen als bedoeld in artikel 1 van de wet in de betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling bezitten, alsmede de omvang van hun deelnemingen en het bewijs van hun geschiktheid;
d. indien van toepassing, de accountantsorganisatie of het auditkantoor, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, belast met de wettelijke controle bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de richtlijn nr. 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PbEU L 157) van de jaarrekening van de betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling;
e. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:8 van de wet is bepaald met betrekking tot de geschiktheid van de personen die het dagelijks beleid bepalen;
f. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9 van de wet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen of onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken;
g. het voorgenomen beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening, bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, van de wet;
h. de inrichting van de bedrijfsvoering met betrekking tot de beheerste en integere bedrijfsuitoefening, bedoeld in artikel 3:17, eerste en tweede lid, van de wet;
i. de wijze waarop wordt voldaan aan het ingevolge artikel 3:29a van de wet bepaalde met betrekking tot de geldmiddelen die worden of zijn ontvangen van betaaldienstgebruikers of betaaldienstverleners en met betrekking tot de geldmiddelen die worden of zijn ontvangen in ruil voor elektronisch geld dat is uitgegeven; en
j. het eigen vermogen, bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet.
**2.** Bij de toepassing van het eerste lid, onderdelen h en i, geeft de betaalinstelling een beschrijving van de wijzigingen in de regelingen voor accountantscontrole en de organisatorische regelingen die hij heeft getroffen voor het nemen van alle redelijke maatregelen om de belangen van zijn gebruikers te beschermen en om de continuïteit en betrouwbaarheid bij het uitvoeren van betaaldiensten te garanderen.
**3.** Het eerste lid, onderdeel f, is niet van toepassing indien de wijziging een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld, tenzij de Nederlandsche Bank besluit dat een redelijke aanleiding bestaat tot een nieuwe beoordeling als bedoeld in artikel 3:9, tweede lid, van de wet.
### Artikel 33
**1.**
Een afwikkelonderneming, bank, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, 3:42, 3:43, tweede lid, of 3:49 van de wet geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank kennis van het voornemen tot een wijziging van:
Een clearinginstelling, kredietinstelling, of verzekeraar als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, 3:41, 3:42, 3:43, tweede lid, of 3:49 van de wet geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank kennis van het voornemen tot een wijziging van:
a. de personen die het dagelijks beleid van de financiële onderneming bepalen of het beleid van de financiële onderneming bepalen of mede bepalen;
b. indien van toepassing, de personen die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming; en
c. indien van toepassing, de personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bank of verzekeraar, die een leidinggevende functie vervullen direct onder het echelon van de beleidsbepalers en verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.
a. de personen die het dagelijks beleid van de financiële onderneming bepalen of het beleid van de financiële onderneming bepalen of mede bepalen; en
b. indien van toepassing, de personen die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming.
**2.**
De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen voordat de Nederlandsche Bank heeft ingestemd met de wijziging. De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving; of
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
**3.**
Met betrekking tot het voornemen legt de financiële onderneming de volgende gegevens over:
a. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen in artikel 3:8 van de wet wordt bepaald met betrekking tot de geschiktheid van de betrokkene;
b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank, onder overeenkomstige toepassing van de artikelen 6 tot en met 9, redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9, van de wet wordt bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de betrokkene.
a. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen in artikel 3:8 van de wet wordt bepaald met betrekking tot de deskundigheid van de betrokkene;
b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank, onder overeenkomstige toepassing van de artikelen 6 tot en met 9, redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9, derde lid, van de wet wordt bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de betrokkene.
**4.**
@ -1134,7 +561,7 @@ d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs.
### Artikel 34
**1.** Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 33, eerste lid, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een wijziging van gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9 wordt bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen.
**1.** Een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 33, eerste lid, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een wijziging van gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9 wordt bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen.
**2.** De financiële onderneming geeft van een wijziging als bedoeld in het eerste lid onverwijld schriftelijk kennis nadat zij van de wijziging op de hoogte is gekomen.
@ -1142,7 +569,7 @@ d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs.
**1.**
Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 33, eerste lid, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een wijziging in:
Een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 33, eerste lid, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een wijziging in:
a. de naam of het adres van de financiële onderneming;
b. de rechtsvorm van de financiële onderneming;
@ -1156,72 +583,40 @@ g. indien van toepassing, het adres van een in een andere staat gelegen bijkanto
### Artikel 36
**1.** Een afwikkelonderneming, clearinginstelling, bank, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, 3:42 of 3:43, eerste lid, van de wet geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank kennis van het voornemen tot een wijziging van de personen die het dagelijks beleid van het bijkantoor bepalen.
**1.**
Een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, 3:41, 3:42 of 3:43, eerste lid, van de wet geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank kennis van het voornemen tot een wijziging van:
de personen die het dagelijks beleid van het bijkantoor bepalen.
**2.** Artikel 33, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 36a
**1.** Een bank als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de wet met zetel in Nederland die haar bedrijf uitoefent vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor geeft aan de Nederlandsche Bank schriftelijk kennis van een voornemen tot wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1151/2014 van de Commissie van 4 juni 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen betreffende de gegevens die moeten worden verstrekt bij de uitoefening van het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten (PbEU 2014, L 309).
**2.**
De procedure voor de kennisgeving is:
a. indien het bijkantoor is gelegen in een deelnemende lidstaat als bedoeld in artikel 2 van de verordening bankentoezicht, de procedure in artikel 11, vijfde lid, van Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (PbEU 2014, L 141);
b. indien het bijkantoor is gelegen in een lidstaat, niet zijnde een deelnemende lidstaat als bedoeld in artikel 2 van de verordening bankentoezicht, de procedure in artikel 36, derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
### Artikel 37
**1.** Een afwikkelonderneming, clearinginstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de wet met zetel in Nederland die haar bedrijf uitoefent vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instantie van die lidstaat kennis van een wijziging in het adres van het bijkantoor.
**1.** Een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de wet met zetel in Nederland die haar bedrijf uitoefent vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instantie van die lidstaat kennis van een wijziging in het adres van het bijkantoor.
**2.** De financiële onderneming geeft van een wijziging als bedoeld in het eerste lid kennis binnen twee weken nadat de wijziging zich heeft voorgedaan.
**2.** Onverminderd het eerste lid, geeft een kredietinstelling als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de wet, met zetel in Nederland die haar bedrijf uitoefent vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instantie van die lidstaat kennis van een wijziging met betrekking tot de toepasselijkheid van een depositogarantiestelsel op het bijkantoor.
**3.** Een afwikkelonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de wet die haar bedrijf uitoefent vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instantie van die lidstaat van het voornemen de uitoefening van haar bedrijf vanuit het in de andere lidstaat gelegen bijkantoor te staken. De afwikkelonderneming of clearinginstelling geeft geen uitvoering aan het voornemen gedurende de eerste vier weken na de kennisgeving.
**3.** De financiële onderneming geeft van een wijziging als bedoeld in het eerste of tweede lid kennis binnen twee weken nadat de wijziging zich heeft voorgedaan.
### Artikel 37a
**1.**
Een afwikkelonderneming waaraan de Nederlandsche Bank een vergunning heeft verleend voor het uitoefenen van het bedrijf van afwikkelonderneming geeft aan de Nederlandsche Bank schriftelijk kennis van het voornemen tot:
a. een wijziging of het doen ontstaan van een verbinding met een andere afwikkelonderneming;
b. een wijziging van de contractuele algemene voorwaarden van de afwikkelonderneming;
c. een substantiële wijziging in de bedrijfsvoering;
d. een substantiële wijziging in het risicomanagement, voor zover ten aanzien daarvan nadere regels krachtens artikel 17b zijn gesteld;
e. een handeling van de afwikkelonderneming die zal leiden tot een substantiële wijziging van de balans van de afwikkelonderneming.
**2.**
Met betrekking tot het voornemen overlegt de afwikkelonderneming:
a. een beschrijving van de voorgenomen wijziging, bedoeld in het eerste lid;
b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen in artikel 3:17 van de wet wordt bepaald met betrekking tot de beheerste uitoefening van het bedrijf.
**3.**
De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen voordat de Nederlandsche Bank heeft ingestemd met de wijziging. De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving;
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving; of
c. indien de Nederlandsche Bank de Autoriteit Financiële Markten om advies heeft gevraagd, binnen zes weken na ontvangst van dat advies.
**4.** Een clearinginstelling of kredietinstelling als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de wet die haar bedrijf uitoefent vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instantie van die lidstaat van het voornemen de uitoefening van haar bedrijf vanuit het in de andere lidstaat gelegen bijkantoor te staken. De clearinginstelling of kredietinstelling geeft geen uitvoering aan het voornemen gedurende de eerste vier weken na de kennisgeving.
### Artikel 38
**1.** Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de wet die zijn bedrijf uitoefent door middel van een buiten Nederland gelegen bijkantoor geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van het voornemen tot wijziging van de vertegenwoordiger.
**1.** Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:29 van de wet die zijn bedrijf uitoefent door middel van een buiten Nederland gelegen bijkantoor geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van het voornemen tot wijziging van de vertegenwoordiger.
**2.**
De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen voordat de Nederlandsche Bank heeft ingestemd met de wijziging. De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving; of
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving..
**3.**
Met betrekking tot het voornemen legt de financiële onderneming de volgende gegevens over:
a. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen in artikel 3:8 van de wet wordt bepaald met betrekking tot de geschiktheid van de vertegenwoordiger; en
a. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen in artikel 3:8 van de wet wordt bepaald met betrekking tot de deskundigheid van de vertegenwoordiger; en
b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank, onder overeenkomstige toepassing van de artikelen 6 tot en met 9, kan beoordelen of wordt voldaan aan het hetgeen ingevolge artikel 3:9 van de wet wordt bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de vertegenwoordiger.
**4.**
@ -1237,20 +632,18 @@ d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs.
### Artikel 39
**1.** Een verzekeraar met beperkte risico-omvang die het levensverzekeringsbedrijf of het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf uitoefent als bedoeld in artikel 3:42, 3:43, tweede lid, 3:48, eerste lid, onderscheidenlijk 3:52 van de wet, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een voornemen tot een wijziging van de overeenkomsten die hij voornemens is te sluiten.
**1.** Een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:42, 3:43, tweede lid, 3:48, onderscheidenlijk 3:52 van de wet, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een voornemen tot een wijziging van de overeenkomsten die hij voornemens is te sluiten.
**2.** Een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:42, 3:43, tweede lid, 3:48, eerste lid, van de wet, die vanuit een vestiging in een lidstaat diensten naar Nederland verricht, geeft aan de Nederlandsche Bank kennis van het voornemen tot een wijziging van de in Nederland gelegen risicos die hij voornemens is te dekken.
**2.** Een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:42, 3:43, tweede lid, 3:48 van de wet, die vanuit een vestiging in een lidstaat diensten naar Nederland verricht, geeft aan de Nederlandsche Bank kennis van het voornemen tot een wijziging van de in Nederland gelegen risicos die hij voornemens is te dekken.
**3.** Een herverzekeraar als bedoeld in artikel 3:49 van de wet, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een voornemen tot een wijziging van de risicos die zij onderscheidenlijk hij voornemens is te dekken.
**3.** De verzekeraar kan het voornemen, bedoeld in het eerste of tweede lid, ten uitvoer brengen vanaf de dag waarop de Nederlandsche Bank de kennisgeving, bedoeld in het eerste of tweede lid, heeft ontvangen. De Nederlandsche Bank bevestigt de ontvangst onverwijld aan de verzekeraar.
**4.** De verzekeraar kan het voornemen, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, ten uitvoer brengen vanaf de dag waarop de Nederlandsche Bank de kennisgeving, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, heeft ontvangen. De Nederlandsche Bank bevestigt de ontvangst onverwijld aan de verzekeraar.
**5.**
**4.**
Indien de schadeverzekeraar voornemens is de in Nederland gelegen risicos zodanig te wijzigen dat deze risicos behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen omvatten, legt hij bij de kennisgeving de volgende gegevens over aan de Nederlandsche Bank:
a. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat hij is aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
b. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat hij zich heeft gemeld bij het Waarborgfonds Motorverkeer teneinde te voldoen aan zijn verplichtingen jegens dat fonds uit hoofde van de artikelen 24, eerste lid, en 24a, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, alsmede, als het een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:43, tweede lid, van de wet betreft, aan zijn verplichtingen jegens dat fonds uit hoofde van artikel 24b, tweede, derde en achtste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen; en
b. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat hij zich heeft gemeld bij het Waarborgfonds Motorverkeer teneinde te voldoen aan zijn verplichtingen jegens dat fonds uit hoofde van de artikelen 24, eerste lid, en 24a, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen; en
c. een opgave van de naam en het adres van de schaderegelaar, bedoeld in artikel 4:70, tweede lid, van de wet, die hij in iedere andere lidstaat heeft aangesteld.
### Artikel 40
@ -1259,232 +652,13 @@ c. een opgave van de naam en het adres van de schaderegelaar, bedoeld in artikel
**2.** De financiële onderneming geeft van een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onverwijld kennis nadat zij van de wijziging op de hoogte is gekomen.
## Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland
### Artikel 40a
**1.**
Een betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:29a, eerste lid, van de wet en die betaaldiensten verleent als bedoeld onder 1 tot en met 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten, stelt geldmiddelen die zijn ontvangen van betaaldienstgebruikers of andere betaaldienstverleners voor de uitvoering van betalingstransacties op een van de volgende wijzen veilig:
a. de geldmiddelen worden niet vermengd met de geldmiddelen van andere schuldeisers van de betaalinstelling; of
b. de geldmiddelen worden gedekt door een verzekeringspolis of een vergelijkbare garantie van een verzekeraar of een bank die niet tot dezelfde groep behoort als de betaalinstelling, tegen het risico dat de betaalinstelling niet in staat is haar verplichtingen met betrekking tot de geldmiddelen na te komen, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij het ontbreken van de verzekeringspolis of vergelijkbare garantie.
**2.** Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, aanhef en onderdeel a, en de geldmiddelen aan het einde van de werkdag, volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen, nog niet aan de betalingsbegunstigde of aan een andere betaaldienstaanbieder zijn overgemaakt, worden zij op een afzonderlijke rekening gestort bij een bank of bij een centrale bank na goeddunken van die centrale bank, of belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad, op zodanige wijze dat andere schuldeisers van de betaalinstelling, in het bijzonder in het geval van insolventie van de betaalinstelling, hun vorderingen niet op deze geldmiddelen kunnen verhalen.
**3.**
Voor de toepassing van het tweede lid zijn veilige activa met een lage risicograad activa die vallen in een van de categorieën opgenomen in artikel 336, eerste lid, tabel 1, van de verordening kapitaalvereisten waarvoor het kapitaalvereiste voor het specifieke risico niet hoger ligt dan 1,6%, terwijl andere in aanmerking komende activa, als bedoeld in artikel 336, vierde lid, van de verordening, worden uitgesloten.
Voor de toepassing van het tweede lid zijn veilige activa met een lage risicograad eveneens deelnemingsrechten in een instelling voor collectieve belegging in effecten (ICBE) die enkel investeert in activa zoals gespecificeerd in de eerste alinea.
In buitengewone omstandigheden en wanneer dit voldoende gemotiveerd is, mogen de bevoegde autoriteiten, op basis van een evaluatie van de veiligheid, de looptijd, de waarde of andere risicofactoren van de activa zoals gespecificeerd in de eerste en tweede alinea, bepalen welke van deze activa geen veilige activa met een lage risicograad zijn voor de toepassing van het tweede lid.
**4.** Indien het deel van de geldmiddelen dat bestemd is voor toekomstige betalingstransacties niet bekend of variabel is, is het de betaalinstellingen toegestaan om het eerste lid uitsluitend toe te passen op een representatief gedeelte dat geacht wordt voor betalingsdiensten te worden gebruikt. Dit representatieve gedeelte moet redelijkerwijs kunnen worden geraamd op basis van historische gegevens.
**5.** Een betaalinstelling die betaaldiensten verleent als bedoeld onder 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten houdt op geen enkel moment de met het aanbieden van de betaalinitiatiedienst verband houdende geldmiddelen van de betaler aan.
**6.** Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen als bedoeld in artikel 3:29a, eerste lid, van de wet.
### Artikel 40b
**1.** Een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:29a, tweede lid, van de wet, stelt de middelen die zij ontvangt in ruil voor elektronisch geld dat is uitgegeven, veilig op het moment dat deze gelden ter beschikking komen van de elektronischgeldinstelling doch uiterlijk vijf werkdagen na uitgifte van het elektronisch geld.
**2.**
De financiële onderneming stelt chartale of girale gelden die zij ontvangt in ruil voor elektronisch geld op een van de volgende wijzen veilig:
a. de gelden worden niet vermengd met de geldmiddelen van andere schuldeisers van de elektronischgeldinstelling;
b. de gelden worden gedekt door een verzekeringspolis of een vergelijkbare garantie van een verzekeraar of een bank die niet tot dezelfde groep behoort als de elektronischgeldinstelling, tegen het risico dat de elektronischgeldinstelling niet in staat is haar verplichtingen met betrekking tot de gelden na te komen, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij het ontbreken van de verzekeringspolis of vergelijkbare garantie.
**3.** Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, aanhef en onderdeel a, worden de ontvangen gelden op een afzonderlijke rekening gestort bij een bank of belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad, op zodanige wijze dat andere schuldeisers van de elektronischgeldinstelling, in het bijzonder in het geval van insolventie van de elektronischgeldinstelling, hun vorderingen niet op deze gelden kunnen verhalen.
**4.** Voor de toepassing van het derde lid is artikel 40a, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
**5.** Voor de toepassing van het tweede en derde lid is artikel 40a, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 40c
Betaalinstellingen of elektronischgeldinstellingen verlenen slechts krediet in verband met de in de punten 4 en 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten bedoelde betaaldiensten indien:
a. het krediet een aanvullend krediet is en uitsluitend wordt verstrekt in verband met de uitvoering van een betalingstransactie;
b. het krediet dat is verstrekt in verband met een betaaldienst die is verleend door middel van dienstverrichting naar een andere lidstaat of vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat wordt terugbetaald binnen een korte termijn, die in geen geval meer dan twaalf maanden bedraagt;
c. het niet wordt verleend uit geldmiddelen die zijn ontvangen of die worden aangehouden voor het uitvoeren van toekomstige betalingstransacties; en
d. het eigen vermogen van de betaalinstelling of de elektronischgeldinstelling te allen tijde in redelijke verhouding staat tot het totale bedrag van het verleende krediet.
## Hoofdstuk 6b. Gedekte obligaties
### Artikel 40d
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- *dekkingsactiva:* activa als bedoeld in artikel 3, onderdeel 4, van de richtlijn gedekte obligaties;
- *overcollateralisatie:* overcollateralisatie als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van de richtlijn gedekte obligaties;
- *primaire activa:* primaire activa als bedoeld in artikel 3, onderdeel 12, van de richtlijn gedekte obligaties;
- *vervangende activa:* vervangende activa als bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van de richtlijn gedekte obligaties;
- *zekerheidsactiva:* zekerheidsactiva als bedoeld in artikel 3, onderdeel 5, van de richtlijn gedekte obligaties.
### Artikel 40e
**1.**
Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, draagt er zorg voor dat de dekkingsactiva van het programma van gedekte obligaties waartoe een gedekte obligatie behoort, worden veiliggesteld door overgang onder algemene of bijzondere titel naar een andere rechtspersoon, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. de rechtspersoon is met uitsluiting van andere activiteiten opgericht om de dekkingsactiva van een programma van gedekte obligaties te scheiden van het vermogen van de bank en hetgeen te doen dat noodzakelijk is of wenselijk is voor het desbetreffende programma van gedekte obligaties; en
b. de bank, alsmede rechtspersonen die tot dezelfde groep als de bank behoren, houden geen aandelen in de rechtspersoon, hebben daarin geen beleidsbepalende zeggenschap en hebben daarin ook niet op andere wijze een eigendomsbelang.
**2.** De bank is te allen tijde in staat om de dekkingsactiva van een programma van gedekte obligaties te identificeren.
### Artikel 40f
**1.** Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, neemt voor ten minste 80% van de totale nominale waarde van de activa in de dekkingspool één van de soorten dekkingsactiva, bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdelen a tot en met g, van de verordening kapitaalvereisten als primair dekkingsactivum op.
**2.** De bank kan voor ten hoogste 20% van de totale nominale waarde van de activa in de dekkingspool vervangende dekkingsactiva opnemen, die bestaan uit één of meer van de overige soorten activa, bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdelen a tot en met g, van de verordening kapitaalvereisten.
**3.** Voor de berekening van de nominale waarde van de dekkingsactiva, bedoeld in het eerste en tweede lid, neemt de bank, waar van toepassing, de restricties in artikel 129, eerste lid tot en met derde lid, van de verordening kapitaalvereisten in acht.
### Artikel 40g
**1.** De totale nominale waarde van de betalingsvorderingen voortvloeiend uit de dekkingsactiva behorend tot de dekkingspool is ten minste gelijk aan de totale nominale waarde van de verplichtingen, bedoeld in artikel 3:33b, van de wet.
**2.** De totale nominale waarde van de dekkingsactiva, bedoeld in artikel 40f, eerste en tweede lid, tezamen is ten minste gelijk aan de totale nominale waarde van de uitstaande gedekte obligaties en is daarnaast onderworpen aan een overcollateralisatie bestaande uit 5% van de nominale waarde van de uitstaande gedekte obligaties die wordt gedekt door de nominale waarde van dekkingsactiva, bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdelen a tot en met g, van de verordening kapitaalvereisten.
**3.** Niet door zekerheden gedekte vorderingen waarbij wanbetaling als bedoeld in artikel 178 van de verordening kapitaalvereisten wordt geacht zich te hebben voorgedaan, kunnen niet bijdragen aan de dekking in de dekkingspool.
**4.** Voor de berekening van de verwachte kosten, bedoeld in artikel 3:33b, derde lid, van de wet, kan in afwijking van het eerste lid, in plaats van de nominale waarde een forfaitair bedrag worden gehanteerd bestaande uit ten minste vier basispunten van de totale nominale waarde van de uitstaande gedekte obligaties, of een vast bedrag van 400.000 euro, indien dat bedrag hoger is.
**5.** Voor de berekening van de verschuldigde rente op de uitstaande gedekte obligaties en de te ontvangen rente met betrekking tot de dekkingsactiva wordt uitgegaan van de nominale waarde.
**6.** Voor de berekening van de nominale waarde van de dekkingsactiva, bedoeld in het tweede lid, neemt de bank, waar van toepassing, de restricties in artikel 129, eerste lid tot en met derde lid, van de verordening kapitaalvereisten in acht. Activa die bijdragen aan de 5% overcollateralisatie, bedoeld in het tweede lid, zijn niet onderworpen aan de limieten voor de omvang van de blootstelling als bepaald in artikel 129, eerste lid bis, van de verordening kapitaalvereisten en worden niet meegeteld voor die limieten.
### Artikel 40h
**1.** Een bank die gedekte obligaties uitgeeft en fysieke zekerheidsactiva hanteert die strekken tot zekerheid van de dekkingsactiva als bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdelen d tot en met g, van de verordening kapitaalvereisten, voldoet aan de vereisten van artikel 208 van die verordening.
**2.** De fysieke zekerheidsactiva worden gewaardeerd tegen of onder de marktwaarde of de hypotheekwaarde, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 76, onderscheidenlijk onderdeel 74, van de verordening kapitaalvereisten.
**3.** De waardering van de fysieke zekerheidsactiva wordt uitgevoerd door een taxateur die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdelen b en c, van de richtlijn gedekte obligaties.
### Artikel 40i
**1.** Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, draagt er zorg voor dat de debiteur van de dekkingsactiva zijn woonplaats heeft, respectievelijk is gevestigd of zijn zetel heeft, binnen de grenzen van de lidstaten van de Europese Unie, of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
**2.** Een bank draagt er zorg voor dat, indien van toepassing, het fysieke zekerheidsactivum is gelegen binnen de grenzen van de lidstaten van de Europese Unie, of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
### Artikel 40j
**1.** Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, draagt er zorg voor dat in de dekkingspool uitsluitend een derivatencontract wordt opgenomen indien dit bijdraagt aan de beheersing van risicos voor de houders van gedekte obligaties. Een derivatencontract wordt uit de dekkingspool verwijderd indien het risico voor de houders van gedekte obligaties ophoudt te bestaan.
**2.** Het volume van een derivatencontract wordt aangepast indien sprake is van een vermindering van het risico waarop het derivatencontract betrekking heeft. Een derivatencontract wordt uit de dekkingspool verwijderd indien het risico voor de houders van gedekte obligaties ophoudt te bestaan.
**3.**
Een derivatencontract kan uitsluitend in de dekkingspool worden opgenomen, indien het contract:
a. voldoende is gedocumenteerd;
b. niet kan worden beëindigd indien de bank die de gedekte obligaties heeft uitgegeven in staat van faillissement is verklaard, of indien jegens de bank op grond van Deel 3A van de wet een afwikkelingsmaatregel is toegepast;
c. is gesloten met een financiële onderneming die onder toezicht staat; en
d. in geval van verlies van voldoende kredietwaardigheid van de wederpartij verplicht dat de wederpartij gepaste zekerheid verschaft of zich als wederpartij doet vervangen.
### Artikel 40k
**1.** Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, draagt er zorg voor dat de dekkingspool te allen tijde een uit liquide activa samengestelde liquiditeitsbuffer bevat, die beschikbaar is om de nettoliquiditeitsuitstroom, bedoeld in artikel 3, onderdeel 16, van de richtlijn gedekte obligaties, van het programma van gedekte obligaties te dekken.
**2.** De liquiditeitsbuffer, bedoeld in het eerste lid, dekt de maximale gecumuleerde nettoliquiditeitsuitstroom tijdens de volgende 180 dagen.
**3.** Indien de looptijd van een gedekte obligatie op grond van artikel 40m kan worden verlengd, wordt bij de berekening van de nettoliquiditeitsuitstroom, bedoeld in het tweede lid, uitgegaan van de hoofdsom, gebaseerd op de einddatum.
**4.** De liquiditeitsbuffer, bedoeld in het eerste lid, omvat de activa, bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdelen a en b, van de richtlijn gedekte obligaties.
**5.** Niet door zekerheden gedekte vorderingen waarbij wanbetaling als bedoeld in artikel 178 van de verordening kapitaalvereisten wordt geacht zich te hebben voorgedaan, kunnen niet bijdragen aan de liquiditeitsbuffer van de dekkingspool.
### Artikel 40l
**1.** Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, identificeert de in artikel 40f, eerste en tweede lid, bedoelde dekkingsactiva, en documenteert de wijze waarop haar kredietverleningsbeleid voldoet aan de vereisten van artikel 40h.
**2.** De bank registreert alle transacties met betrekking tot het programma van gedekte obligaties en beschikt daartoe over adequate en passende documentatiesystemen en documentatieprocessen.
### Artikel 40m
**1.**
Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, kan gedekte obligaties uitgeven met een verlengbare looptijd, indien voorafgaand aan de eerste uitgifte van het programma van gedekte obligaties in de contractuele voorwaarden van dat programma is opgenomen dat verlenging van de looptijd niet kan geschieden naar goeddunken van de bank en uitsluitend plaatsvindt indien:
a. er sprake is van wanprestatie of wanbetaling door de bank of enig handelen daartoe, er sprake is van liquidatie, ontbinding of herstructurering van schulden van de bank of een schuldeisersakkoord, of op de bank een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet is toegepast of de bank in staat van faillissement is verklaard; en
b. de rechtspersoon waarop de dekkingsactiva zijn overgegaan op de einddatum van de gedekte obligaties over onvoldoende middelen beschikt voor de aflossing van de hoofdsom van die gedekte obligatie, die rechtspersoon niet kan voldoen aan een van de dekkingsvereisten, bedoeld in artikel 40g, eerste en tweede lid, of die rechtspersoon niet kan voldoen aan een ander contractueel overeengekomen vereiste met betrekking tot waarborging van de dekking.
**2.**
Een bank die een gedekte obligatie uitgeeft waarvan de looptijd kan worden verlengd, verstrekt bij uitgifte van de gedekte obligatie informatie over:
a. de voorwaarden voor verlenging van de looptijd;
b. de gevolgen die het faillissement of de afwikkeling van de bank die gedekte obligaties uitgeeft, heeft voor de verlenging van de looptijd; en
c. de rol van de Nederlandsche Bank ten aanzien van de verlenging van de looptijd.
**3.** Een bank die een gedekte obligatie uitgeeft, draagt er zorg voor dat de einddatum van die gedekte obligatie te allen tijde kan worden bepaald.
**4.** Indien op de bank een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet is toegepast of de bank in staat van faillissement is verklaard, is een looptijdverlenging niet van invloed op de volgorde waarin houders van gedekte obligaties hun vorderingen kunnen verhalen en wordt de volgorde van het oorspronkelijke looptijdenschema van het programma van gedekte obligaties niet omgekeerd.
**5.** De looptijdverlenging heeft geen invloed op het recht van een houder van een gedekte obligatie om zijn vordering te verhalen op zowel de bank als op de rechtspersoon waarop de dekkingsactiva ingevolge artikel 40e zijn overgegaan of op de uitoefening van de rechten van de schuldeisers als bedoeld in artikel 212re van de Faillissementswet.
### Artikel 40n
**1.** Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, draagt er zorg voor dat voorafgaand aan de eerste uitgifte van een programma van gedekte obligaties een dekkingspoolmonitor wordt aangesteld die geen banden heeft met en onafhankelijk is van de bank en de externe accountant van de bank en die ten minste jaarlijks controleert of de bank voldoet aan de artikelen 3:33b en 3:33ba van de wet en de artikelen 40e tot en met 40m, waarbij de controle van de artikelen 40g en 40k in ieder geval door een accountant wordt verricht.
**2.** In afwijking van het eerste lid, kan een dekkingspoolmonitor worden aangesteld die banden heeft met de bank, waaronder de externe accountant van de bank, indien in ieder geval de jaarlijkse controle of de bank voldoet aan de artikelen 40g en 40k door die externe accountant wordt verricht.
**3.** De dekkingspoolmonitor georganiseerd overeenkomstig het tweede lid is onafhankelijk van het kredietacceptatieproces van de bank, kan niet van de functie van dekkingspoolmonitor worden ontheven zonder voorafgaande toestemming van de raad van commissarissen van de bank of het orgaan dat een daarmee vergelijkbare taak heeft, bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, van de wet, en heeft direct toegang tot de raad van commissarissen van de bank of het orgaan dat een daarmee vergelijkbare taak heeft, bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, van de wet.
**4.** De bank draagt er zorg voor dat de controle van de artikelen 40g en 40k blijft plaatsvinden indien en nadat ten aanzien van de bank een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet is toegepast of indien en nadat de bank in staat van faillissement is verklaard.
**5.** De bank brengt jaarlijks verslag uit aan de Nederlandsche Bank over de uitkomsten van de controle ten aanzien van de artikelen 40g en 40k.
**6.** De bank draagt er zorg voor dat de dekkingspoolmonitor voor de uitoefening van zijn taken over alle daartoe benodigde informatie beschikt.
### Artikel 40o
Het label «Europese gedekte obligaties (premium)» wordt uitsluitend gebruikt voor gedekte obligaties die voldoen aan de vereisten ingevolge de artikelen 3:33a, 3:33b en 3:33ba van de wet.
### Artikel 40p
**1.**
Een bank die een aanvraag doet als bedoeld in artikel 3:33a, tweede lid, van de wet, verstrekt aan de Nederlandsche Bank de volgende informatie ten aanzien van het programma van gedekte obligaties:
a. een juridische opinie van een juridisch deskundige die onafhankelijk is van de bank op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan artikel 40e, eerste lid;
b. de overeenkomsten van de rechtspersoon die rechthebbende is van de dekkingsactiva met zijn bestuurder;
c. de overeenkomst met de dekkingspoolmonitor of de accountant, bedoeld in artikel 40n;
d. een schriftelijke verklaring van de bestuurder van de bank waaruit blijkt dat aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:33a, derde en vierde lid, 3:33b en 3:33ba wordt voldaan; en
e. andere door de Nederlandsche Bank benodigde informatie voor de beoordeling, bedoeld in artikel 3:33a, tweede lid van de wet.
**2.** Een bank waaraan toestemming is verleend op grond van artikel 3:33a, tweede lid, van de wet meldt de Nederlandsche Bank terstond wijzigingen met betrekking tot de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c. Zij verstrekt de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, jaarlijks.
**3.**
De gegevens, bedoeld in artikel 3:33ba, tweede lid, van de wet, zijn:
a. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan de dekkingsvereisten in de artikelen 40f en 40g;
b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten met betrekking tot waardering, verzekering en lokalisatie in de artikelen 40h en 40i;
c. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten met betrekking tot in de dekkingspool opgenomen derivatencontracten in artikel 40j;
d. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten met betrekking tot de liquiditeitsbuffer in artikel 40k;
e. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten met betrekking tot de verlengbare looptijd in artikel 40m; en
f. andere door de Nederlandsche Bank benodigde informatie voor de beoordeling of de bank voldoet aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:33a, derde en vierde lid, 3:33b en 3:33ba, eerste lid.
**4.** De gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdelen a en d, worden bij aanvang van het programma verstrekt en vervolgens elk kwartaal. De gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdelen b, c, e en f, worden bij aanvang van het programma verstrekt en uitsluitend opnieuw verstrekt indien zij zijn gewijzigd of op verzoek van de Nederlandsche Bank.
**5.** Een bank die een gedekte obligatie uitgeeft, en die gedurende de looptijd van de gedekte obligatie voornemens is significante wijzigingen aan te brengen in de voorwaarden die van toepassing zijn op die gedekte obligatie, doet voorafgaand aan het doorvoeren daarvan mededeling aan de Nederlandsche Bank.
### Artikel 40q
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de activa, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen b en c, van de richtlijn gedekte obligaties, onder de daarin te bepalen voorwaarden als primaire of vervangende activa in de dekkingspool, als bedoeld in artikel 40g, eerste en tweede lid, kunnen worden opgenomen.
## Hoofdstuk 7. Verzekering bijkomende risicos
### Artikel 41
**1.**
In afwijking van de artikelen 3:36, derde lid, en 3:43, eerste lid, van de wet is het schadeverzekeraars toegestaan in de uitoefening van hun bedrijf, naast de risicos die behoren tot de branche waarvoor de vergunning is verleend, tevens risicos te verzekeren die behoren tot andere branches, met uitzondering van de branches Krediet en Borgtocht, indien deze risicos naar het oordeel van de Nederlandsche Bank als bijkomende risicos kunnen worden beschouwd, omdat zij:
In afwijking van de artikelen 3:36, tweede lid, en 3:43, eerste lid, van de wet is het schadeverzekeraars toegestaan in de uitoefening van hun bedrijf, naast de risicos die behoren tot de branche waarvoor de vergunning is verleend, tevens risicos te verzekeren die behoren tot andere branches, met uitzondering van de branches Krediet en Borgtocht, indien deze risicos naar het oordeel van de Nederlandsche Bank als bijkomende risicos kunnen worden beschouwd, omdat zij:
a. samenhangen met het hoofdrisico dat behoort tot de branche waarvoor de vergunning is verleend;
b. betrekking hebben op het belang of gevaarsobject dat is verzekerd tegen het hoofdrisico; en
@ -1500,7 +674,7 @@ Als adres van een vertegenwoordiger in Nederland van een verzekeraar als bedoeld
### Artikel 43
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:40, 3:47, zesde lid of 3:50, tweede lid, van de wet wordt geacht, indien de vertegenwoordiger ontbreekt, zijn woonplaats te hebben bij het parket van de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen waar de verzekeraar ingevolge artikel 42 het laatst zijn woonplaats had, of anders bij het parket van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam.
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:40, 3:47, zesde lid of 3:50, tweede lid, van de wet wordt geacht, indien de vertegenwoordiger ontbreekt, zijn woonplaats te hebben ten parkette van de officier van justitie bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de verzekeraar ingevolge artikel 42 het laatst zijn woonplaats had, of anders ten parkette van de officier van justitie bij de rechtbank te Amsterdam.
### Artikel 44
@ -1510,7 +684,7 @@ Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:40, 3:47, zesde lid of 3:50, tweede lid
**3.** De kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, vermeldt tevens de naam van degene die de verzekeraar voornemens is aan te stellen als opvolger van de vertegenwoordiger.
**4.** Indien de opvolger rechtspersoon is, gaat de kennisgeving gepaard met de statuten van deze rechtspersoon, een opgave van het nummer van inschrijving in het handelsregister en een bewijs van aanstelling van de natuurlijke persoon die is aangesteld als vertegenwoordiger van de vertegenwoordiger die rechtspersoon is.
**4.** Indien de opvolger rechtspersoon is, gaat de kennisgeving gepaard met de statuten van deze rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving in het handelsregister en een bewijs van aanstelling van de natuurlijke persoon die is aangesteld als vertegenwoordiger van de vertegenwoordiger die rechtspersoon is.
**5.** De verzekeraar, bedoeld in artikel 3:47, eerste lid, of 3:50, tweede lid, van de wet beëindigt de vertegenwoordiging op de dag waarop van de beëindiging kennis is gegeven aan de Nederlandsche Bank.
@ -1519,7 +693,7 @@ Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:40, 3:47, zesde lid of 3:50, tweede lid
De verzekeraar, bedoeld in artikel 3:47, eerste lid, of artikel 3:50, tweede lid, van de wet geeft geen uitvoering aan het voornemen indien de Nederlandsche Bank er niet mee instemt. Indien de Nederlandsche Bank besluit niet in te stemmen met het voornemen, maakt zij haar besluit daartoe aan de financiële onderneming bekend:
a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving; of
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
### Artikel 45
@ -1532,7 +706,7 @@ b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgevi
De vertegenwoordiger geeft geen uitvoering aan het voornemen indien de Nederlandsche Bank er niet mee instemt. Indien de Nederlandsche Bank besluit niet in te stemmen met het voornemen, maakt zij haar besluit daartoe aan de financiële onderneming bekend:
a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving; of
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
### Artikel 46
@ -1544,7 +718,7 @@ b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgevi
**1.** Van het overlijden, het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de verlening van surseance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van een of meer goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling van de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon die is aangewezen als vertegenwoordiger van de vertegenwoordiger die rechtspersoon is, alsmede van de beëindiging van de vertegenwoordiging van de vertegenwoordiger door deze natuurlijke persoon, geeft de verzekeraar onderscheidenlijk de vertegenwoordiger binnen zeven dagen kennis aan de Nederlandsche Bank.
**2.** De verzekeraar, bedoeld in artikel 3:40 van de wet, legt, in de gevallen, genoemd in het eerste lid, en in het geval dat de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, de vertegenwoordiging heeft beëindigd, aan de Nederlandsche Bank een bewijs van aanstelling van de vertegenwoordiger over alsmede, indien de vertegenwoordiger een rechtspersoon is, de statuten van deze rechtspersoon, een opgave van het nummer van inschrijving in het handelsregister en een bewijs van aanstelling van de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid.
**2.** De verzekeraar, bedoeld in artikel 3:40 van de wet, legt, in de gevallen, genoemd in het eerste lid, en in het geval dat de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, de vertegenwoordiging heeft beëindigd, aan de Nederlandsche Bank een bewijs van aanstelling van de vertegenwoordiger over alsmede, indien de vertegenwoordiger een rechtspersoon is, de statuten van deze rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving in het handelsregister en een bewijs van aanstelling van de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid.
**3.** De verzekeraar, bedoeld in het tweede lid, verstrekt de gegevens, bedoeld in het tweede lid, binnen twee weken na de betrokken aanstelling.
@ -1558,95 +732,83 @@ b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgevi
### Artikel 48
**1.**
Het minimumbedrag aan eigen vermogen, bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet bedraagt:
a. € 5 miljoen voor een bank als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die geen bank als bedoeld in onderdeel b is, of voor een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet;
b. € 2,5 miljoen voor een bank als bedoeld in artikel 2:13 van de wet die in hoofdzaak haar bedrijf maakt van het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten;
c. € 125.000 voor een beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid van de wet;
d. € 125.000 voor een beheerder van een icbe als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet;
e. € 300.000 voor een beleggingsmaatschappij of een maatschappij voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet die geen aparte beheerder hebben;
f. € 750.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die de beleggingsdienst verleent, bedoeld in onderdeel e van de definitie van het verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, of de beleggingsactiviteit verricht, bedoeld in onderdeel a van de definitie van het verrichten van een beleggingsactiviteit in artikel 1:1 van de wet;
g. € 750.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die de beleggingsactiviteit verricht, bedoeld in onderdeel b van de definitie van het verrichten van een beleggingsactiviteit in artikel 1:1 van de wet, indien de beleggingsonderneming handelt voor eigen rekening of het de beleggingsonderneming op grond van haar vergunning is toegestaan te handelen voor eigen rekening;
h. € 75.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, die niet handelt voor eigen rekening en die uitsluitend een of meer van de beleggingsdiensten, bedoeld in de onderdelen a, b, c, d en f van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, verleent en waaraan het op grond van haar vergunning niet is toegestaan gelden of financiële instrumenten van cliënten onder zich te houden;
i. € 150.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, niet zijnde een beleggingsonderneming als bedoeld in de onderdelen f tot en met h;
j. € 20.000 voor een betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet die uitsluitend de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
k. € 50.000 voor een betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet die uitsluitend de in punt 7 van de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
l. € 125.000 voor een betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet die een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
m. € 730.000 voor een bewaarder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet of het bedrag als berekend overeenkomstig artikel 315 of 317 van de verordening kapitaalvereisten indien dat bedrag hoger is;
n. € 350.000 voor een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet;
o. € 500.000 voor een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet;
p. € 112.500 voor een pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet;
q. € 1 miljoen voor een kredietunie als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet.
a. € 5 miljoen voor een bank als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die geen bank als bedoeld in onderdeel b is, of voor een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet;
b. € 2,5 miljoen voor een bank als bedoeld in artikel 2:13 van de wet;
c. € 225.000 voor een beheerder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet die geen beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten is en die een vermogen van ten minste € 250 miljoen beheert;
d. € 125.000 voor een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet of voor een beheerder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet die geen beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten is en die een vermogen van minder dan € 250 miljoen beheert;
e. € 300.000 voor een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet die een instelling voor collectieve belegging in effecten is en die geen aparte beheerder heeft;
f. € 730.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die, onverminderd de onderdelen g en h van dit artikel, ten minste een van de beleggingsdiensten verleent, bedoeld in onderdeel c, d, e of f van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet;
g. € 35.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die de beleggingsdienst verleent, bedoeld in onderdeel a van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, en die deze beleggingsdienst niet vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat mag verlenen;
h. € 50.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die ten minste een van de volgende beleggingsdiensten verleent:
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die tevens een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, van de wet, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet gelijkgesteld met een beleggingsonderneming, met dien verstande dat het minimumbedrag aan eigen vermogen ten minste € 125.000 bedraagt.
1°. de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel a van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, indien de beleggingsonderneming deze beleggingsdienst vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat mag verlenen;
2°. de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel b van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet;
3°. de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel g van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, indien de beleggingsonderneming deze beleggingsdienst vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat mag verlenen;
4°. de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel h van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet;
i. € 112.500 voor een bewaarder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet;
j. € 1 miljoen voor een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet.
### Artikel 49
**1.** Een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, berekent het minimumkapitaalvereiste overeenkomstig artikel 129 van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk VII, van de verordening solvabiliteit II. Artikel 131 van de richtlijn solvabiliteit II is van toepassing.
**2.** De Nederlandsche Bank kan gedurende een periode die niet later eindigt dan 31 december 2017 voorschrijven dat verzekeraars de in artikel 129, derde lid, eerste alinea, van de richtlijn solvabiliteit II bedoelde percentages uitsluitend toepassen op het met behulp van de standaardformule, bedoeld in titel I, hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 2, van die richtlijn, berekende solvabiliteitskapitaalvereiste.
### Artikel 49a
De artikelen 129 en 131 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VII, van de verordening solvabiliteit II inzake het minimumkapitaalvereiste zijn van overeenkomstige toepassing op het minimumkapitaalvereiste van een in Nederland gelegen bijkantoor van:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
### Artikel 49b
**1.**
De artikelen 129 en 131 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VII, van de verordening solvabiliteit II inzake het minimumkapitaalvereiste zijn van overeenkomstige toepassing op:
Het minimumbedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 3:53, vierde lid, bedraagt:
a. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in Nederland;
b. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
a. € 3,2 miljoen voor een levensverzekeraar als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet;
b. € 45.378,02 voor een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet;
c. € 2,2 miljoen voor een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, die geen schadeverzekeraar als bedoeld in onderdeel d is;
d. € 3,2 miljoen voor een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die zijn bedrijf uitoefent in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen, Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen, Algemene aansprakelijkheid of Krediet en Borgtocht.
**2.**
Voor de toepassing van het eerste lid bedraagt de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste, in afwijking van artikel 129, eerste lid, onderdeel d, van de richtlijn, voor de in het eerste lid bedoelde verzekeraars:
Het minimumbedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 3:54, derde lid, of 3:55, tweede lid, van de wet bedraagt:
a. 250.000 euro voor een levensverzekeraar die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend uitkeringen bij overlijden verzekert, waarvan het bedrag per verzekerde niet groter is dan het gemiddelde bedrag van de kosten van uitvaart;
b. 250.000 euro voor een natura-uitvaartverzekeraar;
c. 200.000 euro voor een schadeverzekeraar.
a. € 1,6 miljoen voor een in Nederland gelegen bijkantoor van een levensverzekeraar als bedoeld in artikel 3:54, derde lid, van de wet;
b. € 45.378,02 voor een in Nederland gelegen bijkantoor van een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:55, tweede lid, van de wet;
c. € 1,1 miljoen voor een in Nederland gelegen bijkantoor van een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:54, derde lid, van de wet die geen schadeverzekeraar als bedoeld in onderdeel d is;
d. € 1,6 miljoen voor een in Nederland gelegen bijkantoor van een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:54, derde lid, van de wet die zijn bedrijf uitoefent in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen, Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen, Algemene aansprakelijkheid of Krediet en Borgtocht.
**3.** De in het tweede lid bedoelde bedragen worden elke vijf jaar gewijzigd teneinde deze aan te passen aan de ontwikkeling van het door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 300 van de richtlijn solvabiliteit II bekendgemaakte geharmoniseerde indexcijfer van de consumentenprijzen van alle lidstaten, afgerond op een veelvoud van 10.000 euro. De gewijzigde bedragen worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
**3.** De in het eerste lid, onderdelen a, c en d, en tweede lid, onderdelen a, c en d, bedoelde bedragen wijzigen van rechtswege overeenkomstig de jaarlijkse kennisgeving van de Commissie van de Europese Gemeenschappen aan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de aan de procentuele wijziging van het door Eurostat bekendgemaakte Europese indexcijfer van de consumptieprijzen aangepaste bedragen. De gewijzigde bedragen worden voor het eerst toegepast in het boekjaar dat begint op 1 januari van het op de kennisgeving volgende kalenderjaar of gedurende dat kalenderjaar.
**4.** Voor de toepassing van het eerste lid, wordt in artikel 131 van de richtlijn solvabiliteit II voor «31 december 2016» gelezen: 31 december 2017.
**4.** Van de in het vorige lid bedoelde kennisgeving en de gewijzigde bedragen doet de Nederlandsche Bank onverwijld mededeling in de Staatscourant.
### Paragraaf 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen
### Artikel 50
**1.** Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een bank als bedoeld in artikel 2:13, eerste lid, 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, van een betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, van een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet, van een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, kredietunie als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet of van een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de verordening kapitaalvereisten. Op een premiepensioeninstelling met de rechtsvorm van een stichting is artikel 27 van de verordening kapitaalvereisten van overeenkomstige toepassing.
**1.** Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een beheerder van een instelling voor collectieve beleggingen in effecten als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, van een beheerder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet die geen beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten is en die een vermogen van minder dan € 250 miljoen beheert, van een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, van een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet of van een kredietinstelling als bedoeld in artikel 2:13, 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 91, tweede lid, onderdelen a tot en met g.
**2.** Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, van een beheerder van een icbe als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet en van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet is samengesteld overeenkomstig artikel 9 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen.
**2.** Artikel 89, eerste en tweede lid, onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 51
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een bewaarder of pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, onderdelen a tot en met e, 51 en 62 van de verordening kapitaalvereisten. Op een bewaarder of pensioenbewaarder met de rechtsvorm van een stichting is artikel 27 van de verordening kapitaalvereisten van overeenkomstige toepassing.
**1.** Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een beheerder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet die geen beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten is en die een vermogen van ten minste € 250 miljoen beheert, of van een bewaarder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet wordt gevormd door de waarde van het kernkapitaal, bedoeld in artikel 91, en het aanvullend kapitaal, bedoeld in artikel 92.
**2.** De artikelen 89 en 94, eerste lid, onderdelen a tot en met c, zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 52
Het minimumkapitaalvereiste van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, 3:54, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet of van een bijkantoor als bedoeld in artikel 3:54, derde lid, 3:55, tweede lid, of 3:55a, eerste lid, van de wet wordt gevormd door de waarde van het kernvermogen, bedoeld in artikel 88 van de richtlijn solvabiliteit II, voor zover dat ingevolge artikel 98, tweede en vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II, en met inachtneming van artikel 82, tweede en derde lid, van de verordening solvabiliteit II, in aanmerking komt ter dekking van het minimumkapitaalvereiste.
**1.** Het minimumbedrag van het garantiefonds van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet of van een bijkantoor als bedoeld in artikel 3:54, derde lid, van de wet wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 95, tweede lid, 96 en 97, eerste lid, voor zover dit lid niet de meerwaarden op grond van winstverwachtingen betreft, verminderd met de waarde van de posten, bedoeld in artikel 95, derde lid.
**2.** De artikelen 89, 95, vierde en vijfde lid, en 98, eerste, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 53
Vervallen
**1.** Het minimumbedrag van het garantiefonds van een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet of van een bijkantoor als bedoeld in artikel 3:55, tweede lid, van de wet wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 95, tweede lid, 96 en 97, verminderd met de waarde van de posten, bedoeld in artikel 95, derde lid.
### Paragraaf 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste
**2.** De artikelen 89, 95, vierde en vijfde lid, en 98, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
### Paragraaf 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumbedrag van het garantiefonds
### Artikel 54
**1.** De waarden die dienen ter dekking van de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdeel d, van de richtlijn solvabiliteit II, van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:54, eerste lid, van de wet zijn voor ten minste de helft aanwezig in Nederland.
**2.** De waarden ter dekking van de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 49b, tweede lid, van een verzekeraar met beperkte risico-omvang als bedoeld in artikel 3:55, eerste lid, van de wet, zijn voor ten minste de helft aanwezig in Nederland.
De waarden die dienen tot dekking van het minimumbedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 3:54, derde lid, of 3:55, tweede lid, van de wet zijn aanwezig in Nederland.
### Artikel 55
**1.** Ten minste een vierde gedeelte van de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 54, wordt gedekt door verhandelbare waarden die in open bewaring worden gegeven bij een bank die in Nederland haar bedrijf mag uitoefenen.
**1.** Ten minste de helft van het minimumbedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 54, wordt gedekt door verhandelbare waarden die in open bewaring worden gegeven bij een bank die in Nederland haar bedrijf mag uitoefenen.
**2.** De Nederlandsche Bank kan, met het oog op het voorkomen van waardevermindering van de waarden, bedoeld in het eerste lid, regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder die waarden in bewaring kunnen worden gegeven.
@ -1676,11 +838,35 @@ b. de overeenkomst met de verzekeraar beëindigt dan wel de nakoming van de verp
### Artikel 57
Vervallen
**1.**
In afwijking van artikel 49, eerste lid, aanhef en onderdeel a, bedraagt het minimumbedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 3:53, vierde lid, van de wet, € 0 voor de volgende levensverzekeraars:
a. Wederkerige Verzekeringsmaatschappij «Begrafenis Sociëteit» W.A., gevestigd te Edam;
b. Onderling Fonds Sliedrecht B.A., gevestigd te Sliedrecht; en
c. Tiels Onderling Fonds tot uitkering bij overlijden «Gustaaf Adolf» U.A., gevestigd te Tiel.
**2.**
Het eerste lid is slechts van toepassing voor zover de in dat lid genoemde levensverzekeraars:
a. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend uitkeringen bij overlijden verzekeren, waarvan het bedrag per verzekerde niet groter is dan het gemiddelde bedrag van de kosten van uitvaart;
b. niet hun bedrijf uitbreiden met een of meer branches voor de uitoefening waarvan zij een vergunning behoeven; en
c. niet in een andere lidstaat een bijkantoor openen of aldaar hun bedrijf uitbreiden.
### Artikel 58
Vervallen
**1.**
In afwijking van artikel 49, eerste lid, aanhef en onderdeel c of d, bedraagt het minimumbedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 3:53, vierde lid, van de wet, € 0 voor schadeverzekeraars met zetel in Nederland die:
a. op 1 januari 1986 het bedrijf van schadeverzekeraar uitoefenden;
b. beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, van de wet;
c. gedurende het laatst verstreken boekjaar voor 1 augustus 1978 niet een premie-inkomen van ten minste zesmaal de waarde van het minimumbedrag van het garantiefonds zoals dat gold op 1 juli 1994 op grond van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 hebben geboekt;
d. niet hun bedrijf uitbreiden met een of meer branches voor de uitoefening waarvan zij een vergunning behoeven; en
e. niet in een andere lidstaat een bijkantoor openen of aldaar hun bedrijf uitbreiden.
**2.** Het eerste lid is van toepassing op een in dat lid bedoelde schadeverzekeraar tot het einde van het boekjaar waarin deze een premie-inkomen van ten minste zesmaal de waarde van het minimumbedrag van het garantiefonds zoals deze gold op 1 juli 1994 op grond van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 boekt.
## Hoofdstuk 10. Solvabiliteit
@ -1688,235 +874,799 @@ Vervallen
### Artikel 59
**1.** De solvabiliteit van een beheerder van een beleggingsinstelling, beheerder van een icbe, betaalinstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie of premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet is voldoende, indien het aanwezige in aanmerking komende toetsingsvermogen van de onderneming ten minste gelijk is aan de minimum omvang van het toetsingsvermogen, berekend overeenkomstig de artikelen 60a, 61, 63, 63a, 63b en 64.
**1.**
**2.** De solvabiliteit van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste of tweede lid, of 3:61, eerste of tweede lid, of van een bijkantoor als bedoeld in artikel 3:59, eerste lid, of 3:62, eerste lid, van de wet is voldoende indien het eigen vermogen, bedoeld in artikel 70, ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, berekend overeenkomstig, al naar gelang van toepassing, artikel 65, 66 of 68.
De solvabiliteit, bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet is voldoende indien:
**3.** De solvabiliteit van een bank als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:58, eerste lid, van de wet of een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, is voldoende, indien het aanwezige toetsingsvermogen van de onderneming voldoet aan de op de bank of beleggingsonderneming van toepassing zijnde kapitaaleisen uit deel 3 van de verordening kapitaalvereisten.
a. het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen, bedoeld in de artikelen 90 tot en met 94, ten minste gelijk is aan de minimumomvang van het toetsingsvermogen, berekend overeenkomstig de artikelen 60 tot en met 64 of paragraaf 10.2, met inachtneming van de paragrafen 10.3 en 10.4; of
b. de aanwezige solvabiliteitsmarge, bedoeld in de artikelen 95 tot en met 98, ten minste gelijk is aan het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, berekend overeenkomstig de artikelen 65 tot en met 68.
**4.** De solvabiliteit van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen is voldoende, indien het aanwezige toetsingsvermogen van de onderneming voldoet aan de op de beleggingsonderneming van toepassing zijnde kapitaaleisen uit delen 3 en 4 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen.
**5.**
Op een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:58, eerste lid, onderdeel a, van de wet, is:
a. het derde lid van overeenkomstige toepassing, indien het een beleggingsonderneming betreft waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat, de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn; of
b. het vierde lid van overeenkomstige toepassing, indien het een beleggingsonderneming betreft waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat, de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen van toepassing zou zijn.
**6.** De solvabiliteit van een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:61, eerste lid, van de wet is voldoende, indien de omvang van het aanwezige toetsingsvermogen ten minste gelijk is aan de minimumomvang van het toetsingsvermogen voor een bank, berekend overeenkomstig deel 3 van de verordening kapitaalvereisten.
**7.** Onverminderd het eerste tot en met vierde en zesde lid is de omvang van Het aanwezige toetsingsvermogen, bedoeld in het eerste, derde, vierde en zesde lid, onderscheidenlijk het eigen vermogen, bedoeld in het tweede lid, ten minste gelijk aan het ingevolge artikel 48 voorgeschreven minimumbedrag aan eigen vermogen, onderscheidenlijk het ingevolge artikel 49, 49a of 49b voorgeschreven minimumkapitaalvereiste.
**8.**
Voor de toepassing van het eerste lid:
1°. wordt het tier 1-kernkapitaal als bedoeld in artikel 50 van de verordening kapitaalvereisten volledig voor de berekening van het aanwezige toetsingsvermogen in aanmerking genomen;
2°. wordt het aanvullend tier 1-kapitaal als bedoeld in artikel 61 van de verordening kapitaalvereisten voor de berekening van het aanwezige toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen voor zover het niet meer bedraagt dan een derde van het tier 1-kernkapitaal;
3°. wordt het tier 2-kapitaal als bedoeld in artikel 71 van de verordening kapitaalvereisten voor de berekening van het aanwezige toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen voor zover het niet meer bedraagt dan een derde van het tier 1-kapitaal; en
4°. mag, indien wordt voldaan aan de onderdelen 2° en 3°, het tier 2-kapitaal worden gesubstitueerd door aanvullend tier 1-kapitaal.
**9.** De solvabiliteit van een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die tevens een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, van de wet, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet is voldoende, indien het aanwezige toetsingsvermogen van de onderneming voldoet aan de voor diezelfde beleggingsdienst op een beleggingsonderneming van toepassing zijnde kapitaaleisen van deel 3 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, met dien verstande dat het toetsingsvermogen ten minste gelijk is aan het toetsingsvermogen berekent overeenkomstig het eerste lid.
**10.** De Nederlandsche Bank stelt ter uitvoering van het negende lid nadere regels met betrekking tot de toepassing van de kapitaaleisen van deel 3 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen voor beheerders van beleggingsinstellingen en beheerders van icbes als bedoeld in het negende lid.
### Artikel 59a
De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot de solvabiliteit van afwikkelondernemingen.
**2.** Onverminderd het eerste lid is de solvabiliteit ten minste gelijk aan het ingevolge artikel 48 voorgeschreven minimumbedrag aan eigen vermogen of het ingevolge artikel 49 of 57 voorgeschreven minimumbedrag van het garantiefonds. Zolang artikel 58, eerste lid, van toepassing is, is de solvabiliteitsmarge van een schadeverzekeraar als bedoeld in dat lid ten minste gelijk aan € 205.000.
### Artikel 60
Vervallen
**1.**
### Artikel 60a
De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:58, eerste lid, van de wet of van een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:61, eerste lid, van de wet bedraagt de som van:
**1.** De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een betaalinstelling, met uitzondering van een betaalinstelling die alleen betaalinitiatiediensten of rekeninginformatiediensten aanbiedt, wordt berekend met toepassing van met de Nederlandsche Bank overeengekomen methode A, B of C, bedoeld in bijlage B bij dit besluit.
a. acht procent van de som van de ingevolge artikel 61 te berekenen bedragen van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling voor de kredietrisicos, met inbegrip van de tegenpartijkredietrisicos en verwateringsrisicos, met betrekking tot het totale bedrijf, uitgezonderd de handelsportefeuille en de niet-liquide activa van een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling die artikel 90, tweede lid, toepast;
b. het ingevolge het tweede lid te berekenen bedrag van de met betrekking tot de handelsportefeuille vereiste solvabiliteit ter dekking van de positierisicos, afwikkelingsrisicos, leveringsrisicos, tegenpartijrisicos en, in geval van een overschrijding als bedoeld in artikel 102, eerste of tweede lid, grote posities;
c. het ingevolge het tweede lid te berekenen bedrag van de met betrekking tot het totale bedrijf vereiste solvabiliteit ter dekking van de valutarisicos en grondstoffenrisicos; en
d. het ingevolge de artikelen 62b tot en met 62e te berekenen bedrag van de met betrekking tot het totale bedrijf vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico.
**2.** In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank indien een evaluatie van de risicobeheersingsprocessen, het verzamelen en vastleggen van risicoverliesgegevens en het interne controlesysteem en het bedrijfscontinuïteitsbeheer van de betaalinstelling daartoe aanleiding geeft, de betaalinstelling verplichten een toetsingsvermogen aan te houden dat ten hoogste 20% hoger is dan het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van een uit bijlage B gekozen methode, of de betaalinstelling toestaan een toetsingsvermogen aan te houden dat ten hoogste 20% lager is dan het bedrag dat het resultaat is van de uit bijlage B gekozen methode.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot de berekening, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c.
### Artikel 61
De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een kredietunie bedraagt 10 procent van de totale risicoblootstelling, berekend overeenkomstig deel 7 van de verordening kapitaalvereisten.
### Artikel 61a
Vervallen
### Artikel 62
Vervallen
### Artikel 62a
Vervallen
### Artikel 62b
Vervallen
### Artikel 62c
Vervallen
### Artikel 62d
Vervallen
### Artikel 62e
Vervallen
### Artikel 63
**1.** De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet, of van een beheerder van een icbe als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet bedraagt € 125.000 vermeerderd met twee honderdste procent van het bedrag waarmee de waarde van het beheerde vermogen het bedrag van € 250 miljoen te boven gaat. De minimumomvang van het toetsingsvermogen bedraagt niet meer dan € 10 miljoen.
**2.** Tot het beheerde vermogen wordt gerekend het vermogen van de beleggingsinstellingen of van de icbes waarover de beheerder het beheer voert met inbegrip van de delen van het vermogen waarvan hij het beheer heeft uitbesteed, uitgezonderd de delen van het vermogen waarvan het beheer door derden aan hem is uitbesteed.
**3.** De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe als bedoeld in het eerste lid bedraagt ten minste 25 procent van de vaste kosten in het afgelopen boekjaar. Artikel 13 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 63a
**1.** De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet bedraagt twee tiende procent van het beheerde pensioenvermogen. De minimumomvang van het toetsingsvermogen bedraagt niet meer dan € 20 miljoen.
**2.**
In aanvulling op het eerste lid beschikt een premiepensioeninstelling naar keuze over:
a. een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening die haar aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van haar beroep of bedrijf en voorgevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste vijfenzeventig honderdste procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2 miljoen en een maximum van € 20 miljoen per schadegeval, en ten minste een procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2,5 miljoen en een maximum van € 25 miljoen per jaar, voor alle schadegevallen gezamenlijk; of
b. een aanvulling op het toetsingsvermogen, bedoeld in het eerste lid, welke een tiende procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen bedraagt.
**3.** Tot het beheerde pensioenvermogen wordt gerekend het vermogen onder beheer van de premiepensioeninstelling met inbegrip van de delen van het vermogen waarvan zij de bewaring heeft uitbesteed aan een pensioenbewaarder.
**4.** Indien een premiepensioeninstelling pensioenvermogen beheert in opdracht van een cliënt buiten het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, beschikt zij voor dat deel van het beheerde pensioenvermogen in afwijking van het tweede lid, aanhef, over de aanvulling op het toetsingsvermogen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
### Artikel 63b
**1.** In aanvulling op het op grond van de artikelen 48, eerste lid, onderdelen c en e, vereiste minimumbedrag aan eigen vermogen en het op grond van artikel 63 vereiste toetsingsvermogen, beschikt een beleggingsmaatschappij die geen aparte beheerder heeft, of een beheerder van een beleggingsinstelling, over een bijkomend toetsingsvermogen of een beroepsaansprakelijkheidsverzekering ter dekking van mogelijke beroepsaansprakelijkheidsrisicos in overeenstemming met artikel 9, zevende en negende lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.
**2.** Het eigen vermogen, toetsingsvermogen en het bijkomend toetsingsvermogen als bedoeld in het eerste lid wordt belegd in overeenstemming met artikel 9, achtste lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.
### Artikel 64
**1.** Voor het deel van de werkzaamheden van een elektronischgeldinstelling dat betrekking heeft op de uitgifte van elektronisch geld en betaaldiensten die verband houden met de uitgifte van dit elektronisch geld, bedraagt de minimumomvang van het toetsingsvermogen 2% van het gemiddeld uitstaand elektronisch geld.
**2.** Voor het deel van de werkzaamheden van een elektronischgeldinstelling dat betrekking heeft op het verlenen van betaaldiensten die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, wordt de minimumomvang van het toetsingsvermogen berekend met overeenkomstige toepassing van artikel 60a, eerste lid.
**3.** De omvang van het toetsingsvermogen van een elektronischgeldinstelling bedraagt te allen tijde ten minste de som van de minimumomvang van het toetsingsvermogen berekend volgens het eerste lid en de minimumomvang van het toetsingsvermogen berekend volgens het tweede lid.
**4.** Indien een elektronischgeldinstelling de uitgifte van elektronisch geld niet gedurende ten minste zes maanden heeft uitgeoefend, bedraagt de minimum omvang van het toetsingsvermogen, bedoeld in het tweede lid, twee procent van het uitstaand elektronisch geld of het blijkens haar programma van werkzaamheden na zes maanden nagestreefde bedrag aan uitstaand elektronisch geld, naar gelang welk bedrag het hoogst is.
**5.** In afwijking van het eerste en tweede lid kan de Nederlandsche Bank indien een evaluatie van de risicobeheersingsprocessen, het verzamelen en vastleggen van risicoverliesgegevens en het internecontrolesysteem van de elektronischgeldinstelling daartoe aanleiding geeft, de elektronischgeldinstelling verplichten een toetsingsvermogen aan te houden dat ten hoogste 20 procent hoger is dan het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van de methode, bedoeld in het eerste of tweede lid, of de elektronischgeldinstelling toestaan een toetsingsvermogen aan te houden dat ten hoogste 20 procent lager is dan het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van de methode, bedoeld in het eerste of tweede lid.
### Artikel 64a
Vervallen
### Artikel 64b
Vervallen
### Artikel 64c
Vervallen
### Artikel 65
**1.** Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste of tweede lid, 3:59, eerste lid, 3:61, eerste of tweede lid, of 3:62, eerste lid, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, berekent het op hem of op het in Nederland gelegen bijkantoor van toepassing zijnde solvabiliteitskapitaalvereiste ten minste eenmaal per jaar en opnieuw indien het risicoprofiel van de verzekeraar duidelijk afwijkt van de aannames die ten grondslag lagen aan de laatste berekening, of indien de Nederlandsche Bank daarom verzoekt vanwege aanwijzingen dat het risicoprofiel sinds die laatste berekening duidelijk is veranderd. De verzekeraar meldt de uitkomst van een tussentijdse herberekening onverwijld aan de Nederlandsche Bank.
**2.** De verzekeraar maakt voor de berekening, bedoeld in het eerste lid, gebruik van de standaardformule, bedoeld in artikel 103 van de richtlijn solvabiliteit II, of van een geheel of gedeeltelijk intern model als bedoeld in artikel 112, eerste lid, van de richtlijn.
**3.** Een verzekeraar die de standaardformule, bedoeld in het tweede lid, toepast, berekent het solvabiliteitskapitaalvereiste overeenkomstig titel I, hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 2, van de richtlijn solvabiliteit II en neemt daarbij titel I, hoofdstuk V, van de verordening solvabiliteit II in acht.
**4.** De Nederlandsche Bank kan, overeenkomstig artikel 104, zevende lid, van de richtlijn solvabiliteit II, aan een verzekeraar die de standaardformule toepast, goedkeuring verlenen voor het gebruik van de in dat lid bedoelde ondernemingsspecifieke parameters voor de modules voor het levens-, schade- en ziektekostenverzekeringstechnische risico. De verzekeraar voldoet daarbij aan de in dat lid gestelde eisen.
**5.** Een verzekeraar maakt uitsluitend gebruik van een intern model dat door de Nederlandsche Bank is goedgekeurd overeenkomstig de artikelen 112 tot en met 115 van de richtlijn solvabiliteit II. De verzekeraar voldoet aan de artikelen 116 en 120 tot en met 126 van de richtlijn, met inachtneming van titel I, hoofdstuk VI, van de verordening solvabiliteit II.
**6.** De Nederlandsche Bank kan een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid verplichten een intern model te gebruiken voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste of relevante risicomodules daarvan, indien het risicoprofiel van de verzekeraar duidelijk afwijkt van de aannames die ten grondslag liggen aan de standaardformule, bedoeld in het tweede lid.
**7.** Een verzekeraar die goedkeuring heeft gekregen voor het gebruik van een intern model valt niet terug op het gebruik van de standaardformule, bedoeld in het tweede lid, tenzij daar goede redenen voor zijn en de Nederlandsche Bank ermee heeft ingestemd.
**8.** Een verzekeraar die niet meer voldoet aan de artikelen 120 tot en met 126 van de richtlijn solvabiliteit II dient onverwijld een plan in bij de Nederlandsche Bank om aan deze situatie een einde te maken. Indien de verzekeraar het plan niet uitvoert kan de Nederlandsche Bank de verzekeraar verplichten het solvabiliteitskapitaalvereiste te berekenen met gebruikmaking van de standaardformule, bedoeld in het tweede lid.
**9.** Indien de Europese Commissie op grond van artikel 172, tweede of vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II het solvabiliteitsregime van een staat die geen lidstaat is gelijkwaardig acht met die van de richtlijn solvabiliteit II, worden voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste herverzekeringsovereenkomsten met verzekeraars met zetel in die staat gelijkgesteld met herverzekeringsovereenkomsten met verzekeraars met zetel in een lidstaat.
### Artikel 66
**1.** Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste of tweede lid, 3:59, eerste lid, 3:61, eerste of tweede lid, of 3:62, eerste lid, met beperkte risico-omvang berekent het op hem of op het in Nederland gelegen bijkantoor van toepassing zijnde solvabiliteitskapitaalvereiste ten minste eenmaal per jaar en opnieuw indien het risicoprofiel van de verzekeraar duidelijk afwijkt van de aannames die ten grondslag lagen aan de laatste berekening, of indien de Nederlandsche Bank daarom verzoekt vanwege aanwijzingen dat het risicoprofiel sinds die laatste berekening duidelijk is veranderd. De verzekeraar meldt de uitkomst van een tussentijdse herberekening onverwijld aan de Nederlandsche Bank.
**2.**
De verzekeraar maakt voor de berekening, bedoeld in het eerste lid, gebruik van de standaardformule, bedoeld in artikel 103 van de richtlijn solvabiliteit II, zonder toepassing van de in onderdeel c van dat artikel bedoelde correctie voor het verliesabsorberend vermogen van de technische voorzieningen. Titel I, hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 2, van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk V, van de verordening solvabiliteit II zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verzekeraar de vereenvoudigde berekeningsmethoden als bedoeld in de artikelen 89 tot en met 112 van de verordening, kan toepassen, mits:
a. deze berekeningsmethoden passen bij de aard, omvang en complexiteit van de risicos van de verzekeraar en deze berekeningen niet leiden tot een significante onderschatting van het solvabiliteitskapitaalvereiste;
b. het gebruik ervan goed wordt onderbouwd en vastgelegd;
c. ten aanzien van de toepassing van de berekeningsmethoden een bestendige gedragslijn wordt gevolgd.
**3.** Artikel 65, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**3.** De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een beleggingsonderneming als bedoeld in het eerste lid waarop artikel 62a van toepassing is, bedraagt in elk geval 25 procent van de vaste kosten in het afgelopen boekjaar. Indien zij haar werkzaamheden niet gedurende een volledig boekjaar heeft uitgeoefend, bedraagt de minimumomvang van het toetsingsvermogen 25 procent van de in haar programma van werkzaamheden begrote vaste kosten. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat voor de beleggingsonderneming een hogere minimumomvang geldt indien aannemelijk is dat de begrote vaste kosten te laag zijn begroot.
**4.**
De verzekeraar kan bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste rekening houden met:
De vaste kosten, bedoeld in het derde lid, omvatten alle kosten, uitgezonderd:
a. aanwezige risicomitigerende instrumenten, mits deze aantoonbaar effectief zijn en niet resulteren in een materieel basisrisico als bedoeld in artikel 1, punt 25, van de verordening solvabiliteit II;
b. toekomstige risicomitigerende instrumenten, mits deze realistisch zijn en aantoonbaar voortvloeien uit de reguliere bedrijfsvoering, het gevoerde risicobeheer of het afdekkingsbeleid.
a. variabele kosten van werknemers wier dienstverband niet onverwijld en zonder schadeloosstelling kan worden opgezegd;
b. kosten van werknemers wier dienstverband onverwijld en zonder schadeloosstelling kan worden opgezegd;
c. variabele kosten betreffende de voor de beleggingsonderneming verrichte werkzaamheden;
d. afschrijvingen;
e. rentekosten over achtergestelde leningen die ingevolge artikel 92, derde lid, onderdeel c, of artikel 93, deel uitmaken van het toetsingsvermogen;
f. buitengewone kosten met een eenmalig karakter; en
g. overige variabele kosten indien de Nederlandsche Bank daartoe, op schriftelijk verzoek, heeft besloten.
**5.** In afwijking van het tweede lid, tweede volzin, gaat een verzekeraar die het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf uitoefent bij de toepassing van artikel 142, zesde lid, onderdeel b, van de verordening solvabiliteit II uit van de stopzetting van 20% van de verzekeringsovereenkomsten.
**5.** De Nederlandsche Bank kan besluiten dat voor een beleggingsonderneming als bedoeld in het eerste lid een andere minimumomvang geldt indien sinds het afgelopen boekjaar sprake is van aanzienlijke wijzigingen in dier werkzaamheden.
**6.** Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars met beperkte risico-omvang als bedoeld in artikel 49b, tweede lid, onderdeel a.
### Artikel 61
**7.** Artikel 65, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
**1.** Het bedrag van een naar risico gewogen actief of post buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, is gelijk aan zijn vorderingswaarde vermenigvuldigd met het aan dat actief of post buiten de balanstelling ingevolge het vijfde lid, onderdeel a, toegekende risicogewicht. In afwijking van de vorige volzin wordt het bedrag van een naar risico gewogen post bij gesecuritiseerde activa en posten buiten de balanstelling of van een naar risico gewogen securitisatiepositie berekend volgens paragraaf 10.4.
**2.**
Onverminderd het vijfde lid, onderdeel c, is de vorderingswaarde van:
a. een actief gelijk aan zijn balanswaarde;
b. een post buiten de balanstelling met een volledig risico gelijk aan zijn actuele waarde;
c. een post buiten de balanstelling met een middelgroot risico gelijk aan vijftig procent van zijn actuele waarde;
d. een post buiten de balanstelling met een laag tot middelgroot risico gelijk aan twintig procent van zijn actuele waarde; en
e. een post buiten de balanstelling met een laag risico gelijk aan nul.
**3.** De vorderingswaarde, bedoeld in het tweede lid, van effecten of grondstoffen die in het kader van een retrocessieovereenkomst, omgekeerde retrocessieovereenkomst, opgenomen effectenlening, verstrekte effectenlening, opgenomen grondstoffenlening, verstrekte grondstoffenlening of margeleningstransactie worden verkocht, gedeponeerd of verstrekt, wordt indien de financiële onderneming ingevolge artikel 82, eerste lid, de uitgebreide benadering van financiële zekerheden toepast, verhoogd met de overeenkomstig die benadering berekende volatiliteitsaanpassing.
**4.** De vorderingswaarde van een door een volgestorte kredietprotectie gegarandeerd actief of gegarandeerde post buiten de balanstelling mag overeenkomstig paragraaf 10.3 worden aangepast.
**5.**
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot:
a. de indeling van de activa en posten buiten de balanstelling in categorieën naar gelang de wederpartij en de aan die categorieën toe te kennen risicogewichten met inachtneming van artikel 61a;
b. de indeling van de posten buiten de balanstelling in posten met een volledig risico, posten met een middelgroot risico, posten met een middelgroot tot laag risico en posten met een laag risico, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b tot en met e;
c. de vorderingswaarde van afgeleide financiële instrumenten als bedoeld in bijlage B en uitstaande kredietrisicos met een centrale tegenpartij die optreedt als exclusieve wederpartij bij overeenkomsten betreffende financiële instrumenten waarbij geldt dat het tegenpartijkredietrisico van de centrale tegenpartij ten aanzien van alle deelnemers in haar regelingen dagelijks volledig door zekerheden wordt gedekt.
**6.** De vorderingswaarde van retrocessieovereenkomsten, omgekeerde retrocessieovereenkomsten, opgenomen effectenleningen, verstrekte effectenleningen, opgenomen grondstoffenleningen, verstrekte grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn of margeleningstransacties mag, met instemming van de Nederlandsche Bank, worden bepaald op grond van de door de Nederlandsche Bank te stellen regels, bedoeld in het vijfde lid, aanhef en onderdeel c.
### Artikel 61a
**1.** Bij de toekenning van een risicogewicht aan een categorie activa of posten buiten de balanstelling kan een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 60, eerste lid, een kredietbeoordeling van een door de Nederlandsche Bank of door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat ingevolge paragraaf 10.5 erkend kredietbeoordelingsbureau of, ingeval van vorderingen op centrale overheden en centrale banken, erkende kredietbeoordelingen van een exportkredietverzekeraar op een consistente wijze gebruiken. De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het gebruik van een kredietbeoordeling als bedoeld in de vorige volzin.
**2.** De financiële onderneming gebruikt slechts gevraagde kredietbeoordelingen. De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, de financiële onderneming toestemming verlenen om ongevraagde kredietbeoordelingen te gebruiken.
**3.**
De Nederlandsche Bank kent op een objectieve en consequente wijze een risicogewicht toe aan kredietbeoordelingen als bedoeld in het eerste lid met inachtneming van het volgende:
a. zij onderscheidt de relatieve risicograden waaraan de kredietbeoordeling uitdrukking geeft;
b. in geval van een kredietbeoordelingsbureau dat pas is opgericht of dat over beperkte gegevens met betrekking tot wanbetaling beschikt, vraagt zij welke mate van wanbetaling op lange termijn naar het oordeel van het kredietbeoordelingsbureau overeenkomt met alle activa of posten buiten de balanstelling waaraan dezelfde kredietbeoordeling is toegekend;
c. zij vergelijkt de voor elke kredietbeoordeling van een kredietbeoordelingsbureau geconstateerde mate van wanbetaling en vergelijkt deze met een referentiewaarde die is opgesteld op basis van de mate van wanbetaling die door andere kredietbeoordelingsbureaus zijn geconstateerd bij een groep van uitgevende instellingen waaraan een gelijkwaardig kredietrisico is verbonden;
d. indien zij van oordeel is dat de voor een kredietbeoordeling van een kredietbeoordelingsbureau geconstateerde mate van wanbetaling structureel wezenlijk hoger ligt dan de referentiewaarde, kent zij aan de kredietbeoordeling van het betreffende kredietbeoordelingsbureau een hoger risicogewicht toe;
e. indien zij het aan een kredietbeoordeling toegekende risicogewicht heeft verhoogd en het kredietbeoordelingsbureau toont aan dat de voor haar kredietbeoordeling geconstateerde mate van wanbetaling niet langer structureel wezenlijk hoger is dan de referentiewaarde, kan zij aan de kredietbeoordeling weer het oorspronkelijke risicogewicht toekennen.
**4.** Indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat op een met het derde lid vergelijkbare wijze een risicogewicht heeft toegekend aan de kredietbeoordeling, kan de Nederlandsche Bank deze overnemen.
### Artikel 62
**1.**
Het is een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 60, eerste lid, toegestaan het bedrag van de met betrekking tot de handelsportefeuille vereiste solvabiliteit ter dekking van de positierisicos, afwikkelingsrisicos, leveringsrisicos en tegenpartijrisicos, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, te berekenen volgens de ingevolge artikel 61 gestelde regels indien haar handelsportefeuille onder normale omstandigheden:
a. niet meer bedraagt dan vijf procent van het totale bedrijf; en
b. niet meer bedraagt dan € 15 miljoen.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de berekening van de omvang van de handelsportefeuille ten opzichte van het totale bedrijf en de grondslagen van die berekening.
**3.** Een financiële onderneming die het eerste lid toepast, geeft hiervan kennis aan de Nederlandsche Bank met een door deze na overleg met de financiële onderneming te bepalen frequentie. Een overschrijding van een limiet als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, meldt de financiële onderneming onverwijld aan de Nederlandsche Bank.
**4.** Indien de handelsportefeuille van een financiële onderneming die het eerste lid toepast op enig moment meer dan zes procent van haar totale bedrijf uitmaakt of meer dan € 20 miljoen bedraagt, is die toepassing haar vanaf zes maanden na die overschrijding niet langer toegestaan.
**5.** De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat een financiële onderneming die een der limieten, bedoeld in het vierde lid, heeft overschreden, opnieuw het eerste lid toepast indien de financiële onderneming aantoont dat zij na de overschrijding gedurende ten minste twee jaren heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.
### Artikel 62a
**1.** Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op beleggingsondernemingen waarvan het minimumbedrag aan eigen vermogen op grond van artikel 48, aanhef en onderdeel h, € 50.000 bedraagt of clearinginstellingen.
**2.**
De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, toestemming verlenen om het solvabiliteitsvereiste te berekenen op grond van het derde lid, aan:
a. beleggingsondernemingen waarvan het minimumbedrag aan eigen vermogen op grond van artikel 48, aanhef en onderdeel f, € 730.000 bedraagt en die uitsluitend voor eigen rekening handelen:
1°. om orders van cliënten uit te voeren; of
2°. om toegang te verkrijgen tot een clearing- en afwikkelingssysteem dan wel een gereglementeerde markt in de hoedanigheid van gemachtigde of uitvoerder van een order van een cliënt; of
b. beleggingsondernemingen waarvan het minimumbedrag aan eigen vermogen op grond van artikel 48, aanhef en onderdeel f, € 730.000 bedraagt en:
1°. waarbij cliënten geen gelden of effecten aanhouden;
2°. die uitsluitend voor eigen rekening handelen;
3°. die geen externe cliënten hebben; en
4°. waarvan de uitvoering en afwikkeling van transacties geschieden onder de verantwoordelijkheid van en worden gegarandeerd door een clearinginstelling met zetel in Nederland.
**3.** Indien de Nederlandsche Bank toestemming als bedoeld in het tweede lid heeft verleend, houdt de beleggingsonderneming een toetsingsvermogen aan dat ten minste gelijk is aan de som van de bedragen, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdelen a tot en met c, en derde lid.
### Artikel 62b
**1.** Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 60, eerste lid, maakt gebruik van de basisindicatorbenadering voor de berekening van het bedrag van de met betrekking tot het totale bedrijf vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel d.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de basisindicatorbenadering.
### Artikel 62c
**1.** In afwijking van artikel 62b kan een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 60, eerste lid, gebruik maken van de standaardbenadering voor de berekening van het bedrag van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel d.
**2.** Indien de financiële onderneming gebruik maakt van de standaardbenadering worden de activiteiten in een aantal business lines gesplitst. Voor elke business line berekent de financiële onderneming het bedrag met betrekking tot de vereiste solvabiliteit op grond van door de Nederlandsche Bank te stellen regels.
**3.** In de standaardbenadering bedraagt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, de som van de met betrekking tot het totale bedrijf vereiste solvabiliteit voor het operationeel risico in de afzonderlijke business lines.
**4.** De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de voorwaarden waaraan de financiële onderneming voldoet indien zij gebruik wil maken van de standaardbenadering en met betrekking tot de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.
### Artikel 62d
**1.**
De Nederlandsche Bank kan een bank als bedoeld in artikel 60, eerste lid, op verzoek, toestemming verlenen om gebruik te maken van een alternatieve indicator voor de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico met betrekking tot de business lines «bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine en middelgrote ondernemingen» en «zakelijke bankdiensten», indien:
a. deze business lines gezamenlijk ten minste 90 procent van haar netto rentebaten en netto niet-rentebaten vertegenwoordigen; en
b. de bank kan aantonen dat een aanzienlijk deel van haar activiteiten op het gebied van deze business lines betrekking heeft op leningen met een grote kans op wanbetalingen en dat de alternatieve indicator een betere grondslag biedt om het operationeel risico te berekenen.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de alternatieve indicator, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 62e
**1.** Het is een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 60, eerste lid, die eenmaal de standaardbenadering gebruikt, niet toegestaan daarna alsnog de basisindicatorbenadering te gebruiken.
**2.** De Nederlandsche Bank kan, op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat daarvoor goede redenen zijn.
**3.** De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, toestemming verlenen aan een bank of beleggingsonderneming om de standaardbenadering in combinatie met de basisindicatorbenadering toe te passen, indien de financiële onderneming de standaardbenadering implementeert overeenkomstig een met de Nederlandsche Bank overeengekomen tijdschema.
### Artikel 63
**1.** De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet bedraagt € 125.000 vermeerderd met twee honderdste procent van het bedrag waarmee de waarde van het beheerde vermogen het bedrag van € 250 miljoen te boven gaat. De minimumomvang van het toetsingsvermogen bedraagt niet meer dan € 10 miljoen.
**2.** Tot het beheerde vermogen wordt gerekend het vermogen van de beleggingsinstellingen waarover de beheerder het beheer voert met inbegrip van de delen van het vermogen waarvan hij het beheer heeft uitbesteed, uitgezonderd de delen van het vermogen waarvan het beheer door derden aan hem is uitbesteed.
**3.** Artikel 60, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 64
De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:58, eerste lid, van de wet bedraagt twee procent van het lopende bedrag of het gemiddelde bedrag over de laatste zes maanden van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, naar gelang welk bedrag het hoogst is. Indien de elektronischgeldinstelling haar werkzaamheden niet gedurende zes maanden heeft uitgeoefend, bedraagt de minimumomvang van het toetsingsvermogen twee procent van het lopende bedrag of het blijkens haar programma van werkzaamheden op zes maanden nagestreefde bedrag van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, naar gelang welk bedrag het hoogst is. De Nederlandsche Bank kan, indien de vorige volzin van toepassing is en aannemelijk is dat het nagestreefde bedrag te laag is geschat, besluiten dat voor de elektronischgeldinstelling een hogere minimumomvang geldt.
### Artikel 65
**1.**
Het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van een levensverzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:58, eerste of tweede lid, van de wet bedraagt de som van de als volgt te berekenen bedragen:
a. voor zover het verzekeringen betreft waarbij door de levensverzekeraar beleggingsrisico wordt gelopen: vier procent van het bedrag van de bruto technische voorzieningen, vermenigvuldigd met de verhouding, welke ten minste 85 procent bedraagt, tussen de technische voorzieningen verminderd met het bedrag van de overdrachten uit hoofde van herverzekering en de bruto technische voorzieningen aan het eind van het afgelopen boekjaar;
b. voor zover het verzekeringen betreft waarbij door de levensverzekeraar geen beleggingsrisico wordt gelopen en waarbij de beheerslasten voor een periode van meer dan vijf jaar zijn vastgelegd: een procent van de bruto technische voorzieningen, vermenigvuldigd met de verhouding, welke ten minste 85 procent bedraagt, tussen de technische voorzieningen de overdrachten uit hoofde van herverzekering en de bruto technische voorzieningen aan het eind van het afgelopen boekjaar;
c. voor zover het verzekeringen betreft waarbij door de levensverzekeraar geen beleggingsrisico wordt gelopen en waarbij de beheerslasten voor een periode van vijf jaar of minder zijn vastgelegd: 25 procent van de netto beheerslasten in verband met de bedrijfsuitoefening in het afgelopen boekjaar;
d. voor zover het spaarkassen betreft: een procent van het vermogen van de spaarkassen;
e. voor zover het verzekeringen met risicokapitaal betreft, de som van de uitkomsten van de hierna onder 1° tot en met 3° bedoelde berekeningen, vermenigvuldigd met de verhouding, welke ten minste vijftig procent bedraagt, tussen het risicokapitaal verminderd met het bedrag van de overdrachten uit hoofde van herverzekering en het risicokapitaal in het afgelopen boekjaar:
1°. tijdelijke verzekeringen met een contractsduur van ten hoogste drie jaar: 0,1 procent van het risicokapitaal bij overlijden;
2°. tijdelijke verzekeringen met een contractsduur van meer dan drie jaar en ten hoogste vijf jaar: 0,15 procent van het risicokapitaal bij overlijden;
3°. verzekeringen anders dan tijdelijke verzekeringen met een contractsduur van ten hoogste vijf jaar: 0,3 procent van het risicokapitaal bij overlijden;
f. voor zover het aanvullende verzekeringen betreft: het overeenkomstig artikel 67, eerste, zesde en zevende lid, berekende bedrag.
**2.** Voor de toepassing van dit artikel wordt het verschil, bedoeld in artikel 98, derde lid, aangemerkt als bruto technische voorzieningen.
**3.** Voor de toepassing van dit artikel worden verplichtingen uit hoofde van levensverzekeringen waarvoor ingevolge de internationale jaarrekeningstandaarden geen technische voorzieningen worden gevormd, aangemerkt als technische voorzieningen.
**4.**
De Nederlandsche Bank kan besluiten de op herverzekering gebaseerde vermindering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b, e, laatste volzin, of f, te beperken indien:
a. de aard of de kwaliteit van de overdracht uit hoofde van herverzekering sinds het afgelopen boekjaar sterk is gewijzigd; of
b. er nauwelijks of geen risico-overdracht plaatsvindt uit hoofde van herverzekering.
### Artikel 66
**1.**
Het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:61, eerste of tweede lid, van de wet bedraagt de som van de als volgt te berekenen bedragen:
a. voor zover het verzekeringen betreft waarbij door de natura-uitvaartverzekeraar beleggingsrisico wordt gelopen: de uitkomst van de berekening, bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel a;
b. voor zover het verzekeringen betreft waarbij door de natura-uitvaartverzekeraar geen beleggingsrisico wordt gelopen en waarbij de beheerslasten voor een periode van meer dan vijf jaar zijn vastgelegd: de uitkomst van de berekening, bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel b;
c. voor zover het uitstaande depots ten behoeve van uitvaarten betreft: een procent van het depotbedrag;
d. voor zover het verzekeringen met risicokapitaal betreft: 0,3 procent van het risicokapitaal bij overlijden, vermenigvuldigd met de verhouding, welke ten minste vijftig procent bedraagt, tussen het risicokapitaal verminderd met het bedrag van de overdrachten uit hoofde van herverzekering en het risicokapitaal in het afgelopen boekjaar; en
e. voor zover het aanvullende verzekeringen betreft: achttien procent van de in het afgelopen boekjaar geboekte premies en van de in rekening gebrachte poliskosten, voor zover deze premies en kosten niet meer bedragen dan € 10 miljoen, vermeerderd met zestien procent van deze premies en kosten, voor zover deze meer bedragen dan € 10 miljoen. De uitkomst van de berekening, bedoeld in de vorige volzin, wordt vermenigvuldigd met de verhouding, welke ten minste vijftig procent bedraagt, tussen de uitkeringen die voor eigen rekening komen van de natura-uitvaartverzekeraar na overdracht uit hoofde van herverzekering en de bruto uitkeringen in het laatste boekjaar.
**2.** Artikel 65, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 67
Op de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardformule overeenkomstig artikel 65 of 66 zijn de overgangsmaatregelen, bedoeld in artikel 308 ter, twaalfde en dertiende lid, van de richtlijn solvabiliteit II van toepassing dan wel van overeenkomstige toepassing, tenzij een verzekeraar gebruik maakt van de overgangsmaatregel, bedoeld in artikel 308 quinquies van die richtlijn.
**1.**
Het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:58, eerste of tweede lid, van de wet bedraagt het product van het op grond van onderdeel c van dit lid berekende percentage, vermenigvuldigd met het hoogste van de op grond van de onderdelen a en b van dit lid berekende bedragen. De bedragen en het percentage worden als volgt berekend:
a. achttien procent van de in het afgelopen boekjaar geboekte dan wel verdiende premies, naargelang welk bedrag het hoogst is en van de in rekening gebrachte poliskosten, voor zover deze premies en kosten niet meer bedragen dan € 53,1 miljoen, vermeerderd met zestien procent van deze premies en kosten voor zover deze meer bedragen dan € 53,1 miljoen;
b. 26 procent van de gemiddeld geboekte bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren en van de gemiddelde toevoeging aan de schadevoorziening in deze jaren, voor zover deze schaden en toevoeging niet meer bedragen dan € 37,2 miljoen, vermeerderd met 23 procent van deze schaden en toevoeging, voor zover deze meer bedragen dan € 37,2 miljoen;
c. de verhouding, welke ten minste vijftig procent bedraagt, tussen de schaden die voor eigen rekening komen van de verzekeraar na overdracht uit hoofde van herverzekering en de bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren.
**2.** Voor zover het de berekening met betrekking tot de branches Aansprakelijkheid luchtvaartuigen, Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen en Algemene aansprakelijkheid betreft, worden de geboekte dan wel verdiende premies, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, eerste volzin, of de geboekte bruto schaden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, eerste volzin, met vijftig procent verhoogd. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat voor de toerekening van de geboekte dan wel verdiende premies of geboekte bruto schaden aan de genoemde branches gebruik kan worden gemaakt van statistische methoden.
**3.** Voor zover het een schadeverzekeraar betreft die in hoofdzaak ten minste een van de risicos van kredietschade, stormschade, hagelschade of vorstschade dekt, wordt in de berekening en de verhouding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b onderscheidenlijk onderdeel c, uitgegaan van de afgelopen zeven boekjaren.
**4.** Voor zover het de branche Hulpverlening betreft, wordt voor het bedrag van de geboekte bruto schaden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, uitgegaan van de voor de schadeverzekeraar uit de verleende hulp voortvloeiende kosten.
**5.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de hogekostencompensatie, bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering, aangemerkt als herverzekering.
**6.** Voor de toepassing van dit artikel worden ontvangen premies en betaalde of te betalen schaden in verband met schadeverzekeringen, die ingevolge de internationale jaarrekeningstandaarden niet als zodanig worden aangemerkt, in aanmerking genomen.
**7.** Indien het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge zoals berekend overeenkomstig dit artikel lager is dan het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van het voorafgaande boekjaar, dan bedraagt het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge ten minste de uitkomst van de volgende berekening: het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van het voorafgaande boekjaar wordt vermenigvuldigd met de verhouding, welke ten hoogste honderd procent bedraagt, tussen de bedragen voor technische voorzieningen voor te betalen schaden verminderd met het bedrag van de overdrachten uit herverzekering aan het einde van het boekjaar en de bedragen voor technische voorzieningen voor te betalen schaden verminderd met het bedrag van de overdrachten uit herverzekering aan het begin van het boekjaar.
**8.** Artikel 65, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**9.** Artikel 49, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.
### Artikel 68
Een herverzekeraar die zijn bedrijf uitoefent in de activiteit schadeherverzekering of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste of tweede lid, 3:61, eerste lid, of 3:62, eerste lid, van de wet en daarbij zorgverzekeringen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet herverzekert onderscheidenlijk sluit, kan zijn solvabiliteitskapitaalvereiste berekenen met toepassing van artikel 149 van de verordening solvabiliteit II.
**1.**
### Paragraaf 10.2. Gebruik van interne modellen
Het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:58, eerste of tweede lid, van de wet bedraagt een derde van het overeenkomstig artikel 67 berekende bedrag voor het gedeelte dat betrekking heeft op ziektekostenverzekeringen indien die verzekeringen op analoge wijze als levensverzekeringen worden beheerd en:
a. de geheven premie volgens verzekeringswiskundige methoden wordt berekend;
b. een actuarieel berekende ouderdomsvoorziening wordt gevormd;
c. een aanvullende premie wordt geheven om een reële veiligheidsmarge te vormen;
d. de schadeverzekeraar de ziektekostenverzekering niet eerder dan aan het einde van het derde verzekeringsjaar kan opzeggen; en
e. in de ziektekostenverzekering de mogelijkheid is opgenomen om ook voor lopende verzekeringen de premies te verhogen of de verstrekkingen te verminderen.
**2.** Bij ministeriële regeling kan het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, bedoeld in het eerste lid, worden verhoogd tot ten hoogste het overeenkomstig artikel 67 berekende bedrag, indien de ingevolge paragraaf 4.2 van de Zorgverzekeringswet gestelde regels met betrekking tot de risicoverevening daartoe aanleiding geven.
### Paragraaf 10.2. Minimumomvang toetsingsvermogen volgens interne modellen
### Artikel 69
**1.** De Nederlandsche Bank toetst op regelmatige basis, maar ten minste eenmaal per drie jaar, of een bank of een beleggingsonderneming die gebruik maakt van interne modellen voor de berekening van de kapitaalvereisten overeenkomstig deel 3 van de verordening kapitaalvereisten, voldoet aan de ingevolge dat deel gestelde eisen. Daarbij houdt de Nederlandsche Bank in het bijzonder rekening met wijzigingen in de activiteiten van de bank of beleggingsonderneming en het toepassen van interne modellen op nieuwe financiële producten en diensten.
**1.** De Nederlandsche Bank kan een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:58, eerste lid, van de wet, op verzoek, toestemming verlenen om de bedragen van haar naar risico gewogen activa of posten buiten de balanstelling in afwijking van artikel 61 te berekenen volgens een interne modellenmethode, waarbij gebruik wordt gemaakt van eigen ramingen van de kans op wanbetaling. De Nederlandsche Bank kan tevens, op verzoek, toestemming verlenen om daarbij gebruik te maken van eigen ramingen van verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren.
**2.** Indien bij de toetsing, bedoeld in het eerste lid, wezenlijke tekortkomingen worden vastgesteld in het ondervangen van risicos door het interne model, neemt de Nederlandsche Bank maatregelen om deze tekortkomingen te verhelpen of andere passende maatregelen. Daarbij is de Nederlandsche Bank in ieder geval bevoegd een hogere vermenigvuldigingsfactor op te leggen of te bepalen dat de bank of beleggingsonderneming over een hoger toetsingsvermogen beschikt dan ingevolge artikel 3:57 van de wet is vereist.
**2.** De gehanteerde interne modellen voor het beheer en de beoordeling van kredietrisicos worden zorgvuldig toegepast. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot deze interne modellen.
**3.** Indien uit veelvuldige overschrijding blijkt dat een intern model niet of niet langer voldoende accuraat is, trekt de Nederlandsche Bank de toestemming aan de bank of beleggingsonderneming voor het gebruik van het betreffende model in, of legt zij maatregelen op die ertoe leiden dat het model onverwijld wordt verbeterd.
**3.** De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend indien de financiële onderneming heeft aangetoond dat de gehanteerde interne modellen voldoen aan het bepaalde ingevolge het tweede lid.
**4.** Indien een bank of beleggingsonderneming niet langer voldoet aan de vereisten voor het gebruik van een bepaald intern model, stelt de Nederlandsche Bank de bank of beleggingsonderneming in de gelegenheid om aan te tonen dat het niet voldoen aan de vereisten van ondergeschikt belang is of om een plan op te stellen op grond waarvan binnen een redelijke termijn opnieuw aan de vereisten wordt voldaan. De Nederlandsche Bank kan, voor zover naar haar oordeel noodzakelijk, verbeteringen aan het plan opleggen of een andere termijn vaststellen waarbinnen het plan wordt uitgevoerd.
**4.** De financiële onderneming die een verzoek voor toestemming voor het gebruik van een interne modellenmethode indient, legt bewijsstukken over waaruit blijkt dat zij al ten minste gedurende drie jaar voor de desbetreffende categorieën van activa en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 71, eerste lid, systemen voor de beoordeling van kredietrisicos hanteert die in grote lijnen in overeenstemming zijn met de regels, bedoeld in het tweede lid, laatste volzin.
**5.** Indien de Nederlandsche Bank van oordeel is dat de bank of beleggingsonderneming niet in staat is om uitvoering te geven aan het plan, bedoeld in het vierde lid, en de bank of beleggingsonderneming niet heeft aangetoond dat het niet voldoen aan de vereisten van ondergeschikt belang is, trekt zij de toestemming voor het gebruik van het interne model in of beperkt zij de toestemming tot de onderdelen ten aanzien waarvan wel aan de vereisten wordt voldaan of binnen een redelijke termijn kan worden voldaan.
**5.** De financiële onderneming die een verzoek voor toestemming voor het gebruik van eigen ramingen van verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren indient, legt bewijsstukken over waaruit blijkt dat zij al ten minste gedurende drie jaar eigen ramingen van verliezen bij wanbetaling of omrekeningsfactoren opstelt en daarvan gebruik maakt op een wijze die in grote lijnen in overeenstemming is met de regels, bedoeld in het tweede lid, laatste volzin.
### Paragraaf 10.3. Samenstelling van de solvabiliteit van verzekeraars
**6.** Onverminderd de artikelen 70 en 76 gebruikt de financiële onderneming die toestemming heeft gekregen voor het gebruik van een interne modellenmethode, deze voor alle activa en posten buiten de balanstelling.
**7.** Indien de financiële onderneming niet langer voldoet aan het eerste tot en met zesde lid of de artikelen 70 tot en met 76, dient zij bij de Nederlandsche Bank een plan in om zo spoedig mogelijk opnieuw aan deze leden en artikelen te voldoen, of toont zij aan dat dit geen noemenswaardige gevolgen voor het gebruik van de interne modellenmethode heeft.
### Artikel 70
**1.** Het eigen vermogen van een verzekeraar wordt gevormd door het eigen vermogen, bedoeld in artikel 87 van de richtlijn solvabiliteit II, ingedeeld in tiers overeenkomstig de artikelen 93 tot en met 96 van die richtlijn, voor zover dat overeenkomstig artikel 98 van de richtlijn, en met inachtneming van artikel 82, eerste en derde lid, van de verordening solvabiliteit II, in aanmerking komt ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste. Het bij de berekening van het eigen vermogen in aanmerking te nemen bedrag aan aanvullend vermogen behoeft de voorafgaande goedkeuring van de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 90 van de richtlijn solvabiliteit II.
**1.**
**2.** Met betrekking tot de indeling van het eigen vermogen in tier 1 en tier 2, is de overgangsmaatregel, bedoeld in artikel 308 ter, negende onderscheidenlijk tiende lid, van de richtlijn solvabiliteit II van toepassing.
De Nederlandsche Bank kan een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, op verzoek, toestemming verlenen een interne modellenmethode stapsgewijs in te voeren:
### Artikel 70a
a. per categorie of, ingeval van de categorie, bedoeld in artikel 71, eerste lid, aanhef en onderdeel d, per subcategorie activa of posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 71, eerste lid;
b. binnen dezelfde bedrijfsactiviteit;
c. per bedrijfsactiviteit binnen dezelfde groep; of
d. voor het gebruik van eigen ramingen van verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren voor de berekening van risicogewichten voor vorderingen op ondernemingen, banken en beleggingsondernemingen en centrale overheden en centrale banken.
Een verzekeraar met beperkte risico-omvang waarop artikel 308 ter, veertiende lid, van de richtlijn solvabiliteit II van overeenkomstige toepassing is en die op 31 december 2017 niet voldoet of gedurende het jaar 2018 dreigt niet te voldoen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, treft de nodige maatregelen om uiterlijk op 31 december 2022 het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het sovabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of zijn risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt regels teneinde te waarborgen dat de stapsgewijze invoering, bedoeld in het eerste lid, binnen een redelijke termijn plaatsvindt en niet wordt gebruikt om voor de categorieën vorderingen of bedrijfsactiviteiten, bedoeld in het eerste lid, waarop een interne modellenmethode niet wordt toegepast een lagere minimumomvang van het toetsingsvermogen te bereiken.
### Paragraaf 10.4. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste
**3.** De financiële onderneming die voor enige categorie activa of posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 71, eerste lid, een interne modellenmethode gebruikt, gebruikt deze ook voor de posities in aandelen, bedoeld in onderdeel e van laatstgenoemd lid.
**4.** Onverminderd het eerste tot en met derde lid en artikel 76 valt de financiële onderneming die ingevolge artikel 69, eerste lid, toestemming heeft verkregen voor het gebruik van een interne modellenmethode, voor de berekening van de bedragen van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling niet terug op artikel 61, tenzij de Nederlandsche Bank daarmee instemt.
**5.** Onverminderd het eerste en tweede lid en artikel 76 is het de financiële onderneming die ingevolge artikel 69, eerste lid, toestemming heeft verkregen voor het gebruik van eigen ramingen van verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren, niet toegestaan voor de berekening van de bedragen van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling daarna alsnog de ingevolge artikel 73, tweede lid, door de Nederlandsche Bank vastgestelde waarde van verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren te gebruiken, tenzij de Nederlandsche Bank daarmee instemt.
### Artikel 71
De waarden die dienen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van een bijkantoor van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:59, tweede lid, van de wet of een verzekeraar met beperkte risico-omvang als bedoeld in artikel 3:62, tweede lid, van de wet zijn aanwezig in Nederland tot het bedrag van het minimumkapitaalvereiste en voor het meerdere in één of meer lidstaten.
**1.**
### Paragraaf 10.5. Aanhouden van balansposten en posten buiten de balanstelling
Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, die een interne modellenmethode gebruikt, deelt haar activa en posten buiten de balanstelling volgens een geschikte en in de tijd consistente methodiek in de volgende categorieën in:
a. vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op centrale overheden en centrale banken;
b. vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op banken en beleggingsondernemingen;
c. vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op ondernemingen, waaronder vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening;
d. vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op particulieren en op kleine en middelgrote ondernemingen;
e. posities in aandelen;
f. securitisatieposities; en
g. andere activa of posten buiten de balanstelling die geen kredietverplichting vertegenwoordigen.
**2.** Activa of posten buiten de balanstelling die een kredietverplichting vertegenwoordigen die niet worden ingedeeld in een van de categorieën, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b of d tot en met f, worden ingedeeld in de categorie, bedoeld in onderdeel c.
**3.** De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot de indeling in de categorieën, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 72
**1.** Op een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, vijfde lid, van de wet zijn de eisen betreffende grote risicoblootstellingen ingevolge deel 4 van de verordening kapitaalvereisten van overeenkomstige toepassing.
**1.**
**2.** Op een kredietunie als bedoeld in artikel 3:57, zesde lid, van de wet zijn de eisen betreffende grote risicoblootstellingen ingevolge deel 4 van de verordening kapitaalvereisten van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de minimum omvang van het toetsingvermogen in afwijking van artikel 61, eerste lid, van dit besluit, 20 procent bedraagt voor het meerdere van grote risicoblootstellingen boven 15 procent van het aanwezige in aanmerking komende toetsingsvermogen.
De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van de artikelen 73 en 74, regels met betrekking tot:
a. de berekening van het bedrag van de naar kredietrisico gewogen activa en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met e of g, voor zover dit bedrag niet op het toetsingsvermogen in mindering wordt gebracht; en
b. de berekening van het bedrag van de naar verwateringsrisico gewogen activa en posten buiten de balanstelling die verband houden met gekochte kortlopende handelsvorderingen, met of zonder verhaal op de wederpartij.
**2.** Het bedrag van een naar risico gewogen post bij gesecuritiseerde activa en posten buiten de balanstelling of van een naar risico gewogen securitisatiepositie als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel f, wordt berekend volgens paragraaf 10.4.
### Artikel 73
**1.** Een beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten, of bewaarder van een icbe als bedoeld in artikel 3:57, vijfde lid, van de wet verstrekt geen kredieten voor rekening van derden, stelt zich niet garant en gaat geen borgtochtverplichtingen aan.
**1.**
De regels, bedoeld in artikel 72, eerste lid, voorzien in berekening op basis van de volgende parameters:
a. de kans op wanbetaling;
b. het verlies bij wanbetaling;
c. de looptijd; en
d. de waarde van de desbetreffende activa of posten buiten de balanstelling, bepaald door onder meer de omrekeningsfactoren.
**2.** De door de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 72, eerste lid, te stellen regels omvatten mede regels met betrekking tot de waarden van verlies bij wanbetaling en de omrekeningsfactoren alsmede voorwaarden voor het gebruik van eigen ramingen van de kans op wanbetaling, het verlies bij wanbetaling, de looptijd en de omrekeningsfactoren.
**3.** In de door haar ingevolge artikel 72, eerste lid, te stellen regels kan de Nederlandsche Bank afwijken van het eerste lid, voor zover het betreft de berekening van het bedrag van de naar kredietrisico gewogen posities in aandelen, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, waaronder posities in instellingen voor collectieve belegging, vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel c, of andere activa of posten buiten de balanstelling die geen kredietverplichting vertegenwoordigen, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel g.
### Artikel 74
**1.** Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, die toestemming heeft gekregen voor het gebruik van een interne modellenmethode gebruikt voor de berekening van het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met d, eigen ramingen van de kans op wanbetaling.
**2.** De financiële onderneming die ingevolge artikel 69, eerste lid, laatste volzin, tevens toestemming heeft gekregen voor de activa en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, gebruikt voor de berekening van het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling eigen ramingen van verlies bij wanbetaling en omrekeningsfactoren.
**3.** De financiële onderneming gebruikt voor de categorieën, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, de ingevolge artikel 73, tweede lid, voor de berekening van het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling vastgestelde waarden van verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren, tenzij de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, ingevolge artikel 69, eerste lid, laatste volzin, tevens toestemming heeft gekregen voor die activa en posten buiten de balanstelling. In dat geval gebruikt zij voor de berekening van het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling eigen ramingen van verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren.
### Artikel 75
**1.**
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de berekening van de verwachte verliesposten in verband met:
a. activa en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met e;
b. posities in instellingen voor collectieve belegging, bedoeld in artikel 73, derde lid; en
c. het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen.
**2.** De verwachte verliesposten in verband met securitisatieposities, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel f, worden berekend volgens paragraaf 10.4.
**3.** De verwachte verliespost bij activa of posten buiten de balanstelling die geen kredietverplichting vertegenwoordigen, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel g, is gelijk aan nul.
### Artikel 76
**1.**
De Nederlandsche Bank kan een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, die bij de berekening van het bedrag van de naar risico gewogen activa of posten buiten de balanstelling en de verwachte verliesposten voor een of meer categorieën, bedoeld in artikel 71, eerste lid, gebruik maakt van een interne modellenmethode, op verzoek, toestemming verlenen om de standaardbenadering, bedoeld in artikel 61, te gebruiken voor activa en posten buiten de balanstelling indien:
a. het activa of posten buiten de balanstelling als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen a en b, betreft, het aantal wederpartijen beperkt is en het voor de financiële onderneming te belastend zou zijn om voor deze wederpartijen een interne modellenmethode in te voeren;
b. het activa of posten buiten de balanstelling betreft in verband met niet-belangrijke bedrijfsactiviteiten en in categorieën die geen noemenswaardige omvang hebben en waarvan het risicoprofiel als laag wordt aangemerkt;
c. het vorderingen betreft op de Nederlandse Staat of, indien er op grond van bepaalde publiekrechtelijke regelingen geen verschil in risico bestaat tussen de vorderingen op de Nederlandse Staat en deze vorderingen, Nederlandse provincies, gemeenten, waterschappen of andere openbare lichamen als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, en aan vorderingen op de Nederlandse Staat ingevolge artikel 61, vijfde lid, onderdeel a, een risicogewicht van nul procent is toegekend;
d. het vorderingen betreft op een wederpartij die haar moederonderneming, dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming is, indien deze wederpartij een bank, beleggingsonderneming, financiële holding, financiële instelling, vermogensbeheerder of onderneming die nevendiensten verricht is waarop de hoofdstukken 9, 10 en 13 van dit besluit van toepassing zijn of een verbonden onderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening;
e. het posities in aandelen betreft van rechtspersonen aan wier kredietverplichtingen ingevolge artikel 61, vijfde lid, onderdeel a, een risicogewicht van nul procent is toegekend;
f. het posities in aandelen betreft, ten belope van ten hoogste tien procent van de som van het bedrag van het kernkapitaal, bedoeld in artikel 91, en het bedrag van het aanvullend kapitaal, bedoeld in artikel 92, die zijn ingenomen in het kader van overheidsprogrammas waarmee steun wordt verleend aan bepaalde economische sectoren en waarbij de financiële onderneming omvangrijke subsidies ontvangt voor haar beleggingen en de beleggingen op de een of andere wijze onderworpen zijn aan overheidstoezicht en restricties;
g. het vorderingen op ondernemingen betreft in de vorm van door de Europese Centrale Bank of een centrale bank van een lidstaat voorgeschreven door de financiële onderneming aan te houden minimumreserves; en
h. het overheidsgaranties of door de overheid herverzekerde garanties betreft die voldoen aan door de Nederlandsche Bank te stellen regels.
**2.** Onverminderd de onderdelen a tot en met g van het eerste lid verleent de Nederlandsche Bank de in de aanhef van dat lid bedoelde toestemming indien het posities in aandelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e of f, betreft waarvoor in een andere lidstaat toestemming tot het gebruik van de standaardbenadering is verleend.
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, worden posities in aandelen als omvangrijk beschouwd indien de totale waarde ervan, uitgezonderd de in het eerste lid, onderdeel f, genoemde posities in aandelen in het voorgaande jaar gemiddeld meer dan tien procent of, indien in minder dan tien individuele bedrijven een positie in aandelen is opgebouwd, meer dan vijf procent van het toetsingsvermogen van de financiële onderneming bedraagt.
### Artikel 77
**1.** De Nederlandsche Bank kan een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, op verzoek, toestemming verlenen om het bedrag van de vereiste solvabiliteit voor de positierisicos met betrekking tot de handelsportefeuille, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, of voor de valutarisicos of grondstoffenrisicos, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel c, in afwijking van artikel 60, tweede lid, te berekenen op basis van interne modellen.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot interne modellen als bedoeld in het eerste lid en het gebruik ervan.
### Artikel 78
**1.** De Nederlandsche Bank kan een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, op verzoek, toestemming verlenen om het bedrag van de met betrekking tot het totale bedrijf vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, te berekenen op basis van de geavanceerde benadering die is gebaseerd op een risicomeetsysteem.
**2.**
Alvorens de Nederlandsche Bank toestemming verleent voor de toepassing van de geavanceerde benadering, bedoeld in het eerste lid, valideert de Nederlandsche Bank het risicomeetsysteem en toetst zij of de:
a. interne validatieprocedures van de financiële onderneming adequaat functioneren; en
b. datastromen en procedures ten behoeve van het risicomeetsysteem van de financiële onderneming doorzichtig en toegankelijk zijn.
**3.** De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot het risicomeetsysteem en het risicobeheersingsysteem voor de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico.
**4.** Indien een Nederlandse EU-moederbeleggingsonderneming of Nederlandse EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of de dochterondernemingen van een Nederlandse financiële EU-moederholding een geavanceerde benadering voor het operationeel risico centraal toepast, kan de Nederlandsche Bank, op verzoek, toestaan dat de moederonderneming en haar dochterondernemingen samen voldoen aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels met betrekking tot de geavanceerde benadering.
**5.** De Nederlandsche Bank stelt regels waaraan het verzoek, bedoeld in het vierde lid, moet voldoen.
### Artikel 79
**1.** Het is een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, die eenmaal de geavanceerde benadering gebruikt, niet toegestaan daarna alsnog de basisindicatorbenadering of standaardbenadering te gebruiken.
**2.** De Nederlandsche Bank kan, op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat daarvoor goede redenen zijn.
**3.**
De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, toestemming verlenen aan een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid om de geavanceerde benadering in combinatie met de basisindicatorbenadering of standaardbenadering toe te passen, indien:
a. deze gecombineerde toepassing van benaderingen alle operationele risicos in aanmerking neemt die de financiële onderneming kan lopen;
b. zij instemt met de methodiek die de financiële onderneming toepast om de operationele risicos van haar verschillende activiteiten, bedrijfsonderdelen, juridische structuren of andere door haar relevant geachte factoren in aanmerking te nemen; en
c. wordt voldaan aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels met betrekking tot de gebruikte benaderingen.
**4.**
De Nederlandsche Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het derde lid, het voorschrift verbinden dat:
a. op het moment dat de geavanceerde benadering wordt ingevoerd deze benadering op een aanzienlijk gedeelte van de operationele risicos van de financiële onderneming wordt toegepast; en
b. de financiële onderneming de geavanceerde benadering over een aanzienlijk gedeelte van haar activiteiten implementeert overeenkomstig een met de Nederlandsche Bank overeengekomen tijdschema.
### Paragraaf 10.3. Kredietrisicovermindering
### Artikel 80
Een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste lid, of 3:61, eerste lid, van de wet die het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling berekent ingevolge artikel 61 of paragraaf 10.2, waarbij zij geen gebruik maakt van eigen ramingen van verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren, neemt slechts kredietrisicovermindering in aanmerking bij deze berekening of, indien van toepassing, bij de berekening van de verwachte verliesposten ingevolge artikel 92, tweede lid, onderdeel d, of artikel 94, tweede lid, onderdeel f, indien is voldaan aan artikel 81.
### Artikel 81
**1.** Een zekerheidsregeling wordt slechts in het kader van kredietrisicovermindering overeengekomen, indien zij in alle relevante rechtsgebieden rechtsgeldig en afdwingbaar is.
**2.** Een financiële onderneming als bedoeld in artikel 80 die leningverstrekkende financiële onderneming is, neemt alle vereiste maatregelen om de effectiviteit van de kredietrisicovermindering te waarborgen en de daaraan verbonden risicos te beperken.
**3.** In geval van volgestorte kredietprotectie worden geen activa in aanmerking genomen die onvoldoende zekerheid bieden ten aanzien van de protectie van de activa.
**4.** Volgestorte kredietprotectie wordt slechts als kredietrisicovermindering in aanmerking genomen, indien de leningverstrekkende financiële onderneming het recht heeft om bij in gebreke blijven, insolventie of faillissement van de debiteur of indien van toepassing, van de bewaarnemer van de zekerheid of bij een andere in de desbetreffende overeenkomst vermelde gebeurtenis die betaling onder de overeenkomst of afwikkeling van de overeenkomst tot gevolg heeft, de activa die als zekerheid dienen zo spoedig mogelijk te liquideren of te behouden. De waarde van de activa die als zekerheid worden gebruikt, mag niet te nauw zijn gekoppeld aan de kans op wanbetaling van de debiteur.
**5.** In geval van niet-volgestorte kredietprotectie mag de verstrekker van de garanties alleen in aanmerking worden genomen als deze betrouwbaar is en de overeenkomst tot kredietprotectie in de relevante rechtsgebieden rechtsgeldig en afdwingbaar is.
**6.** De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder technieken van kredietrisicovermindering toelaatbaar zijn en de beperking van de aan kredietrisicovermindering verbonden risicos.
### Artikel 82
**1.** Een financiële onderneming als bedoeld in artikel 80, eerste lid, die kredietrisicovermindering in aanmerking neemt, past de berekening van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling en, indien van toepassing, de berekening van de verwachte verliesposten aan. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de aanpassing van deze berekeningen.
**2.** Het in aanmerking nemen van kredietrisicovermindering levert geen hoger bedrag van de naar risico gewogen activa of posten buiten de balanstelling of een hogere verwachte verliespost op dan het bedrag van de naar risico gewogen activa of posten buiten de balanstelling onderscheidenlijk de verwachte verliespost van in alle overige opzichten identieke activa of posten buiten de balanstelling waarbij geen kredietrisicovermindering in aanmerking wordt genomen.
**3.** Indien bij de berekening van het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling ingevolge artikel 61, of ingevolge een interne modellenmethode rekening is gehouden met kredietrisicovermindering, wordt kredietrisicovermindering ingevolge deze paragraaf niet nogmaals in aanmerking genomen.
### Paragraaf 10.4. Securitisatie
### Artikel 83
Een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste lid, of 3:61, eerste lid, van de wet berekent het bedrag van naar risico gewogen posten bij gesecuritiseerde activa en posten buiten de balanstelling en van naar risico gewogen securitisatieposities op de wijze, bepaald ingevolge deze paragraaf.
### Artikel 84
**1.**
Indien een aanzienlijk deel van het aan de gesecuritiseerde posten verbonden kredietrisico is overgedragen door een financiële onderneming als bedoeld in artikel 83 die initiator is, mag zij:
a. ingeval van een traditionele securitisatie de door haar gesecuritiseerde posten buiten beschouwing laten bij de berekening op grond van paragraaf 10.1 of 10.2 van het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling en, indien van toepassing, van de verwachte verliesposten;
b. ingeval van een synthetische securitisatie de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling en, indien van toepassing, de verwachte verliesposten voor de gesecuritiseerde posten in plaats van op grond van paragraaf 10.1 of 10.2 berekenen op grond van door de Nederlandsche Bank te stellen regels.
**2.** Indien het eerste lid van toepassing is, berekent de financiële onderneming het bedrag van de naar risico gewogen securitisatieposities op grond van artikel 85.
**3.** Indien het eerste lid niet van toepassing is, berekent de financiële onderneming het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling alsof er geen securitisatie heeft plaatsgevonden.
**4.** De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder de overdracht van het aan de securitisatieposities verbonden kredietrisico in aanmerking wordt genomen.
### Artikel 85
**1.** Het bedrag van een naar risico gewogen securitisatiepositie is gelijk aan de waarde van de securitisatiepositie vermenigvuldigd met een aan die securitisatiepositie toegekend risicogewicht. Elke tranche van een securitisatiepositie geldt daarbij als afzonderlijke securitisatiepositie.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van het derde tot en met vijfde lid, regels met betrekking tot het in aanmerking nemen van posten als securitisatieposities en de aan die securitisatieposities toe te kennen risicogewichten. Zij maakt daarbij onderscheid tussen gevallen waarin artikel 61 wordt toegepast voor de berekening van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling voor de categorie waarin de gesecuritiseerde posten op grond van artikel 61, vijfde lid, onderdeel a, zou zijn ingedeeld en alle overige gevallen.
**3.** Bij de toekenning van een risicogewicht aan een securitisatiepositie kan een financiële onderneming als bedoeld in artikel 83 een kredietbeoordeling van een door de Nederlandsche Bank of door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat ingevolge paragraaf 10.5 erkend kredietbeoordelingsbureau op een consistente wijze gebruiken. De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het gebruik van een kredietbeoordeling als bedoeld in de vorige volzin.
**4.**
De Nederlandsche Bank kent op een objectieve en consequente wijze een risicogewicht toe aan kredietbeoordelingen als bedoeld in het derde lid met inachtneming van het volgende:
a. zij onderscheidt de relatieve risicograden waaraan de kredietbeoordeling uitdrukking geeft;
b. zij zorgt ervoor dat aan securitisatieposities die een gelijkwaardig kredietrisico lopen op grond van kredietbeoordelingen hetzelfde risicogewicht wordt toegekend; in voorkomende gevallen past zij de toekenning van een risicogewicht op grond van kredietbeoordelingen aan een securitisatiepositie aan.
Artikel 61a, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 86
**1.** Indien op een securitisatie van revolverende vorderingen een vervroegde- aflossingsbepaling van toepassing is, berekent een financiële onderneming als bedoeld in artikel 83 die initiator is een aanvullende naar risico gewogen post.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de berekening van de aanvullende naar risico gewogen post.
**3.**
De Nederlandsche Bank kan, na overleg met de relevante toezichthoudende instanties in andere lidstaten, een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid toestaan de aanvullende naar risico gewogen post te berekenen op een wijze die niet wezenlijk afwijkt van de regels, bedoeld in het tweede lid, indien het een securitisatie betreft:
a. van vorderingen op particulieren of op kleine of middelgrote ondernemingen die niet zijn toegezegd en onvoorwaardelijk, zonder opzegtermijn, kunnen worden opgezegd; en
b. waarbij een kwantitatieve waarde, die losstaat van het driemaandsgemiddelde van de overgebleven rentemarge, aanleiding is voor de vervroegde aflossing.
**4.** De Nederlandsche Bank maakt openbaar welke opvattingen en bedenkingen bij het overleg, bedoeld in het derde lid, door de toezichthoudende instanties zijn geuit.
### Artikel 87
**1.** Indien artikel 84, eerste en tweede lid, van toepassing is op een financiële onderneming als bedoeld in artikel 83 of indien een financiële onderneming als bedoeld in artikel 83 die sponsor is steun verleent aan een securitisatie, overschrijdt zij niet de grenzen van haar contractuele verplichtingen teneinde de mogelijke of feitelijke verliezen van de beleggers te beperken.
**2.** Indien de financiële onderneming die initiator of sponsor is bij een securitisatie niet voldoet aan het eerste lid, dan houdt zij voor alle gesecuritiseerde posten evenveel toetsingsvermogen aan als noodzakelijk was geweest indien deze posten niet waren gesecuritiseerd.
**3.** De financiële onderneming maakt openbaar dat zij buiten de grenzen van haar contractuele verplichtingen steun heeft verleend en welke gevolgen dit heeft voor haar toetsingsvermogen.
### Paragraaf 10.5. Erkenning van kredietbeoordelingen van kredietbeoordelingsbureaus en exportkredietverzekeraars
### Artikel 88
**1.** De Nederlandsche Bank erkent, op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, een kredietbeoordelingsbureau indien het voldoet aan de criteria, bedoeld in de artikelen 81, tweede lid, en 97, tweede lid, en de bijlagen VI, deel 2 en IX, deel 3, punt 1, van de herziene richtlijn banken.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt een procedure vast voor de erkenning, bedoeld in het eerste lid, en maakt deze bekend.
**3.** Indien een kredietbeoordelingsbureau niet meer voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, kan de Nederlandsche Bank de erkenning intrekken.
**4.** Indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat een kredietbeoordelingsbureau heeft erkend, erkent de Nederlandsche Bank het kredietbeoordelingsbureau zonder toetsing.
**5.** De Nederlandsche Bank draagt zorg voor de inschrijving van een erkend kredietbeoordelingsbureau in het register, bedoeld in artikel 1:107, eerste lid, van de wet.
### Artikel 88a
De Nederlandsche Bank erkent, op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, de kredietbeoordelingen van een exportkredietverzekeraar, indien de kredietbeoordelingen voldoen aan de criteria opgenomen in bijlage VI, deel 1, punt 6, van de herziene richtlijn banken.
### Paragraaf 10.6. Samenstelling van het toetsingsvermogen en de solvabiliteitsmarge
### Artikel 89
**1.** Bij de berekening van het toetsingsvermogen, bedoeld in de artikelen 90 tot en met 94, of de aanwezige solvabiliteitsmarge, bedoeld in de artikelen 95 tot en met 98, wordt per afzonderlijke post rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen. De vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 91, tweede lid, onderdelen a tot en met j, of 95, tweede lid, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de desbetreffende financiële onderneming.
**2.**
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot:
a. het als toetsingsvermogen of aanwezige solvabiliteitsmarge in aanmerking nemen van innovatieve financiële instrumenten die gelijk te stellen zijn met de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 90 tot en met 98;
b. het als immateriële activa als bedoeld in de artikelen 91, derde lid, onderdeel c, en 95, derde lid, onderdeel e, in aanmerking nemen van activa.
### Artikel 90
**1.** Het toetsingsvermogen van een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste lid, of 3:61, eerste lid, van de wet wordt gevormd door de som van het overeenkomstig artikel 94, eerste lid, onderdelen a tot en met c, tweede, derde en vierde lid, in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend kapitaal.
**2.** In afwijking van het eerste lid kan de financiële onderneming ervoor kiezen dat haar toetsingsvermogen, uitsluitend ter dekking van de bedragen, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft de vereiste solvabiliteit ter dekking van de positierisicos en grote posities, en onderdeel c, en het vereiste, bedoeld in artikel 60, derde lid, wordt gevormd door de som van het overeenkomstig artikel 94, in aanmerking te nemen kernkapitaal, aanvullend kapitaal en overig kapitaal. De bestanddelen van dit toetsingsvermogen dienen niet tevens ter dekking van andere in artikel 60, eerste lid, bedoelde bedragen.
**3.** Het toetsingsvermogen van een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet wordt gevormd door de som van het overeenkomstig artikel 94, eerste lid, onderdelen a tot en met c, in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend kapitaal.
**4.** Het toetsingsvermogen van een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:58, eerste lid, van de wet wordt gevormd door de som van het overeenkomstig artikel 94, eerste lid, onderdelen a en b, tweede en derde lid, in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend hoger kapitaal.
### Artikel 91
**1.** Het kernkapitaal wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in het tweede lid, verminderd met de waarde van de posten, bedoeld in het derde lid.
**2.**
De voor de bepaling van het kernkapitaal in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen zijn:
a. voor een naamloze of besloten vennootschap: het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal, met uitsluiting van cumulatief preferente aandelen en van preferente aandelen met een vaste looptijd;
b. voor een vennootschap onder firma: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen van de beherende vennoten;
c. voor een commanditaire vennootschap: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen van de beherende vennoten alsmede het gestorte commanditaire kapitaal;
d. voor een coöperatie: het door de leden gestorte of ingelegde kapitaal;
e. voor een onderneming die een andere rechtsvorm heeft dan de hierboven genoemde: het voordelige verschil tussen bezittingen en schulden;
f. reserves, met uitsluiting van de herwaarderingsreserves;
g. tussentijdse en door een accountant beoordeelde positieve resultaten, verminderd met uit te keren dividenden en, in het geval de financiële onderneming een initiator van een securitisatie is, met uitsluiting van de nettowinsten die zijn ontstaan uit de kapitalisatie van toekomstige inkomsten uit de gesecuritiseerde activa en die als kredietverbetering voor de securitisatieposities dienen;
h. het fonds ter dekking van algemene bankrisicos;
i. het belang van derden, voor zover het vermogensbestanddelen als bedoeld in dit lid omvat;
j. de negatieve onderdelen van de herwaarderingsreserves, voor zover ontstaan door waardeveranderingen van beleggingen in niet-rentedragende waarden; en
k. tussentijdse negatieve resultaten.
**3.**
De voor de bepaling van het kernkapitaal in aanmerking te nemen posten zijn:
a. reserves, voor zover ontstaan door ongerealiseerde resultaten op de eigen kredietwaardigheid van de financiële onderneming;
b. de boekwaarde van de door de financiële onderneming uitgegeven effecten en van afgeleide financiële instrumenten op door de financiële onderneming uitgegeven effecten, voor zover het vermogensbestanddelen als bedoeld in het tweede lid omvat;
c. immateriële activa;
d. reserves, voor zover ontstaan door nog niet tot het resultaat gerekende waardeveranderingen van afdekkingstransacties; en
e. in geval van een financiële onderneming die artikel 90, tweede lid, toepast, of een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten, de volgende niet-liquide activa:
1°. materiële vaste activa andere dan terreinen en gebouwen die in aanmerking genomen kunnen worden tegenover de leningen waarvoor zij als zekerheid dienen;
2°. de posten, bedoeld in artikel 94, tweede lid, aanhef en onderdelen a tot en met e, waarbij het vijfde tot en met zevende lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing zijn;
3°. niet onmiddellijk verhandelbare deelnemingen en andere beleggingen in ondernemingen die geen financiële instellingen, herverzekeraars, kredietinstellingen of verzekeraars zijn;
4°. tekorten bij dochterondernemingen;
5°. depositos, uitgezonderd depositos die binnen negentig dagen opvraagbaar zijn of margebetalingen in verband met rechten op overdracht op termijn van goederen en optiecontracten;
6°. leningen en andere verschuldigde bedragen, die niet binnen negentig dagen hoeven worden afgelost; en
7°. fysieke voorraden.
### Artikel 92
**1.** Het aanvullend kapitaal wordt gevormd door het hoger aanvullend kapitaal en het lager aanvullend kapitaal.
**2.**
Het hoger aanvullend kapitaal wordt gevormd door de waarde van:
a. de herwaarderingsreserves, voor zover niet reeds verwerkt in artikel 91, tweede lid, onderdeel j, en voor zover niet ontstaan door nog niet tot het resultaat gerekende waardeveranderingen van afdekkingstransacties of door waardering van rentedragende waarden tegen de actuele waarde;
b. het gestorte deel op schuldtitels met onbepaalde looptijd en andere financieringsinstrumenten indien:
1°. aflossing slechts plaatsvindt indien de Nederlandsche Bank daartoe, op verzoek van de financiële onderneming, instemming verleent;
2°. de schuldovereenkomst bepaalt dat de financiële onderneming de rentebetaling over de schuld mag uitstellen;
3°. de documenten inzake de uitgifte van de schuldtitels bepalen dat schuld en niet betaalde rente kunnen worden gebruikt om verliezen op te vangen, terwijl de financiële onderneming haar werkzaamheden kan voorzetten; en
4°. de vorderingen van de crediteur volledig achtergesteld zijn bij die van alle niet-achtergestelde crediteuren;
c. cumulatief preferente aandelen met onbepaalde looptijd, voor zover deel uitmakend van het gestorte kapitaal;
d. het verschil, indien positief, van de som van de waardeaanpassingen en voorzieningen die samenhangen met de verwachte verliesposten in verband met de activa en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met d, en de som van die verwachte verliesposten berekend ingevolge artikel 75, eerste lid, onderdelen a en c, indien de financiële onderneming paragraaf 10.2 toepast en dit verschil in aanmerking genomen wordt tot ten hoogste 0,6 procent van het totaal van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling, met dien verstande dat bij de berekening van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling niet de securitisatieposities waaraan een risicogewicht van 1250 procent is toegekend in aanmerking worden genomen; de waardeaanpassingen en voorzieningen worden slechts op grond van dit onderdeel als toetsingsvermogen van de financiële onderneming in aanmerking genomen; en
e. het belang van derden, voor zover het vermogensbestanddelen als bedoeld in dit lid omvat.
**3.**
Het lager aanvullend kapitaal wordt gevormd door de waarde van:
a. aansprakelijkheidsverplichtingen van leden, indien het een coöperatie betreft, te weten het niet gestorte kapitaal en statutaire verplichtingen van die leden tot het doen van aanvullende niet-aflosbare stortingen bij verlies, indien die stortingen in dat geval onmiddellijk gevorderd kunnen worden;
b. preferente en cumulatief preferente aandelen met een vaste looptijd, voor zover deel uitmakend van het gestorte kapitaal;
c. het gestorte deel op langlopende achtergestelde leningen indien:
1°. de vorderingen van de crediteur, voor zover het de terugbetaling van het leningbedrag betreft, volledig achtergesteld zijn bij die van alle andere crediteuren;
2°. de achtergestelde lening een vaste looptijd van oorspronkelijk ten minste vijf jaar of, indien de looptijd onbepaald is, een opzeggingstermijn van ten minste vijf jaar heeft;
3°. vervroegde aflossing slechts plaatsvindt indien de Nederlandsche Bank daartoe, op verzoek van de financiële onderneming, besluit;
4°. de hoogte tot welke de achtergestelde lening in aanmerking kan worden genomen als lager aanvullend kapitaal lineair wordt verlaagd gedurende ten minste de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de aflossing; en
5°. de leningovereenkomst geen bepaling bevat op grond waarvan de achtergestelde lening voor het einde van de looptijd, anders dan bij liquidatie, moet worden afgelost; en
d. het belang van derden, voor zover het vermogensbestanddelen als bedoeld in dit lid omvat.
### Artikel 93
Het overig kapitaal wordt gevormd door de waarde van het gestorte deel op kortlopende achtergestelde leningen indien:
a. de achtergestelde lening een looptijd heeft van oorspronkelijk ten minste twee jaar;
b. de leningovereenkomst geen bepaling bevat op grond waarvan de achtergestelde lening voor het einde van de looptijd, anders dan bij liquidatie, moet worden afgelost, tenzij de Nederlandsche Bank daartoe, op verzoek van de financiële onderneming, besluit; en
c. op de achtergestelde lening, indien het toetsingsvermogen minder dan 120 procent bedraagt van de minimumomvang van het toetsingsvermogen, bedoeld in artikel 60, niet wordt afgelost, tenzij de financiële onderneming hiervan kennis geeft aan de Nederlandsche Bank.
### Artikel 94
**1.**
Voor de toepassing van de artikelen 90 tot en met 93:
a. wordt het kernkapitaal volledig voor de berekening van het toetsingsvermogen in aanmerking genomen;
b. wordt het aanvullend kapitaal voor de berekening van het toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen voor zover het niet meer bedraagt dan het kernkapitaal;
c. wordt het lager aanvullend kapitaal voor de berekening van het toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen voor zover het niet meer bedraagt dan vijftig procent van het kernkapitaal;
d. wordt het overig kapitaal voor de berekening van het toetsingsvermogen in aanmerking genomen voor zover het niet meer bedraagt dan tweehonderdvijftig procent van het kernkapitaal dat in aanmerking komt ter dekking van deze bedragen en dat vereiste;
e. wordt het aanvullend kapitaal, vermeerderd met het overig kapitaal, voor de berekening van het toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen voor zover het niet meer bedraagt dan het kernkapitaal; en
f. mag, indien wordt voldaan aan de onderdelen b, c en e, voor de berekening van het toetsingsvermogen het overig kapitaal worden gesubstitueerd door aanvullend kapitaal.
**2.**
Het ingevolge het eerste lid als toetsingsvermogen in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend kapitaal van een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 90, eerste lid, of elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 90, vierde lid, worden beide verminderd met de helft van de som van de waarde van:
a. aandelen die een belang van meer dan tien procent vertegenwoordigen van het geplaatste aandelenkapitaal van een financiële instelling of kredietinstelling;
b. indien de bank, clearinginstelling of elektronischgeldinstelling een belang als bedoeld in onderdeel a aanhoudt, de achtergestelde leningen en de posten, bedoeld in artikel 92, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdelen b en c, die tot het toetsingsvermogen van de financiële instelling of kredietinstelling gerekend worden;
c. aandelen die een belang van tien procent of minder vertegenwoordigen van het geplaatste aandelenkapitaal van een financiële instelling of kredietinstelling, achtergestelde leningen en posten, bedoeld in artikel 92, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdelen b en c, die tot het toetsingsvermogen van andere dan de in onderdeel b bedoelde financiële instellingen of kredietinstellingen gerekend worden, voor zover de waarde tien procent van het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen van de bank, clearinginstelling of elektronischgeldinstelling zonder toepassing van dit lid overstijgt, en indien de genoemde posten deel uitmaken van de handelsportefeuille van de bank, clearinginstelling of elektronischgeldinstelling voor zover de waarde per individuele financiële instelling of kredietinstelling tien procent van het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen van de bank, clearinginstelling of elektronischgeldinstelling zonder toepassing van dit lid overstijgt;
d. deelnemingen als bedoeld in artikel 3:268, eerste lid, onderdeel b, van de wet in een herverzekeraar of verzekeraar;
e. indien de bank, clearinginstelling of elektronischgeldinstelling een deelneming als bedoeld in onderdeel d aanhoudt, de posten, bedoeld in artikel 96, die tot de solvabiliteitsmarge van de herverzekeraar of verzekeraar worden gerekend;
f. indien de financiële onderneming voor de berekening van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling ingevolge paragraaf 10.2 een interne modellenmethode toepast:
1°. het verschil, indien negatief, van de som van de waardeaanpassingen en voorzieningen die samenhangen met de verwachte verliesposten in verband met de activa en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met d, en de som van die verwachte verliesposten, berekend ingevolge artikel 75, eerste lid, onderdelen a en c;
2°. de verwachte verliesposten in verband met posities in aandelen, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, berekend ingevolge artikel 75, eerste lid, onderdeel a of b; en
g. de vorderingen bij securitisatieposities waaraan ingevolge artikel 85, tweede lid, een risicogewicht van 1250 procent wordt toegekend, voor zover deze niet in aanmerking zijn genomen in de berekening van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 85.
**3.** In afwijking van het tweede lid worden het als toetsingsvermogen in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend kapitaal van de financiële onderneming die artikel 90, tweede lid, toepast, verminderd met de helft van de som van de waarde van de posten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen f en g.
**4.** Indien de helft van de som van de waarde van de bestanddelen, bedoeld in het tweede lid, meer bedraagt dan het als toetsingsvermogen in aanmerking te nemen aanvullend kapitaal, wordt het verschil in mindering gebracht op het als toetsingsvermogen in aanmerking te nemen kernkapitaal.
**5.** De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat de financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, aanhef, al dan niet voor bepaalde tijd, haar als toetsingsvermogen in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend kapitaal niet hoeft te verminderen met de waarde van de in het tweede lid bedoelde posten indien het belang in de financiële instelling, herverzekeraar, kredietinstelling, verzekeraar of verzekeringsholding, of de door deze financiële ondernemingen uitgegeven achtergestelde leningen of overige posten tijdelijk worden gehouden met het oog op een financiële bijstandsoperatie, bedoeld om die financiële onderneming te saneren of te redden.
**6.** De financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, aanhef, kan, in plaats van de vermindering met de waarde van de posten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen d en e, de methodes 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage B van het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft op overeenkomstige wijze toepassen, met dien verstande dat methode 1 uitsluitend kan worden toegepast indien de Nederlandsche Bank, op verzoek, heeft besloten dat haar dat is toegestaan. De Nederlandsche Bank besluit hiertoe indien het geïntegreerd beheer en de interne controle van de in de consolidatie te betrekken ondernemingen voldoende zijn.
**7.** Indien op de financiële onderneming, bedoeld in de aanhef van het tweede lid, toezicht op geconsolideerde basis ingevolge afdeling 3.6.2 van de wet of prudentieel toezicht op financiële conglomeraten ingevolge afdeling 3.6.4 van de wet wordt gehouden, hoeft zij haar als toetsingsvermogen in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend kapitaal niet te verminderen met de waarde van de in het tweede lid bedoelde posten die worden gehouden in een financiële instelling, herverzekeraar, kredietinstelling, verzekeraar of verzekeringsholding die in dat geconsolideerde toezicht of prudentieel toezicht op financiële conglomeraten wordt betrokken.
**8.** De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, in uitzonderlijke omstandigheden besluiten dat het een financiële onderneming toegestaan is voor bepaalde tijd een der limieten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met e, te overschrijden.
### Artikel 95
**1.** De aanwezige solvabiliteitsmarge van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste of tweede lid, of 3:61, eerste of tweede lid, van de wet wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in het tweede lid, verminderd met de waarde van de posten, bedoeld in het derde lid.
**2.**
De vermogensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, zijn:
a. het gestorte aandelenkapitaal of waarborgkapitaal, indien van toepassing vermeerderd met de ledenrekeningen indien:
1°. de ledenrekeningen statutair een achtergesteld karakter hebben;
2°. de statuten bepalen dat vanaf de ledenrekeningen slechts betalingen aan de leden plaatsvinden indien daardoor de solvabiliteitsmarge niet daalt beneden het minimumbedrag, dan wel indien bij liquidatie van de verzekeraar alle andere schulden zijn voldaan;
3°. de statuten bepalen dat elke betaling vanaf de ledenrekeningen voor andere doeleinden dan voor de individuele opzegging van het lidmaatschap niet eerder plaatsvindt dan dertig dagen na kennisgeving ervan aan de Nederlandsche Bank; de Nederlandsche Bank kan besluiten dat een voorgenomen betaling niet mag plaatsvinden; en
4°. de statutaire bepalingen met betrekking tot de ledenrekeningen slechts kunnen worden gewijzigd indien de Nederlandsche Bank daartoe, op verzoek, besluit;
b. de reserves, waaronder de herwaarderingsreserves voor zover deze niet zijn ontstaan door nog niet tot het resultaat gerekende waardeveranderingen van afdekkingstransacties;
c. de onverdeelde winst, verminderd met uit te keren dividenden; en
d. het negatieve verschil tussen de uitkomst van de netto-vermogensmutatiemethode en de uitkomst van de vermogensmutatiemethode of de kostprijs van belangen in dochtermaatschappijen, in deelnemingen in maatschappijen waarin de verzekeraar invloed van betekenis uitoefent op het zakelijke en financiële beleid en in rechtspersonen waarin wordt deelgenomen volgens een onderlinge regeling tot samenwerking.
**3.**
De posten, bedoeld in het eerste lid, zijn:
a. de reserves, voor zover ontstaan door ongerealiseerde resultaten op de eigen kredietwaardigheid van de verzekeraar;
b. de egalisatiereserve voor de branche Krediet, bedoeld in artikel 114, tweede lid;
c. het onverdeelde verlies;
d. de boekwaarde van de door de verzekeraar uitgegeven effecten en van afgeleide financiële instrumenten op door de verzekeraar uitgegeven effecten, voor zover het vermogensbestanddelen als bedoeld in het tweede lid omvat;
e. immateriële activa;
f. deelnemingen als bedoeld in artikel 3:268, eerste lid, onderdeel b, van de wet in een beleggingsonderneming, financiële instelling, herverzekeraar, kredietinstelling, verzekeraar of verzekeringsholding als bedoeld in artikel 3:268, eerste lid, onderdeel j, van de wet; en
g. indien de verzekeraar een deelneming als bedoeld in onderdeel f aanhoudt: de posten, bedoeld in de artikelen 92, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdelen b en c, en 96, die tot de solvabiliteitsmarge dan wel het toetsingsvermogen van de financiële onderneming, bedoeld in onderdeel f, worden gerekend.
**4.** De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid, al dan niet voor bepaalde tijd, zijn aanwezige solvabiliteitsmarge niet hoeft te verminderen met de waarde van de posten, bedoeld in het derde lid, onderdelen f en g, indien deze posten tijdelijk worden gehouden met het oog op een financiële bijstandsoperatie, bedoeld om de financiële onderneming, bedoeld in het derde lid, onderdeel f, te saneren of te redden.
**5.** Een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid kan, in plaats van de vermindering met de waarde van de posten, bedoeld in het derde lid, onderdelen f en g, de methodes 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage A of B, van het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft op overeenkomstige wijze toepassen, met dien verstande dat methode 1 uitsluitend kan worden toegepast indien de Nederlandsche Bank, op verzoek, heeft besloten dat hem dat is toegestaan. De Nederlandsche Bank besluit hiertoe indien het geïntegreerd beheer en de interne controle van de in de consolidatie te betrekken ondernemingen voldoende zijn.
### Artikel 96
De aanwezige solvabiliteitsmarge, bedoeld in artikel 95, eerste lid, wordt tevens gevormd door de waarde van:
a. cumulatief preferente aandelen;
b. het gestorte deel op achtergestelde leningen indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 92, derde lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 5°, en de leningovereenkomst slechts gewijzigd kan worden indien de Nederlandsche Bank daartoe, op verzoek, besluit; en
c. het gestorte deel op schuldtitels met onbepaalde looptijd en andere financieringsinstrumenten indien aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 92, tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, is voldaan.
### Artikel 97
**1.**
De Nederlandsche Bank kan er, op verzoek, mee instemmen dat de verzekeraar bij de berekening van de aanwezige solvabiliteitsmarge, bedoeld in artikel 95, eerste lid, tevens de waarde betrekt van:
a. meerwaarden in verband met de onderwaardering van activa of overwaardering van de technische voorzieningen ingevolge artikel 121, vierde lid, of, in geval van een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar, meerwaarden op grond van winstverwachtingen;
b. suppletiebijdragen die een onderlinge waarborgmaatschappij die het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar uitoefent, tijdens het boekjaar krachtens de statuten van haar leden kan eisen tot maximaal vijftig procent van het verschil tussen de maximumbijdragen en de werkelijk gevorderde bedragen; of
c. de helft van het geplaatste, niet-gestorte kapitaal of van het in aandelen verdeeld waarborgkapitaal indien van het geplaatste kapitaal minimaal 25 procent is gestort.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder de suppletiebijdragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bij de berekening kunnen worden betrokken.
### Artikel 98
**1.**
Voor de toepassing van de artikelen 95 tot en met 97 ten aanzien van levensverzekeraars en schadeverzekeraars:
a. wordt de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 95, tweede lid, verminderd met de waarde van de posten, bedoeld in artikel 95, derde lid, volledig voor de berekening van de aanwezige solvabiliteitsmarge in aanmerking genomen;
b. wordt de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 96 en 97, voor zover het niet betreft de meerwaarden in verband met de onderwaardering van activa of overwaardering van de technische voorzieningen ingevolge artikel 121, vierde lid, voor de berekening van de aanwezige solvabiliteitsmarge gezamenlijk slechts in aanmerking genomen voor zover deze niet meer bedraagt dan vijftig procent van het totaal van de aanwezige solvabiliteitsmarge of het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, naar gelang welk bedrag het laagst is; en
c. wordt de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 96, onderdelen a en b, met een vaste looptijd en, in geval van een levensverzekeraar, maximaal vijftig procent van de waarde van de meerwaarden op grond van winstverwachtingen, bedoeld in artikel 97, eerste lid, onderdeel a, voor de berekening van de aanwezige solvabiliteitsmarge gezamenlijk slechts in aanmerking genomen voor zover deze niet meer bedragen dan 25 procent van het totaal van de aanwezige solvabiliteitsmarge of het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, naar gelang welk bedrag het laagst is.
**2.**
Voor de toepassing van de artikelen 95 tot en met 97 ten aanzien van natura-uitvaartverzekeraars:
a. wordt de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 95, tweede lid, verminderd met de waarde van de posten, bedoeld in artikel 95, derde lid, volledig voor de berekening van de aanwezige solvabiliteitsmarge in aanmerking genomen;
b. wordt de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 96 en 97, eerste lid, onderdeel b, voor de berekening van de aanwezige solvabiliteitsmarge gezamenlijk slechts in aanmerking genomen voor zover deze niet meer bedraagt dan vijftig procent van het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge; en
c. wordt de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 96, onderdelen a en b, met een vaste looptijd voor de berekening van de aanwezige solvabiliteitsmarge gezamenlijk slechts in aanmerking genomen voor zover deze niet meer bedraagt dan 25 procent van het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge.
**3.** Voor de berekening van de aanwezige solvabiliteitsmarge van een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar wordt niet meegerekend het positieve verschil tussen de gedisconteerde technische voorzieningen die niet worden gedekt door rentedragende beleggingen met dezelfde looptijd, berekend met een voorzichtige vaste disconteringsvoet en met de disconteringsvoet die is gebruikt voor de toets, bedoeld in artikel 121, tweede lid, tenzij hiermee reeds rekening gehouden is in de balanswaardering van de technische voorzieningen. De Nederlandsche Bank stelt de voorzichtige vaste disconteringsvoet vast.
**4.** Voor de berekening van de aanwezige solvabiliteitsmarge van een schadeverzekeraar, die overeenkomstig artikel 121, tweede lid, de toets naar de toereikendheid van de balanswaarde van de voorzieningen uitvoert, wordt niet meegerekend het positieve verschil tussen de uitkomst van de toets zonder discontering en de balanswaarde van de technische voorzieningen, bedoeld in artikel 121, vierde lid, voor alle verplichtingen die geen verband houden met de branches Ongevallen en Ziekte en die niet resulteren in periodieke uitkeringen. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de in de toets naar de toereikendheid van de balanswaarde van de voorzieningen betrokken verplichtingen die verband houden met de branches Ongevallen en Ziekte of die resulteren in periodieke uitkeringen.
### Artikel 99
**1.** De artikelen 89, 96, 96, 97, eerste lid, voor zover dit lid niet de meerwaarden op grond van winstverwachtingen betreft, en 98, eerste, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het garantiefonds van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:58, eerste of tweede lid, van de wet.
**2.** De artikelen 89, 95 tot en met 97 en 98, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het garantiefonds van een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:61, eerste of tweede lid, van de wet.
### Artikel 100
**1.** De artikelen 89, 95 tot en met 97, 98, eerste, derde en vierde lid, en 99, zijn van overeenkomstige toepassing op bijkantoren als bedoeld in artikel 3:59, eerste lid, van de wet.
**2.** De artikelen 89, 95 tot en met 97, 98, tweede en derde lid, en 99, zijn van overeenkomstige toepassing op bijkantoren als bedoeld in artikel 3:62, eerste lid, van de wet.
### Paragraaf 10.7. De waarden die dienen tot dekking van het garantiefonds en het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge
### Artikel 101
**1.** De waarden die dienen tot dekking van het garantiefonds van een bijkantoor als bedoeld in artikel 3:59, eerste lid, of 3:62, eerste lid, van de wet zijn aanwezig in Nederland.
**2.** De waarden die dienen tot dekking van het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van een bijkantoor als bedoeld in het eerste lid zijn aanwezig in één of meer lidstaten.
### Paragraaf 10.8. Aanhouden van balansposten en posten buiten de balanstelling
### Artikel 102
**1.** De waarde van de grote posities van een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:57, zevende lid, of 3:58, eerste lid, van de wet of van een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, zevende lid, of 3:61, eerste lid, van de wet, met inbegrip van de waarde van de grote posities van haar bijkantoren in een staat die geen lidstaat is, bedraagt ten aanzien van een wederpartij of groep van verbonden wederpartijen niet meer dan 25 procent van haar toetsingsvermogen.
**2.** De totale waarde van de grote posities van een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid bedraagt niet meer dan achthonderd procent van haar toetsingsvermogen.
**3.** Voor de toepassing van dit artikel is de waarde van een actief gelijk aan de balanswaarde en is de waarde van een post buiten de balanstelling gelijk aan de actuele waarde. De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot de waardering van activa en posten buiten de balanstelling voor de toepassing van dit artikel, het geheel of gedeeltelijk niet in aanmerking nemen van bepaalde activa of posten buiten de balanstelling voor de toepassing van dit artikel en het toepassen van risicogewichten op bepaalde activa en posten buiten de balanstelling.
**4.** De financiële onderneming geeft de Nederlandsche Bank onverwijld kennis van een overschrijding van een limiet als bedoeld in het eerste of tweede lid. De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat het een financiële onderneming voor een beperkte duur is toegestaan een limiet te overschrijden. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder zij een overschrijding toestaat. Zij kan daarbij bepalen dat de eerste volzin van dit lid niet van toepassing is.
### Artikel 103
**1.** De waarde van de onroerende zaken, bedrijfsmiddelen, deelnemingen in ondernemingen die geen financiële ondernemingen zijn, en kredieten aan ondernemingen die geen financiële ondernemingen zijn, indien daarin deelnemingen worden gehouden, verminderd met de waarde van eventueel gestelde zekerheden, van een bank als bedoeld in artikel 3:57, zevende lid, of 3:58, eerste lid, van de wet of van een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, zevende lid, of 3:61, eerste lid, van de wet bedraagt niet meer dan haar toetsingsvermogen, verminderd met het overig kapitaal, bedoeld in artikel 93.
**2.** Onverminderd het eerste lid, bedraagt de waarde van onroerende zaken van een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid, anders dan voor eigen gebruik, niet meer dan 25 procent van haar toetsingsvermogen.
**3.**
Voor de toepassing van het tweede lid kan een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid:
a. een onroerende zaak die zij volgens een huurcontract heeft verhuurd, waarderen tegen de actuele waarde, verminderd met de contante waarde van de overeengekomen huurtermijnen of leasetermijnen tijdens de duur van het contract op basis van de contractrente;
b. een onroerende zaak die zij heeft verhuurd voor een periode van twee jaar of langer, waarderen tegen de actuele waarde, verminderd met de contante waarde van de huurtermijnen en de waarde van de eventueel gestelde zekerheden. Als waarde van de zekerheden wordt aangemerkt de waarde, berekend naar de in het bankwezen gebruikelijke maatstaven, uitgezonderd de hypothecaire dekking, die hier op de executiewaarde van het hypothecair verbondene wordt gesteld.
**4.** De berekening van de waarde van de activa, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt met uitzondering van de waarde van onroerende zaken in ontwikkeling zijn voor rekening en risico van derden, of van onroerende zaken die zijn verkocht, waarbij de obligatoire overeenkomst tot verkoop nog niet is voltooid.
### Artikel 104
**1.** Een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten, instelling voor collectieve belegging in effecten die een beleggingsmaatschappij is, of bewaarder die is verbonden aan een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 3:57, zevende lid, van de wet verstrekt geen kredieten voor rekening van derden, stelt zich niet garant en gaat geen borgtochtverplichtingen aan.
**2.** Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid verkoopt geen financiële instrumenten die de instelling voor collectieve belegging in effecten niet in eigendom heeft.
@ -1928,248 +1678,21 @@ a. kortlopende leningen die gezamenlijk niet meer bedragen dan tien procent van
b. leningen voor het verwerven van onroerende zaken die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de werkzaamheden van de beleggingsmaatschappij en die gezamenlijk niet meer bedragen dan tien procent van haar activa, voor zover de omvang van deze geldleningen tezamen met de omvang van de in onderdeel a genoemde leningen niet meer bedraagt dan vijftien procent van haar activa; of
c. leningen met als doel de verwerving van vreemde valuta waardoor de netto schuld van de instelling voor collectieve belegging in effecten niet verandert of zal veranderen.
### Artikel 74
Vervallen
### Artikel 75
Vervallen
### Artikel 76
Vervallen
### Artikel 77
Vervallen
### Artikel 78
Vervallen
### Artikel 79
Vervallen
### Artikel 80
Vervallen
### Artikel 81
Vervallen
### Artikel 82
Vervallen
### Artikel 83
Vervallen
### Artikel 84
Vervallen
### Artikel 85
Vervallen
### Artikel 86
Vervallen
### Artikel 87
Vervallen
### Artikel 87a
Vervallen
### Artikel 87b
Vervallen
### Artikel 88
Vervallen
### Artikel 88a
Vervallen
### Artikel 89
Vervallen
### Artikel 90
Vervallen
### Artikel 91
Vervallen
### Artikel 91a
Vervallen
### Artikel 92
Vervallen
### Artikel 93
Vervallen
### Artikel 94
Vervallen
### Artikel 95
Vervallen
### Artikel 96
Vervallen
### Artikel 97
Vervallen
### Artikel 98
Vervallen
### Artikel 99
Vervallen
### Artikel 100
Vervallen
### Artikel 101
Vervallen
### Artikel 102
Vervallen
### Artikel 103
Vervallen
### Artikel 104
Vervallen
## Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer en hefboomratiobuffer
### Paragraaf 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer
### Artikel 105
**1.**
De vereiste omvang van de kapitaalbuffer, bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, van de wet, bedraagt de som van de omvang van de volgende componenten, voor zover van toepassing:
Een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:57, zevende lid, of 3:58, eerste lid, van de wet houdt, ter dekking van haar financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, uitsluitend de volgende activa aan, gewaardeerd tegen de historische kostprijs of de actuele waarde, naar gelang welke het laagst is:
a. een kapitaalconserveringsbuffer als bedoeld in artikel 128, onderdeel 1, van de richtlijn kapitaalvereisten, zijnde de minimaal vereiste omvang van de kapitaalbuffer;
b. een contracyclische kapitaalbuffer als bedoeld in artikel 128, onderdeel 2, van de richtlijn kapitaalvereisten, in verband met risicos die voortvloeien uit de kredietcyclus, als bedoeld in artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
c. een systeemrelevantiebuffer bestaande uit een MSI-buffer als bedoeld in artikel 128, onderdeel 3, of een ASI-buffer als bedoeld in artikel 128, onderdeel 4, van de richtlijn kapitaalvereisten, in verband met het risico dat de financiële onderneming vormt voor de stabiliteit van het financiële stelsel, als bedoeld in artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel b, van de wet;
d. een systeemrisicobuffer als bedoeld in artikel 128, onderdeel 5, van de richtlijn kapitaalvereisten, in verband met risicos die voortvloeien uit macroprudentiële of systeemrisicos als bedoeld in artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en niet afdoende worden gedekt door de contracyclische kapitaalbuffer of systeemrelevantiebuffer.
a. activa die voldoende liquide zijn, waaraan ingevolge artikel 61, derde lid, onderdeel a, een risicogewicht van nul procent is toegekend;
b. onmiddellijk opvraagbare depositos bij een bank met zetel in Nederland, in een andere lidstaat, of in een ingevolge artikel 3:2, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet aangewezen staat; en
c. overige voldoende liquide schuldinstrumenten als bedoeld in artikel 113, eerste lid, die niet zijn uitgegeven door een persoon met welke de elektronischgeldinstelling in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur is verbonden, indien de Nederlandsche Bank daartoe, op verzoek, heeft besloten.
**2.** De omvang van de in het eerste lid bedoelde buffercomponenten wordt uitgedrukt in een percentage van het overeenkomstig artikel 92, derde lid, van de verordening kapitaalvereisten berekende totaal van risicoposten.
**2.** Indien de financiële verplichtingen van de elektronischgeldinstelling die met uitstaand elektronisch geld verband houden niet volledig worden gedekt door de activa, bedoeld in het eerste lid, kan de Nederlandsche Bank, op verzoek, besluiten dat de elektronischgeldinstelling deze verplichtingen voor een beperkte duur door andere activa dekt. De waarde van deze andere activa bedraagt niet meer dan vijf procent van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden of haar toetsingsvermogen, naargelang welk bedrag het laagst is.
**3.** Indien op een onderneming een systeemrelevantiebuffer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, of een systeemrisicobuffer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, van toepassing is, wordt de totale toepasselijke omvang van die buffercomponenten bepaald op de wijze, genoemd in artikel 131, veertiende en vijftiende lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
**3.** Artikel 102, eerste tot en met derde lid en vierde lid, eerste, tweede en vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing op de activa, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, met dien verstande dat de totale waarde van deze activa niet meer bedraagt dan twintig maal het toetsingsvermogen van de elektronischgeldinstelling, en dat artikel 102, eerste lid, niet van toepassing is op een elektronischgeldinstelling waarvan de financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, minder dan € 50 miljoen bedragen. Een elektronischgeldinstelling gaat geen risicos aan ten aanzien van personen die formeel of feitelijk zeggenschap over haar hebben.
### Artikel 105a
De kapitaalconserveringsbuffer, bedoeld in artikel 105, eerste lid, onderdeel a, bedraagt tweeënhalf procent.
### Artikel 105b
**1.** De contracyclische kapitaalbuffer, bedoeld in artikel 105, eerste lid, onderdeel b, is gelijk aan het overeenkomstig artikel 140 van de richtlijn kapitaalvereisten berekende gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages, bedoeld in artikel 128, onderdeel 7, van de richtlijn kapitaalvereisten, die de betrokken bank of beleggingsonderneming dient toe te passen voor elke staat waar de relevante kredietblootstellingen van de onderneming gelegen zijn.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt elk kwartaal het contracyclische bufferpercentage vast voor in Nederland gelegen kredietblootstellingen, met inachtneming van artikel 136, tweede tot en met zesde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
**3.** Ten aanzien van kredietblootstellingen, gelegen in een andere lidstaat of een staat die geen lidstaat is, past de bank of beleggingsonderneming het contracyclische bufferpercentage toe dat door de ingevolge artikel 136, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten aangewezen autoriteit van de betrokken lidstaat of staat is vastgesteld. Indien in plaats of in afwijking daarvan door de Nederlandsche Bank een percentage is vastgesteld overeenkomstig artikel 139, tweede of derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten of dat voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 137, eerste lid, en 140, tweede en derde lid van de richtlijn, past de bank of beleggingsonderneming dat percentage toe.
**4.** De Nederlandsche Bank maakt de door een bank of beleggingsonderneming ingevolge het tweede en derde lid toe te passen contracyclische bufferpercentages bekend door publicatie op haar website, met inachtneming van de artikelen 136, zevende lid, 137, tweede lid, en 139, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
### Artikel 105c
**1.** De Nederlandsche Bank beoordeelt met inachtneming van artikel 131 van de richtlijn kapitaalvereisten of banken en beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, van de wet, alsmede groepen onder leiding van een Nederlandse EU-moederbank, Nederlandse EU-moederbeleggingsonderneming, Nederlandse financiële EU-moederholdings, Nederlandse gemengde financiële EU-moederholdings, Nederlandse financiële moederholdings en Nederlandse gemengde financiële moederholdings mondiaal systeemrelevant of anderszins systeemrelevant zijn.
**2.**
De beoordeling ingevolge het eerste lid van de anderszins systeemrelevantie geschiedt in ieder geval aan de hand van de volgende criteria:
a. de omvang van de onderneming;
b. de verwevenheid van de activiteiten, de activa, de passiva of de zeggenschap van de onderneming met andere financiële ondernemingen of andere partijen die hoofdzakelijk actief zijn op de financiële markten;
c. de mate van vervangbaarheid van de dienstverlening van de onderneming;
d. de belemmeringen die bestaan ten aanzien van de afwikkelbaarheid van de onderneming;
e. de mate waarin een gedraging van de onderneming of van een derde ten aanzien van de onderneming op de financiële markten kan leiden tot gedragingen van andere partijen die actief zijn op de financiële markten;
f. de complexiteit van de onderneming, met inbegrip van complexiteit in verband met grensoverschrijdende activiteiten.
**3.** De Nederlandsche Bank stelt voor de banken, beleggingsondernemingen en groepen die op grond van het eerste lid als mondiaal systeemrelevant danwel anderszins systeemrelevant zijn aangemerkt de vereiste omvang van de MSI-buffer danwel ASI-buffer vast met inachtneming van artikel 131 van de richtlijn kapitaalvereisten. Indien de Nederlandsche Bank een groep onder leiding van een Nederlandse financiële EU-moederholding, Nederlandse gemengde financiële EU-moederholding, Nederlandse financiële moederholding of Nederlandse gemengde financiële moederholding als systeemrelevant heeft aangemerkt, is de systeemrelevantiebuffer van toepassing op de banken en beleggingsondernemingen die dochteronderneming van die holding zijn, op basis van de geconsolideerde financiële positie van de holding.
**4.** De Nederlandsche Bank voert de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, ten minste jaarlijks uit. Onze Minister kan de Nederlandsche Bank op ieder moment verzoeken een beoordeling uit te voeren.
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde criteria. Tevens kunnen bij ministeriële regeling aanvullende criteria worden vastgesteld in verband met de stabiliteit van het financiële stelsel.
**6.** De Nederlandsche Bank stelt ten minste dertig dagen voordat zij een besluit tot vaststelling van een MSI-buffer of ASI-buffer als bedoeld in het derde lid neemt, Onze Minister op de hoogte van haar voornemen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het voornemen tot wijziging of intrekking van een zodanig besluit. De verplichting tot kennisgeving aan Onze Minister is niet van toepassing indien de Europese Centrale Bank de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, uitoefent.
### Artikel 105d
Vervallen
### Artikel 105e
De Nederlandsche Bank kan met inachtneming van de artikelen 133 en 134 van de richtlijn kapitaalvereisten regels stellen ten aanzien van de systeemrisicobuffer, bedoeld in artikel 105, eerste lid, onderdeel d.
### Artikel 105f
**1.** De vereiste omvang van de kapitaalbuffer, bedoeld in artikel 105, wordt gedekt door tier 1-kernkapitaal als bedoeld in artikel 50 van de verordening kapitaalvereisten.
**2.** Het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden ter dekking van de kapitaalbuffer dient niet tevens ter dekking van de minimumomvang van het toetsingsvermogen ingevolge artikel 59, derde lid.
**3.** Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, van de wet, beschikt over voldoende kapitaal dat naar aard, omvang en samenstelling noodzakelijk is om zowel te voldoen aan de kapitaalbuffer, als aan elk van de in artikel 92, eerste lid, onderdeel a tot en met c, van de verordening kapitaalvereisten genoemde kapitaalratios en aan de hogere eisen van solvabiliteit opgelegd op grond van artikel 3:111a, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ter ondervanging van andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking.
**4.** Het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden ter dekking van de kapitaalbuffer dient niet tevens ter dekking van de in artikel 92, eerste lid, onderdeel a tot en met c, van de verordening kapitaalvereisten genoemde kapitaalratios of de hogere eisen van solvabiliteit en liquiditeit opgelegd op basis van 3:111a, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ter ondervanging van andere risicos dan het risico van buitensporige hefboomwerking, of ter dekking van de door de Nederlandsche Bank op grond van artikel 3:111aa, eerste lid, van de wet, medegedeelde richtsnoeren voor het ondervangen van andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking.
**5.** Het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden ter dekking van een van de componenten van de kapitaalbuffer dient niet tevens ter dekking van een van de andere componenten van de kapitaalbuffer.
**6.** Het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden ter dekking van de kapitaalbuffer dient niet tevens ter dekking van de risicogebaseerde onderdelen van de vereisten uit de artikelen 92 bis en 92 ter van de verordening kapitaalvereisten en de artikelen 45 quater en 45 quinquies van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
### Paragraaf 10a.2. Overige bepalingen inzake de kapitaalbuffer en hefboomratiobuffer
### Artikel 105g
**1.** Onverminderd artikel 77 van de verordening kapitaalvereisten kan een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:62b, tweede lid, of artikel 3:62ba, tweede lid, van de wet, in afwijking van die artikelen de bedoelde uitkeringen, toekenningen of betalingen doen, ter grootte van ten hoogste het maximaal uitkeerbare bedrag, berekend overeenkomstig artikel 141, vierde lid, respectievelijk artikel 141 ter, vierde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten. Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing.
**2.** Van het voornemen tot het doen van een uitkering, toekenning of betaling als bedoeld in het eerste lid geeft de bank of beleggingsonderneming kennis aan de Nederlandsche Bank, onder overlegging van de gegevens, bedoeld in artikel 141, achtste lid, respectievelijk artikel 141 ter, achtste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
### Artikel 105h
De kennisgeving, bedoeld in artikel 3:62a, derde lid, of artikel 3:62ba, vierde lid, van de wet, vermeldt tevens het maximaal uitkeerbare bedrag, bedoeld in artikel 105g, eerste lid, zoals berekend door de bank of beleggingsonderneming.
### Artikel 105i
**1.**
Het kapitaalconserveringsplan, bedoeld in artikel 3:62a, vierde lid, en artikel 3:62ba, vijfde lid, van de wet, bevat:
a. een schatting van de inkomsten en uitgaven en een balansverwachting;
b. een beschrijving van de maatregelen die de betrokken onderneming voornemens is te nemen om haar toetsingsvermogen te vergroten;
c. een plan en tijdpad om het toetsingsvermogen te vergroten opdat de onderneming voldoet aan de ingevolge artikel 3:62a, eerste lid, van de wet op de onderneming toepasselijke kapitaalbuffer en indien van toepassing, de op de onderneming toepasselijke hefboomratiobuffer, als bedoeld in artikel 3:62ba, eerste lid, van de wet;
d. andere informatie die noodzakelijk is voor een adequate beoordeling van het kapitaalconserveringsplan.
**2.** De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
**4.** De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het beperken van of het verbinden van voorwaarden aan het aanhouden van activa en posten buiten de balanstelling door een elektronischgeldinstelling.
## Hoofdstuk 11. Liquiditeit
@ -2177,70 +1700,44 @@ d. andere informatie die noodzakelijk is voor een adequate beoordeling van het k
### Artikel 106
De liquiditeit van een clearinginstelling, kredietunie of icbe als bedoeld in artikel 3:63, eerste lid, van de wet is voldoende, indien de aanwezige liquiditeit, bedoeld in artikel 111 of 112, ten minste gelijk is aan de ingevolge artikel 108, onderscheidenlijk artikel 109, vereiste liquiditeit.
### Artikel 106a
De liquiditeit van een bank als bedoeld in artikel 3:63, eerste lid, 3:64 of 3:65 van de wet is voldoende, indien wordt voldaan aan de liquiditeitsvereisten ingevolge deel 6 van de verordening kapitaalvereisten, dat van overeenkomstige toepassing is op de activiteiten vanuit een bijkantoor in Nederland van een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is.
### Artikel 106b
**1.**
De liquiditeit van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:63, eerste lid, van de wet is voldoende, indien wordt voldaan aan:
a. de liquiditeitsvereisten ingevolge deel 6 van de verordening kapitaalvereisten, indien het een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten betreft;
b. de liquiditeitsvereisten ingevolge deel 5 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, indien het een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen betreft.
**2.**
Op beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:65 van de wet is van overeenkomstige toepassing:
a. het eerste lid, onderdeel a, voor zover het een beleggingsonderneming betreft waarop, indien zij haar zetel had gehad in een lidstaat, de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn;
b. het eerste lid, onderdeel b, voor zover het een beleggingsonderneming betreft waarop, indien zij haar zetel had gehad in een lidstaat, de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen van toepassing zou zijn.
**3.** Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die tevens een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, van de wet, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet.
De liquiditeit van een financiële onderneming als bedoeld in artikel 3:63, eerste lid, 3:64, 3:65 of 3:66 van de wet is voldoende indien de aanwezige liquiditeit, bedoeld in artikel 111, 112 of 113, ten minste gelijk is aan de vereiste liquiditeit, bedoeld in artikel 108, 109 of 110.
### Artikel 107
**1.**
Het is een clearinginstelling of kredietunie als bedoeld in artikel 3:63, eerste lid, van de wet toegestaan om:
Het is een bank of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:63, 3:64, 3:65 of 3:66 van de wet toegestaan om:
a. zowel de te ontvangen rente bij de aanwezige liquiditeit als de te betalen rente bij de vereiste liquiditeit mee te rekenen;
b. dochtermaatschappijen en bijkantoren die elk minder dan één procent uitmaken van het balanstotaal niet te betrekken bij de liquiditeitsberekeningen, indien ten minste 95 procent van het totale geconsolideerde balanstotaal wordt betrokken in de berekening;
c. middellijke deelnemingen en bijkantoren van deelnemingen waarbij geen sprake is van, in verhouding tot de clearinginstelling of kredietunie als geheel, grote liquiditeitsbehoefte terwijl de liquiditeitsvoorziening ervan in belangrijke mate afhankelijk is van de moederonderneming onderscheidenlijk het hoofdkantoor, niet te betrekken bij de liquiditeitsberekeningen; of
c. middellijke deelnemingen en bijkantoren van deelnemingen waarbij geen sprake is van, in verhouding tot de bank of clearinginstelling als geheel, grote liquiditeitsbehoefte terwijl de liquiditeitsvoorziening ervan in belangrijke mate afhankelijk is van de moederonderneming onderscheidenlijk het hoofdkantoor, niet te betrekken bij de liquiditeitsberekeningen; of
d. een liquiditeitstekort in convertibele of inconvertibele valutas te compenseren met een overschot in convertibele valutas, voor zover afkomstig uit een land van waaruit vrije overdracht van liquiditeiten mogelijk is.
**2.** Indien een clearinginstelling kiest voor toepassing van het eerste lid, onderdeel b of c, betrekt zij de intragroepstransacties in de berekening van de liquiditeit.
**3.** De Nederlandsche Bank stelt nadere regels betreffende de valutas die voor de toepassing van dit hoofdstuk als convertibel aangemerkt worden.
**2.** Indien een bank of clearinginstelling kiest voor toepassing van het eerste lid, onderdeel b of c, betrekt zij de intragroepstransacties in de berekening van de liquiditeit.
### Paragraaf 11.2. Berekening van de minimumomvang van de liquiditeit
### Artikel 108
**1.** De vereiste liquiditeit van een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:63, eerste lid, van de wet bedraagt de som van de gewogen uitgaande kasstromen op basis van de kalenderposten, vermeerderd met de niet in de vervalkalender opgenomen gewogen toevertrouwde middelen en overige posten die opgevraagd kunnen worden of tot een betalingsverplichting kunnen leiden, gedurende de weekperiode respectievelijk de maandperiode.
**1.** De vereiste liquiditeit van een bank of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:63, 3:64, 3:65 of 3:66 van de wet bedraagt de som van de gewogen uitgaande kasstromen op basis van de kalenderposten, vermeerderd met de niet in de vervalkalender opgenomen gewogen toevertrouwde middelen en overige posten die opgevraagd kunnen worden of tot een betalingsverplichting kunnen leiden, gedurende de weekperiode respectievelijk de maandperiode.
**2.** De vereiste liquiditeit van een kredietunie als bedoeld in artikel 3:63 van de wet bedraagt de som van de gewogen uitgaande kasstromen op basis van de kalenderposten, vermeerderd met de niet in de vervalkalender opgenomen gewogen toevertrouwde middelen en overige posten die opgevraagd kunnen worden of tot een betalingsverplichting kunnen leiden, gedurende de maandperiode.
**3.** De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde posten en de weging daarvan.
**2.** De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde posten en de weging daarvan.
### Artikel 109
**1.** De vereiste liquiditeit van een icbe als bedoeld in artikel 3:63 van de wet bedraagt tien procent van het beheerde vermogen.
**1.** De vereiste liquiditeit van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:63 of 3:66 van de wet bedraagt tien procent van het beheerde vermogen.
**2.** In afwijking van het vorige lid kan, indien uit een overeengekomen ontbindings- of beëindigingsregeling vooraf bekend is voor welk bedrag op een bepaalde datum wordt ingekocht, worden volstaan met dat bedrag.
### Artikel 110
Vervallen
De vereiste liquiditeit van een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:63 of 3:65 van de wet is gelijk aan het bedrag van de betalingsverplichtingen dat verband houdt met het uitstaand elektronisch geld en de overige verplichtingen.
### Paragraaf 11.3. Samenstelling van de liquiditeit
### Artikel 111
**1.** De aanwezige liquiditeit van een clearinginstelling of kredietunie als bedoeld in artikel 3:63, eerste lid, van de wet in de weekperiode wordt gevormd door de gewogen voorraadposten, de gewogen kasinstroom van de kalenderposten gedurende de weekperiode en de officiële stand-by faciliteiten.
**1.** De aanwezige liquiditeit van een bank of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:63, 3:64, 3:65 of 3:66 van de wet in de weekperiode wordt gevormd door de gewogen voorraadposten, de gewogen kasinstroom van de kalenderposten gedurende de weekperiode en de officiële stand-by faciliteiten.
**2.**
@ -2250,7 +1747,7 @@ a. financiële instrumenten op basis waarvan op korte termijn liquide middelen k
b. onmiddellijk opeisbaar interbancair actief; en
c. onmiddellijk opeisbare vorderingen op overheden en professionele geldmarktpartijen.
**3.** De aanwezige liquiditeit van de clearinginstelling of kredietunie in de maandperiode wordt gevormd door de gewogen voorraadposten en de gewogen kasinstroom gedurende de maandperiode.
**3.** De aanwezige liquiditeit van de financiële onderneming in de maandperiode wordt gevormd door de gewogen voorraadposten en de gewogen kasinstroom gedurende de maandperiode.
**4.**
@ -2265,13 +1762,13 @@ c. vrije en grensoverschrijdende overdracht van liquiditeit mogelijk is.
De financiële onderneming betrekt bij de berekening van de aanwezige liquiditeit niet:
a. activa die niet onbelemmerd overdraagbaar zijn;
b. direct opeisbare tegoeden bij personen die geen bank of professionele geldmarktpartij zijn.
b. direct opeisbare tegoeden bij personen die geen kredietinstelling of professionele geldmarktpartij zijn.
**6.** De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde posten en de weging daarvan.
### Artikel 112
De aanwezige liquiditeit van een icbe als bedoeld in artikel 3:63 van de wet wordt gevormd door de volgende posten:
De aanwezige liquiditeit van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:63 of 3:66 van de wet wordt gevormd door de volgende posten:
a. kasmiddelen, daggeld en direct opvraagbare tegoeden bij banken die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 van de wet hebben of waarop toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van bank wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen;
b. kortlopende schuldtitels aan toonder;
@ -2281,154 +1778,290 @@ e. onvoorwaardelijke garanties van banken en verzekeraars die een vergunning als
### Artikel 113
Vervallen
**1.**
## Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars
De aanwezige liquiditeit van een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:63 of 3:65 van de wet wordt gevormd door activa als bedoeld in artikel 105, eerste lid, voorzover deze beleggingen direct in geld opvraagbare activa zijn of beleggingen zijn:
a. waarvoor door een gereglementeerde markt of door verschillende, niet gelieerde, professionele marktpartijen regelmatig en minimaal dagelijks biedprijzen en laatprijzen worden afgegeven;
b. die regelmatig worden verhandeld;
c. waarvan de verkoop of belening op dagelijkse termijn kan plaatsvinden;
d. waarvan de opbrengstwaarde dan wel de beleningswaarde niet anders dan marginaal wordt beïnvloed door de omvang of de snelheid van de verkoop onderscheidenlijk de belening;
e. waarvan de liquiditeit ten minste gelijkwaardig is aan uitzettingen bij centrale overheidslichamen van een krachtens artikel 3:2, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet aangewezen staat; en
f. waarvan de afwikkeling in de markt waar de desbetreffende activa worden verhandeld, plaats vindt volgens een vast en niet onderhandelbaar tijdschema.
**2.**
De financiële onderneming houdt ten minste twintig procent van de betalingsverplichtingen, bedoeld in artikel 110, aan in de vorm van:
a. direct opvraagbare depositos;
b. onherroepelijke officiële stand-by faciliteiten bij banken met zetel in een lidstaat of een staat die deel uitmaakt van de G10; of
c. direct bij een centrale bank beleenbaar papier tegen de beleningswaarde.
## Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen
### Paragraaf 12.1. De berekening van de technische voorzieningen
### Artikel 114
**1.** Een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, berekent de door hem aan te houden technische voorzieningen overeenkomstig de artikelen 76 tot en met 83 en 192 van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk III, van de verordening solvabiliteit II.
**1.** Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:67, eerste lid, of 3:68, eerste lid, van de wet, of een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:67, eerste lid, of 3:69, eerste lid, van de wet houdt, met inachtneming van artikel 427, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek de technische voorzieningen, bedoeld in artikel 435, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, aan voor zover deze op hem van toepassing zijn.
**2.** Indien een kapitaalopslag aan de verzekeraar is opgelegd en de verzekeraar artikel 77, vijfde lid, van de richtlijn solvabiliteit II toepast, neemt hij tevens artikel 37, vijfde lid, tweede alinea, van die richtlijn in acht.
**3.** Indien de Europese Commissie op grond van artikel 172, tweede of vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II het solvabiliteitsregime van een staat die geen lidstaat is gelijkwaardig acht met die van de richtlijn solvabiliteit II, worden voor de berekening van de technische voorzieningen herverzekeringsovereenkomsten met verzekeraars met zetel in die staat gelijk gesteld met herverzekeringsovereenkomsten met verzekeraars met zetel in een lidstaat.
**2.** Een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid die zijn jaarrekening opstelt overeenkomstig de internationale jaarrekeningstandaarden houdt voor de branche Krediet, in plaats van een egalisatievoorziening, een egalisatiereserve aan. De verzekeraar kan afwijken van de indeling, bedoeld in het artikel 435, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of de berekening van de technische voorzieningen, bedoeld in de artikelen 115 tot en met 119, indien de internationale jaarrekeningstandaarden zulks voorschrijven.
### Artikel 115
**1.** Een verzekeraar als bedoeld in artikel 114 kan bij het berekening van de technische voorzieningen, na voorafgaande goedkeuring van de Nederlandsche Bank, gebruik maken van hetzij de overgangsmaatregel, bedoeld in artikel 308 quater van de richtlijn solvabiliteit II, hetzij de overgangsmaatregel, bedoeld in artikel 308 quinquies van die richtlijn.
**1.**
**2.** Een verzekeraar die gebruik maakt van een overgangsmaatregel als bedoeld in het eerste lid en vaststelt dat hij zonder toepassing van die overgangsmaatregel niet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zou voldoen, geeft hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank en treft de in artikel 308 sexies, tweede en derde alinea, van de richtlijn solvabiliteit II bedoelde maatregelen.
De door een verzekeraar als bedoeld in artikel 114, eerste lid, aan te houden voorziening voor niet-verdiende premies en lopende risicos, waaronder de catastrofevoorziening indien deze is getroffen, omvat onder meer:
**3.** De Nederlandsche Bank trekt de in het eerste lid bedoelde goedkeuring in indien uit de door de verzekeraar overgelegde informatie blijkt dat het onrealistisch is dat deze aan het einde van de overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zal voldoen.
a. de in het boekjaar ontvangen premies ter zake van risicos die op het daarop volgende boekjaar of boekjaren betrekking hebben; en
b. de schaden en kosten uit lopende verzekeringen die na afloop van het boekjaar kunnen ontstaan en die niet gedekt kunnen worden door de voorziening die betrekking heeft op de niet-verdiende premies tezamen met de in het daarop volgende boekjaar of boekjaren nog te ontvangen premies.
**2.** De voorziening voor niet-verdiende premies wordt voor elke schadeverzekering afzonderlijk en op voorzichtige wijze bepaald. Het gebruik van statistische of wiskundige methoden is toegestaan indien de aard van de verzekering dat toelaat en indien deze methoden naar verwachting dezelfde resultaten opleveren als de afzonderlijke berekeningen.
### Artikel 116
**1.**
De artikelen 76 tot en met 83, 192 en 308 quater tot en met 308 sexies van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk III, van de verordening solvabiliteit II inzake de berekening van de technische voorzieningen zijn van overeenkomstige toepassing op de door de volgende verzekeraars aan te houden technische voorzieningen voor hun vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor aangegane verzekeringsverplichtingen:
De door een verzekeraar als bedoeld in artikel 114, eerste lid, aan te houden voorziening voor levensverzekeringen wordt berekend op basis van een voldoende voorzichtige prospectieve actuariële methode, rekening houdend met de in de toekomst te ontvangen premies en met alle toekomstige verplichtingen volgens de voor iedere lopende levensverzekering gestelde voorwaarden, met inbegrip van:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
a. alle gegarandeerde uitkeringen en gegarandeerde afkoopwaarden;
b. de winstdelingen waarop de verzekeringnemer, verzekerde of gerechtigde op uitkeringen, collectief dan wel individueel recht heeft;
c. alle keuzemogelijkheden waarover de verzekeringnemer, verzekerde of gerechtigde op uitkeringen, volgens de voorwaarden van de levensverzekering beschikt; en
d. de bedrijfskosten, met inbegrip van provisies.
**2.** Artikel 114, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**2.** Artikel 115, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
**3.** In afwijking van het eerste lid kan een retrospectieve methode worden toegepast indien de op grond van die methode berekende technische voorzieningen niet lager zijn dan de voorzieningen bij toepassing van een prospectieve methode of indien het gebruik van een prospectieve methode vanwege de aard van het betrokken type levensverzekering niet mogelijk is.
### Artikel 117
**1.**
De artikelen 76 tot en met 77 bis en 77 quinquies tot en met 83 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk III, met uitzondering van afdeling 4, onderafdeling 4, van de verordening solvabiliteit II inzake de berekening van de technische voorzieningen zijn van overeenkomstige toepassing op:
De door een verzekeraar als bedoeld in artikel 114, eerste lid, aan te houden voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen omvat het bedrag van de te verwachten schaden, in aanmerking nemende:
a. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in Nederland;
b. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat voor wat betreft de door hen aan te houden technische voorzieningen voor hun vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor aangegane verzekeringsverplichtingen.
a. de voor de balansdatum ontstane schaden of verplichtingen tot uitkering die zijn gemeld en nog niet zijn afgewikkeld en de schaden of verplichtingen tot uitkering die nog niet zijn gemeld;
b. de kosten die verband houden met de afwikkeling van schaden of uitkeringen; en
c. de in verband met schaden of uitkeringen te verwachten baten uit subrogatie en de verkrijging van de eigendom van verzekerde zaken.
**2.**
**2.** Artikel 115, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. In geval van periodiek te betalen uitkeringen geschiedt de bepaling volgens erkende actuariële methoden.
Een verzekeraar met beperkte risico-omvang als bedoeld in het eerste lid kan bij de berekening van de technische voorzieningen gebruik maken van de vereenvoudigde berekeningsmethoden als bedoeld in de artikelen 57 tot en met 61 van de verordening solvabiliteit II, mits:
**3.** Discontering van de voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen, anders dan periodieke uitkeringen, is slechts toegestaan indien de afwikkeling van de schaden ten minste vier jaren na het tijdstip van het opmaken van de jaarrekening zal duren en deze afwikkeling geschiedt volgens een betrouwbaar schade-afwikkelingsschema, waarin mede rekening wordt gehouden met alle factoren die de kosten van afwikkeling van de schade verhogen. Indien de voorziening voor te betalen schaden of te betalen uitkeringen wordt verminderd ten gevolge van discontering van te betalen schaden worden in de toelichting op de balans het bedrag van de voorziening voor discontering en de gebruikte methode van discontering vermeld.
a. deze passen bij de aard, omvang en complexiteit van de risicos van de verzekeraar en deze berekeningswijzen niet leiden tot een significante onderschatting van de technische voorzieningen;
b. het gebruik ervan goed wordt onderbouwd en vastgelegd;
c. ten aanzien van de toepassing van de berekeningsmethoden een bestendige gedragslijn wordt gevolgd.
**3.** In afwijking van het eerste lid, aanhef, wordt voor natura-uitvaartverzekeraars en levensverzekeraars met beperkte risico-omvang als bedoeld in artikel 49b, tweede lid, onderdeel a, bij de toepassing van artikel 39 van de verordening solvabiliteit II het kapitaalkostenpercentage gesteld op 4%.
**4.**
De verzekeraar kan bij de berekening van de technische voorzieningen rekening houden met:
a. aanwezige risicomitigerende instrumenten, mits deze aantoonbaar effectief zijn en niet resulteren in een materieel basisrisico als bedoeld in artikel 1, punt 25, van de verordening solvabiliteit II;
b. toekomstige risicomitigerende instrumenten, mits deze realistisch zijn en aantoonbaar voortvloeien uit de reguliere bedrijfsvoering, het gevoerde risicobeheer of het afdekkingsbeleid.
### Paragraaf 12.2. Beleggingsbeleid verzekeraars
**4.** Met betrekking tot een communautaire co-assurantie zijn de voorzieningen voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen verhoudingsgewijs ten minste gelijk aan die welke de co-assuradeur die als eerste verzekeraar optreedt, aanhoudt volgens de regels of gebruiken die gelden in de lidstaat van waaruit de eerste verzekeraar zijn verplichtingen uit hoofde van de communautaire co-assurantie is aangegaan.
### Artikel 118
**1.** Het beleggingsbeleid van een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voldoet aan het prudent person beginsel, bedoeld in artikel 132, tweede tot en met vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk VIII, van de verordening solvabiliteit II.
**1.**
**2.** De vereisten in de door de Europese Commissie vastgestelde uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 135, tweede lid, van de richtlijn solvabiliteit II zijn op verzekeraars die beleggen in verhandelbare effecten of andere op herverpakte kredieten gebaseerde instrumenten die voor 1 januari 2011 zijn uitgegeven, slechts van toepassing indien na 31 december 2014 nieuwe onderliggende vorderingen zijn of worden toegevoegd of vervangen.
Indien de verplichtingen uit hoofde van verzekeringen op het tijdstip van het opmaken van de jaarrekening redelijkerwijs niet te schatten zijn wegens het ontbreken van voldoende nauwkeurige gegevens met betrekking tot de over het tekenjaar te ontvangen premies of te betalen schaden en kosten van afwikkeling van de schade, kan door een verzekeraar als bedoeld in artikel 114, eerste lid, in afwijking van artikel 117:
a. als voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen worden opgenomen:
1°. een percentage van de geboekte premies met betrekking tot het tekenjaar waarin de verzekeringen een aanvang nemen; of
2°. het positieve verschil tussen enerzijds de geboekte premies en anderzijds de betaalde schaden en kosten van afwikkeling van de schaden met betrekking tot het tekenjaar waarin de verzekeringen een aanvang nemen; of
b. ter bepaling van de voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen gebruik wordt gemaakt van gegevens, bedoeld in onderdeel a, die betrekking hebben op een jaar dat ten hoogste twaalf maanden aan het boekjaar voorafgaat.
**2.** De overeenkomstig het eerste lid bepaalde voorziening moet te allen tijde toereikend zijn om aan de huidige en toekomstige verplichtingen te voldoen. Het bedrag van de voorziening wordt, zodra dat nodig blijkt, zodanig verhoogd tot het toereikend is.
**3.** Indien de berekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt toegepast, wordt zodra voldoende nauwkeurige gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanhef, bekend zijn, doch uiterlijk aan het einde van het derde boekjaar volgend op het in het eerste lid bedoelde tekenjaar, de voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen overeenkomstig artikel 117 bepaald.
### Artikel 119
Artikel 132, tweede tot en met vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VIII, van de verordening solvabiliteit II inzake het beleggingsbeleid zijn van overeenkomstige toepassing op de activa van de in Nederland gelegen bijkantoren van:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
De voorziening voor winstdeling en kortingen van een verzekeraar als bedoeld in artikel 114, eerste lid, omvat de bedragen die in de vorm van winstdeling bestemd zijn voor de verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen, voor zover deze niet hebben geleid tot verhoging van de voorziening voor levensverzekering, alsmede de bedragen die een gedeeltelijke terugbetaling van premies op grond van het resultaat van de verzekeringen vertegenwoordigen, voor zover deze niet tot verhoging van de ledenrekening hebben geleid.
### Artikel 120
Artikel 132, tweede tot en met vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VIII, van de verordening solvabiliteit II inzake het beleggingsbeleid zijn van overeenkomstige toepassing op:
**1.**
a. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in Nederland;
b. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat voor wat betreft de activa van hun in Nederland gelegen bijkantoren.
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 114, eerste lid, houdt een egalisatievoorziening aan voor de branche Krediet voor:
a. alle aangegane verplichtingen indien het een schadeverzekeraar met zetel in Nederland betreft;
b. de vanuit zijn in Nederland gelegen bijkantoren aangegane verplichtingen indien het een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is betreft.
**2.**
Het eerste lid is niet van toepassing op schadeverzekeraars:
a. met zetel in Nederland die naast de branche Krediet een of meer andere branches vanuit een vestiging in een lidstaat uitoefenen, indien de door hun jaarlijks geboekte premies met betrekking tot hun vanuit vestigingen in een lidstaat aangegane verplichtingen in de uitoefening van de branche Krediet minder dan vier procent van het totale bedrag aan jaarlijks geboekte premies en minder dan € 2.500.000 belopen; of
b. met zetel in een staat die geen lidstaat is die naast de branche Krediet een of meer andere branches vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor uitoefenen, indien de door hun jaarlijks geboekte premies met betrekking tot hun vanuit bijkantoren in Nederland aangegane verplichtingen in de uitoefening van de branche Krediet minder dan vier procent van het totale bedrag aan jaarlijks geboekte premies en minder dan € 2.500.000 belopen.
**3.** De egalisatievoorziening wordt gevormd ter dekking van een tijdens het boekjaar in de branche Krediet geleden technisch verlies en beloopt ten minste 134 procent van het gemiddelde van de tijdens de vijf voorgaande boekjaren jaarlijks geboekte premies verminderd met het bedrag van de overdrachten uit hoofde van herverzekering en na toevoeging van de geaccepteerde herverzekeringen.
**4.** Aan de egalisatievoorziening wordt in elk van de opeenvolgende boekjaren waarin in de branche Krediet een technisch overschot werd geboekt, 75 procent van dit technisch overschot toegevoegd, totdat de voorziening gelijk is aan of hoger dan het overeenkomstig het derde lid berekende minimum.
**5.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de egalisatiereserve voor de branche Krediet, bedoeld in artikel 114, tweede lid.
### Artikel 121
De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen voor de door een verzekeraar met beperkte risico-omvang vanuit zijn vestigingen in Nederland aangegane verplichtingen zijn:
**1.**
a. in geval van een verzekeraar met zetel in Nederland: aanwezig in een lidstaat; of
b. in geval van een verzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat: aanwezig in Nederland.
Onverminderd de artikelen 115, 116, 117 en 119 voert een verzekeraar als bedoeld in artikel 114, eerste lid, jaarlijks een toets uit naar de toereikendheid van de balanswaarde van de voorzieningen voor:
a. niet-verdiende premies en lopende risicos, waaronder de catastrofevoorziening indien deze wordt aangehouden;
b. levensverzekering;
c. te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen;
d. winstdeling en kortingen; en
e. latente winstdelingsverplichtingen.
De verzekeraar gaat bij de uitvoering van de toets, voor zover van toepassing, uit van toekomstige betalingsverplichtingen, daarbij passende onzekerheidsmarges en methoden om toekomstige verplichtingen te waarderen op de balansdatum.
**2.** Indien discontering wordt gebruikt bij de bepaling van de balanswaarde van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, stelt de Nederlandsche Bank voor de toepassing van de toets, bedoeld in dat lid, onverminderd de artikelen 114, 116, 117 en 119 en met inachtneming van de internationale jaarrekeningstandaarden, regels met betrekking tot de te hanteren grondslagen en rekenprincipes voor de disconteringsvoet, sterfte en invaliditeit.
**3.** Indien de waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen niet tegen de actuele waarde zijn gewaardeerd, betrekt de verzekeraar het verschil tussen de actuele waarde en de balanswaarde van deze waarden bij de toets, bedoeld in het tweede lid.
**4.** De balanswaarde van de technische voorzieningen is ten minste gelijk aan de waarde die volgt uit de toets, bedoeld in het tweede lid, met inachtneming van het derde lid.
### Paragraaf 12.2. De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen
### Artikel 122
Artikel 132, tweede tot en met vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VIII, van de verordening solvabiliteit II inzake het beleggingsbeleid zijn van overeenkomstige toepassing op:
**1.** Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:67, eerste lid, of 3:68, eerste lid, van de wet of een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:67, eerste lid, of 3:69, eerste lid, van de wet draagt er zorg voor dat de aard van de waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen in overeenstemming zijn met de aard van de aangegane verplichtingen. Deze waarden worden adequaat gediversifieerd en gespreid. Waarden met een hoog risico worden tot een voorzichtig niveau beperkt.
a. de waarden, bedoeld in artikel 3:67, vierde lid, of 3:68, derde lid, van de wet die dienen tot dekking van de verplichtingen van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in die artikelen die voortvloeien uit vorderingen van werknemers als bedoeld in artikel 3:198, tweede lid, onderdelen b, c en d, of derde lid, onderdelen a, b en c, van de wet;
b. de waarden, bedoeld in artikel 3:67, vierde lid, of 3:69, tweede lid, van de wet, die dienen tot dekking van de verplichtingen van een verzekeraar met beperkte risico-omvang als bedoeld in die artikelen die voortvloeien uit vorderingen van werknemers als bedoeld in artikel 3:198, vierde lid, onderdelen a, b en c, van de wet.
**2.**
### Artikel 122a
De technische voorzieningen van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:67, eerste lid, of 3:68, eerste lid, van de wet worden gedekt door:
De gegevens, bedoeld in artikel 3:267e, derde lid, van de wet zijn:
a. de volgende beleggingen:
a. het herverzekeringscontract inclusief bijlagen, waaronder een toelichting van de wijze waarop de vordering van de cederende verzekeraar op de andere verzekeraar wordt gewaardeerd;
b. indien van toepassing, de zekerheidsovereenkomsten;
c. informatie over de geografische locatie van de vordering van de cederende verzekeraar op de andere verzekeraar en de daarmee samenhangende zekerheden;
d. een onderbouwing van de toereikendheid van het risicobeheer ten aanzien van de herverzekering;
e. een analyse van de kredietrisicos betreffende de herverzekering;
f. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of zij na herverzekering gebruik kan maken van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:137;
g. een opinie van de risicobeheerfunctie van de verzekeraar over de mate waarin de verzekeraar in staat is om aan de voorwaarden met betrekking tot de herverzekering als bedoeld in dit artikel en artikel 3:267e van de wet, te voldoen.
1°. obligaties en andere geldinstrumenten en kapitaalmarktinstrumenten;
2°. leningen;
3°. aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen niet-rentedragende beleggingen;
4°. rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging in effecten en deelnemingen in andere beleggingsfondsen;
5°. terreinen en gebouwen, waaronder terreinen en gebouwen voor eigen gebruik, alsmede zakelijke rechten op onroerende zaken; en
6°. afgeleide financiële instrumenten, voor zover deze worden gebruikt om het beleggingsrisico te beperken of een efficiënt portefeuillebeheer mogelijk te maken;
b. de volgende vorderingen:
## Hoofdstuk 12a. Beleggingsbeleid premiepensioeninstellingen
1°. vorderingen op herverzekeraars, met inbegrip van het aandeel van herverzekeraars in de technische voorzieningen;
2°. depositos en vorderingen uit hoofde van herverzekering;
3°. vorderingen op verzekeringnemers en tussenpersonen uit hoofde van verzekeringen en herverzekeringen, voor zover binnen negentig dagen opeisbaar;
4°. vorderingen van een schadeverzekeraar uit hoofde van verhaalsrecht of subrogatie;
5°. voorschotten op polissen van een levensverzekeraar;
6°. belastingtegoeden; en
7°. vorderingen op garantiefondsen;
c. de volgende andere activa:
1°. materiële vaste activa, andere dan terreinen en gebouwen;
2°. liquide middelen en depositos bij kredietinstellingen of bij buitenlandse andere instellingen die vergunning hebben om depositos te ontvangen;
3°. overlopende acquisitiekosten;
4°. lopende interest en huur en andere overlopende posten; en
5°. zakelijke rechten waarvan het genot is uitgesteld van een levensverzekeraar.
**3.**
Een vordering op een herverzekeraar uit hoofde van een door de verzekeraar, bedoeld in het eerste lid, als verzekeringnemer gesloten herverzekeringsovereenkomst komt als waarde ter dekking van de technische voorzieningen in aanmerking voor zover:
a. geen tegenvordering openstaat; en
b. het aannemelijk is dat de vordering:
1°. in geval van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland: in een lidstaat zal worden voldaan of dat de verzekeraar in een staat die geen lidstaat is zijn uitkeringen aan verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zal moeten voldoen;
2°. in geval van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is: in Nederland zal worden voldaan of dat de verzekeraar buiten Nederland zijn uitkeringen aan verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zal moeten voldoen; of
3°. in geval van een natura-uitvaartverzekeraar: in Nederland zal worden voldaan of dat de verzekeraar buiten Nederland zijn uitkeringen aan verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zal moeten voldoen.
**4.** Bij de belegging in een dochteronderneming van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar die alle of een deel van de beleggingen van die verzekeraar beheert, wordt voor de toepassing van het tweede lid uitgegaan van de onderliggende activa in het bezit van deze dochteronderneming.
**5.** De Nederlandsche Bank kan in individuele gevallen besluiten dat de waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen voor de toepassing van dit besluit tegen een lager bedrag worden gewaardeerd.
### Artikel 123
Het beleggingsbeleid van een pensioenregeling die niet wordt beheerst door het recht van een lidstaat wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het land van herkomst van de regeling.
**1.**
Onverminderd artikel 122, worden de waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, ten opzichte van het totaal van de technische voorzieningen, per categorie van activa als bedoeld in artikel 122, tweede lid, verdeeld met inachtneming van de volgende maxima:
a. leningen als bedoeld in artikel 122, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, aan ondernemingen en instellingen die geen beleggingsinstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in een lidstaat zijn, voor zover deze leningen niet zijn voorzien van een garantie, hypotheek of andere zekerheid: vijf procent;
b. kasmiddelen: drie procent; en
c. beleggingen als bedoeld in artikel 122, tweede lid, onderdeel a, onder 1°en 3°, voor zover deze beleggingen niet op een gereglementeerde markt worden verhandeld: tien procent.
**2.**
De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen worden, ten opzichte van het totaal van de technische voorzieningen, per individueel actief als bedoeld in artikel 122, tweede lid, verdeeld met inachtneming van de volgende maxima:
a. een bepaald terrein of gebouw als bedoeld in artikel 122, tweede lid, onderdeel a, onder 5°, of een complex van verschillende terreinen of gebouwen dat als een belegging kan worden beschouwd: tien procent per object; en
b. een bepaalde lening als bedoeld in artikel 122, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, aan ondernemingen en instellingen die geen beleggingsinstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in een lidstaat zijn, voor zover deze leningen niet zijn voorzien van een garantie, hypotheek of andere zekerheid: een procent per lening.
**3.** De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen bestaan, ten opzichte van het totaal van de technische voorzieningen, voor maximaal vijf procent uit beleggingen als bedoeld in artikel 122, tweede lid, onderdeel a, onder 1° en 3°, uitgegeven door een bepaalde emittent of uit leningen aan een bepaalde kredietnemer, tezamen genomen. Waardepapieren uitgegeven of gegarandeerd door onderscheidenlijk leningen aan of gegarandeerd door centrale, regionale of lokale overheidslichamen of internationale instellingen of organisaties waarvan een of meer lidstaten deel uitmaken, blijven hierbij buiten beschouwing.
**4.** De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten het maximum, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor een levensverzekeraar te verhogen tot acht procent van de technische voorzieningen en het maximum, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, tot twee procent van de technische voorzieningen indien de belangen van de verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zich daartegen niet verzetten.
**5.** De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat voor de toepassing van het derde lid een bepaalde kredietinstelling met zetel in Nederland met een overheidslichaam wordt gelijkgesteld, indien de aandelen van die kredietinstelling in handen zijn van de Nederlandse Staat of Nederlandse provincies, gemeenten, waterschappen of andere openbare lichamen als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet en de werkzaamheden van die kredietinstelling statutair bestaan in het door haar tussenkomst verstrekken van leningen aan, of met garantie van de Nederlandse Staat of andere overheidslichamen of het vertrekken van leningen aan nauw met de Nederlandse Staat of de lokale overheidslichamen verbonden instanties.
**6.** Het maximum, bedoeld in het derde lid, wordt gesteld op tien procent van de technische voorzieningen indien de waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen voor niet meer dan veertig procent bestaan uit leningen aan of waardepapieren van kredietnemers en emittenten waarin de verzekeraar meer dan vijf procent van zijn activa heeft belegd.
### Artikel 124
**1.**
Onverminderd artikel 123 stelt de Nederlandsche Bank nadere regels met betrekking tot het gebruik van de waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen van levensverzekeraars of schadeverzekeraars als bedoeld in artikel 122, eerste lid, en de daarbij in acht te nemen voorwaarden, ten aanzien van:
Het beleggingsbeleid van een pensioenregeling die wordt beheerst door het recht van een lidstaat wordt uitgevoerd overeenkomstig de volgende beginselen:
a. beleggingen in de bijdragende onderneming worden beperkt tot ten hoogste 5% van de portefeuille als geheel, en ingeval de bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in de ondernemingen die tot dezelfde groep als de bijdragende onderneming behoren, beperkt tot ten hoogste 10% van de portefeuille. Wanneer een groep van ondernemingen aan de premiepensioeninstelling bijdragen betaalt, geschieden beleggingen in deze bijdragende ondernemingen prudent, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een behoorlijke diversificatie;
b. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van marktwaardering;
c. beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde markt, of een multilaterale handelsfaciliteit of een daarmee vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is toegelaten waarden worden tot een prudent niveau beperkt.
d. beleggingen in derivaten zijn toegestaan voor zover deze bijdragen aan een vermindering van het risicoprofiel of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. De premiepensioeninstelling vermijdt een bovenmatig risico met betrekking tot een en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen;
e. de waarden worden naar behoren gediversifieerd zodat een bovenmatige afhankelijkheid van of vertrouwen in bepaalde waarden, of een bepaalde emittent van waarden of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden.
**2.** De eisen die zijn opgenomen in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en e, zijn niet van toepassing op beleggingen in staatsobligaties.
**3.** Onder waardering op marktwaarde bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen terzake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn.
**4.** Leningen als bedoeld in artikel 3:267b, vierde lid, van de wet mogen slechts worden aangegaan voor een periode van niet langer dan een jaar.
**5.** Van een liquiditeitsdoelstelling als bedoeld in artikel 3:267b, vierde lid, van de wet is sprake als de premiepensioeninstelling tijdelijk niet kan voldoen aan zijn verplichtingen of de betreffende lening wordt aangegaan ter verbetering van het risicoprofiel van de premiepensioeninstelling.
a. de leningen waarvoor niet door middel van een bankgarantie, een garantie toegekend door een verzekeraar, een recht van hypotheek of een andere wijze zekerheid is gegeven;
b. deelnemingen in een beleggingsinstelling, voor zover de richtlijn beleggingsinstellingen niet van toepassing is;
c. effecten die niet worden verhandeld op een gereglementeerde markt; en
d. beleggingen als bedoeld in artikel 122, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, uitgegeven door een emittent niet zijnde centrale, regionale of lokale overheid of een ander openbaar lichaam, een internationale organisatie waarvan een of meer lidstaten deel uitmaken of een kredietinstelling met zetel in Nederland, in een andere lidstaat of in een ingevolge artikel 3:2, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet aangewezen staat.
### Artikel 125
Vervallen
**1.** De technische voorzieningen van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 122, eerste lid, met betrekking tot uitkeringen die volgens de verzekering rechtstreeks gekoppeld zijn aan de waarde van een deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten, of aan de waarde van activa die zijn opgenomen in een door de verzekeraar gehouden fonds dat gewoonlijk in fracties is verdeeld, worden gedekt door deze rechten van deelneming onderscheidenlijk fracties dan wel, indien geen fracties zijn gecreëerd, door deze activa.
**2.** De technische voorzieningen met betrekking tot uitkeringen die volgens de verzekering rechtstreeks gekoppeld zijn aan een referentiewaarde anders dan die bedoeld in het eerste lid, worden gedekt door de eenheden die deze referentiewaarde vertegenwoordigen. Als deze eenheden ontbreken, worden de technische voorzieningen gedekt door activa die zo nauw mogelijk aansluiten bij die waarop de betrokken referentiewaarde is gebaseerd.
**3.** Op de technische voorzieningen die rechtstreeks verband houden met de uitkeringen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn, voor zover in die uitkeringen geen sprake is van een gegarandeerd rendement of een gegarandeerd uitkeringsniveau, de artikelen 122 tot en met 124 niet van toepassing.
### Artikel 126
Vervallen
**1.** Indien de dekking van een levensverzekering of schadeverzekering van een verzekeraar als bedoeld in artikel 122, eerste lid, in een bepaalde muntsoort is uitgedrukt, zijn de verplichtingen van die verzekeraar opeisbaar in deze muntsoort.
**2.** Indien de dekking van een schadeverzekering niet in een bepaalde muntsoort is uitgedrukt, zijn de verplichtingen van de schadeverzekeraar opeisbaar in de muntsoort van de staat waar het risico is gelegen. De schadeverzekeraar kan evenwel de muntsoort kiezen waarin de premie is uitgedrukt, indien goede gronden voor een dergelijke keuze aanwezig zijn.
**3.**
De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, toestaan dat de verplichtingen van de schadeverzekeraar opeisbaar zijn in de muntsoort die hij overeenkomstig de opgedane ervaring zal gebruiken, of, bij ontstentenis daarvan, de muntsoort van de staat waar zich de vestiging bevindt van waaruit de schadeverzekering is aangegaan voor schadeverzekeringen ter dekking van de risicos die zijn ingedeeld in:
a. de branches Casco rollend spoorwegmaterieel, Luchtvaartuigcasco, Casco zee- en binnenschepen, Vervoerde zaken, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen, Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen en Algemene aansprakelijkheid, voor zover het productenaansprakelijkheid betreft; en
b. de andere branches indien overeenkomstig de aard van de risicos aan de verplichtingen moet worden voldaan in een andere muntsoort dan die welke uit de voorgaande leden voortvloeit.
**4.** Indien uitkeringen ter zake van een schadeverzekering moeten plaatsvinden in een bepaalde andere muntsoort dan die welke uit de voorgaande leden voortvloeit, zijn de verplichtingen van de schadeverzekeraar opeisbaar in die muntsoort, met name de muntsoort waarin de door de schadeverzekeraar te betalen schadevergoeding is vastgesteld bij een rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst tussen de schadeverzekeraar en de verzekerde.
**5.** Indien een schade wordt begroot in een muntsoort die bij de schadeverzekeraar vooraf bekend is, maar die verschilt van die welke voortvloeit uit de voorgaande leden, mogen zijn verplichtingen opeisbaar zijn in deze muntsoort.
**6.** De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat het de levensverzekeraar of schadeverzekeraar is toegestaan tegenover zijn technische voorzieningen geen waarden te stellen die inbaar of te gelde te maken zijn in de muntsoort waarin de dekking van de verzekering luidt, indien uit de voorgaande leden voortvloeit dat de verzekeraar om te voldoen aan artikel 127, eerste lid, eerste volzin, over waarden in een bepaalde muntsoort moet beschikken voor een bedrag van niet meer dan zeven procent van de waarden in andere muntsoorten.
**7.**
De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar ontheffing verlenen van artikel 127, eerste lid, eerste volzin, indien:
a. de verplichtingen opeisbaar zijn in een andere muntsoort dan die van een van de lidstaten;
b. voor beleggingen in deze muntsoort voorschriften bestaan;
c. voor deze muntsoort transferbeperkingen gelden; of
d. deze muntsoort om soortgelijke redenen ongeschikt is om te worden gebruikt tot dekking van technische voorzieningen.
**8.** De levensverzekeraar of schadeverzekeraar mag een bedrag van ten hoogste twintig procent van zijn in een bepaalde muntsoort luidende verplichtingen dekken met waarden die inbaar of te gelde te maken zijn in een andere muntsoort dan die waarin de dekking van de verzekering luidt. De totale waarden in alle muntsoorten tezamen moeten ten minste gelijk zijn aan de totale verplichtingen in alle muntsoorten tezamen.
**9.** De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat, indien ingevolge de voorgaande leden tegenover verplichtingen waarden moeten staan die luiden in de muntsoort van een lidstaat, aan deze voorwaarde eveneens is voldaan indien de betreffende waarden in euro luiden.
**10.** Dit artikel is niet van toepassing op verzekeringen als bedoeld in artikel 125.
### Artikel 127
Vervallen
**1.** De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 122, eerste lid, moeten in toereikende mate kunnen worden geïnd of te gelde gemaakt in dezelfde muntsoort als die waarin de verplichtingen ingevolge artikel 126 luiden. De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen van een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 122, eerste lid, moeten in toereikende mate kunnen worden geïnd of te gelde gemaakt in de muntsoort van de staat waarin de verzekerde ten tijde van het sluiten van de natura-uitvaartverzekering zijn woonplaats heeft.
**2.**
Voor zover de waarden, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, dienen tot dekking van de technische voorzieningen voor aangegane verplichtingen, moeten zij:
a. in geval van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland: aanwezig zijn in een lidstaat indien wat een levensverzekeraar betreft de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft, of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de zetel van de verzekeringnemer zich in een lidstaat bevindt, en wat een schadeverzekeraar betreft het risico in een lidstaat is gelegen; of
b. in geval van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is: aanwezig zijn in Nederland.
**3.**
Voor zover de waarden, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, dienen tot dekking van de technische voorzieningen voor de vanuit de vestigingen in Nederland aangegane verplichtingen, moeten zij:
a. in geval van een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland: aanwezig zijn in een lidstaat; of
b. in geval van een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat: aanwezig zijn in Nederland.
### Paragraaf 12.3. De waarden die dienen tot dekking van de verplichtingen die voortvloeien uit werknemersvorderingen
### Artikel 128
Vervallen
**1.** De artikelen 122 tot en met 126 en 127, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de waarden, bedoeld in artikel 3:67, derde lid, of 3:68, derde lid, van de wet die dienen tot dekking van de verplichtingen van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in die artikelen die voortvloeien uit vorderingen als bedoeld in artikel 3:198, tweede lid, onderdelen b, c en d, derde lid, onderdelen a, b en c, van de wet.
**2.** De artikelen 122, eerste, derde lid, aanhef en de onderdelen a en b, onder 2°, en vijfde lid, en 127, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de waarden, bedoeld in artikel 3:67, derde lid, of 3:69, tweede lid, van de wet, die dienen tot dekking van de verplichtingen van een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in die artikelen die voortvloeien uit vorderingen als bedoeld in artikel 3:198, vierde lid, onderdelen a, b en c, van de wet.
## Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage
@ -2436,95 +2069,34 @@ Vervallen
### Artikel 129
Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, pensioenbewaarder, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 3:71, eerste lid, 3:81, eerste lid of 3:85 verstrekt de documenten, bedoeld in artikel 3:71, eerste lid, of 3:81, eerste lid, van de wet, wat betreft indeling en inhoud in de vorm waarin deze zijn opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de internationale jaarrekeningstandaarden onderscheidenlijk het recht van de staat waar deze financiële onderneming haar zetel heeft. Een financiële onderneming met zetel in Nederland vermeldt of de jaarrekening al dan niet is vastgesteld en goedgekeurd overeenkomstig de statuten of de vennootschapsakte.
Een clearinginstelling, herverzekeraar, kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 3:71, eerste lid, 3:81, eerste lid, of 3:85, eerste of tweede lid, van de wet verstrekt de documenten, bedoeld in artikel 3:71, eerste lid, of 3:81, eerste lid, van de wet, wat betreft indeling en inhoud in de vorm waarin deze zijn opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de internationale jaarrekeningstandaarden onderscheidenlijk het recht van de staat waar deze financiële onderneming haar zetel heeft. Een financiële onderneming met zetel in Nederland vermeldt of de jaarrekening al dan niet is vastgesteld en goedgekeurd overeenkomstig de statuten of de vennootschapsakte.
### Paragraaf 13.2. Verstrekking en openbaarmaking van de staten
### Paragraaf 13.2. Verstrekking van de staten
### Artikel 130
**1.**
De door een bank, als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet of, een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten of door een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:86, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. gegevens betreffende rapportageverplichtingen ingevolge de verordening kapitaalvereisten;
b. gegevens ten behoeve van het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid, van de wet, betreffende de aangehouden depositos die worden gegarandeerd uit hoofde van het depositogarantiestelsel;
**2.** De door een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen te verstrekken staten omvatten uitsluitend de in artikel 54 en artikel 55 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen bedoelde gegevens.
**3.**
De door een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:82, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. de in artikel 430, eerste lid, onderdelen a en d, van de verordening kapitaalvereisten bedoelde gegevens voor zover het een beleggingsonderneming betreft waarop, indien zij haar zetel had gehad in een lidstaat, die verordening van toepassing zou zijn;
b. de in artikel 54, eerste lid, onderdelen a tot en met c en f, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen bedoelde gegevens, voor zover het een beleggingsonderneming betreft waarop, indien zij haar zetel had gehad in een lidstaat, die verordening van toepassing zou zijn.
**4.** De door een entiteit voor risico-acceptatie als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend de gegevens, bedoeld in artikel 325 van de verordening solvabiliteit II.
**5.**
De door een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, bijkantoor als bedoeld in artikel 3:82, tweede lid, van de wet, of bijkantoor van een herverzekeraar als bedoeld in artikel 3:86, tweede lid, te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. de gegevens, bedoeld in titel I, hoofdstuk XIII, afdeling 1, van de verordening solvabiliteit II;
b. andere voor toezichtdoeleinden benodigde periodieke informatie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II.
**6.**
De door een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet met beperkte risico-omvang of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:86, tweede lid, van de wet van een verzekeraar met beperkte risico-omvang te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. een jaarrekening alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
1°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, eerste lid, 3:61, eerste of tweede lid, of 3:62 van de wet; en
2°. de technische voorzieningen ingevolge artikel 3:67, 3:69 of 3:73 van de wet.
**7.**
De door een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
De door een beleggingsonderneming of kredietinstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:82, eerste lid, van de wet of door een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:86, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. balans- en resultatengegevens alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, eerste lid, van de wet;
c. voor zover van toepassing een opgave van het gemiddeld uitstaand elektronisch geld.
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
**8.** De door een bank als bedoeld in artikel 3:77 van de wet met betrekking tot het bijkantoor te verstrekken staten omvatten uitsluitend de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ten behoeve van de doeleinden, genoemd in artikel 40 van de richtlijn kapitaalvereisten.
1°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste lid, of 3:61, eerste lid, van de wet;
2°. het aanhouden van balansposten en posten buiten de balanstelling ingevolge artikel 3:57, zevende lid, 3:58, eerste lid, of 3:61, eerste lid, van de wet; en
3°. de liquiditeit ingevolge artikel 3:63, eerste lid, 3:64 of 3:65 van de wet.
**9.**
**2.**
De door een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
De door een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:82, tweede lid, of 3:86, tweede lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. een jaarrekening alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
1°. het bedrag aan eigen vermogen ingevolge artikel 3:53 van de wet;
2°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57 van de wet;
3°. het beleggingsbeleid ingevolge artikel 3:267b van de wet;
4°. informatie inzake de uitgevoerde pensioenregelingen.
1°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste of tweede lid, 3:59, 3:61, eerste of tweede lid, of 3:62 van de wet; en
2°. de technische voorzieningen ingevolge artikel 3:67, 3:68, 3:69 of 3:73 van de wet.
**10.** De door een beheerder als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten bevatten uitsluitend balans- en resultaatgegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot het bedrag aan eigen vermogen ingevolge artikel 3:53 en de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, van de wet. Indien een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet omvatten de door hem te verstrekken staten tevens de in artikel 54 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen bedoelde gegevens.
**11.**
De door een afwikkelonderneming als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. balans- en resultatengegevens alsmede aanvullende gegevens ten behoeve van toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. gegevens met betrekking tot de verrichte girale betalingstransacties, bedoeld in de artikelen 2:3.0c, 2:3.0h of 2:3.0m van de wet.
**12.**
De door een kredietunie als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. balans- en resultatengegevens en aanvullende gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
1°. het bedrag aan eigen vermogen ingevolge artikel 3:53, eerste lid, van de wet;
2°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, eerste lid, van de wet;
3°. de liquiditeit ingevolge artikel 3:63, eerste lid, van de wet.
**13.**
De door een bank als bedoeld in artikel 3:82, eerste lid, van de wet met betrekking tot het bijkantoor te verstrekken informatie omvat uitsluitend de gegevens:
a. genoemd in artikel 47, eerste lid bis, onderdeel a tot en met g, van de richtlijn kapitaalvereisten;
b. andere door de Nederlandsche Bank voor toezichtdoeleinden benodigde periodieke informatie als bedoeld in artikel 47, eerste lid bis, onderdeel h, van de richtlijn kapitaalvereisten.
**3.** De door een bijkantoor als bedoeld in artikel 3:77 van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend gegevens ten behoeve van het toezicht op de liquiditeit ingevolge artikel 3:64.
### Artikel 131
@ -2535,145 +2107,53 @@ De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van het bepaalde ingevolge het Dee
a. de modellen van de staten;
b. de reikwijdte van toepassing van de staten en de mate van detaillering van de in te vullen gegevens; deze omvatten geen uitbreiding of nadere rubricering van de staten;
c. de reikwijdte van de consolidatie overeenkomstig de regels met betrekking tot consolidatie die de financiële onderneming in haar jaarrekening toepast, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit;
d. de waardering van de posten overeenkomstig artikel 3:69a van de wet en artikel 4, derde lid;
d. de waardering van de posten overeenkomstig de waarderingsmethoden die de financiële onderneming in haar jaarrekening toepast;
e. de te hanteren valuta en rekeneenheid;
f. de afronding;
g. de termijn waarbinnen de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze niet korter is dan noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet en ten behoeve van de uitvoering van de bij of krachtens dat deel gestelde regels met betrekking tot het depositogarantiestelsel; en
g. de termijn waarbinnen de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze niet korter is dan noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet; en
h. de frequentie waarmee de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze ten minste een maal per jaar is.
**2.**
De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, f, g en h, zijn afgestemd op de aard en de omvang van de financiële onderneming, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de financiële onderneming. De frequentie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, is evenwel niet hoger dan:
a. twaalf maal per jaar voor de staten ten behoeve van het toezicht op de liquiditeit, bedoeld in artikel 415 van de verordening kapitaalvereisten;
b. vier maal per jaar, voor de staten, bedoeld in artikel 130, tweede en derde lid, onderdeel b;
c. een maal per jaar voor de jaarrekening, bedoeld in artikel 130, zesde lid, onderdeel a, en de staten ten behoeve van het toezicht op de technische voorzieningen, bedoeld in artikel 130, zesde lid, onderdeel b, onder 2°; en
d. vier maal per jaar voor de overige in artikel 130, eerste en zesde lid, genoemde staten;
e. twee maal per jaar voor de in artikel 130, zevende lid, genoemde staten;
f. een maal per jaar voor de jaarrekening, bedoeld in artikel 130, negende lid, onderdeel a;
g. vier maal per jaar voor de in artikel 130, negende lid, onderdeel b, genoemde staten;
h. twee maal per jaar voor de in artikel 130, tiende lid, genoemde staten. Indien een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet: vier maal per jaar;
i. tweemaal per jaar voor de in artikel 130, twaalfde lid, genoemde staten.
a. twaalf maal per jaar voor de staten ten behoeve van het toezicht op de liquiditeit, bedoeld in artikel 130, eerste lid, onderdeel b, onder 3° en derde lid;
b. een maal per jaar voor de jaarrekening, bedoeld in artikel 130, tweede lid, onderdeel a, en de staten ten behoeve van het toezicht op de technische voorzieningen, bedoeld in artikel 130, tweede lid, onderdeel b, onder 2°; en
c. vier maal per jaar voor de overige in artikel 130, eerste en tweede lid, genoemde staten.
**3.** De Nederlandsche Bank kan in individuele gevallen besluiten dat een financiële onderneming als bedoeld in artikel 130 periodiek moet melden of haar solvabiliteit of liquiditeit zich boven een door de Nederlandsche Bank vastgestelde signaleringswaarde bevindt. De frequentie van de melding is niet hoger dan een maal per maand en is afgestemd op de aard en de omvang van de financiële onderneming, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de financiële onderneming.
**4.**
De Nederlandsche Bank kan, met inachtneming van artikel 35, zesde tot en met achtste lid, van de richtlijn solvabiliteit II, ontheffing verlenen van:
a. de verplichting periodieke rapportagestaten vaker dan eenmaal per jaar te verstrekken;
b. itemgewijze rapportageverplichtingen.
### Artikel 131a
Vervallen
**4.** Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 48, onderdeel f, doet de melding, bedoeld in het derde lid, met redenen omkleed aan de Nederlandsche Bank in elke maand waarin zij niet ingevolge het tweede lid, onderdeel c, staten verstrekt. Zij meldt daarbij in ieder geval wat de waarde van haar toetsingsvermogen is, hoe deze waarde is berekend en hoe deze waarde zich verhoudt tot de waarde van haar toetsingsvermogen zoals vermeld in de laatst verstrekte staten.
### Artikel 132
Indien een beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 130 de staten niet langs elektronische weg verstrekt, kan de Nederlandsche Bank, op verzoek van de financiële onderneming, besluiten dat het de financiële onderneming is toegestaan andere informatiedragers dan de modellen, bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, te gebruiken, indien deze wat betreft indeling en inhoud geen afwijking vertonen van de modellen.
Indien een beleggingsonderneming, clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 130 de staten niet langs elektronische weg verstrekt, kan de Nederlandsche Bank, op verzoek van de financiële onderneming, besluiten dat het de financiële onderneming is toegestaan andere informatiedragers dan de modellen, bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, te gebruiken, indien deze wat betreft indeling en inhoud geen afwijking vertonen van de modellen.
### Artikel 133
Het onderzoek van de staten, bedoeld in artikel 130, door de accountant, uitmondend in een verklaring omtrent de getrouwheid als bedoeld in artikel 3:72, zevende lid, eerste volzin, van de wet, wordt een maal per jaar uitgevoerd. De Nederlandsche Bank stelt regels waarin wordt bepaald welke staten door de accountant in zijn onderzoek worden betrokken, met dien verstande dat een beheerder, betaalinstelling of elektronischgeldinstelling die een maal per jaar een door een accountant gewaarmerkte jaarrekening verstrekt daarmee voldoet aan de verplichting als bedoeld in artikel 3:72, zevende lid, van de wet. De accountant waarmerkt deze staten.
**1.** Het onderzoek van de staten, bedoeld in artikel 130, door de accountant, uitmondend in een verklaring omtrent de getrouwheid als bedoeld in artikel 3:72, zevende lid, eerste volzin, van de wet, wordt een maal per jaar uitgevoerd. De Nederlandsche Bank stelt regels waarin wordt bepaald welke staten door de accountant in zijn onderzoek worden betrokken. De accountant waarmerkt deze staten.
**2.**
Het onderzoek van het actuarieel verslag van een verzekeraar als bedoeld in artikel 130, tweede lid, door de actuaris, uitmondend in een verklaring als bedoeld in artikel 3:73 van de wet, wordt een maal per jaar uitgevoerd en omvat:
a. de toets, bedoeld in artikel 121, eerste lid, onderdeel a, voor zover het betreft verzekeringen met een contractduur van meer dan vier jaar waarbij gedurende de contractduur:
1°. de premie jaarlijks niet of slechts beperkt kan worden verhoogd; en
2°. de risicos significant oplopen; en
b. de toets, bedoeld in artikel 121, tweede lid, met inachtneming van de artikelen 98, derde en vierde lid, en 121, derde en vierde lid.
### Artikel 134
**1.**
De Nederlandsche Bank stelt aan de hand van openbare gegevens uit de staten de volgende niet-geaggregeerde kerngegevens van banken met zetel in Nederland vast en publiceert die op haar website:
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 130, tweede lid, maakt de staten, bedoeld in dat lid, onderdeel a, vergezeld van de verklaring, bedoeld in artikel 3:73 van de wet, jaarlijks binnen een termijn van zes maanden openbaar, voor zover het gaat om staten omvattende:
a. de volgende gegevens met betrekking tot de activa:
a. de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens en wat betreft indeling en inhoud in de vorm waarin deze zijn opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekening standaarden;
b. indien van toepassing: informatie over de winstdeling ten gunste van polishouders per productgroep; en
c. indien van toepassing: financiële informatie over de zorgverzekering, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet.
1°. de totale activa;
2°. het totaal aan hypothecaire kredieten voor woningaankoop;
3°. het totaal aan bedrijfskredieten;
4°. het totaal aan financiële activa;
b. het totaal aan onvolwaardige leningen, uitgedrukt als percentage van het totaal aan leningen;
c. het totaal aan voorzieningen op leningen, uitgedrukt als percentage van het totaal aan leningen;
d. de volgende gegevens met betrekking tot de passiva:
1° totale passiva;
2°. het eigen vermogen;
3°. het vreemd vermogen, met afzonderlijke vermelding van gelden aangehouden door huishoudens;
e. de verplichtingen buiten de balans;
f. de volgende gegevens met betrekking tot de resultatenrekening:
1°. de totale baten;
2°. de netto rentebaten;
3°. de netto baten uit dienstverlening en provisies;
4°. de overige baten;
5°. het resultaat na belastingen;
g. het tier 1-kapitaal, bedoeld in artikel 25 van de verordening kapitaalvereisten;
h. het tier 1-kernkapitaal, bedoeld in artikel 50 van de verordening kapitaalvereisten;
i. het totaal van de risicoposten (de risicogewogen activa), bedoeld in artikel 92, derde lid, van de verordening kapitaalvereisten;
j. de volgende ratios, bedoeld in artikel 92 van de verordening kapitaalvereisten:
1°. de totale kapitaalratio;
2°. de tier 1 kapitaalratio;
3°. de tier 1-kernkapitaalratio;
4°. de hefboomratio.
**2.** De Nederlandsche Bank maakt de gegevens uit de staten die zij bij het vaststellen van de kerngegevens gebruikt bekend en maakt bekend op welk consolidatieniveau de door haar te gebruiken gegevens betrekking hebben.
**3.** De kerngegevens hebben betrekking op de financiële toestand van een bank per 30 juni en 31 december van elk jaar.
**4.** De Nederlandsche Bank actualiseert een kerngegeven tweemaal per jaar, op de laatste werkdag van juni en van december van elk jaar, tenzij het een kerngegeven, genoemd in onderdeel f, is en de bank waarop het gegeven betrekking heeft de gewoonte heeft haar resultatenrekening maar eenmaal per jaar te publiceren.
**5.** De Nederlandsche Bank gebruikt bij het vaststellen van een kerngegeven gegevens uit de meest actuele staten die haar twee weken voorafgaand aan de publicatie ter beschikking staan.
### Paragraaf 13.2a. Melding van gebeurtenissen of omstandigheden die de ordelijke uitoefening van het bedrijf van afwikkelonderneming bedreigen
### Artikel 134a
Tot de gegevens, bedoeld in artikel 3:73a van de wet, behoren in ieder geval de gegevens met betrekking tot storingen die zich hebben voorgedaan of bijna hebben voorgedaan in het verrichten van afwikkeldiensten.
### Paragraaf 13.2b. Publicatieverplichtingen voor banken en beleggingsondernemingen
### Artikel 134b
**1.** Een bank als bedoeld in artikel 3:74a, eerste lid, van de wet die over een website beschikt, geeft daarop uitleg over de wijze waarop zij voldoet aan de vereisten inzake bestuur, beloning en publicatie van gegevens in artikel 17c, de bij of krachtens artikel 23e, vijfde lid, gestelde regels, het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten en artikel 3:8, derde en vierde lid, van de wet.
**2.** Een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten die over een website beschikt, geeft daarop uitleg over de wijze waarop zij voldoet aan de bij of krachtens artikel 23e, vijfde lid, gestelde regels en het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten.
**3.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
### Paragraaf 13.2c. Door verzekeraars openbaar te maken informatie
### Artikel 134c
**1.** Een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, publiceert jaarlijks een rapport over de solvabiliteit en financiële positie overeenkomstig de artikelen 51 en 53, derde en vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II en met inachtneming van titel I, hoofdstuk XII, van de verordening solvabiliteit II.
**2.** De verzekeraar maakt in het geval van belangrijke ontwikkelingen die van invloed zijn op de relevantie van de overeenkomstig het eerste lid bekend gemaakte informatie, informatie bekend over de aard en gevolgen van die belangrijke ontwikkelingen, overeenkomstig artikel 54 van de richtlijn en met inachtneming van artikel 302 van de verordening solvabiliteit II.
### Artikel 134d
Artikel 134c is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
### Artikel 134da
**1.** De Nederlandsche Bank staat een verzekeraar als bedoeld in artikel 134c of artikel 134d toe bepaalde informatie in het rapport over de solvabiliteit en financiële positie niet openbaar bekend te maken, indien is voldaan aan een van de voorwaarden, genoemd in artikel 53, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II.
**2.** De verzekeraar vermeldt in het rapport over de solvabiliteit en financiële positie de reden voor het niet openbaar bekend maken van de in het eerste lid bedoelde informatie.
### Artikel 134db
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 134c of 134d behoeft tot en met 31 december 2020 de informatie, bedoeld in artikel 51, tweede lid, derde alinea, van de richtlijn solvabiliteit II niet afzonderlijk openbaar te maken.
### Artikel 134e
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:73c, 3:82a of 3:86a met beperkte risico-omvang maakt jaarlijks binnen een termijn van zes maanden de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens openbaar en vermeldt daarbij in de toelichting op de jaarrekening:
a. de in overeenstemming met de wet en dit besluit opgestelde balans en de daarbij gehanteerde grondslagen en methoden voor de waardering van activa, technische voorzieningen en andere verplichtingen, met een toelichting op de belangrijkste verschillen met de grondslagen en methoden die in de jaarrekening voor de waardering ervan zijn gehanteerd;
b. het bedrag en de samenstelling van het aanwezige solvabiliteitskapitaal;
c. het bedrag van het solvabiliteitskapitaalvereiste en van het minimumkapitaalvereiste;
d. indien artikel 19, derde lid, op de verzekeraar van toepassing is: het bedrag van de technische voorzieningen indien deze worden berekend op basis van afkoop van alle verzekeringen;
e. indien van toepassing: informatie over de winstdeling ten gunste van polishouders per productgroep;
f. indien de verzekeraar niet voldoet aan het minimumkapitaalvereiste of significant niet voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste: het bedrag van het tekort alsmede een toelichting op de oorzaak en gevolgen ervan en de genomen corrigerende maatregelen;
g. indien de verzekeraar ondernemingspecifieke parameters gebruikt voor de berekening van zijn solvabiliteitskapitaalvereiste: de belangrijkste verschillen tussen die parameters en de aannames die ten grondslag liggen aan de standaardformule;
h. indien aan de verzekeraar door de Nederlandsche Bank specifieke parameters ter berekening van verzekeringstechnische risicomodules zijn opgelegd: het effect daarvan, alsmede de gronden van het daartoe strekkende besluit van de Nederlandsche Bank.
**2.** De verzekeraar stelt de openbaar te maken staten in al zijn kantoren in Nederland beschikbaar en verzendt deze, op verzoek, aan een ieder tot achttien maanden na afloop van het boekjaar tegen niet meer dan de kostprijs.
### Paragraaf 13.3. Verstrekking van de opgave van gesloten verzekeringen
@ -2689,24 +2169,12 @@ h. indien aan de verzekeraar door de Nederlandsche Bank specifieke parameters te
**5.** De artikelen 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 132 zijn van overeenkomstige toepassing op de verstrekking van de opgaven, bedoeld in het eerste tot en met derde lid.
### Paragraaf 13.4. Verstrekking gegevens door beheerders van beleggingsinstellingen
### Artikel 135a
**1.** De Nederlandsche Bank kan, al dan niet periodiek, andere gegevens dan de gegevens, bedoeld in artikel 24, eerste, tweede en vierde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen, van een beheerder van een beleggingsinstelling verlangen indien de Nederlandsche Bank dit nodig acht om de stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen.
**2.** De Nederlandsche Bank kan de in het eerste lid bedoelde gegevens alleen verlangen indien de Europese Autoriteit van effecten en markten hiervan in kennis is gesteld of de Europese Autoriteit van effecten en markten de Nederlandsche Bank hierom heeft verzocht.
## Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten
### Artikel 135b
De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot het effectief verlenen van afwikkeldiensten.
## Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant
## Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant en de actuaris
### Artikel 136
**1.**
De door een accountant als bedoeld in artikel 3:88, tweede lid, 3:90, 3:91 of 3:93 van de wet te verstrekken gegevens zijn:
a. het accountantsverslag aan de bestuurders en de raad van commissarissen;
@ -2714,49 +2182,31 @@ b. de directiebrieven;
c. overige correspondentie tussen de accountant en de financiële onderneming die rechtstreeks betrekking heeft op de verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening of de staten van de financiële onderneming; en
d. indien de Nederlandsche Bank daarom verzoekt, een nadere toelichting op de gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met c.
**2.**
De door een actuaris als bedoeld in artikel 3:89, eerste lid, 3:92 of 3:94 van de wet te verstrekken gegevens zijn:
a. het actuarieel rapport en het actuarieel verslag aan de bestuurders en de raad van commissarissen;
b. overige stukken die voortvloeien uit de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3:73 van de wet; en
c. indien de Nederlandsche Bank daarom verzoekt, een nadere toelichting op de gegevens, bedoeld in de onderdelen a en b.
### Artikel 137
**1.** De accountant die voornemens is gegevens als bedoeld in artikel 136 te verstrekken, stelt de financiële onderneming daarvan in kennis.
**1.** De accountant of actuaris die voornemens is gegevens als bedoeld in artikel 136, eerste onderscheidenlijk tweede lid, te verstrekken, stelt de financiële onderneming daarvan in kennis.
**2.** Indien de financiële onderneming dat wenst, kan zij zelf de gegevens aan de Nederlandsche Bank verstrekken. In dat geval stelt zij de accountant daarvan in kennis. De accountant vergewist zich ervan dat de Nederlandsche Bank de gegevens heeft ontvangen en dat de inhoud van de gegevens hem geen aanleiding geeft alsnog gegevens aan de Nederlandsche Bank te verstrekken.
**2.** Indien de financiële onderneming dat wenst, kan zij zelf de gegevens aan de Nederlandsche Bank verstrekken. In dat geval stelt zij de accountant of de actuaris daarvan in kennis. De accountant of de actuaris vergewist zich ervan dat de Nederlandsche Bank de gegevens heeft ontvangen en dat de inhoud van de gegevens hem geen aanleiding geeft alsnog gegevens aan de Nederlandsche Bank te verstrekken.
**3.** Indien de accountant schriftelijk gegevens verstrekt aan de Nederlandsche Bank, zendt hij onverwijld aan de financiële onderneming een afschrift van de gegevens en, indien van toepassing, van de begeleidende brief.
**3.** Indien de accountant of actuaris schriftelijk gegevens verstrekt aan de Nederlandsche Bank, zendt hij onverwijld aan de financiële onderneming een afschrift van de gegevens en, indien van toepassing, van de begeleidende brief.
## Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen
### Artikel 138
**1.**
De gegevens, bedoeld in artikel 3:95, tweede lid, en 3:96, tweede lid, van de wet zijn:
1°. een opgave van de omvang van een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 3:95 van de wet;
2°. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 3:99 van de wet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de aanvrager of houder van een verklaring van geen bezwaar die op grond van zijn gekwalificeerde deelneming het beleid van de betrokken onderneming zou kunnen bepalen of mede bepalen of zou bepalen of mede bepalen;
3°. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:99a van de wet is bepaald met betrekking tot de geschiktheid, gelet op diens reputatie, van de aanvrager of houder van een verklaring van geen bezwaar die op grond van zijn gekwalificeerde deelneming het beleid van de betrokken onderneming zou kunnen bepalen of mede bepalen of zou bepalen of mede bepalen;
4°. bescheiden waaruit de financiële positie en de juridische groepsstructuur van de aanvrager of houder van een verklaring van geen bezwaar blijken; en
5°. bescheiden waaruit blijkt dat de financiële onderneming als gevolg van de gekwalificeerde deelneming zal kunnen blijven voldoen aan de prudentiële regels die ingevolge deze wet zijn gesteld.
**2.**
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder 2°, zijn:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in bijlage A bij dit besluit; en
d. een opgave van referenten.
**3.**
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder 3°, zijn:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. een curriculum vitae;
d. een opgave van de relevante diplomas;
e. gegevens met betrekking tot het verwerven en besturen van deelnemingen; en
f. een opgave van referenten.
**4.** De Nederlandsche Bank kan, in aanvulling op de gegevens, bedoeld in het eerste lid, andere gegevens van de aanvrager of houder van een verklaring van geen bezwaar verlangen, indien die gegevens nodig zijn voor de beoordeling of er sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 3:100, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet.
2°. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 3:99 van de wet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de aanvrager of houder van een verklaring van geen bezwaar die op grond van zijn gekwalificeerde deelneming het beleid van de betrokken onderneming zou kunnen bepalen of mede bepalen of zou bepalen of mede bepalen; en
3°. bescheiden waaruit de financiële positie en de juridische groepsstructuur van de aanvrager of houder van een verklaring van geen bezwaar blijken.
### Artikel 139
@ -2769,27 +2219,22 @@ d. activa die geen kortlopende vorderingen zijn en die op zeer korte termijn en
### Artikel 140
Een groepsmaatschappij verstrekt bij een kennisgeving als bedoeld in artikel 3:103a, eerste lid, van de wet aan de Nederlandsche Bank de volgende gegevens:
**1.**
Een groepsmaatschappij verstrekt bij een kennisgeving als bedoeld in artikel 3:103a, eerste lid, van de wet aan de Nederlandsche Bank de volgende gegevens:
Een verklaring van geen bezwaar betreffende een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 3:96, eerste lid, onderdeel c, van de wet wordt verleend, indien:
a. een omschrijving van de wijziging, bedoeld in artikel 3:103a, eerste lid, van de wet;
b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 3:100, eerste lid, onderdeel a, van de wet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de persoon die als gevolg van de voorgenomen wijziging het beleid van de betrokken onderneming zou kunnen bepalen of mede bepalen of zou bepalen of mede bepalen;
c. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 3:99a van de wet is bepaald met betrekking tot de geschiktheid, gelet op diens reputatie, van de persoon die als gevolg van de voorgenomen wijziging het beleid van de betrokken onderneming zou kunnen bepalen of mede bepalen of zou bepalen of mede bepalen;
d. bescheiden waaruit de financiële positie van de bij de voorgenomen wijziging betrokken groepsmaatschappijen, bedoeld in artikel 3:103a, eerste lid, van de wet blijkt, voor zover deze informatie niet eerder, voor de uitoefening van haar toezicht, aan de Nederlandsche Bank is verstrekt;
e. bescheiden waaruit de juridische groepsstructuur als gevolg van de wijziging blijkt.
a. de waarde van de gekwalificeerde deelneming bij verwerving of na vergroting van de gekwalificeerde deelneming niet groter is dan vijftien procent van het toetsingsvermogen van de bank, zoals berekend ingevolge de artikelen 90 tot en met 94, met uitzondering van de vermindering, bedoeld in artikel 94, tweede lid, aanhef en onderdelen f en g; en
b. de totale waarde van de gekwalificeerde deelnemingen van de bank in ondernemingen die geen financiële ondernemingen zijn, door de nieuwe of vergrote gekwalificeerde deelneming niet groter wordt dan 60 procent van het toetsingsvermogen van de bank, zoals berekend ingevolge de artikelen 90 tot en met 94, met uitzondering van de vermindering, bedoeld in artikel 94, tweede lid, aanhef en onderdelen f en g.
## Hoofdstuk 15a. Verlenen betaaldiensten door tussenkomst betaaldienstagent
**2.**
### Artikel 140a
Een verklaring van geen bezwaar betreffende een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 3:96, eerste lid, onderdeel c, van de wet wordt, onverminderd het eerste lid, verleend, indien:
De gegevens, bedoeld in artikel 3:111b, eerste lid, van de wet zijn:
a. de gekwalificeerde deelneming wordt verworven en gehouden in het kader van een schuldsanering of reddingsoperatie bij de betrokken onderneming;
b. de gekwalificeerde deelneming wordt verworven en gehouden in het kader van een overgenomen emissie van aandelen; of
c. de gekwalificeerde deelneming wordt verworven en tijdelijk gehouden in het kader van een stallingaffaire op eigen naam van de bank maar voor rekening van derden.
a. een opgave van de naam, het adres, het telefoon- en faxnummer en emailadres van de betaaldienstagent;
b. een beschrijving van de interne controlemechanismen die door de betaaldienstagent zullen worden gebruikt om de in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme neergelegde verplichtingen na te komen; en
c. de identiteit van de bestuurders en de personen die verantwoordelijk zijn voor het beleid van de betaaldienstagent die bij het aanbieden van betaaldiensten wordt gebruikt, alsmede gegevens waaruit blijkt dat zij betrouwbaar en deskundig zijn;
d. de betaaldiensten die de betaaldienstagent namens de betaalinstelling verleent; en
e. voor zover van toepassing, de unieke identificatiecode of het unieke identificatienummer van de betaaldienstagent.
**3.** Een verklaring van geen bezwaar voor een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in het tweede lid wordt voor bepaalde tijd verleend; de gekwalificeerde deelnemingwordt niet betrokken in de berekening op grond van het eerste lid.
## Hoofdstuk 16. Slotbepalingen
@ -2799,14 +2244,14 @@ e. voor zover van toepassing, de unieke identificatiecode of het unieke identifi
Onverminderd het tweede lid is hoofdstuk 5 niet van toepassing op overeenkomsten met betrekking tot het uitbesteden van werkzaamheden die:
a. zijn gesloten door een clearinginstelling, bank, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:18, eerste lid, 3:23, 3:26 of 3:27 van de wet voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit; en
a. zijn gesloten door een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:18, eerste lid, 3:23, 3:25, 3:26 of 3:27 van de wet voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit; en
b. voldoen aan de op dat moment geldende regelgeving.
**2.** Indien de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, materieel wordt aangepast, is hoofdstuk 5 vanaf dat moment van toepassing op de gehele overeenkomst.
### Artikel 142
Voor het boekjaar 2007 wordt het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge voor herverzekeraars of schadeverzekeraars die zorgverzekeringen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet of daarop aanvullende ziektekostenverzekeringen herverzekeren onderscheidenlijk uitvoeren, bepaald op de wijze als bedoeld in artikel 67, met dien verstande dat bij de berekening en de verhouding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b onderscheidenlijk c, van dat artikel niet wordt uitgegaan van de afgelopen drie boekjaren, maar van de boekjaren 2006 en 2007.
Voor het boekjaar 2007 wordt het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge voor schadeverzekeraars die zorgverzekeringen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet of daarop aanvullende ziektekostenverzekeringen uitvoeren, bepaald op de wijze als bedoeld in artikel 67, met dien verstande dat bij de berekening en de verhouding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b onderscheidenlijk c, van dat artikel niet wordt uitgegaan van de afgelopen drie boekjaren, maar van de boekjaren 2006 en 2007.
### Artikel 143
@ -2814,7 +2259,7 @@ Wijzigt dit besluit.
### Artikel 144
**1.** De ingevolge dit besluit te verstrekken staten worden voor de eerste maal verstrekt over het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2007.
**1.** De ingevolge dit besluit te verstrekken staten worden voor de eerste maal verstrekt over het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2007.
**2.** Ten aanzien van de staten over het in 2006 geëindigde boekjaar blijft het bepaalde ingevolge artikel 55, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, het Besluit staten verzekeringsbedrijf 1994, het Besluit staten natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en artikel 8 van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 van toepassing.
@ -2824,7 +2269,7 @@ Een besluit, genomen op grond van een van de artikelen, bedoeld in kolom A, word
### Artikel 146
Indien de Nederlandsche Bank ten aanzien van een bank of elektronischgeldinstelling een besluit heeft genomen dat overeenkomt met een besluit als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, of derde lid, 62, vijfde lid, 64, 92, tweede of derde lid, 93, 102, zevende lid, wordt het eerstbedoelde besluit aangemerkt als besluit in de zin van het desbetreffende artikel. De aan het besluit gestelde beperkingen of verbonden voorschriften blijven van kracht.
Indien de Nederlandsche Bank ten aanzien van een bank of elektronischgeldinstelling een besluit heeft genomen dat overeenkomt met een besluit als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, of derde lid, 62, vijfde lid, 64, 92, tweede of derde lid, 93, 102, vierde lid, of 105, tweede lid, wordt het eerstbedoelde besluit aangemerkt als besluit in de zin van het desbetreffende artikel. De aan het besluit gestelde beperkingen of verbonden voorschriften blijven van kracht.
### Artikel 147
@ -2836,12 +2281,6 @@ Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit prudentiële regels Wft.
## Bijlage A. behorend bij
## Bijlage B. behorende bij
## Bijlage B. , behorende bij
## Bijlage C. behorende bij
Vervallen
## Bijlage D
Vervallen
Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn: