2021-01-01 | BWBR0015703 | Wet werk en bijstand
This commit is contained in:
parent
aa2c76710e
commit
40a770cec9
1 changed files with 32 additions and 32 deletions
|
|
@ -525,11 +525,11 @@ a. indienen door de belanghebbende van een aanvraag tot vervroeging van de ingan
|
|||
b. benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente zolang de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, en:
|
||||
|
||||
1°. tijdens de toetsingsperiode de ingangsdatum van de lijfrente niet is uitgesteld;
|
||||
2°. voor zover de totale waarde van deze lijfrente of lijfrenten niet meer bedraagt dan € 263.006,00, waarbij voor de vaststelling van de waarde wordt uitgegaan van de waarde zonder aftrek van de eventueel door de belanghebbende daarover verschuldigde bedragen als bedoeld in artikel 31, derde lid; en
|
||||
2°. voor zover de totale waarde van deze lijfrente of lijfrenten niet meer bedraagt dan € 265.952,00, waarbij voor de vaststelling van de waarde wordt uitgegaan van de waarde zonder aftrek van de eventueel door de belanghebbende daarover verschuldigde bedragen als bedoeld in artikel 31, derde lid; en
|
||||
3°. voor zover de inleg in het kader van de lijfrente of lijfrenten:
|
||||
|
||||
(i) voorafgaand aan de toetsingsperiode heeft plaatsgevonden; of
|
||||
(ii) tijdens de toetsingsperiode heeft plaatsgevonden, daarbij jaarlijks ten minste enige inleg heeft plaatsgevonden en de inleg ten hoogste € 6.312,00 per jaar heeft bedragen.
|
||||
(ii) tijdens de toetsingsperiode heeft plaatsgevonden, daarbij jaarlijks ten minste enige inleg heeft plaatsgevonden en de inleg ten hoogste € 6.383,00 per jaar heeft bedragen.
|
||||
|
||||
**3.** In dit artikel wordt verstaan onder toetsingsperiode: periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag om bijstand.
|
||||
|
||||
|
|
@ -734,32 +734,32 @@ d. een persoon is die:
|
|||
|
||||
Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar zonder ten laste komende kinderen is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
|
||||
|
||||
a. een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar: € 261,44;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: € 522,88;
|
||||
c. gehuwden waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, zonder kostendelende medebewoners: € 1.017,89.
|
||||
a. een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar: € 265,49;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: € 530,98;
|
||||
c. gehuwden waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, zonder kostendelende medebewoners: € 1.033,66.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar met een of meer ten laste komende kinderen is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
|
||||
|
||||
a. een alleenstaande ouder van 18, 19 of 20 jaar: € 261,44;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: € 825,46;
|
||||
c. gehuwden waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, zonder kostendelende medebewoners: € 1.320,47.
|
||||
a. een alleenstaande ouder van 18, 19 of 20 jaar: € 265,49;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: € 838,25;
|
||||
c. gehuwden waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, zonder kostendelende medebewoners: € 1.340,93.
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
Voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
|
||||
|
||||
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder zonder kostendelende medebewoners: € 1.059,03;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd, zonder kostendelende medebewoners: € 1.512,90.
|
||||
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder zonder kostendelende medebewoners: € 1.075,44;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd, zonder kostendelende medebewoners: € 1.536,34.
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
Voor belanghebbenden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
|
||||
|
||||
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder zonder kostendelende medebewoners: € 1.184,26;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, zonder kostendelende medebewoners: € 1.606,88;
|
||||
c. gehuwden waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, doch de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, zonder kostendelende medebewoners: € 1.606,88.
|
||||
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder zonder kostendelende medebewoners: € 1.195,97;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, zonder kostendelende medebewoners: € 1.620,74;
|
||||
c. gehuwden waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, doch de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, zonder kostendelende medebewoners: € 1.620,74.
|
||||
|
||||
### Artikel 22a
|
||||
|
||||
|
|
@ -782,8 +782,8 @@ c. 22, onderdeel b, indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd he
|
|||
|
||||
Voor rechthebbende gehuwden, waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder is, met een of meer kostendelende medebewoners, is de norm per kalendermaand:
|
||||
|
||||
a. indien ze een of meer ten laste komende kinderen hebben: € 564,02 plus de op basis van dit artikel van toepassing zijnde norm voor de echtgenoot van 21 jaar of ouder,
|
||||
b. indien ze geen ten laste komende kinderen hebben: € 261,44 plus de op basis van dit artikel van toepassing zijnde norm voor de echtgenoot van 21 jaar of ouder.
|
||||
a. indien ze een of meer ten laste komende kinderen hebben: € 572,76 plus de op basis van dit artikel van toepassing zijnde norm voor de echtgenoot van 21 jaar of ouder,
|
||||
b. indien ze geen ten laste komende kinderen hebben: € 265,49 plus de op basis van dit artikel van toepassing zijnde norm voor de echtgenoot van 21 jaar of ouder.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b
|
||||
|
||||
|
|
@ -795,15 +795,15 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Bij een verblijf in een inrichting is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
|
||||
|
||||
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 335,33;
|
||||
b. gehuwden: € 521,59.
|
||||
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 340,53;
|
||||
b. gehuwden: € 529,67.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bedrag van de norm, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met:
|
||||
|
||||
a. voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 33,00;
|
||||
b. voor gehuwden € 74,00.
|
||||
a. voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 34,00;
|
||||
b. voor gehuwden € 76,00.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de norm de som van de normen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -859,15 +859,15 @@ f. vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de tegemoetkoming ontvan
|
|||
g. vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij voor deze vergoedingen en verstrekkingen bijstand wordt verleend;
|
||||
h. inkomsten uit arbeid van de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen uitkeringen inzake werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, tenzij het de verlening van bijzondere bijstand betreft voor bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan van die kinderen;
|
||||
i. rente ontvangen over op grond van artikel 34, tweede lid, onderdelen b en c, niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden;
|
||||
j. een een- of tweemalige premie van ten hoogste € 2.592,00 per kalenderjaar, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling;
|
||||
j. een een- of tweemalige premie van ten hoogste € 2.629,00 per kalenderjaar, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling;
|
||||
k. een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag;
|
||||
l. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade;
|
||||
m. giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn;
|
||||
n. inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 217,00 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling;
|
||||
n. inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 220,00 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling;
|
||||
o. de ten behoeve van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij een uitvoerder als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van die wet, zoals dit artikellid op 31 december 2011 luidde opgebouwde voorziening;
|
||||
p. een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 29a van de Algemene nabestaandenwet;
|
||||
q. een uitkering als bedoeld in artikel 118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet of een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2:52 of 3:10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
|
||||
r. inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 135,49 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, ingeval:
|
||||
r. inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 137,46 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, ingeval:
|
||||
|
||||
1°. hij de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 12 jaar,
|
||||
2°. de periode van zes maanden, bedoeld in onderdeel n, is verstreken, en
|
||||
|
|
@ -878,7 +878,7 @@ u. hetgeen een mantelzorger op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 2
|
|||
v. een uitkering tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn ouder of ouders ontvangt, voor zover deze uitkering op grond van artikel 12 reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand;
|
||||
w. het vrijgelaten deel van de toeslag, uitkering, kinderbijslag of ouderdomspensioen op grond van de artikelen 14h, vijfde lid, van de Toeslagenwet, 27h, vijfde lid, van de Werkloosheidswet, 54a, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 24a, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 29h,vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 97, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 45h, vijfde lid, van de Ziektewet, 17h, vijfde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, 45a, vijfde lid, van de Algemene nabestaandenwet, 17j, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 29, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en 29, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
|
||||
x. een inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 33a van de Algemene Ouderdomswet;
|
||||
y. inkomsten uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is tot 15 procent van deze inkomsten uit arbeid, met een maximum van € 137,42 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, tenzij onderdeel n of r van toepassing is.
|
||||
y. inkomsten uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is tot 15 procent van deze inkomsten uit arbeid, met een maximum van € 139,41 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, tenzij onderdeel n of r van toepassing is.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -937,8 +937,8 @@ b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
|
|||
|
||||
Indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of een van de echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, wordt voor de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand een in de vorm van een periodieke uitkering ontvangen particuliere oudedagsvoorziening buiten beschouwing gelaten tot een bedrag van:
|
||||
|
||||
a. voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder: € 20,60 per kalendermaand;
|
||||
b. voor de gehuwden tezamen: € 41,20 per kalendermaand.
|
||||
a. voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder: € 20,85 per kalendermaand;
|
||||
b. voor de gehuwden tezamen: € 41,70 per kalendermaand.
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
|
|
@ -956,7 +956,7 @@ Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
|
|||
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
|
||||
b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;
|
||||
c. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;
|
||||
d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 52.500,00;
|
||||
d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 53.100,00;
|
||||
e. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m;
|
||||
f. de voorziening, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel o.
|
||||
|
||||
|
|
@ -964,9 +964,9 @@ f. de voorziening, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel o.
|
|||
|
||||
De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
|
||||
|
||||
a. voor een alleenstaande: € 6.225,00;
|
||||
b. voor een alleenstaande ouder: € 12.450,00;
|
||||
c. voor de gehuwden tezamen: € 12.450,00.
|
||||
a. voor een alleenstaande: € 6.295,00;
|
||||
b. voor een alleenstaande ouder: € 12.590,00;
|
||||
c. voor de gehuwden tezamen: € 12.590,00.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -981,9 +981,9 @@ b. tijdens de bijstandsverlening niet in aanmerking is genomen op grond van dit
|
|||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
|
||||
**1.** Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
|
||||
|
||||
**2.** Het college kan bijzondere bijstand weigeren, indien de in het eerste lid bedoelde kosten binnen twaalf maanden een bedrag van € 137,00 niet te boven gaan.
|
||||
**2.** Het college kan bijzondere bijstand weigeren, indien de in het eerste lid bedoelde kosten binnen twaalf maanden een bedrag van € 138,00 niet te boven gaan.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een persoon worden verleend in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering of in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de kosten van die verzekering of die premie ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1029,7 +1029,7 @@ d. door een structurele medische beperking tijdens de studie geen inkomsten kan
|
|||
|
||||
**1.** In deze paragraaf wordt onder netto minimumloon verstaan het minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting en premies volksverzekeringen.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend voor een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt rekening houdend met uitsluitend 170% van de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, over het minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag daarover.
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend voor een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt rekening houdend met uitsluitend 168,125% van de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, over het minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag daarover.
|
||||
|
||||
**3.** Onder consumentenprijsindex wordt in deze afdeling verstaan hetgeen daaronder in artikel 13, zevende lid, van de Algemene Kinderbijslagwet wordt verstaan.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue