2014-12-16 | BWBR0029195 | Vennootschapsbelasting, fiscale eenheid
This commit is contained in:
parent
fc7027a28c
commit
4155962410
1 changed files with 55 additions and 1 deletions
|
|
@ -48,6 +48,60 @@ De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op artikel 63 van de Al
|
|||
|
||||
### 2.1. Gevoegde dochtermaatschappij verkrijgt status van subjectief vrijgesteld lichaam
|
||||
|
||||
Op 11 december 2014 heeft Hof Amsterdam uitspraak gedaan in een drietal zaken. Het hof heeft beslist dat een verzoek om een fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting tussen een in Nederland gevestigde moedermaatschappij en een in Nederland gevestigde kleindochtermaatschappij waarvan de aandelen worden gehouden via een tussenmaatschappij in een andere lidstaat van de Europese Unie, moet worden ingewilligd. Het hof heeft hetzelfde beslist voor in Nederland gevestigde zustermaatschappijen waarvan de aandelen gehouden worden door een topmaatschappij gevestigd in een andere lidstaat. De onderdelen 2.1.1., 2.1.2. en 2.1.3. van dit besluit werken beide mogelijkheden nader uit.
|
||||
|
||||
Dit besluit verandert niets voor de nu al bestaande fiscale eenheden. Overigens kan een in Nederland gevestigde moedermaatschappij niet gevoegd worden met haar kleindochtermaatschappij zonder dat de in Nederland gevestigde tussenliggende vennootschappen in de fiscale eenheid worden opgenomen.
|
||||
|
||||
#### 2.1.1. Goedkeuring
|
||||
|
||||
Ik keur goed, vooruitlopend op wijziging van de wet- en regelgeving inzake de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, dat verzoeken voor een fiscale eenheid van zustermaatschappijen via een topmaatschappij of voor een fiscale eenheid via een of meer tussenmaatschappij(en) worden ingewilligd als aan de omstandigheden vermeld in de onderdelen 2.1.2. en 2.1.3. van dit besluit wordt voldaan. De fiscale eenheid bestaat dan uit de in Nederland gevestigde maatschappijen waarbij een top- of tussenmaatschappij geen deel uitmaakt van die fiscale eenheid. De wettelijke bepalingen van artikel 15 tot en met 15aj van de Wet Vpb 1969 en het Besluit Fiscale eenheid 2003 zijn voor het overige van, waar nodig overeenkomstige, toepassing.
|
||||
|
||||
Hierna ga ik in op de praktische uitwerking.
|
||||
|
||||
#### 2.1.2. Fiscale eenheid van zustermaatschappijen
|
||||
|
||||
Als twee of meer in Nederland gevestigde zustermaatschappijen van een topmaatschappij worden gevoegd, bepalen belastingplichtigen zelf wie van deze zusters als moedermaatschappij en wie als dochtermaatschappij wordt aangemerkt. Deze keuze moet worden gedaan bij het verzoek, en voor zover dat nog niet is gebeurd bij de al ingediende verzoeken zo spoedig mogelijk na publicatie van dit besluit. Na totstandkoming van de fiscale eenheid kan op deze keuze niet meer worden teruggekomen. Het is echter bij die keuze niet mogelijk dat een belastingplichtige waarvan één of meer aandelen gehouden worden door een andere maatschappij die deel uitmaakt of gaat uitmaken van de fiscale eenheid, als moedermaatschappij optreedt.
|
||||
|
||||
Bij een voeging in de loop van het jaar sluit de belastingplichtige die wordt aangemerkt als moedermaatschappij zijn boekjaar af op het tijdstip direct voorafgaande aan de totstandkoming van de fiscale eenheid. Hetzelfde geldt voor de belastingplichtige die wordt aangemerkt als dochtermaatschappij. Hierbij wordt aangesloten bij de werking van artikel 7, vierde lid, van de Wet Vpb 1969. Als gevolg van de fiscale eenheid gaan de werkzaamheden en het vermogen van de zustermaatschappij(en) die als dochtermaatschappij is/zijn aangemerkt deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de zustermaatschappij die als moedermaatschappij optreedt. Dit leidt tot een onbelaste vermogenssprong bij de (aangewezen) moedermaatschappij.
|
||||
|
||||
Deze goedkeuring is ook van toepassing als de topmaatschappij de aandelen in de zustermaatschappijen middellijk houdt via uitsluitend één of meer belastingplichtigen die van de fiscale eenheid deel uitmaken en/of een of meer tussenmaatschappijen. Voor de tussenmaatschappij(en) gelden dan slechts de voor die maatschappijen onder paragraaf 1.1., onder 1. en 2. van dit besluit vermelde voorwaarden die betrekking hebben op de vestigingsplaats en de onderworpenheidseis. De topmaatschappij dient middellijk aandelen te hebben in ten minste twee belastingplichtigen ten aanzien waarvan wordt voldaan aan de bezitseis van artikel 15, eerste lid, en tweede lid van de Wet Vpb 1969.
|
||||
|
||||
Een in Duitsland gevestigde topmaatschappij A AG bezit alle aandelen van de eveneens in Duitsland gevestigde tussenmaatschappijen B GmbH en C GmbH. B GmbH bezit alle aandelen van D BV en C GmbH bezit alle aandelen van E BV; beide vennootschappen zijn in Nederland gevestigd. D BV en E BV kunnen in dit geval een fiscale eenheid vormen.
|
||||
|
||||
Vanuit de topmaatschappij bezien telt een middellijk bezit van de aandelen alleen mee, indien deze onmiddellijk worden gehouden door één of meer belastingplichtigen die van de fiscale eenheid deel uitmaken, of één of meer tussenmaatschappijen.
|
||||
|
||||
##### 2.1.2.1. Illustraties
|
||||
|
||||
Onmiddellijk:
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Middellijk 1:
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Middellijk 2:
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
#### 2.1.3. Fiscale eenheid moeder/kleindochter
|
||||
|
||||
Als een fiscale eenheid tot stand komt via een tussenmaatschappij blijft op het belang in die tussenmaatschappij de deelnemingsvrijstelling van toepassing alsof er geen fiscale eenheid is.
|
||||
|
||||
Als gevolg van de fiscale eenheid gaan de werkzaamheden en het vermogen van de kleindochter deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij. Dit heeft geen gevolgen voor de fiscale waardering van de onmiddellijke aandelenband in de tussenmaatschappij. Het vermogen van de moedermaatschappij neemt toe of af met de fiscale boekwaarde van het vermogen van de dochtermaatschappij. Dit leidt tot een onbelaste vermogenssprong. Deze vermogenssprong is overigens anders van samenstelling dan in volledig binnenlandse verhoudingen. Daar betreft het namelijk het verschil tussen de fiscale waardering van de te voegen deelneming bij de moedermaatschappij en de hoogte van het eigen vermogen van die te voegen dochter.
|
||||
|
||||
Deze goedkeuring is ook van toepassing als de aandelen in de tussenmaatschappij worden gehouden via uitsluitend één of meer belastingplichtigen die van de fiscale eenheid deel uitmaken en/of één of meer tussenmaatschappijen. Voor de eerstgenoemde tussenmaatschappij geldt dan niet de voorwaarde, zoals omschreven in punt 1.1 van dit besluit, dat haar aandelen worden gehouden door één of meer belastingplichtigen die van de fiscale eenheid deel uitmaken; de overige voorwaarden zijn wel van toepassing.
|
||||
|
||||
De in Nederland gevestigde vennootschap A NV bezit alle aandelen van de eveneens in Nederland gevestigde vennootschap B BV. B BV bezit alle aandelen van een in Frankrijk gevestigde tussenmaatschappij C SarL, terwijl C SarL alle aandelen bezit van de ook in Frankrijk gevestigde tussenmaatschappij D SarL. D SarL vervolgens bezit alle aandelen van E BV, gevestigd in Nederland. A NV, B BV en E BV kunnen een fiscale eenheid vormen.
|
||||
|
||||
Vanuit de moedermaatschappij bezien telt een middellijk bezit van de aandelen alleen mee, indien deze onmiddellijk worden gehouden door één of meer belastingplichtigen die van de fiscale eenheid deel uitmaken, of één of meer tussenmaatschappijen.
|
||||
|
||||
##### 2.1.3.1. Illustraties
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
### 2.2. Gevoegde dochtermaatschappij verkrijgt status van subjectief vrijgesteld lichaam
|
||||
|
||||
Eén van de eisen voor een fiscale eenheid is dat deze wordt gevormd door twee of meer belastingplichtigen. Als een tot de fiscale eenheid behorende maatschappij op zelfstandige basis beoordeeld niet langer belastingplichtig is, leidt dit tot verbreking van de fiscale eenheid (artikel 15, zesde lid, van de Wet Vpb). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen vanaf het moment dat een maatschappij op grond van artikel 5 van de Wet Vpb subjectief is vrijgesteld. De maatschappij is in dat geval geen belastingplichtige meer in de zin van artikel 15, eerste lid, van de Wet Vpb. Tevens wordt in dat geval niet meer voldaan aan het in artikel 15, derde lid, onderdeel *b*, van de Wet Vpb opgenomen vereiste dat voor het bepalen van de winst bij beide belastingplichtigen dezelfde bepalingen van toepassing zijn.
|
||||
|
||||
## 3. Bezitseis
|
||||
|
|
@ -119,7 +173,7 @@ Bepalend hierbij is of de financieringskosten op grond van de nationale wetgevin
|
|||
|
||||
### 6.1. Verrekening van aanloopverliezen over het voegingstijdstip heen
|
||||
|
||||
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 11 december 2002, Stb. 618, houdende wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid) heb ik aangegeven het destijds geldende beleid voort te zetten voor de verrekening van aanloopverliezen over het voegingstijdstip heen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 26 854, nr. 45d, blz. 20-21).
|
||||
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 11 december 2002, Stb. 618, houdende wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid) heb ik aangegeven het destijds geldende beleid voort te zetten voor de verrekening van aanloopverliezen over het voegingstijdstip heen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 26 854, nr. 45d, blz. 20-21).
|
||||
|
||||
Ik keur goed dat binnen een fiscale eenheid die tot stand is gekomen op de voet van artikel 15 van de Wet Vpb – zoals deze bepaling luidde vóór 1 januari 2003 – de verrekening van aanloopverliezen, die zijn geleden over boekjaren vóór 1995 (1995/1996), als volgt plaatsvindt.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue