2025-07-01 | BWBW33099 | Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003

This commit is contained in:
Coornhert 2025-07-01 12:00:00 +00:00
parent 68e02749c6
commit 4177c1b6f6

View file

@ -3180,7 +3180,11 @@ Mocht de optant inmiddels zijn verhuisd naar een andere gemeente in Nederland, d
##### 2.7. Archivering
Tot slot archiveert de burgemeester de optieverklaring en de daarbij behorende documenten die hebben geleid tot de optiebevestiging, alsmede afschriften van de bevestiging gedurende ten minste twaalf jaar na de bekendmaking van de bevestiging (artikel 12, tweede lid, BVVN). Deze bewaarplicht in het BVVN is een uitvloeisel van artikel 14, eerste lid, RWN waarin is voorzien in de intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap binnen twaalf jaar na de bevestiging, indien de verkrijging van het Nederlanderschap berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. Voor de bijzondere gevallen waarin ook na twaalf jaar nog intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap mogelijk is, is een langere archieftijd in het kader van de RWN weliswaar wenselijk, maar niet noodzakelijk, omdat het verzwijgen van dergelijke misdrijven altijd bewust zal gebeuren. De bewaarplicht op grond van artikel 12 BVVN laat overigens onverlet de (bewaar)verplichtingen op grond van de Archiefwet.
Tot slot archiveert de burgemeester de optieverklaring en de daarbij behorende documenten die hebben geleid tot de optiebevestiging, alsmede afschriften van de bevestiging gedurende ten minste twaalf jaar na de bekendmaking van de bevestiging (artikel 12, tweede lid, BvvN). Deze bewaarplicht in het BvvN is een uitvloeisel van artikel 14, eerste lid, RWN waarin is voorzien in de intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap binnen twaalf jaar na de bevestiging, indien de verkrijging van het Nederlanderschap berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De bewaarplicht op grond van artikel 12 BvvN laat overigens onverlet de (bewaar)verplichtingen op grond van de Archiefwet.
Conform artikel 5 van de Archiefwet is een bewaartermijnenlijst opgesteld (Selectielijst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en rechtsvoorgangers vanaf 5 mei 1945, 9 april 2021), zoals vastgesteld in de Staatscourant van 12 april 2021, nr. 17848. Hierbinnen is een blijvende bewaartermijn opgenomen voor stukken betreffende het verkrijgen van het Nederlanderschap, wat in de praktijk betekent dat de dossiers nooit worden vernietigd. Artikel 7 van de Archiefwet geeft de zorgdrager de bevoegdheid om documenten te vervangen door reproducties, teneinde de aldus vervangen documenten te vernietigen. In de praktijk betekent dit dat de zorgdrager, na aan de daarvoor gestelde eisen te hebben voldaan, bevoegd is om papieren documenten te digitaliseren, waarbij het document een digitale vorm krijgt (bijv. PDF-format), om vervolgens de vervangen papieren documenten te vernietigen.
Zodra de vervanging is voltooid, heeft het digitale document de juridische status die het papieren document eerst had. Artikel 6 en 8 van het Archiefbesluit verplichten de zorgdrager om een besluit op te stellen en deze bekend te maken indien er vervanging zal worden toegepast. Artikel 2, 6 en 8 van het Archiefbesluit en artikel 26a, 26b en 59a van de Archiefregeling stellen verdere eisen aan het vervangingsbesluit en aan de werkwijze inzake vervanging.
##### 2.8. Weigering bevestiging
@ -4537,24 +4541,19 @@ Alleen als betrokkene er op staat om tóch, ondanks het ontbreken van het juiste
In deze paragrafen wordt uitleg gegeven over vreemdelingen die het verblijfsrecht aan het Unierecht ontlenen. Het gaat hierbij om burgers van de Europese Unie, burgers van de Europese Economische Ruimte (IJsland, Noorwegen, Liechtenstein) en vreemdelingen met de Zwitserse nationaliteit. Daarnaast gaat het over de specifieke positie van hun familielid-derdelanders.
In paragraaf 3.4.2 wordt algemene uitleg gegeven over het Unierecht en worden een aantal begrippen uitgelegd.
In paragraaf 3.4.2 wordt algemene uitleg gegeven over het Unierecht en worden een aantal begrippen uitgelegd.
In paragraaf 3.4.3 wordt uitleg gegeven over het verblijfsrecht dat aan het Unierecht ontleend kan worden, op basis van Richtlijn 2004/38/EG.
In paragraaf 3.4.3 wordt uitleg gegeven over het verblijfsrecht dat aan het Unierecht ontleend kan worden, op basis van Richtlijn 2004/38/EG.
Naast verblijf op basis van Richtlijn 2004/38/EG kan een vreemdeling ook verblijfsrecht ontlenen aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) of Verordening 492/2011.
Op een derdelands familielid, die het verblijfsrecht ontleent aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) of Verordening 492/2011, is het gestelde in paragraaf 3.4.3 van toepassing, als hij een van de volgende verblijfsdocumenten overlegt:
Daarbij is ingegaan op de vraag of al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Ook wordt aangegeven op welke wijze een vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Unierecht, dit verblijfsrecht kan of moet aantonen.
familielid EU/EER met de opmerking Fam. van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl 2004/38/EG.
familielid EU/EER met de opmerking Fam. van een burger van de Unie conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG.
Daarbij is ingegaan op de vraag bij welk verblijfsrecht al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Ook wordt aangegeven op welke wijze een vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Unierecht, dit verblijfsrecht kan of moet aantonen.
In paragraaf 3.4.4 wordt ingegaan op de vraag of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd voor vreemdelingen met de Britse nationaliteit en hun familielid-derdelanders, die een naturalisatieverzoek hebben ingediend en die hun verblijfsrecht ontlenen aan het Terugtrekkingsakkoord tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie (vanwege het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie).
In paragraaf 3.4.4 wordt ingegaan op de vraag of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd voor vreemdelingen met de Britse nationaliteit en hun familielid-derdelanders, die een naturalisatieverzoek hebben ingediend en die hun verblijfsrecht ontlenen aan het Terugtrekkingsakkoord tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie (vanwege het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie).
###### 3.4.2. Algemeen
De lidstaten van de Europese Unie zijn in de eerste plaats zelf bevoegd de voorwaarden te bepalen voor het verkrijgen van de nationaliteit. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft dan ook de bevoegdheid om te bepalen in welke situaties er bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN (zie rechtsoverweging 4.3 van de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:395). Dat geldt ook voor vreemdelingen die hun verblijfsrecht ontlenen aan het Unierecht.
De lidstaten van de Europese Unie zijn in de eerste plaats zelf bevoegd de voorwaarden te bepalen voor het verkrijgen van de nationaliteit. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft dan ook de bevoegdheid om te bepalen in welke situaties er bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN (zie rechtsoverweging 4.3 van de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:395). Dat geldt ook voor vreemdelingen die hun verblijfsrecht ontlenen aan het Unierecht.
Onder Unierecht wordt verstaan het geheel van EU-verdragen, verordeningen, richtlijnen, inclusief de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Voor deze paragraaf zijn vooral het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en Richtlijn 2004/38/EG relevant.
@ -4570,7 +4569,7 @@ Van een burger van de Unie/EER of van een Zwitserse onderdaan mag niet worden ge
Een familielid-derdelander is wel verplicht om na de eerste drie maanden verblijf in de vrije termijn´ een EU/EER verblijfsdocument te bezitten. Een familielid-derdelander moet in het kader van een optie- of naturalisatieprocedure zijn verblijfsrecht daarom aantonen met een verblijfsdocument.
Heeft een familielid-derdelander geen verblijfsdocument, dan wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. Als een familielid-derdelander zonder verblijfsdocument toch een verzoek wil indienen, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
Heeft een familielid-derdelander geen verblijfsdocument, dan wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. Als een familielid-derdelander zonder verblijfsdocument toch een verzoek wil indienen, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
Er zijn ook nog oude EU-verblijfsdocumenten in omloop. Het gaat dan om de verblijfskaart EU/EER met als opmerking Gemeenschapsonderdaan. Deze werd uitgegeven aan:
@ -4578,29 +4577,21 @@ Er zijn ook nog oude EU-verblijfsdocumenten in omloop. Het gaat dan om de verbli
een familielid-derdelander, die korter dan vijf jaar legaal verblijf in Nederland heeft; of
een familielid-derdelander, die duurzaam verblijfsrecht heeft.
Op het verblijfsdocument voor een familielid-derdelander, die geen duurzaam verblijfsrecht heeft, staat op de achterzijde van het document vermeld dat een beroep op de publieke middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht.
Op het verblijfsdocument voor een familielid-derdelander, die duurzaam verblijfsrecht heeft, staat deze vermelding niet op de achterzijde van het document opgenomen.
Als een familielid-derdelander een verblijfskaart EU/EER met als opmerking Gemeenschapsonderdaan overlegt, met de vermelding op de achterzijde dat een beroep op de publieke middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht, dan geldt niet altijd als bewijs dat er geen bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.
Er bestaan bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, als het familielid-derdelander (die niet de nationaliteit heeft van een lidstaat van de EU, EER of Zwitserland) het verblijfsrecht ontleent aan een minderjarige (zie verder de toelichting bij de kopjes Verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU en Verblijfsrecht op grond van artikel 10 Vo 492/2011).
Met behulp van de Bijlage 1 en 7 bij dit artikellid kan worden bepaald of er ten aanzien van een vreemdeling die verblijfsrecht aan het Unierecht ontleent al dan niet bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.
Met behulp van de Bijlage 1 en 7 bij dit artikellid kan worden bepaald of er ten aanzien van een vreemdeling die verblijfsrecht aan het Unierecht ontleent al dan niet bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.
###### 3.4.3. Vreemdelingen die verblijfsrecht aan
Het verblijfsrecht op basis van Richtlijn 2004/38/EG is onderverdeeld in:
a. een verblijfsrecht voor maximaal drie maanden (artikel 6 Richtlijn 2004/38/EG);
b. een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden (artikel 7 Richtlijn 2004/38/EG);
c. en een duurzaam verblijfsrecht na een onafgebroken (legale) verblijfsperiode van vijf jaar op grond van de Richtlijn 2004/38/EG in het gastland (artikel 16 Richtlijn 2004/38/EG).
a. een verblijfsrecht voor maximaal drie maanden (artikel 6 Richtlijn 2004/38/EG);
b. een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden (artikel 7 Richtlijn 2004/38/EG);
c. en een duurzaam verblijfsrecht na een onafgebroken (legale) verblijfsperiode van vijf jaar op grond van de Richtlijn 2004/38/EG in het gastland (artikel 16 Richtlijn 2004/38/EG).
Aan het verblijfsrecht voor maximaal drie maanden zijn in het kader van de Richtlijn geen andere voorwaarden of formaliteiten gesteld dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. Dit verblijfsrecht is naar zijn aard tijdelijk. Er bestaan voor een vreemdeling die het verblijfsrecht aan het Unierecht ontleent in deze periode van drie maanden dus bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.
Dit geldt dus voor zowel een burger van de Unie/EER, een Zwitserse onderdaan als een familielid-derdelander.
Een vreemdeling die het verblijfsrecht ontleent aan de voorwaarden van artikel 7 van Richtlijn 2004/38/EG, heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven. Voorwaarden zijn onder meer het uitoefenen van reële en daadwerkelijke arbeid, of het hebben van voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering.
Een vreemdeling die het verblijfsrecht ontleent aan de voorwaarden van artikel 7 van Richtlijn 2004/38/EG, heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven. Voorwaarden zijn onder meer het uitoefenen van reële en daadwerkelijke arbeid, of het hebben van voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering.
Er bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De naturalisatie doorkruist hier namelijk niet het toelatingsbeleid. Dit geldt dus voor zowel een burger van de Unie/EER, een Zwitserse onderdaan als een familielid-derdelander.
@ -4608,30 +4599,20 @@ Een burger van de Unie/EER of een Zwitserse onderdaan kan op aanvraag een Ver
Een burger van de Unie/EER of een Zwitserse onderdaan kan ook gevraagd worden de sticker in het paspoort te tonen.
Een familielid-derdelander toont het verblijfsrecht aan met een verblijfsdocument familielid EU/EER. Op het verblijfsdocument staat de opmerking Fam. van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl 2004/38/EG.
Een familielid-derdelander toont het verblijfsrecht aan met een verblijfsdocument familielid EU/EER. Op het verblijfsdocument staat de opmerking Fam. van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl 2004/38/EG.
Het verblijfsrecht gaat verloren, als:
het verblijf met een besluit wordt beëindigd (op gronden van openbare orde en openbare veiligheid, volksgezondheid, rechtsmisbruik of fraude, en een beroep op de algemene middelen); of
het verblijf van rechtswege eindigt (wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 7 van de Richtlijn 2004/38/EG).
het verblijf van rechtswege eindigt (wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 7 van de Richtlijn 2004/38/EG).
Dit verlies van het verblijfsrecht is niet goed vast te stellen bij het adviesgesprek van verzoeker met de burgemeester over het indienen van het naturalisatieverzoek. Indicaties voor het verlies van het verblijfsrecht staan hieronder opgenomen onder het kopje *Twijfel omtrent nog voldoen aan de voorwaarden en gronden tot intrekking EU-verblijfsrecht.* Daar staat ook aangegeven, hoe te handelen bij het adviesgesprek of bij het indienen van het naturalisatieverzoek.
Let op!
In sommige gevallen is bij een familielid-derdelander een verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG een bewijs van een verblijfsrecht, waartegen bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.
Een algemene richtlijn hiervoor is, dat als familielid-derdelander met het verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG zijn verblijfsrecht ontleent aan een minderjarige derdelander of Unieburger (niet met de Nederlandse nationaliteit), dat dan sprake is van bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Ook als een familielid-derdelander het verblijfsrecht ontleent aan een meerderjarig kind, dat nog studeert, dat dan is sprake is van bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.
Het is bij een familielid-derdelander van belang om door te vragen of hij het verblijfsrecht ontleent aan een minderjarige (burger van de Unie/EER, derdelander), een meerderjarig studerend kind of aan een meerderjarige in het algemeen.
Zie hieronder bij de beleidsregels met betrekking tot artikel 21 VWEU en artikel 10 van Verordening *nr. 492/2011*.
Een vreemdeling die het verblijfsrecht ontleent aan Richtlijn 2004/38/EG en die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, heeft automatisch en zonder een daartoe strekkende aanvraag (van rechtswege op grond van Richtlijn 2004/38/EG) een duurzaam verblijfsrecht. Er bestaan bij een duurzaam verblijfsrecht geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.
Een burger van de Unie/EER en een Zwitsers onderdaan kan het duurzaam verblijfsrecht aantonen met een verblijfsdocument (hij kan daartoe een aanvraag indienen), maar dit is niet verplicht. Voor een burger van de Unie/EER en een Zwitsers onderdaan is dat het verblijfsdocument EU/EER met de opmerking Burger van de Unie/EER conf. art. 19 Richtl. 2004/38/EG. Als hij het verblijfsrecht niet met een verblijfsdocument aantoont, dan kan het verblijfsrecht in beginsel afgeleid worden uit de BRP of BVV.
Een burger van de Unie/EER en een Zwitsers onderdaan kan het duurzaam verblijfsrecht aantonen met een verblijfsdocument (hij kan daartoe een aanvraag indienen), maar dit is niet verplicht. Voor een burger van de Unie/EER en een Zwitsers onderdaan is dat het verblijfsdocument EU/EER met de opmerking Burger van de Unie/EER conf. art. 19 Richtl. 2004/38/EG. Als hij het verblijfsrecht niet met een verblijfsdocument aantoont, dan kan het verblijfsrecht in beginsel afgeleid worden uit de BRP of BVV.
Het overleggen van een verblijfsdocument is wel vereist voor een familielid-derdelander. Hij toont het verblijfsrecht aan met het verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking Fam. van een burger van de Unie conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG.
Het overleggen van een verblijfsdocument is wel vereist voor een familielid-derdelander. Hij toont het verblijfsrecht aan met het verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking Fam. van een burger van de Unie conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG.
Het duurzaam verblijfsrecht gaat slechts verloren, als:
@ -4640,12 +4621,12 @@ Het duurzaam verblijfsrecht gaat slechts verloren, als:
Dit verlies van het verblijfsrecht is niet goed vast te stellen bij het adviesgesprek van verzoeker met de burgemeester over het indienen van het naturalisatieverzoek.
Indicaties voor het verlies van het verblijfsrecht staan hieronder opgenomen onder het kopje *Twijfel omtrent nog voldoen aan de voorwaarden en gronden tot intrekking EU-verblijfsrecht.* Daar staat ook aangegeven, hoe te handelen bij het adviesgesprek of bij het indienen van het naturalisatieverzoek.
Indicaties voor het verlies van het verblijfsrecht staan hieronder opgenomen onder het kopje* Twijfel omtrent nog voldoen aan de voorwaarden en gronden tot intrekking EU-verblijfsrecht. *Daar staat ook aangegeven, hoe te handelen bij het adviesgesprek of bij het indienen van het naturalisatieverzoek.
Het kan voorkomen dat een vreemdeling die het verblijfsrecht aan het Unierecht ontleent en die al dan niet in het bezit is van een verklaring van inschrijving van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), of een verblijfsdocument EU/EER niet meer voldoet aan de voorwaarden voor verblijf. Dat kan het geval zijn indien:
sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf naar het buitenland;
de vreemdeling die het verblijfsrecht aan Richtlijn 2004/38/EG ontleent een bijstandsuitkering ontvangt (dit is een indicatie dat niet meer beschikt wordt over voldoende middelen van bestaan, zoals vereist in artikel 7, eerste lid van de Richtlijn 2004/38/EG);
de vreemdeling die het verblijfsrecht aan Richtlijn 2004/38/EG ontleent een bijstandsuitkering ontvangt (dit is een indicatie dat niet meer beschikt wordt over voldoende middelen van bestaan, zoals vereist in artikel 7, eerste lid van de Richtlijn 2004/38/EG);
een familielid-derdelander het verblijfsrecht verliest na het overlijden of vertrek uit het gastland van de hoofdpersoon, als het familielid-derdelander vóór het overlijden of vertrek nog niet gedurende ten minste één jaar in het gastland heeft verbleven;
een familielid-derdelander het verblijfsrecht verliest na scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of beëindiging van het geregistreerde partnerschap (dit is het geval indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap nog niet ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan één jaar in het gastland).
@ -4660,42 +4641,34 @@ Vervolgens zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanb
Hieronder is het verblijfsrecht toegelicht van andere, niet op Richtlijn 2004/38/EG gebaseerde EU-verblijfsrechten.
Dit verblijfsrecht geldt alleen voor een familielid-derdelander. Een familielid-derdelander kan zijn verblijfsrecht ontlenen aan artikel 21 van het VWEU. Er zijn twee verschillende verblijfsrechten te onderscheiden:
Dit verblijfsrecht geldt alleen voor een familielid-derdelander. Een familielid-derdelander kan zijn verblijfsrecht ontlenen aan artikel 21 van het VWEU. Er zijn twee verschillende verblijfsrechten te onderscheiden:
1. verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU (de Europa- of Belgiëroute); of
2. verblijfsrecht van de verzorgende ouder van een minderjarige Unieburger op grond van artikel 21 VWEU.
1. verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU (de Europa- of Belgiëroute); of
2. verblijfsrecht van de verzorgende ouder van een minderjarige Unieburger op grond van artikel 21 VWEU.
Ad 1. Een familielid-derdelander kan zijn verblijfsrecht ontlenen op basis van de Europa-route als een familielid-derdelander gezinsleven heeft onderhouden met een Nederlander in een andere EU-lidstaat dan Nederland en aansluitend samen met deze Nederlander naar Nederland terugkeert. In bepaalde situaties kan het familielid dan een afgeleid verblijfsrecht van de Unieburger hebben op grond van artikel 21 VWEU.
Ad 1. Een familielid-derdelander kan zijn verblijfsrecht ontlenen op basis van de Europa-route als een familielid-derdelander gezinsleven heeft onderhouden met een Nederlander in een andere EU-lidstaat dan Nederland en aansluitend samen met deze Nederlander naar Nederland terugkeert. In bepaalde situaties kan het familielid dan een afgeleid verblijfsrecht van de Unieburger hebben op grond van artikel 21 VWEU.
Dit afgeleide verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU is een verblijfsrecht waartegen geen bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Een familielid-derdelander toont zijn verblijfsrecht aan met een verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG.
Dit afgeleide verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU is een verblijfsrecht waartegen geen bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Een familielid-derdelander toont zijn verblijfsrecht aan met een verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG.
Als verzoeker beschikt over duurzaam verblijfsrecht is evenmin sprake van bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG).
Als verzoeker beschikt over duurzaam verblijfsrecht is evenmin sprake van bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG).
Ad 2. Een familielid-derdelander kan zijn verblijfsrecht ook ontlenen aan een minderjarige burger van de Unie (niet-Nederlander), als het familielid-derdelander als ouder daadwerkelijk het ouderlijke gezag heeft over deze minderjarige burger van de Unie en daadwerkelijk voor hem zorgt.
Het verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU kan voor de ouder overigens alleen ontstaan als de minderjarige burger van de Unie zelf zijn verblijfsrecht ontleent aan Richtlijn 2004/38/EG.
Het verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU kan voor de ouder overigens alleen ontstaan als de minderjarige burger van de Unie zelf zijn verblijfsrecht ontleent aan Richtlijn 2004/38/EG.
Omdat het verblijfsrecht gebaseerd is op het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding met een minderjarige, welke eindig is, wordt het verblijfsrecht naar zijn aard als tijdelijk aangemerkt. Tegen dit verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU bij een minderjarige burger van de Unie bestaan dus bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
Tegen dit verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU bij een minderjarige burger van de Unie bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
Een familielid-derdelander, die verblijfsrecht als ouder ontleent aan het verblijf bij een minderjarige burger van de Unie wordt in het bezit gesteld van een verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG.
Een familielid-derdelander, die verblijfsrecht als ouder ontleent aan het verblijf bij een minderjarige burger van de Unie wordt in het bezit gesteld van een verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG.
Als verzoeker beschikt over duurzaam verblijfsrecht is geen sprake van bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG.
Als verzoeker beschikt over duurzaam verblijfsrecht is geen sprake van bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG.
Onder het kopje *Verblijfsrecht na drie maanden op grond van Richtlijn 2004/38/EG* zijn aanwijzingen gegeven, hoe onderkend kan worden dat een familielid-derdelander zijn verblijfsrecht als verzorgende ouder ontleent aan artikel 21 van het VWEU.
Dit verblijfsrecht geldt alleen voor een familielid-derdelander. Een familielid-derdelander kan verblijfsrecht ontlenen aan artikel 10 van Verordening 492/2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
Indien een familielid-derdelander het verblijfsrecht ontleent aan een meerderjarige burger van de Unie, niet-Nederlander, dan moet per geval worden bekeken of er sprake is van bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Als een familielid-derdelander het verblijfsrecht ontleent aan een minderjarige burger van de Unie, dan is er wel sprake van bedenkingen tegen het verblijf van onbepaalde tijd.
Een familielid-derdelander kan als verzorgende ouder verblijfsrecht ontlenen op grond van artikel 10 Vo 492/201.
Dit verblijfsrecht geldt alleen voor een familielid-derdelander. Een familielid-derdelander kan verblijfsrecht ontlenen aan artikel 10 van Verordening 492/2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
Bij een familielid-derdelander bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, als hij een verblijfsdocument familielid EU/EER, met de toelichting Fam. van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG overlegt.
Een familielid-derdelander kan als verzorgende ouder verblijfsrecht ontlenen op grond van artikel 10 Vo 492/201.
Bij een familielid-derdelander bestaan bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, als hij een verblijfsdocument familielid EU/EER, met de toelichting Fam. van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG overlegt.
Omdat het verblijfsrecht gebaseerd is op het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding met een minderjarige, welke eindig is, wordt het verblijfsrecht naar zijn aard als tijdelijk aangemerkt.
Als verzoeker beschikt over duurzaam verblijfsrecht is geen sprake van bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG.
Onder het kopje *Verblijfsrecht na drie maanden op grond van Richtlijn 2004/38/EG *zijn aanwijzingen gegeven, hoe onderkend kan worden dat een familielid-derdelander zijn verblijfsrecht als verzorgende ouder ontleent aan artikel 10 van Vo 492/2011.
Als verzoeker beschikt over duurzaam verblijfsrecht is geen sprake van bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument familielid EU/EER met de opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG.
###### 3.4.4. Britten met verblijfsrecht onder het Terugtrekkingsakkoord
@ -4855,44 +4828,17 @@ Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit
#### 7. Gemeenschapsonderdanen en familieleden derdelanders
| **Verblijfsduur van korter dan drie maanden** | |
| --- | --- |
| | *Altijd bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd* |
| **Verblijfsduur meer dan drie maanden** | |
| | Burger van de Unie/EER en Zwitsers onderdaan |
| | |
| | Bewijsmiddel (niet verplicht): Verklaring Inschrijving Burgers van de Unie, die als sticker in het paspoort wordt geplakt. |
| | |
| | *Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd* |
| | Familielid-derdelander van een burger van de Unie/EER of Zwitserland |
| | |
| | Bewijsmiddel: Familielid EU/EER: opmerking Fam. van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl 2004 2004/38/EG. |
| | |
| | *Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd1* |
| **Duurzaam verblijfsrecht (meer dan vijf jaar)** | |
| | Burger van de Unie/EER Zwitsers onderdaan |
| | |
| | Bewijsmiddel (niet verplicht): EU/EER: opmerking Burger van de Unie/EER: opmerking conf. art. 19 Richtl. 2004/38/EG |
| | |
| | *Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd* |
| | Familielid-derdelander |
| | |
| | Bewijsmiddel: Familielid EU/EER: opmerking Fam. van een burger van de Unie: opmerking: conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG |
| | |
| | *Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd* |
| **Verblijfsrechten op grond van artikel 21 VWEU en artikel 10 Vo 492/2011** | |
| | Familielid-derdelander met verblijfsrecht op basis van artikel 21 VWEU |
| | |
| | Bewijsmiddel: Familielid EU/EER: opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG (zowel bij de Europaroute als de verzorgende ouder die bij een minderjarige unieburger verblijft). |
| | |
| | Europaroute: *Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd* Verzorgende ouders van minderjarige Unieburgers: *Bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd* |
| | Familielid-derdelander met verblijfsrecht op basis van artikel 10 Vo 492/2011 |
| | |
| | Bewijsmiddel: Familielid EU/EER met de opmerking Fam. van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG |
| | |
| | *Bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd* |
^1 Zie verblijfsrechten op grond van artikel 21 VWEU en artikel 10 Vo 492/2011 voor uitzonderingen
| **Verblijfsduur van korter dan drie maanden** |
| --- |
| *Altijd bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd* |
| **Verblijfsduur meer dan drie maanden** |
| Burger van de Unie/EER en Zwitsers onderdaan Bewijsmiddel (niet verplicht): Verklaring Inschrijving Burgers van de Unie, die als sticker in het paspoort wordt geplakt. *Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd* |
| Familielid-derdelander van een burger van de Unie/EER of Zwitserland Bewijsmiddel: Familielid EU/EER: opmerking Fam. van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl 2004/38/EG. *Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd* |
| **Duurzaam verblijfsrecht (meer dan vijf jaar)** |
| Burger van de Unie/EER Zwitsers onderdaan Bewijsmiddel (niet verplicht): EU/EER: opmerking Burger van de Unie/EER: opmerking conf. art. 19 Richtl. 2004/38/EG *Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd* |
| Familielid-derdelander Bewijsmiddel: Familielid EU/EER: opmerking Fam. van een burger van de Unie: opmerking: conf. art. 20 Richtl. 2004/38/EG *Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd* |
| **Verblijfsrechten op grond van artikel 21 VWEU en artikel 10 Vo 492/2011** |
| Familielid-derdelander met verblijfsrecht op basis van artikel 21 VWEU Bewijsmiddel: Familielid EU/EER: opmerking fam van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG (zowel bij de Europaroute als de verzorgende ouder die bij een minderjarige unieburger verblijft). *Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd* |
### 8-1-c. Toelichting ad
@ -5325,19 +5271,18 @@ Als de verzoeker inburgeringsplichtig is geweest conform de Wet inburgering, zoa
Naast de ontheffing op grond van medische redenen kan er ook een ontheffing worden gegeven op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen. Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland geeft hieraan uitwerking.
Deze ontheffing kan worden verleend in de volgende drie gevallen:
De verzoeker die een beschikking van het college van burgemeester en wethouders overlegt waaruit blijkt dat hij aantoonbaar geleverde inspanningen heeft geleverd komt op grond van de Wet inburgering 2007 en artikel 6, derde lid van de Regeling Naturalisatietoets in aanmerking voor ontheffing van de naturalisatietoets.
1. De verzoeker overlegt op grond van artikel 4, aanhef en onder b, van het Besluit Naturalisatietoets een beschikking van DUO namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waaruit blijkt dat hij op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet inburgering geen verplichting heeft tot het afleggen van de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de Wet inburgering. Deze beschikking is voldoende voor de vier taalvaardigheden en kennis van de Nederlandse samenleving. Omdat deze verzoeker volgens de Wet inburgering de verplichting van het participatieverklaringstraject heeft (gehad) zal hij moeten aantonen dat hij dat traject heeft gedaan. De verzoeker kan dit aantonen door een brief van DUO te overleggen, waarin staat dat de vreemdeling heeft voldaan aan zijn inburgeringsplicht, omdat DUO aan de vreemdeling ontheffing heeft verleend op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen en hij om deze reden de inburgeringsexamens niet hoeft te behalen, en omdat de vreemdeling het participatieverklaringstraject heeft afgerond. Als de verzoeker niet kan aantonen dat hij het participatieverklaringstraject heeft afgerond, kan hij niet naturaliseren.
Deze ontheffing kan worden verleend in de volgende vier gevallen:
1. De verzoeker overlegt op grond van artikel 4, aanhef en onder b, van het Besluit Naturalisatietoets een beschikking van DUO namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waaruit blijkt dat hij op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2021, geen verplichting heeft tot het afleggen van de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2021. Deze beschikking is voldoende voor de vier taalvaardigheden en kennis van de Nederlandse samenleving. Omdat deze verzoeker volgens de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2021, de verplichting van het participatieverklaringstraject heeft (gehad) zal hij moeten aantonen dat hij dat traject heeft gedaan. De verzoeker kan dit aantonen door een brief van DUO te overleggen, waarin staat dat de vreemdeling heeft voldaan aan zijn inburgeringsplicht, omdat DUO aan de vreemdeling ontheffing heeft verleend op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen en hij om deze reden de inburgeringsexamens niet hoeft te behalen, en omdat de vreemdeling het participatieverklaringstraject heeft afgerond. Als de verzoeker niet kan aantonen dat hij het participatieverklaringstraject heeft afgerond, kan hij niet naturaliseren.
2. De verzoeker overlegt een beschikking van DUO namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waaruit blijkt dat hij op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 30 september 2017, is ontheven van de inburgeringsplicht wegens aantoonbaar geleverde inspanningen. De verzoeker kan met deze beschikking naturaliseren.
3. De verzoeker overlegt een advies van DUO, waaruit blijkt dat het voor hem ondanks aantoonbaar geleverde inspanningen redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij het inburgeringsexamen met succes aflegt. De verzoeker hoeft de naturalisatietoets niet te behalen. Meer informatie, zie paragraaf 2.3.4 en paragraaf 2.3.5.
3. De verzoeker die een beschikking van het college van burgemeester en wethouders overlegt waaruit blijkt dat hij aantoonbaar geleverde inspanningen heeft geleverd komt op grond van de Wet inburgering 2007 en artikel 6, derde lid van de Regeling Naturalisatietoets in aanmerking voor ontheffing van de naturalisatietoets.
4. De verzoeker overlegt een advies van DUO, waaruit blijkt dat het voor hem ondanks aantoonbaar geleverde inspanningen redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij het inburgeringsexamen met succes aflegt. De verzoeker hoeft de naturalisatietoets niet te behalen. Meer informatie, zie paragraaf 2.3.4 en paragraaf 2.3.5.
Tot 1 juli 2013 gold dat voor ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen het haalbaarheidsonderzoek bij het ROC Amsterdam moest worden afgelegd en de Toets Gesproken Nederlands (TGN) moest worden gehaald. De door het ROC Amsterdam in dit kader opgestelde adviezen konden tot vijf jaar na hun afgiftedatum nog worden ingediend in een naturalisatieverzoek. Voor meer informatie hierover zie de Handleiding RWN zoals deze gold tot 1 juli 2013.
Het advies van DUO als bedoeld onder 3. kan ook worden verkregen door de vreemdeling die inburgeringsplichtig is onder de Wet inburgering 2021, als de aantoonbaar geleverde inspanningen overeenkomen met het gestelde in artikel 6, vierde lid, RNT Nederland en paragraaf 2.3.4 bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d) van de Handleiding RWN. Omdat de vreemdeling weliswaar inburgeringsplichtig is, maar artikel 4, negende lid, van de Regeling naturalisatietoets Nederland niet ziet op de Wi2021 hoeft hij niet het participatieverklaringstraject te hebben voltooid (zie ook paragraaf 2.2.3 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN).
Let op! Een ontheffingsbeschikking van de inburgeringsplicht op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen afgegeven door het college van B&W geeft niet automatisch recht op ontheffing van de naturalisatietoets.
Wel staat het de vreemdeling vrij om bij DUO een adviesaanvraag als hierboven bedoeld onder punt 3 in te dienen, waarbij de beschikking van B&W met onderliggende stukken (bijvoorbeeld bewijs van aantal gevolgde uren onderwijs, afgelegde examenpogingen, eerdere leerbaarheidstoets etc) kan worden ingezonden. DUO zal deze gegevens vervolgens meewegen in haar advies. De vreemdeling moet dit advies van DUO overleggen bij zijn verzoek om naturalisatie.
Het advies van DUO als bedoeld onder 4. kan ook worden verkregen door de vreemdeling die inburgeringsplichtig is onder de Wet inburgering 2021, als de aantoonbaar geleverde inspanningen overeenkomen met het gestelde in artikel 6, vierde lid, RNT Nederland en paragraaf 2.3.4 bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d) van de Handleiding RWN. Omdat de vreemdeling weliswaar inburgeringsplichtig is, maar artikel 4, negende lid, van de Regeling naturalisatietoets Nederland niet ziet op de Wi2021 hoeft hij niet het participatieverklaringstraject te hebben voltooid (zie ook paragraaf 2.2.3 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN).
Bij twijfel over de echtheid van de beschikking of het advies van DUO, of bij twijfel of het participatieverklaringstraject is afgerond, kan DUO of het Informatiesysteem Inburgering (ISI) geraadpleegd worden.
@ -6066,7 +6011,7 @@ A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie. Weliswaar
##### 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
Het betreft hier verzoekers die bij het indienen van het verzoek om naturalisatie aantonen dat zij in het bezit zijn van verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd) of verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd). Ingevolge artikel 9, derde lid, aanhef en onder e RWN zijn bovenstaande verzoekers vrijgesteld van de afstandsplicht en zijn zij derhalve niet verplicht om de bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijk nationaliteit(en) (model 2.4) te ondertekenen.
Het betreft hier verzoekers die bij het indienen van het verzoek om naturalisatie aantonen dat zij in het bezit zijn van verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd) of verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd). Ingevolge artikel 9, derde lid, aanhef en onder d, RWN zijn bovenstaande verzoekers vrijgesteld van de afstandsplicht en zijn zij derhalve niet verplicht om de bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijk nationaliteit(en) (model 2.4) te ondertekenen.
De reden voor bovenstaande uitzondering op de afstandsverplichting is dat het in deze gevallen onverantwoord is de verzoeker te verplichten contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden zijn deze categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het legalisatievereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen dat vereiste.
@ -6094,7 +6039,7 @@ De verzoeker hoeft geen bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijke
#### 4. Bewijsstukken
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt (zie artikel 183, tweede lid, WBRv). Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn (zie artikel 183, derde lid, WBRv).
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Wat authentieke akten zijn (en wat niet) is terug te vinden in artikel 156 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Voor het verkrijgen van documenten, alsmede voor de vertaling en, indien nodig, legalisatie van deze stukken, dient de verzoeker zelf te zorgen. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.4.
@ -8481,6 +8426,24 @@ Als met het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgersc
De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.
In de volgende gevallen kan niet worden gesteld dat de wil is gericht op het verkrijgen van een andere nationaliteit:
• indien bij besluit van vreemde autoriteiten is overgegaan tot ongevraagde collectieve naturalisatie van bijvoorbeeld personen die geruime tijd in het land wonen;
• indien de andere nationaliteit van rechtswege is verkregen als automatisch gevolg van een aanstelling in een bepaalde functie, in dienst van het land van die nationaliteit;
• indien de andere nationaliteit van rechtswege verkregen is als automatisch gevolg van huwelijk met een persoon van die nationaliteit.
Hierbij speelt geen rol of men (voor de verkrijging of erna) de mogelijkheid had om af te zien van verkrijging van de andere nationaliteit. De wil is immers niet rechtstreeks gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit, maar op het aanvaarden van een bepaalde functie of op het aangaan van het huwelijk. Ervan uitgaande dat het betreffende vreemde recht afstand van de nationaliteit toestaat, zou hooguit kunnen worden gezegd dat het behoud van die andere nationaliteit vrijwillig is, maar dat is geen zelfstandige verliesgrond volgens de RWN.
Zijn de redenen om een andere nationaliteit te verkrijgen zo dwingend, dat niet meer kan worden gesproken van een vrijwillige verkrijging van die nationaliteit, dan brengt het onderhavige artikellid geen verlies van het Nederlanderschap mee. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat de andere nationaliteit op verzoek is verkregen ter voldoening aan de door de autoriteiten van het land waar men woont gestelde eis, dat verblijf in het betreffende land alleen kan worden gecontinueerd indien men de nationaliteit van dat land verkrijgt.
Het hiervoor bedoelde dwingende karakter wordt niet snel aangenomen. Zo zal wel verlies op grond van dit artikellid intreden, indien een vreemde nationaliteit is verkregen en betrokkene daar zelf om heeft verzocht, indien bijvoorbeeld voor een bepaalde beroepsuitoefening, aanstelling of toelating tot een bepaalde studie de nationaliteit van dat land was vereist. Het feit dat betrokkene alleen kon worden aangesteld of tot de studie kon worden toegelaten als hij de nationaliteit van het land bezat, betekent nog niet dat daardoor zijn keuze voor de betreffende nationaliteit niet vrijwillig zou zijn geweest.
Of een vreemde nationaliteit wel of niet met terugwerkende kracht wordt verkregen is niet relevant voor de werking van het Nederlandse nationaliteitsrecht. Dit betekent dat indien de vrijwillige verkrijging van een vreemde nationaliteit bijvoorbeeld terugwerkt tot het moment waarop deze nationaliteit in het verleden werd verloren, dit niet als gevolg heeft dat het Nederlanderschap alsnog met terugwerkende kracht wordt verloren (vergelijk artikel 2, eerste lid, RWN). Het betekent wél dat betrokkene het Nederlanderschap verliest wegens de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit, alleen is hij vanaf heden geen Nederlander meer.
Artikel 15, aanhef en onder a RWN 1985 dan wel artikel 15 lid 1 onder a RWN 2003 gaan echter niet op als het gaat om verkrijging van de Duitse nationaliteit ex lege Duitse wet ingeval van Paragraph 3 Abs. (2) StaG (2007). De verkrijging van Duitse nationaliteit vond dan van rechtswege plaats en was derhalve niet vrijwillig.
N.B. Gaat het Nederlanderschap verloren door de vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een staat die partij is bij het op 6 mei 1963 te Straatsburg gesloten verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1964, nr. 4), en die Hoofdstuk I van het Verdrag (dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit) toepast, dan is geen sprake van verlies van het Nederlanderschap op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, maar van verlies op grond van het Verdrag van Straatsburg (zie de toelichting bij artikel 15A RWN).
##### 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
De wettelijke bepalingen met betrekking tot het verkrijgen van een vreemde nationaliteit door een Nederlander beogen van oudsher te leiden tot verlies van het Nederlanderschap en strekken op die manier tot het vermijden van meervoudige nationaliteit.
@ -8622,39 +8585,39 @@ Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren indien hij tevens een
Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:
• bezit naast het Nederlanderschap een andere nationaliteit; én
• heeft gedurende dertien jaren onafgebroken hoofdverblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba n buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Het Verdrag betreffende de Europese Unie geldt behalve in de lidstaten van de Europese Unie ook in de zogeheten Ultra Perifere Gebieden (dit zijn de overzeese departementen Guadeloupe, Martinique, Frans Guyana, Réunion Saint-Martin (Frankrijk), de Azoren en Madeira (Portugal) en de Canarische Eilanden (Spanje)); én
• heeft gedurende dertien jaren onafgebroken hoofdverblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba én buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Het Verdrag betreffende de Europese Unie geldt behalve in de lidstaten van de Europese Unie ook in de zogeheten Ultra Perifere Gebieden (dit zijn de overzeese departementen Guadeloupe, Martinique, Frans Guyana, Réunion Saint-Martin (Frankrijk), de Azoren en Madeira (Portugal) en de Canarische Eilanden (Spanje)); én
• was gedurende voormelde dertien jaren in het bezit van beide nationaliteiten; én
• was meerderjarig gedurende voormelde dertien jaren.
Echter, ook al wordt voldaan aan de hierboven genoemde voorwaarden, dan nog treedt géén verlies van het Nederlanderschap in, indien:
• men in het buitenland verblijft in een dienstverband met Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel et een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd (bijvoorbeeld Verenigde Naties, Organisatie van de Verenigde Naties voor Opvoeding, Wetenschap en Cultuur (UNESCO), Wereld Voedselprogramma (WFP), Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO), Wereld Handelsorganisatie (WTO), Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen en dergelijke); óf
• het betreft de echtgenoot of geregistreerde partner (zie artikel 1, tweede lid, RWN) van een persoon met een zodanig dienstverband, of de met die persoon in een duurzame relatie samenlevende ongehuwde partner; óf
• men vóór de afloop van bedoelde periode van dertien jaren in het bezit is gesteld van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet (vergelijk artikel 15, vierde lid, RWN).
• men in het buitenland verblijft in een dienstverband met Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd (bijvoorbeeld Verenigde Naties, Organisatie van de Verenigde Naties voor Opvoeding, Wetenschap en Cultuur (UNESCO), Wereld Voedselprogramma (WFP), Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO), Wereld Handelsorganisatie (WTO), Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen en dergelijke); óf
• het betreft de echtgenoot of geregistreerde partner (zie artikel 1, tweede lid, RWN) van een persoon met een zodanig dienstverband, of de met die persoon in een duurzame relatie samenlevende ongehuwde partner; óf
• men vóór de afloop van bedoelde periode van dertien jaren in het bezit is gesteld van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet (vergelijk artikel 15, vierde lid, RWN).
In verband met de wijziging van de Paspoortwet (Stb 2014, 10) heeft de Nederlandse identiteitskaart sinds 20 januari 2014 (Stb 2014, 11) binnen de EU niet langer de status van een reisdocument, maar van een identiteitskaart. De Nederlandse identiteitskaart is geldig voor de landen die behoren tot de Europese Unie. Als landen buiten de Europese Unie zijn aangewezen Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Turkije, IJsland en Zwitserland waar binnen de grenzen van de Paspoortwet een daar woonachtige Nederlander recht heeft op verstrekking van een Nederlandse identiteitskaart (artikel 5a Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001).
In verband met de wijziging van de Paspoortwet (Stb 2014, 10) heeft de Nederlandse identiteitskaart sinds 20 januari 2014 (Stb 2014, 11) binnen de EU niet langer de status van een reisdocument, maar van een identiteitskaart. De Nederlandse identiteitskaart is geldig voor de landen die behoren tot de Europese Unie. Als landen buiten de Europese Unie zijn aangewezen Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Turkije, IJsland en Zwitserland waar binnen de grenzen van de Paspoortwet een daar woonachtige Nederlander recht heeft op verstrekking van een Nederlandse identiteitskaart (artikel 5a Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001).
Als een Nederlander ingevolge paragraaf 3 Abs (2) Staatsangehörigkeitsgesetz (2007) in 2007 met terugwerkende kracht de Duitse nationaliteit heeft verkregen zou dit kunnen betekenen dat hij/zij achteraf bezien het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid en aanhef onder c, RWN. Voor deze benadering wordt echter niet gekozen omdat het nationaliteitsbeleid ten aanzien van Nederlanders in het buitenland daardoor zou worden beïnvloed door wetgeving van een vreemde overheid. Immers, een vreemde staat zou door het met terugwerkende kracht van rechtswege verschaffen van zijn nationaliteit aan Nederlanders, hen het Nederlanderschap kunnen ontnemen. Dat is niet gewenst.
Als een Nederlander ingevolge paragraaf 3 Abs (2) Staatsangehörigkeitsgesetz (2007) in 2007 met terugwerkende kracht de Duitse nationaliteit heeft verkregen zou dit kunnen betekenen dat hij/zij achteraf bezien het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid en aanhef onder c, RWN. Voor deze benadering wordt echter niet gekozen omdat het nationaliteitsbeleid ten aanzien van Nederlanders in het buitenland daardoor zou worden beïnvloed door wetgeving van een vreemde overheid. Immers, een vreemde staat zou door het met terugwerkende kracht van rechtswege verschaffen van zijn nationaliteit aan Nederlanders, hen het Nederlanderschap kunnen ontnemen. Dat is niet gewenst.
Sinds 1 april 2022 bedraagt de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN dertien jaar. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg deze verliestermijn tien jaar. De verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar had onmiddelijke werking (Stb. 2021, nr. 572). Dat betekent dat, indien de verliestermijn van tien jaar op op 1 april 2022 nog niet was volgelopen, deze met drie jaar werd verlengd.
Sinds 1 april 2022 bedraagt de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN dertien jaar. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg deze verliestermijn tien jaar. De verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar had onmiddellijke werking (Stb. 2021, nr. 572). Dat betekent dat, indien de verliestermijn van tien jaar op op 1 april 2022 nog niet was volgelopen, deze met drie jaar werd verlengd.
Betrokkene Y is het bezit van zowel de Nederlandse als de Australische nationaliteit en heeft nog nooit binnen het Koninkrijk of binnen de Europese Unie gewoond. Zij is ook nog nooit in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument. Y werd meerderjarig op 1 mei 2012. Wanneer verliest zij het Nederlanderschap? Antwoord: Op 1 april 2022 is de verliestermijn van tien jaar van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN (zoals dat artikel luidde van 1 april 2003 tot 1 april 2022) nog niet voltooid. De verliestermijn wordt door de verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar per 1 april 2022, met drie jaar verlengd. Derhalve verliest Y het Nederlanderschap op 1 mei 2025.
Betrokkene Y is het bezit van zowel de Nederlandse als de Australische nationaliteit en heeft nog nooit binnen het Koninkrijk of binnen de Europese Unie gewoond. Zij is ook nog nooit in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument. Y werd meerderjarig op 1 mei 2012. Wanneer verliest zij het Nederlanderschap? Antwoord: Op 1 april 2022 is de verliestermijn van tien jaar van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN (zoals dat artikel luidde van 1 april 2003 tot 1 april 2022) nog niet voltooid. De verliestermijn wordt door de verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar per 1 april 2022, met drie jaar verlengd. Derhalve verliest Y het Nederlanderschap op 1 mei 2025.
Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN tien jaar. Voor het overige was de tekst van dit artikel in deze periode gelijk aan de tekst van het huidige artikel.
Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN tien jaar. Voor het overige was de tekst van dit artikel in deze periode gelijk aan de tekst van het huidige artikel.
Tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Dit was geregeld in het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
Tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Dit was geregeld in het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
geboren buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba; én
naast het Nederlanderschap, bezit van de nationaliteit van het land van geboorte; én
na de meerderjarigheid gedurende tien jaren ononderbroken woonplaats in het land van geboorte en nationaliteit; én
gedurende voormelde tien jaren beide nationaliteiten hebben bezeten.
geboren buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba; én
naast het Nederlanderschap, bezit van de nationaliteit van het land van geboorte; én
na de meerderjarigheid gedurende tien jaren ononderbroken woonplaats in het land van geboorte en nationaliteit; én
gedurende voormelde tien jaren beide nationaliteiten hebben bezeten.
Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
het verblijf in het buitenland verband hield met een dienstverband met Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk was vertegenwoordigd; of
het de echtgenoot betrof van een persoon met een zodanig dienstverband.
het verblijf in het buitenland verband hield met een dienstverband met Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk was vertegenwoordigd; of
het de echtgenoot betrof van een persoon met een zodanig dienstverband.
N.B. Onder vigeur van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN kon verlies van het Nederlanderschap niet worden voorkomen door de afgifte van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument. Het verlies kon alleen worden tegengegaan óf door vóór het einde van de periode van tien jaar de woonplaats te vestigen in een ander land dan het geboorteland, óf door afstand te doen van de nationaliteit van het land van geboorte.
N.B. Onder vigeur van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN kon verlies van het Nederlanderschap niet worden voorkomen door de afgifte van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument. Het verlies kon alleen worden tegengegaan óf door vóór het einde van de periode van tien jaar de woonplaats te vestigen in een ander land dan het geboorteland, óf door afstand te doen van de nationaliteit van het land van geboorte.
##### 1.1. Stuiting van de verliestermijn
@ -10194,6 +10157,8 @@ Vervallen.
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*