2003-01-01 | BWBR0005181 | Woningwet
This commit is contained in:
parent
a9f7d489b2
commit
417df83ce6
1 changed files with 218 additions and 146 deletions
|
|
@ -32,7 +32,11 @@ k. aansluitvoorwaarden: door representatieve organisaties van openbare nutsbedri
|
|||
l. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
m. inspecteur: de inspecteur van de volkshuisvesting;
|
||||
n. toegelaten instelling: instelling als bedoeld in artikel 70;
|
||||
o. fonds: Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, bedoeld in artikel 71.
|
||||
o. fonds: Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, bedoeld in artikel 71;
|
||||
p. reguliere bouwvergunning: bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid;
|
||||
q. lichte bouwvergunning: bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, derde juncto eerste lid;
|
||||
r. welstandscommissie: door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag om bouwvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand;
|
||||
s. stadsbouwmeester: door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke deskundige die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag om bouwvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder woning mede verstaan een afzonderlijk gedeelte van een gebouw, welk gedeelte tot bewoning is bestemd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -79,21 +83,23 @@ Op de voordracht van Onze Minister wordt de in artikel 2 bedoelde algemene maatr
|
|||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
**1.** Bij een voorschrift, gegeven bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur, kan worden bepaald dat burgemeester en wethouders van dat voorschrift vrijstelling kunnen verlenen tot een bij dat voorschrift aangegeven niveau.
|
||||
**1.** Bij een voorschrift, gegeven bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur, kan worden bepaald dat burgemeester en wethouders van dat voorschrift ontheffing kunnen verlenen tot een bij dat voorschrift aangegeven niveau.
|
||||
|
||||
**2.** Aan een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop de voorschriften, waarvan vrijstelling wordt verleend, het oog hebben.
|
||||
**2.** Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop de voorschriften, waarvan ontheffing wordt verleend, het oog hebben.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan op verzoek van een aanvrager om bouwvergunning, bedoeld in artikel 40, eerste lid, in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen van de bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, met dien verstande dat, indien het verzoek betrekking heeft op voorschriften als bedoeld in artikel 5, hij de vrijstelling slechts kan verlenen in overeenstemming met het bij of krachtens de desbetreffende wet daartoe bevoegd verklaarde gezag.
|
||||
**1.** Onze Minister kan op verzoek van een aanvrager om bouwvergunning, bedoeld in artikel 40, eerste lid, in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, met dien verstande dat, indien het verzoek betrekking heeft op voorschriften als bedoeld in artikel 5, hij de ontheffing slechts kan verlenen in overeenstemming met het bij of krachtens de desbetreffende wet daartoe bevoegd verklaarde gezag.
|
||||
|
||||
**2.** Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een verklaring van burgemeester en wethouders, dat zij de desbetreffende bouwvergunning zullen verlenen indien vrijstelling als bedoeld in dat lid, is verkregen.
|
||||
**2.** Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een verklaring van burgemeester en wethouders, dat zij de desbetreffende bouwvergunning zullen verlenen indien ontheffing als bedoeld in dat lid, is verkregen.
|
||||
|
||||
**3.** Aan een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop de voorschriften, waarvan vrijstelling wordt verleend, het oog hebben.
|
||||
**3.** Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop de voorschriften, waarvan ontheffing wordt verleend, het oog hebben.
|
||||
|
||||
**4.** Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, doet Onze Minister daarvan mededeling aan burgemeester en wethouders.
|
||||
|
||||
**5.** De verlening van de verklaring, bedoeld in het tweede lid, en de verlening van vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, worden geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking hebben.
|
||||
**5.** De verlening van de verklaring, bedoeld in het tweede lid, en de verlening van ontheffing, bedoeld in het eerste lid, worden geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking hebben.
|
||||
|
||||
**6.** Het eerste, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien voor het bouwen geen bouwvergunning is vereist.
|
||||
|
||||
### Artikel 7a
|
||||
|
||||
|
|
@ -129,20 +135,11 @@ a. het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen, bouwwerken,
|
|||
4°. de brandveiligheid en
|
||||
5°. voor zover het woningen, woonketen of woonwagens betreft, het aantal personen dat in een dergelijk gebouw mag wonen;
|
||||
b. het gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze zich moeten bevinden;
|
||||
c. het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond, voor zover dat bouwen betrekking heeft op bouwwerken, waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven en waarvoor vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, is vereist. Deze voorschriften gelden niet voor bouwwerken die, ongeacht hun bestemming:
|
||||
|
||||
1°. hoewel vergunningplichtig, naar hun aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk als genoemd in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 42, eerste lid, of
|
||||
2°. de grond niet raken en waarbij het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.
|
||||
|
||||
De voorschriften hebben in elk geval betrekking op:
|
||||
|
||||
1°. het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem,
|
||||
2°. aard en omvang van het onderzoek, en
|
||||
3°. inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport;
|
||||
c. het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem;
|
||||
d. het slopen, waaronder begrepen voorschriften omtrent selectief slopen;
|
||||
e. de vorm en de plaatsing van het kenteken van onbewoonbaarverklaring, bedoeld in artikel 31;
|
||||
f. de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 en van een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 61;
|
||||
g. de overdraagbaarheid van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, een mededeling als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel *b*, een woonvergunning als bedoeld in artikel 60 en een vergunning als bedoeld in artikel 61;
|
||||
g. de overdraagbaarheid van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, een woonvergunning als bedoeld in artikel 60 en een vergunning als bedoeld in artikel 61;
|
||||
h. het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden, waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking tot:
|
||||
|
||||
1°. de veiligheid op de bouw- of sloopplaats;
|
||||
|
|
@ -156,36 +153,32 @@ i. het stilleggen van bouwwerkzaamheden, bedoeld in artikel 100, derde lid, waar
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De bouwverordening bevat tevens voorschriften omtrent de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning, bedoeld in artikel 40, eerste lid, waaronder in elk geval het voorschrift:
|
||||
De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken:
|
||||
|
||||
a. dat bij de aanvraag om bouwvergunning het in het tweede lid, onder 3°, bedoelde onderzoeksrapport wordt overgelegd, voor zover het verrichten van onderzoek naar de gesteldheid van de grond, overeenkomstig dat lid, verplicht is;
|
||||
b. dat de aanvrager, indien het bouwen waarvoor bouwvergunning wordt aangevraagd tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of artikel 15, onderdeel *b*, van de Kernenergiewet is vereist, gelijktijdig met de aanvraag om bouwvergunning de aanvraag om die andere vergunning indient, tenzij die andere vergunning reeds is aangevraagd, en bij de indiening van de aanvraag om bouwvergunning overlegt:
|
||||
a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven,
|
||||
b. voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning vereist is, en
|
||||
c. 1°. die de grond raken, of
|
||||
2°. ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.
|
||||
|
||||
1°. een afschrift van de aanvraag om die andere vergunning, dan wel
|
||||
2°. indien de beschikking op de aanvraag om die andere vergunning reeds is gegeven, een afschrift van die beschikking;
|
||||
c. dat de aanvrager bij de aanvraag om bouwvergunning voorts onderstaande gegevens aan burgemeester en wethouders verstrekt:
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
1°. de plaats van het bouwwerk alsmede de van belang zijnde kadastrale gegevens daarvan;
|
||||
2°. de aard van de bouwwerkzaamheden;
|
||||
3°. ingeval het bouwwerk wordt gebouwd krachtens aanneming van werk: de naam en het adres van de onderneming die het bouwwerk uitvoert;
|
||||
4°. ingeval het bouwwerk bedrijfsmatig in eigen beheer wordt gebouwd: de naam en het adres van de onderneming die in eigen beheer bouwt alsmede de naam en het adres van ondernemingen die deelnemen aan het bouwen en
|
||||
5°. ingeval het bouwwerk niet-bedrijfsmatig in eigen beheer wordt gebouwd: de naam en het adres van de opdrachtgever, de naam en het adres van ondernemingen die deelnemen aan het bouwen alsmede voor welk onderdeel de desbetreffende onderneming zorgdraagt;
|
||||
d. dat de aanvrager, indien hij het bouwwerk geheel of gedeeltelijk krachtens aanneming van werk door een of meer ondernemingen laat uitvoeren, bij de aanvraag om bouwvergunning een door de desbetreffende Kamer van Koophandel en Fabrieken gewaarmerkte fotografische reproduktie van de over die onderneming of ondernemingen in het register, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit registratie vestigingsvergunningen en -ontheffingen opgenomen gegevens, aan burgemeester en wethouders overlegt, en
|
||||
e. dat de houder van de bouwvergunning, indien voorafgaande aan het bouwen dan wel gedurende het bouwen wijzigingen in de in onderdeel *c* genoemde gegevens optreden, deze wijzigingen binnen twee dagen na het optreden daarvan aan burgemeester en wethouders mededeelt en daarbij, voor zover van toepassing, gelijktijdig de daarmee samenhangende in onderdeel *d* bedoelde fotografische reproduktie overlegt.
|
||||
De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, hebben in elk geval betrekking op:
|
||||
|
||||
**4.** De bouwverordening bevat tevens voorschriften omtrent de wijze van inrichting en indiening van een melding van het voornemen tot het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 42, waaronder in elk geval zijn begrepen overeenkomstige voorschriften als die, bedoeld in het derde lid, onderdelen *c, d* en e.
|
||||
a. het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem;
|
||||
b. aard en omvang van het onderzoek, en
|
||||
c. inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De bouwverordening kan voorschriften bevatten van stedebouwkundige aard. Tot die voorschriften kunnen behoren voorschriften met betrekking tot:
|
||||
De bouwverordening kan voorschriften bevatten van stedenbouwkundige aard. Tot die voorschriften kunnen behoren voorschriften met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de wegen waaraan mag worden gebouwd;
|
||||
b. de rooilijnen, en
|
||||
c. de plaatsing van bouwwerken ten opzichte van elkaar, mede uit het oogpunt van bereikbaarheid van die bouwwerken.
|
||||
|
||||
**6.** De bouwverordening bevat voorts criteria omtrent redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, alsmede voorschriften omtrent de wijze waarop door een commissie van onafhankelijke deskundigen als bedoeld in de artikelen 42, tweede lid, en 48, eerste lid, wordt bezien of een te bouwen bouwwerk niet in strijd is met die eisen.
|
||||
**6.** De bouwverordening bevat tevens voorschriften omtrent de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. Zij kan bepalen dat er in plaats van een welstandscommissie een stadsbouwmeester wordt aangesteld, in welk geval de bouwverordening voorschriften bevat over de rol en de functie van de stadsbouwmeester. Voorts kan de bouwverordening nadere voorschriften bevatten omtrent de verslagen, bedoeld in de artikelen 12b, derde lid, en 46, achtste lid.
|
||||
|
||||
**7.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in de bouwverordening voorschriften worden gegeven omtrent andere onderwerpen dan die, genoemd in het tweede tot en met zesde lid.
|
||||
**7.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in de bouwverordening voorschriften worden gegeven omtrent andere onderwerpen dan die, genoemd in het tweede, vijfde en zesde lid.
|
||||
|
||||
**8.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter bevordering van eenheid in de bouwverordeningen regelen worden gegeven omtrent de inhoud van de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met vierde, zesde en zevende lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -203,21 +196,68 @@ De in de bouwverordening vervatte voorschriften omtrent de rooilijnen en de plaa
|
|||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
**1.** Bij een in de bouwverordening gegeven voorschrift kan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn van dat voorschrift vrijstelling te verlenen, tenzij het een voorschrift betreft waarmee de bouwverordening krachtens artikel 8, negende lid, in overeenstemming is gebracht.
|
||||
**1.** Bij een in de bouwverordening gegeven voorschrift kan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn van dat voorschrift ontheffing te verlenen, tenzij het een voorschrift betreft waarmee de bouwverordening krachtens artikel 8, negende lid, in overeenstemming is gebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Bij een in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8, achtste lid, gegeven voorschrift kan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn vrijstelling te verlenen van dat voorschrift.
|
||||
**2.** Bij een in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8, achtste lid, gegeven voorschrift kan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn ontheffing te verlenen van dat voorschrift.
|
||||
|
||||
**3.** Aan een vrijstelling als bedoeld in het eerste of tweede lid, mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop de voorschriften, waarvan vrijstelling wordt verleend, het oog hebben.
|
||||
**3.** Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid, mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop de voorschriften, waarvan ontheffing wordt verleend, het oog hebben.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3. De welstand
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
**1.** Het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, mogen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, tenzij bij besluit van de gemeenteraad is bepaald dat voor het gebied waarin het bouwwerk of de standplaats is of wordt gebouwd, die eisen niet van toepassing zijn.
|
||||
**1.** Het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, mogen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in artikel 43.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** Bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, worden in de gemeente bij dat besluit belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen betrokken overeenkomstig bij de bouwverordening gestelde regels.
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing:
|
||||
|
||||
a. indien bij besluit van de gemeenteraad is bepaald dat voor het gebied waarin het bouwwerk of de standplaats is of wordt gebouwd geen redelijke eisen van welstand gelden;
|
||||
b. indien bij besluit van de gemeenteraad is bepaald dat voor de categorie bouwwerken of standplaatsen waartoe het bouwwerk of de standplaats behoort geen redelijke eisen van welstand gelden;
|
||||
c. op bouwwerken en standplaatsen waarop artikel 43, eerste lid, van toepassing is, of
|
||||
d. op bouwwerken als bedoeld in artikel 45, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Voor zover de toepassing van de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, leidt tot strijd met het bestemmingsplan of met in de bouwverordening opgenomen voorschriften van stedenbouwkundige aard, blijven die criteria buiten toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** De gemeenteraad betrekt de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van besluiten tot vaststelling of wijziging van besluiten als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.
|
||||
|
||||
### Artikel 12a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling:
|
||||
|
||||
a. of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand;
|
||||
b. of het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 12, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling of wijziging van de welstandsnota.
|
||||
|
||||
**3.** De criteria, bedoeld in het eerste lid, zijn zoveel mogelijk toegesneden op de onderscheidene categorieën bouwwerken en standplaatsen. De criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een bouwwerk of standplaats is gelegen.
|
||||
|
||||
**4.** Ter bevordering van de eenheid in welstandsnota's kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven omtrent categorieën van bouwwerken en standplaatsen als bedoeld in het derde lid en de daarop toe te passen criteria.
|
||||
|
||||
**5.** Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
|
||||
|
||||
### Artikel 12b
|
||||
|
||||
**1.** De welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester baseert haar onderscheidenlijk zijn advies slechts op de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, doch betrekt daarbij, indien van toepassing, het bepaalde in artikel 12, derde lid. De adviezen van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester zijn openbaar. Een advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester inhoudende dat een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, wordt schriftelijk uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd.
|
||||
|
||||
**2.** Vergaderingen van de welstandscommissie zijn openbaar. Een vergadering of gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in artikel 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen.
|
||||
|
||||
**3.** De welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar onderscheidenlijk hem verrichte werkzaamheden. In het verslag wordt ten minste uiteengezet op welke wijze zij onderscheidenlijk hij toepassing heeft gegeven aan de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**4.** Een voorzitter of ander lid van een welstandscommissie kan voor een termijn van ten hoogste drie jaar worden benoemd in een welstandscommissie die in de betreffende gemeente werkzaam is. Zij kunnen eenmaal voor een termijn van ten hoogste drie jaar worden herbenoemd in dezelfde commissie. De eerste en tweede volzin zijn van overeenkomstige toepassing op de stadsbouwmeester.
|
||||
|
||||
### Artikel 12c
|
||||
|
||||
Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor waarin zij ten minste uiteenzetten:
|
||||
|
||||
a. op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester;
|
||||
b. in welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een lichte bouwvergunning niet aan de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a;
|
||||
c. in welke categorieën van gevallen:
|
||||
|
||||
1°. zij tot aanschrijving op grond van artikel 19 zijn overgegaan en daarbij de keuze hebben gelaten tussen ofwel het uitvoeren van de aanschrijving, ofwel het slopen van het bouwwerk of de standplaats binnen de door hen te bepalen termijn, en
|
||||
2°. zij bij of na een aanschrijving op grond van artikel 19 zijn overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 26.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk III. Bijzondere maatregelen
|
||||
|
||||
|
|
@ -269,7 +309,7 @@ f. het ten behoeve van de verwarmingsinstallatie plaatsen van een verwarmingsket
|
|||
|
||||
**2.** Burgemeester en wethouders vaardigen een aanschrijving als bedoeld in het eerste lid slechts uit voor zover voor het verrichten van die ingrepen geldelijke steun kan worden verleend.
|
||||
|
||||
**3.** Met betrekking tot de in dit artikel bedoelde aanschrijving is artikel 15, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** Met betrekking tot de in dit artikel bedoelde aanschrijving is artikel 15, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
|
|
@ -340,7 +380,7 @@ Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing op een gebouw, niet zijnde een woni
|
|||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
Indien het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats, voor het bouwen waarvan bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, is verleend, in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het opheffen van die strijdigheid bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven daartoe strekkende voorzieningen te treffen.
|
||||
Indien het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats, niet zijnde een bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid, in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het opheffen van die strijdigheid bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven daartoe strekkende voorzieningen te treffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
|
|
@ -376,7 +416,7 @@ Indien het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats, voor het bouwen waarvan bo
|
|||
|
||||
**3.** Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving betrekking heeft op een niet tot bewoning bestemd gebouw, een bouwwerk, niet zijnde een gebouw, dan wel op een standplaats, laten zij bij die aanschrijving de keuze tussen enerzijds het treffen van de voorzieningen en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn staken of doen staken van het gebruik, in verband waarmede de voorzieningen worden gelast.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste en derde lid kunnen burgemeester en wethouders, indien zij van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving geschiedt met het oog op ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, bij die aanschrijving de keuze laten tussen enerzijds het uitvoeren van de aanschrijving en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn slopen van het bouwwerk of de standplaats, met dien verstande dat indien het slopen krachtens enig wettelijk voorschrift verboden is, zij slechts aanschrijven tot het treffen van de voorzieningen.
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste en derde lid kunnen burgemeester en wethouders, indien zij van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving geschiedt met het oog op ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b, bij die aanschrijving de keuze laten tussen enerzijds het uitvoeren van de aanschrijving en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn slopen van het bouwwerk of de standplaats, met dien verstande dat indien het slopen krachtens enig wettelijk voorschrift verboden is, zij slechts aanschrijven tot het treffen van de voorzieningen.
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
|
|
@ -394,7 +434,7 @@ Spoedeisende gevallen uitgezonderd gaan burgemeester en wethouders niet over tot
|
|||
|
||||
a. een bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschrift omtrent bouwwerken of standplaatsen;
|
||||
b. een in de bouwverordening gegeven voorschrift omtrent bestaande bouwwerken, standplaatsen of open erven en terreinen, of
|
||||
c. redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid,
|
||||
c. redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b,
|
||||
|
||||
dan nadat zij de aanschrijving hebben uitgevaardigd, de termijn, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is verstreken of, indien gedurende die termijn op grond van artikel 8:81 van die wet een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, dat verzoek is afgewezen, en de in die aanschrijving bepaalde termijn is verstreken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -508,7 +548,13 @@ De artikelen 29 tot en met 38 zijn van overeenkomstige toepassing op de bruikbaa
|
|||
|
||||
**1.** Het is verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).
|
||||
|
||||
**2.** Ingeval een caravan als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel *b*, onderdeel 1, van de Kampeerwet, is aan te merken als bouwwerk, is niettemin voor het plaatsen daarvan geen bouwvergunning vereist in de gevallen, bedoeld in het vierde lid van genoemd artikel.
|
||||
**2.** Ingeval een caravan als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de openluchtrecreatie is aan te merken als een bouwwerk, is niettemin voor het plaatsen daarvan geen bouwvergunning vereist in de gevallen, bedoeld in het derde lid van genoemd artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 40a
|
||||
|
||||
**1.** Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning, alsmede omtrent de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij aan te geven gegevens en bescheiden mogen worden overgelegd binnen een daarbij te bepalen termijn nadat de bouwvergunning is afgegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
|
|
@ -516,32 +562,7 @@ Van een aanvraag om bouwvergunning wordt binnen twee weken na ontvangst daarvan
|
|||
|
||||
### Artikel 42
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 40, eerste lid, is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen van bij algemene maatregel van bestuur aangegeven bouwwerken, mits:
|
||||
|
||||
a. het voornemen tot het bouwen van een dergelijk bouwwerk schriftelijk, overeenkomstig de ingevolge artikel 8, vierde lid, gegeven voorschriften, bij burgemeester en wethouders is gemeld en
|
||||
b. voorzover het derde of vierde lid niet van toepassing is, burgemeester en wethouders binnen vijf weken na de dag waarop zij de melding hebben ontvangen aan de melder hebben medegedeeld dat het gemelde bouwwerk een bouwwerk is als bedoeld in de algemene maatregel van bestuur en dat, voor zover van toepassing, dat bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, dan wel die mededeling ingevolge het zesde lid van rechtswege is gedaan.
|
||||
|
||||
**2.** Alvorens te beslissen, kunnen burgemeester en wethouders de melding voor advies voorleggen aan een commissie van onafhankelijke deskundigen die beziet of het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, tenzij bij besluit van de gemeenteraad is bepaald dat voor het gebied waarin het bouwwerk wordt gebouwd, die eisen niet van toepassing zijn.
|
||||
|
||||
**3.** Ingeval burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat het eerste lid van toepassing is, doch het desbetreffende geldende bestemmingsplan zich tegen het bouwen van het bouwwerk verzet, delen zij binnen de in het eerste lid, onderdeel *b*, bedoelde termijn aan de melder mede dat het gemelde bouwwerk een bouwwerk is als bedoeld in het eerste lid, doch dat het desalniettemin niet mag worden gebouwd tenzij burgemeester en wethouders met inachtneming van artikel 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ingevolge artikel 19, tweede of derde lid, van die wet vrijstelling verlenen van dat plan.
|
||||
|
||||
**4.** Ingeval burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat het eerste lid van toepassing is, doch voor het gebied, waarin het bouwwerk zal worden gebouwd, voordat de melding bij burgemeester en wethouders is ingekomen, een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in werking is getreden, een ontwerp voor een bestemmingsplan of voor een herziening daarvan ter inzage is gelegd, een bestemmingsplan of een herziening daarvan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan na vaststelling ter inzage is gelegd, en het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan zich tegen het bouwen van het bouwwerk verzet, delen zij binnen de in het eerste lid, onderdeel *b*, bedoelde termijn aan de melder mede dat het gemelde bouwwerk een bouwwerk is als bedoeld in het eerste lid, doch dat het desalniettemin niet mag worden gebouwd tenzij burgemeester en wethouders met inachtneming van artikel 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening hebben beslist voornemens te zijn met overeenkomstige toepassing van artikel 19, tweede of derde lid, van die wet vrijstelling te verlenen van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.
|
||||
|
||||
**5.** Een melding waarop het derde of vierde lid van toepassing is, wordt aangemerkt mede een verzoek om vrijstelling als bedoeld in die leden in te houden.
|
||||
|
||||
**6.** Ingeval burgemeester en wethouders binnen de in het eerste lid, onderdeel *b*, bedoelde termijn geen mededeling als bedoeld in dat lid, het derde lid of het vierde lid, aan de melder hebben gedaan, is de mededeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel *b*, van rechtswege gedaan, tenzij burgemeester en wethouders binnen die termijn aan de melder hebben medegedeeld dat voor het gemelde bouwwerk bouwvergunning is vereist.
|
||||
|
||||
**7.** Ingeval burgemeester en wethouders toepassing hebben gegeven aan het derde of vierde lid, en niet binnen acht weken na de dag waarop zij de melding hebben ontvangen, de aanvraag met de daarop betrekking hebbende stukken ingevolge artikel 19a, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening door burgemeester en wethouders ter inzage is gelegd, is de in het derde lid van dit artikel bedoelde vrijstelling van rechtswege verleend dan wel de in het vierde lid van dit artikel bedoelde beslissing van rechtswege genomen.
|
||||
|
||||
**8.** Een mededeling als bedoeld in het zesde lid en een vrijstelling of belissing als bedoeld in het zevende lid, worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
**9.** Een bouwwerk als bedoeld in dit artikel, moet overeenkomstig de in het eerste lid, onderdeel *a*, bedoelde melding en de bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften worden gebouwd.
|
||||
|
||||
**10.** Met het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in dit artikel, moet zijn begonnen binnen dertien weken na de dag waarop de in het eerste lid, onderdeel *b*, bedoelde mededeling is gedaan dan wel ingevolge het zesde lid van rechtswege is gedaan, de in het derde lid bedoelde vrijstelling is verleend en daarvan aan de melder mededeling is gedaan dan wel die vrijstelling ingevolge het zevende lid van rechtswege is verleend, of de in het vierde lid bedoelde beslissing is genomen en daarvan aan de melder mededeling is gedaan dan wel die beslissing ingevolge het zevende lid van rechtswege is genomen.
|
||||
|
||||
**11.** Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
|
|
@ -553,15 +574,35 @@ a. ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders;
|
|||
b. dat tot het gewone onderhoud behoort, of
|
||||
c. dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen:
|
||||
|
||||
a. in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, of
|
||||
b. in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988.
|
||||
|
||||
**3.** De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onderdeel c, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
||||
De bouwvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien:
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
a. het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de bij of krachtens de in de artikelen 2 en 120 bedoelde algemene maatregelen van bestuur gegeven voorschriften of, voor zover van toepassing, de voorschriften, bedoeld in artikel 7a;
|
||||
b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening en, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die bij een in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een in artikel 120 bedoelde algemene maatregel van bestuur zijn gegeven;
|
||||
c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;
|
||||
d. het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan artikel 12, eerste lid, of
|
||||
e. voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.
|
||||
De reguliere bouwvergunning mag slechts en moet worden geweigerd, indien:
|
||||
|
||||
a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2 en 120;
|
||||
b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening, of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;
|
||||
c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;
|
||||
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of
|
||||
e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald voor welke categorieën van gevallen geen reguliere bouwvergunning is vereist, doch kan worden volstaan met een lichte bouwvergunning. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Op de lichte bouwvergunning is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
a. onderdeel a van dat lid slechts van toepassing is voor zover de voorschriften die in dat onderdeel zijn bedoeld, betrekking hebben op constructieve veiligheid, en
|
||||
b. onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de voorschriften die in dat onderdeel zijn bedoeld, van stedenbouwkundige aard zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
|
||||
|
|
@ -596,9 +637,15 @@ c. de termijn ten aanzien van een bouwwerk waarop artikel 17 van de Wet op de Ru
|
|||
|
||||
### Artikel 46
|
||||
|
||||
**1.** Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag om bouwvergunning binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders hun beslissing eenmaal voor ten hoogste dertien weken verdagen. Een beslissing tot verdaging behoeft de goedkeuring van de gemeenteraad.
|
||||
Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag:
|
||||
|
||||
a. om een lichte bouwvergunning: binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag;
|
||||
b. om een reguliere bouwvergunning: binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag;
|
||||
c. om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend: telkens binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.
|
||||
|
||||
**2.** Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, dan wel, indien die vergunning overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend, hun beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eerste of tweede fase, eenmaal met ten hoogste zes weken verdagen.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -610,19 +657,24 @@ c. de termijn ten aanzien van een bouwwerk waarop artikel 17 van de Wet op de Ru
|
|||
|
||||
**7.** Indien de vergunning een bouwwerk betreft dat behoort tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988, doen burgemeester en wethouders tegelijkertijd of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking mededeling van de in het eerste lid bedoelde beslissing aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
|
||||
|
||||
**8.** Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor waarin zij uiteenzetten op welke wijze zij toepassing hebben gegeven aan het tweede lid.
|
||||
|
||||
**9.** Indien een beslissing als bedoeld in het eerste of tweede lid afwijkt van het advies van de welstandscommissie wordt zulks met de redenen voor de afwijking bij de bekendmaking vermeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 47
|
||||
|
||||
**1.** Van de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, kan slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De door burgemeester en wethouders ingevolge dat artikel te stellen termijn bedraagt twee weken.
|
||||
|
||||
**2.** Van de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheid wordt geen gebruik gemaakt, indien door de aanvrager de gegevens, genoemd in artikel 8, derde lid, onderdeel *c*, sub 3° tot en met 5°, niet zijn verstrekt dan wel de fotografische reproduktie, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel *d*, niet over is gelegd.
|
||||
|
||||
**3.** In geval een caravan als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de openluchtrecreatie is aan te merken als een bouwwerk, is niettemin voor het plaatsen daarvan geen bouwvergunning vereist in de gevallen bedoeld in het derde lid van dat artikel.
|
||||
Van de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, kan slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De door burgemeester en wethouders ingevolge dat artikel te stellen termijn bedraagt ten hoogste vier weken.
|
||||
|
||||
### Artikel 48
|
||||
|
||||
**1.** Alvorens te beslissen op een aanvraag om bouwvergunning, leggen burgemeester en wethouders de aanvraag zo spoedig mogelijk voor advies voor aan een commissie van onafhankelijke deskundigen die beziet of het bouwwerk dan wel de standplaats niet in strijd is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, tenzij bij besluit van de gemeenteraad is bepaald dat voor het gebied waarin het bouwwerk of de standplaats wordt gebouwd, die eisen niet van toepassing zijn.
|
||||
**1.** Burgemeester en wethouders leggen een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning voor advies voor aan de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester die in de betreffende gemeente werkzaam is. Een aanvraag voor een lichte bouwvergunning kunnen zij voor advies aan die welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester voorleggen.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing, indien bij voorbaat vaststaat dat de bouwvergunning reeds op een andere grond dan die, genoemd in artikel 44, onderdeel *d*, moet worden geweigerd.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing:
|
||||
|
||||
a. indien voor het betreffende bouwwerk of de betreffende standplaats geen redelijke eisen van welstand gelden, of
|
||||
b. indien bij voorbaat vaststaat dat de bouwvergunning reeds op een andere grond moet worden geweigerd dan wegens strijd met redelijke eisen van welstand.
|
||||
|
||||
### Artikel 49
|
||||
|
||||
|
|
@ -630,15 +682,21 @@ c. de termijn ten aanzien van een bouwwerk waarop artikel 17 van de Wet op de Ru
|
|||
|
||||
Indien artikel 46, derde lid, van toepassing is en de aanvraag om bouwvergunning slechts kan worden ingewilligd na verlening van vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15 of 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, beslissen burgemeester en wethouders omtrent die aanvraag:
|
||||
|
||||
a. binnen vijf weken nadat zij hebben beslist tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, of
|
||||
b. binnen vijf weken nadat zij overeenkomstig artikel 18 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening hebben beslist tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van die wet.
|
||||
a. binnen vier weken nadat zij hebben beslist tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;
|
||||
b. binnen vier weken nadat zij overeenkomstig artikel 18 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening hebben beslist tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van die wet.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Indien artikel 46, derde lid, van toepassing is en de aanvraag om bouwvergunning slechts kan worden ingewilligd na verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, beslissen burgemeester en wethouders omtrent die aanvraag:
|
||||
|
||||
a. indien geen verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist, binnen dertien weken na afloop van de termijn van terinzageligging bedoeld in artikel 19a, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;
|
||||
b. indien een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist, binnen dertien weken na ontvangst van die verklaring.
|
||||
a. indien geen verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist:
|
||||
|
||||
1°. binnen zes weken na afloop van de termijn van terinzageligging, bedoeld in artikel 19a, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, indien het een lichte bouwvergunning betreft;
|
||||
2°. binnen twaalf weken na afloop van de onder 1° bedoelde termijn, indien het een reguliere bouwvergunning betreft;
|
||||
b. indien een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist:
|
||||
|
||||
1°. binnen zes weken na ontvangst van die verklaring, indien het een lichte bouwvergunning betreft;
|
||||
2°. binnen twaalf weken na ontvangst van die verklaring, indien het een reguliere bouwvergunning betreft.
|
||||
|
||||
**3.** Indien burgemeester en wethouders, of in voorkomend geval, de gemeenteraad de vrijstelling hebben onderscheidenlijk heeft verleend en niet wordt voldaan aan het eerste of tweede lid, is de bouwvergunning van rechtswege verleend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -667,7 +725,7 @@ b. een geval als bedoeld in artikel 19, tweede of derde lid, van de Wet op de Ru
|
|||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Op de voorbereiding van het besluit tot vergunningverlening is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat
|
||||
Op de voorbereiding van het besluit tot vergunningverlening, bedoeld in het zesde lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat
|
||||
|
||||
a. de aanvraag gedurende vier weken ter inzage ligt, en
|
||||
b. gedurende de termijn van terinzageligging een ieder schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kenbaar kan maken.
|
||||
|
|
@ -682,7 +740,7 @@ b. gedurende de termijn van terinzageligging een ieder schriftelijk zijn zienswi
|
|||
|
||||
**3.** Onverminderd artikel 50, vierde en vijfde lid, kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van het eerste lid, de bouwvergunning verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde, ter bescherming van het beschermde stads- of dorpsgezicht strekkende bestemmingsplan en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben.
|
||||
|
||||
**4.** De in het derde lid en artikel 50, vierde lid, bedoelde verklaringen worden gelijktijdig bekendgemaakt. Artikel 50, zesde lid, eerste volzin, is alsdan niet van toepassing. Alvorens het besluit omtrent de in het derde lid bedoelde verklaring te nemen horen gedeputeerde staten de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan genoemde dienst. Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Het besluit houdende verlening van de verklaring van geen bezwaar wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop het betrekking heeft. Gedeputeerde staten kunnen een verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.
|
||||
**4.** De in het derde lid en artikel 50, vierde lid, bedoelde verklaringen worden gelijktijdig bekendgemaakt. Artikel 19a, achtste lid, eerste volzin, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is alsdan niet van toepassing op de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 50, vijfde lid. Alvorens het besluit omtrent de in het derde lid bedoelde verklaring te nemen horen gedeputeerde staten de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan genoemde dienst. Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Het besluit houdende verlening van de verklaring van geen bezwaar wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop het betrekking heeft. Gedeputeerde staten kunnen een verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.
|
||||
|
||||
**5.** Na het verstrijken van de aanhoudingsduur, bedoeld in het tweede lid, of na de bekendmaking van de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in het derde lid, beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46.
|
||||
|
||||
|
|
@ -712,9 +770,9 @@ b. indien het onder a gestelde niet van toepassing is:
|
|||
1°. zes weken zijn verstreken na de dag waarop een exemplaar van de beschikking op de aanvraag om die vergunning ter inzage is gelegd, of
|
||||
2°. indien binnen die termijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, met ingang van de dag na die waarop op dat verzoek is beslist.
|
||||
|
||||
**3.** Na de in het tweede lid bedoelde beëindiging van de aanhouding verlenen burgemeester en wethouders, tenzij het vierde lid van toepassing is, binnen vijf weken na de beëindiging van de aanhouding de bouwvergunning. Indien burgemeester en wethouders niet binnen die vijf weken beslissen, is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** Na de in het tweede lid bedoelde beëindiging van de aanhouding verlenen burgemeester en wethouders de bouwvergunning, tenzij het vierde lid van toepassing is, binnen vier weken na de beëindiging van de aanhouding. Indien burgemeester en wethouders niet binnen die termijn beslissen, is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het bouwplan waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, wijziging behoeft als gevolg van de vergunning in verband waarmee de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning werd aangehouden, delen burgemeester en wethouders dit binnen twee weken na de beëindiging van de aanhouding aan de aanvrager van de bouwvergunning mede. Zij stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning in te dienen. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de gewijzigde aanvraag om bouwvergunning binnen vijf weken. Indien burgemeester en wethouders niet binnen die vijf weken beslissen, is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Indien het bouwplan waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, wijziging behoeft als gevolg van de vergunning in verband waarmee de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning werd aangehouden, delen burgemeester en wethouders dit binnen twee weken na de beëindiging van de aanhouding aan de aanvrager van de bouwvergunning mede. Zij stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning in te dienen. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de gewijzigde aanvraag om bouwvergunning binnen vier weken. Indien burgemeester en wethouders niet binnen die termijn beslissen, is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de aanvrager van de bouwvergunning geen gebruik maakt van de hem overeenkomstig het vierde lid geboden gelegenheid, is de bouwvergunning van rechtswege verleend met ingang van de dag na de dag waarop de termijn van de hem geboden gelegenheid is verstreken. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -722,13 +780,13 @@ b. indien het onder a gestelde niet van toepassing is:
|
|||
|
||||
### Artikel 52a
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en uit het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel c, onder 3°, blijkt dat de grond ter plaatse van het te bouwen bouwwerk in zodanige mate is verontreinigd dan wel bij hen uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Het besluit tot aanhouding van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning wordt genomen binnen twee weken na ontvangst van die aanvraag; indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en de beslissing niet binnen deze termijn is genomen en uit het onderzoeksrapport blijkt dat de bodem ernstig is verontreinigd, is die beslissing van rechtswege genomen.
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en uit het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel c, onder 3°, blijkt dat de bodem ter plaatse van het te bouwen bouwwerk in zodanige mate is verontreinigd dan wel bij hen uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Het besluit tot aanhouding van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning wordt genomen binnen twee weken na ontvangst van die aanvraag; indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en de beslissing niet binnen deze termijn is genomen en uit het onderzoeksrapport blijkt dat de bodem ernstig is verontreinigd, is die beslissing van rechtswege genomen.
|
||||
|
||||
**2.** De aanhouding duurt totdat het krachtens de Wet bodembescherming bevoegd gezag met het saneringsplan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die wet, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, heeft ingestemd dan wel overeenkomstig artikel 29, eerste lid, van die wet heeft vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het bouwplan, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, wijziging behoeft door het saneringsplan waarmee is ingestemd, delen burgemeester en wethouders dit binnen twee weken na de beëindiging van de aanhouding aan de aanvrager van de bouwvergunning mede. Zij stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning in te dienen.
|
||||
|
||||
**4.** Na de beëindiging van de aanhouding of, indien toepassing is gegeven aan het derde lid, beslissen burgemeester en wethouders op de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid en de aanvrager van de bouwvergunning niet binnen vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning heeft ingediend, is de bouwvergunning van rechtswege geweigerd.
|
||||
**4.** Na de beëindiging van de aanhouding of, indien toepassing is gegeven aan het derde lid, beslissen burgemeester en wethouders op de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46, met dien verstande dat de termijn, die in het eerste lid van dat artikel is genoemd, aanvangt op de dag die volgt op de datum waarop de aanhouding is beëindigd. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid en de aanvrager van de bouwvergunning niet binnen vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning heeft ingediend, is de bouwvergunning van rechtswege geweigerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 53
|
||||
|
||||
|
|
@ -738,7 +796,7 @@ b. indien het onder a gestelde niet van toepassing is:
|
|||
|
||||
**3.** Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking doen burgemeester en wethouders mededeling van de aanhouding, bedoeld in het eerste lid, alsmede van de beëindiging van de aanhouding, aan het gezag, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Na de in het tweede lid bedoelde beëindiging van de aanhouding verlenen burgemeester en wethouders, tenzij het zesde lid van toepassing is, binnen vijf weken na de beëindiging van de aanhouding de bouwvergunning.
|
||||
**4.** Na de in het tweede lid bedoelde beëindiging van de aanhouding verlenen burgemeester en wethouders de bouwvergunning, tenzij het zesde lid van toepassing is, binnen vier weken na de beëindiging van de aanhouding.
|
||||
|
||||
**5.** Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het vierde lid, is de bouwvergunning, behoudens in een geval als bedoeld in het zesde lid, van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -765,25 +823,63 @@ b. indien tegen het besluit, bedoeld onder a, binnen zes weken na de bekendmakin
|
|||
|
||||
### Artikel 55
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien naar hun oordeel voor het bouwen van het bouwwerk vrijstelling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is vereist.
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien naar hun oordeel voor het bouwen van het bouwwerk ontheffing als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is vereist.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt op de dag, volgende op de dag waarop burgemeester en wethouders het in artikel 7, vierde lid, bedoelde afschrift hebben ontvangen.
|
||||
|
||||
**3.** Burgemeester en wethouders doen de bekendmaking van de aanhouding, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van een verklaring als bedoeld in artikel 7, tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Na beëindiging van de aanhouding, bedoeld in het tweede lid, beslissen burgemeester en wethouders binnen twee weken omtrent de aanvraag om bouwvergunning, met dien verstande dat de bouwvergunning moet worden verleend, indien de vrijstelling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend.
|
||||
**4.** Na beëindiging van de aanhouding, bedoeld in het tweede lid, beslissen burgemeester en wethouders binnen twee weken omtrent de aanvraag om bouwvergunning, met dien verstande dat de bouwvergunning moet worden verleend, indien de ontheffing, bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend.
|
||||
|
||||
**5.** Tegelijkertijd met de bekendmaking van de in het vierde lid bedoelde beslissing wordt mededeling gedaan van de in het tweede lid bedoelde beëindiging van de aanhouding.
|
||||
|
||||
**6.** Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het vijfde lid en de vrijstelling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend, is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**6.** Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het vijfde lid en de ontheffing, bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend, is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 56
|
||||
|
||||
**1.** Indien bij de aanvraag om bouwvergunning de gegevens, genoemd in artikel 8, derde lid, onderdeel *c*, sub 3° tot en met 5°, niet zijn verstrekt, dan wel de fotografische reproduktie, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel *d*, niet over is gelegd, verbinden burgemeester en wethouders aan de verlening van de bouwvergunning de voorwaarde dat uiterlijk twee dagen voor de aanvang van de bouwwerkzaamheden die gegevens alsnog worden verstrekt dan wel die fotografische reproduktie alsnog over wordt gelegd.
|
||||
Burgemeester en wethouders mogen aan de bouwvergunning slechts voorwaarden verbinden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de bouwvergunning ingevolge artikel 46, vierde lid, is verleend, is, indien de aanvrager van de bouwvergunning de gegevens, genoemd in artikel 8, derde lid, onderdeel *c*, sub 3° tot en met 5°, niet heeft verstrekt dan wel de fotografische reproduktie, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel *d*, niet over heeft gelegd, de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, van rechtswege gesteld.
|
||||
### Artikel 56a
|
||||
|
||||
**3.** Burgemeester en wethouders mogen aan de bouwvergunning voorts slechts voorwaarden verbinden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen.
|
||||
**1.** Een reguliere bouwvergunning wordt op aanvraag in twee fasen verleend.
|
||||
|
||||
**2.** De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.
|
||||
|
||||
**3.** De bouwvergunning tweede fase mag slechts en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a of b, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid niet van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De aanvraag om bouwvergunning tweede fase kan eerst worden ingediend:
|
||||
|
||||
a. na afloop van de termijn waarbinnen overeenkomstig artikel 46, eerste lid, onderdeel c, of tweede lid, op de aanvraag om bouwvergunning eerste fase moet worden beslist, dan wel
|
||||
b. indien op een eerder tijdstip op die aanvraag is beslist: nadat die beslissing is bekendgemaakt.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Indien de bouwvergunning in twee fasen wordt verleend, wordt in:
|
||||
|
||||
a. artikel 41 in plaats van «aanvraag om bouwvergunning» gelezen: aanvraag om bouwvergunning eerste, dan wel tweede fase;
|
||||
b. artikel 48, eerste lid, in plaats van «aanvraag voor een reguliere bouwvergunning» gelezen: aanvraag om bouwvergunning eerste fase;
|
||||
c. de artikelen 49, eerste lid, 50, eerste lid, en 51, eerste lid, in plaats van «aanvraag om bouwvergunning» gelezen: aanvraag om bouwvergunning eerste fase;
|
||||
d. artikel 49, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, en onderdeel b, onder 2°, in plaats van «binnen twaalf weken» telkens gelezen «binnen zes weken», en in plaats van «reguliere bouwvergunning» telkens: aanvraag om bouwvergunning eerste fase;
|
||||
e. de artikelen 52, eerste lid, 52a, eerste lid, 53, eerste lid, 54, eerste lid, en 55, eerste lid, in plaats van «aanvraag om bouwvergunning» telkens gelezen: aanvraag om bouwvergunning tweede fase.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Burgemeester en wethouders kunnen het besluit waarbij de bouwvergunning eerste fase is verleend, intrekken indien:
|
||||
|
||||
a. blijkt, dat zij dit besluit ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave hebben genomen, of dat gegevens of bescheiden als bedoeld in artikel 40a, tweede lid, niet tijdig zijn overgelegd, of
|
||||
b. niet binnen 12 maanden na het onherroepelijk worden van het besluit een aanvraag om bouwvergunning tweede fase is ingediend.
|
||||
|
||||
**7.** Het besluit waarbij de bouwvergunning eerste fase is verleend, vervalt indien niet binnen twee jaren na het onherroepelijk worden ervan een aanvraag om bouwvergunning tweede fase is ingediend.
|
||||
|
||||
**8.** Indien het bouwplan waarvoor de bouwvergunning eerste fase is verleend als gevolg van hun besluit omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase zodanige wijziging behoeft dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders wederom een toetsing aan de weigeringsgronden van de eerste fase noodzakelijk is, delen zij dit onverwijld mede aan de aanvrager van de bouwvergunning tweede fase. Zij stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning eerste fase in te dienen. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent die gewijzigde aanvraag binnen vier weken. Indien burgemeester en wethouders niet binnen die vier weken beslissen, is de bouwvergunning eerste fase van rechtswege verleend. De bouwvergunning eerste fase, zoals die in tweede instantie is verleend, treedt, voor zover die afwijkt van de primaire bouwvergunning eerste fase, in de plaats van de primaire bouwvergunning eerste fase. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien de aanvrager geen gebruik maakt van de gelegenheid die hem krachtens de tweede volzin is geboden, is de bouwvergunning van rechtswege geweigerd met ingang van de dag na de dag waarop de termijn van de hem geboden gelegenheid is verstreken.
|
||||
|
||||
### Artikel 56b
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 46, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit, waarbij de bouwvergunning eerste fase is verleend, nog niet is verstreken. In afwijking van artikel 46, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase eveneens aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en indien gedurende de termijn, bedoeld in de eerste volzin, bij de voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek om schorsing van het besluit als bedoeld in de eerste volzin is ingediend en op dat verzoek positief is beslist. De aanhouding eindigt op de dag na de dag dat de termijn, bedoeld in de eerste volzin, is verstreken zonder dat een bezwaarschrift is ingediend, of, indien wel een bezwaarschrift is ingediend en het besluit als bedoeld in de eerste volzin is geschorst, op de dag dat de schorsing ingevolge artikel 8:85 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 46, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase eveneens aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en toepassing is gegeven aan artikel 56a, achtste lid, tweede volzin. De aanhouding eindigt op de dag na de dag dat een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning eerste fase is ingediend.
|
||||
|
||||
### Artikel 57
|
||||
|
||||
|
|
@ -792,40 +888,12 @@ b. indien tegen het besluit, bedoeld onder a, binnen zes weken na de bekendmakin
|
|||
Burgemeester en wethouders stellen een openbaar register in, waarin aantekening wordt gehouden van:
|
||||
|
||||
a. aanvragen om bouwvergunning;
|
||||
b. meldingen;
|
||||
c. verleende bouwvergunningen;
|
||||
d. bouwvergunningen die van rechtswege zijn verleend;
|
||||
e. meldingen waarmee is ingestemd en
|
||||
f. meldingen waarmee ingevolge artikel 42, zesde of zevende lid, is ingestemd.
|
||||
b. verleende bouwvergunningen;
|
||||
c. bouwvergunningen die van rechtswege zijn verleend.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat burgemeester en wethouders ook andere gegevens aantekenen in het register, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
Door burgemeester en wethouders worden in het in het eerste lid bedoelde register voorts aangetekend:
|
||||
|
||||
a. de datum waarop de aanvraag om bouwvergunning is ontvangen;
|
||||
b. de datum waarop de melding is ontvangen;
|
||||
c. de datum van de bouwvergunning of van de mededeling dat met de melding is ingestemd;
|
||||
d. het nummer van de bouwvergunning of van de mededeling dat met de melding is ingestemd;
|
||||
e. de plaats van het bouwwerk alsmede de van belang zijnde kadastrale gegevens daarvan;
|
||||
f. de aard van de bouwwerkzaamheden;
|
||||
g. ingeval het bouwwerk wordt gebouwd krachtens aanneming van werk: de naam en het adres van de onderneming die het bouwwerk uitvoert;
|
||||
h. ingeval het bouwwerk bedrijfsmatig in eigen beheer wordt gebouwd: de naam en het adres van de onderneming die in eigen beheer bouwt alsmede de naam en het adres van ondernemingen die deelnemen aan het bouwen;
|
||||
i. ingeval het bouwwerk niet-bedrijfsmatig in eigen beheer wordt gebouwd: de naam en het adres van de opdrachtgever, de naam en het adres van ondernemingen die deelnemen aan het bouwen alsmede voor welk onderdeel de desbetreffende onderneming zorgdraagt, en
|
||||
j. het nummer van de vergunning of ontheffing van een in onderdeel *g* , * h * of *i* bedoelde onderneming, zoals opgenomen in het register, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit registratie vestigingsvergunningen en -ontheffingen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Aantekening als bedoeld in het tweede lid, vindt plaats binnen twee dagen na de dag waarop:
|
||||
|
||||
a. de aanvraag om bouwvergunning is ontvangen;
|
||||
b. de melding is ontvangen;
|
||||
c. de bouwvergunning is verleend;
|
||||
d. de bouwvergunning van rechtswege is verleend;
|
||||
e. de bouwvergunning ingevolge artikel 56, eerste lid, is verleend en aan de voorwaarde is voldaan;
|
||||
f. met de melding is ingestemd of
|
||||
g. met de melding ingevolge artikel 42, zesde of zevende lid, is ingestemd.
|
||||
|
||||
**4.** Door of vanwege burgemeester en wethouders worden de op grond van artikel 8, derde lid, onderdeel *e*, en vierde lid, medegedeelde wijzigingen in de gegevens, bedoeld in het tweede lid, zo spoedig mogelijk aangetekend.
|
||||
**3.** Bij de maatregel kan worden bepaald binnen welke termijn de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, dienen te worden aangetekend. Die termijn kan voor de verschillende gegevens verschillend worden gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 58
|
||||
|
||||
|
|
@ -835,12 +903,13 @@ De eigenaar of hoofdgebruiker van een naburig ander gebouw wordt, overeenkomstig
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Burgemeester en wethouders kunnen de bouwvergunning intrekken:
|
||||
Burgemeester en wethouders kunnen de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken:
|
||||
|
||||
a. indien blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave hebben verleend;
|
||||
a. indien blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave hebben verleend of dat gegevens of bescheiden als bedoeld in artikel 40a, tweede lid, niet tijdig zijn overgelegd;
|
||||
b. indien blijkt dat de houder niet heeft voldaan aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 56;
|
||||
c. indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin met de werkzaamheden is gemaakt of
|
||||
d. indien de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening bepaalde termijn hebben stilgelegen.
|
||||
c. indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden;
|
||||
d. indien de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening bepaalde termijn hebben stilgelegen, of
|
||||
e. op verzoek van de vergunninghouder.
|
||||
|
||||
**2.** Een vergunning met toepassing van artikel 45 verleend, kan bovendien worden ingetrokken, indien de voorschriften omtrent het onderhoud en het gebruik niet worden nageleefd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -856,7 +925,7 @@ d. indien de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening bepaalde termijn
|
|||
|
||||
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op het als woning of woonwagen in gebruik geven of nemen van een bestaand gebouw dan wel een gedeelte van een bestaand gebouw, dat, ofschoon ongeschikt voor bewoning, overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften voor bewoning geschikt is gemaakt.
|
||||
|
||||
**4.** De artikelen 46, 47, 50, 51, 51*a*, 56, derde lid, en 59 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** De artikelen 46, 47, 50, 51, 51a, 56 en 59 zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover het betreft de bepalingen die betrekking hebben op de reguliere bouwvergunning.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3. Vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen
|
||||
|
||||
|
|
@ -872,7 +941,7 @@ a. de in dat lid bedoelde woning of woonwagen niet voldoet aan de bij of krachte
|
|||
b. het beoogde gebruik van de in dat lid bedoelde woning of woonwagen niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening, of
|
||||
c. het beoogde gebruik van de in dat lid bedoelde woning of woonwagen in strijd is met het desbetreffende bestemmingsplan.
|
||||
|
||||
**3.** De artikelen 46, 47, 50, 51, 51*a*, 56, derde lid, en 59 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** De artikelen 46, 47, 50, 51, 51a, 56 en 59 zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover het betreft de bepalingen die betrekking hebben op de reguliere bouwvergunning.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk V. Voorziening in de woningbehoefte
|
||||
|
||||
|
|
@ -1377,7 +1446,7 @@ Degene, die wederrechtelijk het kenteken, bedoeld in artikel 31, wegneemt, verni
|
|||
|
||||
### Artikel 107
|
||||
|
||||
Overtreding van de artikelen 21, eerste lid, 32, 34, derde lid, 36, derde lid, 42, 43 of 45, zesde lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie.
|
||||
Overtreding van de artikelen 21, eerste lid, 32, 36, derde lid, 43 of 45, zesde lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie.
|
||||
|
||||
### Artikel 108
|
||||
|
||||
|
|
@ -1473,9 +1542,12 @@ c. de wijze waarop tot de vaststelling wordt gekomen of een experiment als bedoe
|
|||
|
||||
De bevoegdheid, de gemeenteraad toekomende overeenkomstig artikel 149 van de Gemeentewet, mag niet worden uitgeoefend ten aanzien van de onderwerpen waarin is voorzien bij of krachtens de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in:
|
||||
|
||||
a. artikel 42, eerste lid;
|
||||
b. artikel 70c, tweede lid, eerste volzin, voorzover die algemene maatregel van bestuur betrekking heeft op toegelaten instellingen, en
|
||||
c. artikel 100, vierde lid.
|
||||
a. artikel 12a, vierde lid;
|
||||
b. artikel 40a, eerste lid;
|
||||
c. artikel 43, eerste lid, onderdeel c;
|
||||
d. artikel 44, tweede lid;
|
||||
e. artikel 70c, tweede lid, eerste volzin, voorzover die algemene maatregel van bestuur betrekking heeft op toegelaten instellingen;
|
||||
f. artikel 100, vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 122
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue