2012-10-01 | BWBR0027431 | Crisis- en herstelwet
This commit is contained in:
parent
ca7e2240d0
commit
41928bc54a
1 changed files with 3 additions and 32 deletions
|
|
@ -263,40 +263,11 @@ c. de wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar doel beantwoordt,
|
|||
|
||||
### Artikel 2.5
|
||||
|
||||
In deze afdeling wordt:
|
||||
|
||||
a. *verstaan onder bestemmingsplan:* bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening alsmede een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a of b, van die wet, een inpassingplan als bedoeld in de artikelen 3.26 en 3.28 van die wet, een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet en een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3 van die wet alsmede een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening is afgeweken;
|
||||
b. *onder toelichting bij een bestemmingsplan mede verstaan* de onderbouwing bij een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening is afgeweken;
|
||||
c. *verstaan onder radarstation:* voor de beveiliging van het nationaal luchtruim en de veilige afhandeling van het militair en burgerluchtverkeer essentieel radarstation, en
|
||||
d. *verstaan onder radarverstoringsgebied voor een radarstation:* gebied waar beperkingen gelden ten aanzien van bestemmingsplannen ten behoeve van een goede werking van de radar op het radarstation.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.6
|
||||
|
||||
**1.** Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen in een radarverstoringsgebied voor een radarstation bevat geen bestemmingen of regels omtrent het gebruik van de grond die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor het beeld van de radar op het radarstation.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Defensie, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, worden:
|
||||
|
||||
a. de radarstations aangewezen;
|
||||
b. de begrenzingen van het radarverstoringsgebied voor een radarstation aangewezen;
|
||||
c. de maximale hoogte van bouwwerken binnen het radarverstoringsgebied vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Bij de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, waarbij wordt overwogen bestemmingen aan te wijzen of regels te geven omtrent het gebruik van de grond die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die de maximale hoogte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, overschrijden, wordt een beoordeling gemaakt van gevolgen van die bouwwerken voor het zenden of ontvangen van radiogolven door het radarstation. Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële regeling regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de gevolgen, bedoeld in het eerste lid, bij die beoordeling worden bepaald en beschreven. Die regels kunnen mede betreffen de wijze van de totstandkoming van de beoordeling.
|
||||
|
||||
**4.** De toelichting bij het bestemmingsplan bevat de uitkomsten van de beoordeling, bedoeld in het derde lid, alsmede het oordeel van Onze Minister van Defensie over de toereikendheid van de beoordeling en over de aanvaardbaarheid van de in de beoordeling beschreven gevolgen.
|
||||
|
||||
**5.** Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, 2°, of het tweede lid van dat artikel van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ter zake van het oprichten van bouwwerken die de maximale hoogte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, overschrijden.
|
||||
|
||||
**6.** Op een besluit als bedoeld in het tweede lid is het krachtens artikel 3.37, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening bepaalde omtrent de voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van bestemmingsplannen van overeenkomstige toepassing. Op de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, zijn de krachtens artikel 4.3, eerste lid, in samenhang met artikel 4.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening gestelde regels van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
De regels, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, zijn niet van toepassing op bouwwerken:
|
||||
|
||||
a. die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds in het radarverstoringsgebied, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aanwezig waren;
|
||||
b. waarvoor de bouwvergunning vóór dat tijdstip is verleend, of
|
||||
c. waarvan de bouw in het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan is toegestaan.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Afdeling 4
|
||||
|
||||
|
|
@ -340,7 +311,7 @@ e. indien het project ziet op de bouw van woningen in of op rijkswateren of regi
|
|||
|
||||
**1.** Op verzoek of ambtshalve kan de gemeenteraad ten aanzien van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, een projectuitvoeringsbesluit vaststellen, waaronder begrepen de vaststelling dat deze afdeling op het project van toepassing is. De gemeenteraad kan de bevoegdheid, bedoeld in dit artikel, delegeren aan burgemeester en wethouders.
|
||||
|
||||
**2.** Op de ontwikkeling en verwezenlijking van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, ten aanzien waarvan een projectuitvoeringsbesluit is vastgesteld, zijn de wettelijke voorschriften krachtens welke daarvoor een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit is vereist, niet van toepassing, met uitzondering van de Flora- en faunawet, hoofdstuk V, paragraaf 3, van de Monumentenwet 1988 en artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet.
|
||||
**2.** Op de ontwikkeling en verwezenlijking van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, ten aanzien waarvan een projectuitvoeringsbesluit is vastgesteld, zijn de wettelijke voorschriften krachtens welke daarvoor een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit is vereist, niet van toepassing, met uitzondering van de Flora- en faunawet, hoofdstuk V, paragraaf 3, van de Monumentenwet 1988, artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet en de artikelen 4.1a en 4.3a van de Wet ruimtelijke ordening.
|
||||
|
||||
**3.** Het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van de besluiten die vereist zouden zijn geweest krachtens de in het tweede lid bedoelde wettelijke voorschriften.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue