diff --git a/wet/wet-op-het-onderwijstoezicht/BWBR0013800/README.md b/wet/wet-op-het-onderwijstoezicht/BWBR0013800/README.md index 4c6999b527a..519bff86855 100644 --- a/wet/wet-op-het-onderwijstoezicht/BWBR0013800/README.md +++ b/wet/wet-op-het-onderwijstoezicht/BWBR0013800/README.md @@ -3,7 +3,7 @@ titel: Wet op het onderwijstoezicht bwb_id: BWBR0013800 type: wet status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2011-09-29' +datum_inwerkingtreding: '2012-02-02' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0013800 citeertitel: Wet op het onderwijstoezicht --- @@ -16,7 +16,7 @@ citeertitel: Wet op het onderwijstoezicht In deze wet wordt verstaan onder: -a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, +a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, b. de inspectie: de Inspectie van het onderwijs, c. de inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van het onderwijs, d. onderwijswet: @@ -27,6 +27,8 @@ d. onderwijswet: – Wet op het voortgezet onderwijs, – Wet educatie en beroepsonderwijs, – Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, +– Wet medezeggenschap op scholen, +– Wet overige OCW-subsidies, – Wet op de erkende onderwijsinstellingen, of – Experimentenwet onderwijs, 2. – Leerplichtwet BES @@ -42,8 +44,7 @@ i. regionaal expertisecentrum: regionaal expertisecentrum als bedoeld in artikel j. bestuur: bevoegd gezag in de zin van een onderwijswet, met dien verstande dat waar het de Leerplichtwet 1969 of de Leerplichtwet BES betreft hieronder wordt verstaan het hoofd van de school of instelling, en met dien verstande dat waar het het toezicht op de uitoefening van de taken van het regionaal expertisecentrum betreft hieronder wordt verstaan het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 28b, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, k. onderwijsdeelnemer: leerling, deelnemer, student of extraneus in de zin van een onderwijswet, l. ouders: met het gezag over het kind belaste ouders, hun geregistreerde partners, voogden en verzorgers, -m. maatregel: maatregel als bedoeld in artikel 1d van de Leerplichtwet 1969, artikel 164a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 146a van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 104a en 261a van de Wet op het voortgezet onderwijs, de artikelen 6.1.5a, 6.2.3a en 6.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en artikel 6.1.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, -n. jaarwerkplan: document waarin de inspectie haar werkzaamheden voor het komende jaar neerlegt. +m. jaarwerkplan: document waarin de inspectie haar werkzaamheden voor het komende jaar neerlegt. ### Artikel 2 @@ -55,17 +56,30 @@ n. jaarwerkplan: document waarin de inspectie haar werkzaamheden voor het komend ### Artikel 3 -**1.** Het toezicht is opgedragen aan de inspectie. +**1.** Het toezicht op het onderwijs is opgedragen aan de inspectie. **2.** Het toezicht omvat de volgende taken: -a. het beoordelen van de kwaliteit van het onderwijs, van de kwaliteit van de uitoefening van de taken van het regionaal expertisecentrum en van de kwaliteitsvoorwaarden van de voorschoolse educatie op peuterspeelzalen en kindercentra op basis van het verrichten van onderzoek naar de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet of de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen gegeven voorschriften en naar andere aspecten van kwaliteit, -b. het bij de uitoefening van de onder a bedoelde taak bevorderen van de kwaliteit van het onderwijs en van de kwaliteit van de uitoefening van de taken van het regionaal expertisecentrum, onder meer door het voeren van overleg met het bestuur, het personeel van de instelling dan wel van het regionaal expertisecentrum, en zo nodig, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, gedeputeerde staten van de provincie, dan wel het bestuurscollege en de Rijksvertegenwoordiger, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, -c. het rapporteren over de ontwikkeling van het onderwijs en van de uitoefening van de taken van het regionaal expertisecentrum, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan, -d. het beoordelen van de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering van de taken, opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders bij of krachtens hoofdstuk 1, afdelingen 3 en 6 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, met uitzondering van de bij of krachtens artikel 1.50b vastgestelde bepalingen omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, -e. het verrichten van andere bij of krachtens de wet aan de inspectie opgedragen taken. +a. het beoordelen en bevorderen van de kwaliteit van het onderwijs, daaronder begrepen de kwaliteit van het onderwijspersoneel, aan instellingen als bedoeld in de onderwijswetten met uitzondering van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, het beoordelen en bevorderen van de kwaliteit van de uitoefening van de taken van de regionale expertisecentra en de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, en het beoordelen van de kwaliteitsvoorwaarden van de voorschoolse educatie op peuterspeelzalen en kindercentra, bedoeld in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, +b. het beoordelen en bevorderen van de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften, +c. het beoordelen en bevorderen van de kwaliteit van het stelsel voor hoger onderwijs, met inbegrip van het stelsel van accreditatie, bedoeld in artikel 1.1, onderdelen s en t, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, +d. het beoordelen en bevorderen van de financiële rechtmatigheid door in ieder geval het verrichten van onderzoek naar de rechtmatige verkrijging van de bekostiging, naar de controlerapporten van de door het bestuur aangewezen accountant, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de rechtmatigheid van het financieel beheer van de bekostigde instellingen, +e. het beoordelen en bevorderen van de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de uitoefening van de taken, opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders bij of krachtens hoofdstuk 1, afdelingen 3 en 6 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, met uitzondering van de bij of krachtens artikel 1.50b vastgestelde bepalingen omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, +f. het rapporteren over de ontwikkeling van het onderwijs en over de uitoefening van de taken door de instellingen, de regionale expertisecentra en de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan, en +g. het verrichten van andere bij of krachtens de wet aan de inspectie opgedragen taken. + +**3.** + +Onze Minister kan de inspectie mandaat verlenen om: + +a. de bekostiging voor ten hoogste vijftien procent in te houden of geheel of gedeeltelijk op te schorten, op grond van artikel 164 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 146 van de Wet op de expertisecentra, artikel 104 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 11.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 15.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; +b. een subsidie lager vast te stellen, te wijzigen, of gedeeltelijk in te trekken of terug te vorderen op grond van de afdelingen 4.2.5 tot en met 4.2.7 van de Algemene wet bestuursrecht; +c. bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek correcties aan te brengen of bedragen in mindering te brengen op de bekostiging; +d. voor zover het niet de enige opleiding in zijn soort betreft, een waarschuwing als bedoeld in de artikelen 6.1.5, 6.1.5b, 6.2.3, 6.2.3b en 6.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs te geven, of een besluit als bedoeld in de artikelen 6.1.4, 6.1.5b, 6.2.2, 6.2.3b en 6.3.2 van die wet te nemen; +e. de bestuurlijke boete op te leggen, bedoeld in artikel 27 van de Leerplichtwet 1969; of +f. te beslissen op een tegen een besluit als bedoeld in de onderdelen a tot en met e ingediend bezwaarschrift. ### Artikel 4 @@ -73,7 +87,9 @@ e. het verrichten van andere bij of krachtens de wet aan de inspectie opgedragen **2.** De inspectie oefent het toezicht uit op zodanige wijze dat instellingen niet meer worden belast dan voor een zorgvuldige uitoefening van het toezicht noodzakelijk is. -**3.** De uitoefening van het toezicht is er mede op gericht betrokkenen te informeren over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs. +**3.** De intensiteit van het toezicht in het onderwijs, met uitzondering van het hoger onderwijs, is afhankelijk van de kwaliteit van het onderwijs, van de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd, van de mate van naleving van wettelijke voorschriften en, voor zover deze wordt bekostigd uit ’s Rijks kas, van de financiële situatie van de instelling. + +**4.** De uitoefening van het toezicht is er mede op gericht betrokkenen te informeren over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs. ### Artikel 5 @@ -114,6 +130,14 @@ a. in het belang van de onderwijsdeelnemers, b. in het belang van ten behoeve van een instelling met taken belaste personen, of c. indien de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft. +### Artikel 6a + +**1.** De inspectie fungeert als aanspreekpunt voor ten behoeve van een instelling met taken belaste personen die van oordeel zijn dat de kwaliteit van het onderwijs tekortschiet ten gevolge van het door het bestuur van de instelling gevoerde personeelsbeleid. + +**2.** De inspectie beoordeelt of uit hetgeen haar op grond van het eerste lid ter kennis is gebracht een redelijk vermoeden voortvloeit dat de kwaliteit van het onderwijs tekortschiet. + +**3.** De inspectie is verplicht tot geheimhouding van hetgeen haar op grond van het eerste lid is toevertrouwd. + ### Artikel 7 **1.** De inspectie stelt jaarlijks een jaarwerkplan vast. Het jaarwerkplan behoeft de goedkeuring van Onze Minister. @@ -134,7 +158,7 @@ c. indien de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aa **2.** De bevoegdheden, bedoeld in de artikelen genoemd in het eerste lid, worden uitgeoefend door daartoe door Onze Minister aangewezen personen. -**3.** Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. +**3.** Van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. ## Hoofdstuk 3. Uitoefening van het toezicht @@ -144,56 +168,61 @@ Vervallen ### Artikel 10 -Dit hoofdstuk is niet van toepassing op: +**1.** De artikelen 11, 12, 13 en 15 zijn niet van toepassing op de instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in de artikelen 1.9, 1.12 en 1.12a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. -a. de universiteiten, hogescholen, de Open Universiteit en de levensbeschouwelijke universiteiten, bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, -b. de universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 van de wet, bedoeld in onderdeel b, zijn aangewezen, en -c. de rechtspersonen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.1, onder aa, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, -d. de uitvoering van de taken, opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders bij of krachtens hoofdstuk 1, afdelingen 3 en 6 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. +**2.** Hoofdstuk 3 is niet van toepassing op de uitvoering van de taken, opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders bij of krachtens hoofdstuk 1, afdelingen 3 en 6 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. ### Artikel 11 -**1.** Ter uitvoering van de in artikel 3 bedoelde taken onderzoekt de inspectie jaarlijks het onderwijs aan elke instelling, behoudens bijzondere omstandigheden. Naar aanleiding van het onderzoek geeft de inspectie een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs. +**1.** Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen a, b en d, bedoelde taken onderzoekt de inspectie jaarlijks met inachtneming van artikel 4 het onderwijs aan elke instelling. Naar aanleiding van het onderzoek geeft de inspectie een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs aan de instelling en over de naleving van wettelijke voorschriften door de instelling. **2.** -De inspectie verricht het onderzoek aan de hand van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften en, indien het betreft een instelling voor primair of voortgezet onderwijs, de aspecten van kwaliteit, te weten +De inspectie verricht het onderzoek aan de hand van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften en, indien het betreft een instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs, aan de hand van de volgende aspecten van kwaliteit, te weten: -a. voor wat betreft de opbrengsten van het onderwijs: +a. leerresultaten, +b. voortgang in de ontwikkeling van leerlingen, +c. het gevoerde personeelsbeleid, voor zover daar op grond van artikel 6a, eerste en tweede lid, aanleiding toe bestaat. -1°. leerresultaten, -2°. voortgang in de ontwikkeling van leerlingen, -b. voor wat betreft de inrichting van het onderwijsleerproces: +**3.** -1°. het leerstofaanbod, -2°. de leertijd, -3°. het pedagogisch klimaat, -4°. het schoolklimaat, -5°. het didactisch handelen van de leraren, -6°. de leerlingenzorg, -7°. de inhoud, het niveau en de uitvoering van de toetsen, tests, opdrachten of examens. +Indien uit het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, een redelijk vermoeden voortvloeit dat de kwaliteit tekortschiet, stelt de inspectie nader onderzoek in, waarbij tevens de oorzaken van het tekortschieten worden onderzocht. Dit nader onderzoek verricht zij, indien het betreft een instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs, mede aan de hand van een of meer van de volgende aspecten van kwaliteit, te weten: -Indien uit het onderzoek een redelijk vermoeden voortvloeit dat de kwaliteit tekortschiet, stelt zij nader onderzoek in, waarbij tevens de oorzaken van het tekortschieten worden onderzocht. +a. het leerstofaanbod, +b. de leertijd, +c. het pedagogisch klimaat, +d. het schoolklimaat, +e. de effectiviteit van het didactisch handelen van het onderwijspersoneel, +f. de leerlingenzorg, +g. de inhoud, het niveau en de uitvoering van de toetsen, tests, opdrachten of examens, +h. voor wat betreft de kwaliteit van het onderwijspersoneel: -**3.** Indien de inspectie naar aanleiding van het onderzoek, bedoeld in het vorige lid, oordeelt dat de kwaliteit tekortschiet, verricht zij na een door haar aangegeven termijn onderzoek naar de kwaliteitsverbeteringen die de instelling heeft gerealiseerd. +1°. de eisen van bevoegdheid en bekwaamheid, +2°. het personeelsbeleid, voor zover het betreft de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel. -**4.** De inspectie stelt het bestuur in kennis van de datum en het doel van een onderzoek, bedoeld in het tweede of derde lid. Kennisgeving geschiedt ten minste vier weken voor aanvang van een onderzoek. +**4.** Indien de inspectie naar aanleiding van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, oordeelt dat de kwaliteit tekortschiet, verricht zij na een door haar aangegeven termijn onderzoek naar de kwaliteitsverbeteringen die de instelling heeft gerealiseerd. -**5.** Bij de uitvoering van een onderzoek, bedoeld in het tweede of derde lid, kan de inspectie onafhankelijke deskundigen betrekken. +**5.** De inspectie stelt het bestuur in kennis van de datum en het doel van een onderzoek, bedoeld in het derde of vierde lid. Kennisgeving geschiedt ten minste vier weken voor aanvang van een onderzoek. Indien de inspectie dit nodig oordeelt, verricht zij onderzoek zonder deze kennisgeving. + +**6.** Bij de uitvoering van een onderzoek, bedoeld in het derde of vierde lid, kan de inspectie onafhankelijke deskundigen betrekken. + +**7.** Het tweede lid, onderdeel c en het derde lid, onderdeel h, zijn van overeenkomstige toepassing op de instellingen, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs. ### Artikel 12 -**1.** De inspectie gaat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 11, tweede of derde lid, uit van de uitkomsten van een evaluatie van de kwaliteit door of vanwege de instelling, waaronder worden verstaan de uitkomsten van het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs door of vanwege de instelling als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 21 van de Wet op de expertisecentra, artikel 24, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en het verslag, bedoeld in artikel 1.3.6, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs. +**1.** De inspectie gaat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 11, eerste lid, uit van openbare verantwoordingsinformatie over de resultaten en de kwaliteit van het onderwijs, de financiële situatie van de instelling en de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd. -**2.** +**2.** De informatie, bedoeld in het eerste lid, is richtinggevend voor het oordeel van de inspectie, indien deze voldoende actueel en betrouwbaar is. -De uitkomsten van een evaluatie, bedoeld in het eerste lid, zijn richtinggevend voor het oordeel van de inspectie indien: +### Artikel 12a -a. alle aspecten van kwaliteit die de inspectie bij haar oordeel betrekt, zoals neergelegd in een toezichtskader als bedoeld in artikel 13, daarin aan de orde komen, -b. de wijze van uitvoering en de hoedanigheid van de evaluatie voldoende betrouwbaar zijn, en -c. de kwaliteitsdoelen die de instelling zichzelf heeft gesteld, van voldoende niveau zijn. +**1.** Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b en d, bedoelde taken onderzoekt de inspectie met inachtneming van artikel 4 de naleving van de wettelijke voorschriften en de financiële rechtmatigheid bij instellingen voor hoger onderwijs, als bedoeld in artikel 10, eerste lid. -**3.** Waar niet aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden is voldaan, verricht de inspectie aanvullend onderzoek. +**2.** Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b, c en d, bedoelde taken onderzoekt de inspectie ontwikkelingen in het stelsel van hoger onderwijs. + +**3.** Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b, c en d, bedoelde taken kan de inspectie in incidentele gevallen onderzoek verrichten op aanwijzing van de minister dan wel uit eigen beweging onder door Onze Minister te stellen voorwaarden. Dit onderzoek kan mede de kwaliteit van het onderwijs omvatten. + +**4.** Artikel 11, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet. ### Artikel 13 @@ -205,19 +234,19 @@ c. de kwaliteitsdoelen die de instelling zichzelf heeft gesteld, van voldoende n ### Artikel 13a -Indien het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, niet of niet tijdig voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 45a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 48a van de Wet op de expertisecentra of artikel 23c van de Wet op het voortgezet onderwijs, zendt de inspectie de samenvatting van het inspectierapport, bedoeld in die artikelen, in de vijfde week na vaststelling van het inspectierapport aan de ouders van de leerlingen. +Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, informeert zij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betreffende instelling gelegen is. ### Artikel 14 -**1.** Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, informeert zij Onze Minister en doet voorstellen over te treffen maatregelen. +**1.** Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet dan wel de naleving van voorschriften als bedoeld in de artikelen 11 en 12a tekortschiet, informeert zij Onze Minister en kan zij voorstellen doen over te treffen maatregelen. **2.** De inspectie stelt het bestuur van de betreffende instelling in kennis van haar voorstellen aan Onze Minister. ### Artikel 15 -**1.** Naast het periodieke kwaliteitsonderzoek, bedoeld in artikel 11, kan de inspectie uit eigen beweging dan wel op aanwijzing van Onze Minister incidenteel onderzoek verrichten naar de kwaliteit van het onderwijs onderscheidenlijk, indien het een exameninstelling betreft, van de externe legitimering waaronder mede wordt verstaan naar de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschiften. +**1.** Naast het onderzoek, bedoeld in artikel 11, kan de inspectie ter uitvoering van haar taken, bedoeld in artikel 3, uit eigen beweging dan wel op aanwijzing van Onze Minister specifiek onderzoek verrichten. -**2.** De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzetten. +**2.** Artikel 11, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet. ## Hoofdstuk 3a. Toezicht regionaal expertisecentrum @@ -281,7 +310,7 @@ Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de kwaliteitsvoorwaarden voor **1.** -De inspectie verricht het onderzoek, bedoeld in artikel 15f, eerste lid, aan de hand van de kwaliteitsvoorwaarden van de voorschoolse educatie in peuterspeelzalen en kindercentra, bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen vastgestelde bepalingen, te weten: +De inspectie verricht het onderzoek, bedoeld in artikel 15h, eerste lid, aan de hand van de kwaliteitsvoorwaarden van de voorschoolse educatie in peuterspeelzalen en kindercentra, bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen vastgestelde bepalingen, te weten: a. de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie, b. het informeren van ouders en ouderbetrokkenheid, @@ -296,7 +325,7 @@ f. de doorgaande lijn tussen voor- en vroegschoolse educatie. **4.** Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «andere betrokkenen» in ieder geval wordt verstaan: vertegenwoordigers van houders van kindercentra en peuterspeelzalen als bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. -**5.** De inspectie verricht het onderzoek, bedoeld in artikel 15f, tweede lid, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente of op verzoek van Onze Minister. Het college van burgemeester en wethouders dient een dergelijk verzoek in op eigen initiatief of als een partij als bedoeld in artikel 167, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs aan het college hierom verzoekt. +**5.** De inspectie verricht het onderzoek, bedoeld in artikel 15h, tweede lid, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente of op verzoek van Onze Minister. Het college van burgemeester en wethouders dient een dergelijk verzoek in op eigen initiatief of als een partij als bedoeld in artikel 167, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs aan het college hierom verzoekt. ### Artikel 15j @@ -308,45 +337,51 @@ De artikelen 20, 21, 22 en 23 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien vers **2.** De inspectie stelt de houder van de betreffende peuterspeelzaal of van het betreffende kindercentrum in kennis van haar voorstellen aan het college van burgemeester en wethouders. +## Hoofdstuk 3d. Toezicht kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven + +### Artikel 15l + +Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. + +### Artikel 15m + +De artikelen 4, 8 en 9 zijn van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 15n + +**1.** Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, bedoelde taken, onderzoekt de inspectie jaarlijks de kwaliteit van de uitoefening van de wettelijke taken door de kenniscentra, bedoeld in de artikelen 1.5.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en 10b4 van de Wet op het voortgezet onderwijs. + +**2.** Indien de inspectie naar aanleiding van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, oordeelt dat de kwaliteit tekortschiet, verricht zij na een door haar aangegeven termijn onderzoek naar de verbeteringen die het kenniscentrum heeft gerealiseerd. + +**3.** De inspectie stelt het bestuur in kennis van de datum en het doel van het onderzoek, bedoeld in het eerste of tweede lid. Kennisgeving geschiedt ten minste vier weken voor aanvang van een onderzoek. Indien de inspectie dit nodig oordeelt, verricht zij onderzoek zonder deze kennisgeving. + +**4.** Bij de uitvoering van een onderzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid, kan de inspectie onafhankelijke deskundigen betrekken. + +**5.** De artikelen 12, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing. + ## Hoofdstuk 4. Toezicht hoger onderwijs ### Artikel 16 -Dit hoofdstuk is van toepassing op het accreditatieorgaan, bedoeld in artikel 5a.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de in artikel 1.8 van die wet bedoelde universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit en op de rechtspersonen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.1, onder aa, van die wet. +Vervallen ### Artikel 17 -**1.** De inspectie houdt toezicht op het accreditatieorgaan, bedoeld in artikel 5a.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de accreditatie, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van die wet, en de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel t , van die wet. - -**2.** - -De inspectie kan Onze minister voorstellen een voorziening te treffen in het geval het accreditatieorgaan zijn taak verwaarloost, indien: - -a. is gebleken dat de kwaliteit van de accreditatie en de toets nieuwe opleiding door het accreditatieorgaan onvoldoende is of is geweest, of -b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is bepaald. +Vervallen ### Artikel 18 -**1.** De inspectie voert de in artikel 3 bedoelde taken uit door onderzoek naar de naleving door instellingen van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 6.5, eerste lid onderdeel b, en 6.10, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. - -**2.** De artikelen 11, derde tot en met vijfde lid, en 14 zijn van overeenkomstige toepassing. +Vervallen ### Artikel 19 -**1.** - -Naast het onderzoek, bedoeld in artikel 18, kan de inspectie incidenteel onderzoek verrichten naar: - -a. aspecten van de kwaliteit van het stelsel van hoger onderwijs in zijn geheel, en -b. de naleving door instellingen van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 6.5, eerste lid onderdeel b, en 6.10, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. - -**2.** De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzetten. +Vervallen ## Hoofdstuk 5. Vaststelling en openbaarmaking van inspectierapporten ### Artikel 20 -**1.** De inspectie legt haar oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 11, tweede of derde lid, vast in een inspectierapport. +**1.** De inspectie legt haar oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 11, dan wel artikel 12a, vast in een inspectierapport. **2.** Indien de inspectie oordeelt dat een bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschrift niet is nageleefd, vermeldt zij dit in het rapport. @@ -374,7 +409,7 @@ De inspectie draagt zorg voor een verantwoorde uitoefening van het toezicht. **1.** Er is een klachtadviescommissie belast met de behandeling van en advisering over klachten over gedragingen van de inspectie. Op de behandeling van en advisering over klachten is de in afdeling 9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing. -**2.** De klachtadviescommissie bestaat uit ten minste drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De leden maken geen deel uit van en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de inspectie. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter. +**2.** De klachtadviescommissie bestaat uit ten minste drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na overleg met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De leden maken geen deel uit van en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de inspectie. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter. De benoeming geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. **3.** De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig op het gebied van onderwijs, in het bijzonder op het gebied van de vrijheid van richting en inrichting, toezicht en klachtbehandeling. @@ -384,7 +419,7 @@ De inspectie draagt zorg voor een verantwoorde uitoefening van het toezicht. **1.** Er is een Raad van advies inzake de inspectie die tot taak heeft de inspectie bij te staan in de waarborging van een zorgvuldige en professionele uitoefening van het toezicht. De raad adviseert de inspecteur-generaal onderscheidenlijk het hoofd inspectie gevraagd en ongevraagd over de kwaliteit van de uitoefening van het toezicht, in het bijzonder over de uitvoering van de artikelen 13 en 22. -**2.** De raad bestaat uit drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De benoeming geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter. +**2.** De raad bestaat uit ten minste drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na overleg met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De benoeming geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter. **3.** De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig op het gebied van onderwijs, kwaliteitszorg en toezicht.