2016-01-01 | BWBR0015703 | Wet werk en bijstand
This commit is contained in:
parent
91a269c30b
commit
431b9e6f63
1 changed files with 90 additions and 120 deletions
|
|
@ -117,7 +117,7 @@ e. voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghe
|
|||
|
||||
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. niet-uitkeringsgerechtigde: de persoon jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die als werkloze werkzoekende staat geregistreerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en die geen recht heeft op een uitkering of arbeidsondersteuning op grond van deze wet of de Werkloosheidswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet, de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de Algemene nabestaandenwet dan wel op grond van een regeling, die met deze wetten naar aard en strekking overeenstemt;
|
||||
a. niet-uitkeringsgerechtigde: de persoon jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die als werkloze werkzoekende staat geregistreerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en die geen recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of een uitkering op grond van deze wet of de Werkloosheidswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet, de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de Algemene nabestaandenwet dan wel een uitkering op grond van een regeling, die met deze wetten naar aard en strekking overeenstemt;
|
||||
b. arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a;
|
||||
c. sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie;
|
||||
d. startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
|
||||
|
|
@ -171,8 +171,7 @@ a. ondersteunt bij arbeidsinschakeling:
|
|||
|
||||
en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering gericht op arbeidsinschakeling, noodzakelijk acht, bepaalt en biedt deze voorziening aan;
|
||||
b. verleent bijstand aan personen hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; en
|
||||
c. ontwikkelt beleid ten behoeve van het verrichten van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, en voert dit uit, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b;
|
||||
d. verstrekt een koopkrachttegemoetkoming als bedoeld in artikel 36a.
|
||||
c. ontwikkelt beleid ten behoeve van het verrichten van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, en voert dit uit, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b.
|
||||
|
||||
**2.** Het college werkt bij de uitvoering van het eerste lid, onderdeel a, samen met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -182,7 +181,7 @@ Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op personen:
|
|||
|
||||
a. jonger dan 27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen;
|
||||
b. als bedoeld in artikel 41, vierde lid, die zich hebben gemeld om bijstand aan te vragen gedurende de vier weken na de melding, bedoeld in artikel 44; of
|
||||
c. aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt, tenzij het betreft een persoon uit de doelgroep loonkostensubsidie of een persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°.
|
||||
c. aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt, tenzij het betreft een persoon ten behoeve van wie loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend, tot het moment dat diens inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verleend.
|
||||
|
||||
**4.** Het college kan de uitvoering van deze wet, behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de belanghebbende en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden laten verrichten. Het college kan de in de eerste volzin bedoelde vaststelling en beoordeling mandateren aan bestuursorganen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -229,8 +228,7 @@ e. het verrichten van werkzaamheden in een beschutte omgeving, bedoeld in artike
|
|||
De regels, bedoeld in het eerste lid, bepalen in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. onder welke voorwaarden welke personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en werkgevers van deze personen in aanmerking komen voor in de verordening te omschrijven voorzieningen en hoe deze rekening houdend met omstandigheden, zoals de zorgtaken, en het feit, dat die persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b, of een andere structurele functionele beperking heeft, evenwichtig over deze personen worden verdeeld;
|
||||
b. voor welke vergoedingen naar hoogte en duur een werkgever in aanmerking komt bij ziekte van de werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d ontvangt, voor zover artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is;
|
||||
c. welke regels gelden voor het aanbod van scholing of opleiding en voor de premie indien onbeloonde additionele werkzaamheden worden verricht als bedoeld in artikel 10a waarbij die regels voor de premie in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval.
|
||||
b. welke regels gelden voor het aanbod van scholing of opleiding en voor de premie indien onbeloonde additionele werkzaamheden worden verricht als bedoeld in artikel 10a waarbij die regels voor de premie in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval.
|
||||
|
||||
### Artikel 8b
|
||||
|
||||
|
|
@ -299,7 +297,7 @@ d. door het college ingetrokken indien uit houding en gedragingen van de alleens
|
|||
|
||||
**10.** Het college vult de voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.
|
||||
|
||||
**11.** Op verzoek van de alleenstaande ouder die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid, vult het college de voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, in met een opleiding, als bedoeld in artikel 7.2.2., tweede lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.
|
||||
**11.** Op verzoek van de alleenstaande ouder die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid, vult het college de voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, in met een opleiding in de beroepsopleidende leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.
|
||||
|
||||
**12.** Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel e, indien het college de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, heeft ingetrokken op grond van het vijfde lid, onderdeel d. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -392,6 +390,10 @@ Indien het een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, betreft,
|
|||
|
||||
**8.** Indien een persoon in een dienstbetrekking waarbij loonkostensubsidie als bedoeld in dit artikel wordt verleend zijn woonplaats verplaatst naar een andere gemeente, wordt gedurende die dienstbetrekking onder college in dit artikel verstaan het college dat op grond van het eerste lid bij het tot stand komen van de dienstbetrekking de loonkostensubsidie verleende.
|
||||
|
||||
**9.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
|
||||
|
||||
**10.** Het college verstrekt geen loonkostensubsidie met betrekking tot perioden waarin recht bestaat op ziekengeld op grond van artikel 29b van de Ziektewet.
|
||||
|
||||
### Artikel 10da
|
||||
|
||||
Personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hebben aanspraak op begeleiding op de werkplek.
|
||||
|
|
@ -453,7 +455,7 @@ a. van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijft;
|
|||
b. die onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet of die gehuwd is met een zodanig persoon, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is, tenzij de belanghebbende alleenstaande ouder is en hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg;
|
||||
c. die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:
|
||||
|
||||
1°. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000, dan wel
|
||||
1°. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel
|
||||
2°. in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt;
|
||||
d. die jonger is dan 27 jaar en uit wiens houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 niet wil nakomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -679,73 +681,56 @@ d. een persoon is die:
|
|||
|
||||
Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar zonder ten laste komende kinderen is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
|
||||
|
||||
a. een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar: € 237,61;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: € 475,22;
|
||||
c. gehuwden die niet met een of meer andere meerderjarige personen dan de echtgenoot in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben, en waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder: € 925,20.
|
||||
a. een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar: € 240,10;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: € 480,20;
|
||||
c. gehuwden waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, zonder kostendelende medebewoners: € 934,89.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar met een of meer ten laste komende kinderen is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
|
||||
|
||||
a. een alleenstaande ouder van 18, 19 of 20 jaar: € 237,61;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: € 750,26;
|
||||
c. gehuwden die niet met een of meer andere meerderjarige personen dan de echtgenoot in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben, en waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder: € 1.200,24.
|
||||
|
||||
**3.** Voor gehuwden die naast de echtgenoot nog met een of meer andere meerderjarige personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben, en waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, is de norm per kalendermaand de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde norm vermeerderd met de op de echtgenoot van 21 jaar en ouder op grond van artikel 22a van toepassing zijnde norm.
|
||||
a. een alleenstaande ouder van 18, 19 of 20 jaar: € 240,10;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: € 758,11;
|
||||
c. gehuwden waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, zonder kostendelende medebewoners: € 1.212,80.
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
Voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
|
||||
|
||||
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder die niet met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: € 962,63;
|
||||
b. gehuwden die niet met een andere meerderjarige persoon dan de echtgenoot in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben, en waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd: € 1.375,18.
|
||||
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder zonder kostendelende medebewoners: € 972,70;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd, zonder kostendelende medebewoners: € 1.389,57.
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
Voor belanghebbenden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
|
||||
|
||||
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder die niet met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: € 1.079,78;
|
||||
b. gehuwden die niet met een andere meerderjarige persoon dan de echtgenoot in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben, en waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt: € 1.476,40;
|
||||
c. gehuwden die niet met een andere meerderjarige persoon dan de echtgenoot in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben, en waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, doch de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt: € 1.476,40.
|
||||
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder zonder kostendelende medebewoners: € 1.092,87;
|
||||
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, zonder kostendelende medebewoners: € 1.492,96;
|
||||
c. gehuwden waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, doch de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, zonder kostendelende medebewoners: € 1.492,96.
|
||||
|
||||
### Artikel 22a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, is de norm per kalendermaand voor de belanghebbende:
|
||||
Indien de belanghebbende van 21 jaar of ouder een of meer kostendelende medebewoners heeft, is de norm per kalendermaand voor de belanghebbende:
|
||||
|
||||
Hierbij staat:
|
||||
|
||||
• A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft; en
|
||||
• B voor de rekennorm.
|
||||
• A voor het aantal kostendelende medebewoners plus de belanghebbende en zijn echtgenoot van 21 jaar of ouder indien hij gehuwd is; en
|
||||
• B voor de norm, bedoeld in artikel:
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
a. 21, onderdeel b, indien de belanghebbende jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is;
|
||||
b. 22, onderdeel c, indien de belanghebbende jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is en zijn echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
|
||||
c. 22, onderdeel b, indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
|
||||
|
||||
De rekennorm, bedoeld in het eerste lid, is voor de belanghebbende:
|
||||
|
||||
a. van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, de norm voor gehuwden, bedoeld in artikel 21, onderdeel b;
|
||||
b. van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, waarvan de echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, de norm voor gehuwden, bedoeld in artikel 22, onderdeel c;
|
||||
c. die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, de norm voor gehuwden, bedoeld in artikel 22, onderdeel b.
|
||||
**2.** De norm voor gehuwden, op wie het eerste lid van toepassing is, is gelijk aan de som van de normen, bedoeld in dat lid, die voor ieder van de rechthebbende echtgenoten afzonderlijk van toepassing is.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing op de belanghebbende:
|
||||
Voor rechthebbende gehuwden, waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder is, met een of meer kostendelende medebewoners, is de norm per kalendermaand:
|
||||
|
||||
a. die gehuwd is en die niet met een of meer andere meerderjarige personen dan de echtgenoot in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, tenzij die echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft; of
|
||||
b. die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Tot de personen, bedoeld in het eerste lid, worden niet gerekend:
|
||||
|
||||
a. de persoon die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt,
|
||||
b. de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft,
|
||||
c. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger, en
|
||||
d. de persoon die onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering kan bestaan op grond van de Wet studiefinanciering 2000 en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering, de persoon die onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, en de persoon die een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg volgt.
|
||||
|
||||
**5.** Op verzoek van het college legt de belanghebbende de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b of onderdeel c, over en toont hij de betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling.
|
||||
|
||||
**6.** De norm voor gehuwden, op wie het eerste lid van toepassing is, is gelijk aan de som van de normen, bedoeld in dat lid, die voor ieder van de rechthebbende echtgenoten afzonderlijk van toepassing is.
|
||||
a. indien ze een of meer ten laste komende kinderen hebben: € 512,65 per 1 januari 2016: € 518,01 plus de op basis van dit artikel van toepassing zijnde norm voor de echtgenoot van 21 jaar of ouder,
|
||||
b. indien ze geen ten laste komende kinderen hebben: € 237,61 per 1 januari 2016: € 240,10 plus de op basis van dit artikel van toepassing zijnde norm voor de echtgenoot van 21 jaar of ouder.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b
|
||||
|
||||
|
|
@ -770,21 +755,24 @@ b. een alleenstaande die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die me
|
|||
|
||||
Bij een verblijf in een inrichting is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
|
||||
|
||||
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 304,76;
|
||||
b. gehuwden: € 474,03.
|
||||
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 307,96;
|
||||
b. gehuwden: € 479,01.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bedrag van de norm, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met:
|
||||
|
||||
a. voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 39,00;
|
||||
b. voor gehuwden € 85,00.
|
||||
b. voor gehuwden € 86,00.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de norm de som van de normen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
Indien een van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, is voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk aan de norm die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.
|
||||
Voor gehuwden waarvan een echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft is voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk aan 50% van de norm die voor hem zou gelden als hij gehuwd zou zijn met een rechthebbende echtgenoot van zijn leeftijd, indien:
|
||||
|
||||
a. de rechthebbende echtgenoot 21 jaar of ouder is en geen kostendelende medebewoners heeft; dan wel
|
||||
b. de rechthebbende echtgenoot jonger dan 21 jaar is.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.3. Verlaging
|
||||
|
||||
|
|
@ -831,15 +819,15 @@ f. vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de tegemoetkoming ontvan
|
|||
g. vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij voor deze vergoedingen en verstrekkingen bijstand wordt verleend;
|
||||
h. inkomsten uit arbeid van de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen uitkeringen inzake werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, tenzij het de verlening van bijzondere bijstand betreft voor bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan van die kinderen;
|
||||
i. rente ontvangen over op grond van artikel 34, tweede lid, onderdelen b en c, niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden;
|
||||
j. een een- of tweemalige premie van ten hoogste € 2.340,00 per kalenderjaar, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling;
|
||||
j. een een- of tweemalige premie van ten hoogste € 2.366,00 per kalenderjaar, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling;
|
||||
k. een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag;
|
||||
l. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade;
|
||||
m. giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn;
|
||||
n. inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 196,00 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling;
|
||||
n. inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 198,00 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling;
|
||||
o. de ten behoeve van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij een uitvoerder als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van die wet, zoals dit artikellid op 31 december 2011 luidde opgebouwde voorziening;
|
||||
p. een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 29a van de Algemene nabestaandenwet;
|
||||
q. een uitkering als bedoeld in artikel 118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet of een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2:52 of 3:10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
|
||||
r. inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 122,31 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, ingeval:
|
||||
r. inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 123,69 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, ingeval:
|
||||
|
||||
1°. hij de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 12 jaar,
|
||||
2°. de periode van zes aaneengesloten maanden, bedoeld in onderdeel n, is verstreken, en
|
||||
|
|
@ -848,10 +836,9 @@ s. een vergoeding als bedoeld in artikel 18 van de Wet inburgering zoals dit lui
|
|||
t. tegemoetkomingen op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, artikel 63a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 65l van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 67i van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 3:75 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of artikel 24 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, zoals dat op 31 december 2013 luidde;
|
||||
u. hetgeen een mantelzorger op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 als blijk van waardering ontvangt;
|
||||
v. een uitkering tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn ouder of ouders ontvangt, voor zover deze uitkering op grond van artikel 12 reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand;
|
||||
w. een koopkrachttegemoetkoming als bedoeld in artikel 36a;
|
||||
x. het vrijgelaten deel van de toeslag, uitkering, kinderbijslag of ouderdomspensioen op grond van de artikelen 14h, vijfde lid, van de Toeslagenwet, 27h, vijfde lid, van de Werkloosheidswet, 54a, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 24a, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 29h,vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 3:44, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, 97, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 45h, vijfde lid, van de Ziektewet, 17h, vijfde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, 45a, vijfde lid, van de Algemene nabestaandenwet, 17j, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 29, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en 29, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
|
||||
y. een inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 33a van de Algemene Ouderdomswet;
|
||||
z. inkomsten uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is tot 15 procent van deze inkomsten uit arbeid, met een maximum van € 124,05 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, tenzij onderdeel n of r van toepassing is.
|
||||
w. het vrijgelaten deel van de toeslag, uitkering, kinderbijslag of ouderdomspensioen op grond van de artikelen 14h, vijfde lid, van de Toeslagenwet, 27h, vijfde lid, van de Werkloosheidswet, 54a, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 24a, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 29h,vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 3:44, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, 97, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 45h, vijfde lid, van de Ziektewet, 17h, vijfde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, 45a, vijfde lid, van de Algemene nabestaandenwet, 17j, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 29, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en 29, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
|
||||
x. een inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 33a van de Algemene Ouderdomswet;
|
||||
y. inkomsten uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is tot 15 procent van deze inkomsten uit arbeid, met een maximum van € 125,45 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, tenzij onderdeel n of r van toepassing is.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -864,7 +851,7 @@ d. andere ten laste van de belanghebbende komende verplichte inhoudingen.
|
|||
|
||||
**4.** Onder het redelijkerwijs kunnen beschikken over vermogens- en inkomensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstaan de mogelijkheid om een voorschot te vragen op het ouderdomspensioen op grond van artikel 22, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.
|
||||
|
||||
**5.** Dit lid en het vierde lid vervallen, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vierde en vijfde lid, op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
|
||||
**5.** Dit lid en het vierde lid vervallen, onder vernummering van het zesde, zevende en achtste lid tot vierde, vijfde en zesde lid, op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
|
||||
|
||||
**6.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -891,18 +878,18 @@ b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
|
|||
|
||||
**1.** Indien inkomen in natura in aanmerking wordt genomen wordt de waarde daarvan vastgesteld op het daarvoor door belanghebbende opgeofferde bedrag.
|
||||
|
||||
**2.** Het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking genomen naar het van toepassing zijnde normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 en, indien een toeslag als bedoeld in artikel 3.4 of artikel 3.5 van die wet is toegekend, het bedrag aan toeslag, genoemd in artikel 3.18 van die wet.
|
||||
**2.** Het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking genomen naar het van toepassing zijnde normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 en, indien een toeslag als bedoeld in artikel 3.5 van die wet is toegekend, het bedrag aan toeslag, genoemd in artikel 3.18 van die wet.
|
||||
|
||||
**3.** De tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor de basistoelage, bedoeld in artikel 4.3 van die wet.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de belanghebbende de woning bewoont met een of meer huurders, onderhuurders of kostgangers, worden de daaruit voortvloeiende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen in aanmerking genomen indien daarmee nog geen rekening is gehouden bij de vaststelling van de norm, bedoeld in artikel 22a, eerste tot en met derde lid.
|
||||
**4.** Indien de belanghebbende de woning bewoont met een of meer huurders, onderhuurders of kostgangers, worden de daaruit voortvloeiende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen in aanmerking genomen indien daarmee nog geen rekening is gehouden bij de vaststelling van de norm, bedoeld in artikel 22a.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of een van de echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, wordt voor de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand een in de vorm van een periodieke uitkering ontvangen particuliere oudedagsvoorziening buiten beschouwing gelaten tot een bedrag van:
|
||||
|
||||
a. voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder: € 19,50 per kalendermaand;
|
||||
b. voor de gehuwden tezamen: € 39,00 per kalendermaand.
|
||||
a. voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder: € 19,60 per kalendermaand;
|
||||
b. voor de gehuwden tezamen: € 39,20 per kalendermaand.
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
|
|
@ -920,7 +907,7 @@ Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
|
|||
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
|
||||
b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;
|
||||
c. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;
|
||||
d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 49.700;
|
||||
d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 49.900;
|
||||
e. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m;
|
||||
f. de voorziening, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel o.
|
||||
|
||||
|
|
@ -928,9 +915,9 @@ f. de voorziening, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel o.
|
|||
|
||||
De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
|
||||
|
||||
a. voor een alleenstaande: € 5.895;
|
||||
b. voor een alleenstaande ouder: € 11.790;
|
||||
c. voor de gehuwden tezamen: € 11.790.
|
||||
a. voor een alleenstaande: € 5.920;
|
||||
b. voor een alleenstaande ouder: € 11.840;
|
||||
c. voor de gehuwden tezamen: € 11.840.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -941,13 +928,13 @@ b. tijdens de bijstandsverlening niet in aanmerking is genomen op grond van dit
|
|||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Aanvullende inkomensondersteuning en aanpassing bedragen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4.1. Bijzondere bijstand
|
||||
### Paragraaf 4.1. Aanvullende inkomensondersteuning
|
||||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
|
||||
|
||||
**2.** Het college kan bijzondere bijstand weigeren, indien de in het eerste lid bedoelde kosten binnen twaalf maanden een bedrag van € 129,00 niet te boven gaan.
|
||||
**2.** Het college kan bijzondere bijstand weigeren, indien de in het eerste lid bedoelde kosten binnen twaalf maanden een bedrag van € 130,00 niet te boven gaan.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een persoon worden verleend in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering of in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de kosten van die verzekering of die premie ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -970,24 +957,9 @@ b. de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te k
|
|||
|
||||
**4.** De artikelen 12, 43, 49 en 52 zijn niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Onder een verleende individuele inkomenstoeslag als bedoeld in het derde lid wordt mede verstaan een langdurigheidstoeslag die voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel T, van de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten is verleend op grond van artikel 36, eerste lid, van deze wet, zoals die luidde voorafgaande aan die inwerkingtreding.
|
||||
|
||||
**6.** Het vijfde lid en dit lid vervallen met ingang van 1 januari 2016.
|
||||
|
||||
### Artikel 36a
|
||||
|
||||
**1.** Personen met een inkomen van ten hoogste 110 procent van de voor de desbetreffende alleenstaande of de desbetreffende gehuwden van toepassing zijnde bijstandsnorm hebben in 2014 recht op een koopkrachttegemoetkoming van 100 euro voor een paar, 90 euro voor een alleenstaande ouder en 70 euro voor een alleenstaande.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten minste regels gesteld met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de wijze waarop Onze Minister gelden beschikbaar stelt aan het college of de Sociale verzekeringsbank; en
|
||||
b. de uitvoering door het college of de Sociale verzekeringsbank.
|
||||
|
||||
**3.** De artikelen 5, onderdeel a, b, d en e, 6, 8, 8a, 9 tot en met 10a, 12, 13, eerste lid, onderdeel c, d en g, 13, vierde lid, 14 tot en met 16, 18, 19, 25 tot en met 30, 34 tot en met 36, 41, 43, 44 tot en met 44a, 45, 47, 47c, 47d, 47f, 48, 50 tot en met 53, 55, 57, 59 en de hoofdstukken 7, 7a en 8 zijn niet van toepassing op de verstrekking van de koopkrachttegemoetkoming.
|
||||
|
||||
**4.** Daar waar in de artikelen 5, onderdeel c, 11, 13, 17, 18a, 24, 31 tot en met 33, 40, 42, 47a, 47b, 47g, 53a, 54, 60 tot en met 60c en in paragraaf 6.5 sprake is van bijstand wordt daaronder voor de toepassing van dit artikel mede begrepen de koopkrachttegemoetkoming.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 36b
|
||||
|
||||
|
|
@ -1008,7 +980,7 @@ d. een persoon is van wie is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdie
|
|||
|
||||
**1.** In deze paragraaf wordt onder netto minimumloon verstaan het minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting en premies volksverzekeringen.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend voor een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt rekening houdend met uitsluitend 185,0% van de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, over het minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag daarover.
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend voor een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt rekening houdend met uitsluitend 183,75% van de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, over het minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag daarover.
|
||||
|
||||
**3.** Onder consumentenprijsindex, wordt in deze afdeling verstaan hetgeen daaronder in artikel 13, zesde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet wordt verstaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1029,13 +1001,13 @@ b. het netto bedrag per maand van een belanghebbende als bedoeld in artikel 22,
|
|||
|
||||
### Artikel 38
|
||||
|
||||
**1.** Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt, worden de normen, genoemd in de artikelen 20, 21 en 23, eerste lid, gewijzigd met het percentage van deze wijziging.
|
||||
**1.** Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt, worden de normen, genoemd in de artikelen 20, 21, 22a, derde lid, en 23, eerste lid, gewijzigd met het percentage van deze wijziging.
|
||||
|
||||
**2.** Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt, worden de normen, genoemd in artikel 22, gewijzigd met inachtneming van artikel 37a.
|
||||
|
||||
**3.** Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon, zonder de daarin begrepen aanspraak op vakantiebijslag, wijzigt, worden de bedragen, genoemd in de 31, tweede lid, onderdelen j, n, r en z, gewijzigd met het percentage van deze wijziging.
|
||||
|
||||
**4.** Met ingang van de dag waarop de over het inkomen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet verschuldigde loonbelasting, premies, bijdragen en inhoudingen, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de wet wijzigt, wordt de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen als bedoeld in artikel 31, vierde lid, gewijzigd.
|
||||
**4.** Met ingang van de dag waarop de over het inkomen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet verschuldigde loonbelasting, premies, bijdragen en inhoudingen, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de wet wijzigt, wordt de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, gewijzigd.
|
||||
|
||||
**5.** De bedragen, genoemd in artikel 23, tweede lid, worden gewijzigd, indien het drempelinkomen, bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag, wordt aangepast, de percentages, bedoeld in artikel 2 van die wet, worden gewijzigd of het bedrag van de standaardpremie op grond van artikel 4 van die wet op een ander bedrag wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1053,13 +1025,11 @@ b. het netto bedrag per maand van een belanghebbende als bedoeld in artikel 22,
|
|||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
**1.** Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bijstand aan een belanghebbende die niet is ingeschreven in de basisregistratie personen wordt verleend door het college van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.
|
||||
**1.** Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bijstand aan een belanghebbende die niet is ingeschreven als ingezetene met een woonadres of briefadres in de basisregistratie personen wordt verleend door het college van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.
|
||||
|
||||
**2.** Het college verbindt aan de verlening van bijstand aan een belanghebbende die niet is ingeschreven in de basisregistratie personen de verplichting dat hij aangifte doet van een door hen ter beschikking gesteld briefadres.
|
||||
**2.** Indien bij de beoordeling van het recht op bijstand blijkt dat het door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de basisregistratie personen is ingeschreven, schort het college de betaling van de bijstand op.
|
||||
|
||||
**3.** Indien bij de beoordeling van het recht op bijstand blijkt dat het door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de basisregistratie personen is ingeschreven, schort het college de betaling van de bijstand op.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Geen opschorting vindt plaats indien:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1067,9 +1037,9 @@ a. de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de
|
|||
b. de belanghebbende van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt;
|
||||
c. daarvoor naar het oordeel van het college dringende redenen aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
**5.** Het college doet schriftelijk mededeling van de opschorting, bedoeld in het derde lid, aan de belanghebbende en geeft daarbij de gelegenheid tot adreswijziging in de basisregistratie personen binnen een door het college te stellen termijn.
|
||||
**4.** Het college doet schriftelijk mededeling van de opschorting, bedoeld in het tweede lid, aan de belanghebbende en geeft daarbij de gelegenheid tot adreswijziging in de basisregistratie personen binnen een door het college te stellen termijn.
|
||||
|
||||
**6.** De opschorting wordt beëindigd zodra het aan het college gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat. Indien de afwijking ook na de krachtens het vijfde lid gestelde termijn nog bestaat, herziet het college het besluit tot toekenning van de bijstand of trekt het dit in met ingang van de eerste dag waarop de betaling van de bijstand is opgeschort.
|
||||
**5.** De opschorting wordt beëindigd zodra het aan het college gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat. Indien de afwijking ook na de krachtens het vierde lid gestelde termijn nog bestaat, herziet het college het besluit tot toekenning van de bijstand of trekt het dit in met ingang van de eerste dag waarop de betaling van de bijstand is opgeschort.
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
|
|
@ -1175,7 +1145,7 @@ b. anderszins geen recht op algemene bijstand heeft.
|
|||
|
||||
**1.** De bijstand is niet vatbaar voor vervreemding of verpanding.
|
||||
|
||||
**2.** Bijzondere bijstand en de koopkrachttegemoetkoming, bedoeld in artikel 36a, zijn niet vatbaar voor beslag.
|
||||
**2.** Bijzondere bijstand is niet vatbaar voor beslag.
|
||||
|
||||
**3.** Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de bijstand, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1206,15 +1176,11 @@ b. gehuwden, van wie beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben be
|
|||
|
||||
hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
|
||||
|
||||
**2.** Indien dit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 36a, is bepaald heeft de Sociale verzekeringsbank mede tot taak het verstrekken van de koopkrachttegemoetkoming.
|
||||
|
||||
**3.** De artikelen 1 tot en met 6, hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 18, hoofdstuk 3, de paragrafen 5.1 en 5.2, hoofdstuk 6 en de artikelen 79, 80 en 81 zijn van toepassing op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
|
||||
**2.** De artikelen 1 tot en met 6, hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 18, hoofdstuk 3, de paragrafen 5.1 en 5.2, hoofdstuk 6 en de artikelen 79, 80 en 81 zijn van toepassing op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
|
||||
|
||||
### Artikel 47b
|
||||
|
||||
**1.** Voor de toepassing van artikel 47a, eerste lid, wordt in de artikelen 9, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b en c, 15, eerste lid, 16, eerste lid, 17, 31, tweede lid, onderdeel m, 31, achtste lid, 33, vierde lid, 40, tweede tot en met zesde lid, 41, vierde, vijfde, achtste en tiende lid, 43, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 44, eerste en derde lid, 48, derde, vierde en vijfde lid, 52, eerste lid, 53a, eerste tot en met zevende lid, 54, 55, 57, 58, eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende en achtste lid, 60, eerste tot en met zesde lid, 60c, 62b, vierde lid, 62e, 62f, 62g, 62h, derde lid, 63, 66, 78s, derde en vierde lid, 78t, tweede lid, 78x, eerste lid, onderdeel b, 81, eerste en tweede lid, voor «het college» telkens gelezen: de Sociale verzekeringsbank.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van toepassing indien bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 36a de Sociale verzekeringsbank is belast of mede is belast met het verstrekken van de koopkrachttegemoetkoming.
|
||||
Voor de toepassing van artikel 47a, eerste lid, wordt in de artikelen 9, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b en c, 15, eerste lid, 16, eerste lid, 17, 31, tweede lid, onderdeel m, 31, achtste lid, 33, vierde lid, 40, tweede tot en met zesde lid, 41, vierde, vijfde, achtste en tiende lid, 43, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 44, eerste en derde lid, 48, derde, vierde en vijfde lid, 52, eerste lid, 53a, eerste tot en met zevende lid, 54, 55, 57, 58, eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende en achtste lid, 60, eerste tot en met zesde lid, 60c, 62b, vierde lid, 62e, 62f, 62g, 62h, derde lid, 63, 66, 78s, derde en vierde lid, 78t, tweede lid, 78x, eerste lid, onderdeel b, 81, eerste en tweede lid, voor «het college» telkens gelezen: de Sociale verzekeringsbank.
|
||||
|
||||
### Artikel 47c
|
||||
|
||||
|
|
@ -1227,6 +1193,10 @@ De Sociale verzekeringsbank verlaagt de algemene bijstand:
|
|||
a. ter zake van het niet of onvoldoende nakomen van de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen, met uitzondering van de verplichting opgenomen in artikel 17, eerste lid; dan wel
|
||||
b. indien de belanghebbende naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan.
|
||||
|
||||
In afwijking van de eerste en tweede zin verlaagt de Sociale verzekeringsbank de algemene bijstand indien het redelijk vermoeden, bedoeld in artikel 18b, eerste lid, bestaat ten aanzien van de echtgenoot van de belanghebbende. Voor de toepassing van de derde zin is artikel 18b, tweede tot en met dertiende lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**3.** Indien het college een gegrond vermoeden heeft dat een belanghebbende niet voldoet aan de verplichting tot arbeidsinschakeling dan wel niet of onvoldoende gebruik maakt van re-integratievoorzieningen of inburgeringsvoorzieningen, stelt het de Sociale verzekeringsbank daarvan in kennis.
|
||||
|
||||
**4.** De Sociale verzekeringsbank heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid binnen een door haar te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.
|
||||
|
|
@ -1250,7 +1220,7 @@ h. het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder be
|
|||
|
||||
**8.** Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vijfde lid niet nakomt binnen twaalf maanden nadat het zevende lid toepassing heeft gevonden, verlaagt de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van het zesde en zevende lid, de bijstand met 100% voor een periode van drie maanden.
|
||||
|
||||
**9.** Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vijfde lid niet nakomt binnen twaalf maanden nadat het zesde lid toepassing heeft gevonden, verlaagt de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van het zesde, zevende en achtste lid, telkens de bijstand met 100% voor een periode van drie maanden.
|
||||
**9.** Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vijfde lid niet nakomt binnen twaalf maanden nadat het achtste lid toepassing heeft gevonden, verlaagt de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van het zesde, zevende en achtste lid, telkens de bijstand met 100% voor een periode van drie maanden.
|
||||
|
||||
**10.** De Sociale verzekeringsbank ziet af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1403,16 +1373,16 @@ b. bij de aanvraag duidelijk is dat geen recht op algemene bijstand bestaat.
|
|||
|
||||
In aanvulling op het eerste lid kan het college de belanghebbende verzoeken aan te tonen dat:
|
||||
|
||||
a. hij een belanghebbende is als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of artikel 20, tweede lid, aanhef en onderdeel a, of artikel 21, aanhef en onderdeel a, of artikel 22, aanhef en onderdeel a of dat op hem artikel 22a niet van toepassing is, dan wel dat er niet meer dan het door hem gestelde aantal meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft;
|
||||
a. hij een belanghebbende is als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of artikel 20, tweede lid, aanhef en onderdeel a, of artikel 21, aanhef en onderdeel a, of artikel 22, aanhef en onderdeel a of dat op hem artikel 22a niet van toepassing is, dan wel dat er niet meer dan het door hem gestelde aantal kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 19a in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft;
|
||||
b. de feitelijke woonsituatie van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres van hemzelf, zijn echtgenoot of van een kind.
|
||||
|
||||
Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen kan het college bij die verzoeken de belanghebbende aanbieden met diens toestemming zijn woning binnen te treden.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien de belanghebbende niet desgevraagd aantoont dat hij een belanghebbende is als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of artikel 20, tweede lid, aanhef en onderdeel a, of artikel 21, aanhef en onderdeel a, of artikel 22, aanhef en onderdeel a, of dat artikel 22a niet op hem van toepassing is, dan wel dat hij niet aantoont dat er niet meer dan het door hem gestelde aantal meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft:
|
||||
Indien de belanghebbende niet desgevraagd aantoont dat hij een belanghebbende is als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of artikel 20, tweede lid, aanhef en onderdeel a, of artikel 21, aanhef en onderdeel a, of artikel 22, aanhef en onderdeel a, of dat artikel 22a niet op hem van toepassing is, dan wel dat hij niet aantoont dat er niet meer dan het door hem gestelde aantal kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 19a in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft:
|
||||
|
||||
a. kent het college, onverminderd de toepassing van artikel 27, de uitkering toe respectievelijk herziet het de uitkering naar 30% van de in artikel 22a, tweede lid, bedoelde rekennorm;
|
||||
a. kent het college, onverminderd de toepassing van artikel 27, de uitkering toe respectievelijk herziet het de uitkering naar 30% van de in artikel 22a, eerste lid, bedoelde norm;
|
||||
b. wordt de belanghebbende voor de toepassing van de artikelen 9, vierde lid, en 9a niet als alleenstaande ouder aangemerkt.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de belanghebbende niet desgevraagd de woonsituatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aantoont op de wijze bedoeld in de laatste zin van dat lid, schort het college de betaling van de bijstand op, niet dan nadat het college aan belanghebbende gelegenheid heeft gegeven op andere wijze aan te tonen dat het feitelijke woonadres overeenkomt met het verstrekte adres, indien daartoe niet eerder aan belanghebbende gelegenheid is geboden.
|
||||
|
|
@ -1551,7 +1521,7 @@ b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van h
|
|||
|
||||
### Artikel 60c
|
||||
|
||||
Door het college wordt geen medewerking verleend aan een schuldregeling indien een vordering is ontstaan door het niet of niet behoorlijke nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet of niet behoorlijk nakomen van die verplichtingen aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht.
|
||||
Door het college wordt geen medewerking verleend aan een schuldregeling indien een vordering is ontstaan door het niet of niet behoorlijke nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet of niet behoorlijk nakomen van die verplichtingen aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vordering.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.5. Verhaal
|
||||
|
||||
|
|
@ -1793,38 +1763,38 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 73
|
||||
|
||||
**1.** Er is een toetsingscommissie aanvullende uitkeringen Participatiewet, die tot taak heeft Onze Minister te adviseren over een te nemen besluit naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel 74, eerste lid.
|
||||
**1.** Er is een toetsingscommissie vangnet Participatiewet, die tot taak heeft Onze Minister te adviseren over een te nemen besluit naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel 74, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de samenstelling, de taakuitoefening en oordeelsvorming door de toetsingscommissie aanvullende uitkeringen Participatiewet.
|
||||
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de samenstelling, de taakuitoefening en oordeelsvorming door de toetsingscommissie vangnet Participatiewet.
|
||||
|
||||
### Artikel 74
|
||||
|
||||
**1.** Indien de verstrekte uitkering op grond van artikel 69 onvoldoende dekking biedt voor de netto lasten van het toekennen van algemene bijstand, uitkeringen of inkomensvoorzieningen als bedoeld in artikel 69, eerste lid, kan door Onze Minister op verzoek van het college een incidentele of meerjarige aanvullende uitkering worden verleend.
|
||||
**1.** Indien de verstrekte uitkering op grond van artikel 69 onvoldoende dekking biedt voor de netto lasten van het toekennen van algemene bijstand, loonkostensubsidies of uitkeringen als bedoeld in artikel 69, eerste lid, kan door Onze Minister op verzoek van het college een vangnetuitkering worden verleend.
|
||||
|
||||
**2.** Jaarlijks wordt bij wet het bedrag dat besteed kan worden aan aanvullende uitkeringen als bedoeld in het eerste lid vastgesteld, dat geen deel uitmaakt van het bedrag, bedoeld in artikel 69, tweede lid.
|
||||
**2.** Jaarlijks wordt bij wet het bedrag dat besteed kan worden aan vangnetuitkeringen als bedoeld in het eerste lid vastgesteld, dat geen deel uitmaakt van het bedrag, bedoeld in artikel 69, tweede lid.
|
||||
|
||||
**3.** Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt door het college ingediend bij de toetsingscommissie aanvullende uitkeringen Participatiewet.
|
||||
**3.** Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt door het college ingediend bij de toetsingscommissie vangnet Participatiewet.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan voorwaarden verbinden aan het besluit tot verlening van een meerjarige aanvullende uitkering.
|
||||
**4.** Onze Minister kan voorwaarden verbinden aan het besluit tot verlening van een vangnetuitkering.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan:
|
||||
Onze Minister kan een vangnetuitkering verminderen, intrekken of weigeren indien:
|
||||
|
||||
a. bepalen dat een meerjarige aanvullende uitkering wordt verminderd indien hij het college een aanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 76, eerste lid;
|
||||
b. een verleende meerjarige aanvullende uitkering verminderen of intrekken indien het college in strijd handelt met een wettelijk voorschrift dat betrekking heeft op de meerjarige aanvullende uitkering, of met een voorwaarde die aan het besluit tot verlening van een meerjarige aanvullende uitkering is verbonden dan wel indien hij het college een aanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 76, eerste lid.
|
||||
a. hij het college een aanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 76, eerste lid; of
|
||||
b. het college in strijd handelt met een wettelijk voorschrift dat betrekking heeft op de vangnetuitkering of met een voorwaarde die aan het besluit tot verlening van een vangnetuitkering is verbonden.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor:
|
||||
|
||||
a. de gronden voor verlening van de aanvullende uitkering;
|
||||
a. de gronden voor verlening van de vangnetuitkering;
|
||||
b. de berekening van de hoogte van de uitkering;
|
||||
c. de voorwaarden, die aan het verzoek worden gesteld;
|
||||
d. de wijze van beoordeling van het verzoek door de toetsingscommissie aanvullende uitkeringen Participatiewet;
|
||||
d. de wijze van beoordeling van het verzoek door de toetsingscommissie vangnet Participatiewet;
|
||||
e. de toepassing van het vijfde lid.
|
||||
|
||||
**7.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de termijn waarbinnen een verzoek kan worden ingediend en de termijn waarbinnen op dat verzoek wordt beslist.
|
||||
**7.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de termijn waarbinnen een verzoek kan worden ingediend.
|
||||
|
||||
### Artikel 74a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1836,7 +1806,7 @@ Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake de betaling van:
|
|||
|
||||
a. de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid;
|
||||
b. het bedrag waarmee de uitkering op grond van artikel 71 wordt aangepast;
|
||||
c. de incidentele aanvullende uitkering en de meerjarige aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 74.
|
||||
c. de vangnetuitkering, bedoeld in artikel 74.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 7.2. Aanwijzingsbevoegdheid en gemeentelijke toezichthouders
|
||||
|
||||
|
|
@ -2127,7 +2097,7 @@ Voor de toepassing van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht wordt met e
|
|||
|
||||
### Artikel 84
|
||||
|
||||
Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
|
||||
Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van artikel 18b en artikel 47c, tweede lid, derde en vierde zin, zoals deze luiden onmiddellijk na inwerkingtreding van de Wet taaleis Participatiewet, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikel 18b en artikel 47c, tweede lid, derde en vierde zin, in de praktijk.
|
||||
|
||||
### Artikel 85
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue