2019-08-01 | BWBR0003862 | Bekostigingsbesluit WPO
This commit is contained in:
parent
ab08c42aef
commit
438188d22d
1 changed files with 32 additions and 2 deletions
|
|
@ -580,9 +580,39 @@ c. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar o
|
|||
|
||||
Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 125, tweede lid, van de wet, bedraagt de formatie per leerling voor elk schooljaar volgend op het schooljaar van de toelating van de leerling tot de speciale school voor basisonderwijs 0,0646 formatieplaats. Indien de toelating heeft plaatsgevonden in de periode van 2 oktober tot 1 augustus daaropvolgend bedraagt de formatie per leerling in het eerste schooljaar volgend op de toelating in afwijking van de eerste volzin 0,1098 formatieplaats.
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
### Titel III. Structurele subsidiëring van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
### Artikel 33a
|
||||
|
||||
Onze Minister verstrekt volgens bij ministeriële regeling te stellen regels per boekjaar subsidie aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184b, eerste lid, van de wet, voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 33b
|
||||
|
||||
**1.** Het subsidiebedrag dat wordt verstrekt aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184b, eerste lid, van de wet, bestaat uit een bedrag dat is bestemd voor personeelskosten voor de leraren die het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs verzorgen, en een bedrag dat is bestemd voor overige kosten.
|
||||
|
||||
**2.** Het bedrag dat is bestemd voor personeelskosten kan met maximaal twee procent per jaar stijgen ten opzichte van het meest recent vastgestelde subsidiebedrag dat is bestemd voor personeelskosten.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid vervalt met ingang van 31 december 2025.
|
||||
|
||||
**4.** Voor het berekenen van de hoogte van het subsidiebedrag wordt uitgegaan van ten hoogste veertig uren per schooljaar door leerlingen te ontvangen godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.
|
||||
|
||||
**5.** Bij het besluit tot verlening van de subsidie verleent Onze Minister voorschotten. Onze Minister stelt bij beschikking het betaalritme vast.
|
||||
|
||||
**6.** Het bedrag dat ten hoogste wordt verstrekt aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184b, eerste lid, van de wet, is het bedrag dat op de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar is voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 33c
|
||||
|
||||
Voor het bepalen van de hoogte van het subsidiebedrag kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over:
|
||||
|
||||
a. de minimale omvang van de groepsgrootte per stroming binnen het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs; en
|
||||
b. het maximale aantal schooljaren per school waarin godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs wordt gegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 33d
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, kan de subsidie in ieder geval worden geweigerd indien:
|
||||
|
||||
a. het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs niet wordt gegeven door leraren als bedoeld in artikel 51 van de wet, of
|
||||
b. het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs wordt gegeven in strijd met artikel 8, derde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IIIa. Meting en beoordeling leerresultaten school
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue