2008-02-01 | BWBR0022609 | Hygiënebesluit leghennenbedrijven (PPE) 2007

This commit is contained in:
Coornhert 2008-02-01 12:00:00 +00:00
parent f4ce4d5d0d
commit 44d20635d3

View file

@ -16,51 +16,39 @@ Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordenin
### Artikel 2
De ondernemer die zijn pluimvee in kooien houdt is niet verplicht bij iedere stal de voorruimte te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen indien hij voldoet aan de eisen zoals omschreven in Bijlage I.
De in artikel 2, derde lid, van de Verordening bedoelde eisen waaraan de ondernemer die zijn leghennen in kooien houdt, heeft te voldoen, zijn opgenomen in Bijlage I.
### Artikel 3
**1.** Een hygiënogram heeft een score die kleiner of gelijk is aan 2,0.
**1.** De uitslag van een hygiënogram als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Verordening, is kleiner of gelijk aan 2,0.
**2.** Indien de score groter dan 2,0 maar kleiner of gelijk aan 3,0 is dan wordt de betreffende stal, nadat een volgend koppel uit de stal is geruimd, door een professioneel ontsmettingsbedrijf ontsmet.
**2.** Indien de in het eerste lid bedoelde uitslag groter dan 2,0 maar kleiner of gelijk aan 3,0 is, dan wordt door een professioneel ontsmettingsbedrijf de stal opnieuw ontsmet. Daarna mag een nieuw koppel leghennen worden geplaatst.
**3.** Indien de score groter is dan 3,0 dan wordt de betreffende stal, nadat een volgend koppel uit de stal is geruimd, door een professioneel ontsmettingsbedrijf ontsmet. Na het ontsmetten wordt een hygiënogram uitgevoerd, waarvan de score kleiner of gelijk aan 2,0 is.
**3.** Indien de in het eerste lid bedoelde uitslag groter is dan 3,0 dan dient de stal door een professioneel ontsmettingsbedrijf opnieuw te worden ontsmet. Na het ontsmetten wordt opnieuw een hygiënogram uitgevoerd. Een nieuw koppel leghennen mag alleen dan worden opgezet, indien de uitslag van het hygiënogram kleiner of gelijk is aan 2,0.
**4.** Wanneer overeenkomstig Bijlage II onder b. van het Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen HOSOWO-instanties (PPE) 2007 de uitslag van twee van de vijf onderdelen van de visuele controle slecht is, wordt na de volgende ronde nogmaals een hygiënogram uitgevoerd.
**4.** Wanneer overeenkomstig Bijlage II onder b. van het Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen HOSOWOinstanties (PPE) 2007 de uitslag van twee van de vijf onderdelen van de visuele controle slecht is, wordt na de volgende ronde nogmaals een hygiënogram uitgevoerd.
### Artikel 4
**1.** Voordat een koppel leghennen wordt geruimd wordt ten minste 0,5% van dat koppel bemonsterd door middel van bloedmonsters, met een minimum van 24 leghennen en een maximum van 60 leghennen. Als een koppel leghennen tegen Salmonella enteritidis is geënt met een entstof die interfereert met de diagnostiek, dan mag het onderzoek plaatsvinden door middel van mestmonsters. Voordat een koppel leghennen wordt geruimd worden dan (bij voorkeur blindedarm)mest-of cloacamonsters genomen bij minimaal 150 dieren, verzameld als mengmonsters van maximaal 25 individuele monsters.
**1.** Het onderzoek op de aanwezigheid van Salmonella als genoemd in artikel 4, tweede lid, van de Verordening, wordt uitgevoerd op de wijze als omschreven in Bijlage II, sub A. 1.
**2.** Het onderzoek op aanwezigheid van antistoffen tegen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium vindt plaats maximaal negen weken voor de ruimingsdatum. Indien bekend is dat het koppel met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is besmet, kan dit onderzoek achterwege blijven.
**2.** Indien met het in het eerste lid bedoelde onderzoek de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium worden aangetoond, handelt de ondernemer overeenkomstig Bijlage II, sub A.2.
### Artikel 5
De informatie die verkregen is uit het onderzoek van de monsters, als bedoeld in artikel 4, wordt schriftelijk vastgelegd en wordt door de ondernemer, dan wel namens de ondernemer door het erkende laboratorium, doorgegeven aan de afnemer van de eieren en aan het productschap.
De resultaten van de analyse van de monsters als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Verordening worden door de ondernemer schriftelijk vastgelegd en doorgegeven overeenkomstig Bijlage II, sub A.3.
### Artikel 6
**1.** Indien uit onderzoek blijkt dat een leghennenbedrijf is besmet met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is de ondernemer verplicht een tracerings-, monitorings-en bestrijdingsplan op te stellen en dit plan uit te voeren. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van het model als opgenomen in Bijlage II.
**2.** Indien uit onderzoek blijkt dat een koppel leghennen op een meerleeftijdenleghennenbedrijf besmet is met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium dan dient de ondernemer, naast het bepaalde in het eerste lid, alle andere op het bedrijf aanwezige koppels leghennen, ongeacht de leeftijd, te laten onderzoeken op de aanwezigheid van antistoffen tegen Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium, op de wijze als omschreven in artikel 4 van de Verordening.
**3.** In het geval dat binnen een meerleeftijdenstal een besmetting met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium wordt geconstateerd, mogen geen leghennen worden geplaatst voordat de ten tijde van de besmetting aanwezige leghennen geruimd zijn.
**4.** Indien de ondernemer graan voert afkomstig van eigen teelt of rechtstreeks afkomstig van een andere teler, dient van iedere partij graan een monster te worden achtergehouden. Indien bij een koppel leghennen besmetting met Salmonella is aangetoond, dient het achtergehouden monster graan te worden onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella. De monstername en het onderzoek geschieden volgens het werkvoorschrift zoals opgenomen in bijlage III bij dit besluit.
**5.** Indien het graan besmet is met Salmonella, mag de rest van de partij graan niet meer aan de leghennen gevoerd worden, tenzij het graan zodanig is behandeld, dat het graan niet meer met Salmonella is besmet. Na de behandeling van het graan dient ter verificatie opnieuw volgens het werkvoorschrift zoals opgenomen in bijlage III bij dit besluit een Salmonellaonderzoek te worden verricht. Het graan mag uitsluitend gevoerd worden indien het verificatieonderzoek uitwijst dat de partij graan niet meer met Salmonella is besmet.
**6.** Indien het graan niet de oorzaak is van de Salmonella-besmetting bij de leghennen, aangezien traceringsonderzoek inmiddels een andere oorzaak heeft uitgewezen, is het niet noodzakelijk het graan te onderzoeken op aanwezigheid van Salmonella.
Indien op grond van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Verordening een besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is bevestigd in een meerleeftijdenleghennenstal, mag de ondernemer geen leghennen in de meerleeftijdenleghennenstal plaatsen voordat de tijdens de besmetting aanwezige leghennen van het bedrijf zijn afgevoerd.
### Artikel 7
Daar waar bekend is dat een koppel leghennen Salmonella enteritidis- of Salmonella typhimurium-positief is, moeten de eieren worden afgezet naar de eiproductenindustrie of een andere effectieve en toegestane (warmte)behandeling ondergaan. Deze eieren mogen niet als klasse A eieren worden verhandeld. Afzet naar de eiproductenindustrie is verplicht in de volgende situaties:
**1.** Indien de ondernemer graan aan leghennen voert dat afkomstig is van eigen teelt of rechtstreeks afkomstig is van een andere teler, bewaart de ondernemer een monster van iedere partij graan. Indien op grond van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Verordening een besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimirium is bevestigd bij een koppel leghennen, wordt het bewaarde monster graan onderzocht op de aanwezigheid van de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimirium, overeenkomstig het werkvoorschrift zoals opgenomen in Bijlage III.
Als bij het opfoklegkoppel, bij het onderzoek dat maximaal 21 dagen voor overplaatsing moet zijn uitgevoerd, Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is geconstateerd.
Als in een meerleeftijdenstal, na constatering van Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium bij de geruimde hennen, ook de overige in die stal nog aanwezige dieren Salmonella enteritidis- of Salmonella typhimurium-positief blijken te zijn (het onderzoek bij de andere leeftijden hennen is al verplicht).
Als op een meerleeftijdenbedrijf, na constatering van Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium bij de geruimde hennen, ook Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium bij de andere op het bedrijf aanwezige koppels via bloedonderzoek Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is vastgesteld.
Nadat een koppel bij het bloedonderzoek maximaal weken voor ruimen Salmonella enteritidis-of Salmonella typhimurium-positief blijkt.
Pas als uit verificatie-onderzoek door de GD blijkt dat het koppel vrij is van Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium mogen de eieren als klasse A eieren worden verhandeld. Ten behoeve van het verificatie-onderzoek worden door de GD 150 mestmonsters genomen die tot monsters van ieder 25 worden gepoold.
**2.** Indien uit het onderzoek bedoeld in het eerste lid blijkt dat de partij graan besmet is met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimirium, mag de ondernemer deze partij graan niet aan de leghennen voeren.
**3.** Indien de ondernemer de in het tweede lid bedoelde partij graan zodanig heeft behandeld dat deze partij niet meer met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimiriumis is besmet, en na deze behandeling een tweede onderzoek overeenkomstig het in Bijlage III opgenomen werkvoorschrift bevestigd dat deze partij niet meer met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimiriumis is besmet, mag de ondernemer deze partij aan de leghennen voeren.
### Artikel 8
@ -72,10 +60,6 @@ Daar waar bekend is dat een koppel leghennen Salmonella enteritidis- of Salmonel
De ondernemer die een leghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee in kooien houdt is niet verplicht iedere stal te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen, mits hij de hygiëne op één van de volgende wijzen heeft gewaarborgd:
Hygiënesluis per bedrijfsgebouw die volledig afgescheiden is van de ruimte waarin het pluimvee gehouden wordt, waarbij een fysieke scheiding aanwezig is tussen bufferdeel en schoon deel en waar in het bufferdeel van kleding en schoeisel gewisseld wordt. In het schone deel dienen voldoende aantallen bedrijfsgebouweigen schoeisel en -kleding aanwezig te zijn. Met dezelfde kleding en schoeisel mag nooit het volgende bedrijfsgebouw worden betreden.
## Bijlage II. : Onderzoeksprogramma legbennenbedrijven
Per bedrijf van kleding wisselen in een aparte omkleedruimte/kantine, die alleen deze functie heeft. Hier worden ook schone laarzen aangetrokken. Deze ruimte wordt gezien als de centrale hygiënesluis. Per bedrijfsgebouw is bedrijfsgebouweigen schoeisel aanwezig, dat ook bij het betreden van dat gebouw gebruikt wordt. Alle stallen binnen dit bedrijfsgebouw mogen worden betreden.
## Bijlage II. : Tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan
## Bijlage III. : WERKVOORSCHRIFT
## Bijlage III. : Werkvoorschrift