2016-01-01 | BWBR0024394 | Wet inkomensvoorziening oudere werklozen

This commit is contained in:
Coornhert 2016-01-01 12:00:00 +00:00
parent e049e1a343
commit 44e502faae

View file

@ -74,9 +74,9 @@ d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huish
Recht op uitkering op grond van deze wet heeft de persoon:
a. wiens eerste dag van werkloosheid tussen 30 september 2006 en 1 januari 2020 ligt;
a. wiens eerste dag van werkloosheid tussen 30 september 2006 en 1 januari 2020 ligt;
b. die op die dag 60 jaar of ouder is;
c. die op die dag voldeed aan de voorwaarden voor duurverlenging, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de Werkloosheidswet, en
c. die op die dag voldeed aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel a of b, van de Werkloosheidswet, en
d. op wie geen uitsluitingsgrond van toepassing is als bedoeld in artikel 6.
**2.**
@ -84,7 +84,7 @@ d. op wie geen uitsluitingsgrond van toepassing is als bedoeld in artikel 6.
Tevens heeft recht op uitkering op grond van deze wet de persoon:
a. die terzake van een eerder recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, voldoet;
b. voor wie nadien een nieuw recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan terzake waarvan artikel 42b van de Werkloosheidswet toepassing heeft gevonden of terzake waarvan voldaan is aan de voorwaarden voor duurverlenging, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de Werkloosheidswet, en
b. voor wie nadien een nieuw recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan terzake waarvan artikel 42b van de Werkloosheidswet toepassing heeft gevonden of terzake waarvan voldaan is aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel a of b, van de Werkloosheidswet, en
c. op wie geen uitsluitingsgrond van toepassing is als bedoeld in artikel 6.
**3.** Het tweede lid is niet van toepassing indien het eerdere recht, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, geheel niet geldend is gemaakt als gevolg van een maatregel van blijvend gehele weigering als bedoeld in artikel 27, eerste en tweede lid, van de Werkloosheidswet.
@ -97,13 +97,13 @@ c. op wie geen uitsluitingsgrond van toepassing is als bedoeld in artikel 6.
Recht op een uitkering op grond van deze wet heeft tevens de persoon:
a. voor wie tussen 31 december 2007 en 1 januari 2020 recht is ontstaan op de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering;
a. voor wie tussen 31 december 2007 en 1 januari 2020 recht is ontstaan op de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering;
b. die op de dag dat het recht op de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering ontstond 60 jaar of ouder is, en
c. op wie geen uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 6 van toepassing is.
**2.** Het recht op een uitkering op grond van dit artikel ontstaat op de dag na de dag waarop de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is verstreken en kan niet eerder ontstaan dan na inwerkingtreding van deze wet.
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing indien artikel 59, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toepassing heeft gevonden, tenzij de eerste dag van de werkloosheid op grond waarvan een uitkering op grond van de Werkloosheidswet werd ontvangen als bedoeld in dat artikel, lag op of na 1 oktober 2006 en de persoon op die dag 60 jaar of ouder was.
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing indien artikel 59, vierde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toepassing heeft gevonden, tenzij de eerste dag van de werkloosheid op grond waarvan een uitkering op grond van de Werkloosheidswet werd ontvangen als bedoeld in dat artikel, lag op of na 1 oktober 2006 en de persoon op die dag 60 jaar of ouder was.
### Artikel 4
@ -524,10 +524,9 @@ In afwijking van artikel 34, eerste en derde lid, kan het UWV, op verzoek van de
a. redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het UWV wegens onverschuldigde betaling ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van het UWV betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
c. een naar het oordeel van het UWV betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet;
d. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
e. uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 21 is opgelegd, dan wel indien hiervoor aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht.