diff --git a/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md b/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md index 9ee4c96a793..5ca9fa385d3 100644 --- a/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md +++ b/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md @@ -87,8 +87,6 @@ b. schulden, verzekerd door hypotheek op een in Nederland gelegen onroerende zaa **7.** Het recht van schenking wordt geheven van hetgeen de begiftigde verkrijgt, eventueel na aftrek van aan de schenking verbonden lasten en verplichtingen, waardoor hetzij de schenker, hetzij een derde wordt gebaat. -**8.** Wanneer rechten van successie of van schenking de grondslag der rechtsheffing mede bepalen, wordt voor de berekening van hun beloop het bedrag, waarover zij verschuldigd zijn, vastgesteld met verwaarlozing van die rechten. - ### Artikel 6 Al wat een in gemeenschap gehuwde, tengevolge van de door de erfgenamen van zijn echtgenoot gedane afstand van de gemeenschap, geniet, wordt hij, voor de toepassing van deze wet, geacht krachtens erfrecht door het overlijden van zijn echtgenoot te verkrijgen. @@ -301,6 +299,8 @@ b. is artikel 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepas **10.** Een geldvordering als bedoeld in artikel 13, derde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek alsmede, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, een geldvordering als bedoeld in artikel 80, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, wordt in aanmerking genomen als een renteloze vordering, indien daarop het rentepercentage, berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 84 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, van toepassing is. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de schulden die corresponderen met de aldaar bedoelde geldvorderingen. +**11.** Ingeval het verkregene een onroerende zaak betreft waarin de erflater tot het tijdstip van zijn overlijden heeft gewoond onderscheidenlijk de schenker woont, dan wel de verkrijger ten tijde van de verkrijging woont, wordt bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van het verkregene geen rekening gehouden met die bewoning. In geval van de verkrijging van een vruchtgebruik van een onroerende zaak dan wel van de verkrijging van een onroerende zaak onder de last van een vruchtgebruik en het betreft een onroerende zaak die tot woning dient zonder dat daar een huurcontract aan ten grondslag ligt, wordt bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van het verkregene geen rekening gehouden met het feit dat die onroerende zaak wordt bewoond. De eerste en tweede volzin zijn van overeenkomstige toepassing bij rechten waaraan een onroerende zaak is onderworpen. + ### Artikel 22 Vervallen @@ -326,15 +326,15 @@ onder letter *b:* het heffingspercentage over het gedeelte der belaste verkrijgi | Gedeelte van de belaste verkrijging | Indien geërfd of verkregen wordt door: | | | | | | | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | -| | | I. echtgenoot, kinderen, afstammelingen in tweede of verdere graad, of een verkrijger als bedoeld in het tweede lid1Voor afstammelingen in de tweede of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 60% daarvan. | II. broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn | III. andere verkrijgers, uitgezonderd de rechtspersonen bedoeld in het vierde lid | | | | +| | | I. echtgenoot, kinderen, afstammelingen in tweede of verdere graad of een verkrijger als bedoeld in het tweede lid1Voor afstammelingen in de tweede of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 60% daarvan. | II. broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn | III. andere verkrijgers, uitgezonderd de rechtspersonen bedoeld in het vierde lid | | | | | | | a | b | a | b | a | b | -| 0 - | 21 509 | 0 | 5 | 0 | 26 | 0 | 41 | -| 21 509 - | 43 013 | 1 075 | 8 | 5 592 | 30 | 8 818 | 45 | -| 43 013 - | 86 017 | 2 795 | 12 | 12 043 | 35 | 18 494 | 50 | -| 86 017 - | 172 026 | 7 955 | 15 | 27 094 | 39 | 39 996 | 54 | -| 172 026 - | 344 044 | 20 856 | 19 | 60 637 | 44 | 86 440 | 59 | -| 344 044 - | 860 095 | 53 539 | 23 | 136 324 | 48 | 187 930 | 63 | -| 860 095 en het hogere bedrag van de belaste verkrijging | 172 230 | 27 | 384 028 | 53 | 513 042 | 68 | | +| 0– | 21 703 | 0 | 5 | 0 | 26 | 0 | 41 | +| 21 703– | 43 401 | 1 085 | 8 | 5 642 | 30 | 8 898 | 45 | +| 43 401– | 86 792 | 2 820 | 12 | 12 151 | 35 | 18 662 | 50 | +| 86 792– | 173 575 | 8 026 | 15 | 27 337 | 39 | 40 357 | 54 | +| 173 575– | 347 141 | 21 043 | 19 | 61 182 | 44 | 87 219 | 59 | +| 347 141– | 867 836 | 54 020 | 23 | 137 551 | 48 | 189 622 | 63 | +| 867 836 en het hogere bedrag van de belaste verkrijging | 173 779 | 27 | 387 484 | 53 | 517 659 | 68 | | **2.** @@ -346,9 +346,7 @@ c. tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of **3.** Voor zover een schenking binnen het Rijk gelegen onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen of voor de heffing van de overdrachtsbelasting daarmee gelijkgestelde certificaatrechten en dergelijke of rechten van lidmaatschap van verenigingen of coöperaties tot voorwerp heeft, bedraagt het recht van schenking of het recht van overgang niet minder dan de overdrachtsbelasting welke zou zijn verschuldigd, indien artikel 15, eerste lid, letter *d*, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer niet van toepassing zou zijn. -**4.** Indien geërfd of verkregen wordt door een binnen het Rijk gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling, is verschuldigd 8 ten honderd over de waarde van de verkrijging, indien en voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang. - -**5.** De overdrachtsbelasting betaald over het bedrag waarover recht van schenking of recht van overgang verschuldigd is, strekt in mindering van het recht van schenking onderscheidenlijk het recht van overgang. +**4.** De overdrachtsbelasting betaald over het bedrag waarover recht van schenking of recht van overgang verschuldigd is, strekt in mindering van het recht van schenking onderscheidenlijk het recht van overgang. ### Artikel 25 @@ -368,9 +366,7 @@ c. tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of ### Artikel 27 -**1.** Indien in een tijdsverloop van twee jaren door dezelfde schenker aan dezelfde begiftigde verschillende schenkingen zijn gedaan, worden deze aangemerkt als deel uitmakende van één schenking ten belope van het gezamenlijk bedrag. - -**2.** Het in het vorige lid bepaalde is niet toepasselijk op schenkingen door ouders aan kinderen. +De gedurende een kalenderjaar door dezelfde schenker aan dezelfde begiftigde gedane schenkingen worden aangemerkt als deel uitmakend van één schenking ten belope van het gezamenlijke bedrag. ### Artikel 28 @@ -414,30 +410,29 @@ Van het recht van successie is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen: 1°. door de Staat; 2°. door een provincie of een gemeente binnen het Rijk, zonder bijzondere opdracht of met een opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de making niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; -3°. door een instelling als wordt bedoeld in artikel 24, vierde lid, indien en voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang en mits de verkrijging een bedrag van € 8602 niet te boven gaat; +3°. door een binnen het Rijk gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; 4°. door de hierna genoemde personen tot de daarachter vermelde bedragen: -a. echtgenoot of verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter a:  € 503 273; -b. kinderen tot 23 jaar: € 4303 voor ieder jaar dat de verkrijger jonger is dan 23 jaar (een gedeelte van een jaar voor een vol jaar gerekend), met dien verstande dat de vrijstelling ten minste € 8602 bedraagt; indien het kind verkeert in een geval als is bedoeld onder *c*, bedraagt de vrijstelling ten minste € 12 904; -c. kinderen ouder dan 23 jaar, die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en, hetzij ouder zijn dan 60 jaar, hetzij ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 8602; -d. kinderen voor wie de vrijstelling onder *b* en *c* genoemd niet van toepassing is: € 8602 indien het saldo van de verkrijging niet meer bedraagt dan € 25 805; -e. verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter b:  € 503 273 en verkrijgers als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c: € 251 638; indien de in genoemde bepalingen bedoelde gemeenschappelijke huishouding vier, drie of twee jaren heeft geduurd bedraagt de vrijstelling onderscheidenlijk  € 201 307,  € 150 979 en  € 100 650; -f. ouders voor wie de vrijstelling onder *e* genoemd niet van toepassing is: € 43 007. +a. echtgenoot of verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter a:  € 507 803; +b. kinderen tot 23 jaar: € 4342 voor ieder jaar dat de verkrijger jonger is dan 23 jaar (een gedeelte van een jaar voor een vol jaar gerekend), met dien verstande dat de vrijstelling ten minste € 8680 bedraagt; indien het kind verkeert in een geval als is bedoeld onder *c*, bedraagt de vrijstelling ten minste € 13 021; +c. kinderen ouder dan 23 jaar, die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en, hetzij ouder zijn dan 60 jaar, hetzij ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 8680; +d. kinderen voor wie de vrijstelling onder *b* en *c* genoemd niet van toepassing is: € 8680 indien het saldo van de verkrijging niet meer bedraagt dan € 26 038; +e. verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter b:  € 507 803 en verkrijgers als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c: € 253 903; indien de in genoemde bepalingen bedoelde gemeenschappelijke huishouding vier, drie of twee jaren heeft geduurd bedraagt de vrijstelling onderscheidenlijk  € 203 119,  € 152 338 en  € 101 556; +f. ouders voor wie de vrijstelling onder *e* genoemd niet van toepassing is: € 43 395. Indien in de gevallen, bedoeld onder de letters *a*, *b*, *c*, *e* en *f* meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; 5°. aan waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling, aan waarde van lijfrenten alsmede aan waarde van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden; -6°. door bloedverwanten in de rechte lijn in gevallen waarin 4°, letters *b*, *c*, *d*, *e* en *f* niet van toepassing is, indien de verkrijging € 8602 niet te boven gaat; -7°. in andere gevallen, tot een bedrag van  € 1865. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; +6°. door bloedverwanten in de rechte lijn in gevallen waarin 4°, letters *b*, *c*, *d*, *e* en *f* niet van toepassing is, indien de verkrijging € 8680 niet te boven gaat; +7°. in andere gevallen, tot een bedrag van  € 1882. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; 8°. vervallen; 9°. door een werknemer van de erflater of zijn echtgenoot of door een nabestaande van zodanige werknemer, voor zover het verkregene kan worden beschouwd als de voldoening aan een ter zake van de verrichte arbeid bestaande natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke uitkeringen ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van successierecht, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding; -10°. aan nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten; -11°. door een door Onze Minister, na overleg met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, aangewezen museum, waarvan de collectie van nationaal of regionaal cultureel belang is of een steunstichting van dat museum, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang. +10°. aan nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten. -**2.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een kind of een ouder ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt in mindering van de in het eerste lid, 4°, letters *b* en *f*, genoemde bedragen, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 12 904 voor een kind als is bedoeld in het eerste lid, 4°, letter *b*, slot, en € 8602 voor de andere onder die letter bedoelde kinderen alsmede voor een ouder. +**2.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een kind of een ouder ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt in mindering van de in het eerste lid, 4°, letters *b* en *f*, genoemde bedragen, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 13 021 voor een kind als is bedoeld in het eerste lid, 4°, letter *b*, slot, en € 8680 voor de andere onder die letter bedoelde kinderen alsmede voor een ouder. -**3.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door de echtgenoot of een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a, b en c ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, 4°, letter *a*, onderscheidenlijk het in letter *e* als eerste dan wel als tweede genoemde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 143 793 voor een echtgenoot alsmede voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a en b en € 71 902 voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c. Voor de toepassing van dit lid blijft artikel 23 buiten toepassing. +**3.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door de echtgenoot of een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a, b en c ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, 4°, letter *a*, onderscheidenlijk het in letter *e* als eerste dan wel als tweede genoemde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 145 088 voor een echtgenoot alsmede voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a en b en € 72 550 voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c. Voor de toepassing van dit lid blijft artikel 23 buiten toepassing. **4.** Onder pensioenregeling wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. @@ -445,13 +440,6 @@ Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke u **6.** Onder aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden worden verstaan aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, die ingaan bij het overlijden van de werknemer of de gewezen werknemer en toekomen aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot dan wel degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in rechte lijn bestaat, of aan zijn eigen kinderen of pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt. -**7.** - -Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: - -a. museum: een binnen het Rijk gevestigde culturele of wetenschappelijke instelling die de in haar bezit zijnde voorwerpen van kunst of wetenschap in de regel kosteloos, of tegen een matige toegangsprijs ter bezichtiging van het publiek stelt; -b. steunstichting van een museum: een binnen het Rijk gevestigde stichting die ten doel heeft een museum te ondersteunen door onder meer het bijeenbrengen van gelden ten behoeve van dat museum en die deze gelden daadwerkelijk geheel of nagenoeg geheel aanwendt ten behoeve van of ter beschikking stelt aan dat museum. - ### Artikel 33 **1.** @@ -461,16 +449,15 @@ Van het recht van schenking is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen: 1°. van de Koningin of de leden van het Koninklijk Huis; 2°. door de Staat, of van de Staat, een provincie of gemeente; 3°. door een provincie of gemeente binnen het Rijk, zonder bijzondere opdracht of met een opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de schenking niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; -4°. door een instelling als wordt bedoeld in artikel 24, vierde lid, indien en voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang en mits de verkrijging een bedrag van € 4303 niet te boven gaat; -5°. door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 4303. Voor een kind tussen 18 en 35 jaar wordt het bedrag van € 4303 voor één kalenderjaar tot € 21 506 verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; +4°. door een binnen het Rijk gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; +5°. door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 4342. Voor een kind tussen 18 en 35 jaar wordt het bedrag van € 4342 voor één kalenderjaar tot € 21 700 verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; 6°. vervallen; -7°. in alle andere gevallen, indien het verkregene een bedrag van € 2582 niet te boven gaat; +7°. in alle andere gevallen, indien het verkregene een bedrag van € 2606 niet te boven gaat; 8°. door iemand, die niet in staat is zijn schulden te betalen, indien en voor zover het verkregene strekt om de begiftigde daartoe in staat te stellen; 9°. door iemand te wiens laste over die verkrijging inkomstenbelasting of een voorheffing van die belasting wordt geheven; -10°. van een instelling als wordt bedoeld in artikel 24, vierde lid, voor zover betreft uitkeringen door die instelling gedaan op grond van haar statuten, reglement of stichtingsbrief; +10°. van een binnen het Rijk gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover de uitkeringen geheel of nagenoeg geheel het karakter hebben van te zijn geschied in het algemeen belang; 11°. door een rechtspersoon, welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft de bevordering van de materiële en geestelijke belangen van de werknemers in het bedrijf van de schenker, dan wel in de bedrijven van de schenker en anderen, of van de nabestaanden van die werknemers; -12° indien en voor zover de schenking heeft gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Voor zover een ingevolge deze bepaling van het recht van schenking vrijgestelde verkrijging haar grond vindt in de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in de vorige volzin tot verzorging na het overlijden van de schuldenaar - de omzetting van zodanige verbintenis in een rechtens afdwingbare daaronder begrepen - wordt zij geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen. Voor zover een schenking van een periodieke uitkering door een werkgever of zijn echtgenoot of door een pensioenfonds aan een nabestaande van een werknemer ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van schenkingsrecht, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding; -13°. door een door Onze Minister, na overleg met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, aangewezen museum waarvan de collectie van nationaal of regionaal cultureel belang is of een steunstichting van dat museum, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang. +12° indien en voor zover de schenking heeft gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Voor zover een ingevolge deze bepaling van het recht van schenking vrijgestelde verkrijging haar grond vindt in de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in de vorige volzin tot verzorging na het overlijden van de schuldenaar - de omzetting van zodanige verbintenis in een rechtens afdwingbare daaronder begrepen - wordt zij geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen. Voor zover een schenking van een periodieke uitkering door een werkgever of zijn echtgenoot of door een pensioenfonds aan een nabestaande van een werknemer ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van schenkingsrecht, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding. **2.** Voor zover een hiervoor bedoelde schenking binnen het Rijk gelegen onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen of voor de heffing van de overdrachtsbelasting daarmee gelijkgestelde certificaatrechten en dergelijke of rechten van lidmaatschap van verenigingen of coöperaties tot voorwerp heeft, wordt over het vrijgestelde gedeelte van de waarde van de bevoordeling een recht van schenking geheven, gelijk aan de in artikel 24, derde lid, bedoelde overdrachtsbelasting. @@ -486,7 +473,7 @@ Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur regelen te stellen, ten ### Artikel 35a -**1.** Met betrekking tot de bedragen vermeld in de artikelen 24, 32, eerste lid, 3°, 4°, 6° en 7°, tweede lid en derde lid, en 33, eerste lid, 4°, 5° en 7°, zijn de artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing. +**1.** Met betrekking tot de bedragen vermeld in de artikelen 24, 32, eerste lid, 4°, 6° en 7°, tweede lid en derde lid, en 33, eerste lid, 5° en 7°, zijn de artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing. **2.** De vervangende bedragen zijn van toepassing, indien het overlijden, de schenking of de in artikel 45, derde lid, tweede zin, of in artikel 53, eerste lid, bedoelde gebeurtenis plaatsvindt op of na 1 januari van het jaar waarvoor de vervanging geldt, zo mede indien op of na 1 januari van dat jaar krachtens schenking wordt verkregen ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde. @@ -584,7 +571,7 @@ Vervallen ### Artikel 46 -**1.** De inspecteur stelt de termijn voor het doen van aangifte voor het recht van schenking zodanig vast, dat deze niet eerder verstrijkt dan twee maanden na de schenking, met dien verstande dat ten aanzien van de schenking door een ouder aan een kind de termijn aanvangt bij het einde van het kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden. +**1.** De inspecteur stelt de termijn voor het doen van aangifte voor het recht van schenking zodanig vast, dat deze niet eerder verstrijkt dan twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden. **2.** Een schenking onder opschortende voorwaarde wordt, voor de toepassing van dit artikel, geacht tot stand te zijn gekomen op de dag, waarop de voorwaarde is vervuld. @@ -734,7 +721,7 @@ Door Onze Minister kan gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend va 1°. het recht, verschuldigd wegens een schenking aan natuurlijke personen, waarvan overtuigend wordt aangetoond, dat zij slechts heeft gestrekt tot het verschaffen van levensonderhoud van een begiftigde, die verstoken is van eigen middelen van bestaan en die wegens ouderdom, invaliditeit of om andere redenen buiten staat is zich die middelen door arbeid te verschaffen; 2°. het recht, verschuldigd wegens een schenking aan natuurlijke personen, beneden de leeftijd van 27 jaren, van welke schenking overtuigend wordt aangetoond, dat zij slechts heeft gestrekt tot betaling van - of bijdrage tot - de kosten van studie of opleiding voor enig beroep van een begiftigde, die zonder die schenking niet in staat zou zijn die studie of opleiding aan te vangen of te genieten; -3°. het recht, verschuldigd wegens een schenking aan binnen het Rijk gevestigde verenigingen of stichtingen, welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend de bevordering van kunst of wetenschap ten doel hebben, met uitzondering van musea en steunstichtingen van musea; +3°. vervallen; 4°. het recht, verschuldigd wegens een schenking ten algemenen nutte voor het grondgebied van het Rijk, welke aan een bepaald tijdstip of een bepaalde gebeurtenis gebonden is. **2.** @@ -743,8 +730,9 @@ Onze Minister kan kwijtschelding verlenen van het recht verschuldigd wegens verk a. een andere Staat, voor zover het recht meer bedraagt dan het recht dat de Nederlandse Staat verschuldigd zou zijn; b. een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam van een andere Staat, voor zover het recht meer bedraagt dan het recht dat een Nederlandse provincie of gemeente verschuldigd zou zijn; -c. een in een andere Staat gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling, voor zover het recht meer bedraagt dan het recht dat een verkrijger als is bedoeld in artikel 24, vierde lid, verschuldigd zou zijn; -d. een in een andere Staat gevestigde vereniging of stichting welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend de bevordering van kunst of wetenschap ten doel heeft, niet zijnde een museum of een steunstichting van een museum, indien het betreft recht verschuldigd wegens schenking en voor zover het recht meer bedraagt dan het recht dat een verkrijger als is bedoeld in het eerste lid, 3°, na toepassing van dat lid verschuldigd zou zijn; een en ander met dien verstande dat zodanige kwijtschelding van recht alleen wordt verleend, indien de Staat die de making of schenking verkrijgt of waar de verkrijger is gevestigd, verklaart dat in geval van makingen of schenkingen door een inwoner van die Staat aan de Nederlandse Staat, een Nederlandse provincie of gemeente dan wel een verkrijger als is bedoeld in artikel 24, vierde lid, of in het eerste lid, 3°, over die makingen of schenkingen niet meer belasting zal worden geheven dan ingeval de buitenlandse Staat zelf zou verkrijgen of de verkrijger op het grondgebied van de buitenlandse Staat zou zijn gevestigd. +c. een in een andere Staat gevestigde instelling als bedoeld in 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001; + +een en ander met dien verstande dat zodanige kwijtschelding van recht alleen wordt verleend, indien de Staat die de making of schenking verkrijgt of waar de verkrijger is gevestigd, verklaart dat in geval van makingen of schenkingen door een inwoner van die Staat aan de Nederlandse Staat, een Nederlandse provincie of gemeente dan wel een instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, over die makingen of schenkingen niet meer belasting zal worden geheven dan ingeval de buitenlandse Staat zelf zou verkrijgen of de verkrijger op het grondgebied van de buitenlandse Staat zou zijn gevestigd. **3.** Onze Minister kan, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en volgens daarbij te stellen regels, geheel of gedeeltelijk kwijtschelding verlenen van het verschuldigde recht van successie indien voorwerpen uit de nalatenschap met een nationaal cultuurhistorisch of kunsthistorisch belang, door de verkrijger in eigendom worden overgedragen aan de Staat. Het bedrag van de kwijtschelding beloopt 120 percent van de waarde van de overgedragen voorwerpen maar niet meer dan het verschuldigde recht.