2018-12-31 | BWBR0035733 | Uitvoeringsbesluit Wmo 2015

This commit is contained in:
Coornhert 2018-12-31 12:00:00 +00:00
parent bee535b60d
commit 462ce07f0d

View file

@ -21,6 +21,7 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
1°. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: de over dat jaar verschuldigde inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 9 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
2°. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
*bijdrage:* bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget;
*compensatie vervallen ouderentoeslag:* een aftrek in de berekening van het bijdrageplichtig inkomen als bedoeld in artikel 3.2a, eerste tot en met derde lid;
*grondslag sparen en beleggen:* grondslag sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
*inkomen:*
@ -30,6 +31,7 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
*pensioengerechtigde leeftijd:* de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;
*standaardpremie:* het bedrag als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag;
*vermogen:* vermogen als bedoeld in artikel 3.2;
*vermogensinkomensbijtelling:* bijtelling van het vermogen als bedoeld in artikel 3.2a;
*wet:*
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
*zak- en kleedgeld:* bedrag als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Participatiewet;
@ -74,7 +76,7 @@ b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge d
Het vermogen van een persoon is zijn vermogensgrondslag, bedoeld in het tweede of derde lid, waarvan de volgende vermogensbestanddelen worden afgetrokken:
a. op aanvraag van de persoon, het bedrag ter grootte van door de persoon in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die krachtens artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn aangewezen;
a. op aanvraag van de persoon, het bedrag ter grootte van door de persoon in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die bij ministeriële regeling van Onze Minister of Onze Minister van Financiën krachtens artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn aangewezen;
b. voor de toepassing van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel c, en artikel 3.14, eerste lid, een bedrag van € 10.141 voor de persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en van € 10.141 voor zijn echtgenoot die:
1°. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; of
@ -88,6 +90,16 @@ met dien verstande dat het vermogen ten minste nihil bedraagt.
**4.** Het deel van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dat de vermogensgrondslag van de persoon overtreft, wordt voor zijn echtgenoot als vermindering toegepast.
### Artikel 3.2a
**1.** De compensatie vervallen ouderentoeslag bedraagt een percentage van het vermogen van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Dat percentage bestaat uit de som van het percentage van de vermogensinkomensbijtelling en 4%.
**2.** De compensatie vervallen ouderentoeslag bedraagt ten hoogste de som van het percentage van de vermogensinkomensbijtelling en 2,8%, vermenigvuldigd met 25.000.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot van de cliënt.
**4.** De vermogensinkomensbijtelling bedraagt 4% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, dan wel de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.
### Artikel 3.3
**1.** De cliënt betaalt de bijdrage binnen dertig dagen nadat het CAK of een andere instantie als bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet het besluit bekend heeft gemaakt waarbij vastgesteld is of en in welke omvang de cliënt een bijdrage verschuldigd is, tenzij dat besluit een later tijdstip vermeldt.
@ -96,7 +108,12 @@ met dien verstande dat het vermogen ten minste nihil bedraagt.
**3.** Het gemeentebestuur of een andere instantie als bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op een cliënt met vorderingen van of op deze cliënt krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Participatiewet. De eerste volzin is niet van toepassing op de bijdrage voor opvang voor personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met risicos voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.
**4.** Het CAK maakt voor de vaststelling van de bijdrage gebruik van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van andere door de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verstrekte gegevens.
**4.**
Het CAK of de instantie, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, maakt, indien van toepassing, voor de vaststelling van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, voor zover artikel 3.8, tweede lid, 3.9, tweede en vierde lid, of 3,14, tweede of vierde lid, is toegepast, en de bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, derde lid, gebruik van:
a. het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van andere door de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verstrekte gegevens;
b. gegevens van het college over de verstrekte maatwerkvoorziening of het verleende persoonsgebonden budget.
### Artikel 3.4
@ -122,38 +139,24 @@ met dien verstande dat het vermogen ten minste nihil bedraagt.
### Artikel 3.7
**1.** Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in de artikelen 3.8, eerste lid, voor zover het betreft de in dat lid genoemde bedragen per bijdrageperiode, 3.9, tweede en vierde lid, 3.11, tweede lid, 3.12, derde lid, en artikel 3.14, tweede en vierde lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2. Bij de jaarlijkse toepassing van dit lid wordt de afronding buiten beschouwing gelaten.
**1.** Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in de 3.9, tweede en vierde lid, 3.11, tweede lid, 3.12, derde lid, en artikel 3.14, tweede en vierde lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2. Bij de jaarlijkse toepassing van dit lid wordt de afronding buiten beschouwing gelaten.
**2.** Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in de artikelen 3.2, eerste lid, onderdeel b, 3.9a, eerste lid, 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, en 3.14a, eerste lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van het indexcijfer waarmee het bedrag, genoemd in artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, jaarlijks wordt gewijzigd.
**2.** Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in de artikelen 3.2, eerste lid, onderdeel b, 3.9a, eerste en derde lid, 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 4° en 5°, en 3.14a, eerste en derde lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van het indexcijfer waarmee het bedrag, genoemd in artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, jaarlijks wordt gewijzigd.
**3.** Bij ministeriële regeling worden de bedragen van het bijdrageplichtig inkomen, genoemd in 3.8, eerste lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de ontwikkelingen van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
**4.** Bij ministeriële regeling als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden de bedragen voor de toepassing van de artikelen 3.9, tweede en vierde lid, 3.13, eerste lid, onderdeel b, tweede en vierde lid, 3.14, tweede en vierde lid, 3.15, eerste en tweede lid, en 3.16, eerste lid, afzonderlijk vastgesteld voor zowel het peiljaar als het lopende kalenderjaar.
**3.** Bij ministeriële regeling als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden de bedragen voor de toepassing van de artikelen 3.9, tweede en vierde lid, 3.13, eerste lid, onderdeel b, tweede en vierde lid, 3.14, tweede en vierde lid, 3.15, eerste en tweede lid, en 3.16, eerste lid, afzonderlijk vastgesteld voor zowel het peiljaar als het lopende kalenderjaar.
### Paragraaf 2. Bijdragen voor maatschappelijke ondersteuning
### Artikel 3.8
**1.**
De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, dan wel het totaal van deze bijdragen bedraagt:
a. voor de ongehuwde cliënt, niet meer dan € 17,60 per bijdrageperiode met dien verstande dat dit bedrag, indien zijn bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.9:
1° meer bedraagt dan € 22.873 en hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 12,5% van het verschil tussen dat inkomen en € 22.873;
2° meer bedraagt dan € 17.474 en hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 12,5% van het verschil tussen dat inkomen en € 17.474;
b. voor de gehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, waarvan een van beiden of beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt of nog niet hebben bereikt, een dertiende deel van 12,5% van het verschil tussen het gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.9, en € 35.175, indien dat gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 35.175;
c. voor de gehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, waarvan beiden de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, niet meer dan € 17,60 per bijdrageperiode, met dien verstande dat dit bedrag, indien het gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen berekend volgens artikel 3.9 meer bedraagt dan € 24.128, wordt verhoogd met een dertiende deel van 12,5% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 24.128.
**1.** De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, dan wel het totaal van deze bijdragen bedraagt niet meer dan € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen.
**2.**
De bijdrage kan bij verordening:
a. voor alle personen, met een daarbij omschreven bijdrageplichtig inkomen op nihil worden gesteld;
b. voor alle categorieën personen, genoemd in het eerste lid in gelijke mate worden verlaagd:
1°. door de bedragen per bijdrageperiode of het percentage, genoemd in het eerste lid, te verlagen; of
2°. door de bedragen van het inkomensbedrag, genoemd in het eerste lid, te verhogen.
a. voor onderscheidenlijk de categorieën de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, met een daarbij per categorie vastgesteld bijdrageplichtig inkomen van de ongehuwde cliënt of een gezamenlijk bijdrageplichtig inkomen van de gehuwde cliënt en zijn echtgenoot, op nihil worden gesteld;
b. worden verlaagd door het bedrag per bijdrageperiode, genoemd in het eerste te verlagen.
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt overeenkomstig de weeknummers volgens de internationale standaard ISO 8601 uitgegaan van twaalf bijdrageperioden van vier weken en een bijdrageperiode die vier of vijf weken bedraagt.
@ -166,18 +169,19 @@ b. indien de cliënt of zijn echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneenges
c. indien het college, na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of het AMHK, van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige door de ouder, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
d. voor een rolstoel;
e. voor een cliënt die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van een woningaanpassing;
f. indien het college van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdrage onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de cliënt;
g. indien het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente.
f. door de gehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, waarvan ten minste een van beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt;
g. indien het college van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdrage onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de cliënt;
h. indien het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente.
**5.** Het college geeft onmiddellijk voor het toepassen van het vierde lid, onderdelen c, f en g, bij het CAK aan over hoeveel bijdrageperioden als bedoeld in het derde lid geen bijdrage verschuldigd is. De ingangsdatum van de bijdrageperiode waarover geen bijdrage verschuldigd is, wordt niet gesteld op een datum die is gelegen voor de dag waarop het oordeel van het college als bedoeld in het vierde lid, de onderdelen f en g, aan het CAK kenbaar is gemaakt. Een herziening van de periode waarover geen bijdrage verschuldigd is heeft geen betrekking op de perioden die liggen voor de ingangsdatum van de eerste bijdrageperiode waarover geen bijdrage is verschuldigd.
**5.** Het college geeft onmiddellijk voor het toepassen van het vierde lid, onderdelen c, g en h, bij het CAK aan over hoeveel bijdrageperioden als bedoeld in het derde lid geen bijdrage verschuldigd is. De ingangsdatum van de bijdrageperiode waarover geen bijdrage verschuldigd is, wordt niet gesteld op een datum die is gelegen voor de dag waarop het oordeel van het college als bedoeld in het vierde lid, de onderdelen f en g, aan het CAK kenbaar is gemaakt. Een herziening van de periode waarover geen bijdrage verschuldigd is heeft geen betrekking op de perioden die liggen voor de ingangsdatum van de eerste bijdrageperiode waarover geen bijdrage is verschuldigd.
**6.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de betalingscapaciteit, bedoeld in het vierde lid, onderdeel f, door het college wordt beoordeeld.
**6.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de betalingscapaciteit, bedoeld in het vierde lid, onderdeel g, door het college wordt beoordeeld.
### Artikel 3.9
**1.** Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.
**1.** Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling.
**2.** Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen en 8% van het te verwachten vermogen in het lopende jaar, indien het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.593 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.
**2.** Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK voor de berekening van de verlaagde bijdrage, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, onderdeel a, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling van het verwachte vermogen in het lopende jaar, indien het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.593 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.
**3.** De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk drie maanden na de datum waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.
@ -187,14 +191,11 @@ g. indien het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nad
### Artikel 3.9a
**1.**
**1.** Voor de toepassing van artikel 3.9, eerste of tweede lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, uit het inkomen van de ongehuwde cliënt, dan wel van de gehuwde cliënten tezamen, verminderd met de compensatie vervallen ouderentoeslag, indien het inkomen van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt.
In afwijking van artikel 3.9, eerste lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, verminderd met:
**2.** De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling.
a. een bedrag van 12% van het vermogen over het peiljaar van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, tot een maximum van € 2.700, indien zijn inkomen, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt, en
b. een bedrag van 12% van het vermogen over het peiljaar van zijn echtgenoot die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, tot een maximum van € 2.700, indien zijn inkomen, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt.
**2.** De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.
**3.** De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de compensatie vervallen ouderentoeslag van de echtgenoot, indien de echtgenoot van de cliënt de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt.
### Artikel 3.10