diff --git a/wet/invoeringswet-wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011354/README.md b/wet/invoeringswet-wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011354/README.md index 0a36eb563c7..99dc267344d 100644 --- a/wet/invoeringswet-wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011354/README.md +++ b/wet/invoeringswet-wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011354/README.md @@ -357,7 +357,7 @@ d. zowel de schuldeiser als de schuldenaar binnenlands belastingplichtige is. **AKac. Overgangsrecht meegefinancierde bouwrente.** -Artikel 3.120, vierde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing op schulden die zijn aangegaan ter betaling van renten van schulden als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, van dat artikel voor zover: +Artikel 3.120, vierde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing op schulden die zijn aangegaan ter betaling van renten van schulden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dat artikel voor zover: a. deze renten van schulden betrekking hebben op de periode waarin de eigen woning in aanbouw is en b. de woning op 1 januari 2001 ten aanzien van de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden reeds een eigen woning is als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001. @@ -409,7 +409,7 @@ c. artikel 3.118, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing indien de rente b **AP. Imputatieregeling.** 1. Indien bij een belastingplichtige in de kalenderjaren 1992 tot en met 2000 een kapitaalsuitkering uit levensverzekering in aanmerking is genomen waarop artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 toepassing heeft gevonden, worden de in artikel 3 118, eerste en zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 genoemde bedragen en het in onderdeel AN, eerste lid, genoemde bedrag verminderd. De vermindering is gelijk aan het bedrag van de kapitaalsuitkering uit levensverzekering ter zake waarvan de daarin begrepen rente op grond van artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet tot de inkomsten uit vermogen is gerekend. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een kapitaalsuitkering uit levensverzekering na 31 december 2000 ter zake van een op 31 december 2000 bestaande levensverzekering, tenzij de levensverzekering met ingang van 1 januari 2001 als kapitaalverzekering eigen woning wordt aangemerkt. -3. Voor de toepassing van onderdeel AL, eerste lid, eerste volzin, alsmede onderdeel AM worden de in artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, genoemde bedragen verminderd met het bedrag aan uitkeringen uit een levensverzekering dat op grond van artikel 3 118 van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet tot het inkomen uit werk en woning heeft behoord. +3. Voor de toepassing van onderdeel AL, eerste lid, eerste volzin, alsmede onderdeel AM worden de in artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, genoemde bedragen verminderd met het bedrag aan uitkeringen uit een levensverzekering dat op grond van artikel 3.118 van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet tot het inkomen uit werk en woning heeft behoord. 4. Het in onderdeel AN, eerste lid, genoemde bedrag wordt verminderd met het bedrag aan uitkeringen uit een levensverzekering dat op grond van artikel 3.118 van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet tot het inkomen uit werk en woning heeft behoord. 5. Indien artikel 3 118, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot een levensverzekering van de belastingplichtige toepassing vindt, worden de in artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 genoemde bedragen ten aanzien van hem verhoogd met een bedrag gelijk aan de in het derde en vierde lid bedoelde vermindering wegens de eerdere toepassing van artikel 3 118, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 op deze verzekering. @@ -463,13 +463,13 @@ LB voorstelt: de loonbelasting die ingehouden zou zijn indien geen rekening zou Bb voorstelt: de verschuldigde belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning na vermindering met het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting en vóór toepassing van de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting; -H voorstelt: de heffingskorting voor de inkomstenbelasting zonder toepassing van de arbeidskorting, de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting, de combinatiekorting, de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen, de korting voor beleggingen in durfkapitaal, de toetrederskorting en de maximering van de gecombineerde heffingskorting op grond van artikel 8.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en +H voorstelt: de heffingskorting voor de inkomstenbelasting zonder toepassing van de arbeidskorting, de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting, de combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting, de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen, de korting voor beleggingen in durfkapitaal, de toetrederskorting en de maximering van de gecombineerde heffingskorting op grond van artikel 8.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en M voorstelt: de verschuldigde belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning na vermindering met het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting vóór toepassing van de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting, en verminderd met het bedrag van de met de aanslag te verrekenen voorheffingen voorzover die betrekking hebben op het belastbare inkomen uit werk en woning. Indien de berekening van het deel van de berekeningsformule dat (Bb – 0,1 x H) voorstelt tot een negatief bedrag leidt, wordt dat bedrag op nihil gesteld. -3. Voor de belastingplichtige met een partner in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 die niet in aanmerking komt voor de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting wordt, indien hij een belastbaar inkomen uit werk en woning heeft dat minder bedraagt dan het in de tweede volzin vermelde bedrag, bij de toepassing van het tweede lid voor de toepassing van de factoren Bb en M de verschuldigde belasting niet verminderd met de heffingskorting voor de inkomstenbelasting en wordt de factor 0,1 vervangen door 1. Het in de eerste volzin bedoeld bedrag bedraagt voor het kalenderjaar 2001 € 4395 en voor de kalenderjaren 2002 tot en met 2005 € 5239. -4. Voor het kalenderjaar 2001 bedraagt de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting 100% van de op grond van de voorgaande leden berekende tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting . Voor het jaar 2002 bedraagt dit percentage 80%, voor het jaar 2003 60%, voor het jaar 2004 40% en voor het jaar 2005 20%. +3. Voor de belastingplichtige met een partner in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 die niet in aanmerking komt voor de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting wordt, indien hij een belastbaar inkomen uit werk en woning heeft dat minder bedraagt dan het in de tweede volzin vermelde bedrag, bij de toepassing van het tweede lid voor de toepassing van de factoren Bb en M de verschuldigde belasting niet verminderd met de heffingskorting voor de inkomstenbelasting en wordt de factor 0,1 vervangen door 1. Het in de eerste volzin bedoeld bedrag bedraagt voor het kalenderjaar 2001 € 4395, voor het kalenderjaar 2002 € 5239, voor het kalenderjaar 2003 € 5582 en voor de kalenderjaren 2004 en 2005 € 5833. +4. Voor het kalenderjaar 2001 bedraagt de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting 100% van de op grond van de voorgaande leden berekende tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting . Voor het jaar 2002 bedraagt dit percentage 80%, voor het jaar 2003 60%, voor het jaar 2004 47% en voor het jaar 2005 23,5%. 5. Indien de belastingplichtige ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen wordt in dit artikel verstaan onder: a. loonbelasting: het gezamenlijke bedrag van de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen;