2024-01-01 | BWBR0044522 | Omzetbelasting, vaste inrichting
This commit is contained in:
parent
238c152956
commit
479b6b49f5
1 changed files with 8 additions and 17 deletions
|
|
@ -14,13 +14,15 @@ De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
|
|||
|
||||
*Dit besluit is een actualisering van het besluit van 21 november 2003, nr. DGB2003/6237M. Het besluit is onder meer aangepast in verband met de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 september 2014, zaak C-7/13 (Skandia America Corp. (USA) filial Sverige) en 24 januari 2019, zaak C-165/17 (Morgan Stanley & Co International plc). Verder is het besluit in lijn gebracht met en aangevuld vanwege de Uitvoeringsverordening van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2011, nr. 282/2011. Daarnaast is het besluit aangepast in verband met wijzigingen in de Nederlandse btw-regelgeving, zoals de implementatie van de richtlijn harmonisatie en vereenvoudiging handelsverkeer tussen lidstaten1Wet van 18 december 2019, Stb. 2019, 515.. Ook zijn redactionele wijzigingen aangebracht.*
|
||||
|
||||
De onderdelen 1, 3 en 4 van dit besluit zijn gewijzigd bij besluit van 1 juli 2022, nr. 2022-13545, (Stcrt. 2022, 16197). De wijzigingen houden verband met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 maart 2021, C-812/19 (Danske Bank).
|
||||
|
||||
## 1. Inleiding
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 is het van belang vast te stellen of een ondernemer die de zetel van zijn bedrijfsuitoefening2Zie artikel 10 van de Uitvoeringsverordening va de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2011, nr. 282/211. in het buitenland heeft in Nederland beschikt over een vaste inrichting. De aanwezigheid van een vaste inrichting in Nederland is onder meer relevant voor de btw-heffing bij prestaties die de vaste inrichting aan derden verricht en het doen van btw-aangifte voor deze prestaties. Verder is het beschikken over een vaste inrichting in Nederland onder andere van belang voor de aftrek van btw bij de vaste inrichting en het al dan niet verleggen van de btw-heffing naar Nederlandse ondernemers die prestaties afnemen van de buitenlandse ondernemer.
|
||||
|
||||
De belangrijkste wijzigingen van het besluit hebben betrekking op:
|
||||
|
||||
– onderdelen 3.2.1 en 3.2.2: de btw-heffing bij de onderlinge prestaties tussen het hoofdhuis en de vaste inrichting. Aangegeven wordt in hoeverre het Skandia-arrest gevolgen heeft voor deze situaties;
|
||||
– onderdeel 3: de btw-heffing bij onderlinge prestaties tussen vaste inrichting en hoofdhuis. In de tekst zijn het door het Hof van Justitie van de Europese Unie gewezen Skandia-arrest en Danske Bank-arrest verwerkt;
|
||||
– onderdeel 4: de aftrek van btw bij kosten die opkomen bij een vaste inrichting in Nederland, waarvoor onder meer het Morgan Stanley & Co International plc-arrest relevant is;
|
||||
– onderdeel 5: de verlegging van de btw-heffing bij de in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 bedoelde B2B-diensten die een zo te noemen inkoop-vaste inrichting voor zichzelf en ter plaatse afneemt;
|
||||
– onderdeel 6: gevallen waarin de verlegging van de btw-heffing naar de afnemer in Nederland niet mogelijk is, omdat de vaste inrichting in Nederland van een buitenlandse ondernemer betrokken is bij de prestatie die de buitenlandse ondernemer in Nederland verricht;
|
||||
|
|
@ -39,6 +41,7 @@ De belangrijkste wijzigingen van het besluit hebben betrekking op:
|
|||
- *B2B-dienst* Business to business-dienst, d.w.z. een dienst als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet die door een ondernemer aan een andere ondernemer wordt verricht
|
||||
- *B2C-dienst* Business to consumer-dienst, d.w.z. een dienst als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de wet die door een ondernemer aan een niet-ondernemer wordt verricht
|
||||
- *buitenlandse ondernemer* Ondernemer wiens zetel van bedrijfsuitoefening als bedoeld in artikel 10 van de Uitvoeringsverordening nr. 282/2011 zich buiten Nederland (in een land binnen of buiten de Europese Unie) bevindt
|
||||
- *Fiscale eenheid* Een fiscale eenheid die zich bevindt binnen een lidstaat van de Unie
|
||||
- *hoofdhuis* De zetel van de bedrijfsuitoefening van een ondernemer als bedoeld in artikel 10 van de Uitvoeringsverordening nr. 282/2011, d.w.z. de plaats waar de centrale bestuurstaken van de onderneming worden uitgeoefend
|
||||
- *HvJ* Hof van Justitie van de Europese Unie
|
||||
- *HR* Hoge Raad der Nederlanden
|
||||
|
|
@ -76,24 +79,12 @@ Een juridisch zelfstandige dochtermaatschappij is als regel niet aan te merken a
|
|||
|
||||
## 3. Btw-heffing bij vaste inrichting en hoofdhuis
|
||||
|
||||
### 3.1. Onderlinge prestaties tussen hoofdhuis en vaste inrichting
|
||||
|
||||
Uitgangspunt is dat er tussen het hoofdhuis en de vaste inrichting geen prestaties plaatsvinden in het economisch verkeer8Zie het eerder aangehaalde FCE-bank-arrest.. In bepaalde situaties zijn het hoofdhuis en de vaste inrichting niet aan te merken als één ondernemer en zijn hun onderlinge prestaties wel aan de btw-heffing onderworpen. Zo’n situatie deed zich voor in het Skandia-arrest, waar (alleen) de vaste inrichting deel uitmaakte van een fiscale eenheid (zie onderdeel 3.2.1).
|
||||
|
||||
### 3.2. Gevolgen van het Skandia-arrest
|
||||
|
||||
#### 3.2.1. Skandia-arrest
|
||||
|
||||
Het HvJ heeft geoordeeld over prestaties die een buiten de Unie gevestigd hoofdhuis verricht voor haar vaste inrichting die zich in een lidstaat bevindt. Als op grond van de in de desbetreffende lidstaat geldende bepalingen alleen de vaste inrichting onderdeel uitmaakt van een fiscale eenheid in die lidstaat, verricht het hoofdhuis zijn prestaties niet aan de vaste inrichting maar aan de fiscale eenheid9HvJ EU 17 september 2014, zaak C-7/13 (Skandia America Corp. (USA), filial Sverige), ECLI:EU:C:2014:2225.. Deze prestaties vinden dan plaats in het economisch verkeer en zijn belastbaar met btw.
|
||||
|
||||
#### 3.2.2. Vaste inrichting of hoofdhuis behoort tot fiscale eenheid in Nederland
|
||||
|
||||
Als een vaste inrichting in Nederland deel uitmaakt van een fiscale eenheid in Nederland, maken zowel de vaste inrichting als het hoofdhuis op grond van artikel 7, vierde lid, van de wet, onderdeel uit van de fiscale eenheid10HR 14 juni 2002, nr. 35.976, ECLI:NL:HR:2002:AD6434.. Hetzelfde geldt voor een in Nederland gevestigd hoofdhuis en haar buitenlandse vaste inrichting(en) als het hoofdhuis behoort tot een fiscale eenheid in Nederland.
|
||||
|
||||
Gelet op het in voetnoot 10 genoemde arrest van de HR is in Nederland sprake van een andere situatie dan in het Skandia-arrest. In Nederland kan een vaste inrichting op basis van vorenbedoeld arrest van de HR niet ‘los’ van het hoofdhuis tot een fiscale eenheid behoren. Daarom heeft het Skandia-arrest voor deze situatie in Nederland geen gevolgen.
|
||||
Uitgangspunt is dat er tussen het hoofdhuis en een vaste inrichting geen prestaties plaatsvinden in het economisch verkeer omdat zij samen één ondernemer vormen.1zie het eerder aangehaalde FCE Bank-arrest. De uitzondering op dit uitgangspunt vormt de situatie dat het hoofdhuis of de vaste inrichting deel uitmaakt van een fiscale eenheid in een lidstaat. Prestaties tussen een tot zo’n fiscale eenheid behorend hoofdhuis of vaste inrichting en een buiten die lidstaat gevestigde vaste inrichting respectievelijk hoofdhuis zijn dan onderworpen aan de heffing van btw. Uit de jurisprudentie van het HvJ volgt namelijk dat een fiscale eenheid in een lidstaat territoriaal is begrensd.2HvJ 17 september 2014, C-7/13 (Skandia) ECLI:EU:C:2014:2225 en HvJ 11 maart 2021, C-812/19 (Danske Bank) ECLI:EU:C:2021:196. Dit houdt in dat tot een fiscale eenheid in een lidstaat alleen kunnen behoren ondernemers die in die lidstaat zijn gevestigd en een vaste inrichting in diezelfde lidstaat van een ondernemer die buiten die lidstaat is gevestigd. Het HR-arrest van 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6434, heeft in verband hiermee zijn belang verloren voor de beoordeling van de omvang van de fiscale eenheid in Nederland.
|
||||
|
||||
## 4. Aftrek van btw door Nederlandse vaste inrichting
|
||||
|
||||
De in dit onderdeel opgenomen aanwijzingen hebben alleen betrekking op de aftrek van btw bij een vaste inrichting of hoofdhuis als die geen van beiden onderdeel uitmaken van een fiscale eenheid in een lidstaat.
|
||||
|
||||
De aftrek van btw voor de kosten die opkomen bij een in Nederland gevestigde vaste inrichting die uitsluitend zijn toe te rekenen aan de door haar verrichte belastbare (belaste en vrijgestelde) handelingen wordt bepaald volgens de regels van artikel 15 van de wet en de artikelen 11 t/m 14 van de uitvoeringsbeschikking.
|
||||
|
||||
Een Nederlandse vaste inrichting kan ingevolge artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van de wet ook recht op btw-aftrek hebben voor kosten die bij haar opkomen en die uitsluitend zijn toe te rekenen aan handelingen die het hoofdhuis verricht in de lidstaat waar het hoofdhuis is gevestigd (de hoofdhuis-lidstaat). De vaste inrichting heeft recht op btw-aftrek voor zover de bedoelde handelingen in de hoofdhuis-lidstaat recht op btw-aftrek geven én in Nederland recht op btw-aftrek zouden geven als deze handelingen in Nederland zouden zijn verricht11HvJ 24 januari 2019, zaak C-165/17 (Morgan Stanley & Co International plc.), ECLI:EU:C:2019:58; zie ook HvJ 13 juli 2000, zaak C-136/99 (Monte Dei Paschi Di Siena), ECLI:EU:C:2000:408.. Als bij een Nederlandse vaste inrichting kosten opkomen die uitsluitend zijn toe te rekenen aan belaste en vrijgestelde handelingen die het hoofdhuis verricht in de hoofdhuis-lidstaat, wordt de btw-aftrek van de vaste inrichting voor deze kosten vastgesteld op basis van het pro rata van het hoofdhuis. De teller van het pro rata bestaat uit de omzet van de handelingen van het hoofdhuis die in de hoofdhuis-lidstaat recht op btw-aftrek geven én in Nederland recht op aftrek zouden geven als zij in Nederland zouden zijn verricht. De noemer van het pro rata bestaat uit het totaal van de vergoedingen van de belaste en de vrijgestelde handelingen van het hoofdhuis.
|
||||
|
|
@ -122,7 +113,7 @@ Een voorbeeld ter illustratie. Een in Duitsland gevestigd automatiseringsbedrijf
|
|||
|
||||
## 6. Verlegging van de btw-heffing naar de Nederlandse afnemer; betrokkenheid vaste inrichting bij prestatie buitenlandse ondernemer
|
||||
|
||||
Als een buitenlandse ondernemer een prestatie verricht in Nederland, wordt de btw-heffing verlegd naar de afnemer in Nederland als wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 12, tweede tot en met vierde lid, van de wet. Deze verlegging van de btw-heffing is niet mogelijk als de buitenlandse ondernemer in Nederland een vaste inrichting heeft die betrokken is bij de prestatie die de buitenlandse ondernemer in Nederland verricht. In zo’n situatie wordt de ‘betrokken’ vaste inrichting in Nederland de btw verschuldigd ter zake van de prestatie die de buitenlandse ondernemer verricht. Als de ‘betrokken’ Nederlandse vaste inrichting behoort tot een fiscale eenheid in Nederland, is de fiscale eenheid de relevante btw-ondernemer (zie onderdeel 3.2.2) en is de fiscale eenheid de btw op aangifte verschuldigd voor de prestatie die de buitenlandse ondernemer in Nederland verricht.
|
||||
Als een buitenlandse ondernemer een prestatie verricht in Nederland, wordt de btw-heffing verlegd naar de afnemer in Nederland als wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 12, tweede tot en met vierde lid, van de wet. Deze verlegging van de btw-heffing is niet mogelijk als de buitenlandse ondernemer in Nederland een vaste inrichting heeft die betrokken is bij de prestatie die de buitenlandse ondernemer in Nederland verricht. In zo’n situatie wordt de ‘betrokken’ vaste inrichting in Nederland de btw verschuldigd ter zake van de prestatie die de buitenlandse ondernemer verricht. Als de ‘betrokken’ Nederlandse vaste inrichting behoort tot een fiscale eenheid in Nederland, is de fiscale eenheid de relevante btw-ondernemer (zie onderdeel 3) en is de fiscale eenheid de btw op aangifte verschuldigd voor de prestatie die de buitenlandse ondernemer in Nederland verricht.
|
||||
|
||||
In artikel 53 van de uitvoeringsverordening wordt aangegeven wanneer een vaste inrichting wordt geacht betrokken te zijn bij het verrichten van de prestatie van de buitenlandse ondernemer. Een inkoop-vaste inrichting kan niet betrokken zijn in de zin van artikel 53 van de uitvoeringsverordening, omdat zo’n inrichting niet beschikt over een geschikte structuur die het mogelijk maakt om een belastbare prestatie te verrichten14Zie artikel 11, lid 2, onderdeel d, van de uitvoeringsverordening.. De aanwezigheid van een inkoop-vaste inrichting in Nederland staat niet in de weg aan de verlegging van de btw-heffing naar de Nederlandse afnemer van de prestatie van de buitenlandse ondernemer.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue