diff --git a/wet/algemene-nabestaandenwet/BWBR0007795/README.md b/wet/algemene-nabestaandenwet/BWBR0007795/README.md index 851eecc4e9c..d410a563b65 100644 --- a/wet/algemene-nabestaandenwet/BWBR0007795/README.md +++ b/wet/algemene-nabestaandenwet/BWBR0007795/README.md @@ -34,7 +34,8 @@ l. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behou m. justitiƫle inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiƫle jeugdinrichtingen; n. continentaal plat: de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone, voor zover deze grenst aan de territoriale zee van Nederland; o. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht, behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; -p. pensioengerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet. +p. pensioengerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet; +q. uitreiziger: persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan de Sociale verzekeringsbank, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. ### Artikel 2 @@ -488,7 +489,7 @@ b. het kind in Nederland woont en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in **4.** Artikel 32a, tweede, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. -#### Paragraaf 10. Geen recht op nabestaandenuitkering en wezenuitkering tijdens vrijheidsontneming en onttrekking aan vrijheidsontneming +#### Paragraaf 10. Geen recht op nabestaandenuitkering en wezenuitkering tijdens vrijheidsontneming, onttrekking aan vrijheidsontneming en deelname aan een terroristische organisatie in het buitenland ### Artikel 32c @@ -537,11 +538,29 @@ b. het kind zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheids ### Artikel 32g -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hij op de dag van het overlijden van de verzekerde een uitreiziger is. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien het op de dag van het overlijden van de verzekerde een uitreiziger is. + +**2.** + +Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderd artikel 15, 27, 32d of 32h, recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering vanaf de dag dat: + +a. niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat de nabestaande zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden bedoeld in artikel 66a, tweede lid, en onverminderd artikel 14, derde lid; +b. niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat het kind zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in het eerste lid, eerste zin, en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid. + +**3.** Voor het tweede lid is artikel 33, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 32h -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande, nadat het recht op nabestaandenuitkering is ingegaan, een uitreiziger is. Het recht op wezenuitkering eindigt indien het kind, nadat het recht op wezenuitkering is ingegaan, een uitreiziger is. + +**2.** + +Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd artikel 15, 27, 32d of 32f, het recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering op de dag dat: + +a. niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat de nabestaande zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, en onverminderd artikel 14, derde lid; +b. niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat het kind zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid. + +**3.** Voor het tweede lid is artikel 33, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. ### Afdeling II. Het geldend maken van het recht op uitkering