2017-01-01 | BWBR0025319 | Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten

This commit is contained in:
Coornhert 2017-01-01 12:00:00 +00:00
parent 5118e63c03
commit 4880c8163c

View file

@ -16,11 +16,11 @@ citeertitel: Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuur
Als besluiten als bedoeld in artikel 9d, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 worden aangewezen besluiten als bedoeld in:
a. de artikelen 2.1, eerste lid, en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met inbegrip van een eventueel benodigde verklaring van geen bedenkingen, voor zover de desbetreffende omgevingsvergunning in elk geval betrekking heeft op een van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, e, f en g, van die wet, of op handelingen als bedoeld in artikel 46 of 47 van de Natuurbeschermingswet 1998 of artikel 75b van de Flora- en faunawet;
b. de artikelen 16, eerste lid, en 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998;
a. de artikelen 2.1, eerste lid, en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met inbegrip van een eventueel benodigde verklaring van geen bedenkingen, voor zover de desbetreffende omgevingsvergunning in elk geval betrekking heeft op een van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, e, f en g, van die wet, of op projecten of handelingen als bedoeld in artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht;
b. de artikelen 2.7, tweede lid, 3.3, eerste en derde lid, 3.8, eerste en derde lid, en 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste of derde lid, van de Wet natuurbescherming;
c. artikel 16.5, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
d. de artikelen 6.2, 6.4 en 6.5, onderdelen a en b, van de Waterwet;
e. artikel 75, derde lid, van de Flora- en faunawet;
e. vervallen;
f. artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet;
g. artikel 15 van de Kernenergiewet.
@ -32,10 +32,10 @@ g. artikel 15 van de Kernenergiewet.
Als besluiten als bedoeld in artikel 20c, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 worden aangewezen besluiten als bedoeld in:
a. de artikelen 2.1, eerste lid, en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met inbegrip van een eventueel benodigde verklaring van geen bedenkingen, voor zover de desbetreffende omgevingsvergunning in elk geval betrekking heeft op een van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, e, f en g, van die wet, of op handelingen als bedoeld in artikel 46 of 47 van de Natuurbeschermingswet 1998 of artikel 75b van de Flora- en faunawet;
b. de artikelen 16, eerste lid, en 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998;
a. de artikelen 2.1, eerste lid, en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met inbegrip van een eventueel benodigde verklaring van geen bedenkingen, voor zover de desbetreffende omgevingsvergunning in elk geval betrekking heeft op een van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, e, f en g, van die wet, of op projecten of handelingen als bedoeld in artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht;
b. de artikelen 2.7, tweede lid, 3.3, eerste en derde lid, 3.8, eerste en derde lid, en 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste of derde lid, van de Wet natuurbescherming;
c. de artikelen 6.2, 6.4 en 6.5 van de Waterwet;
d. artikel 75, derde lid, van de Flora- en faunawet;
d. vervallen;
e. artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet;
f. artikel 19, eerste lid, van de Spoorwegwet;
g. artikel 2, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.
@ -48,11 +48,11 @@ g. artikel 2, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.
Als besluiten als bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Gaswet worden aangewezen besluiten als bedoeld in:
a. de artikelen 2.1, eerste lid, en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met inbegrip van een eventueel benodigde verklaring van geen bedenkingen, voor zover de desbetreffende omgevingsvergunning in elk geval betrekking heeft op een van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, e, f en g, van die wet, of op handelingen als bedoeld in artikel 46 of 47 van de Natuurbeschermingswet 1998 of artikel 75b van de Flora- en faunawet;
b. de artikelen 16, eerste lid, en 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998;
a. de artikelen 2.1, eerste lid, en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met inbegrip van een eventueel benodigde verklaring van geen bedenkingen, voor zover de desbetreffende omgevingsvergunning in elk geval betrekking heeft op een van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, e, f en g, van die wet, of op projecten of handelingen als bedoeld in artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht;
b. de artikelen 2.7, tweede lid, 3.3, eerste en derde lid, 3.8, eerste en derde lid, en 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste of derde lid, van de Wet natuurbescherming;
c. artikel 16.5, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
d. de artikelen 6.2, 6.4 en 6.5 van de Waterwet;
e. artikel 75, derde lid, van de Flora- en faunawet;
e. vervallen;
f. artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet;
g. artikel 19, eerste lid, van de Spoorwegwet;
h. artikel 2, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.
@ -65,10 +65,10 @@ h. artikel 2, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.
Als besluiten als bedoeld in artikel 141c, eerste lid, van de Mijnbouwwet worden aangewezen besluiten als bedoeld in:
a. de artikelen 2.1, eerste lid, en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met inbegrip van een eventueel benodigde verklaring van geen bedenkingen, voor zover de desbetreffende omgevingsvergunning in elk geval betrekking heeft op een van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, e, f en g, van die wet, of op handelingen als bedoeld in artikel 46 of 47 van de Natuurbeschermingswet 1998 of artikel 75b van de Flora- en faunawet;
b. de artikelen 16, eerste lid, en 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998;
a. de artikelen 2.1, eerste lid, en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met inbegrip van een eventueel benodigde verklaring van geen bedenkingen, voor zover de desbetreffende omgevingsvergunning in elk geval betrekking heeft op een van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, e, f en g, van die wet, of op projecten of handelingen als bedoeld in artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht;
b. de artikelen 2.7, tweede lid, 3.3, eerste en derde lid, 3.8, eerste en derde lid, en 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste of derde lid, van de Wet natuurbescherming;
c. de artikelen 6.2, 6.4 en 6.5 van de Waterwet;
d. artikel 75, derde lid, van de Flora- en faunawet;
d. vervallen;
e. artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet;
f. artikel 19, eerste lid, van de Spoorwegwet;
g. artikel 2, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken;