diff --git a/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md b/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md index c476d625f96..163d23c13ea 100644 --- a/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md +++ b/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md @@ -22,16 +22,16 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **afsluitend examen**: -a. voor wat betreft hoofdstuk 4 het examen, bedoeld in artikel 7.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a, -b. voor wat betreft hoofdstuk 5 het examen, bedoeld in artikel 7.10a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.14, +a. voor wat betreft hoofdstuk 4 het examen, bedoeld in artikel 7.4.2 WEB, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a, +b. voor wat betreft hoofdstuk 5 het examen, bedoeld in artikel 7.10a WHW, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.14, -**associate degree-opleiding**: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, van de WHW, waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW is verleend, +**associate degree-opleiding**: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, WHW, waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend, -**bacheloropleiding**: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel b, van de WHW, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan, +**bacheloropleiding**: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel b, WHW, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan, **belastbaar minimumloon**: belastbaar minimumloon als bedoeld in artikel 6.1a, -**beroepsonderwijs**: opleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en als bedoeld in artikel 2.13a, +**beroepsonderwijs**: opleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid, WEB en als bedoeld in artikel 2.13a, **collegegeldkrediet**: lening voor betaling van het collegegeld in het hoger onderwijs, @@ -41,7 +41,7 @@ b. voor wat betreft hoofdstuk 5 het examen, bedoeld in artikel 7.10a van de Wet **diplomatermijn hoger onderwijs**: termijn als bedoeld in artikel 5.5, -**hoger beroepsonderwijs**: hoger beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, +**hoger beroepsonderwijs**: hoger beroepsonderwijs in de zin van de WHW, **hoger onderwijs**: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in paragraaf 2.3 en in artikel 2.14, @@ -51,7 +51,7 @@ b. voor wat betreft hoofdstuk 5 het examen, bedoeld in artikel 7.10a van de Wet **levenlanglerenkrediet**: lening voor betaling van het lesgeld in het beroepsonderwijs of het collegegeld in het hoger onderwijs, -**masteropleiding**: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel c, van de WHW, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan, +**masteropleiding**: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel c, WHW, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan, **mbo-student**: degene die beroepsonderwijs volgt, @@ -61,16 +61,18 @@ b. voor wat betreft hoofdstuk 5 het examen, bedoeld in artikel 7.10a van de Wet **opleiding niveau 1 of 2**: -a. entreeopleiding en basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en +a. entreeopleiding en basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, WEB, en b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2, **opleiding niveau 3 of 4**: -a. vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en +a. vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, WEB, en b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4, **ouder**: natuurlijke ouder of adoptiefouder in de zin van de artikelen 197 tot en met 232 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, +**ouder zonder partner**: ouder die geen partner heeft als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget, + **partner**: partner als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, **peiljaar**: tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het studiefinancieringstijdvak aanvangt, dan wel het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de draagkracht in de zin van hoofdstuk 6 wordt vastgesteld, @@ -89,7 +91,7 @@ b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a waarvan Onze Minister **RSR**: Regisseur Studenten Reisrecht, de rechtspersoon die in opdracht van de vervoersbedrijven tot taak heeft de digitale administratie van het reisproduct voor studenten op de OV-chipkaart te voeren, -**specialistenopleiding**: specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, +**specialistenopleiding**: specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel e, WEB, **student**: ho-student of mbo-student, @@ -102,7 +104,7 @@ b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a waarvan Onze Minister a. in het hoger onderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 september van enig kalenderjaar en eindigt op 31 augustus daaropvolgend, b. in het beroepsonderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daaropvolgend, -**studiepunt**: eenheid waarin de studielast, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, wordt uitgedrukt, +**studiepunt**: eenheid waarin de studielast, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, WHW, wordt uitgedrukt, **termijnbetaling**: bedrag als bedoeld in artikel 6.9, of als het een debiteur betreft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is: bedrag als bedoeld in artikel 10a.6, @@ -116,15 +118,15 @@ b. in het beroepsonderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalender **vervoerbedrijf**: rechtspersoon die op grond van een overeenkomst met de Staat als partij of als derde verantwoordelijk is voor de uitvoering van het reisrecht, -**voltijdse opleiding**: opleiding in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met uitzondering van deeltijds onderwijs, +**voltijdse opleiding**: opleiding in de zin van de WHW, met uitzondering van deeltijds onderwijs, **vreemdeling**: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000, **WEB**: Wet educatie en beroepsonderwijs, -**wetenschappelijk onderwijs**: wetenschappelijk onderwijs in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, +**wetenschappelijk onderwijs**: wetenschappelijk onderwijs in de zin van de WHW, -**wettelijk collegegeld**: wettelijk collegegeld als bedoeld in artikel 7.45 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, +**wettelijk collegegeld**: wettelijk collegegeld als bedoeld in artikel 7.45 WHW, **WHW**: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. @@ -164,11 +166,11 @@ Vervallen Onze Minister gebruikt het burgerservicenummer of onderwijsnummer van een student of debiteur ter zake van de uitvoering van deze wet slechts: a. in contacten met die student of debiteur, -b. in contacten met personen en instanties voorzover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie, -c. teneinde de gegevens van die student of debiteur te vergelijken met de gegevens die over hem zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers, voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet, en +b. in contacten met personen en instanties voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie, +c. om de gegevens van die student of debiteur te vergelijken met de gegevens die over hem zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet, en d. in contacten met de toezichthouders, bedoeld in artikel 9.1a. -**2.** Het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de partner of ouder van een student of debiteur kan ter zake van de uitvoering van deze wet slechts worden gebruikt in contacten met die partner of ouder of met de desbetreffende student of debiteur, alsmede, voorzover het betreft de controle op de rechtmatigheid, in contacten met personen en instanties voorzover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie. +**2.** Het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de partner of ouder van een student of debiteur kan ter zake van de uitvoering van deze wet slechts worden gebruikt in contacten met die partner of ouder of met de desbetreffende student of debiteur, alsmede, voor zover het betreft de controle op de rechtmatigheid, in contacten met personen en instanties voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie. ### Artikel 1.8 @@ -236,8 +238,8 @@ b. studiefinanciering met ingang van: Voor studiefinanciering kan een mbo-student in aanmerking komen die is ingeschreven aan: -a. een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de WEB, voor zover het een uit 's Rijks kas bekostigde beroepsopleiding betreft, of -b. een instelling die ten aanzien van de beroepsopleiding het in artikel 1.4.1 van de WEB bedoelde recht heeft verkregen. +a. een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB, voor zover het een uit 's Rijks kas bekostigde beroepsopleiding betreft, of +b. een instelling die ten aanzien van de beroepsopleiding het in artikel 1.4.1 WEB bedoelde recht heeft verkregen. ### Artikel 2.5 @@ -261,12 +263,16 @@ Vervallen ### Artikel 2.7a -Een mbo-student aan een opleiding niveau 3 of 4 heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs: +**1.** + +Een mbo-student aan een opleiding niveau 3 of 4 heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor beroepsonderwijs: a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs beroepsonderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, of b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering in de zin van de paragrafen 4.1.2 of 4.2.3 is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs of op grond van de Wet studiefinanciering BES is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs aan een opleiding niveau 3 of 4. -c. In afwijking van onderdeel b wordt, indien artikel 4.14, eerste lid, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden. -d. In afwijking van onderdeel b wordt, indien artikel 4.14, tweede lid, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met 5 jaren. + +**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien artikel 4.14, eerste lid, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden. + +**3.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien artikel 4.14, tweede lid, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met 5 jaren. ### Artikel 2.7b @@ -276,9 +282,9 @@ De artikelen 2.7 en 2.7a zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet. ### Artikel 2.8 -**1.** Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een universiteit of hogeschool, opgenomen in de bijlage van de WHW of aan een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de WHW. +**1.** Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een universiteit of hogeschool, opgenomen in de bijlage van de WHW of aan een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 WHW. -**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing gedurende de termijn, bedoeld in de artikelen 5.21, tweede en zesde lid, 5.33 en 6.5, tweede lid, van de WHW. +**2.** Indien de accreditatie van een opleiding wordt geweigerd, beëindigd of ingetrokken of aan een opleiding het recht op bekostiging of graadverlening, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, WHW, wordt ontnomen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing gedurende de termijn waarin de student de betreffende opleiding op grond van artikel 5.21, derde en zesde lid, 5.32 of 6.5, tweede lid, WHW, mag vervolgen. ### Artikel 2.9 @@ -297,13 +303,13 @@ Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschrev Een ho-student kan in aanmerking komen voor levenlanglerenkrediet, indien hij is ingeschreven voor het volgen van: a. een opleiding als bedoeld in de artikelen 2.8 tot en met 2.11; -b. een postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b van de WHW; -c. een deeltijdse opleiding in het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, van de WHW, waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW is verleend; of -d. een of meer onderwijseenheden als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, van de WHW, van een opleiding waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW is verleend, aan: +b. een postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b WHW; +c. een deeltijdse opleiding in het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, WHW, waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend; of +d. een of meer onderwijseenheden als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, WHW, van een opleiding waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend, aan: 1°. de Open Universiteit; -2°. een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de WHW; of -3°. een bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, van de WHW, met uitzondering van de Open Universiteit, in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, waarin bij wijze van experiment op grond van artikel 1.7a van de WHW, in afwijking van artikel 7.32, derde lid, van de WHW, inschrijving voor een onderwijseenheid is toegestaan. +2°. een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 WHW; of +3°. een bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, WHW, met uitzondering van de Open Universiteit, in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, waarin bij wijze van experiment op grond van artikel 1.7a WHW, in afwijking van artikel 7.32, derde lid, WHW, inschrijving voor een onderwijseenheid is toegestaan. ### Artikel 2.13 @@ -328,16 +334,16 @@ d. indien hij in het betreffende studiefinancieringstijdvak aanspraak maakt op e ### Artikel 2.13a -**1.** +**1.** Dit artikel is niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet en op mbo-studenten die op grond van artikel 2.2, tweede lid, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen. -Voor studiefinanciering, met uitzondering van het levenlanglerenkrediet, kan een mbo-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland: +**2.** + +Voor studiefinanciering kan een mbo-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland: a. waarvan het niveau en de kwaliteit vergelijkbaar is met overeenkomstige Nederlandse opleidingen in de zin van de WEB en waarvan het afsluitend examen vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor een opleiding in de zin van de WEB, en b. die overigens voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria. -**2.** Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister stelt tevens vast of de opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 of een opleiding niveau 3 of 4. De opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4 indien deze vergelijkbaar is met een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4. - -**3.** Dit artikel is niet van toepassing op mbo-studenten die op grond van artikel 2.2, tweede lid, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen. +**3.** Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid. Onze Minister stelt tevens vast of de opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 of een opleiding niveau 3 of 4. De opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4 indien deze vergelijkbaar is met een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4. ### Artikel 2.14 @@ -387,13 +393,13 @@ De student die lesgeld is verschuldigd op grond van artikel 5, tweede lid, van d **1.** De mbo-student heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2, indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten. -**2.** De student heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs hoger onderwijs heeft genoten. +**2.** De student heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor beroepsonderwijs indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs hoger onderwijs heeft genoten. **3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet. ### Artikel 2.17 -**1.** Een mbo-student die voor ten minste één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, heeft, behoudens in de gevallen, bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming ten minste één maand heeft geduurd slechts aanspraak op studiefinanciering voor een thuiswonende mbo-student. +**1.** Een mbo-student wiens vrijheid voor ten minste een maand rechtens is ontnomen, heeft, behoudens in de gevallen, bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming ten minste één maand heeft geduurd slechts aanspraak op studiefinanciering voor een thuiswonende mbo-student. **2.** Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. @@ -447,7 +453,7 @@ c. een reisvoorziening. **2.** Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge artikel 3.5. -**3.** De tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld wordt voor een mbo-student vastgesteld op eentwaalfde deel van het op grond van artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet vastgestelde of herziene bedrag van het lesgeld. Het bedrag van de maximale aanvullende beurs, bedoeld in de artikelen 3.13, eerste lid, 3.16 en 3.18, wordt voor een mbo-student verhoogd met het bedrag van de tegemoetkoming. +**3.** De tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld wordt voor een mbo-student vastgesteld op een twaalfde deel van het op grond van artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet geldende bedrag van het lesgeld. Het bedrag van de maximale aanvullende beurs, bedoeld in de artikelen 3.13, eerste lid, 3.16 en 3.18, wordt voor een mbo-student verhoogd met het bedrag van de tegemoetkoming. **4.** De tegemoetkoming, bedoeld in het derde lid, wordt niet toegekend voor het studiejaar waarin de mbo-student de leeftijd van 18 jaren bereikt. @@ -495,31 +501,25 @@ Vervallen **1.** Voor studenten aan een opleiding binnen Nederland bestaat de reisvoorziening uit een reisrecht gedurende een bepaald deel van de week waarvoor de student geen bedrag of een lager bedrag verschuldigd is aan de vervoersbedrijven. -**2.** - -Voor studenten die aanspraak hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 5.3, eerste lid. - -In afwijking van de eerste volzin kan een student als bedoeld in de eerste volzin op aanvraag als reisvoorziening een reisrecht ontvangen. +**2.** Voor studenten die aanspraak hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 5.3, eerste lid, tenzij in plaats daarvan als reisvoorziening een reisrecht wordt aangevraagd. **3.** Voor studenten aan een opleiding binnen Nederland die een deel van deze opleiding buiten Nederland volgen is het tweede lid van overeenkomstige toepassing. **4.** Voor studenten voor wie geen burgerservicenummer kan worden gebruikt in het contact tussen Onze Minister en RSR, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 5.3, eerste lid. -**5.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze van aanvraag en toekenning van de reisvoorziening in geld, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid alsmede regels met het oog op een goede uitvoering van dit artikel. +**5.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze van aanvraag en toekenning van de reisvoorziening in geld, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, en met het oog op een goede uitvoering van dit artikel. ### Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders ### Artikel 3.8 -**1.** De hoogte van de aanvullende beurs is afhankelijk van het ouderlijk inkomen en wordt berekend ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13. - -**2.** Het maximale bedrag van de aanvullende beurs is opgenomen in artikel 3.18. +De hoogte van de aanvullende beurs is het maximumbedrag van de aanvullende beurs, genoemd in artikel 3.18, minus de veronderstelde ouderlijke bijdrage die wordt berekend ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13. ### Artikel 3.9 **1.** Maatstaf voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is het toetsingsinkomen van de afzonderlijke ouders van de mbo-student in het peiljaar. -**2.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64 per 1 januari 2022: € 19.295,29. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een mbo-student die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43 per 1 januari 2022: € 24.446,12. +**2.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64 per 1 januari 2022: € 19.295,29. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een mbo-student die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43 per 1 januari 2022: € 24.446,12. **3.** Het bruto kortingsbedrag op jaarbasis is 26% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar. @@ -555,15 +555,22 @@ Voor de toepassing van de artikelen 3.9, 3.9a en 3.10 wordt zolang het toetsings ### Artikel 3.12 -Indien het na het peiljaar een ouder zonder partner betreft als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget, wordt op aanvraag van die ouder of de student de hoogte van de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 3.9a, dienovereenkomstig aangepast. +Indien een ouder na het peiljaar een ouder zonder partner wordt, wordt op aanvraag van die ouder of de student de hoogte van de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 3.9a, dienovereenkomstig aangepast. ### Artikel 3.13 **1.** De veronderstelde ouderlijke bijdrage is voor een mbo-student de som van de maandbedragen, bedoeld in artikel 3.9, vijfde lid, en voor een ho-student de som van de maandbedragen die zijn bepaald door toepassing van artikel 3.9a. De veronderstelde ouderlijke bijdrage kan nooit meer bedragen dan de maximale aanvullende beurs voor een student. -**2.** De aanvullende beurs van een student wordt verminderd met de in het eerste lid bedoelde veronderstelde ouderlijke bijdrage. De vermindering is nihil, indien de veronderstelde ouderlijke bijdrage negatief is. +**2.** Indien de veronderstelde ouderlijke bijdrage negatief is, wordt deze vastgesteld op nihil. -**3.** Indien een ouder meer dan één kind heeft dat recht heeft op studiefinanciering, met uitzondering van het kind dat tevens valt onder artikel 3.9, vierde lid, onderdeel b, en dat kind met betrekking tot de desbetreffende maand een aanvullende beurs heeft aangevraagd, wordt het maandbedrag, bedoeld in het eerste lid, gedeeld door dat aantal kinderen. +**3.** + +Bij de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage per studerend kind wordt de bijdrage verdeeld over de studerende kinderen van een ouder indien: + +a. meer dan een van deze kinderen voor de betreffende maand aanspraak heeft op studiefinanciering; en +b. de kinderen voor de betreffende maand een aanvullende beurs hebben aangevraagd. + +**4.** Bij de verdeling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, bedoeld in het derde lid, wordt een kind dat tevens onder de reikwijdte van artikel 3.9, vierde lid, onderdeel b, valt, buiten beschouwing gelaten. ### Artikel 3.14 @@ -592,7 +599,7 @@ Het verschil tussen het maximale bedrag van de aanvullende beurs en de voor een **1.** Het collegegeldkrediet is een lening die aan de ho-student op aanvraag wordt toegekend. -**2.** Het bedrag dat per maand kan worden geleend bedraagt niet meer dan een twaalfde deel van het feitelijk door de ho-student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag aan collegegeld voor het volgen van hoger onderwijs en in totaal ten hoogste vijf maal een twaalfde deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de WHW. +**2.** Het bedrag dat per maand kan worden geleend bedraagt niet meer dan een twaalfde deel van het feitelijk door de ho-student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag aan collegegeld voor het volgen van hoger onderwijs en in totaal ten hoogste vijf maal een twaalfde deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, WHW. **3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het collegegeldkrediet. @@ -605,7 +612,7 @@ Het verschil tussen het maximale bedrag van de aanvullende beurs en de voor een Het levenlanglerenkrediet wordt slechts verstrekt: a. indien de student niet in aanmerking komt voor studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid; -b. in geval het krediet wordt gevraagd voor een voltijdse of duale opleiding in het hoger onderwijs en de ho-student nog niet de leeftijd van dertig jaren heeft bereikt, die ho-student een hbo-bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, van de WHW of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, van de WHW met goed gevolg heeft afgesloten; en +b. in geval het krediet wordt gevraagd voor een voltijdse of duale opleiding in het hoger onderwijs en de ho-student nog niet de leeftijd van dertig jaren heeft bereikt, die ho-student een hbo-bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, WHW of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, WHW met goed gevolg heeft afgesloten; en c. voor zover de kosten voor het lesgeld of collegegeld niet door een derde worden vergoed. **3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gronden worden vastgesteld op basis waarvan een aanvraag gelet op terugbetalingsrisico’s kan worden geweigerd. @@ -621,9 +628,9 @@ c. voor zover de kosten voor het lesgeld of collegegeld niet door een derde word De periode, bedoeld in het eerste lid, kan worden verlengd indien de student in de laatste maand van die periode een opleiding volgt met een langere nominale duur dan vier jaar en die opleiding onafgebroken blijft volgen. Het levenlanglerenkrediet kan ten hoogste zoveel langer worden verstrekt als het verschil tussen 48 maanden en het aantal maanden waarop de studielast is gebaseerd op grond van: a. artikel 7.5, eerste lid, onderdelen a tot en met d; -b. artikel 7.5a van de WHW; -c. artikel 7.5b, eerste lid, van de WHW; of -d. artikel 7.5c van de WHW. +b. artikel 7.5a WHW; +c. artikel 7.5b, eerste lid, WHW; of +d. artikel 7.5c WHW. **3.** Indien de ho-student in de laatste maand van de periode, bedoeld in het eerste of tweede lid, een deeltijdse opleiding volgt en deze opleiding onafgebroken blijft volgen, wordt de periode met één jaar verlengd. @@ -633,7 +640,7 @@ d. artikel 7.5c van de WHW. Het levenlanglerenkrediet bedraagt per maand niet meer dan een twaalfde deel van het feitelijk door de student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag aan collegegeld of lesgeld voor het volgen van de desbetreffende opleiding en in totaal ten hoogste: -a. vijf maal een twaalfde deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de WHW, voor een opleiding in het hoger onderwijs; +a. vijf maal een twaalfde deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, WHW, voor een opleiding in het hoger onderwijs; b. vijf maal een twaalfde deel van het lesgeld, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet, voor een opleiding in het beroepsonderwijs; of c. een in afwijking van de onderdelen a en b bij algemene maatregel van bestuur te bepalen lager maximum. @@ -685,7 +692,7 @@ b. aanvullende beurs, c. toeslag eenoudergezin, en d. voor iedere maand waarin de mbo-student op enig moment beschikte over de reisvoorziening, een bedrag gelijk aan een twaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend. -**8.** Over de verschuldigde bedragen, bedoeld in het zevende lid, wordt rente berekend op de voet van de artikelen 6.3, eerste lid, en 6.4, met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de dag waarop de beschikking terzake is gegeven. +**8.** Over de verschuldigde bedragen, bedoeld in het zevende lid, wordt rente berekend op de voet van de artikelen 6.3, eerste lid, en 6.4, met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de dag waarop Onze Minister een vordering wegens meerinkomen heeft vastgesteld. **9.** Indien een mbo-student voor 1 juni van een kalenderjaar aan Onze Minister schriftelijk opgave doet van het bedrag aan meerinkomen in het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, is het achtste lid op deze mbo-student niet van toepassing, voor zover dat bedrag voor die datum door hem is betaald. @@ -714,7 +721,7 @@ b. indien de aanvraag is ingediend na het in onderdeel a bedoelde tijdstip: binn ### Artikel 3.20 -Indien het op basis van de verstrekte gegevens onmogelijk is het bedrag van de aanvullende beurs vast te stellen, kent Onze Minister het gevraagde bedrag toe in de vorm van een lening. +Zolang het op basis van de verstrekte gegevens onmogelijk is het bedrag van de aanvullende beurs vast te stellen, kent Onze Minister het gevraagde bedrag toe in de vorm van een lening. ### Artikel 3.21 @@ -838,7 +845,7 @@ Studiefinanciering wordt verstrekt in de vorm van een gift of een lening. **2.** In afwijking van het eerste lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat voor soorten van beroepsonderwijs het eerste lid van overeenkomstige toepassing is, indien een mbo-student in een of meer onderwijseenheden zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. -**3.** Uitsluitend de in artikel 8.1.7, negende lid, van de WEB genoemde redenen voor afwezigheid zijn geldige redenen. +**3.** Uitsluitend de in artikel 8.1.7, negende lid, WEB genoemde redenen voor afwezigheid zijn geldige redenen. ### Artikel 4.4 @@ -852,7 +859,7 @@ Artikel 4.3 is niet van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand vol Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon vast: -a. of de reden die de mbo-student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige reden als bedoeld in artikel 8.1.7, negende lid, van de WEB, is, of +a. of de reden die de mbo-student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige reden als bedoeld in artikel 8.1.7, negende lid, WEB, is, of b. dat de mbo-student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid. **3.** Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de mbo-student voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen. @@ -916,7 +923,7 @@ De diplomatermijn beroepsonderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode van ### Artikel 4.11 -Indien een mbo-student in het eerste jaar van een opleiding voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs geniet en hij in dat studiejaar ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4 dan wel voor hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het einde van dat studiejaar de over dat studiejaar toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift. +Indien een mbo-student in het eerste jaar van een opleiding voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs geniet, in dat studiejaar ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4 dan wel voor hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het einde van dat studiejaar de over dat studiejaar toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift. ### Artikel 4.12 @@ -980,7 +987,7 @@ Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die zijn ingeschre **1.** De artikelen 4.6b, 4.7, eerste, derde en vierde lid, 4.8, 4.9, 4.10, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 4.11, 4.12, 4.13, 4.14 en 4.15 zijn van overeenkomstige toepassing. -**2.** Artikel 4.19 is van overeenkomstige toepassing voorzover de studiefinanciering in de vorm van een gift is toegekend. +**2.** Artikel 4.19 is van overeenkomstige toepassing voor zover de studiefinanciering in de vorm van een gift is toegekend. ### Artikel 4.22 @@ -1012,8 +1019,8 @@ c. een toeslag eenoudergezin. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt eenmalig aan een ho-student verstrekt gedurende 4 jaar, vermeerderd met: -a. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5, eerste lid, onderdeel d, 7.5b, eerste lid en 7.5c, tweede en vierde lid van de WHW, gedeeld door vijf, indien een student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs; -b. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5a en 7.5c, tweede tot en met vijfde lid, van de WHW minus zestig en gedeeld door vijf, indien een ho-student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs. +a. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5, eerste lid, onderdeel d, 7.5b, eerste lid en 7.5c, tweede en vierde lid WHW, gedeeld door vijf, indien een student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs; +b. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5a en 7.5c, tweede tot en met vijfde lid, WHW minus zestig en gedeeld door vijf, indien een ho-student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs. **2.** In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat, verstrekt in de vorm van een gift. @@ -1042,9 +1049,9 @@ b. deze ho-student is ingeschreven voor de hbo-lerarenopleiding, voor een daarbi In aanvulling op artikel 5.2, eerste lid, wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt, indien: -a. het een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.30c van de WHW betreft; -b. met goed gevolg het afsluitende examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs is afgelegd en daarna een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.5a, aanhef en onderdeel a, of 7.5c, vijfde lid, van de WHW wordt gevolgd waarvan niet eerder het afsluitende examen met goed gevolg is afgelegd; of -c. reeds eerder prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend op grond van artikel 5.2a en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.5a, aanhef en onderdeel a, of 7.5c, vijfde lid, van de WHW wordt gevolgd. +a. het een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.30c WHW betreft; +b. met goed gevolg het afsluitende examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs is afgelegd en daarna een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.5a, aanhef en onderdeel a, of 7.5c, vijfde lid, WHW wordt gevolgd waarvan niet eerder het afsluitende examen met goed gevolg is afgelegd; of +c. reeds eerder prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend op grond van artikel 5.2a en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.5a, aanhef en onderdeel a, of 7.5c, vijfde lid, WHW wordt gevolgd. **2.** Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing, indien reeds eerder op grond van onderdeel b van dat lid prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend. @@ -1053,7 +1060,7 @@ c. reeds eerder prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend op grond van artikel Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien reeds eerder: a. op grond van het eerste lid, onderdeel a, of artikel 5.2a prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; of -b. op grond van artikel 5.2, eerste lid, prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend, voor zover die toekenning betrekking had op een opleiding als bedoeld in 7.5b, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WHW. +b. op grond van artikel 5.2, eerste lid, prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend, voor zover die toekenning betrekking had op een opleiding als bedoeld in 7.5b, eerste lid, aanhef en onderdeel b, WHW. ### Artikel 5.3 @@ -1079,11 +1086,11 @@ Vervallen **1.** Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een associate degree-opleiding afrondt, wordt de toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt de toegekende reisvoorziening volledig omgezet in een gift. -**2.** Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het eerste lid afrondt, wordt de resterende periode van de prestatiebeurs hoger onderwijs die ingevolge het eerste lid had kunnen worden omgezet in een gift verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b van de WHW die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW aanvangt. +**2.** Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het eerste lid afrondt, wordt de resterende periode van de prestatiebeurs hoger onderwijs die ingevolge het eerste lid had kunnen worden omgezet in een gift verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b WHW die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW aanvangt. **3.** Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding, hbo-masteropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afrondt, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt van de toegekende reisvoorziening één jaar extra omgezet in een gift. -**4.** Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het derde lid afrondt, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs hoger onderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b van de WHW aanvangt waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW is verleend. +**4.** Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het derde lid afrondt, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs hoger onderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b WHW aanvangt waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend. **5.** Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het eerste of derde lid wordt gelijkgesteld het afronden van een deeltijdse opleiding of een opleiding van de Open Universiteit, voor zover deze opleiding krachtens de WHW daarmee gelijk wordt gesteld. @@ -1097,9 +1104,9 @@ Vervallen ### Artikel 5.9 -**1.** De omzetting, bedoeld in artikel 5.7, vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d van de WHW, of de mededeling, bedoeld in artikel 9.5, tweede lid. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de ho-student daarvan in kennis. +**1.** De omzetting, bedoeld in artikel 5.7, vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d WHW, of de mededeling, bedoeld in artikel 9.5, tweede lid. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de ho-student daarvan in kennis. -**2.** Een ho-student die het examen, bedoeld in artikel 5.7, met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag. +**2.** Een ho-student die het examen, bedoeld in artikel 5.7, met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop artikel 7.9d WHW niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag. **3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs ingevolge artikel 5.7, zesde lid. @@ -1333,7 +1340,7 @@ c. de goede uitvoering van extra aflossingen. Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs onderscheidenlijk een lening hoger onderwijs gelijk aan: a. 120% onderscheidenlijk 143% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met partner; -b. 120% onderscheidenlijk 143% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur die in het peiljaar een ouder zonder partner is als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget; of +b. 120% onderscheidenlijk 143% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur die in het peiljaar een ouder zonder partner is; of c. 84% onderscheidenlijk 100% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren zonder partner. **3.** De draagkracht van de debiteur uit inkomen is voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs onderscheidenlijk een lening hoger onderwijs 12% onderscheidenlijk 4% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet. @@ -1367,7 +1374,7 @@ b. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de draagkracht w ### Artikel 6.13 -Indien het een debiteur betreft die na het peiljaar een ouder zonder partner als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget is, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast. +Indien het een debiteur betreft die na het peiljaar een ouder zonder partner is, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast. ### Artikel 6.14 @@ -1565,7 +1572,7 @@ Vervallen **1.** De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat die onderwijs aanbiedt als bedoeld in de artikelen 2.4, 2.8, 2.10, 2.11 en 2.12, is verplicht op een bij ministeriële regeling aan te geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet. -**2.** Onze Minister kan voor instellingen of groepen van instellingen waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een ho-student het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan Onze Minister en gelijktijdig de ho-student van die mededeling in kennis stelt. +**2.** Onze Minister kan voor instellingen of groepen van instellingen waarop artikel 7.9d WHW niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een ho-student het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan Onze Minister en gelijktijdig de ho-student van die mededeling in kennis stelt. ### Artikel 9.6 @@ -1750,7 +1757,7 @@ c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase. **1.** Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. -**2.** Op het toetsingsinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan het belastbare minimumloon in het peiljaar, indien de debiteur in het peiljaar een ouder zonder partner is als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget, of voor zijn partner voor de inkomstenbelasting de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is. Indien voor de debiteur de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de algemene heffingskorting van toepassing is, is de draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die van toepassing zou zijn indien voor de debiteur – naast de algemene heffingskorting – voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing zou zijn. +**2.** Op het toetsingsinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan het belastbare minimumloon in het peiljaar, indien de debiteur in het peiljaar een ouder zonder partner is, of voor zijn partner voor de inkomstenbelasting de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is. Indien voor de debiteur de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de algemene heffingskorting van toepassing is, is de draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die van toepassing zou zijn indien voor de debiteur – naast de algemene heffingskorting – voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing zou zijn. **3.** Het resterende inkomen wordt verdeeld in 2 schijven ter grootte van de helft van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet alsmede een derde schijf ter grootte van 260% van het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, verminderd met de draagkrachtvrije voet en de eerste en de tweede schijf. @@ -1766,7 +1773,7 @@ c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase. ### Artikel 10a.9 -Indien het na het peiljaar een debiteur betreft die ouder zonder partner is als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing wordt na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast. +Indien het na het peiljaar een debiteur betreft die ouder zonder partner is of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing wordt na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast. ### Artikel 10a.10 @@ -1835,45 +1842,61 @@ Vervallen ## Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen +### Paragraaf 12.0. Overgangsbepalingen intrekking + +### Artikel 12.0a + +In afwijking van artikel 1.1 wordt voor de begrippen in deze paragraaf de begripsomschrijving gelezen in artikel 1 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidde op 31 augustus 2000. + +### Artikel 12.0b + +**1.** In geval de verplichting tot terugbetaling van renteloze voorschotten, verstrekt door Onze Minister met betrekking tot de lasten, verbonden aan het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs nog niet is aangevangen op 1 oktober 1986, vangt deze terugbetaling niet eerder aan dan op het tijdstip waarop op grond van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidde op 31 augustus 2000, de verplichting tot terugbetaling van de rentedragende lening begint. + +**2.** De artikelen 40, eerste en derde lid, 41 tot en met 50, 107, 121 tot en met 127, 130 en 132 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidden op 31 augustus 2000, zijn van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 12.0c + +**1.** In geval van samenloop van terugbetalingen van renteloze voorschotten, verstrekt door Onze Minister met betrekking tot de lasten, verbonden aan het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs en terugbetaling van rentedragende lening, wordt het door de debiteur op jaarbasis te betalen bedrag gevormd door de som van het op jaarbasis vastgestelde terug te betalen bedrag aan renteloze voorschotten en van het jaarbedrag aan termijnen, waarin de rente en aflossing van de rentedragende lening ingevolge artikel 41 van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, vervallen. + +**2.** De artikelen 40, eerste en derde lid, 41 tot en met 48, 50, 107, 121 tot en met 127, 130 en 132 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidden op 31 augustus 2000, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien de draagkracht van de debiteur lager is dan de te betalen termijn, de terugbetaling allereerst strekt ter voldoening van de oudste openstaande schuld. + +### Artikel 12.0d + +In geval van samenloop van terugbetalingen als bedoeld in artikel 12.0c, wordt, zolang het renteloos voorschot nog niet is afgelost, voor de betrokkene artikel 41, derde lid, van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, zo toegepast dat het minimumbedrag van f 1.200,– wordt verminderd met het in het desbetreffende jaar terug te betalen bedrag aan renteloos voorschot. + +### Artikel 12.0e + +Op 1 januari volgend op het tijdstip waarop de in artikel 12.0c bedoelde voorschotten volledig moeten zijn terugbetaald, wordt de termijn, bedoeld in artikel 41 van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, opnieuw vastgesteld. + +### Artikel 12.0f + +**1.** Ingeval de verplichting tot terugbetaling van renteloze voorschotten verstrekt door Onze Minister met betrekking tot de lasten, verbonden aan het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs is aangevangen voor dan wel op 1 oktober 1986, zijn de artikelen 40, eerste en derde lid, 42 tot en met 48, 50, 107, 121 tot en met 127, 130 en 132 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidden op 31 augustus 2000, van overeenkomstige toepassing. + +**2.** Voor de toepassing van de artikelen 42 tot en met 50 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidden op 31 augustus 2000, wordt de aflosfase gesteld op 15 jaar en vangt de aflosfase aan op 1 januari 1987. + +### Artikel 12.0g + +Op een studerende van 18 jaren of ouder aan wie tot 1 oktober 1986 op grond van een onderwijswet een rijksstudietoelage werd toegekend voor het volgen van wetenschappelijk onderwijs of hoger beroepsonderwijs dan wel op een studerende van 21 jaren of ouder aan wie een soortgelijke rijksstudietoelage werd toegekend voor het volgen van overig voortgezet onderwijs, is met ingang van 1 oktober 1986 hoofdstuk II met uitzondering van artikel 8 van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, van overeenkomstige toepassing tot het moment waarop hij de voor 1 oktober 1986 aangevangen studie heeft voltooid dan wel gestaakt. + +### Artikel 12.0h + +Op een studerende aan wie tot 1 oktober 1986 op grond van een onderwijswet een rijksstudietoelage werd toegekend onafhankelijk van het inkomen van de ouders of een van hen, is met ingang van 1 oktober 1986 hoofdstuk II uitgezonderd paragraaf 2 van titel 3 van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, van overeenkomstige toepassing tot het moment waarop hij de voor 1 oktober 1986 aangevangen studie heeft voltooid dan wel gestaakt. + ### Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015 ### Artikel 12.1 -**1.** Vervallen. +**1.** Onder de begripsbepaling van «bacheloropleiding» in artikel 1.1, eerste lid, wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, WHW, en ten aanzien waarvan artikel 18.18 WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is. -**2.** Vervallen. - -**3.** Vervallen. - -**4.** Vervallen. - -**5.** Vervallen. - -**6.** Onder de begripsbepaling van «bacheloropleiding» in artikel 1.1, eerste lid, wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, van de WHW, en ten aanzien waarvan artikel 18.18 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is. - -**7.** Onder de begripsbepaling van «masteropleiding» in artikel 1.1, eerste lid, wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, van de WHW, en ten aanzien waarvan artikel 18.18 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is. +**2.** Onder de begripsbepaling van «masteropleiding» in artikel 1.1, eerste lid, wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, WHW, en ten aanzien waarvan artikel 18.18 WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is. ### Artikel 12.1a -Voor mbo-studenten die vóór 1 augustus 2002 onderscheidenlijk voor ho-studenten die vóór 1 september 2002 studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering of van deze wet ontvingen, geldt in afwijking van artikel 1.5, zoals dat artikel luidde op 31 december 2011, dat waar de student woont naar de omstandigheden wordt beoordeeld. +Vervallen ### Artikel 12.1a0 -**1.** In afwijking van artikel 2.1 regelt dit artikel het langstudeerderskrediet. - -**2.** - -Het langstudeerderskrediet is een lening die op aanvraag kan worden toegekend voor het studiejaar 2011–2012 en 2012–2013. Het langstudeerderskrediet kan worden toegekend aan iemand die: - -a. voor 1 september 2011 aanspraak op studiefinanciering had; -b. op het moment van aanvraag geen aanspraak op studiefinanciering heeft; en -c. het verhoogde wettelijke collegegeld verschuldigd is op grond van artikel 7.45b van de WHW zoals dat luidde op 1 september 2011. - -**3.** Het langstudeerderskrediet voor het desbetreffende studiejaar wordt in een keer uitgekeerd en bedraagt maximaal de hoogte van de opslag, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de WHW zoals dat luidde op 1 september 2011. - -**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het langstudeerderskrediet. - -**5.** Hoofdstuk 10a, paragraaf 6.1, voor de toepassing waarvan het langstudeerderskrediet wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs, en de artikelen 7.1, 7.3 en 12.10a1 zijn van overeenkomstige toepassing. +Vervallen ### Artikel 12.1aa @@ -1881,15 +1904,15 @@ Vervallen ### Artikel 12.1b -**1.** In afwijking van artikel 2.8 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in de artikelen 18.14 of 18.15 van de WHW, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010, of 18.16 van de WHW voor zover aan die opleiding accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW is verleend. +**1.** In afwijking van artikel 2.8 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in de artikelen 18.14 of 18.15 WHW, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010, of 18.16 WHW voor zover aan die opleiding accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend. -**2.** In afwijking van artikel 2.8 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in artikel VII van de wet van 2 april 1998, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen (Stb. 1998, 216) voor zover aan die opleiding accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de WHW is verleend. +**2.** In afwijking van artikel 2.8 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in artikel VII van de wet van 2 april 1998, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen (Stb. 1998, 216) voor zover aan die opleiding accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend. -**3.** In aanvulling op artikel 2.8 kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een ho-student voor studiefinanciering in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een aangewezen instelling als bedoeld in de artikelen 6.9 of 16.10 van de WHW, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010. +**3.** In aanvulling op artikel 2.8 kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een ho-student voor studiefinanciering in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een aangewezen instelling als bedoeld in de artikelen 6.9 of 16.10 WHW, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010. ### Artikel 12.1ba -Op een ho-student die voor 1 september 2007 voor het volgen van hoger onderwijs buiten Nederland studiefinanciering ontving, blijven de artikelen 2.12, 2.14 en 5.4, zoals die luidden op 31 augustus 2007, van toepassing zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet. +Vervallen ### Artikel 12.1c @@ -1945,13 +1968,13 @@ Op een ho-student aan wie vóór 1 september 2012 een reisvoorziening is toegek Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van artikel 5.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 5 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding: -a. genoemd in artikel 7.4, derde lid, eerste volzin, van de WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, -b. genoemd in artikel 7.4, zesde lid, van de WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, of -c. genoemd in artikel 18.20 van de WHW. +a. genoemd in artikel 7.4, derde lid, eerste volzin, WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, +b. genoemd in artikel 7.4, zesde lid, WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, of +c. genoemd in artikel 18.20 WHW. **2.** -Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van artikel 5.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding, genoemd in artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, van de WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde. Het aantal om te zetten maanden wordt verminderd met het verschil tussen 360 studiepunten en de studielast die is gebaseerd op een geringer aantal maanden, indien een ho-student: +Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van artikel 5.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding, genoemd in artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde. Het aantal om te zetten maanden wordt verminderd met het verschil tussen 360 studiepunten en de studielast die is gebaseerd op een geringer aantal maanden, indien een ho-student: a. met goed gevolg een examen heeft afgelegd van een deel van een opleiding, en b. dat deel ten minste 240 studiepunten bedraagt. @@ -1960,15 +1983,15 @@ b. dat deel ten minste 240 studiepunten bedraagt. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van artikel 5.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 6,5 jaar verstrekt, indien het betreft: -a. een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een openbare universiteit die, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, en -b. een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een opleiding in de zin van artikel 18.15 van de WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een op grond van artikel 6.9 van de WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, aangewezen instelling. +a. een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een openbare universiteit die, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, en +b. een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een opleiding in de zin van artikel 18.15 WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een op grond van artikel 6.9 WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, aangewezen instelling. **4.** In afwijking van artikel 5.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, wordt de prestatiebeurs gedurende 6,5 jaar verstrekt aan een ho-student die vóór 1 september 2010 studiefinanciering ontving voor: a. het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan een openbare of bijzondere universiteit dat, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, of -b. een opleiding met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid binnen het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen instelling als bedoeld in artikel 6.9 van de WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010. +b. een opleiding met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid binnen het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen instelling als bedoeld in artikel 6.9 WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010. ### Artikel 12.10a @@ -1976,7 +1999,7 @@ Het rentepercentage voor leningen aangegaan voor 1 januari 1992 is in afwijking ### Artikel 12.10a1 -In afwijking van artikel 6.4 wordt er geen rente berekend over collegegeldkrediet ten behoeve van de opslag, als bedoeld in artikel 7.45, eerste lid van de WHW, zoals dat luidde op 1 september 2011, indien het daarvoor geleende bedrag vóór 1 maart 2013 wordt teruggestort. +In afwijking van artikel 6.4 wordt er geen rente berekend over collegegeldkrediet ten behoeve van de opslag, als bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, WHW, zoals dat luidde op 1 september 2011, indien het daarvoor geleende bedrag vóór 1 maart 2013 wordt teruggestort. ### Artikel 12.10b @@ -1984,11 +2007,7 @@ Vervallen ### Artikel 12.11 -**1.** Op besluiten met betrekking tot studiefinanciering voor het kalenderjaar 2006 zijn de bepalingen, opgenomen in hoofdstuk 1, afdeling C, artikel I, van de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing. - -**2.** Op besluiten met betrekking tot studiefinanciering voor het kalenderjaar 2007 zijn de bepalingen, opgenomen in hoofdstuk 1, afdeling C, artikel II, van de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing. - -**3.** Op besluiten met betrekking tot studiefinanciering voor de kalenderjaren 2008 en volgende zijn de bepalingen, opgenomen in hoofdstuk 1, afdeling C, artikel III, van de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing. +Vervallen ### Artikel 12.12 @@ -1996,11 +2015,7 @@ In afwijking van artikel III van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht is ### Artikel 12.13 -**1.** Aanvragen op grond van de Wet op de studiefinanciering worden van rechtswege omgezet in een aanvraag op grond van deze wet. - -**2.** Studiefinanciering die op grond van de Wet op de studiefinanciering is toegekend, wordt van rechtswege omgezet in studiefinanciering op grond van deze wet. - -**3.** Verplichtingen die op grond van de Wet op de studiefinanciering bestaan, worden van rechtswege omgezet in verplichtingen op grond van deze wet. +Vervallen ### Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs @@ -2008,7 +2023,7 @@ In afwijking van artikel III van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht is **1.** -Op een ho-student die vóór 1 september 2015 stond ingeschreven aan een bacheloropleiding, masteropleiding of ongedeelde opleiding of die onderwijs volgde volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.5c, derde lid, van de WHW, en die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een opleiding in het hoger onderwijs, blijven de volgende artikelen, zoals die luidden op 31 augustus 2015, voor de nominale duur van die opleiding van toepassing: +Op een ho-student die vóór 1 september 2015 stond ingeschreven aan een bacheloropleiding, masteropleiding of ongedeelde opleiding of die onderwijs volgde volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.5c, derde lid, WHW, en die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een opleiding in het hoger onderwijs, blijven de volgende artikelen, zoals die luidden op 31 augustus 2015, voor de nominale duur van die opleiding van toepassing: a. van hoofdstuk 1, de artikelen 1.1 en 1.5; b. van hoofdstuk 2, de artikelen 2.13, eerste lid, 2.16, tweede lid, en 2.17; @@ -2029,9 +2044,9 @@ In afwijking van artikel 3.18 gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitw **3.** Artikel 6.2a is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen. -**4.** Voor de debiteur met een schuld uit een lening die is ontstaan door verstrekking van studiefinanciering overeenkomstig het eerste lid, wordt de lening aangemerkt als een lening beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, tenzij artikel 10a.1 van toepassing is. +**4.** Voor de debiteur met een schuld uit een lening die is ontstaan door verstrekking van studiefinanciering overeenkomstig het eerste lid, wordt de lening aangemerkt als een lening beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, tenzij artikel 10a.1 van toepassing is. -**5.** Indien een debiteur als bedoeld in het vierde lid ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen basisbeurs toegekend heeft gekregen voor een masteropleiding of voor onderwijs volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.5c, derde lid, van de WHW, kan de lening worden aangemerkt als een lening hoger onderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, indien de debiteur vóór aanvang van de aflosfase, maar na 31 december 2016, daartoe een aanvraag indient. +**5.** Indien een debiteur als bedoeld in het vierde lid ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen basisbeurs toegekend heeft gekregen voor een masteropleiding of voor onderwijs volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.5c, derde lid, WHW, kan de lening worden aangemerkt als een lening hoger onderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, indien de debiteur vóór aanvang van de aflosfase, maar na 31 december 2016, daartoe een aanvraag indient. **6.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van dit artikel. @@ -2045,7 +2060,7 @@ Een ieder die voldoet aan de volgende voorwaarden heeft aanspraak op een voucher a. hij heeft in één van de vier studiejaren vanaf 1 september 2015 voor het eerst studiefinanciering ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs; b. hij heeft binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afgerond; en -c. hij heeft zich ingeschreven voor een associate degree- bachelor- of masteropleiding dan wel een geaccrediteerde postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b van de WHW in Nederland, voor een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland, bedoeld in artikel 2.14, derde lid, of binnen die opleiding voor één of meer onderwijseenheden als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, van de WHW, in het tijdvak van het vijfde tot en met negende studiejaar volgend op de dag waarop Onze Minister de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d van de WHW, heeft ontvangen. +c. hij heeft zich ingeschreven voor een associate degree-, bachelor- of masteropleiding dan wel een geaccrediteerde postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b WHW in Nederland, voor een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland, bedoeld in artikel 2.14, derde lid, of binnen die opleiding voor één of meer onderwijseenheden als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, WHW, in het tijdvak van het vijfde tot en met negende studiejaar volgend op de dag waarop Onze Minister de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d WHW, heeft ontvangen. **3.** Een voucher wordt uitsluitend op aanvraag verstrekt en is niet overdraagbaar aan derden. De aanspraak vervalt na afloop van het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c. @@ -2099,41 +2114,41 @@ Een aanvraag voor toekenning van 6 maanden extra prestatiebeurs hoger onderwijs, ### Artikel 12.23 -Voor de aanspraak op omzetting van prestatiebeurs hoger onderwijs in gift voor een associate degree-programma als bedoeld in artikel 7.8a van de WHW, zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding, blijft artikel 5.7, zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding, van toepassing voor de ho-student die een associate degree-programma volgt of heeft gevolgd. +Voor de aanspraak op omzetting van prestatiebeurs hoger onderwijs in gift voor een associate degree-programma als bedoeld in artikel 7.8a WHW, zoals dat luidde op 31 december 2017, blijft artikel 5.7, zoals dat luidde op 31 december 2017, van toepassing voor de ho-student die een associate degree-programma volgt of heeft gevolgd. ### Artikel 12.24 -Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs voor een ho-student die met goed gevolg een associate degree-opleiding heeft afgerond, in afwijking van artikel 5.7, eerste lid, uitsluitend omgezet in een gift voor zover de ho-student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling, overeenkomstig artikel 5.7, vierde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip voor inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding. +Tot 1 juni 2019 wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs voor een ho-student die met goed gevolg een associate degree-opleiding heeft afgerond, in afwijking van artikel 5.7, eerste lid, uitsluitend omgezet in een gift voor zover de ho-student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling, overeenkomstig artikel 5.7, vierde lid, zoals dat luidde op 31 december 2017. ### Artikel 12.25 -Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2a, derde lid, opgeschort, waarbij de opgebouwde rente als gevolg van de latere kwijtschelding van dat bedrag eveneens wordt kwijtgescholden. +Tot 1 juni 2019 wordt de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2a, derde lid, opgeschort, waarbij de opgebouwde rente als gevolg van de latere kwijtschelding van dat bedrag eveneens wordt kwijtgescholden. ### Paragraaf 12.4. Overgangsbepaling in verband met invoering verlaagd wettelijk collegegeld ### Artikel 12.26 -In afwijking van artikel 3.16a, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 3.16d kan een ho-student die verlaagd wettelijk collegegeld als bedoeld in artikel 7.45, vijfde lid, van de WHW verschuldigd is, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip ten hoogste het bedrag lenen van het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de WHW en voor zover van toepassing, gelezen in samenhang met artikel 6.7 van de WHW. +In afwijking van artikel 3.16a, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 3.16d kan een ho-student die verlaagd wettelijk collegegeld als bedoeld in artikel 7.45, vijfde lid, WHW verschuldigd is, tot 1 september 2019 ten hoogste het bedrag lenen van het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, WHW en voor zover van toepassing, gelezen in samenhang met artikel 6.7 WHW. ### Paragraaf 12.5. Overgangsbepaling in verband met de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes ### Artikel 12.27 -**1.** Artikel 3.27, zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel V, van de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes (Kamerstukken 34 331), blijft van toepassing op de bedragen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de genoemde wet reeds op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd waren. +**1.** Artikel 3.27, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, blijft van toepassing op de bedragen die op 31 december 2018 reeds op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd waren. -**2.** De persoon die voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes (Kamerstukken 34 331) reeds op grond van artikel 3.27, tweede lid, een bedrag verschuldigd was, wordt voor de berekening van de hoogte van het bedrag dat hij vanaf de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de genoemde wet op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd is, gelijkgesteld met de student wiens aanspraak op reisrecht is beëindigd op het moment van inwerkingtreding van dat artikel V, onderdeel A. +**2.** De persoon die op 31 december 2018 reeds op grond van artikel 3.27, tweede lid, een bedrag verschuldigd was, wordt voor de berekening van de hoogte van het bedrag dat hij vanaf 1 januari 2019, op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd is, gelijkgesteld met de student wiens aanspraak op reisrecht is beëindigd op 1 januari 2019. ### Paragraaf 12.6. Overgangsbepaling in verband met een wijziging van de criteria voor de toekenning van meeneembare studiefinanciering ### Artikel 12.28 -Op een student die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor het volgen van een opleiding buiten Nederland op grond van artikel 2.14, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel I, onderdeel A, van de Wet houdende wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het wijzigen van de criteria voor de toekenning van meeneembare studiefinanciering (Stb. 2019, 20) in werking is getreden, blijft artikel 2.14 van toepassing zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het genoemde tijdstip van inwerkingtreding zolang de student zonder onderbreking studiefinanciering geniet. +Op een student die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor het volgen van een opleiding buiten Nederland op grond van artikel 2.14, zoals dat luidde op 23 juli 2019, blijft artikel 2.14 van toepassing zoals dat luidde op 23 juli 2019 zolang de student zonder onderbreking studiefinanciering geniet. ### Paragraaf 12.7. Overgangsbepaling in verband met de Verzamelwet OCW 2020 ### Artikel 12.29 -Op de mbo-student die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving, blijven de artikelen 2.7a, 2.15a, 4.6 en 12.1aa van toepassing zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel XXX, onderdeel E, van de Wet tot wijziging van de verschillende wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met voornamelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 2020)(Stb. 2020, 76) in werking is getreden. +Op de mbo-student die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving, blijven de artikelen 2.7a, 2.15a, 4.6 en 12.1aa van toepassing zoals deze luidden op 31 maart 2020. ## Hoofdstuk 13. Maatregelen voor studenten in verband met uitbraak COVID-19