2014-07-01 | BWBR0035217 | Besluit houders van dieren

This commit is contained in:
Coornhert 2014-07-01 12:00:00 +00:00
parent 02362f09dd
commit 491e474ad0

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit houders van dieren
bwb_id: BWBR0035217
type: AMvB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2016-10-11'
datum_inwerkingtreding: '2014-07-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0035217
citeertitel: Besluit houders van dieren
---
@ -18,31 +18,13 @@ citeertitel: Besluit houders van dieren
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- *bedrijfsbehandelplan:* een overzicht dat specifiek is voor een bedrijf, waarin aandoeningen en ziektes zijn opgenomen die voorkomen of waarvan het aannemelijk is dat deze voor kunnen komen bij door een houder gehouden dieren en waarbij is weergegeven op welke wijze de aandoeningen en ziektes worden behandeld;
- *bedrijfsgezondheidsplan:* een plan dat specifiek is voor een bedrijf, bestaande uit:
1°. een analyse van de diergezondheidssituatie van door een houder gehouden dieren en van de toepassing van diergeneesmiddelen bij door een houder gehouden dieren;
2°. een overzicht van te treffen maatregelen ter verbetering van de diergezondheidssituatie van door een houder gehouden dieren;
- *big:* varken vanaf de geboorte tot aan het spenen;
- *daarmee verband houdende activiteiten:* datgene dat daaronder wordt verstaan in artikel 2, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1099/2009;
- *derde land:* land, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- *elektrisch veedrijfmiddel:* apparatuur die geschikt is om aan een dier stroomstoten af te geven;
- *evenhoevigen:* runderen, varkens, schapen, geiten of hertachtigen;
- *gezelschapsdier:* zoogdier, vogel, vis, reptiel of amfibie, kennelijk bestemd om te houden voor liefhebberij of gezelschap, met uitzondering van een dier dat behoort tot een in bijlage II bij dit besluit opgenomen diersoort of diercategorie, niet zijnde konijn, bruine rat, tamme muis, cavia, goudhamster en gerbil;
- *pluimvee:* hoenderachtigen, eenden of ganzen;
- *richtlijn nr. 2003/99/EG:*
richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönosen en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (PbEU 2003, L 325);
- *spermawininrichting:* inrichting voor levende producten waar sperma wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen;
- *varken:* varken dat kennelijk wordt gehouden voor de fokkerij of voor de mesterij;
- *verordening (EG) nr. 178/2002:* verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEU 2002, L 31);
- *verordening (EG) nr. 1099/2009:* verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303);
- *verordening (EU) nr. 576/2013:* verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (PbEU 2012, L 178);
- *verordening (EU) nr. 2016/429:* verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid («diergezondheidswetgeving») (PbEU 2016, L84);
- *verordening (EU) 2017/625:*
verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PbEU L 95);
- *verordening (EU) 2018/848:*
Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150);
- *verzamelcentrum:* inrichting voor het verzamelen van hoefdieren of pluimvee van waaruit dieren worden verplaatst of die dieren ontvangt;
- *wet:*
Wet dieren;
- *zeug:* varken van het vrouwelijk geslacht na de worp van haar eerste biggen, kennelijk bestemd voor de fokkerij.
@ -60,40 +42,17 @@ b. het schoppen van een dier;
c. het zodanig slaan van een dier dat dit letsel ten gevolge heeft;
d. het onderwerpen van een dier aan een explosieve, bijtende of brandende stof;
e. het weiden van een dier op niet beweidbaar land of, anders dan voor korte duur, weiden op slecht beweidbaar land;
f. het zich vervoeren of verplaatsen, het zich laten vervoeren of laten verplaatsen of een ander doen vervoeren of doen verplaatsen op een dier of in of op een vervoermiddel dat wordt voortbewogen door een dier, indien dat vervoeren of verplaatsen de krachten van dat dier kennelijk te boven gaat, of indien het dier daartoe kennelijk niet geschikt is;
g. het gebruik van of het vastbinden of aanlijnen van een dier met een voorwerp waarmee het dier door middel van scherpe uitsteeksels pijn kan worden toegebracht;
h. het gebruik van apparatuur die geschikt is om aan een hond stroomstoten af te geven, met uitzondering van:
1°. het gebruik daarvan bij het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen;
2°. het gebruik daarvan in de uitvoering van de taak van de politie of de politietaken van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in artikel 3, onderscheidenlijk artikel 4, van de Politiewet 2012, in de uitvoering van de taken van de krijgsmacht, bedoeld in artikel 97 van de Grondwet, in de uitvoering van een overheidstaak in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel of bij het trainen ten behoeve van de uitvoering van deze taken door de betrokken overheidsorganisatie, voor zover het met dat gebruik beoogde doel dit rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt;
3°. het gebruik van elektrische afrastering;
i. het gebruik van een elektrisch veedrijfmiddel met het oogmerk een dier dat met het oog op de productie van dierlijke producten bedrijfsmatig wordt gehouden voort te drijven, met uitzondering van:
1° het gebruik ervan in slachthuizen als bedoeld in verordening (EG) nr. 1099/2009;
2° het gebruik ervan bij het laden van transport dat vanuit Nederland naar een ander land gaat of bij het lossen van transport dat vanuit een ander land afkomstig is als bedoeld in verordening (EG) nr. 1/2005;
3° het gebruik ervan door een dierenarts bij het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, voor zover dat daarvoor noodzakelijk is;
4° melkrobots die geautomatiseerd aan het dier een stroomstoot afgeven om het apparaat te verlaten als het dat niet uit zichzelf doet, mits de stroomstoot voor het dier steeds voorspelbaar en vermijdbaar is; of
5° gps-halsbanden gebruikt voor het voortdrijven van dieren die geautomatiseerd aan het dier een stroomstoot afgeven, mits de stroomstoot voor het dier steeds voorspelbaar en vermijdbaar is.
f. het zich vervoeren of verplaatsen, het zich laten vervoeren of laten verplaatsen of een ander doen vervoeren of doen verplaatsen op een dier of in of op een vervoermiddel dat wordt voortbewogen door een dier, indien dat vervoeren of verplaatsen de krachten van dat dier kennelijk te boven gaat, of indien het dier daartoe kennelijk niet geschikt is.
### Artikel 1.4
**1.**
De criteria, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de wet, zijn:
a. de mate waarin het welzijn van het dier kan worden gewaarborgd wanneer het wordt gehouden;
b. de mate waarin de gezondheid van mens en dier kan worden gewaarborgd wanneer het dier wordt gehouden; en
c. de mate waarin de veiligheid van mens en dier kan worden gewaarborgd wanneer het dier wordt gehouden.
**2.** Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet, is uitsluitend van toepassing op zoogdieren.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Paragraaf 2. Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen
### Artikel 1.5
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op zoogdieren, reptielen, amfibieën, vogels en vissen.
**2.** Artikel 1.6, vierde lid, is tevens van toepassing op insecten.
Deze paragraaf is van toepassing op zoogdieren, reptielen, amfibieën, vogels en vissen.
### Artikel 1.6
@ -162,8 +121,6 @@ In afwijking van het eerste lid behoeft een dier niet te worden bedwelmd indien
a. ter beëindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier of
b. ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of categorieën dieren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de methode, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 1.14
**1.** Het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden uitgevoerd door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om de taken humaan en doeltreffend uit te voeren.
@ -199,7 +156,7 @@ Het is verboden bij het vissen in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid,
### Artikel 1.19
Als diercategorieën als bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet worden aangewezen honden, katten, konijnen, papegaaiachtigen, apen behorende tot de soort van de Chimpansee, de Rhesus-aap, de Beermakaak, de Java-aap, de Marmoset, de Doeroecoeli of de Doodshoofdaap, varkens en nertsen.
Als diercategorieën als bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet worden aangewezen honden, katten, konijnen, papegaaiachtigen, apen behorende tot de soort van de Chimpansee, de Rhesus-aap, de Beermakaak, de Java-aap, de Marmoset, de Doeroecoeli of de Doodshoofdaap en varkens.
### Artikel 1.20
@ -211,22 +168,27 @@ a. honden: 7 weken;
b. katten: 7 weken;
c. konijnen: 6 weken;
d. papegaaiachtigen: de voor de desbetreffende soort papegaaiachtigen in bijlage I bij dit besluit vermelde leeftijd;
e. Chimpansees: 4,5 jaar;
f. Rhesus-apen: 1 jaar;
g. Beermakaken: 1 jaar;
h. Java-apen: 1 jaar;
e. Chimpansees: 4 jaar;
f. Rhesus-apen: 2 jaar;
g. Beermakaken: 2 jaar;
h. Java-apen: 2 jaar;
i. Marmosets: 1 jaar;
j. Doeroecoelis: 1,5 jaar;
k. Doodshoofdapen: 9 maanden;
l. varkens: 28 dagen;
m. nertsen: 8 weken.
l. varkens: 28 dagen.
**2.**
In afwijking van het eerste lid, is de leeftijd, bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet voor konijnen:
Indien de dieren onmiddellijk na het scheiden worden ondergebracht in groepen met soortgenoten of indien het konijnen betreft op het geboortebedrijf verblijven totdat zij ten minste de leeftijd, bedoeld in het eerste lid, hebben bereikt, is de leeftijd, bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet, in afwijking van het eerste lid, voor:
a. 4 weken, indien de konijnen op het geboortebedrijf verblijven totdat zij ten minste de leeftijd, bedoeld in het eerste lid, hebben bereikt;
b. 5 weken, indien de konijnen na hun geboorte worden vervoerd vanaf het geboortebedrijf naar een ander bedrijf waar zij worden gehouden tot aan het moment waarop zij worden gedood met het oog op de productie van dierlijke producten.
a. konijnen: 4 weken;
b. Chimpansees: 3 jaar;
c. Rhesus-apen: 1 jaar;
d. Beermakaken: 1 jaar;
e. Java-apen: 1 jaar;
f. Marmosets: 8 maanden;
g. Doeroecoelis: 1 jaar;
h. Doodshoofdapen: 7 maanden.
**3.**
@ -235,486 +197,48 @@ In afwijking van het eerste lid, is de leeftijd, bedoeld in artikel 2.2, zevende
a. volledig worden leeggemaakt en grondig zijn gereinigd en ontsmet voordat een nieuwe groep biggen is binnengebracht, en
b. gescheiden zijn van de voorzieningen waar zeugen zijn gehouden om het overdragen van ziekten op de biggen zo veel mogelijk te beperken.
**4.**
Ingeval apen vallen onder het bepaalde in artikel 1b, eerste lid, van de Wet op de dierproeven, is in afwijking van het eerste lid, de leeftijd, bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet, voor:
a. Chimpansees: 4 jaar;
b. Rhesus-apen: 2 jaar;
c. Beermakaken: 2 jaar;
d. Java-apen: 2 jaar;
e. Marmosets: 1 jaar;
f. Doeroecoelis: 1,5 jaar;
g. Doodshoofdapen: 9 maanden.
**5.**
Indien de apen, bedoeld in het vierde lid, onmiddellijk na het scheiden worden ondergebracht in groepen met soortgenoten, is, in afwijking van het vierde lid, de leeftijd, bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet, voor:
a. Chimpansees: 3 jaar;
b. Rhesus-apen: 1 jaar;
c. Beermakaken: 1 jaar;
d. Java-apen: 1 jaar;
e. Marmosets: 6 maanden;
f. Doeroecoelis: 1 jaar;
g. Doodshoofdapen: 7 maanden.
**6.** Artikel 2.2, zevende lid, van de wet, is niet van toepassing indien de houder aannemelijk kan maken dat het scheiden van een dier van het ouderdier noodzakelijk is met het oog op de gezondheid en het welzijn van het dier of het ouderdier.
**4.** Artikel 2.2, zevende lid, van de wet, is niet van toepassing indien de houder aannemelijk kan maken dat het scheiden van een dier van het ouderdier noodzakelijk is met het oog op de gezondheid en het welzijn van het dier of het ouderdier.
### Paragraaf 6. Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen
### Artikel 1.21
Als lichamelijke ingreep als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet wordt aangewezen het door de houder van een dier bij dat dier toepassen van een diergeneesmiddel, voor zover:
a. toepassing van het diergeneesmiddel niet met toepassing van artikel 5.3, eerste lid, van het Besluit diergeneesmiddelen 2022 is voorbehouden aan een dierenarts;
b. de lichamelijke ingreep onderdeel is van de voor dat diergeneesmiddel in de bijsluiter voorgeschreven toedieningswijze en toedieningsweg;
c. de toepassing subcutaan of intramusculair plaatsvindt; en
d. de handeling niet krachtens een ander wettelijk voorschrift aan anderen is voorbehouden.
Als diergeneeskundige handeling als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet wordt aangewezen het door de houder van een dier bij dat dier toepassen van een diergeneesmiddel waarvan toepassing krachtens artikel 2.19, derde lid, van de wet aan die houder is toegestaan, waaronder begrepen het verrichten van een lichamelijke ingreep, indien die ingreep onderdeel uitmaakt van de voor dat diergeneesmiddel voorgeschreven toedieningswijze, voor zover de toediening subcutaan of intramusculair plaatsvindt en de handeling niet krachtens een ander wettelijk voorschrift aan anderen is voorbehouden.
### Artikel 1.22
Een houder van een dier heeft geen diergeneesmiddel of gemedicineerd diervoeder aanwezig in de ruimte, op het terrein waar dieren worden gehouden of in de nabijheid van de ruimte of het terrein waar dieren worden gehouden, indien toepassing van dit diergeneesmiddel of gemedicineerd diervoeder bij deze dieren:
**1.** Het is een houder van een dier verboden om een diergeneesmiddel of een diervoeder met medicinale werking op of in de nabijheid van de ruimte of het terrein waar dieren worden gehouden danwel zijn bedrijf aanwezig te doen zijn, indien toepassing van dit diergeneesmiddel bij de aanwezige dieren of het voederen van het diervoeder met medicinale werking aan deze dieren niet is toegestaan volgens de informatie die krachtens wettelijk voorschrift of verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PbEU 2004, L 136), is aangebracht op de verpakking van het diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking of bij deze verpakking is gevoegd.
a. is voorbehouden aan een dierenarts of een andere persoon die is toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen op grond van artikel 5.3, eerste lid, van het Besluit diergeneesmiddelen 2022; of
b. niet is toegestaan volgens de informatie die krachtens verordening (EU) nr. 2019/6 is aangebracht op de verpakking van het diergeneesmiddel of gemedicineerd diervoeder of bij deze verpakking is gevoegd.
**2.**
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld:
a. voor de uitvoering van een EU-rechtshandeling inzake het gebruik van een diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking met bijzondere eigenschappen en
b. over het bewaren en de te bewaren hoeveelheid van een diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking om te waarborgen dat de te bewaren hoeveelheid beperkt blijft tot toepassing bij de dieren waarvoor deze hoeveelheid is voorgeschreven en afgeleverd.
### Artikel 1.23
Vervallen
**1.** Een houder van een dier past geen diergeneesmiddelen of diervoeders met medicinale werking toe, indien volgens de informatie die krachtens wettelijk voorschrift of verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PbEU 2004, L 136), is aangebracht op de verpakking van het diergeneesmiddel of het diervoeder met medicinale werking danwel bij deze verpakking is gevoegd, die toepassing aan een dierenarts of aan een andere persoon als bedoeld in artikel 4.1, eerste en vijfde lid, van de wet is voorbehouden.
**2.** In afwijking van het eerste lid kan een dierenarts een diergeneesmiddel als bedoeld in de artikelen 5.1, eerste lid, of 5.2, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen dat aan een dierenarts of een arts is voorbehouden, met toepassing van de artikelen 5.1, derde lid, of 5.2, derde lid, van het Besluit diergeneeskundigen door de houder van het dier laten toepassen, met uitzondering van diergeneesmiddelen die substanties met hormonale werking, thyreostatische werking of ß-agonisten bevatten als bedoeld in bijlagen II en III bij richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG (PbEG 1996, L 125), tenzij daarin bij die richtlijn is voorzien.
**3.** In afwijking van het eerste lid kan een houder van dieren een diergeneesmiddel toepassen in de gevallen die zijn aangewezen krachtens artikel 5.8, eerste lid, onderdelen a en c, van het Besluit diergeneesmiddelen.
### Artikel 1.24
Vervallen
**1.** Een houder van een dier volgt bij de uitvoering van voorschriften in een bijsluiter of op het etiket van een diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking de nadere aanwijzingen op die een dierenarts in het recept voor dat diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking heeft gegeven.
**2.** Wanneer de nadere aanwijzingen in een recept betrekking hebben op een diergeneesmiddel dat met toepassing van de artikelen 5.1 of 5.2 van het Besluit diergeneeskundigen is voorgeschreven, volgt de houder van dieren de nadere aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, op ook als deze afwijken van de bijsluiter of het etiket bij het diergeneesmiddel.
### Artikel 1.25
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de administratie van de ontvangst en toepassing van diergeneesmiddelen en gemedicineerde diervoeders door de houder van een dier en over het administreren van gegevens inzake het zich ontdoen van resten en lege verpakkingen van diergeneesmiddelen en gemedicineerde diervoeders.
**1.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de administratie van de ontvangst en toepassing van diergeneesmiddelen en diervoeders met medicinale werking door de houder van een dier en over het administreren van gegevens inzake het zich ontdoen van resten en lege verpakkingen van diergeneesmiddelen en diervoeders met medicinale werking.
**2.** De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op het invoeren van gegevens inzake het toepassen van diergeneesmiddelen en diervoeders met medicinale werking in een gecentraliseerd registratiesysteem of een centrale administratie als bedoeld in de artikelen 2.21, derde lid, of 2.21a, eerste lid, van de wet.
### Artikel 1.26
Het is degene die een dier houdt verboden de diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen toe te passen, indien uit de in dat lid bedoelde gevoeligheidsbepaling blijkt dat andere diergeneesmiddelen toepasbaar zijn.
### Artikel 1.27
**1.** Een houder van dieren die bij ministeriële regeling aan te wijzen diergeneesmiddelen ontvangt, doet in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen melding in een register dat daartoe door Onze Minister is aangewezen.
**2.** De beheerder van een register verstrekt aan de houder van dieren, op basis van de melding, informatie over het gebruik van de betreffende diergeneesmiddelen.
**3.**
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. de gegevens die bij de melding worden verstrekt;
b. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan;
c. de aard van de informatie die wordt verstrekt.
**4.** Tarieven voor een vergoeding die de beheerder van een register in rekening brengt voor het verwerken van een melding als bedoeld in het eerste lid, en het verstrekken van informatie als bedoeld in het tweede lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
**5.**
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. de voorwaarden voor aanwijzing van registers en de gevallen waarin een aanwijzing kan worden ingetrokken, dan wel geschorst;
b. goedkeuring van tarieven en de gevallen waarin een besluit tot goedkeuring kan worden ingetrokken, dan wel geschorst.
### Artikel 1.28
**1.** Een houder van dieren draagt er in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen zorg voor dat er overeenkomstig artikel 5.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen een bedrijfsgezondheidsplan en een bedrijfsbehandelplan worden opgesteld.
**2.** Een houder van dieren handelt overeenkomstig het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan dat in overleg met hem is opgesteld, tenzij een diergeneeskundige noodzaak vereist dat hiervan wordt afgeweken.
**3.** Artikel 5.9, derde lid, van het Besluit diergeneeskundigen is van toepassing.
### Paragraaf 7. Melding en bewaking dierziekten en zoönosen
### Artikel 1.29
**1.** Een houder van dieren of een dierenarts die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2016/429 bij een dier aanwezig is, meldt dat onmiddellijk bij een krachtens artikel 5.9, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaar.
**2.** Een houder van dieren of een dierenarts die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel e, anders dan een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2016/429, bij een dier aanwezig is, meldt dat zo snel als praktisch mogelijk bij een krachtens artikel 5.9, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaar.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op eenieder die in het kader van werkzaamheden in een laboratorium gevallen van ziekten als bedoeld in die leden opmerkt.
### Artikel 1.30
**1.**
Een houder van dieren of een dierenarts die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een dier besmet is met een dierziekte of zoönose, drager is van een ziekteverwekker of een ziekteverschijnsel vertoont, meldt dat zo snel als praktisch mogelijk bij een krachtens artikel 5.9, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaar indien sprake is van:
a. een dierziekte of zoönose als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, van de wet, anders dan een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, of een ziekteverwekker;
b. een bij ministeriële regeling aan te wijzen dierziekte, zoönose of ziekteverwekker.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op eenieder die in het kader van werkzaamheden in een onderzoeksinstelling gevallen van ziekten als bedoeld in het eerste lid opmerkt.
### Artikel 1.31
**1.**
Een houder van dieren of een dierenarts meldt bij een krachtens artikel 5.9, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaar:
a. ziekteverschijnselen als bedoeld in artikel 5.3 van de wet;
b. bij ministeriële regeling aan te wijzen ziekteverschijnselen.
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder een melding als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt of achterwege kan blijven.
**3.** Bij ministeriële regels kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin een houder een dierenarts consulteert en de informatie die daarover aan Onze Minister wordt verstrekt.
### Artikel 1.32
**1.** Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 2003/99/EG.
**2.**
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de implementatie van richtlijn 2003/99/EG over de aanwezigheid van zoönosen en zoönoseverwekkers en antimicrobiële resistentie bij zoönoseverwekkers en andere verwekkers die een gevaar opleveren voor de volksgezondheid, met betrekking tot:
a. het doen van onderzoek;
b. het bewaren van gegevens, en
c. het ter beschikking stellen van onderzoeksresultaten.
**3.** De regels, bedoeld in het tweede lid, worden vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
### Artikel 1.33
Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf als bedoeld in artikel 3, derde lid, van verordening (EG) nr. 178/2002, die onderzoek doet naar de aanwezigheid van zoönosen of zoönoseverwekkers die overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van richtlijn 2003/99/EG worden bewaakt:
a. houdt de resultaten van dat onderzoek bij:
b. bewaart de onderzoeksgegevens en de relevante isolaten gedurende twee jaar, en
c. stelt de onderzoeksresultaten of relevante isolaten op verzoek ter beschikking aan Onze Minister.
### Paragraaf 8. Bijeenbrengen van dieren
#### Paragraaf 8.1. Algemeen
### Artikel 1.34
**1.** Het is toegestaan om hoefdieren te verzamelen op een vervoermiddel als bedoeld in artikel 133, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in dat lid.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op varkens, met uitzondering van varkens die kennelijk bestemd zijn voor de slacht.
### Artikel 1.35
**1.**
Bij het verzamelen, bedoeld in artikel 1.34, is het toegestaan evenhoevigen ten hoogste een keer over te laden van een vervoermiddel op een bij dat vervoermiddel behorende achterwagen, indien:
a. bij het overladen alle aanwezige dieren worden verplaatst naar de achterwagen;
b. het overladen van dieren plaatsvindt op een inrichting als bedoeld in artikel 2.10a of 2.10c of een andere inrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.10a gestelde regels; en
c. het lege vervoermiddel na het overladen wordt gereinigd en ontsmet.
**2.** In afwijking van het eerste lid, aanhef is het overladen voor runderen die kennelijk bestemd zijn voor de slacht ten hoogste twee keer toegestaan en is het hierbij, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, toegestaan mannelijke runderen die kennelijk bestemd zijn voor de slacht en die ouder zijn dan 12 maanden niet te verplaatsen van de voorwagen naar de achterwagen en enkel de kritische delen van het vervoermiddel te reinigen en ontsmetten.
### Artikel 1.36
De exploitant van een verzamelcentrum meldt de aanvang en het einde van de periode waarin dieren op een verzamelcentrum worden gehouden uiterlijk om 8:00 uur op de werkdag voor aanvang van die periode bij Onze Minister.
### Artikel 1.37
**1.**
Indien een vervoermiddel waarmee evenhoevigen worden vervoerd op verschillende adressen wordt geladen, onderscheidenlijk gelost, wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. het laden, onderscheidenlijk lossen van het vervoermiddel vindt telkens buiten de stal plaats; en
b. na het laden, onderscheidenlijk lossen worden telkens de kritische delen van het vervoermiddel gereinigd en ontsmet.
**2.**
Bij ministeriële regeling kunnen per diercategorie regels worden gesteld over:
a. het aantal adressen waarop ten hoogste wordt geladen en gelost;
b. de inrichting waar wordt geladen en gelost;
c. de aard van het vervoermiddel.
### Artikel 1.38
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gegevens die een vervoeder bijhoudt, bedoeld in artikel 104 en de op artikel 106 van verordening (EU) nr. 2016/429 vastgestelde gedelegeerde verordening, met betrekking tot:
a. de termijn waarbinnen de vervoerder de gegevens bijhoudt;
b. de termijn waarbinnen de vervoerder de gegevens bewaart;
c. de wijze waarop de gegevens worden bijgehouden.
### Artikel 1.39
**1.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verblijf van evenhoevigen op een inrichting nadat die dieren of andere dieren op die inrichting zijn aangevoerd.
**2.**
De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:
a. de aard en indeling van deinrichting;
b. de minimale verblijfsduur op een inrichting;
c. de soorten of categorieën dieren.
#### Paragraaf 8.2. Bijeenbrengen voor vervoer binnen Nederland
### Artikel 1.40
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de toepasselijkheid van artikel 97, eerste lid, onderdelen a, b, c, d en e, van verordening (EU) nr. 2016/429 en de krachtens het tweede lid, onderdelen a, c, d en e, van dat artikel vastgestelde gedelegeerde verordening op inrichtingen voor de verzameling van hoefdieren van waaruit slechts dieren worden verplaatst naar een inrichting in Nederland en die slechts dieren ontvangen van een inrichting in Nederland.
### Artikel 1.41
**1.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toepasselijkheid van de krachtens artikel 135 van verordening (EU) nr. 2016/429 vastgestelde gedelegeerde verordening op het verzamelen van uit Nederland afkomstige dieren die worden vervoerd naar een inrichting in Nederland.
**2.**
In aanvulling op de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot:
a. het verzamelen van bepaalde diersoorten of diercategorieën;
b. het aantal toegestane verzamelingen;
c. de herkomst, bestemming of eindbestemming van de dieren;
d. het melden van bepaalde houderijen bij Onze Minister;
e. de registratie van verplaatsing van dieren;
f. de aanvang en het einde van de periode waarin dieren op een verzamelcentrum worden gehouden;
g. de reiniging en ontsmetting na een verzamelperiode.
### Artikel 1.42
Artikel 126, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 is van overeenkomstige toepassing op het verplaatsen van evenhoevigen en pluimvee van een inrichting in Nederland naar een andere inrichting in Nederland.
### Artikel 1.43
**1.**
In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 104 van verordening (EU) nr. 2016/429, houdt een vervoerder die hoefdieren of pluimvee telkens uitsluitend binnen Nederland vervoert, over elk vervoermiddel de volgende gegevens bij:
a. het kenteken- of registratienummer;
b. de data en de tijdstippen waarop de dieren bij de inrichting van oorsprong worden ingeladen;
c. de naam, het adres en het unieke registratie- of erkenningsnummer van elke bezochte inrichting;
d. de data en tijdstippen waarop de dieren bij de inrichting van bestemming worden uitgeladen;
e. de data en plaatsen van de reiniging, ontsmetting en desinfestatie van vervoermiddelen;
f. de referentienummers van de documenten die de dieren vergezellen.
**2.** Een vervoerder bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, drie jaar.
### Paragraaf 9. Houden van schapen of geiten
### Artikel 1.44
**1.** Het is verboden schapen of geiten te insemineren of zo te houden dat bevruchting kan plaatsvinden van schapen of geiten die op een inrichting waar een besmetting met Q-koorts is vastgesteld aanwezig zijn geweest tussen het tijdstip waarop die besmetting is vastgesteld en 1 juni 2010.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing vrouwelijke dieren, geboren op of na 1 juli 2009.
### Artikel 1.45
**1.** Een houder van schapen of geiten zorgt ervoor dat bezoekers niet met die dieren in contact kunnen komen ten tijde van de geboorte van hun lammeren.
**2.** De in het eerste lid bedoelde zorgplicht houdt in ieder geval in dat de houder zorgt dat bezoekers een stal waar lammeren worden geboren niet kunnen betreden.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien het bezoek noodzakelijk is in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf.
### Artikel 1.46
**1.**
Een houder van schapen of geiten laat de dieren tegen Q-koorts vaccineren in de volgende gevallen:
a. de houder houdt meer dan 50 schapen of geiten op een inrichting ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk of voor de opfok ten behoeve van die productie;
b. de houder houdt schapen of geiten op een inrichting die is opengesteld voor het publiek met het oogmerk om direct contact tussen bezoekers en dieren te faciliteren;
c. de dieren worden vervoerd naar een inrichting als bedoeld in onderdeel a of b;
d. de dieren worden vervoerd naar een tentoonstelling, keuring of ander evenement.
**2.**
De houder, bedoeld in het eerste lid, laat de dieren vaccineren ten minste drie weken en ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan:
a. de openstelling voor het publiek van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
b. het dekken door, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden van de dieren, indien de dieren worden gehouden op een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b;
c. het vervoer van de dieren naar een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b; of
d. het vervoer van de dieren naar een tentoonstelling, keuring of ander evenement.
**3.** De houder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, laat de dieren opnieuw vaccineren binnen twaalf maanden na de vaccinatie, bedoeld in het tweede lid, en vervolgens elke twaalf maanden.
**4.**
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op schapen of geiten die:
a. in hun eerste levensjaar worden geslacht en die geen dieren dekken, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden; of
b. jonger zijn dan drie maanden.
### Artikel 1.47
**1.** Een houder meldt Onze Minister binnen een week na elke vaccinatie tegen Q-koorts op welke datum een schaap of geit is gevaccineerd.
**2.**
De houder administreert:
a. de hoeveelheid gebruikt vaccin;
b. het aantal gevaccineerde dieren;
c. de vaccinatiedatum;
**3.** De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden voorzien van een handtekening van de houder en de dierenarts die de vaccinatie heeft uitgevoerd.
**4.** De houder doet de melding, bedoeld in het eerste lid, via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.
**5.** De houder bewaart de gegevens, bedoeld in het tweede lid, twee jaar.
### Paragraaf 10. Registratie en erkenning van inrichtingen
### Artikel 1.48
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de termijn waarbinnen de gegevens, bedoeld in de artikelen 84, tweede lid, 87, tweede lid, 90, tweede lid, 96, tweede lid, 172, tweede lid, of 180, tweede lid, verordening (EU) nr. 2016/429, worden verstrekt.
### Paragraaf 11. Identificatie en registratie van dieren
### Artikel 1.49
De paragraaf en de daarop berustende bepalingen berusten mede op de artikelen 34 en 37 van de Meststoffenwet, artikel 12.29, aanhef en onder e en f, van de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Landbouwwet.
#### Paragraaf 11.1. Algemeen
### Artikel 1.50
De verantwoordelijkheid voor het identificatie- en registratiesysteem, bedoeld in artikel 108, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, berust bij Onze Minister.
### Artikel 1.51
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gegevens die een exploitant ten behoeve van het identificatie- en registratiesysteem, bedoeld in artikel 108 verordening (EU) nr. 2016/429, aan Onze Minister verstrekt, in aanvulling op de artikelen 112 tot en met 115 van verordening (EU) nr. 2016/429, met betrekking tot:
a. de door hem gehouden dieren;
b. de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder de gegevens aan Onze Minister worden verstrekt;
c. het middel waarmee de gegevens worden verstrekt.
### Artikel 1.52
**1.** Het identificatie- en registratiesysteem, bedoeld in artikel 108, verordening (EU) nr. 2016/429, bevat gegevens in verband met gehouden kippen, kalkoenen, parelhoenders en eenden.
**2.**
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de gegevens die een exploitant die verantwoordelijk is voor de in het eerste lid bedoelde dieren aan Onze Minister verstrekt met betrekking tot:
a. de verplaatsing van door hem gehouden dieren als bedoeld in het eerste lid;
b. de inrichting waarin de dieren, bedoeld in het eerste lid, worden gehouden;
c. de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder de gegevens aan Onze Minister worden verstrekt;
d. het middel waarmee de gegevens worden verstrekt.
### Artikel 1.53
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het herstel of de intrekking van een kennisgeving, bedoeld in de artikelen 1.51 en 1.52, en de voorwaarden waaronder een kennisgeving kan worden hersteld, ingetrokken of alsnog kan worden gedaan.
### Artikel 1.54
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over gegevens die een exploitant bijhoudt, in aanvulling op artikel 102 en de op artikel 106 van verordening (EU) nr. 2016/429 gebaseerde gedelegeerde verordening met betrekking tot:
a. de door hem gehouden dieren;
b. de op de inrichting aanwezige identificatiemiddelen;
c. de termijn waarbinnen de exploitant de gegevens bijhoudt;
d. de termijn waarbinnen de exploitant de gegevens bewaart;
e. de wijze waarop de gegevens worden bijgehouden.
### Artikel 1.55
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten en andere documenten, bedoeld in artikel 110, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, en de op de artikelen 118, eerste lid, onder b, onder ii, tweede lid, onder b, c en d, en 119 van verordening (EU) nr. 2016/429 gebaseerde uitvoerings- of gedelegeerde verordening met betrekking tot:
a. de aanvraag en afgifte van een identificatiedocument, een duplicaat of een vervangend identificatiedocument;
b. de instantie die identificatiedocumenten voor paardachtigen uitgeeft;
c. de termijn waarbinnen aanvraag van een identificatiedocument wordt ingediend;
d. de geldigheid van een identificatie- of verplaatsingsdocument.
#### Paragraaf 11.2. Identificatiemiddelen
### Artikel 1.56
**1.** Een aanvraag voor een goedkeuring van een identificatiemiddel voor runderen, schapen, geiten, varkens, paardachtigen, kameelachtigen of hertachtigen wordt gedaan met een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.
**2.** Het model van het identificatiemiddel waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, vergezelt de aanvraag.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of diercategorieën regels worden gesteld over de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt.
**4.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de gevallen waarin een aanvraag als bedoeld in het eerste lid door Onze Minister wordt goedgekeurd of waarin een goedkeuring wordt ingetrokken.
### Artikel 1.57
**1.** Onze Minister of de leverancier van een goedgekeurd identificatiemiddel verstrekt een identificatiemiddel uitsluitend aan een exploitant die daartoe een bestelling heeft gedaan.
**2.**
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
a. het middel waarmee een bestelling kan worden geplaatst bij Onze Minister;
b. de door de leverancier bij te houden administratie over bestelde en geleverde identificatiemiddelen;
c. de door de leverancier aan te leveren informatie aan Onze Minister;
d. degene aan wie een leverancier identificatiemiddelen verstrekt;
e. de identificatiemiddelen die de leverancier verstrekt.
### Artikel 1.58
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
a. het aanbrengen en het gebruik van een identificatiemiddel;
b. de verwijdering, wijziging of vervanging van een identificatiemiddel;
c. de vernietiging van een elektronisch identificatiemiddel;
d. de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder een identificatiemiddel wordt aangebracht.
#### Paragraaf 11.3. Injecteerbare transponders
### Artikel 1.58a
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- *verordening (EU) nr. 2019/2035:*
verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PbEU 2019, L 314).
- *identificatiecode:* code als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van verordening (EU) nr. 2019/2035;
- *injecteerbare transponder:* injecteerbare transponder als bedoeld in bijlage III, onderdeel e, van verordening (EU) nr. 2019/2035 die is voorzien van een identificatiecode die begint met de Nederlandse landcode.
### Artikel 1.58b
**1.** Onze Minister verstrekt de identificatiecode die op een injecteerbare transponder wordt aangebracht aan een leverancier.
**2.**
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. de technische specificaties van injecteerbare transponders;
b. de gegevens die in of op een injecteerbare transponder worden vermeld of vastgelegd;
c. de handel in injecteerbare transponders.
### Artikel 1.58c
**1.** De leverancier van een injecteerbare transponder beschikt over een erkenning van Onze Minister.
**2.**
Onze Minister erkent een leverancier indien:
a. de leverancier een onderneming heeft als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 of een rechtspersoon is in de zin van artikel 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte is gevestigd;
b. de leverancier aantoont dat hij gegevens elektronisch en tijdig kan uitwisselen met Onze Minister; en
c. de leverancier aantoont te voldoen aan de eisen die voortvloeien uit de wetgeving over de verwerking van persoonsgegevens.
**3.** Onze Minister kan de erkenning schorsen dan wel intrekken indien de leverancier niet voldoet aan één of meer voorschriften als bedoeld in het tweede lid of een ander voorschrift dat betrekking heeft op de technische specificaties van injecteerbare transponders of de handel in injecteerbare transponders.
**4.** Een injecteerbare transponder wordt uitsluitend overgedragen aan een persoon die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van het Besluit diergeneeskundigen.
**5.** Bij de overdracht van een injecteerbare transponder registreert de persoon die de injecteerbare transponder overdraagt de leverdatum, de identificatiecode en de naam van de exploitant die de bestelling heeft gedaan bij Onze Minister.
### Paragraaf 12. Handel
### Artikel 1.59
**1.** Ingeval artikel 243, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 van toepassing is en de regelgeving of de bevoegde autoriteit van het derde land waarvoor dieren zijn bestemd, vereist dat de dieren voldoen aan door het derde land gestelde vereisten, wordt een officieel certificaat afgegeven door Onze Minister, waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan.
**2.** Ingeval de regelgeving of de bevoegde autoriteit van een derde land, bedoeld in het eerste lid, een bepaalde gezondheidsstatus vereist van dieren, maar geen eisen stelt aan de laboratoria waarin en de wijze waarop laboratoriumanalyses, -tests en -diagnoses worden uitgevoerd, vinden deze plaats in een daartoe door Onze Minister erkend laboratorium.
**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid ingeval er voor het onderzoek met betrekking tot een bepaalde gezondheidsstatus geen laboratorium is erkend.
### Artikel 1.60
Ingeval artikel 234, derde lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 van toepassing is, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over het binnen Nederland brengen van dieren met betrekking tot:
a. de gezondheidsstatus van dieren;
b. de begeleidende documenten die dieren vergezellen.
### Paragraaf 13. Sera en entstoffen
### Artikel 1.61
**1.** Het is verboden om een levende entstof toe te passen bij dieren tegen bij ministeriële regeling aangewezen ziekten.
**2.** Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op het toepassen van een bij ministeriële regeling aangewezen levende entstof tegen een in die regeling aangewezen dierziekte.
**3.** Het is verboden om een niet-levende entstof of serum tegen bij ministeriële regeling aangewezen ziekten toe te passen bij dieren.
**4.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen het verbod, bedoeld in het derde lid, niet van toepassing is.
Het is degen die een dier houdt verboden de diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 5.7, het eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen toe te passen, indien uit de in dat lid bedoelde gevoeligheidsbepaling blijkt dat andere diergeneesmiddelen toepasbaar zijn.
## Hoofdstuk 2. Houden van dieren voor landbouwdoeleinden
@ -722,14 +246,7 @@ b. de begeleidende documenten die dieren vergezellen.
### Artikel 2.1
**1.** Als diersoorten of diercategorieën als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de wet worden aangewezen de diersoorten en diercategorieën die worden genoemd in bijlage II bij dit besluit.
**2.**
Van de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgezonderd:
a. pluimvee waarbij een lichamelijke ingreep is verricht die krachtens de wet niet is toegestaan; en
b. soorten of categorieën van zoogdieren waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet van toepassing is.
Als diersoorten of diercategorieën als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de wet worden aangewezen de diersoorten en diercategorieën die worden genoemd in bijlage II bij dit besluit.
### Paragraaf 2. Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen
@ -767,34 +284,15 @@ Wanneer een dier permanent of geregeld wordt aangebonden, vastgeketend of geïmm
**4.** De luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier zijn niet schadelijk voor het dier.
**5.** Indien de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk is van een kunstmatig ventilatiesysteem, is dat voorzien van een noodsysteem waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt.
**5.** Indien de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk is van een kunstmatig ventilatiesysteem, is dat voorzien van een passend noodsysteem waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt.
**6.** Indien het ventilatiesysteem, bedoeld in het vijfde lid, uitvalt, treedt een alarmsysteem in werking.
**6.** Indien het ventilatiesysteem, bedoeld in het vijfde lid, uitvalt, treedt een alarmsysteem in werking, dat regelmatig wordt getest.
**7.** Voeder- of drinkinstallaties zijn zo ontworpen, gebouwd en geplaatst dat het gevaar voor verontreiniging van voer en water, alsmede mogelijke schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen dieren tot een minimum worden beperkt.
**8.** De in dit artikel bedoelde apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van een dier wordt ten minste eenmaal per dag gecontroleerd.
**9.** Indien bij de controle, bedoeld in het achtste lid, of bij de krachtens het tiende lid voorgeschreven test, defecten worden geconstateerd, worden deze onmiddellijk hersteld of, indien herstel niet mogelijk is, worden de nodige maatregelen getroffen om de gezondheid en het welzijn van het dier veilig te stellen.
**10.**
Het noodsysteem, bedoeld in het vijfde lid, en het alarmsysteem, bedoeld in het zesde lid, voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. Deze eisen hebben in elk geval betrekking op:
a. technische aspecten van het systeem,
b. het gebruik van het systeem, en
c. het testen van het systeem.
**11.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het door de houder opstellen en bijhouden van een alarmplan en de daarin op te nemen zaken.
**12.**
Door de houder kunnen ten behoeve van het alarmplan de navolgende persoonsgegevens worden verwerkt, voor zover die gegevens betrekking hebben op personen aan wie in het alarmplan de taak van alarmopvolger is toebedeeld:
a. naam,
b. contactgegevens.
**13.** De in het twaalfde lid bedoelde persoonsgegevens worden binnen twee weken nadat aan de desbetreffende persoon in het alarmplan niet langer de taak van alarmopvolger is toebedeeld door de houder vernietigd.
**9.** Indien bij de controle, bedoeld in het achtste lid, defecten worden geconstateerd, worden deze onmiddellijk hersteld of, indien herstel niet mogelijk is, worden de nodige maatregelen getroffen om de gezondheid en het welzijn van het dier veilig te stellen.
### Paragraaf 3. Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen
@ -804,95 +302,31 @@ Als handeling als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet wordt aangewezen
### Artikel 2.7
Vervallen
De houder van een dier dat voor de productie van levensmiddelen bestemd is, verstrekt, onverminderd artikel 8.4, tweede lid, van de wet, aan de door Onze Minister krachtens de artikelen 8.1, eerste lid, en 8.14, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaren en de dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit desgevraagd alle inlichtingen over het voorschrijven van diergeneesmiddelen en het uitvoeren van behandelingen met diergeneesmiddelen bij dieren die voor de productie van levensmiddelen zijn bestemd.
### Artikel 2.8
**1.**
Het is verboden een dier te verkopen, voor de verkoop aan te bieden, in de handel te brengen of af te leveren voor de slacht als voedselproducerend dier als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 152), indien het vlees van het dier een farmacologisch actieve werkzame stof bevat:
a. die een maximum residulimiet overschrijdt als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van deze verordening of
b. waarvoor een actiedrempel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening is vastgesteld.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing na de behandeling van een dier met een diervoerder met medicinale werking.
### Artikel 2.9
Onverminderd het bepaalde bij of krachtens verordening (EU) 2019/6, worden geen stoffen aan een dier toegediend, behalve stoffen voor therapeutische of profylactische doeleinden, dan wel zoötechnische behandeling als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG (PbEG 1996, L 125), tenzij uit wetenschappelijke studies naar het welzijn van dieren of uit ervaring is gebleken dat de stof niet schadelijk is voor de gezondheid of het welzijn van het dier.
Onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 2.19, derde lid, van de wet, worden geen stoffen aan een dier toegediend, behalve stoffen voor therapeutische of profylactische doeleinden, dan wel zoötechnische behandeling als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG (PbEG 1996, L 125), tenzij uit wetenschappelijke studies naar het welzijn van dieren of uit ervaring is gebleken dat de stof niet schadelijk is voor de gezondheid of het welzijn van het dier.
### Artikel 2.10
**1.** Onverminderd artikel 1.25 en het overigens krachtens artikel 2.2, negende of tiende lid van de wet bepaalde wordt door de houder van een dier een register bijgehouden van de verstrekte medische zorg en het bij iedere controle geconstateerde aantal sterfgevallen.
**1.** Onverminderd artikel 1.25 en het overigens krachtens de artikelen 2.2, negende of tiende lid, en 2.19 van de wet bepaalde wordt door de houder van een dier een register bijgehouden van de verstrekte medische zorg en het bij iedere controle geconstateerde aantal sterfgevallen.
**2.** De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste drie jaar door de houder bewaard.
### Paragraaf 3a. Reinigen en ontsmetten
### Artikel 2.10a
**1.** Een houder van tien of meer evenhoevigen beschikt over een reinigings- en ontsmettingsplaats op de inrichting waar die evenhoevigen worden gehouden.
**2.**
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. op die inrichting geen evenhoevigen worden aangevoerd; of
b. de inrichting is een weide, perceel of een andere plaats zonder opstal, waar geen voorzieningen aanwezig zijn of redelijkerwijs kunnen worden aangelegd.
**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de aanwezige voorzieningen op een reinigings- en ontsmettingsplaats.
### Artikel 2.10b
Een houder als bedoeld in artikel 2.10a verleent na aanvoer van evenhoevigen medewerking aan de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel waarmee die dieren zijn vervoerd.
### Artikel 2.10c
**1.**
Onze Minister erkent een reinigings- en ontsmettingsplaats, indien:
a. die plaats zodanig is ingericht dat deze geschikt is om vervoermiddelen voor evenhoevigen, pluimvee, broedeieren of laadkisten voor deze dieren of broedeieren deugdelijk en efficiënt te reinigen en ontsmetten, ongeacht het type vervoermiddel en onder alle klimatologische omstandigheden;
b. de exploitant de wijze van exploitatie en van reiniging en ontsmetting heeft vastgelegd in een protocol, waarin is vermeld of de plaats geschikt is voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel a en waarin wordt gewaarborgd dat elk van die vervoermiddelen deugdelijk en efficiënt gereinigd en ontsmet wordt en op zodanige wijze dat de bioveiligheid niet in gevaar komt.
**2.** Onze Minister houdt een register bij van erkende reinigings- en ontsmettingsplaatsen.
### Artikel 2.10d
**1.**
Een exploitant van een op grond van artikel 2.10c erkende reinigings- en ontsmettingsplaats, een slachthuis, een broederij of een verzamelcentrum zorgt ervoor dat:
a. reiniging- en ontsmetting gebeurt volgens een daartoe opgesteld protocol als bedoeld in artikel 2.10c, eerste lid, onderdeel b;
b. de exploitant of een vertegenwoordiger van die exploitant aanwezig is bij elke reiniging- en ontsmetting.
**2.**
De exploitant, bedoeld in het eerste lid, registreert per vervoermiddel onmiddellijk:
a. datum en tijdstip waarop reiniging en ontsmetting heeft plaatsgevonden;
b. het kenteken van het vervoermiddel, of, indien een kenteken ontbreekt, naam, adres en woonplaats van de vervoerder.
**3.**
De exploitant, bedoeld in het eerste lid, geeft desgevraagd een bewijs van reiniging en ontsmetting af dat is voorzien van de gegevens van:
a. respectievelijk de reinigings- en ontsmettingsplaats, het slachthuis of het verzamelcentrum;
b. de datum van reiniging en ontsmetting; en
c. zijn handtekening.
**4.** De exploitant, bedoeld in het eerste lid, bewaart de gegevens, bedoeld in het tweede lid, drie jaar.
### Artikel 2.10e
**1.** Indien een reinigings- en ontsmettingsplaats niet langer voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikel 2.10c of 2.10d, kan Onze Minister de erkenning schorsen of intrekken.
**2.** Onze Minister kan een schorsing beëindigen, als de exploitant heeft aangetoond aan de in het eerste lid bedoelde eisen te voldoen.
### Artikel 2.10f
Vervallen
### Paragraaf 4. Houden van varkens voor productie
#### Paragraaf 4.1. Begripsbepalingen
### Artikel 2.11
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
@ -906,14 +340,12 @@ In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- *volwassen beer:* beer van 18 maanden of ouder;
- *zogende zeug:* zeug tot aan het spenen van de biggen.
#### Paragraaf 4.2. Welzijnsvoorschriften
### Artikel 2.12
Als handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet worden aangewezen het door de houder van het varken:
a. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.3, onderdeel a, van het Besluit diergeneeskundigen, mits het dier niet ouder is dan zeven dagen;
b. verrichten van ingrepen als bedoeld in de artikelen 2.3, onderdeel b en 2.6, onderdelen a tot en met c, van het Besluit diergeneeskundigen;
b. verrichten van ingrepen als bedoeld in de artikelen 2.3, onderdelen b en d, en 2.6, onderdelen a tot en met c, l en m, van het Besluit diergeneeskundigen;
c. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.3, onderdeel c, van het Besluit diergeneeskundigen, mits dit geschiedt met betrekking tot een bepaald dier op aanwijzing van een praktiserende dierenarts.
### Artikel 2.13
@ -1051,7 +483,7 @@ De spleetbreedte tussen de roosterbalken van een roostervloer is over de gehele
a. zeugen zonder biggen en gelten na dekking: ten hoogste 20 mm;
b. zogende zeugen met biggen: ten hoogste 10 mm bij betonroostervloeren en 12 mm bij andere roostervloeren;
c. gespeende varkens: ten hoogste 14 mm bij betonroostervloeren en 15 mm bij andere roostervloeren;
d. gebruiksvarkens: ten hoogste 18 mm bij betonroostervloeren en 20 mm bij andere roostervloeren.
d. gebruiksvarkens: ten hoogste 20 mm.
**2.**
@ -1062,7 +494,7 @@ b. gebruiksvarkens, gelten na dekking en zeugen: ten minste 80 mm.
### Artikel 2.22
**1.** Varkens beschikken permanent over voldoende materiaal om te onderzoeken en te manipuleren, zoals stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt.
**1.** Varkens beschikken permanent over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen, bestaande uit stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, of ander geschikt materiaal, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt.
**2.** Zeugen en gelten beschikken in de laatste week voor het werpen over voldoende en adequaat nestmateriaal, tenzij dit in verband met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is.
@ -1096,236 +528,8 @@ Indien varkens in een groep worden gehouden en niet ad libitum of via een automa
De invoer van varkens die vanuit een derde land via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de Europese Unie worden gebracht, is slechts toegestaan indien de varkens vergezeld gaan van een geldig, door de bevoegde autoriteit van dat derde land afgegeven, volledig ingevuld en gedagtekend certificaat als bedoeld in artikel 9 van richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (Gecodificeerde versie; PbEG 2009, L 47).
#### Paragraaf 4.3. Gezondheidsvoorschriften
##### Paragraaf 4.3.1. Vervoer van en naar inrichtingen met varkens
### Artikel 2.27a
In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. *A-bedrijf:* inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel a;
b. *B-bedrijf:* inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel b;
c. *C-bedrijf:* inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel c;
d. *D-bedrijf:* inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, tweede lid;
e. *E-bedrijf:* inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel d;
f. *F-bedrijf:* inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel e;
g. *onderzoeksinstituut:* onderzoeksinstituut dat beschikt over een instellingsvergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de dierproeven;
h. *RE-bedrijf:* inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel f.
### Artikel 2.27b
**1.**
Onze Minister registreert op aanvraag een inrichting waar varkens worden gehouden en waar slechts één varkenshouder actief is als:
a. A-bedrijf, indien op de inrichting vrouwelijke varkens worden gehouden voor het produceren van biggen en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels;
b. B-bedrijf, indien op de inrichting vrouwelijke varkens worden gehouden voor het produceren van biggen;
c. C-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens of gebruiksvarkens worden opgefokt tot beer of gelt en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels;
d. E-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens worden opgefokt tot gebruiksvarkens, slechts gespeende varkens worden aangevoerd die uitsluitend afkomstig zijn van hetzelfde A-bedrijf en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels;
e. F-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens worden opgefokt tot gebruiksvarkens en slechts gespeende varkens worden aangevoerd die uitsluitend afkomstig zijn van hetzelfde B-bedrijf;
f. RE-bedrijf, indien op de inrichting op elk moment ten hoogste vier of minder varkens en hun eventuele biggen worden gehouden.
**2.** Onze Minister registreert een inrichting waar varkens worden gehouden en waar slechts één varkenshouder actief is als D-bedrijf, indien ten aanzien van die inrichting niet is voldaan aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f.
**3.**
De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en d, kunnen betrekking hebben op:
a. de ruimte en het terrein waar dieren worden gehouden;
b. de aanwezige voorzieningen;
c. de te verrichten onderzoeken bij dieren naar de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten of zoönosen en de informatie die daarover aan Onze Minister wordt verstrekt.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid te voegen informatie.
### Artikel 2.27c
Artikel 2.27b is niet van toepassing op:
a. een onderzoeksinstituut;
b. een slachthuis;
c. een spermawininrichting;
d. een verzamelcentrum in Nederland.
### Artikel 2.27d
**1.**
Ten hoogste drie houders van varkens die zijn geregistreerd als C-bedrijf kunnen zich bij Onze Minister registreren als cluster, indien dat cluster:
a. varkens afneemt van telkens hetzelfde A-bedrijf of E-bedrijf, en
b. varkens afvoert naar ten hoogste 30 B-bedrijven of D-bedrijven per twaalf maanden.
**2.**
Bij de registratie melden de houders via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel:
a. naam en adresgegevens van de betreffende houders;
b. de verdeling van het aantal afleveradressen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
**3.** De samenstelling van een cluster en de verdeling van het aantal afleveradressen kunnen éénmaal per twaalf maanden worden gewijzigd via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.
### Artikel 2.27e
**1.**
Twee houders van varkens die zijn geregistreerd als F-bedrijf kunnen zich bij Onze Minister registreren als cluster, indien dat cluster:
a. varkens afneemt van uitsluitend een en hetzelfde B-bedrijf, en
b. varkens afvoert naar uitsluitend het B-bedrijf, bedoeld in onderdeel a, of naar ten hoogste:
1°. zes D-bedrijven per periode van zes weken, en
2°. twaalf D-bedrijven per periode van zestien weken.
**2.** Bij de registratie melden de houders via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel de naam en adresgegevens van de betreffende houders.
**3.** De samenstelling van een cluster kan éénmaal per twaalf maanden worden gewijzigd via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.
### Artikel 2.27f
Onze Minister kan een registratie als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, schorsen of intrekken, indien de houder:
a. niet langer voldoet aan de registratievoorwaarden; of
b. in strijd handelt met de vervoersbepalingen, bedoeld in de artikelen 2.27g tot en met 2.27n.
### Artikel 2.27g
**1.** Varkens worden slechts vervoerd vanaf of naar een inrichting die is geregistreerd op grond van artikel 2.27b, indien dat vervoer is toegestaan op grond van de artikelen 2.27h tot en met 2.27n.
**2.**
Het eerste lid is niet van toepassing, indien een houder varkens:
a. afvoert naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum;
b. afvoert naar een spermawininrichting;
c. afvoert naar een onderzoeksinstituut;
d. afvoert naar een RE-bedrijf;
e. aanvoert van of afvoert naar een inrichting in het buitenland, al dan niet via een verzamelcentrum.
### Artikel 2.27h
**1.**
Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een A-bedrijf, indien:
a. het aanvoer betreft van:
1°. gelten of zeugen respectievelijk beren die afkomstig zijn van telkens hetzelfde A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of spermawininrichting; of
2°. gespeende varkens vanaf een E-bedrijf en die varkens oorspronkelijk van dat A-bedrijf afkomstig waren;
b. die varkens na aanvoer worden gehouden in een stal, afgescheiden van de overige stallen, totdat onderzoek van bloedmonsters is uitgevoerd waaruit blijkt dat in die monsters geen antilichamen zijn aangetroffen tegen klassieke varkenspest en geen gB-antilichamen tegen de ziekte van Aujeszky; of
c. vanaf dat bedrijf in de zes weken na de dag waarop die varkens zijn aangevoerd slechts varkens worden afgevoerd naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum.
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de stal waarin varkens worden gehouden en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
**3.**
Het is toegestaan om varkens af te voeren van een A-bedrijf, indien die afvoer plaatsvindt naar:
a. een A-bedrijf, B-bedrijf of D-bedrijf;
b. telkens hetzelfde C-bedrijf of cluster van C-bedrijven als bedoeld in artikel 2.27d; of
c. telkens hetzelfde E-bedrijf.
### Artikel 2.27i
**1.**
Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een B-bedrijf, indien het aanvoer betreft van:
a. gelten of zeugen respectievelijk beren die afkomstig zijn van telkens hetzelfde A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of spermawininrichting, of
b. gespeende varkens of gelten vanaf een F-bedrijf en die varkens oorspronkelijk van dat B-bedrijf afkomstig waren.
**2.**
Het is toegestaan om varkens af te voeren van een B-bedrijf, indien afvoer plaatsvindt naar:
a. een D-bedrijf al dan niet via hetzelfde F-bedrijf, waarbij per periode van:
1°. zes weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste zes D-bedrijven, en
2°. zestien weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste twaalf D-bedrijven;
b. uitsluitend hetzelfde cluster van F-bedrijven.
### Artikel 2.27j
**1.** Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een C-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf telkens hetzelfde A-bedrijf of E-bedrijf.
**2.**
Het is toegestaan om varkens af te voeren van een C-bedrijf, indien die afvoer plaatsvindt naar:
a. een A-bedrijf;
b. een B-bedrijf of D-bedrijf, waarbij:
1°. per twaalf maanden naar ten hoogste 40 bedrijven wordt afgevoerd; of
2°. voor zover het C-bedrijf onderdeel is van een cluster van C-bedrijven als bedoeld in artikel 2.27d, per twaalf maanden door de bedrijven in dat cluster gezamenlijk naar ten hoogste 30 bedrijven wordt afgevoerd.
### Artikel 2.27k
Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een D-bedrijf, indien die dieren afkomstig zijn van een A-bedrijf, B-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of F-bedrijf, waarbij per periode van zestien weken aanvoer plaatsvindt van ten hoogste zes bedrijven.
### Artikel 2.27l
**1.** Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een E-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf uitsluitend een en hetzelfde A-bedrijf.
**2.**
Het is toegestaan om varkens af te voeren van een E-bedrijf, indien afvoer plaatsvindt naar:
a. een A-bedrijf, B-bedrijf of D-bedrijf; of
b. uitsluitend hetzelfde C-bedrijf of cluster van C-bedrijven als bedoeld in artikel 2.27d.
### Artikel 2.27m
**1.** Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een F-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf uitsluitend een en hetzelfde B-bedrijf.
**2.**
Het is toegestaan om varkens af te voeren van een F-bedrijf naar:
a. het B-bedrijf waarvan die dieren oorspronkelijk afkomstig waren; of
b. een D-bedrijf, waarbij voor zover het F-bedrijf onderdeel is van een cluster van F-bedrijven als bedoeld in artikel 2.27e, per periode van:
1°. zes weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste zes D-bedrijven, en
2°. zestien weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste twaalf D-bedrijven.
### Artikel 2.27n
Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een RE-bedrijf, indien daarmee op het bedrijf niet meer dan vier varkens en hun eventuele biggen worden gehouden.
### Artikel 2.27o
**1.** Een houder van varkens als bedoeld in artikel 2.27h, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of derde lid, onderdelen b of c, of artikel 2.27i, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of tweede lid, die uitsluitend van hetzelfde bedrijf dieren ontvangt of aan hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijven dieren levert, registreert dat bij Onze Minister via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.
**2.** Een houder als bedoeld in het eerste lid kan éénmaal per twaalf maanden wisselen van leverancier of afnemer van varkens, nadat de houder daarvan melding heeft gedaan bij Onze Minister via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.
**3.** De wisseling, bedoeld in het tweede lid, kan voor een A-bedrijf of B-bedrijf zowel voor gelten en zeugen plaatsvinden als voor beren.
### Artikel 2.27p
**1.** Een houder van varkens voert geen varkens van zijn bedrijf af onderscheidenlijk op zijn bedrijf aan zonder voorafgaande toestemming van Onze Minister.
**2.** Het vervoer, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats binnen zeven dagen nadat toestemming is verkregen.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag en de documentatie van de toestemming, bedoeld in het eerste lid.
##### Paragraaf 4.3.2. Monitoringsvoorschriften
### Artikel 2.27q
**1.** Een houder van varkens als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en tweede lid, laat die dieren onderzoeken op de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten.
**2.**
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. de aard en de frequentie van het onderzoek;
b. het aanleveren en bewaren van gegevens;
c. het ter beschikking stellen van onderzoeksresultaten;
d. de gevallen waarin het eerste lid niet van toepassing is.
### Paragraaf 5. Houden van runderen voor productie
#### Paragraaf 5.1. Begripsbepalingen
### Artikel 2.28
Als handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet worden aangewezen het door houder van het rund:
@ -1336,6 +540,8 @@ c. verrichten van ingrepen als bedoeld in de artikelen 2.4, onderdeel b, en 2.6
d. het intraveneus toedienen aan een rund van een vloeistof die als werkzame bestanddelen uitsluitend calcium en magnesium bevat in een hoeveelheid van ten hoogste 450 ml;
e. openleggen van zoolzweren bij runderen.
#### Paragraaf 5.1. Houden van kalveren voor productie
### Artikel 2.29
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
@ -1346,8 +552,6 @@ In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- *vleeskalf:* kalf dat kennelijk wordt opgefokt tot een rund bestemd om met het oog op de vleesproductie te worden geslacht op een leeftijd van ten hoogste acht maanden;
- *vleesstierkalf:* kalf van het mannelijk geslacht dat wordt opgefokt tot een rund bestemd om met het oog op de vleesproductie te worden geslacht op een leeftijd van ten minste acht maanden.
#### Paragraaf 5.2. Welzijnsvoorschriften voor productie gehouden kalveren
### Artikel 2.30
De artikelen 2.32 en 2.33 zijn niet van toepassing op een kalf dat door de moeder wordt gezoogd.
@ -1464,35 +668,19 @@ Het afzonderen, bedoeld in artikel 2.4, vierde lid, vindt plaats in een adequate
De invoer van kalveren die vanuit een derde land via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de de Europese Unie worden gebracht, is slechts toegestaan indien de kalveren vergezeld gaan van een geldig, door de bevoegde autoriteit van dat derde land afgegeven, volledig ingevuld en gedagtekend certificaat als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 2008/119/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (Gecodificeerde versie; PbEU 2008, L 10).
#### Paragraaf 5.3. Gezondheidsvoorschriften
### Artikel 2.46a
**1.** Een houder van een rund, dat na een dracht van meer dan 100 dagen een of meer vruchten ter wereld heeft gebracht, laat bij dat dier binnen een week nadat die vrucht of vruchten ter wereld zijn gebracht een bloedmonster nemen en laat die monsters onderzoeken op de aanwezigheid van antilichamen tegen brucellose, indien die vrucht of vruchten spontaan meer dan 21 dagen eerder dan de gemiddelde draagtijd van het desbetreffende runderras ter wereld zijn gebracht.
**2.**
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
a. de monstername en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid; en
b. administratie van de bemonstering.
### Paragraaf 6. Houden van pluimvee voor productie
#### Paragraaf 6.1. Welzijnsvoorschriften
##### Paragraaf 6.1.1. Algemeen
### Artikel 2.47
Als handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet worden aangewezen het door de houder van het pluimvee:
a. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.1, onderdeel b, van het Besluit diergeneeskundigen ten behoeve van het afnemen van bloed bij kippen, kalkoenen en eenden, voor zover deze handeling niet krachtens een ander wettelijk voorschrift aan anderen is voorbehouden.
b. verrichten van ingrepen als bedoeld in artikel 2.6, onderdelen b en f, van het Besluit diergeneeskundigen;
c. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.6, onderdeel e, van het Besluit diergeneeskundigen, mits het dier niet ouder is dan twee dagen;
d. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.6, onderdeel n, van het Besluit diergeneeskundigen.
b. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, van het Besluit diergeneeskundigen, mits het dier niet ouder is dan twee dagen;
c. verrichten van ingrepen als bedoeld in de artikelen 2.2, onderdelen b tot en met f, en 2.6, onderdelen b en f, van het Besluit diergeneeskundigen;
d. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.6, onderdeel e, van het Besluit diergeneeskundigen, mits het dier niet ouder is dan twee dagen;
e. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.6, onderdeel n, van het Besluit diergeneeskundigen.
##### Paragraaf 6.1.2. Houden van vleeskuikens voor productie
#### Paragraaf 6.1. Houden van vleeskuikens voor productie
### Artikel 2.48
@ -1518,7 +706,7 @@ b. pluimveebedrijven met alleen vermeerderingsdieren;
c. broederijen;
d. vleeskuikens in extensieve scharrel- en vrije-uitloophouderijen als bedoeld in bijlage V onder b, c, d en e, bij verordening (EG) nr. 543/2008 van de Commissie van 16 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee (PbEU 2007, L 157);
e. vleeskuikens gehouden overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld op grond van artikel 11, derde lid, van de verordening, genoemd in onderdeel d;
f. vleeskuikens gehouden overeenkomstig verordening (EU) 2018/848.
f. vleeskuikens gehouden overeenkomstig verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU 1991, L 198).
### Artikel 2.50
@ -1653,7 +841,7 @@ b. de kruising of het ras van de vleeskuikens.
### Artikel 2.60
**1.** In de twee jaren, voorafgaand aan de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.59, eerste lid, zijn door ambtenaren als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de wet op het pluimveebedrijf geen tekortkomingen in de naleving van deze paragraaf waargenomen.
**1.** In de twee jaren, voorafgaand aan de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.59, eerste lid, zijn door ambtenaren als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de wet, dan wel in voorkomend geval door ambtenaren als bedoeld in artikel 114, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren op het pluimveebedrijf geen tekortkomingen in de naleving van deze paragraaf onderscheidenlijk van het Vleeskuikenbesluit 2010 waargenomen.
**2.** Ingeval er op het pluimveebedrijf in de twee jaren, bedoeld in het eerste lid, geen toezicht op de naleving van deze paragraaf heeft plaatsgevonden, geldt in afwijking van het eerste lid, dat er alsnog toezicht plaatsvindt, en hierbij geen tekortkomingen in de naleving van deze paragraaf worden waargenomen.
@ -1701,70 +889,7 @@ b. een pluimveebedrijf waar voorheen vleeskuikens werden gehouden op een wijze a
**2.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.64, derde lid, en in het eerste lid, plaatsvindt.
##### Paragraaf 6.1.2a. Houden van ouderdieren van vleeskuikens voor productie
### Artikel 2.65a
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- *koppel:* koppel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 37, van verordening (EU) nr. 2019/2035;
- *legnest:* afgescheiden ruimte voor een individueel ouderdier of een groep ouderdieren die geschikt is voor het leggen van eieren;
- *ouderdier:* dier dat wordt gehouden voor de productie van broedeieren;
- *plateau:* horizontaal aangebrachte verhoging van hout of kunststof waardoor geen mest kan vallen;
- *strooisel:* houtkrullen, stro, gehakseld stro, turf, zand, zaagsel of ander materiaal met een losse structuur dat de dieren in staat stelt aan hun ethologische behoeften te voldoen;
- *verordening (EU) nr. 2019/2035:*
verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PbEU 2019, L 314);
- *vleeskuiken:* dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van vlees;
- *zitstok:* horizontaal aangebrachte stok of lat van hout of kunststof waar het dier op kan zitten of rusten.
### Artikel 2.65b
Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden ouderdieren van vleeskuikens en dieren van tien weken of ouder die worden opgefokt tot ouderdier van vleeskuikens.
### Artikel 2.65c
**1.**
De houder van ouderdieren registreert dagelijks, voor zover van toepassing, voor elke stal de volgende gegevens:
a. het aantal binnengebrachte ouderdieren, onderscheiden naar geslacht;
b. het aantal ouderdieren dat niet-levend wordt afgevoerd;
c. het resterend aantal ouderdieren in het koppel dat levend wordt afgevoerd, onderscheiden naar geslacht.
**2.** De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaar bewaard.
### Artikel 2.65d
**1.**
Een ouderdier beschikt ten minste over:
a. 1.300 cm^2 vloeroppervlakte per ouderdier, waaronder het legnest, waarbij de oppervlakte van in de stal aangebrachte plateaus die zich ten minste 35 cm boven de vloeroppervlakte bevinden mogen worden meegerekend en waarvan ten minste 300 cm^2 per ouderdier is bedekt met strooisel;
b. een hoogte van 70 cm boven de vloeroppervlakte;
c. een zitstok met een lengte van ten minste 7 cm per ouderdier, met een vrije ruimte van ten minste 10 cm onder de zitstok en ten minste 35 cm daarboven;
d. een voerbak waarvan de lengte van de voor ouderdieren toegankelijke kant per ouderdier ten minste 12,5 cm bedraagt of, indien het een ronde voerbak betreft, een per ouderdier toegankelijke plek van ten minste 5 cm.
**2.** Onverminderd het eerste lid, onderdeel a, beschikken ouderdieren die in een kooi worden gehouden over een totale vloeroppervlakte van ten minste 2.850 cm^2.
**3.** De oppervlakte, bedoeld in het eerste lid, is horizontaal en is dicht of bestaat uit roosters van hout of kunststof, niet zijnde draadroosters.
**4.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, beschikt een ouderdier van een koppel waarvan de hennen een eindgewicht van ten hoogste 2,4 kg bereiken over ten minste 1.200 cm^2 bruikbare oppervlakte per ouderdier.
**5.** Onverminderd de artikelen 1.7, onderdeel e, en 2.4, zesde lid beschikt een ouderdier als bedoeld in het vierde lid permanent over luzerne, snijmaissilage of daarmee vergelijkbaar ruwvoer.
### Artikel 2.65e
Een dier dat wordt opgefokt om te worden gehouden als ouderdier beschikt over een vloeroppervlakte van ten minste 666 cm^2 per dier.
### Artikel 2.65f
**1.** In afwijking van artikel 2.4, tweede lid, worden ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.
**2.** In afwijking van artikel 2.5, achtste lid, wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.
**3.** De houder van ouderdieren controleert tweemaal per dag de kwaliteit van het strooisel.
##### Paragraaf 6.1.3. Houden van legkippen voor productie
#### Paragraaf 6.2. Houden van legkippen voor productie
### Artikel 2.66
@ -1788,6 +913,21 @@ Deze paragraaf is niet van toepassing op houders van legkippen die minder dan 35
**2.** In afwijking van het eerste lid is het toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 2.71 te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 2.71 en 2.73 tot en met 2.76.
**3.**
In afwijking van het eerste lid is het tot en met 31 december 2020 toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 2.72 te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 2.72 tot en met 2.76, voor zover het een huisvestingssysteem betreft waarvan de gebruiker kan aantonen dat:
a. het voor 18 april 2008 is gebouwd, of
b. ten behoeve van dit huisvestingssysteem voor 18 april 2008:
1° een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend, of
2° een aanvraag voor een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, is gedaan en:
een aanvraag voor een milieuvergunning is gedaan, of
een melding als bedoeld in artikel 7 van het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan,
en dat het huisvestingssysteem voor 18 april 2010 is gebouwd en in gebruik is genomen.
### Artikel 2.69
**1.** Onze Minister registreert houders van legkippen overeenkomstig artikel 7 van richtlijn 1999/74/EG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PbEG 1999, L 203) of overeenkomstig de op grond van dat artikel vastgestelde uitvoeringsbepalingen. Hij verstrekt daartoe aan houders van legkippen een nummer dat geschikt is om de voor de menselijke consumptie in de handel gebrachte eieren te kunnen traceren.
@ -1876,26 +1016,21 @@ De met strooisel bedekte ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, heeft
a. 2.700 cm^2, wanneer in de kooi 30 of minder legkippen worden gehouden, of
b. 90 cm^2 per legkip, wanneer in de kooi meer dan 30 legkippen worden gehouden.
**6.**
Indien een kooi als bedoeld in artikel 2.68, tweede lid, wordt gebruikt voor het houden en huisvesten van ten minste vijf en ten hoogste acht legkippen voor het testen van legkippen ten behoeve van de fokkerij zijn tot 1 januari 2035 niet van toepassing:
a. het eerste lid, onderdelen a en b, met dien verstande dat de hoogte van de kooi aan de zijde waar de voerbak zich bevindt en boven de bruikbare oppervlakte ten minste 45 cm bedraagt;
b. het eerste lid, onderdeel c;
c. het vereiste inzake de oppervlakte van het nest, bedoeld in het vierde lid, met dien verstande dat het nest een oppervlakte heeft van ten minste 90 cm^2 per legkip; en
d. het vijfde lid, met dien verstande dat de met strooisel bedekte ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, een oppervlakte heeft van ten minste 90 cm^2 per legkip.
**7.**
Er is sprake van het testen van legkippen ten behoeve van de fokkerij, bedoeld in het zesde lid, indien:
a. de legkippen nakomelingen zijn uit kruisingen van raszuivere dieren;
b. het testen ten minste inhoudt dat frequent metingen en waarnemingen worden verricht ten aanzien van het aantal gelegde eieren, de sterfte en het gedrag, en
c. de bij het testen verkregen gegevens ter beschikking zijn van het fokbedrijf.
### Artikel 2.72
Vervallen
**1.**
Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in artikel 2.68, derde lid hebben ten minste de beschikking over:
a. 750 cm^2 oppervlakte waarvan 600 cm^2 bruikbare oppervlakte per legkip, met dien verstande dat de kooi boven andere plaatsen dan de bruikbare oppervlakte op elk punt ten minste 20 cm hoog moet zijn en dat de totale oppervlakte van een kooi niet kleiner mag zijn dan 2.000 cm^2;
b. een nest;
c. een met strooisel bedekte ruimte die ten minste 20 cm hoog is, waar de legkippen kunnen scharrelen en bodempikken;
d. een zitstok met een lengte van 15 cm per legkip en een vrije ruimte boven de zitstok van 20 cm;
e. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 12 cm per legkip bedraagt;
f. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat, en
g. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drinknippels of drinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn.
**2.** De bodem van de kooi biedt steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip.
### Artikel 2.73
@ -1929,387 +1064,7 @@ Vervallen
**2.** Lokalen, uitrusting en gereedschappen waarmee de legkippen in aanraking komen, worden regelmatig grondig gereinigd en ontsmet, in elk geval telkens wanneer de kooien om sanitaire redenen worden leeggemaakt, en ook voordat een nieuwe partij legkippen wordt binnengebracht. Zolang de stal of de kooien bezet zijn, worden alle oppervlakken en alle installaties goed schoon gehouden.
##### Paragraaf 6.1.4. Houden van vleeskalkoenen voor productie
### Artikel 2.76a
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- *bezettingsdichtheid:* totale levend gewicht van de dieren die tegelijkertijd in de stal aanwezig zijn per vierkante meter oppervlakte die voor hen beschikbaar is;
- *koppel:* koppel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 37, van verordening (EU) nr. 2019/2035;
- *ouderdier:* dier dat wordt gehouden voor de productie van broedeieren;
- *uitvalpercentage:* het aantal dieren van een koppel dat vanwege een natuurlijke oorzaak is gestorven, gedeeld door het totaal aantal dieren waaruit het koppel aan het begin van het productieproces bestond, vermenigvuldigd met 100;
- *verordening (EG) nr. 1/2005:* verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU 2005, L 3);
- *verordening (EU) nr. 2019/2035:*
verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PbEU 2019, L 314);
- *vleeskalkoen:* dier van de soort Meleagris gallopavo dat wordt gehouden voor de productie van vlees.
### Artikel 2.76b
Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden vleeskalkoenen, ouderdieren van vleeskalkoenen en dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier van vleeskalkoenen.
### Artikel 2.76c
**1.**
De houder van vleeskalkoenen of ouderdieren registreert per koppel onderscheiden naar geslacht de volgende gegevens:
a. het aantal binnengebrachte vleeskalkoenen of ouderdieren;
b. het aantal vleeskalkoenen of ouderdieren dat vanwege een natuurlijke oorzaak is gestorven of is gedood, per dag;
c. het totale levend gewicht van de vleeskalkoenen of ouderdieren bij aflevering aan het slachthuis, binnen twee weken na die aflevering.
**2.**
De houder van vleeskalkoenen registreert ten hoogste een maand na aflevering van een koppel het uitvalpercentage van mannelijke en van vrouwelijke vleeskalkoenen en de oorzaak van de sterfte, indien dat percentage hoger is dan:
a. 5% bij een koppel vrouwelijke dieren;
b. 9% bij een koppel mannelijke dieren.
**3.** De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden drie jaar bewaard.
### Artikel 2.76d
**1.**
Vleeskalkoenen worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:
a. 58 kg/m^2 voor mannelijke dieren;
b. 48 kg/m^2 voor vrouwelijke dieren.
**2.**
Dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:
a. 56 kg/m^2 voor mannelijke dieren;
b. 49 kg/m^2 voor vrouwelijke dieren.
**3.**
Ouderdieren worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:
a. 46 kg/m^2 voor mannelijke dieren;
b. 29 kg/m^2 voor vrouwelijke dieren.
**4.**
Indien in een stal verrijkingselementen zijn aangebracht die door de vleeskalkoenen kunnen worden aangeraakt en die geschikt zijn om ten minste 10% van die dieren in de stal tegelijkertijd afleiding te bieden, bedraagt de bezettingsdichtheid voor vleeskalkoenen, in afwijking van het eerste lid:
a. 59 kg/m^2 voor mannelijke dieren;
b. 49 kg/m^2 voor vrouwelijke dieren.
### Artikel 2.76e
**1.** De houder van vleeskalkoenen, ouderdieren van vleeskalkoenen en dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier van vleeskalkoenen voorziet de stalvloer die niet is gelegen onder de voedsel- of watervoorziening van strooisel.
**2.**
Het strooisel:
a. bestaat uit stro of houtkrullen en is niet verontreinigd;
b. is droog en rul, en heeft een droge stofgehalte van ten minste 80% op het moment dat het in de stal wordt gebracht;
c. is aangebracht in een laag die dik genoeg is om dieren de mogelijkheid te bieden om een stofbad te nemen, uitwerpselen te absorberen en de stalvloer te isoleren.
### Artikel 2.76f
**1.** Indien vleeskalkoenen en ouderdieren worden gehouden in een ruimte die mechanisch wordt geventileerd bedraagt de luchtverversingscapaciteit ten minste 4 m^3 per kg levend gewicht per uur.
**2.** Een koppel vleeskalkoenen of dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier worden de eerste vijf dagen na aankomst op het bedrijf waar ze worden gehouden als vleeskalkoen of worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier in een ruimte gehouden waar de temperatuur op dierhoogte 35 tot 39° Celsius bedraagt.
### Artikel 2.76g
**1.** Onverminderd artikel 2.5, eerste en tweede lid, worden vleeskalkoenen en ouderdieren gehouden in een ruimte waar een aaneengesloten rustperiode wordt gehanteerd van ten minste acht uur per etmaal, waarin die ruimte niet of nauwelijks kunstmatig wordt verlicht.
**2.** De lichtintensiteit in een ruimte bestemd voor vleeskalkoenen of ouderdieren bedraagt op dierhoogte ten minste 20 Lux, tenzij een lagere lichtsterkte tijdelijk noodzakelijk is om letsel als gevolg van pikkerij te voorkomen.
### Artikel 2.76h
Tijdens vervoer dat op Nederlands grondgebied begint en eindigt, worden vleeskalkoenen die zwaarder zijn dan 7 kg vervoerd in containers als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van verordening (EG) nr. 1/2005.
### Artikel 2.76i
**1.** In afwijking van artikel 2.4, tweede lid, worden vleeskalkoenen en ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.
**2.** In afwijking van artikel 2.5, achtste lid, wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van vleeskalkoenen en ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.
**3.** De houder van vleeskalkoenen en ouderdieren controleert tweemaal per dag de kwaliteit van het strooisel.
#### Paragraaf 6.2. Gezondheidsvoorschriften
### Artikel 2.76ia
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- *verordening (EG) nr. 2160/2003:* Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU 2003, L 325).
### Artikel 2.76ib
**1.** Een houder van pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429 laat die dieren onderzoeken op de aanwezigheid van aviaire influenza.
**2.**
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. de momenten en de wijze waarop het onderzoek plaatsvindt;
b. de dieren waarbij het onderzoek plaatsvindt;
c. de administratie van de bemonstering.
**3.** Een houder verplaatst de dieren, bedoeld in het eerste lid, slechts naar een andere in Nederland gelegen inrichting indien die dieren zijn onderzocht overeenkomstig de krachtens het tweede lid gestelde regels en de uitslag van het onderzoek bekend is.
**4.** Het derde lid is niet van toepassing op dieren die binnen acht dagen na het uitkomen worden verplaatst, indien kan worden aangetoond dat de dieren afkomstig zijn van ouderdieren die zijn onderzocht overeenkomstig de krachtens het tweede lid gestelde regels en de uitslag van het onderzoek bekend is.
### Artikel 2.76ic
**1.**
In aanvulling op artikel 97, eerste lid, aanhef, onderdeel a, aanhef en onder ii, van verordening (EU) nr. 2016/429 en de krachtens artikel 97, tweede lid, onderdeel b, van die verordening vastgestelde gedelegeerde verordening met voorschriften over de ziektebewaking ten aanzien van salmonella-serotypen die relevant zijn voor de diergezondheid en mycoplasma spp. stelt Onze Minister nadere regels over:
a. de degene die monsters neemt;
b. het aanleveren van gegevens;
c. de administratie van uitslag van het onderzoek.
**2.** De in het eerste lid bedoelde voorschriften van de gedelegeerde verordening en de krachtens het eerste lid gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op houders van per ziekte bij ministeriële regeling aan te wijzen soorten of categorieën van pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) 2016/429 die geen dieren verplaatsen naar een andere lidstaat, met dien verstande dat bij ministeriële regeling van de genoemde verordening afwijkende regels worden gesteld over de frequentie van de monstername en het onderzoek naar mycoplasma spp,
### Artikel 2.76id
**1.** Een exploitant als bedoeld in artikel 4, onderdeel 24, van verordening (EU) nr. 2016/429 van een inrichting waar bij ministeriële regeling aan te wijzen soorten of categorieën van pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van die verordening of van in gevangenschap levende vogels als bedoeld in artikel 4, onderdeel 10, van die verordening worden gehouden, zorgt ervoor dat die dieren gevaccineerd zijn tegen Newcastle disease.
**2.**
Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen regels worden gesteld over:
a. de momenten waarop de vaccinatie plaatsvindt;
b. administratie van de vaccinatie;
c. onderzoek naar de aanwezigheid van antilichamen en naar aanleiding daarvan te treffen maatregelen.
**3.** Een houder verplaatst de dieren, bedoeld in het eerste lid, slechts indien ten aanzien van die dieren is voldaan aan de verplichting tot vaccinatie tegen Newcastle disease.
**4.** Het derde lid is niet van toepassing op dieren die binnen acht dagen na het uitkomen worden verplaatst, indien kan worden aangetoond dat de dieren afkomstig zijn van ouderdieren die zijn gevaccineerd overeenkomstig de krachtens het eerste en tweede lid gestelde regels.
### Artikel 2.76ie
**1.** Ter uitvoering van verordening (EG) nr. 2160/2003 worden bij ministeriële regeling regels gesteld over monitoring op zoönotische Salmonella bij dieren van bij die regeling aan te wijzen diercategorieën die vallen onder pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429.
**2.** In aanvulling op de krachtens verordening (EG) nr. 2160/2003 vastgestelde EU-verordeningen kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de monitoring op zoönotische Salmonella bij dieren van bij die regeling aan te wijzen andere dan de in het eerste lid genoemde diercategorieën die vallen onder pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429.
**3.**
De regels, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen betrekking hebben op:
a. de momenten en de wijze waarop monsters worden genomen;
b. degene die de monsters neemt;
c. het onderzoek van monsters;
d. administratie en rapportage van de onderzoeksresultaten.
### Artikel 2.76if
**1.** Het is verboden om dieren van bij ministeriële regeling aan te wijzen diercategorieën die vallen onder «pluimvee» als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429 aan te voeren op een bedrijf waar de aanwezigheid van Salmonella enteritidis is vastgesteld.
**2.** Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien die dieren zijn gevaccineerd tegen Salmonella enteritidis.
### Paragraaf 7. Houden van schapen of geiten voor productie
### Artikel 2.76ig
**1.** Een houder die meer dan 50 schapen of geiten houdt ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk laat maandelijks, of zo veel vaker als Onze Minister verzoekt, een monster onderzoeken van melk, die wordt bewaard in een melkkoeltank en die geen behandeling heeft ondergaan, op de aanwezigheid van Coxiella burnettii.
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de monstername en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 2.76ih
**1.**
Het is een houder die meer dan 50 schapen of geiten houdt ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk verboden om mest van schapen of geiten uit te rijden of af te voeren, tenzij de mest:
a. direct na verwijdering uit de stal 30 dagen luchtdoorlatend afgedekt is opgeslagen, of
b. rechtstreeks en afgedekt naar een erkende composteerinrichting of erkend composteerbedrijf wordt vervoerd.
**2.**
Een houder als bedoeld in het eerste lid administreert:
a. de datum waarop mest uit een stal is verwijderd;
b. de begin- en einddatum van de composteringsperiode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
c. de datum waarop mest op het bedrijf is uitgereden;
d. de hoeveelheid mest, uitgedrukt in kubieke meters, die is verwijderd, opgeslagen of uitgereden.
**3.** Een houder bewaart de gegevens, bedoeld in het tweede lid, twee jaar.
### Paragraaf 8. Houden van konijnen voor productie
### Artikel 2.76j
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- *fokram:* mannelijk konijn dat ten minste eenmaal gedekt heeft of waarvan ten minste eenmaal sperma is afgenomen;
- *gespeend konijn:* konijn dat is gescheiden van de voedster en dat wordt gehouden om te worden geslacht of om te worden geselecteerd als opfokkonijn;
- *konijn:* dier van de soort Oryctolagus cuniculus;
- *koppel:* een groep konijnen die in dezelfde kalenderweek is gespeend;
- *opfokkonijn:* konijn dat wordt opgefokt tot voedster of fokram;
- *spenen:* scheiden van een jong van een voedster;
- *voedster:* vrouwelijk konijn vanaf drie dagen voor het berekende tijdstip van haar eerste worp;
- *vrije hoogte:* ruimte die niet wordt belemmerd door obstakels.
### Artikel 2.76k
Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden:
a. gespeende konijnen;
b. opfokkonijnen;
c. voedsters en fokrammen die worden gehouden voor de productie van konijnen die worden gehouden om te worden geslacht of om te worden gebruikt als opfokkonijn.
### Artikel 2.76l
**1.** De houder van konijnen registreert zich bij Onze Minister.
**2.** De in het eerste lid bedoelde registratie vindt plaats met als doel het bevorderen van een effectief systeem van toezicht en handhaving van de op de houder van toepassing zijnde regelgeving met betrekking tot dierenwelzijn.
**3.**
Bij de registratie, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de houder de volgende gegevens:
a. naam, adres en woonplaats van de houder;
b. voor zover de houder een natuurlijk persoon is, de geboortedatum en het geslacht van de houder;
c. voor zover de houder een rechtspersoon betreft, de datum van oprichting en het inschrijfnummer van de houder bij de kamer van Koophandel;
d. adres en locatie van het bedrijf waar de dieren worden gehouden;
e. de gehouden diersoort.
**4.** Wijziging van de gegevens, bedoeld in het derde lid, wordt binnen twee weken na het ontstaan van de wijziging door de houder doorgegeven aan de hand van een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.
### Artikel 2.76m
**1.**
De houder van gespeende konijnen, voedsters, fokrammen of opfokkonijnen registreert maandelijks de volgende gegevens:
a. het aantal levend geboren konijnen;
b. het aantal konijnen dat gespeend is;
c. de aantallen gespeende konijnen, voedsters, fokrammen en opfokkonijnen die op het bedrijf zijn aangevoerd;
d. de aantallen gespeende konijnen, voedsters, fokrammen en opfokkonijnen die levend worden afgevoerd;
e. de uitvalpercentages, bedoeld in artikel 2.76n, eerste lid;
f. de uitkomst van de consultatie, bedoeld in artikel 2.76n, tweede lid, de maatregelen, bedoeld in artikel 2.76n, derde lid, en de uitkomst van de evaluatie, bedoeld in artikel 2.76n, vierde lid.
**2.** De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaar bewaard.
### Artikel 2.76n
**1.**
De houder van konijnen berekent maandelijks het uitvalpercentage voor gespeende konijnen, voedsters en opfokkonijnen, op de volgende wijze:
a. *voor gespeende konijnen:* het aantal dieren van een koppel dat niet-levend van het bedrijf is afgevoerd, gedeeld door de som van het aantal dieren waaruit het koppel na het spenen bestond en het aantal dieren dat aan de groep is toegevoegd, vermenigvuldigd met 100;
b. *voor voedsters en opfokkonijnen:* het aantal voedsters of opfokkonijnen dat niet-levend van het bedrijf is afgevoerd, gedeeld door het aantal voedsters of opfokkonijnen dat die maand gemiddeld op het bedrijf aanwezig was, vermenigvuldigd met 100.
**2.** Indien het uitvalpercentage van gespeende konijnen, voedsters of opfokkonijnen hoger is dan 10%, consulteert de houder een dierenarts met als doel dat percentage te verlagen.
**3.** Naar aanleiding van de consultatie, bedoeld in het tweede lid, neemt de houder maatregelen om het uitvalpercentage te verlagen.
**4.** Indien het uitvalpercentage van gespeende konijnen, voedsters of opfokkonijnen gedurende een jaar hoger is dan 10%, evalueert de houder in samenwerking met een dierenarts de werking van de maatregelen, bedoeld in het derde lid en past de houder die maatregelen aan, indien nodig.
### Artikel 2.76o
**1.**
Een voedster beschikt over een kooi met ten minste:
a. een vloeroppervlakte van 4.500 cm^2 per voedster, waaronder:
1°. een van nestmateriaal voorziene nestruimte van ten minste 700 cm^2 die verbonden is met de kooi, en
2°. een horizontaal plateau met een oppervlakte van ten minste 900 cm^2 en een breedte van ten minste 20 cm;
b. een vrije hoogte van 60 cm boven een vloeroppervlakte van 950 cm^2;
c. een doorgang van de bodem naar het plateau met een breedte van 25 cm.
**2.**
Een konijn dat wordt opgefokt tot voedster of fokram beschikt over een kooi met ten minste:
a. een vloeroppervlakte van 2.000 cm^2 per dier;
b. een hoogte van 40 cm boven 80% van de vloeroppervlakte.
**3.**
Een fokram beschikt over een kooi met ten minste:
a. een vloeroppervlakte van 4.000 cm^2 per dier;
b. een hoogte van 60 cm.
**4.**
Een gespeend konijn wordt gehouden in een groep die bestaat uit ten minste twee konijnen en beschikt over een kooi met ten minste:
a. een vloeroppervlakte, waarbij de oppervlakte van een in de kooi aangebracht plateau van ten minste 10 cm breed kan worden meegerekend, van:
1°. 700 cm^2 per dier, indien de groep bestaat uit minder dan vijf dieren;
2°. 600 cm^2 per dier, indien de groep bestaat uit vijf of meer dieren;
b. een hoogte van 40 cm boven 80% van de vloeroppervlakte indien in de kooi geen plateau is aangebracht, of een vrije hoogte van 40 cm boven 20% van de vloeroppervlakte indien in de kooi een plateau is aangebracht.
**5.** Indien in een kooi een plateau is aangebracht, bedraagt de afstand tussen de vloeroppervlakte en het plateau en tussen het plateau en de bovenkant van de kooi ten minste 25 cm.
**6.**
Indien de vloeroppervlakte uit gaas bestaat:
a. heeft de bovenliggende draad een diameter van ten minste 2,4 mm;
b. bedraagt de afstand tussen het middelpunt van de bovenliggende draden ten minste 10 mm en ten hoogste 16 mm;
c. plaatst de houder in een kooi als bedoeld in het eerste en derde lid een mat van ten minste 900 cm^2 van plastic of van materiaal met vergelijkbare eigenschappen als plastic.
**7.** Konijnen beschikken permanent over ruwvoer of knaagmateriaal dat voorziet in hun knaagbehoefte.
### Artikel 2.76p
Het is verboden om een vrouwelijk konijn te laten dekken of insemineren voordat het 15 weken oud is.
### Artikel 2.76q
**1.** Onverminderd artikel 2.5, eerste en tweede lid, worden konijnen gehouden in een ruimte waar een dag- en nachtritme wordt gehanteerd waarbij het ten minste acht uur licht is en ten minste acht uur donker, in beide gevallen ten minste vier uur aaneengesloten.
**2.**
In een ruimte bestemd voor voedsters en fokrammen:
a. wordt na een periode van licht alsmede na een periode van donkerte als bedoeld in het eerste lid een schemerperiode gehanteerd van ten minste een uur;
b. bedraagt de lichtintensiteit op dierhoogte ten minste 20 Lux gedurende ten minste acht uur per dag.
### Artikel 2.76r
**1.** In afwijking van artikel 2.4, tweede lid, worden konijnen ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.
**2.** In afwijking van artikel 2.5, achtste lid, wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de voer- en watervoorzieningen van konijnen ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.
### Paragraaf 9. Houden van nertsen voor productie
### Artikel 2.76s
Vervallen
### Artikel 2.76t
Vervallen
### Artikel 2.76u
Vervallen
### Artikel 2.76v
Vervallen
### Artikel 2.76w
Vervallen
### Artikel 2.76x
Vervallen
### Artikel 2.76y
Vervallen
### Artikel 2.76z
Vervallen
### Paragraaf 10. Houden van overige dieren voor productie
### Paragraaf 7. Houden van overige dieren voor productie
### Artikel 2.77
@ -2322,10 +1077,6 @@ d. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.6, onderdeel c, van het Besl
e. verrichten van ingrepen als bedoeld in artikel 2.6, onderdelen j en k, van het Besluit diergeneeskundigen;
f. openleggen van zoolzweren bij schapen en geiten.
### Artikel 2.78
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het houden van aquacultuur ten behoeve van de biologische productie, bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van verordening (EU) 2018/848, van aquacultuur.
## Hoofdstuk 3. Houden van dieren anders dan voor landbouwdoeleinden
### Paragraaf 1. Algemeen
@ -2374,10 +1125,6 @@ c. heeft voldoende oppervlak en hoogte voor de hond of honden die erin wordt geh
**4.** In de ren bevinden zich geen voorwerpen waaraan de hond zich kan verwonden.
### Artikel 3.3a
Artikel 10, tweede lid, verordening (EU) nr. 2016/429 is van overeenkomstige toepassing op degene die zich niet-beroepsmatig met dieren bezighoudt.
### Artikel 3.4
**1.** Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld.
@ -2417,7 +1164,7 @@ In deze paragraaf wordt verstaan onder:
**1.** De activiteiten, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, worden verricht in een inrichting die bij Onze Minister overeenkomstig artikel 3.8 is aangemeld.
**2.** In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden of af te leveren buiten een inrichting indien dit plaatsvindt op een tentoonstelling, beurs of markt, voor zover daarbij is voldaan aan de artikelen 3.8, vijfde lid, 3.11, vierde lid, 3.12, tweede lid, 3.14, zesde lid, en 3.17 tot en met 3.20.
**2.** In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden of af te leveren buiten een inrichting indien dit plaatsvindt op een tentoonstelling, beurs of markt, voor zover daarbij is voldaan aan de artikelen 3.8, vijfde lid, 3.11, vierde lid, 3.12, derde lid, 3.14, zesde lid, en 3.17 tot en met 3.20.
### Artikel 3.8
@ -2470,19 +1217,11 @@ b. bewijs van inenting van honden en katten.
**4.** Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op inrichtingen waar gezelschapsdieren gehouden worden ten behoeve van opvang en onbekend is van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn.
**5.** Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van inrichtingen waar honden worden gehouden ten behoeve van de in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde activiteiten, indien de honden overeenkomstig hoofdstuk 3, paragraaf 4 geregistreerd zijn.
**5.** Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van inrichtingen waar honden worden gehouden ten behoeve van de in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde activiteiten, indien de honden overeenkomstig hoofdstuk 2 van het Besluit identificatie en registratie van dieren geregistreerd zijn.
### Artikel 3.11
**1.** In de inrichting is een beheerder werkzaam die in het bezit is van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting worden verricht.
**2.** Een kopie van het in het eerste lid bedoelde bewijs van vakbekwaamheid wordt bij een inspectie ter naleving van dit besluit aan de daartoe aangewezen ambtenaar ter beschikking gesteld.
**3.** Bij langdurige ziekte, ontslag of overlijden van de beheerder kan, voor de duur van een periode van ten hoogste 12 aaneengesloten maanden, worden afgeweken van het eerste lid met dien verstande dat de persoon die dagelijks leiding in de inrichting geeft over de in artikel 3.6 bedoelde handelingen over voldoende relevante werkervaring beschikt en dit kan aantonen.
**4.** Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, organiseert, draagt zorg voor de aanwezigheid van een persoon die een erkend bewijs van vakbekwaamheid bezit als bedoeld in het eerste lid.
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde bewijs van vakbekwaamheid.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 3.12
@ -2535,9 +1274,9 @@ c. een ruimte voor huisvesting van gezelschapsdieren die ziek zijn, maar geen be
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:
a. vaccinaties voor honden en katten die in de inrichting verblijven;
b. het bewijs van vaccinatie van honden en katten;
c. vaccinaties die plaats vinden voordat honden en katten worden verkocht of afgeleverd.
a. inentingen voor honden en katten die in de inrichting verblijven;
b. het bewijs van inenting van honden en katten;
c. inentingen die plaats vinden voordat honden en katten worden verkocht of afgeleverd.
### Artikel 3.16
@ -2545,7 +1284,7 @@ Een hond wordt, passend bij zijn ethologische en fysiologische behoefte, dagelij
### Artikel 3.17
**1.** Bij de verkoop of aflevering van een gezelschapsdier, wordt aan een koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt schriftelijke, of indien de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt daarmee instemt, digitale informatie over het verkochte of afgeleverde gezelschapsdier verstrekt teneinde hem in staat te stellen het gezelschapsdier zo goed mogelijk te verzorgen.
**1.** Bij de verkoop of aflevering van een gezelschapsdier, wordt aan een koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt schriftelijke informatie over het verkochte of afgeleverde gezelschapsdier verstrekt teneinde hem in staat te stellen het gezelschapsdier zo goed mogelijk te verzorgen.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt een overeenkomstig deze paragraaf geregistreerde inrichting, een circus of een dierentuin is.
@ -2578,171 +1317,16 @@ b. in voldoende mate in de gelegenheid is tot het leren en tonen van soorteigen
Honden en katten die tijdelijk gehouden worden ten behoeve van opvang omdat daarvan afstand is gedaan, of omdat de eigenaar op het moment van opvang onbekend is, kunnen in afwijking van artikel 3.7, eerste lid, en artikel 3.14, derde tot en met vijfde lid, tijdelijk buiten de inrichting gehuisvest worden ten behoeve van socialisatie, resocialisatie, behandeling van gedragsproblemen of intensieve zorgverlening in geval van ziekte, mits de locatie en verblijfsduur uit de administratie van de inrichting blijken.
### Paragraaf 3. Niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren
### Artikel 3.24
**1.** Onze Minister wijst een punt van binnenkomst voor reizigers aan als bedoeld in artikel 3, onderdeel k, van verordening (EU) nr. 576/2013.
**2.** Onze Minister kan een ander punt van binnenkomst voor het verkeer van geregistreerde militaire, speur- of reddingshonden aanwijzen als bedoeld in artikel 10, derde lid, van verordening (EU) nr. 576/2013.
**3.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het andere personen dan dierenartsen is toegestaan transponders als bedoeld in verordening (EU) nr. 576/2013 te implanteren. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de minimumkwalificaties van die andere personen.
**4.**
Bij ministeriële regeling kunnen in aanvulling op verordening (EU) nr. 576/2013 regels worden gesteld over het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten met betrekking tot:
a. de uitgifte, het verstrekken of het voorhanden hebben van blanco identificatiedocumenten als bedoeld in die verordening;
b. een verplichting tot vermelding van aanvullende gegevens op of in het identificatiedocument;
c. de termijn waarin een gemachtigde dierenarts als bedoeld in artikel 3, onderdeel g, van verordening (EU) nr. 576/2013 de gegevens, bedoeld in artikel 22, derde lid, van die verordening, en onderdeel b, bewaart;
d. de voorwaarden waaronder het verkeer van geregistreerde militaire, speur- of reddingshonden als bedoeld in artikel 10, derde lid, van verordening (EU) nr. 576/2013 plaatsvindt.
### Paragraaf 4. Identificatie en registratie van honden
### Artikel 3.25
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- *identificatiedocument:* identificatiedocument als bedoeld in artikel 3, onderdeel f, van verordening (EU) nr. 576/2013.
### Artikel 3.26
**1.**
De artikelen 3.27, eerste lid, 3.28, eerste lid, 3.29, eerste lid, en 3.30, eerste lid, zijn niet van toepassing op:
a. een hond die wordt gehouden overeenkomstig artikel 13 van het Dierproevenbesluit 2014; en
b. een hond, geboren in Nederland voor 1 april 2013, tenzij de hond wordt overgedragen of wordt voorzien van een identificatiedocument.
**2.** Artikel 3.28, eerste lid, is niet van toepassing op een houder die voor de datum van inwerkingtreding van dat artikel de hond reeds hield, tenzij de hond wordt overgedragen.
**3.** De artikelen 3.29, eerste lid, en 3.30, eerste lid, zijn niet van toepassing op uit het buitenland afkomstige houders die korter dan drie maanden met hun hond in Nederland verblijven, tenzij de hond wordt overgedragen.
### Artikel 3.27
**1.** Artikel 70, aanhef en onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2019/2035 is van overeenkomstige toepassing op een houder met een hond op wie artikel 70, aanhef en onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2019/2035 niet van toepassing is.
**2.** De houder, bedoeld in het eerste lid, of de exploitant, bedoeld in artikel 70 van verordening (EU) nr. 2019/2035 laat de identificatie uitvoeren door een persoon die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van het Besluit diergeneeskundigen of in het register, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet.
**3.** In afwijking van het tweede lid laat een houder of exploitant de identificatie uitvoeren door een dierenarts indien de houder of de exploitant een hond overgedragen heeft gekregen zonder injecteerbare transponder.
### Artikel 3.28
**1.** Artikel 71 van verordening (EU) nr. 2019/2035 is van overeenkomstige toepassing op een houder met een hond op wie artikel 71 van verordening (EU) nr. 2019/2035 niet van toepassing is.
**2.**
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. de afgifte van identificatiedocumenten;
b. de termijn waarbinnen over een identificatiedocument moet worden beschikt; en
c. de overdracht van identificatiedocumenten.
### Artikel 3.29
**1.**
Een houder registreert zich bij Onze Minister binnen een bij ministeriële regeling bepaalde termijn, indien:
a. de hond van de houder een nakomeling heeft voortgebracht;
b. de houder een hond voor het eerst in Nederland brengt;
c. de houder een hond heeft verkregen die niet is voorzien van een injecteerbare transponder of die niet is geregistreerd overeenkomstig artikel 3.30, eerste lid of artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen.
**2.** De registratie wordt slechts gedaan indien de houder nog niet bij Onze Minister geregistreerd is.
### Artikel 3.30
**1.** Een houder draagt er zorg voor dat de registratie van zijn hond, bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen plaatsvindt en vult deze registratie aan.
**2.**
In afwijking van het eerste lid draagt de houder er zorg voor dat de dierenarts de volledige registratie van de hond doet, indien:
a. de hond is verkregen zonder injecteerbare transponder, identificatiedocument of registratie als bedoeld in het eerste lid; of
b. de hond voor het eerst in Nederland is gebracht.
**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de registraties, bedoeld in het eerste en tweede lid en over het wijzigen van de registratie bij overdracht, vermissing of overlijden van een hond.
### Artikel 3.31
Een persoon verkrijgt geen hond van een houder indien de hond:
a. niet is voorzien van een injecteerbare transponder overeenkomstig artikel 3.27;
b. niet is voorzien van een identificatiedocument overeenkomstig artikel 3.28;
c. niet is geregistreerd overeenkomstig de artikelen 2.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen en artikel 3.30, eerste lid; of
d. niet is geregistreerd overeenkomstig artikel 3.30, tweede lid.
### Artikel 3.32
**1.**
Onze Minister wijst de beheerder van een elektronisch portaal aan voor de registratie van honden en houders indien:
a. de beheerder van het portaal een onderneming heeft als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 of een rechtspersoon is in de zin van artikel 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte is gevestigd;
b. het portaal schriftelijk en digitaal voldoende bereikbaar is voor houders;
c. de beheerder van het portaal aantoont dat hij gegevens elektronisch, tijdig en correct kan registeren bij Onze Minister; en
d. de beheerder handelt overeenkomstig de wetgeving over de verwerking van persoonsgegevens.
**2.**
De beheerder van het portaal:
a. registreert de gegevens, bedoeld in artikel 3.30 en artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen direct bij Onze Minister; en
b. wijzigt op verzoek van Onze Minister de wijze waarop gegevens bij Onze Minister worden geregistreerd.
**3.** Onze Minister kan de aanwijzing schorsen dan wel intrekken indien de beheerder niet voldoet aan één of meer voorschriften als bedoeld in het eerste en tweede lid.
**4.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid.
**5.** Aanwijzingen van databanken, verleend op grond van artikel 10 van het Besluit identificatie en registratie van dieren, gelden na de inwerkingtreding van dit artikel als aanwijzingen als bedoeld in het eerste lid.
### Paragraaf 5. Houdverbod gezelschapsdieren met voor hen schadelijke kenmerken
### Artikel 3.33
**1.**
Het is verboden om huiskatten (*Felis silvestris catus*) te houden die:
a. homo- of heterozygoot zijn voor de p.V342F substitutie (c.1024G>T) in *TRPV4*, of
b. permanent geen functionele vacht of geen snor- en tastharen hebben.
**2.** Een huiskat wordt vermoed homo- of heterozygoot te zijn voor de p.V342F substitutie (c.1024G>T) in TRPV4 als deze voorwaarts neerhangende oren heeft.
### Artikel 3.34
**1.**
Het verbod in artikel 3.33, eerste lid, is niet van toepassing op het houden van in dat lid bedoelde katten:
a. in een inrichting voor de opvang van gezelschapsdieren als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, mits de opvang van zulke katten door de inrichting incidenteel plaatsvindt,
b. als zij afkomstig zijn van een inrichting voor de opvang van gezelschapsdieren en dit blijkt uit een op schrift gestelde verklaring van de desbetreffende inrichting,
c. door diergeneeskundigen in de uitoefening van hun praktijk voor het verrichten van diergeneeskundige handelingen bij dat dier,
d. door degene die ze onder zich houdt vanwege vervoer daarvan vanuit een ander land via een Nederlandse zee- of luchthaven naar een ander land, voor de duur van ten hoogste vier werkdagen, of zoveel langer indien dat met het oog op de uitreiking van een officieel certificaat onder toepassing van artikel 87 van verordening (EU) 2017/625 noodzakelijk is, of
e. door degene die ze onder zich houdt, wanneer deze opzettelijk katten die zich in een noodsituatie bevinden vangt en onder zich houdt met het oog op het onverwijld vervoeren van die dieren naar de eigenaar, een inrichting voor de opvang van gezelschapsdieren of een diergeneeskundige.
**2.** Een op schrift gestelde verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is niet vereist wanneer het een kat betreft waarop artikel 3.35 van toepassing is.
### Artikel 3.35
In afwijking van artikel 3.33, eerste lid, mag een kat als bedoeld in dat artikellid gehouden worden, als de kat al voor 1 januari 2026 werd gehouden en dit door de houder aangetoond kan worden op basis van een schriftelijk bewijs van de datum waarop de microchip van de kat is geplaatst of geregistreerd.
### Artikel 3.36
Het is verboden om een kat die op grond van artikel 3.34 of 3.35 gehouden mag worden deel te laten nemen aan wedstrijden of vertoningen.
## Hoofdstuk 4. Houden van dieren voor vertoning
### Paragraaf 1. Houden van dieren in dierentuinen
### Artikel 4.1
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- *dierentuin:* permanente inrichting waar levende wilde dieren worden gehouden om gedurende ten minste zeven dagen per jaar te worden tentoongesteld aan het publiek, met uitzondering van circussen en dierenwinkels;
- *dierenverblijf:* ruimte waar dieren worden gehouden;
- *diergroep:* dieren levend in een groep, die gelet op hun omvang en kenmerken afzonderlijk niet te individualiseren zijn;
- *wilde dieren:* dieren behorende tot diersoorten of diercategorieën waarvan de daartoe behorende dieren van nature in het wild leven met uitzondering van de diersoorten of diercategorieën, aangewezen op grond van artikel 2.1, en honden en katten.
- *wilde dieren:* dieren behorende tot diersoorten of diercategorieën waarvan de daartoe behorende dieren van nature in het wild leven met uitzondering van de diersoorten of diercategorieën, genoemd in bijlage II bij dit besluit, en honden en katten.
### Artikel 4.2
@ -2752,7 +1336,7 @@ In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. inrichtingen waar wilde dieren worden gehouden van ten hoogste tien diersoorten, niet zijnde diersoorten genoemd in bijlage IIa;
a. inrichtingen waar wilde dieren worden gehouden van ten hoogste tien diersoorten, niet zijnde diersoorten die op grond van de artikelen 4 en 5 van de Flora- en faunawet zijn aangewezen;
b. inrichtingen die voldoen aan elk van de volgende voorschriften:
1° naast wilde dieren van ten hoogste tien diersoorten worden in hoofdzaak dieren behorend tot de diersoorten of diercategorieën, genoemd in bijlage II bij dit besluit, gehouden;
@ -2768,9 +1352,9 @@ d. inrichtingen waar dieren gedurende ten hoogste twaalf maanden voor verzorging
De vergunning, bedoeld in het eerste lid, geldt tevens voor beperkte wijzigingen en uitbreidingen van een dierentuin, indien:
a. wordt voldaan aan deze paragraaf en de aan de vergunning verbonden beperkingen en voorschriften;
a. wordt voldaan aan dit hoofdstuk en de aan de vergunning verbonden beperkingen en voorschriften;
b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk aan Onze Minister is gemeld; en
c. Onze Minister aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan deze paragraaf en de aan de vergunning verbonden beperkingen en voorschriften.
c. Onze Minister aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan dit hoofdstuk en de aan de vergunning verbonden beperkingen en voorschriften.
### Artikel 4.3
@ -2886,7 +1470,7 @@ c. het opvangen van dieren uit opvangcentra en in beslag genomen dieren.
### Artikel 4.11
De vergunninghouder verzekert zich er bij een overdracht van dieren van dat de ontvangende partij de dieren houdt, huisvest en verzorgt op een wijze die overeenkomt met de voorschriften in deze paragraaf.
De vergunninghouder verzekert zich er bij een overdracht van dieren van dat de ontvangende partij de dieren houdt, huisvest en verzorgt op een wijze die overeenkomt met de voorschriften in dit hoofdstuk.
### Artikel 4.12
@ -2901,95 +1485,12 @@ en handelt dienovereenkomstig.
### Artikel 4.13
**1.** Indien de vergunninghouder niet voldoet aan de artikelen 1.6, 1.7 of 1.8 of aan de bij of krachtens deze paragraaf gestelde voorschriften kan de dierentuin op last van Onze Minister geheel of gedeeltelijk worden gesloten voor het publiek.
**1.** Indien de vergunninghouder niet voldoet aan de artikelen 1.6, 1.7 of 1.8 of aan de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde voorschriften kan de dierentuin op last van Onze Minister geheel of gedeeltelijk worden gesloten voor het publiek.
**2.** Onze Minister kan in het geval, bedoeld in het eerste lid, de exploitant verplichten tot het aanpassen, verwijderen of aanbrengen van specifieke voorzieningen binnen de daarbij vermelde termijn, die ten hoogste twee jaar bedraagt.
**3.** Indien een exploitant niet binnen de gestelde termijn voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, wordt de vergunning door Onze Minister ingetrokken of gewijzigd en wordt de dierentuin geheel of gedeeltelijk gesloten.
### Paragraaf 2. Houden van dieren ten behoeve van circussen en andere optredens
### Artikel 4.14
**1.** Het is verboden op te treden met zoogdieren die niet behoren tot door Onze Minister aangewezen soorten of categorieën.
**2.** Het is verboden zoogdieren van soorten die niet krachtens het eerste lid zijn aangewezen te vervoeren ten behoeve van een optreden.
**3.** De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op optredens in dierentuinen als bedoeld in artikel 4.1.
**4.** Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan indien een diersoort of diercategorie gedomesticeerd is.
**5.** De hoofdstukken 6, 7 en 8 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid.
### Paragraaf 3. Houden van evenhoevigen voor vertoning
### Artikel 4.15
**1.** Het is verboden om evenhoevigen bijeen te brengen op een tentoonstelling, keuring of ander evenement.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op een tentoonstelling of keuring met runderen, schapen of geiten.
**3.** Een organisator van een tentoonstelling of keuring met runderen, schapen of geiten doet daarvan ten minste 30 dagen voorafgaand aan de dag waarop die tentoonstelling of keuring plaatsvindt melding bij Onze Minister.
**4.** Een houder van runderen, schapen of geiten die worden tentoongesteld of gekeurd laat die dieren in de vijf dagen voorafgaand aan de tentoonstelling of keuring klinisch onderzoeken door een dierenarts.
**5.** In afwijking van het vierde lid kan het klinische onderzoek van geiten of schapen plaatsvinden op de inrichting waar de tentoonstelling of keuring wordt gehouden.
**6.** Een houder en een dierenarts als bedoeld in het vierde lid leggen de resultaten van het onderzoek vast met behulp van een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.
**7.** Een organisator als bedoeld in het derde lid laat slechts dieren toe tot de tentoonstelling of keuring, indien uit het onderzoek, bedoeld in het vierde of vijfde lid, blijkt dat de dieren niet besmet zijn met een dierziekte of zoönose of drager zijn van een ziekteverwekker of ziekteverschijnselen vertonen.
**8.**
Runderen, schapen of geiten worden na afloop van een tentoonstelling of keuring zo spoedig mogelijk vervoerd naar:
a. de inrichting van herkomst; of
b. een slachthuis.
### Artikel 4.16
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
a. de gegevens die een organisator als bedoeld in artikel 4.15, derde lid overlegt;
b. het vervoermiddel waarmee runderen, schapen of geiten worden aangevoerd naar of afgevoerd van een tentoonstelling of keuring;
c. reiniging en ontsmetting met betrekking tot de aanvoer en afvoer van dieren en het betreden van een tentoonstelling of keuring;
d. administratie van aangevoerde en afgevoerde dieren en de gebruikte vervoermiddelen.
### Artikel 4.17
**1.**
Het is verboden schapen of geiten die niet zijn gevaccineerd overeenkomstig artikel 1.46 te houden op een inrichting die is opengesteld voor het publiek met het oogmerk om direct contact tussen bezoekers en dieren te faciliteren, tenzij die schapen of geiten:
a. in hun eerste levensjaar worden geslacht en geen dieren dekken, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden; of
b. jonger zijn dan drie maanden.
**2.** Het is verboden schapen of geiten die niet zijn gevaccineerd overeenkomstig artikel 1.46 bijeen te brengen op een tentoonstelling, keuring of ander evenement.
**3.** Het tweede lid is niet van toepassing op lammeren, jonger dan drie maanden, die samen met het moederdier bijeen worden gebracht.
### Paragraaf 4. Houden van vogels voor vertoning
### Artikel 4.18
**1.** Het is verboden om pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429 of in gevangenschap levende vogels als bedoeld in artikel 4, onderdeel 10, van die verordening bijeen te brengen op een tentoonstelling, keuring of ander evenement waar enkel uit Nederland afkomstige dieren aanwezig zijn.
**2.**
In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om:
a. in gevangenschap levende vogels bijeen te brengen voor een keuring of tentoonstelling;
b. postduiven bijeen te brengen voor een wedvlucht.
**3.**
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over keuringen, tentoonstellingen en wedvluchten als bedoeld in het tweede lid, met betrekking tot:
a. vaccinatie tegen besmettelijke dierziekten;
b. onderzoek naar de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten;
c. melding van het bijeenbrengen bij Onze Minister;
d. bij te houden en over te leggen gegevens.
## Hoofdstuk 5. Doden van dieren voor de productie van dierlijke producten
### Paragraaf 1. Algemeen
@ -3023,60 +1524,26 @@ f. het doden, en daarmee verband houdende activiteiten, van dieren buiten een sl
### Artikel 5.4
Bij het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, van de wet, wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.5 tot en met 5.9a en aan de terzake krachtens artikel 5.2 gestelde regels.
Bij het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, van de wet, wordt voldaan aan de artikelen 5.5 tot en met 5.9 en aan de terzake krachtens artikel 5.2 gestelde regels.
### Artikel 5.5
Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in artikel 5.4, geschiedt slechts in een inrichting die daartoe over een registratie beschikt.
**1.** De exploitant van een inrichting die beschikt over een erkenning als bedoeld in artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europese Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEG 2004, L 226), meldt voorafgaand aan het doden aan Onze Minister dat in de inrichting dieren volgens de islamitische of israëlitische ritus zullen worden gedood.
### Artikel 5.5a
**2.** Indien vanaf de dag waarop is gemeld dat in die inrichting dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zullen worden gedood meer dan een jaar geen dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zijn gedood doet de exploitant, bedoeld in het eerste lid, een nieuwe melding voordat hij het doden hervat.
Een aanvraag tot registratie als bedoeld in artikel 5.5 kan slechts worden gedaan door een inrichting die op grond van artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) door Onze Minister is erkend.
### Artikel 5.5b
**1.**
Onze Minister besluit tot het verlenen van een registratie indien de inrichting voldoet aan:
a. het bepaalde in verordening (EG) nr. 1099/2009, en
b. het bepaalde in deze paragraaf.
**2.**
Het besluit tot het verlenen van een registratie, bedoeld in het eerste lid, wordt genomen op voordracht van:
a. de Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap voor zover het betreft doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de israëlitische ritus;
b. de Commissie Islamitisch Slachten van het Contactorgaan Moslims en Overheid voor zover het betreft doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische ritus;
c. een andere organisatie die de israëlitische of islamitische geloofsgemeenschap vertegenwoordigen, voor zover het betreft het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de israëlitische onderscheidenlijk islamitische ritus.
### Artikel 5.5c
Van de verleende registratie, bedoeld in artikel 5.5b, wordt voor de betreffende inrichting aantekening gemaakt in het register waarin de erkenning van de inrichtingen op grond van artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) is geregistreerd.
### Artikel 5.5d
Indien een erkenning op grond van artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) als bedoeld in artikel 5.5a wordt ingetrokken, vervalt de registratie, bedoeld in artikel 6.5, van rechtswege.
### Artikel 5.5e
De registratie, bedoeld in artikel 5.5, kan worden geschorst dan wel ingetrokken, indien niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 5.5b.
### Artikel 5.5f
**1.** Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming geschiedt te allen tijde in aanwezigheid van een op grond van artikel 8.1 van de wet aangewezen ambtenaar.
**2.** Onze Minister kan besluiten tot afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de permanente aanwezigheid van een ambtenaar bij het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, indien in het betrokken slachthuis voldoende is gewaarborgd dat het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf wordt nageleefd. Van voldoende waarborgen kan sprake zijn in geval het slachthuis deelneemt aan een kwaliteitssysteem waarmee naleving van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf wordt geborgd.
**3.** Indien naar het oordeel van Onze Minister naleving van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf niet gewaarborgd is, kan Onze Minister het besluit, bedoeld in het tweede lid, intrekken.
**3.** De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt gedaan op een daartoe beschikbaar gesteld formulier.
### Artikel 5.6
Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, van de wet, geschiedt slechts door personen die door een organisatie als bedoeld in artikel 5.5b, tweede lid zijn voorgedragen om het slachtproces overeenkomstig de betrokken religieuze ritus uit te voeren, en die van die voordracht een bewijs overleggen aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 5.5f, eerste lid.
Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, van de wet, geschiedt uitsluitend door personen die daartoe:
a. door het Opperrabbinaat voor Nederland zijn gemachtigd, voor zover het doden volgens de Israëlitische ritus betreft, of
b. door één of meer organisaties die geacht kunnen worden alle of bepaalde groepen islamieten in Nederland te vertegenwoordigen, zijn aangewezen, voor zover het doden volgens de islamitische ritus betreft en deze personen daarvan door een schriftelijk bewijs aan de op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaren of andere personen hebben doen blijken.
### Artikel 5.7
**1.** Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, van de wet, geschiedt overeenkomstig de door de op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaren in het belang van de bescherming van het te doden dier gegeven aanwijzingen.
**1.** Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, van de wet, geschiedt overeenkomstig de door de op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaren of andere personen in het belang van de bescherming van het te doden dier gegeven aanwijzingen.
**2.**
@ -3088,86 +1555,35 @@ c. het staken van het dodingsproces indien onvoldoende is gegarandeerd dat daarb
**3.** Onverminderd het tweede lid mag, naast de bij de dodingshandelingen betrokken personen en de personen die tijdens de dodingshandelingen de israëlitische of islamitische ritus verrichten, ten hoogste één persoon bij het doden aanwezig zijn.
**4.** Onverminderd het eerste en tweede lid, hebben de aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, geen betrekking op de godsdienstige gebruiken volgens de israëlitische en islamitische ritus bij het proces van het doden zonder voorafgaande bedwelming.
### Artikel 5.8
De persoon die belast is met het doden zonder voorafgaande bedwelming van een dier, beoordeelt voor elk dier of dit dier qua type, omvang, gewicht en mentale toestand geschikt is om zonder voorafgaande bedwelming te worden gedood en gaat niet over tot het doden van dat dier zonder voorafgaande bedwelming in geval dat dier daartoe ongeschikt is bevonden.
**1.** Runderen worden gefixeerd door middel van een toestel dat is voorzien van een tijd-mechanisme dat gedurende 45 seconden na het bedienen daarvan, de opheffing van de fixatie onmogelijk maakt; dit mechanisme wordt onmiddellijk na het toebrengen van de halssnede in werking gesteld.
### Artikel 5.8a
De fixatievoorzieningen en de fixatie-uitrusting voldoen in elk geval aan de volgende eisen:
a. verkeren in een goede staat;
b. bevatten geen scherpe uitsteeksels;
c. bestaan uit soepel bewegende delen, zonder dat schokkende bewegingen agitatie bij het dier kunnen veroorzaken;
d. veroorzaken geen geluiden die stress veroorzaken bij het dier;
e. zijn geschikt voor de omvang van het te slachten dier en het diersoort;
f. houden het dier voor en tijdens de fixatie in een comfortabele positie, waarbij de fixatie-uitrusting of voorzieningen voldoende druk uitoefenen om het dier gefixeerd te houden, zonder daarbij onnodige stress te veroorzaken, en
g. beschikken over een vloer die antislip is, waardoor dieren op geen enkele wijze net voor en tijdens de fixatie kunnen uitglijden.
### Artikel 5.8b
**1.** Het te doden dier gaat het fixatieapparaat niet eerder binnen dan nadat de slachter gereed staat met het mes om het dier te doden.
**2.** De fixatie van het te slachten dier wordt niet eerder opgeheven dan nadat overeenkomstig het gestelde in artikel 5.9a, eerste of tweede lid, zeker is gesteld dat het dier het bewustzijn heeft verloren.
**2.** Na het toebrengen van de halssnede blijven schapen en geiten gedurende ten minste dertig seconden gefixeerd in de positie die de dieren innamen op het moment van het toebrengen van de halssnede.
### Artikel 5.9
**1.** Het toebrengen van de halssnede geschiedt met een mes dat te allen tijde zeer scherp en gaaf is.
**1.** Het toebrengen van de halssnede gebeurt met een vlijmscherp mes door een persoon die niet tevens belast is met het fixeren van de dieren.
**2.** Het mes dat voor het toebrengen van de halssnede wordt gebruikt, wordt na iedere snede gereinigd.
**3.** De lengte van het mes dat voor het toebrengen van de halssnede wordt gebruikt, is minimaal anderhalf tot twee keer de breedte van de hals.
**4.** De halssnede wordt met een ononderbroken, vloeiende beweging uitgevoerd, met als doel het dier zo snel mogelijk te verbloeden.
**5.** Ingeval een dier een te dikke vacht heeft waardoor de halssnede minder gemakkelijk kan worden uitgevoerd, wordt de hals van het dier ter plaatse van de halssnede geschoren dan wel op een andere wijze geschikt gemaakt voor het uitvoeren van de halssnede.
**6.** In afwijking van het derde lid, mag de halssnede worden toegebracht met een kleiner mes, mits voorkomen wordt dat de punt van het mes in de wondrand prikt.
### Artikel 5.9a
**1.** Binnen een periode van 40 seconden vanaf het moment van het aanbrengen van de halssnede wordt het dier bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 1099/2009.
**2.**
Een bedwelming als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien binnen de in het eerste lid bedoelde periode van 40 seconden door de slachter ten minste één van de volgende bewustzijnsindicatoren als negatief wordt beoordeeld:
a. de geïnduceerde ooglidreflex, of
b. de corneareflex.
### Paragraaf 3. Bedwelming van aal
### Artikel 5.10
Deze paragraaf is van toepassing op het doden van aal met het oog op de productie van dierlijke producten, tenzij dit doden plaatsvindt voor particulier huishoudelijk verbruik.
### Artikel 5.11
**1.** Alen worden voorafgaand aan het doden bedwelmd.
**2.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van de methode waarmee de aal wordt bedwelmd.
**2.** Bij schapen, geiten en pluimvee worden ten minste gedurende 30 seconden en bij runderen ten minste gedurende 45 seconden na het aanbrengen van de halssnede geen verdere slachthandelingen verricht.
## Hoofdstuk 6. Overige bepalingen
### Artikel 6.1
In afwijking van artikel 2.76f, eerste lid, bedraagt de in dat lid bedoelde luchtverversingscapaciteit in stallen die voor 1 juni 2003 zijn gebouwd en sindsdien niet zijn verbouwd ten minste 3 m^3 per kg levend gewicht per uur.
**1.** Ter uitvoering van de artikelen 2.13 en 2.15 wordt medewerking gevorderd van het Productschap voor Vee en Vlees.
**2.** De in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat uit het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden en het bij verordening stellen van regels.
**3.** De krachtens de in het tweede lid bij verordening vastgestelde voorschriften en genomen besluiten behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
**4.** Onze Minister kan met betrekking tot het verlenen van de in het eerste lid bedoelde medewerking beleidsregels stellen.
**5.** De in het tweede lid bedoelde regels kunnen onder meer betrekking hebben op de instelling van de plicht tot identificatie van varkens, de registratie daarvan, alsmede op de melding daarvan aan een bij die regels aan te wijzen instantie.
### Artikel 6.2
**1.** Tot en met 22 april 2016 is het toegestaan om een voedster als bedoeld in artikel 2.76j buiten de periode van drie dagen voor het berekende tijdstip van werpen tot en met 18 dagen na het werpen te huisvesten in een kooi als bedoeld in artikel 2.76o, tweede lid.
**2.** Tot en met 22 april 2016 is het degene die konijnen houdt in een huisvestingssysteem dat op 23 april 2006 reeds in gebruik was toegestaan om af te wijken van de artikelen 2.76o, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, onderdelen b en c, tweede lid en het vierde tot en met zesde lid, onderdelen a en b, op voorwaarde dat de houder ten minste 50 punten behaalt volgens de tabel in bijlage III bij dit besluit.
**3.** Onze Minister kan tot en met 22 april 2016 ontheffing verlenen van de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, aan een konijnenhouder als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Verordening welzijnsnormen konijnen (PPE) 2006, zoals dat luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van dit lid.
**4.** Een ontheffing als bedoeld in het derde lid wordt verleend voor een periode van een jaar.
**5.** Ontheffingen, verleend op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de Verordening welzijnsnormen konijnen (PPE) 2006 worden aangemerkt als ontheffingen als bedoeld in het derde lid.
**6.** Het tweede lid is niet van toepassing op degene aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het derde of vijfde lid, en die is ingetrokken.
Bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 2.69, tweede lid, kan Onze Minister de medewerking vorderen van het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren ter uitvoering van artikel 2.69, eerste lid.
### Artikel 6.3
@ -3182,15 +1598,13 @@ b. de stal of de vloer van de stal na het in artikel 2.18, vierde lid, bedoelde
### Artikel 6.4
**1.** Aan inrichtingen waarvan de exploitant een melding heeft gedaan op grond van artikel 5.5 zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding van dit artikel, wordt geacht een registratie te zijn verleend op grond van de artikelen 5.5 en 5.5b van dit besluit.
**1.** Inrichtingen waaraan op het tijdstip van inwerkintreding van artikel 5.5 krachtens artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren vrijstelling van de artikelen 44, vierde tot en met zevende lid en achtste lid, onderdeel b, tweede volzin, van die wet, is verleend behoeven geen melding als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, te doen.
**2.** Aan inrichtingen waarop artikel 6.4, eerste lid, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding dit artikel, van toepassing is, wordt geacht een registratie te zijn verleend op grond van de artikelen 5.5 en 5.5b van dit besluit.
**3.** Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien in de desbetreffende inrichting na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, meer dan een jaar geen dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zijn geslacht.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien in de desbetreffende inrichting vanaf de datum waarop paragraaf 2 van hoofdstuk 5 in werking treedt, meer dan een jaar geen dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zijn geslacht.
### Artikel 6.5
**1.** De artikelen 3.8, vijfde lid, 3.12, tweede lid, en 3.14, zesde lid, zijn gedurende vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen niet van toepassing.
**1.** De artikelen 3.8, vijfde lid, 3.12, derde lid, en 3.14, zesde lid, zijn gedurende vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen niet van toepassing.
**2.**
@ -3233,18 +1647,6 @@ b. binnen vier maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel, de
**2.** In afwijking van het eerste lid blijven de artikelen van het Honden- en kattenbesluit 1999 van toepassing, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, op inrichtingen van waaruit honden en katten worden betrokken door inrichtingen die dierproeven verrichten, met inachtneming van artikel 27 van het Honden- en kattenbesluit 1999, tot het tijdstip waarop de wijziging van de Wet op de dierproeven ter implementatie van Richtlijn 2010/63 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEU L 276) in werking is getreden.
### Artikel 6.10
Artikel 2.21, eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op betonroostervloeren indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat:
a. de betreffende betonroostervloer voor 1 juli 2018 in gebruik is genomen;
b. de betreffende betonroostervloer ten tijde van de inwerkingtreding van dat onderdeel voldeed aan artikel 2.21, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit houders van dieren zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dat onderdeel en nadien is blijven voldoen aan die bepaling; en
c. de vloer van de stal niet is verbouwd of vervangen na de inwerkingtreding van dat onderdeel.
### Artikel 6.11
Met een melkrobot als bedoeld in artikel 1.3, onderdeel i, onder 4°, en een gps-halsband als bedoeld in artikel 1.3, onderdeel i, onder 5°, worden gelijkgesteld melkrobots en gps-halsbanden die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot een douane-unie strekkend Verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
## Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
### Artikel 7.1
@ -3285,11 +1687,3 @@ Soorten papegaaiachtigen en de minimum leeftijd die per soort moet worden aangeh
Aangewezen soorten en categorieën van in Nederland te houden dieren met het oog op de productie van van die dieren afkomstige producten.
Categorieën
## Bijlage IIa. Diersoorten als bedoeld in
## Bijlage III. als bedoeld in
## Bijlage IV. als bedoeld in
Vervallen