2009-05-01 | BWBR0025943 | Overdrachtsbelasting, vrijstelling; diverse onderwerpens

This commit is contained in:
Coornhert 2009-05-01 12:00:00 +00:00
parent 7f1b201094
commit 4922188fad

View file

@ -0,0 +1,74 @@
---
titel: Overdrachtsbelasting, vrijstelling; diverse onderwerpens
bwb_id: BWBR0025943
type: beleidsregel
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2009-06-14'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0025943
citeertitel: Overdrachtsbelasting, vrijstelling; diverse onderwerpens
---
# Overdrachtsbelasting, vrijstelling; diverse onderwerpens
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
## 1. Inleiding
## 2. Verdeling gemeenschap tussen samenwoners
## 3. Aanbrengen van zaken
## 4. Verkrijging van monumenten
De verkrijging van monumenten door monumentenrechtspersonen is onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting (artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de WBR). De monumentenvrijstelling geldt als de onroerende zaak op het moment van de verkrijging is ingeschreven in één van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten. De vrijstelling geldt ook voor de verkrijging van een onverdeeld aandeel of een appartementsrecht in een monument.
### 4.1. Uitspraak Gerechtshof s-Gravenhage van 1 mei 2009 (Bk-07/00421)
Het Gerechtshof s-Gravenhage heeft op 1 mei 2009 een uitspraak gedaan over de toepassing van de genoemde vrijstelling. Het besliste geval betreft een verkrijging van een monument door een natuurlijk persoon. Het Hof heeft beslist dat verkrijgingen door natuurlijke- en rechtspersonen gelet op de ratio van de vrijstelling (bevordering van het behoud van monumenten), aangemerkt kunnen worden als gelijke gevallen. Voor het in de wet gemaakte onderscheid bestaat volgens het Hof onvoldoende rechtvaardiging. Vervolgens heeft het Hof in het geconstateerde rechtstekort voorzien door de vrijstelling toe te kennen aan de natuurlijke persoon.
### 4.2. Uitbreiding monumentenvrijstelling
Ik berust in de genoemde uitspraak van het Gerechtshof s-Gravenhage. Bij de toepassing van de monumentenvrijstelling zal ik de uitspraak van het Gerechtshof in acht nemen. In verband hiermee wordt het tot op heden gevoerde beleid aangepast. Een en ander wordt hierna nader uiteengezet.
De verruimde toepassing van de vrijstelling heeft een voorlopig karakter. Dit voorlopige karakter is ingegeven door het feit dat momenteel een evaluatie plaatsvindt van de vrijstelling.
Zoals ik tijdens de behandeling van de Wet van 3 juli 2008 tot wijziging van een aantal belastingwetten en andere wetten (Stb. 2008, 262) heb aangegeven, zal ik de evaluatie afwachten en mede aan de hand van de uitkomsten daarvan bepalen op welke wijze de vrijstelling van overdrachtsbelasting zal worden vormgegeven.
### 4.3. Toepassing na uitspraak Gerechtshof s-Gravenhage
De vrijstelling geldt thans uitsluitend voor de verkrijging door monumentenrechtspersonen. Dit vereiste kan na de genoemde uitspraak van het Gerechtshof s-Gravenhage buiten toepassing blijven. Voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de WBR keur ik daarom voorlopig het volgende goed.
#### . Goedkeuring
Ik keur goed dat de verkrijging van monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988 is vrijgesteld van overdrachtsbelasting, ongeacht of een monument wordt verkregen door een natuurlijk of een rechtspersoon. De voor een rechtspersoon geldende voorwaarde dat deze hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel heeft, komt te vervallen.
Het bepaalde in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van het UBBR kan buiten toepassing worden gelaten. Ik benadruk hierbij dat het bepaalde in artikel 6, eerste lid en tweede lid, aanhef en onderdeel a, van het UBBR onverkort van toepassing blijft.
Ook behoeft een rechtspersoon, voor de toepassing van de vrijstelling, niet meer door de Minister te worden aangewezen als monumentenrechtspersoon. De mandatering op de voet van artikel 10:3, eerste lid en artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht aan de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Oost-Brabant, wordt hierbij ingetrokken.
De goedkeuring geldt met terugwerkende kracht met ingang van 1 mei 2009 tot de datum waarop de voorziene wijziging van de vrijstelling, opgenomen in artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de WBR in werking treedt. Indien op of na 1 mei 2009 voldoening op aangifte heeft plaatsgevonden dan wel een naheffingsaanslag onherroepelijk is komen vast te staan, zal de inspecteur van de Belastingdienst op verzoek teruggaaf of vermindering van overdrachtsbelasting verlenen. Er wordt niet teruggekomen op voldoeningen op aangifte dan wel naheffingsaanslagen die vóór 1 mei 2009 onherroepelijk zijn komen vast te staan. Aan de vermindering of teruggaaf verbindt de inspecteur het voorbehoud als bedoeld in onderdeel 5 van dit besluit.
### 4.4. Verkrijging van een onroerende zaak voordat deze is aangewezen
De vrijstelling geldt uitsluitend voor de verkrijging van monumenten. De vrijstelling geldt derhalve niet als een onroerende zaak wordt verkregen voordat deze als monument is ingeschreven in de registers (artikel 6, eerste lid, van het UBBR). Met het oog op het behoud wordt soms al voor de bedoelde inschrijving een onroerende zaak verkregen. Dit bijvoorbeeld als een dringende restauratie noodzakelijk is. Ik acht het niet altijd gewenst dat in een dergelijk geval overdrachtsbelasting wordt geheven. Ik keur daarom het volgende goed.
#### . Goedkeuring
Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de vrijstelling ook geldt voor de verkrijging van een onroerende zaak voordat deze als monument is ingeschreven in de registers.
#### . Voorwaarden
Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
De aanvraag tot aanwijzing als monument is gedaan uiterlijk op het moment van de verkrijging.
De onroerende zaak is binnen tien maanden na de verkrijging als monument ingeschreven in de registers.
Er wordt tijdig een aangifte ingediend met daarin een beroep op de vrijstelling. Bij deze aangifte wordt gevoegd een afschrift van het verzoek tot aanwijzing als monument.
Aan het vereiste van artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van het UBBR zal worden voldaan.
Over de in de bovengenoemde tweede voorwaarde genoemde termijn van tien maanden, merk ik nog het volgende op. De termijn sluit aan bij het bepaalde in artikel 3, zesde lid, van de Monumentenwet 1988. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beslist binnen tien maanden na ontvangst van een verzoek om een onroerende zaak aan te wijzen als beschermd monument. Voor zover blijkt dat de in de tweede voorwaarde genoemde termijn van tien maanden niet wordt gehaald, kan deze termijn op verzoek worden opgeschort. Het verzoek kan worden gericht aan de inspecteur van de Belastingdienst, onder opgaaf van de redenen van vertraging. De genoemde inspecteur zal het verzoek honoreren als aan hem aannemelijk wordt gemaakt dat de bedoelde termijnoverschrijding niet aan de aanvrager kan worden toegerekend.
## 5. Voorbehoud aan goedkeuringen
## 6. Ingetrokken regelingen
## 7. Inwerkingtreding