2021-10-01 | BWBR0027122 | Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba

This commit is contained in:
Coornhert 2021-10-01 12:00:00 +00:00
parent 63e10b8045
commit 49361058bf

View file

@ -3741,125 +3741,153 @@ Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer
#### 1. Algemeen
Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de LTUV gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de RWN gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.
Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de LTU gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de RWN gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.
Let op! Per 1 juli 2006 is de LTU gewijzigd in Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (LTUV).
Let op: Per 1 juli 2006 is de LTU gewijzigd in Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (LTUV). Sinds 1 december 2018 (AB 2018, no. 70 en AB 2018, no.71) is weer sprake van de Landsverordening toelating en uitzetting (artikel 37 LTU).
In paragraaf 2 wordt aangegeven welke verblijfstitels er op grond van de LTUV in Aruba bestaan. In paragraaf 3 wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Voor een naturalisatieverzoek (maar ook voor een optieverzoek) moet de niet-Nederlander tot Aruba zijn toegelaten in overeenstemming met de in de LTUV geldende bepalingen. Jegens houders van een niet-conform de LTUV verstrekte toelating bestaan in het kader van de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd, tenzij het op 1 december 2018 ingevoerde overgangsrecht van toepassing is (zie par. 3.1.1. voor de verblijfsvergunning tijdelijk verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst en par. 2 voor de verklaring van toelating van rechtswege (artikel 3, g en h LTUV)).
In paragraaf 2 wordt aangegeven welke verblijfstitels er op grond van de LTU in Aruba bestaan. In paragraaf 3 wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Voor een naturalisatieverzoek (maar ook voor een optieverzoek) moet de niet-Nederlander tot Aruba zijn toegelaten in overeenstemming met de in de LTU geldende bepalingen. Jegens houders van een niet-conform de LTU verstrekte toelating bestaan in het kader van de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd, tenzij het op 1 december 2018 ingevoerde overgangsrecht van toepassing is (zie par. 2.1 voor de verklaring van toelating van rechtswege (artikel 3 g LTU).
Verder wordt beschreven hoe te handelen wanneer de verzoeker niet beschikt over een verblijfsdocument, hij niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, het verblijfsrecht behoort te worden ingetrokken of het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen. In die gevallen kan de vraag of er bedenkingen bestaan in bovenbedoelde zin niet (eenvoudig) aan de hand van een verblijfsdocument worden beantwoord. Zie hiervoor paragraaf 5.
De uiteindelijke beslissing of een verzoeker om naturalisatie wel of niet voldoet aan het criterium uit artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b RWN ligt bij de IND die namens de in de Koninkrijksregering voor het Nederlanderschap verantwoordelijke bewindspersoon oordeelt over de afwijzing of de inwilliging van het verzoek. Daartoe hanteert de IND de dienaangaande in de Nederlandse Handleiding verwoorde uitgangspunten op verblijfsrechtelijk terrein. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 1, eerste lid en onder g, paragraaf 3. Dit betekent dat een als vóórtdurend gekenmerkt verblijfsrecht (doel van het verblijfsrecht is niet-tijdelijk van aard) een verblijfsrecht is waarbij geen bedenkingen tegen het verblijf in het Europese deel van Nederland (dat hiervoor aansluit bij het Vreemdelingenbesluit), Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aanwezig zijn. Daarbij maakt het niet uit of de verblijfsvergunning met dat verblijfsdoel steeds moet worden verlengd. Het maakt daarbij ook niet uit of het verblijfsrecht zelf mogelijk afloopt en weer (met hetzelfde verblijfsdoel) moet worden verlengd.
#### 2. Toelating op grond van de LTU
#### 2. Verblijfsvergunningen en andere verblijfsdocumenten op grond van de LTUV
Toelating tot verblijf in Aruba wordt:
De LTUV onderscheidt de volgende verblijfstitels:
• van rechtswege toegekend; of
• bij vergunning verleend.
1. Een vergunning **tot tijdelijk verblijf** (artikel 6, tweede lid, LTUV; zie hierna sub 3.1 en 3.1.1).
(Artikel 2, 3, 6, 7en 7a van de Landsverordening Toelating en Uitzetting jo. de overgangsbepalingen II, III, IV, V, VI en VII wijziging LTU (AB 2018 no 70 en 71).
Deze vergunning wordt in de praktijk o.a. verleend voor de volgende verblijfsdoelen:
##### 2.1. Van rechtswege toelating tot verblijf:
• tijdelijk verblijf gezin (o.a. gezinshereniging, gezinsvorming);
• tijdelijk verblijf voortgezet gezin/studie;
• tijdelijk verblijf werk/arbeid (o.a. regulier, inwonende dienstbode en beroepspersonen);
• tijdelijk verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst (zie par. 3.1.1.)
• tijdelijk verblijf rentenier: naar haar aard voor onbepaalde tijd, namelijk voor zolang de rentenier over gegarandeerd inkomen beschikt en dit kan aantonen;
• tijdelijk verblijf studie;
• tijdelijk verblijf voor verblijf bij garantsteller;
• tijdelijk verblijf verblijven;
• tijdelijk verblijf animeerpersoon;
• tijdelijk verblijf projectverbonden;
• tijdelijk verblijf stagiaire;
• tijdelijk verblijf asiel.
Van rechtswege toelating wordt toegekend aan degene die voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3 van de LTU (zie ook hierna paragraaf 3.1). Daarvan wordt op aanvraag een verklaring afgegeven (artikel 3, tweede lid, LTU).
Al naargelang het verblijfsdoel worden de vergunningen tot tijdelijk verblijf voor verschillende perioden verleend c.q. verlengd. Dat een vergunning tot tijdelijk verblijf wordt afgegeven wil niet zeggen dat er bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba. Zie sub 3 (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd.
2. Een vergunning **tot verblijf** (artikel 6, derde lid, LTUV jo artikel 7a; zie hierna sub 3.2).
De volgende personen hebben van rechtswege toelating tot verblijf in Aruba:
De vergunning tot verblijf is een vergunning voor onbepaalde tijd welke na verloop van tien jaren rechtmatig verblijf wordt afgegeven aan de vreemdeling.
3. Een verklaring **van toelating van rechtswege** (artikel 3 LTUV).
De volgende personen hebben op grond van artikel 3 LTUV van rechtswege verblijf in Aruba:
a. personen die in dienst zijn van een van de landen van het Koninkrijk of van een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aangewezen ander land of van een internationale organisatie;
a. personen die in dienst zijn van het Land dan wel in dienst bij een van de andere landen van het Koninkrijk, of in dienst zijn van een internationale organisatie, of een door het Land dan wel de andere landen van het Koninkrijk gesubsidieerde instelling, en in Aruba zijn gestationeerd;
b. personen die in dienst zijn geweest van Aruba of vóór 1 januari 1986 in dienst waren van de Nederlandse Antillen of het eilandgebied Aruba en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, alsmede de niet hertrouwde weduwen van zodanige personen;
c. in Aruba als zodanig toegelaten beroepsconsuls, beroepsconsulaire ambtenaren en ander consulair personeel;
d. militairen, gedurende de tijd dat zij in Aruba zijn gestationeerd;
e. opvarende van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen, gedurende de tijd, dat Aruba met toestemming van de bevoegde autoriteit wordt aangedaan;
f. Nederlanders die gedurende langer dan vijf jaar onafgebroken in Aruba van rechtswege toelating hadden of krachtens vergunning.
g. de niet-Nederlander die gehuwd is met en inwoont bij een Nederlander en die beschikt over een verklaring van toelating van rechtswege op grond van het beoogde artikel 3, eerste lid aanhef en onder g uit het voorstel (ZJ 2011-2012-736) tot aanpassing van de LTUV;
h. de minderjarige niet-Nederlander die die beschikt over een verklaring van toelating van rechtswege op grond van het beoogde artikel 3, eerste lid aanhef en onder g uit het voorstel (ZJ 2011-2012-736) tot aanpassing van de LTUV.
d. militairen of civiele personeelsleden, in dienst van een ander land, gedurende de tijd dat zij in Aruba zijn gestationeerd, of op grond van een verdrag toelating in Aruba hebben;
e. opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen, gedurende de tijd, dat Aruba met toestemming van de bevoegde autoriteit wordt aangedaan;
f. Nederlanders die gedurende langer dan vijf jaar in Aruba zijn toegelaten geweest van rechtswege of krachtens vergunning;
g. personen die gedurende ten minste vijf jaar gehuwd zijn met en inwonen bij een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, LTU of een persoon als bedoeld als hiervoor, onderdeel a tot en met f, en gedurende een periode van ten minste vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Aruba hebben of hebben gehad, alsmede de uit dat huwelijk geboren of staande dat huwelijk geadopteerde of erkende minderjarige inwonende kinderen;
h. personen, in Aruba geboren, die de Nederlandse nationaliteit niet bezitten, mits zij de leeftijd van tien jaar hebben bereikt, en sedert hun eerste levensjaar in Aruba zijn toegelaten geweest;
i. echtgenoten of partners in een duurzame relatie, alsmede minderjarige kinderen, voor zover zij een gemeenschappelijke huishouding voeren met een persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, d of e LTU; aan bedoelde echtgenoten of partners worden geen nadere voorwaarden gesteld voor de uitoefening van een beroep of het verrichten van arbeid.
In Aruba was tot 1 juli 2006 het vreemdelingenrecht niet van toepassing op de niet-Nederlandse huwelijkspartner van een Arubaanse Nederlander. De niet-Nederlandse partner was niet-toelatingsplichtig en daarmee rechtmatig op Aruba. De Immigratiedienst van Aruba verstrekte op verzoek een (niet-constitutieve) verklaring-niet toelatingsplichtig. Naturalisatie was wel mogelijk. De niet-Nederlander had rechtmatig verblijf en bij de huwelijkspartner van een onderdaan wordt als hoofdregel aangenomen dat de verblijfsrechtelijke positie in beginsel van niet-tijdelijke aard is.
Ad g
Een verklaring-niet toelatingsplichtig in de zin van artikel 1 LTU wordt vanaf 1 juli 2012 niet meer afgegeven aan niet-Nederlanders, zonder dat de LTUV een nieuwe voorziening kent. Vanaf 1 juli 2012 kunnen alleen Nederlanders in de zin van artikel 1, eerste lid aanhef en onder a t/m c, LTUV aanspraak maken op een dergelijke verklaring.
Artikel 3, eerste lid, onderdeel g, van de LTUV (AB 1993 no. GT 33) luidde van 1 juli 2012 tot 1 december 2018: *g. degene die gehuwd is met en inwoont bij een persoon, genoemd in artikel 1, eerste lid, of een persoon als bedoeld in de onderdelen a tot en met f, alsmede de uit dat huwelijk geboren of staande dat huwelijk geadopteerde of erkende minderjarige inwonende kinderen;*
Wel geldt met ingang van 1 juli 2012 een beleidsinstructie van de DIMAS waarin is bepaald dat deze categorie niet-Nederlanders wordt geacht rechtmatig verblijf te hebben op Aruba. Deze instructie geldt ook voor de niet-Nederlandse huwelijkspartner van een Arubaanse Nederlander die vanaf 2006 jaarlijks een verblijfsvergunning zou moeten aanvragen. Vooruitlopend op de wijziging van de LTUV verstrekt de DIMAS op verzoek een verklaring van rechtswege op grond van (beoogd) artikel 3, eerste lid aanhef en onder g, LTUV, inhoudende dat betrokkene wordt geacht de status van rechtswege toegelaten vreemdeling te hebben op grond van de nieuwe landsverordening. Dit is een toelating van rechtswege op grond van (beoogd) artikel 3, eerste lid aanhef en onder g, LTUV. Staande het huwelijk van ten minste één Nederlander geadopteerde of rechtsgeldig door een Nederlander erkende minderjarige inwonende kinderen krijgen ook een toelating van rechtswege. Veelal zullen deze minderjarigen door de adoptie of de erkenning het Nederlanderschap hebben gekregen. Als dat niet het geval is en er sprake is van een verzoek om medenaturalisatie op grond van artikel 11 RWN dan geldt van april 2013 tot 1 december 2018 een verklaring ex het beoogde artikel 3, eerste lid aanhef en onder g, LTUV als toelating voor onbepaalde tijd.
Degene die op 1 december 2018 van rechtswege toelating tot verblijf had op grond van dit artikel 3, eerste lid, onderdeel g, van de LTUV zoals dat ingevolge Artikel VI van de LTUV AB 2018 no. 70 van 1 juli 2012 tot 1 december 2018 luidde, behield deze verblijfstitel, onverminderd artikel 5, eerste lid, van de LTUV (AB 1993 no. GT 33).
Vooruitlopend en in afwachting van een overeenkomende regularisatie in de LTUV van deze toelating van de echtgenoten en gezinsleden (op beleidsmatige gronden toegelaten van rechtswege zonder grondslag in de LTUV) van een Nederlander, is in de periode april 2013 tot 1 december 2018 door de voor de Rijkswet op het Nederlanderschap verantwoordelijke bewindspersoon, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij verzoeken om naturalisatie het beleid geweest dat deze slechts beleidsmatig totstandgekomen toelating niet in de weg staat aan het verkrijgen van het Nederlanderschap (WBN-A 2013/3). Nu eind 2018 blijkt dat het voorgenomen opnemen in artikel 3 LTUV van deze categorie niet-Nederlanders nog steeds niet heeft plaatsgevonden, is om op de langere termijn de rechtmatigheid van naturalisaties te waarborgen, geoordeeld het naturalisatiebeleid in dezen niet voort te zetten met ingang van 1 december 2018.
Dit is van overeenkomstige toepassing op de uit het bedoelde huwelijk geboren of staande dat huwelijk geadopteerde of erkende minderjarige inwonende kinderen (zie artikel VI en VII van de LTUV 2018, no. 70).
De onder g en h genoemde verklaringen worden per 1 december 2018, behoudens de gevallen waarop het overgangsrecht van toepassing is, niet meer geaccepteerd in de optie- of de naturalisatieprocedure. Een dergelijke verklaring levert derhalve bedenkingen op tegen verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 8-1-b. Ook geldt dat betrokkene niet de gevraagde toelating heeft die art. 6,1,g RWN vereist.
##### 2.2. Toelating tot verblijf bij vergunning verleend
Redengevend hierbij is dat de geldende LTUV de onderdelen g en h, in het geheel niet bevat, zodat aan een op die grond afgegeven verblijfstitel een grondslag in een wettelijke bepaling ontbreekt.
De LTU onderscheidt twee soorten verblijfsvergunningen:
1. Een vergunning** tot tijdelijk verblijf**; en
2. Een vergunning **tot verblijf.**
De vergunning tot tijdelijk verblijf komt voorafgaand aan het verlenen van een vergunning tot verblijf.
1. Een vergunning **tot tijdelijk verblijf** (artikel 6, tweede lid, LTU jo. artikel 7 LTU; zie hierna paragraaf 3.2).
Al naargelang het verblijfsdoel worden de vergunningen tot tijdelijk verblijf voor verschillende perioden verleend c.q. verlengd. Dat een vergunning tot tijdelijk verblijf wordt afgegeven wil niet zeggen dat er bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN. Zie paragraaf 3 (geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd. In artikel 7 van de LTU zijn de voorwaarden en vereisten met betrekking tot een vergunning tot tijdelijk verblijf opgenomen.
2. Een vergunning **tot verblijf** (artikel 6, derde lid, LTU jo. artikel 7a; zie hierna paragraaf 3.3).
De vergunning tot verblijf is een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd welke na verloop van tien jaar rechtmatig verblijf wordt afgegeven aan de vreemdeling. In artikel 7a van de LTU zijn de voorwaarden en vereisten voor de verlening van een vergunning tot verblijf (voor onbepaalde tijd) opgenomen.
In de beleidsinstructie van de DIMAS, gepubliceerd in de Landscourant van Aruba van 12 maart 2021, jaargang 21, editie no. 6, zijn de verblijfsdoelen voortvloeiende uit de artikelen 3, 7 en 7a van de LTU, geclassificeerd naar tijdelijke dan wel niet-tijdelijke aard. Als uitgangspunt geldt dat een verblijfsdoel van een vergunning tot tijdelijk verblijf dat als van tijdelijke aard is geclassificeerd in de beleidsinstructie ook leidt tot het bestaan van bedenkingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b RWN. Dit kan echter anders zijn als sprake zou zijn van het daarmee doorkruisen van een uit de RWN voortkomend recht op naturalisatie.
##### 2.3. Onderscheid van verblijfsrecht naar tijdelijke en niet-tijdelijke aard
**Verblijfsdoelen/vergunningen van tijdelijke aard op grond van LTU:**
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Kort verblijf van maximaal 11 maanden (waaronder animeerpersoon, project verbonden/kortlopend project, Model C, klein/groot/lang evenement, vrijwillig, non-profit/NGO en vroeger ook: kort verblijf);
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Stage;
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Sport (waaronder sport (beoefenaar of trainer), of sport/arbeid);
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Studie (studie, uitwisselingsstudent);
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 19 Toelatingsbesluit: artikel 19 Toelatingsbesluit (voorheen: asiel).
**Andere verblijfsdocumenten/statussen/verklaringen van tijdelijke aard op grond van de LTU:**
Van rechtswege hebben toelating van tijdelijke aard in Aruba:
• personen die in dienst zijn van een van de landen van het Koninkrijk of een internationale organisatie, of door een van de landen van het Koninkrijk gesubsidieerde instelling en in Aruba zijn gestationeerd;
• als zodanig toegelaten beroepsconsuls, beroeps-consulaire ambtenaren en ander consulair personeel;
• militairen of civiele personeelsleden, in dienst van een ander land, gedurende de tijd dat zij in Aruba gestationeerd zijn, of op grond van een verdrag toelating in Aruba hebben;
• opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen gedurende de tijd dat Aruba met toestemming van de bevoegde autoriteit wordt aangedaan.
**Verblijfsdoelen/vergunningen van niet-tijdelijke aard op grond van de LTU:**
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Arbeid in loondienst (waaronder: arbeid in loondienst regulier, beroepspersoon, kennismigrant, vertrouwenspersoon, huishoudelijk personeel inwonend en niet inwonend, directeur);
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Zelfstandige ondernemer (zelfstandige zonder personeel, (digital) nomad, start up, investeerder);
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Gezin (waaronder gezinsvorming, gezinshereniging, verblijf bij partner);
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Voortgezet Gezin (waaronder voortgezet gezin, voortgezet gezin/studie, voortgezet gezin bijzondere meerderjarigen, voorheen bekend onder de benaming verblijf bij garantsteller);
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Bijzondere band met Aruba (voorheen bekend onder de benaming: vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: verblijven, arbeid als zelfstandige);
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Rentenier;
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Gepensioneerde.
**Andere verblijfsdocumenten/statussen/verklaringen van niet-tijdelijke aard op grond van de LTU:**
Van rechtswege hebben toelating tot verblijf van niet tijdelijke aard in Aruba:
• personen die in overheidsdienst zijn getreden;
• personen die in dienst zijn geweest van Aruba of vóór 1 januari 1986 in dienst waren van de Nederlandse Antillen of het eilandgebied Aruba en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, alsmede de niet hertrouwde weduwen van zodanige personen;
• personen die gedurende ten minste vijf jaar gehuwd zijn met en inwonen bij een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, LTU of een persoon als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a tot en met f LTU, en gedurende een periode van ten minste vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Aruba hebben of hebben gehad, alsmede de uit dat huwelijk geboren of staande dat huwelijk geadopteerde of erkende minderjarige inwonende kinderen;
• personen, in Aruba geboren, die de Nederlandse nationaliteit niet bezitten, mits zij de leeftijd van tien jaar hebben bereikt, en sedert hun eerste levensjaar in Aruba zijn toegelaten geweest;
• personen die een verblijfsstatus hebben conform de overgangsbepalingen II, III, IV, V, VI en VII van de LTU, AB 2018, 70/71.
#### 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
De uiteindelijke beslissing of wel of niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba van een verzoeker om naturalisatie ligt bij Onze Minister die oordeelt over de afwijzing of de inwilliging van het verzoek. Daartoe hanteert Onze Minister de dienaangaande in de Nederlandse handleiding verwoorde uitgangspunten op verblijfsrechtelijk terrein. Dit betekent dat een als vóórtdurend gekenmerkt verblijfsrecht (doel van het verblijfsrecht is niet-tijdelijk van aard) een verblijfsrecht is waarbij geen bedenkingen tegen het verblijf in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aanwezig zijn. Daarbij maakt het niet uit of de verblijfsvergunning met dat verblijfsdoel steeds moet worden verlengd. Het maakt daarbij ook niet uit of het verblijfsrecht zelf mogelijk afloopt en weer (met hetzelfde verblijfsdoel) moet worden verlengd.
De uiteindelijke beslissing of al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba van een verzoeker om naturalisatie ligt bij Onze Minister die oordeelt over de afwijzing of de inwilliging van het verzoek. Daartoe hanteert Onze Minister de in de Nederlandse handleiding verwoorde uitgangspunten op verblijfsrechtelijk terrein. Dit betekent dat een als vóórtdurend gekenmerkt verblijfsrecht (doel van het verblijfsrecht is niet-tijdelijk van aard) een verblijfsrecht is waarbij geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland (dat hiervoor aansluit bij het Vreemdelingenbesluit), Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aanwezig zijn. Daarbij maakt het niet uit of de verblijfsvergunning met dat verblijfsdoel steeds moet worden verlengd. Het maakt daarbij ook niet uit of het verblijfsrecht zelf mogelijk afloopt en weer (met hetzelfde verblijfsdoel) moet worden verlengd.
Bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie zal steeds de vraag moeten worden beantwoord of er op grond van de verblijfstitel van de vreemdeling bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Hiervoor geldt voor de verschillende verblijfstitels het volgende.
##### 3.1. De vergunning tot tijdelijk verblijf (vttv)
##### 3.1. Een verklaring van toelating van rechtswege (zie
Een vttv die is verleend met als verblijfsdoel het zoeken en verrichten van arbeid in loondienst die is aangevraagd op of na 1 juli 2006 (zie paragraaf 3.1.1), het verblijf als stagiaire of practicant, het volgen van een studie, het verblijf als au pair, het verblijf in het kader van uitwisseling, het ondergaan van medische behandeling, het verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Aruba kan vertrekken, is tijdelijk van aard. Tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba van verzoekers die in het bezit zijn van een dergelijke vttv bestaan dus bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de RWN.
Ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen in artikel 3 LTU bestaan geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN:
Let op: met betrekking tot het verblijfsdoel het verrichten van arbeid in loondienst geldt tot 1 december 2018 overgangsrecht. Zie toelichting bij overgangsrecht onder paragraaf 3.1.1.
• b. personen die in dienst zijn geweest van Aruba of vóór 1 januari 1986 in dienst waren van de Nederlandse Antillen of het eilandgebied Aruba en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, alsmede de niet hertrouwde weduwen van zodanige personen;
• h. personen, in Aruba geboren, die de Nederlandse nationaliteit niet bezitten, mits zij de leeftijd van tien jaar hebben bereikt, en sedert hun eerste levensjaar in Aruba zijn toegelaten geweest.
Een vttv die is verleend met als verblijfsdoel verrichten van werk/arbeid als zelfstandige, verblijf bij echtgeno(o)t (e) of partner, verblijf bij een ouder of ander gezinslid, verblijfsdoel voortgezet gezin/studie, is niet-tijdelijk van aard. Er bestaan in deze gevallen geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de RWN.
Ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen in artikel 3 LTU bestaan geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN, mits jegens de hoofdverblijfgever zelf ook geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN bestaan:
###### 3.1.1. De vergunning tot tijdelijk verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst
• g. personen die gedurende ten minste vijf jaar gehuwd zijn met en inwonen bij een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, LTU of een persoon als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met f, LTU, en gedurende een periode van ten minste vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Aruba hebben of hebben gehad, alsmede de uit dat huwelijk geboren of staande dat huwelijk geadopteerde of erkende minderjarige inwonende kinderen;
• i. echtgenoten of partners in een duurzame relatie, alsmede minderjarige kinderen, voor zover zij een gemeenschappelijke huishouding voeren met een persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, d of e LTU; aan bedoelde echtgenoten of partners worden geen nadere voorwaarden gesteld voor de uitoefening van een beroep of het verrichten van arbeid.
De huidige Arubaanse Landsverordening (AB 2006, no. 30) bepaalt dat het verblijfsdoel arbeid in loondienst tijdelijk van aard is en beperkt tot maximaal vier jaar. In juni 2012 werd bij het Arubaanse Parlement een herziening van de LTUV aanhangig. Vooruitlopend op de herziening wordt de LTUV op onderdelen niet (meer) uitgevoerd door de DIMAS. Anticiperende beleidsinstructies van Aruba bepalen in de plaats daarvan voor sommige niet-Nederlanders hun vreemdelingenrechtelijke situatie. Dit is ook het geval bij verblijfsrecht voor de vreemdeling die arbeid in loondienst verricht. Dit leidt ertoe dat een vreemdeling die langer dan vier jaar op Aruba is toch een voorgezet legaal verblijf kan hebben met een vijfde of volgende vergunning voor arbeid in loondienst.
Ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, sub a LTU (in Aruba gestationeerde personen die in dienst zijn van Aruba, van een van de andere landen van het Koninkrijk of van een internationale organisatie of een door een van de landen van het Koninkrijk gesubsidieerde instelling) geldt dat zij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moeten hebben om te kunnen aannemen dat er geen bedenkingen bestaan tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba.
In de periode 10 april 2013, de datum waarop de in de Koninkrijksregering voor het Nederlanderschap verantwoordelijke bewindspersoon dit heeft goedgekeurd, tot 1 december 2018 gold het volgende (WBN-A 2013/3). Tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba van een verzoeker om naturalisatie, die in het bezit is van een vttv afgegeven onder het verblijfsdoel verrichten van arbeid in loondienst en die zich bevindt in de toelatingsjaren één tot en met vier, bestaan conform het in Aruba geldende vreemdelingenrecht bedenkingen. Dit betekent dat een verzoek om naturalisatie wordt afgewezen. Als er na vier achtereenvolgende verblijfsvergunningen met het verblijfsdoel arbeid in loondienst aansluitend een vijfde (of later een daarop volgende) verblijfsvergunning arbeid in loondienst is verstrekt, dan werd het verblijfsrecht met ingang van de vijfde verstrekking (toelatingsjaar 5) beschouwd als niet-tijdelijk van aard. Het onderstaande schema lichtte dit toe.
Ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen in artikel 3 LTU bestaan bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN:
Schematisch:
• c. in Aruba als zodanig toegelaten beroepsconsuls, beroepsconsulaire ambtenaren en ander consulair personeel;
• d. militairen of civiele personeelsleden, in dienst van een ander land, gedurende de tijd dat zij in Aruba zijn gestationeerd, of op grond van een verdrag toelating in Aruba hebben;
• e. opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen gedurende de tijd dat Aruba met toestemming van de bevoegde autoriteit wordt aangedaan.
| Vttv verlening (verblijfsdoel: verrichten van arbeid in loondienst) | Verlenging vttv (verblijfdsdoel: verrichten van arbeid in loondienst) | Verlenging vttv (verblijfsdoel: verrichten van arbeid in loondienst) | Vttv verlening o.g.v. bijzondere omstandigheden en gemotiveerd verzoek van werkgever | Vttv verlening; géén bedenkingen; afleggen optieverklaring is mogelijk | Verlenging vttv; géén bedenkingen; verzoek om naturalisatie is mogelijk (als ook voldaan wordt aan de overige voorwaarden voor naturalisatie) |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Vttv/jaar 1 | Vttv/jaar 2 | Vttv/jaar 3 | Vttv/jaar 4 | Vttv/jaar 5 | Vttv/jaar 6 |
##### 3.2. De vergunning tot tijdelijk verblijf (vttv)
Met ingang van 1 december 2018 komt een einde aan het sinds april 2013 geldende tijdelijke beleid en aan het schema, dat het mogelijk maakte om ondanks dat sprake was van een niet met de LTUV overeenstemmende verblijfstitel- het Nederlanderschap te verkrijgen (WBN-A 2013/3). Dit tijdelijke beleid was destijds in het leven geroepen in afwachting van de implementatie van de toegezegde noodzakelijke aanpassingen van de LTUV.
Als uitgangspunt geldt dat een vergunning tot tijdelijk verblijf die als van tijdelijke aard is geclassificeerd in de beleidsinstructie van de DIMAS van 12 maart 2021 (zie paragraaf 2.2) leidt tot het bestaan van bedenkingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b RWN. Dit kan echter anders zijn als een uit de RWN voortkomend recht op naturalisatie daarmee wordt doorkruist.
Arbeid in loondienst is, zolang de LTUV niet op dit punt is gewijzigd, conform de LTUV een verblijfsdoel van tijdelijke aard en levert mitsdien bij een naturalisatieverzoek altijd bedenkingen op tegen het verblijf van onbepaalde tijd in de zin van art 8-1-b. Op verzoeken van vóór 1 december 2018 geldt voor het verblijfsrecht met de beperking het verrichten van arbeid in loondienst dat voor de vijfde keer en volgende keren is verleend, dat dit een verblijfsrecht is waartegen geen bedenkingen bestaan voor onbepaalde tijd. Dit op grond van het op 1 december 2018 ingevoerde overgangsrecht.
Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN bestaan bij de volgende vergunningen:
De vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel arbeid in loondienst afgegeven in het eerste tot en met vierde jaar kan, zolang de LTUV op dit punt niet is gewijzigd in 2018 of later,wel als bewijs van toelating worden gebruikt in een optieprocedure tot verkrijging van het Nederlanderschap, dit omdat deze een LTUV-conforme verblijfstitel oplevert. Dit blijft echter wel een vergunning waarbij bedenkingen bestaan tegen verblijf van *onbepaalde tijd* in de zin van de RWN.
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Arbeid in loondienst (waaronder: arbeid in loondienst regulier, beroepspersoon, kennismigrant, vertrouwenspersoon, huishoudelijk personeel inwonend en niet inwonend, directeur);
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Zelfstandige ondernemer (zelfstandige zonder personeel, (digital) nomad, start up, investeerder);
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Gezin (waaronder gezinsvorming, gezinshereniging, verblijf bij partner);
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Voortgezet gezin (waaronder voortgezet gezin, voortgezet gezin/studie, voortgezet gezin bijzondere meerderjarigen, voorheen bekend onder de benaming verblijf bij garantsteller);
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Bijzondere band met Aruba (voorheen bekend onder de benaming: vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: verblijven, arbeid als zelfstandige);
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Rentenier;
• Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Gepensioneerde.
Voorbeeld 1
##### 3.3. De vergunning tot verblijf
Carlos heeft de Angolese nationaliteit en woont/werkt sinds januari 2012 in Aruba. In januari 2018 krijgt hij zijn zesde opeenvolgende verblijfsvergunning met de beperking het verrichten van arbeid in loondienst. Er is tussen zijn vergunningen geen sprake van verblijfsgaten en ook aan de overige voorwaarden voor naturalisatie voldoet hij. Carlos dient op 6 juni 2018 zijn naturalisatieverzoek in. Omdat het naturalisatieverzoek is ingediend voor 1 december 2018 is op het verzoek overgangsrecht van toepassing. Dit betekent dat tegen de tijd dat op het verzoek wordt beslist (begin 2019) het verzoek kan worden ingewilligd (mits hij op dat moment een zevende verblijfsvergunning met de beperking het verrichten van arbeid in loondienst heeft) omdat het tijdelijke beleid uit de periode 20132018 dat gold voor de verblijfsvergunning met de beperking het verrichten van arbeid in loondienst nog van toepassing is in dit naturalisatieverzoek.
Omdat op dit moment (september 2018) het nog onbekend is wanneer de LTUV wijzigt op dit punt, is in het voorbeeld uitgegaan van een ongewijzigde LTUV op het moment dat het naturalisatieverzoek wordt beoordeeld door de IND.
Voorbeeld 2
Jaime heeft de Colombiaanse nationaliteit en woont/werkt sinds januari 2012 in Aruba. In januari 2018 krijgt hij zijn zesde opeenvolgende verblijfsvergunning met de beperking het verrichten van arbeid in loondienst. Er is tussen zijn vergunningen geen sprake van verblijfsgaten en ook aan de overige voorwaarden voor naturalisatie voldoet hij. Jaime dient op 6 december 2018 zijn naturalisatieverzoek in. Omdat het naturalisatieverzoek is ingediend na 1 december 2018 is op het verzoek de regel van toepassing dat verblijfstitels in overeenstemming dienen te zijn met de geldende LTUV. De zesde opeenvolgende vergunning verblijfsvergunning met de beperking het verrichten van arbeid in loondienst is echter niet in overeenstemming met de geldende LTUV, zolang de LTUV op dit punt niet is gewijzigd in 2018 of later. Dit betekent dat tegen de tijd dat op het verzoek wordt beslist (begin 2019) en de LTUV dan nog niet is gewijzigd, het naturalisatieverzoek wordt afgewezen wegens bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd (art. 8,1,b RWN). Om Jaime de kosten te beparen van een naturalisatieverzoek dat niet voor inwilliging in aanmerking komt, is op 6 december 2018 het beste advies aan hem om het naturalisatieverzoek niet in te dienen.
Ten aanzien van kennismigranten geldt vanaf november 2007 op het voorgaande een uitzondering. Tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba op basis van een vttv voor het verrichten van arbeid in loondienst bestaan ook in de eerste vier toelatingsjaren geen bedenkingen.
##### 3.2. De vergunning tot verblijf
Ten aanzien van verzoekers om naturalisatie die in het bezit zijn van een vergunning tot verblijf bestaan geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba (Zie hierboven paragraaf 2, sub 2).
##### 3.3. Een verklaring van toelating van rechtswege
Ten aanzien van vreemdelingen die in het bezit zijn van een artikel 3 lid 1 sub a LTUV verklaring en die een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben, wordt aangenomen dat er geen bedenkingen bestaan tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba.
Voor de overige categorieën vreemdelingen die in het bezit zijn van een artikel 3 LTUV verklaring geldt dat wel bedenkingen bestaan tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba in de zin van de RWN. Daaronder ook te verstaan vreemdelingen die een verklaring van toelating van rechtswege hebben op grond van het beoogde artikel 3, eerste lid aanhef en onder g, uit het voorstel (ZJ 2011 2012-736) tot aanpassing van de LTUV. Tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba bestaan geen bedenkingen in de zin van de RWN, althans indien het naturalisatieverzoek of de optieverklaring is ingediend c.q. afgelegd vóór 1 december 2018 (zie paragraaf 2).
Ten aanzien van verzoekers om naturalisatie die in het bezit zijn van een vergunning tot verblijf bestaan geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba (zie hierboven paragraaf 2.2, sub 2).
#### 4. Beoordelingsmoment
Hoewel de verzoeker*bij de indiening* van het verzoek het verblijfsdocument moet overleggen waaruit moet blijken of er al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of*op het moment van de beslissing* op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Indien ten tijde van het verzoek*wel*, maar op het moment van de beslissing*geen* bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als er ten tijde van het verzoek*geen*, maar op het moment van de beslissing*wel* bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie98 Vergelijk ABRvS 18 juni 1998, H01.97.0969, ABRvS 5 november 1998, H01.98.0270; ABRvS 26 maart 1999, H01.98.1028.. Indien de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de DIMAS. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de Gouverneur het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek tot naturalisatie buiten behandeling wordt gesteld dan wel wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De Gouverneur kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21 (Advies geen inwilliging van verzoek om naturalisatie).
Hoewel de verzoeker *bij de indiening* van het verzoek het verblijfsdocument moet overleggen waaruit moet blijken of er al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of op* het moment van de beslissing* op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Indien ten tijde van het verzoek *wel*, maar op het moment van de beslissing *geen* bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als er ten tijde van het verzoek *geen*, maar op het moment van de beslissing *wel* bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie1Vergelijk ABRvS 18 juni 1998, H01.97.0969, ABRvS 5 november 1998, H01.98.0270; ABRvS 26 maart 1999, H01.98.1028.. Indien de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de DIMAS. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de Gouverneur het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek tot naturalisatie buiten behandeling wordt gesteld dan wel wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De Gouverneur kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21 (Advies geen inwilliging van verzoek om naturalisatie).
Het bovenstaande neemt niet weg dat een verzoeker (met uitzondering van een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN) op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN op het moment van indiening van het verzoek een onafgebroken periode van vijf jaar toelating moet hebben in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN (zie de toelichting bij dat artikel) en dat die toelating moet voortduren tot en met het moment van beslissen op het verzoek.
Het bovenstaande neemt niet weg dat een verzoeker (met uitzondering van een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede, derde, vierde of vijfde lid, RWN) op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN op het moment van indiening van het verzoek een onafgebroken periode van vijf jaar toelating moet hebben in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN (zie de toelichting bij dat artikel) en dat die toelating moet voortduren tot en met het moment van beslissen op het verzoek.
#### 5. Reden tot intrekking/niet-verlenging/einde van de vergunning tot (tijdelijk) verblijf
@ -3867,11 +3895,17 @@ Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van
Bestaan aanwijzingen dat een verblijfsvergunning dient te worden ingetrokken dan wel niet dient te worden verlengd, dan bestaan ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Dat geldt ook voor een houder van een verklaring van toelating van rechtswege waarbij het vermoeden bestaat dat de toelating is geëindigd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de vreemdelingendienst. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 4 van de toelichting op dit artikellid. De Gouverneur zal de verblijfsrechtelijke status van verzoeker nader onderzoeken. Na dit onderzoek en na vaststelling van de juiste verblijfsrechtelijke status wordt advies uitgebracht aan de IND. Aan de hand van dit advies zal de IND beoordelen of bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd van verzoeker.
In artikel 14 van de LTUV worden de gronden aangegeven die tot intrekking van een vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf kunnen leiden.
Artikel 5 LTU noemt de gronden waarop een toelating van rechtswege (artikel 3 LTU) eindigt.
Het gaat te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een vergunning tot verblijf die naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld99 Vergelijk onder meer ABRvS 5 november 1998, H01.98.0270 en ABRvS 26 maart 1999, H01.98.1028.. Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de vergunning tot (tijdelijk) verblijf die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Vragen omtrent de verlening, de intrekking dan wel de niet-verlenging van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf behoren in beginsel inzet te zijn van een vreemdelingenrechtelijke procedure (dit is een procedure ingevolge de LAR). Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie in het algemeen geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bezien of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfstitel om voor onbepaalde tijd in Aruba te verblijven, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen indien daarom zou worden gevraagd. Indien vreemdelingrechtelijke vragen zich bij het indienen van een verzoek voordoen, dient de verzoeker te worden verwezen naar de vreemdelingendienst (artikel 48, eerste lid BVVN). Bij de vreemdelingendienst kan de verzoeker een aanvraag indienen om een (andere) verblijfstitel en zonodig een vreemdelingrechtelijke procedure volgen. In gevallen waarin een verzoeker in het geheel niet in het bezit is van een verblijfsdocument, niet bereid is om een verblijfsdocument te verkrijgen en niettemin een verzoek om naturalisatie wil indienen, kan het verzoek door de IND met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, Awb buiten behandeling worden gesteld (zie toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.7.4).
De verklaring van toelating van rechtswege eindigt eveneens met het vervallen van de status waarvoor de toelating van rechtswege is verleend. Een toelating van rechtswege vervalt:
De verklaring van toelating van rechtswege kan ook expireren door het vervallen van de status waarvoor de toelating van rechtswege is verleend of door verblijf van langer dan drie jaar buiten Aruba (tenzij men voor studie of voor medische behandeling buiten Aruba verblijft). In deze gevallen dient de houder van een verklaring van toelating van rechtswege zich als gevolg daarvan in het bezit van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf te stellen. Aan de hand van die vergunning tot (tijdelijk) verblijf zal worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd
• (altijd) door het vervallen van de reden waarvoor zij is toegekend;
• voor twee groepen van rechtswege toegelatenen (artikel 3, onderdelen g en h LTU): door verblijf van langer dan tien jaar (sinds 2021 en eerder vijf jaar, sinds 01.12.2018 en voor 01.12.2018 drie jaar) buiten Aruba (tenzij men voor studie, voor medische behandeling of voor vervullen van een publieke taak als ambtenaar of op basis van een arbeidsovereenkomst buiten Aruba verblijft);
• (incidenteel) door een verklaring van de Arubaanse Minister belast met vreemdelingen- en integratiebeleid in het geval van de in artikel 5 LTU omschreven omstandigheden.
In artikel 14 van de LTU worden de gronden aangegeven die tot intrekking van een vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf kunnen leiden.
Het gaat te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een vergunning tot verblijf die naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld2Vergelijk onder meer ABRvS 5 november 1998, H01.98.0270 en ABRvS 26 maart 1999, H01.98.1028. Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de vergunning tot (tijdelijk) verblijf die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Vragen omtrent de verlening, de intrekking dan wel de niet-verlenging van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf behoren in beginsel inzet te zijn van een vreemdelingenrechtelijke procedure (dit is een procedure ingevolge de LAR). Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie in het algemeen geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bezien of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfstitel om voor onbepaalde tijd in Aruba te verblijven, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen indien daarom zou worden gevraagd. Indien vreemdelingrechtelijke vragen zich bij het indienen van een verzoek voordoen, dient de verzoeker te worden verwezen naar de vreemdelingendienst (artikel 48, eerste lid BVVN). Bij de vreemdelingendienst kan de verzoeker een aanvraag indienen om een (andere) verblijfstitel en zonodig een vreemdelingrechtelijke procedure volgen. In gevallen waarin een verzoeker in het geheel niet in het bezit is van een verblijfsdocument, niet bereid is om een verblijfsdocument te verkrijgen en niettemin een verzoek om naturalisatie wil indienen, kan het verzoek door de IND met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, Awb buiten behandeling worden gesteld (zie toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.7.4).
### 8-1-c. Toelichting ad
@ -6098,17 +6132,17 @@ Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN parag
**Trb. 2011,73**
**).**
#### 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening
#### 1. Intrekkingsmogelijkheid bij fraude beperkt tot 12 jaar na uitvaardigen Koninklijk Besluit
Vóór de herziening van de RWN was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan onze Minister in geval van fraude, óók indien gepleegd vóór 1 april 2003, alsnog overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Betrokkene wordt dan geacht dat hij onder de oude RWN wél in het bezit was van het Nederlanderschap maar onder de herziene RWN niet. Intrekking van het Nederlanderschap is echter niet meer mogelijk indien betrokkene sinds de verlening van het Nederlanderschap meer dan twaalf jaar in het bezit is geweest van het Nederlanderschap.
Vóór de herziening van de RWN was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan Onze Minister in geval van fraude overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap.
De terugwerkende kracht van de intrekking wordt beperkt door artikel II RRWN. Op grond van dit artikel werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Hierdoor heeft het intrekkingsbesluit geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór de inwerkingtreding van de Rijkswetten van 21 december 2000 en 18 april 2002 tot wijziging van de RWN. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, maar vanaf het moment van inwerkingtreding van de wijzigingswetten van 2000 en 2002 niet meer in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Tot 1 april 2015 werd de terugwerkende kracht van de intrekking beperkt door artikel II RRWN. Op grond van dit artikel werkte intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Hierdoor had het intrekkingsbesluit geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór de inwerkingtreding van de Rijkswetten van 21 december 2000 en 18 april 2002 tot wijziging van de RWN. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap werd betrokkene geacht wél in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit, maar vanaf het moment van inwerkingtreding van de wijzigingswetten van 2000 en 2002 niet meer in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit.
Ingevolge artikel II, tweede lid, RRWN heeft een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken geen aanspraak op de rechten die de RWN in het algemeen verbindt aan de status van oud-Nederlander. Hij kan dan ook geen optie uitbrengen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN, eerste zinsdeel (verzoeker die te eniger tijd het Nederlanderschap (...) heeft bezeten). Voor de toepassing van laatstbedoelde bepalingen wordt hij geacht het Nederlanderschap niet te hebben bezeten.
Ingevolge artikel II, tweede lid, RRWN heeft een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken geen aanspraak op de rechten die de RWN in het algemeen verbindt aan de status van oud-Nederlander. Hij kan dan ook geen optie uitbrengen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN, eerste zinsdeel (verzoeker die te eniger tijd het Nederlanderschap (...) heeft bezeten).
N.B. In geval van fraude gepleegd bij het uitbrengen van een optieverklaring vóór de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vóór 1 april 2003, is intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk. Een optie die werd uitgebracht vóór de herziening van de RWN was een eenzijdige rechtshandeling. Indien achteraf wordt geconstateerd dat bij het uitbrengen van de optie niet aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, moet worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden, waardoor de betrokkene geacht moet worden nimmer het Nederlanderschap door die optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde.
N.B. In geval van fraude gepleegd bij het uitbrengen van een optieverklaring vóór de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vóór 1 april 2003, is intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk. Een optie die werd uitgebracht vóór de herziening van de RWN was een eenzijdige rechtshandeling. Indien achteraf wordt geconstateerd dat bij het uitbrengen van de optie niet aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, moet worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden, waardoor de betrokkene geacht moet worden nimmer het Nederlanderschap door die optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde.
A heeft in 1997 ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2004 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
A heeft in 1997 ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2021 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
#### 2. Algemeen
@ -6164,21 +6198,23 @@ De intrekking kan tot gevolg hebben dat de betrokkene staatloos wordt. Overigens
In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:
de aard en de ernst van het bedrog, de valse verklaring of de verzwijging;
de eventuele staatloosheid na intrekking;
de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen;
• overige relevante factoren (vergelijk artikel 68, eerste lid, BVVN).
de aard en de ernst van het bedrog, de valse verklaring of de verzwijging;
de eventuele staatloosheid na intrekking;
de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen;
overige relevante factoren (vergelijk artikel 68 BVVN).
In het kader van overige relevante factoren kan onder meer worden gedacht aan eventuele bijzondere omstandigheden en aan de termijn waarbinnen de betrokkene het Nederlanderschap alsnog kan verkrijgen. Blijkt bij de afweging van de belangen een intrekking niet opportuun of disproportioneel, dan wordt niet ingetrokken1Zie TK 1998-1999, 25 891, nr. 5, p. 23-24..^69 Onder de omstandigheden dat betrokkene woonachtig is binnen het Koninkrijk en hetzij door optie, hetzij door naturalisatie, onmiddellijk in aanmerking zou kunnen komen voor verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, is in zijn algemeenheid een intrekking niet opportuun.
In het kader van overige relevante factoren kan onder meer worden gedacht aan eventuele bijzondere omstandigheden en aan de termijn waarbinnen de betrokkene het Nederlanderschap alsnog kan verkrijgen. Blijkt bij de afweging van de belangen een intrekking niet opportuun of disproportioneel, dan wordt niet ingetrokken.3Zie TK 19981999, 25 891, nr. 5, p. 2324. Onder de omstandigheden dat betrokkene woonachtig is binnen het Koninkrijk en hetzij door optie, hetzij door naturalisatie, onmiddellijk in aanmerking zou kunnen komen voor verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, is in zijn algemeenheid een intrekking niet opportuun.
A is genaturaliseerd op 15 april 2003. Mei 2003 wordt A in België veroordeeld wegens het plegen van een gewapende overval in 1999. A gaat in hoger beroep van de veroordeling. A wist bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat de strafzaak tegen hem aanhangig was. Wegens verzwijging tijdens de naturalisatieprocedure van het feit dat er een strafzaak tegen hem loopt, zou het Nederlanderschap kunnen worden ingetrokken. Augustus 2004 wordt de voornemenprocedure gestart. Tijdens de voornemenprocedure tot intrekking voert A in zijn zienswijze aan dat hij onschuldig is en stelt tevens dat van intrekken moet worden afgezien tot er een onherroepelijk strafvonnis is (er is nog niet beslist op het hoger beroep). Verder moet in de belangenafweging worden meegewogen dat hij, nu hij de Belgische nationaliteit kwijt is door naturalisatie tot Nederlander, na intrekking van het Nederlanderschap staatloos zal zijn.
A is genaturaliseerd op 15 april 2003. Mei 2003 wordt A in België veroordeeld wegens het plegen van een gewapende overval in 1999. A gaat in hoger beroep van de veroordeling. A wist bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat de strafzaak tegen hem aanhangig was.
Wegens verzwijging tijdens de naturalisatieprocedure van het feit dat er een strafzaak tegen hem loopt, zou het Nederlanderschap kunnen worden ingetrokken. Augustus 2004 wordt de voornemenprocedure gestart. Tijdens de voornemenprocedure tot intrekking voert A aan dat hij onschuldig is en stelt tevens dat van intrekken moet worden afgezien tot er een onherroepelijk strafvonnis is (er is nog niet beslist op het hoger beroep). Verder moet in de belangenafweging worden meegewogen dat hij, nu hij de Belgische nationaliteit kwijt is door naturalisatie tot Nederlander, na intrekking van het Nederlanderschap staatloos zal zijn.
In de belangenafweging komen de volgende zaken aan de orde:
1. de aard en de ernst van het bedrog, de valse verklaring of de verzwijging;
2. de eventuele staatloosheid na intrekking;
3. de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen;
4. overige relevante factoren (vergelijk artikel 68, eerste lid, BVVN).
4. overige relevante factoren (vergelijk artikel 68 BVVN).
Voor de belangenafweging geldt dat A is genaturaliseerd, terwijl, naar later blijkt, sprake is van ernstige vermoedens dat A gevaar oplevert voor de openbare orde, hetgeen een grond tot weigering voor naturalisatie is. A heeft bij zijn naturalisatie verzwegen dat hij op dat moment strafrechtelijk werd vervolgd en heeft de zogenaamde waarheidsverklaring niet juist ingevuld (de aard van de verzwijging). A heeft een voor naturalisatie relevant feit verzwegen, dat zou hebben geleid tot weigering van zijn verzoek om naturalisatie (de ernst van de verzwijging). Een eventuele intrekking is dan niet, ten opzichte van de aard en de ernst van de verzwijging, disproportioneel.
@ -6692,6 +6728,14 @@ In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meeb
D ontleent bij haar geboorte in 2006 de Dominicaanse nationaliteit aan haar ongehuwde moeder. Op 11 maart 2012 wordt zij erkend door een Nederlandse man. Zij verkrijgt daardoor het Nederlanderschap op grond van artikel 4 lid 2 RWN en behoudt de Dominicaanse nationaliteit. Haar moeder vestigt zich kort daarna met D in Nederland en dient op 20 oktober 2017, na vijf jaar toelating en hoofdverblijf, een verzoek om naturalisatie in. In april 2018 wordt aan haar het Nederlanderschap verleend. De Nederlandse man verzoekt de rechtbank in mei 2018 zijn erkenning van D te vernietigen. De rechtbank gaat daartoe over bij beschikking van 30 september 2018. Daartegen wordt geen hoger beroep ingesteld, zodat de beschikking op 31 december 2018 in kracht van gewijsde gaat. Hoewel uit artikel 1:206 lid 1 BW volgt dat de erkenning wordt geacht nimmer rechtsgevolg te hebben gehad, verliest D het Nederlanderschap niet omdat haar moeder op 31 december 2018 Nederlander was. Dat de moeder op 11 maart 2012 nog geen Nederlander was, is niet van belang.
#### 3. Evenredigheidstoets bij verlies van Unieburgerschap na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
Een minderjarige raakt met het verlies van de Nederlandse nationaliteit ook het Unieburgerschap kwijt, tenzij hij ook een andere EU-nationaliteit bezit. Hij kan bij verlies van het Unieburgerschap verzoeken om toetsing aan het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.
Er vindt een evenredigheidstoets plaats op de individuele situatie van de (toen) minderjarige aan de hand van de feiten en omstandigheden op de datum waarop het verlies van rechtswege is ingetreden.
Voor de beoordeling en de procedure van deze unierechtelijke evenredigheidstoets wordt verwezen naar de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.4.
### 14-7. Toelichting ad
**Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk.**
@ -6829,6 +6873,14 @@ Aan niet op het Unierecht betrekking hebbende argumenten, zoals het argument dat
Als sprake is van onevenredige gevolgen ten aanzien van het verlies van Unierechten, dan herkrijgt de aanvrager het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot de datum van het eerdere van rechtswege verlies. Als geen sprake is van onevenredige gevolgen ten aanzien van het verlies van het Unieburgerschap, dan blijft het verlies in stand, dus herkrijgt de aanvrager niet het Nederlanderschap.
#### 2
Op 5 oktober 2020 is de Rijkswet van 11 september 2020, houdende regels inzake het creëren van tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap gepubliceerd (Rijkswet inperking gevolgen Brexit; Stb. 369). Deze Rijkswet bevat tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap voor Nederlanders, die de Britse nationaliteit verkrijgen.
Na de publicatie in het Staatsblad op 5 oktober 2020 is deze Rijkswet vooralsnog niet in werking getreden (zie artikel 4, eerste lid Rijkswet). De Rijkswet inperking gevolgen Brexit kan slechts worden ingetrokken door een andere Rijkswet. Het toepassen van artikel 4, tweede lid Rijkswet, dat gaat over het vervallen van de Rijkswet, is alleen mogelijk als eerder artikel 4, eerste lid Rijkswet heeft plaats gehad.
Dit betekent dat een Nederlander, die de Britse nationaliteit heeft aangevraagd en verkregen, het Nederlanderschap verliest, tenzij een van de situaties in paragraaf 1.2 bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a RWN van toepassing is of één van de uitzonderingen van artikel 15, tweede lid, RWN.
### 15-1-b. Toelichting ad
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door het afleggen van een verklaring van afstand.**
@ -6953,31 +7005,13 @@ Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
N.B. Onder vigeur van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN kon verlies van het Nederlanderschap niet worden voorkomen door de afgifte van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument. Het verlies kon alleen worden tegengegaan óf door vóór het einde van de periode van tien jaar de woonplaats te vestigen in een ander land dan het geboorteland, óf door afstand te doen van de nationaliteit van het land van geboorte.
##### 1.5. Evenredigheidstoets op verlies van Unierechten na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
##### 1.5. Evenredigheidstoets op verlies van Unieburgerschap na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
Op 12 maart 2019 stelde de rechter van de Europese Unie vast dat de Nederlandse verliesbepalingen van artikel 15, eerste lid en onder c en artikel 16, eerste lid en onder d RWN in overeenstemming zijn met het recht van de Europese Unie. Daaraan verbond de rechter wel als voorwaarde dat in een individuele en concrete situatie het mogelijk is om te laten toetsen of het verlies van het Unieburgerschap, áls dat tegelijkertijd gebeurde met het verlies van het Nederlanderschap, evenredig is aan het door de Nederlandse verliesbepaling beoogde doel.3Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189. In geval van gebleken onevenredigheid moet de verloren nationaliteit met terugwerkende kracht kunnen worden herkregen. Deze uitspraak geldt alleen voor situaties waarin met het verlies van het Nederlanderschap tevens sprake is van verlies van het Unieburgerschap. Het Unieburgerschap is ingevoerd met het Verdrag van Maastricht, dat in werking trad op 1 november 1993. Verlies van het Nederlanderschap van voor 1 november 1993 valt daarom niet onder de uitspraak van de Europese rechter, waardoor in deze gevallen geen evenredigheidstoets op verlies van het Unieburgerschap hoeft plaats te vinden.
Een meerderjarige raakt met het verlies van de Nederlandse nationaliteit ook het Unieburgerschap kwijt, tenzij hij ook een andere EU-nationaliteit bezit. Hij kan dan verzoeken om toetsing aan het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.
Daarna heeft de Raad van State in een uitspraak van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423) geoordeeld dat de evenredigheidstoets op het verlies van het Unieburgerschap kan worden uitgevoerd op basis van het rechtstreeks werkende artikel 20 VWEU.
Voor de beoordeling en de procedure van deze evenredigheidstoets wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.4.
Verder heeft de Raad van State in een uitspraak van 20 mei 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1269) geoordeeld dat een evenredigheidstoets mogelijk moet zijn, indien men het Nederlanderschap is verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. De Raad van State overwoog hierbij dat het Hof een breed toepassingsbereik van de evenredigheidstoets op het oog had (ro. 2.6).
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 3 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:593) geoordeeld dat deze evenredigheidstoetsing en de daaraan verbonden mogelijkheid van herkrijging van het Nederlanderschap met terugwerkende kracht, eveneens kan plaatsvinden in een procedure op grond van artikel 17 RWN.
Naar aanleiding van deze jurisprudentie is een wetswijziging van de RWN in voorbereiding. Totdat de RWN is aangepast kan bij constatering van het automatisch verlies van het Nederlanderschap, een dergelijke evenredigheidstoets worden verricht bij een aanvraag voor een Nederlands paspoort, of een Nederlandse identiteitskaart of door het aanvragen van een Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, zoals beschreven in artikel 15, vierde lid RWN, in combinatie met artikel 61 BvvN.
Indien in een van de voorgaande aanvraagprocedures wordt gesteld dat het automatisch verlies van het Nederlanderschap in een individuele situatie onevenredig is geweest uit het oogpunt van het Unierecht, dan vraagt het betreffende bestuursorgaan advies aan de IND over de evenredigheid van het verlies van het Unieburgerschap.
In de evenredigheidstoets wordt door de IND beoordeeld of het verlies van het Unieburgerschap in het individuele geval gevolgen heeft gehad die vanuit het oogpunt van het Unierecht onevenredig zijn, afgewogen tegen de wettelijke doelstelling van de desbetreffende verliesbepaling.
Bij deze beoordeling komt overigens louter gewicht toe aan gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap en de daaraan verbonden unierechten, zoals de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie, de mogelijkheid daar beroepsactiviteiten te verrichten, en het in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde rechten zoals de eerbiediging van het familie-en gezinsleven en het belang van het kind.
Aan niet op het Unierecht betrekking hebbende argumenten, zoals het argument dat iemand zich nog steeds als Nederlander beschouwt of een sterke verbondenheid voelt met Nederland, komt geen gewicht toe. Evenmin dient rekening te worden gehouden met rechten, die louter gebaseerd zijn op nationaal recht.
In de evenredigheidstoets geldt als peildatum de dag waarop men het Nederlanderschap van rechtswege verloor, waarbij tevens gevolgen die op dat moment redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden meegewogen. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar zijn, worden niet meegewogen.
Als sprake is van onevenredige gevolgen ten aanzien van het verlies van Unierechten, dan herkrijgt de aanvrager het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot de datum van het eerdere van rechtswege verlies. Als geen sprake is van onevenredige gevolgen ten aanzien van het verlies van het Unieburgerschap, dan blijft het verlies in stand, dus herkrijgt de aanvrager niet het Nederlanderschap.
Een beroep op de evenredigheidstoets kan ook plaatsvinden na het verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 15, aanhef en onder c RWN (oud). Het eerste verlies van het Nederlanderschap op grond van artikel 15, aanhef en onder c RWN (oud) vond plaats op 1 januari 1995.
Een evenredigheidstoets kan ook plaatsvinden na het verlies van de Nederlandse nationaliteit en van het Unieburgerschap op grond van artikel 15, aanhef en onder c (oud) RWN indien het verlies plaatsvond op of na 1 januari 1995.
#### 2. Overgangsrecht
@ -7198,28 +7232,42 @@ De adoptie c.q. gezagsvoorziening moet dus het kind het Nederlanderschap hebben
### 16-1-a. Toelichting ad
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit.**
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit.**
N.B. Veelal zal geen verlies van het Nederlanderschap intreden, omdat de moeder van Nederlandse nationaliteit is (zie artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN).
#### 1. Algemeen
Een minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a RWN door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, als de minderjarige daardoor de niet-Nederlandse nationaliteit van deze vreemdeling verkrijgt.
De Nederlandse nationaliteit gaat voor een minderjarige eveneens verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, als de minderjarige deze niet-Nederlandse nationaliteit reeds bezat. Veelal zal overigens geen verlies van het Nederlanderschap intreden, omdat de andere ouder van Nederlandse nationaliteit is (zie artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN).
Ook de andere gronden van artikel 16, tweede lid, RWN kunnen reden zijn, dat het Nederlanderschap niet verloren gaat.
Het minderjarige Nederlandse kind A, geboren in Nederland, heeft de Nederlandse vrouw B tot moeder en wordt erkend door de Indiase man C. Als gevolg van die erkenning is A van Indiase nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent A uitsluitend aan artikel 3, eerste lid, RWN.
Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN ware het niet dat in dit geval het verlies wordt voorkomen, doordat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.
Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. In dit geval verliest de minderjarige de Nederlandse nationaliteit echter niet, omdat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.
Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN). Zodra moeder het Nederlanderschap verliest bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.
Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN). Zodra de moeder het Nederlanderschap verliest bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.
A zou zijn Nederlanderschap door voormelde erkenning evenmin verliezen:
A zou zijn Nederlanderschap door voormelde erkenning evenmin verliezen als:
indien na de erkenning en tijdens de minderjarigheid van A, zijn Nederlandse moeder zou overlijden (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, RWN); óf
indien zijn moeder vóór het tijdstip van de erkenning reeds zou zijn overleden en zij bij haar overlijden het Nederlanderschap bezat (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c, RWN); óf
indien hij het Nederlanderschap (tevens) zou ontlenen aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN); óf
indien hij zou zijn geboren in India en daar ten tijde van de verkrijging van de Indiase nationaliteit zijn hoofdverblijf zou hebben (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, RWN); óf
indien hij gedurende zijn minderjarigheid een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren in India zijn hoofdverblijf zou hebben of zou hebben gehad (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f, RWN).
na de erkenning en tijdens de minderjarigheid van A, zijn Nederlandse moeder zou overlijden (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, RWN); óf
zijn moeder vóór het tijdstip van de erkenning reeds zou zijn overleden en zij bij haar overlijden het Nederlanderschap bezat (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c, RWN); óf
hij het Nederlanderschap (tevens) zou ontlenen aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN); óf
hij zou zijn geboren in India en daar ten tijde van de verkrijging van de Indiase nationaliteit zijn hoofdverblijf zou hebben (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, RWN); óf
hij gedurende zijn minderjarigheid een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren in India zijn hoofdverblijf zou hebben of zou hebben gehad (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f, RWN).
Uit een ongehuwde Indiase vrouw is in 2004 kind F geboren in Amsterdam. F, die de Indiase nationaliteit bezit, is tevens van Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 3, derde lid, RWN.
De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Indiase man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Indiase nationaliteit, zodat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.
#### 2. Evenredigheidstoets op verlies van Unieburgerschap na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
Een minderjarige raakt met het verlies van de Nederlandse nationaliteit ook het Unieburgerschap kwijt, tenzij hij ook een andere EU-nationaliteit bezit. Hij kan verzoeken om toetsing aan het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.
Voor de beoordeling en de procedure van deze evenredigheidstoets wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a RWN, paragraaf 1.4.
Er vindt een evenredigheidstoets plaats op de individuele situatie van de (toen) minderjarige aan de hand van de feiten en omstandigheden op de datum waarop het verlies van rechtswege is ingetreden.
### 16-1-b. Toelichting ad
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door het afleggen van een verklaring van afstand, indien hij de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid.**
@ -7308,15 +7356,32 @@ In 2004 is in Rotterdam kind C geboren uit het huwelijk van A en B. Moeder en va
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien zijn vader of moeder vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt en hij in deze verkrijging deelt of deze nationaliteit reeds bezit.**
Niet alleen als het kind deelt in de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit door de ouder zal het zijn Nederlanderschap verliezen, maar ook als het daarin niet deelt, doch die nationaliteit reeds bezit. Ook hier geldt dat geen verlies van het Nederlanderschap zal intreden indien het kind behoort tot een van de categorieën van artikel 16, tweede lid, RWN.
#### 1. Algemeen
Een minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, als de vader of moeder het Nederlanderschap verliest op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN.
De minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit in de situatie dat hij:
• heeft gedeeld in de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit door de ouder; of
• de andere nationaliteit (die zijn ouder vrijwillig heeft verkregen) reeds bezat en dus niet gedeeld heeft in die vrijwillige verkrijging van de andere nationaliteit.
Ook hier geldt dat geen verlies van het Nederlanderschap zal intreden, als het kind behoort tot een van de categorieën van artikel 16, tweede lid, RWN.
Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.
Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit. A deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.
Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit en zij verliezen beiden de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. A deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.
De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op A niet van toepassing.
Hij kan niet geacht worden te behoren tot de in dat lid genoemde categorieën e en/of f, omdat waar in die categorieën is vermeld de door hem verkregen nationaliteit en/of ten tijde van de verkrijging daarmee in het kader van een casus als de onderhavige wordt bedoeld de door het kind verkregen nationaliteit op het tijdstip van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit door de ouder(s) en niet de door het kind bij geboorte verkregen andere nationaliteit. Aangezien ten aanzien van A niet kan worden gesteld dat hij tegelijk met de naturalisatie van zijn ouders ook zelf een andere nationaliteit heeft verkregen, kan hij zich niet beroepen op de categorieën e en/of f van artikel 16, tweede lid, RWN.
Er is in dit geval namelijk geen sprake van verkrijging van een nationaliteit door A, als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e of f, RWN. A heeft immers de Australische nationaliteit al verkregen bij geboorte.
#### 2. Evenredigheidstoets op verlies van Unieburgerschap na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
Een minderjarige raakt met het verlies van de Nederlandse nationaliteit ook het Unieburgerschap kwijt, tenzij hij ook een andere EU-nationaliteit bezit. Hij kan dan verzoeken om toetsing aan het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
Voor de beoordeling en de procedure van deze evenredigheidstoets wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, in paragraaf 1.4.
Er vindt een evenredigheidstoets plaats op de individuele situatie van de (toen) minderjarige aan de hand van de feiten en omstandigheden op de datum waarop het verlies van rechtswege is ingetreden.
### 16-1-d. Toelichting ad
@ -7369,7 +7434,7 @@ Ook C verliest in 2008 zijn Nederlanderschap. Voor C gaat het Nederlanderschap i
Ook een minderjarige die het Unieburgerschap is verloren vanwege het automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 16, eerste lid aanhef en onder d RWN, kan verzoeken om toetsing aan het evenredigheidsbeginsel uit het oogpunt van het Unierecht. Verlies van de Nederlandse nationaliteit op deze grond vindt plaats als de vader of moeder het Nederlanderschap verliest op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, c of d, RWN of op grond van artikel 15A RWN.
Voor de beoordeling en de procedure van de evenredigheidstoets op het verlies van Unierechten wordt verwezen naar hetgeen is vermeld in paragraaf 1.4 bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a RWN en paragraaf 1.5 bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c RWN.
Voor de beoordeling en de procedure van de evenredigheidstoets op het verlies van Unierechten wordt verwezen naar hetgeen is vermeld in paragraaf 1.4 bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a RWN.
Een evenredigheidstoets op het verlies van het Unieburgerschap kan ook worden uitgevoerd, na het verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c RWN (oud), als de ouders het Nederlanderschap zijn verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder c RWN (oud).
@ -7379,7 +7444,9 @@ Er vindt een evenredigheidstoets plaats op de individuele en persoonlijke situat
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkrijgt als zijn vader of moeder.**
Van verlies op grond van deze bepaling is alleen sprake indien de vreemde nationaliteitswetgeving de mogelijkheid kent dat een (Nederlandse) minderjarige zelfstandig die vreemde nationaliteit kan verkrijgen én de minderjarige door middel van deze zelfstandige verkrijginggrond de vreemde nationaliteit heeft verkregen. Om tot verlies van het Nederlanderschap te kunnen leiden, moet het gaan om een nationaliteit die zijn vader of moeder ook heeft.
#### 1. Algemeen
Van verlies op grond van deze bepaling is alleen sprake indien de vreemde nationaliteitswetgeving de mogelijkheid kent dat een (Nederlandse) minderjarige zelfstandig die vreemde nationaliteit kan verkrijgen én de minderjarige door middel van deze zelfstandige verkrijgingsgrond de vreemde nationaliteit heeft verkregen. Om tot verlies van het Nederlanderschap te kunnen leiden, moet het gaan om een nationaliteit die zijn vader of moeder ook heeft.
Aan de verkrijging moet vrijwilligheid ten grondslag liggen. Zou een minderjarige bijvoorbeeld als gevolg van gewijzigde wetgeving in een bepaald land van rechtswege de nationaliteit van dat land verkrijgen, terwijl dat bovendien de nationaliteit van zijn vader of moeder is, dan zal dat voor de betreffende minderjarige geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg hebben, omdat het element vrijwilligheid ten aanzien van de verkregen nationaliteit ontbreekt. De nationaliteit van de vader of moeder dient aldus vrijwillig te zijn verkregen, hetzij op eigen verzoek, hetzij als gevolg van een namens de minderjarige gepleegde rechtshandeling door zijn wettelijk vertegenwoordiger(s).
@ -7393,6 +7460,14 @@ Echter, in dit geval wordt verlies van het Nederlanderschap voorkomen door artik
Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN.
#### 2. Evenredigheidstoets op verlies van Unieburgerschap na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
Een minderjarige raakt met het verlies van de Nederlandse nationaliteit ook zijn Unieburgerschap kwijt, tenzij hij ook een andere EU-nationaliteit bezit. Hij kan dan verzoeken om toetsing aan het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
Voor de beoordeling en de procedure van deze evenredigheidstoets wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.4.
Er vindt een evenredigheidstoets plaats op de individuele situatie van de (toen) minderjarige aan de hand van de feiten en omstandigheden op de datum waarop het verlies van rechtswege is ingetreden.
### 16-2. Toelichting ad
**Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in:**