2019-01-01 | BWBR0011982 | Besluit personenvervoer 2000
This commit is contained in:
parent
4fd055cdd8
commit
4a84b23d7a
1 changed files with 22 additions and 44 deletions
|
|
@ -18,18 +18,17 @@ citeertitel: Besluit personenvervoer 2000
|
|||
|
||||
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. EER: Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte,
|
||||
b. richtlijn nr. 2004/18/EG: richtlijn nr. 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEU L 134),
|
||||
c. wet: Wet personenvervoer 2000,
|
||||
d. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie,
|
||||
e. passagiersschip: schip als bedoeld in de in artikel 1 van het Binnenvaartbesluit opgenomen definitie van passagiersschip,
|
||||
f. elektronisch vervoerbewijs: vervoerbewijs waarmee de reiziger zich na elektronische registratie toegang kan verschaffen tot het openbaar vervoer;
|
||||
g. boordcomputerkaart: geheugenkaart met chip voor gebruik in de boordcomputer waarmee de boordcomputer de identiteit van de kaarthouder kan vaststellen;
|
||||
h. chauffeurskaart: aan een bestuurder afgegeven boordcomputerkaart waarmee de boordcomputer de identiteit van de desbetreffende bestuurder kan vaststellen en waarop gegevens kunnen worden opgeslagen;
|
||||
i. keuringskaart: aan een erkende werkplaats afgegeven boordcomputerkaart die de desbetreffende werkplaats identificeert en waarmee gegevens kunnen worden overgebracht;
|
||||
j. ondernemerskaart: aan een vervoerder afgegeven boordcomputerkaart die de desbetreffende vervoerder identificeert en waarmee de voor deze in de boordcomputer opgeslagen gegevens zichtbaar kunnen worden gemaakt en overgebracht kunnen worden;
|
||||
k. veerboot: schip als bedoeld in de in artikel 1 van het Binnenvaartbesluit opgenomen definitie van veerboot,
|
||||
l. Verordening (EG) 1370/2007: Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PbEU L 315).
|
||||
- boordcomputerkaart: geheugenkaart met chip voor gebruik in de boordcomputer waarmee de boordcomputer de identiteit van de kaarthouder kan vaststellen;
|
||||
- chauffeurskaart: aan een bestuurder afgegeven boordcomputerkaart waarmee de boordcomputer de identiteit van de desbetreffende bestuurder kan vaststellen en waarop gegevens kunnen worden opgeslagen;
|
||||
- EER: Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte,
|
||||
- keuringskaart: aan een erkende werkplaats afgegeven boordcomputerkaart die de desbetreffende werkplaats identificeert en waarmee gegevens kunnen worden overgebracht;
|
||||
- lidstaat: lidstaat van de Europese Unie,
|
||||
- ondernemerskaart: aan een vervoerder afgegeven boordcomputerkaart die de desbetreffende vervoerder identificeert en waarmee de voor deze in de boordcomputer opgeslagen gegevens zichtbaar kunnen worden gemaakt en overgebracht kunnen worden;
|
||||
- passagiersschip: schip als bedoeld in de in artikel 1 van het Binnenvaartbesluit opgenomen definitie van passagiersschip,
|
||||
- richtlijn nr. 2004/18/EG: richtlijn nr. 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEU L 134),
|
||||
- veerboot: schip als bedoeld in de in artikel 1 van het Binnenvaartbesluit opgenomen definitie van veerboot,
|
||||
- Verordening (EG) 1370/2007: Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PbEU L 315),
|
||||
- wet: Wet personenvervoer 2000.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Werkingssfeer
|
||||
|
||||
|
|
@ -70,13 +69,13 @@ Artikel 32, tweede lid, onderdelen i, j en k, van de wet is niet van toepassing
|
|||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
De artikelen 41 tot en met 43, 45, eerste lid, onderdeel a, 46 en 50 zijn niet van toepassing op openbaar vervoer per trein.
|
||||
De artikelen 45, eerste lid, onderdeel a, en 46 zijn niet van toepassing op openbaar vervoer per trein.
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De artikelen 14, 70 tot en met 74, 76 tot en met 79, 87, 88, eerste lid, 89 tot en met 93, 97 tot en met 99, 101, 103, 105 en 106 van de wet en de artikelen 12 tot en met 23, 26, 28 tot en met 30, hoofdstuk 4 met uitzondering van de artikelen 41, 42, 43 en 50, hoofdstuk 6, met uitzondering van de artikelen 73, 74 en 78, 118, 120, 121, 124 en 126 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op voor een ieder openstaand personenvervoer per auto dat niet volgens een dienstregeling wordt verricht:
|
||||
De artikelen 14, 70 tot en met 74, 76 tot en met 79, 87, 88, eerste lid, 89 tot en met 93, 97 tot en met 99, 101, 103, 105 en 106 van de wet en de artikelen 12 tot en met 23, 26, 28 tot en met 30, hoofdstuk 4, hoofdstuk 6, met uitzondering van de artikelen 73, 74 en 78, 118, 120, 121, 124 en 126 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op voor een ieder openstaand personenvervoer per auto dat niet volgens een dienstregeling wordt verricht:
|
||||
|
||||
a. krachtens een door een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 20 van de wet, met een vervoerder gesloten overeenkomst, welke tot stand is gekomen na een aanbestedingsprocedure krachtens de Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen voor het plaatsen van opdrachten voor dienstverlening,
|
||||
b. op afroep van reizigers, voorzover dat vervoer binnen een door de vervoerder bepaalde tijd vooraf bij hem is besteld en
|
||||
|
|
@ -98,7 +97,7 @@ e. dienstregeling: dienstkenmerken, zijnde het gebied waarbinnen en de tijdstipp
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De artikelen 12, 13, 14, 70 tot en met 74, 87, 88, eerste lid, 89 tot en met 93, 97, 98, 101, 102, 105 en 106 van de wet, en de artikelen 10 en 11, hoofdstuk 4 met uitzondering van de artikelen 41, 42, 43 en 50, van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling per passagiersschip dat wordt verricht:
|
||||
De artikelen 12, 13, 14, 70 tot en met 74, 87, 88, eerste lid, 89 tot en met 93, 97, 98, 101, 102, 105 en 106 van de wet, en de artikelen 10 en 11 en hoofdstuk 4 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling per passagiersschip dat wordt verricht:
|
||||
|
||||
a. krachtens een door een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 20 van de wet met een vervoerder gesloten overeenkomst voor ten hoogste zes jaar of voor een langere duur, voor zover Onze Minister met die duur heeft ingestemd op grond van aanzienlijke investeringen door de vervoerder in voor het te verrichten vervoer noodzakelijke materieel, en
|
||||
b. waarbij de overeenkomst tot stand is gekomen na een procedure van aanbesteding voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening krachtens de Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen voor het plaatsen van opdrachten voor dienstverlening.
|
||||
|
|
@ -475,7 +474,9 @@ De plicht te gedogen, bedoeld in artikel 35 van de wet, geldt ten aanzien van he
|
|||
|
||||
### Artikel 35a
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Aan een concessie als bedoeld in artikel 19 van de wet die wordt verleend of gewijzigd wordt het voorschrift verbonden dat de concessiehouder verplicht om reizigers in staat te stellen een OV-chipkaart die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels als elektronisch vervoerbewijs te gebruiken op het openbaar vervoer dat de concessiehouder aanbiedt.
|
||||
|
||||
**2.** Het voorschrift, bedoeld in het eerste lid, geldt niet ten aanzien van door de concessiehouder aangeboden openbaar vervoer per auto, internationale passagiersvervoersdiensten en bij ministeriële regeling aangewezen soorten openbaar vervoer die daarmee gelijkenis vertonen, tenzij de desbetreffende concessieverlener anders voorschrijft.
|
||||
|
||||
### Artikel 36
|
||||
|
||||
|
|
@ -551,27 +552,15 @@ d. overige gegevens die naar het oordeel van de concessieverlener noodzakelijk z
|
|||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
**1.** Een nationaal vervoerbewijs is geldig in geheel Nederland met uitzondering van de gebieden waarvoor Onze Minister op verzoek van een concessieverlener of ambtshalve heeft bepaald dat het nationaal vervoerbewijs niet geldig is.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het verzoek, bedoeld in het eerste lid, en over de gevallen waarin en over gebieden waarvoor een nationaal vervoerbewijs niet geldig is.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 42
|
||||
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld over de voor nationale vervoerbewijzen geldende tarieven waarbij onder meer onderscheid kan worden gemaakt naar soorten reizigers.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het vaststellen van een tarief kan Onze Minister uitgaan van een zone-indeling.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een model van een nationaal vervoerbewijs:
|
||||
|
||||
a. bevat een vermelding van de prijs van het vervoerbewijs en
|
||||
b. is zodanig ingericht dat de houder van het vervoerbewijs en de in de artikelen 87 en 89 van de wet bedoelde ambtenaren en personen de geldigheid van het vervoerbewijs kunnen vaststellen en
|
||||
c. voldoet aan andere bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld over eisen die aan nationale vervoerbewijzen kunnen worden gesteld, waaronder over de verkrijgbaarheid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Bepalingen voor de reiziger
|
||||
|
||||
|
|
@ -619,7 +608,7 @@ b. zo spoedig mogelijk nadat hij het vervoermiddel of het gedeelte van het stati
|
|||
|
||||
Een elektronisch vervoerbewijs is geldig indien:
|
||||
|
||||
a. het een nationaal elektronisch vervoerbewijs of een op grond van de concessie door of namens de concessiehouder afgegeven elektronisch vervoerbewijs betreft,
|
||||
a. het een op grond van de concessie door of namens de concessiehouder afgegeven elektronisch vervoerbewijs betreft,
|
||||
b. de reismogelijkheden van het elektronisch vervoerbewijs toereikend zijn voor de te maken reis en het vertrekpunt elektronisch is geregistreerd,
|
||||
c. het elektronisch vervoerbewijs, voor zover het op naam is gesteld, overeenstemt met de identiteit van de houder daarvan en
|
||||
d. de te betalen vervoerprijs voor de reis ten minste gelijk is aan het tarief dat de gebruiker van het elektronisch vervoerbewijs daarvoor verschuldigd is.
|
||||
|
|
@ -656,18 +645,7 @@ Zolang een opeisbare schuld ter zake van vervoerbewijzen niet is voldaan, heeft
|
|||
|
||||
### Artikel 50
|
||||
|
||||
**1.** Indien van een nationaal vervoerbewijs met een geldigheidsduur van tenminste een week geen of slechts gedeeltelijk gebruik wordt gemaakt, kan de reiziger onder overlegging van dit vervoerbewijs verzoeken om gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de vervoerprijs of om ontheffing van de, eventueel resterende, betalingsverplichting.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Terugbetaling van de vervoerprijs dan wel ontheffing van de betalingsverplichting vindt slechts plaats indien:
|
||||
|
||||
a. van het vervoerbewijs geen gebruik wordt gemaakt en de reiziger het verzoek om terugbetaling of om ontheffing van de betalingsverplichting indient vóór het tijdstip waarop de geldigheid aanvangt,
|
||||
b. van het vervoerbewijs slechts voor een gedeelte van de termijn van geldigheid gebruik wordt gemaakt, met dien verstande dat de terugbetaling of ontheffing slechts betrekking kan hebben op de termijn waarvoor het vervoerbewijs na overlegging nog geldig is.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die beslist tot terugbetaling van de vervoerprijs of tot ontheffing van de betalingsverplichting is bevoegd om voor de behandeling van verzoeken als bedoeld in het eerste lid een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan administratiekosten in rekening te brengen.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld over de terugbetaling van de vervoerprijs en de ontheffing van de betalingsverplichting.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 51
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue