diff --git a/beleidsregel/omzetbelasting-vrijstellingen-onderwijsvrijstelling/BWBR0035434/README.md b/beleidsregel/omzetbelasting-vrijstellingen-onderwijsvrijstelling/BWBR0035434/README.md index 543a1c514b1..1870a495dd0 100644 --- a/beleidsregel/omzetbelasting-vrijstellingen-onderwijsvrijstelling/BWBR0035434/README.md +++ b/beleidsregel/omzetbelasting-vrijstellingen-onderwijsvrijstelling/BWBR0035434/README.md @@ -10,7 +10,7 @@ citeertitel: Omzetbelasting, vrijstellingen, onderwijsvrijstelling # Omzetbelasting, vrijstellingen, onderwijsvrijstelling -*Dit besluit is een actualisering van he*t besluit van 6 november 2006, *nr. CPP2006/2506M*. +*Dit besluit is een actualisering van he*t besluit van 6 november 2006, *nr. CPP2006/2506M*. *Daarnaast zijn tekstuele wijzigingen aangebracht.* @@ -20,27 +20,21 @@ citeertitel: Omzetbelasting, vrijstellingen, onderwijsvrijstelling – *het* besluit over beroepsopleidingen *(DGB2010/6734M) is geactualiseerd en daarna verwerkt in dit besluit* (onderdelen 4.2, 6 en 8); -– *de splitsing van het RKBO vanaf 1 januari 2014 in een docenten- en een instellingenregister is toegelicht* (onderdeel 6); +– *de splitsing van het RKBO vanaf 1 januari 2014 in een docenten- en een instellingenregister is toegelicht* (onderdeel 6); – *een nieuwe regeling voor taalonderwijs is opgenomen* (onderdeel 9); – *het* besluit over (beroeps)praktijkopleidingen voor eigen personeel van de ondernemer en van samenwerkingsvormen van ondernemers *(CPP2004/353M) is geactualiseerd en daarna verwerkt in dit besluit* (onderdeel 12.5). -Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 14 december, nr. 2018-12850, (Stcrt. 72594). De wijziging betrof de intrekking van onderdeel 5.2. In dat onderdeel ging het over het ter beschikking stellen van onderwijzend personeel als nauw samenhangende prestatie bij het verzorgen van onderwijs. Dat onderwerp is nu opgenomen in het beleidsbesluit Omzetbelasting. Ter beschikking stelling van personeel. - -Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 9 augustus 2019, nr. 2019-6635 (Stcrt. 2019, 49313). De wijziging betrof de intrekking van onderdeel 3.3 over de reikwijdte van de onderwijsvrijstelling bij samenwerkende onderwijsinstellingen. Dat onderwerp is nu opgenomen in het beleidsbesluit Omzetbelasting. Reikwijdte VAVO-arrest bij samenwerkingen, nr. 2019-6225 (Stcrt. 2019, 49314). - ## 1. Inleiding In artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de Wet op de omzetbelasting 1968 is een btw-vrijstelling opgenomen voor het verzorgen van onderwijs. In dit besluit is een toelichting op de wettelijke vrijstelling opgenomen. Ook is goedgekeurd dat voor een aantal diensten de onderwijsvrijstelling wordt toegepast. -Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 6 oktober 2016, nr. BLKB/2016/306. De wijziging betreft het invoegen van een nieuw onderdeel 3.3 in het besluit. In het nieuwe onderdeel 3.3 is de toepassing aangegeven van de onderwijsvrijstelling als sprake is van samenwerking tussen onderwijsinstellingen bij het verzorgen van onderwijs. - ### 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen - *btw:* Omzetbelasting - *btw-richtlijn:* - Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU L 347 van 11 december 2006) + Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU L 347 van 11 december 2006) - *wet:* Wet op de omzetbelasting 1968 - *uitvoeringsbesluit:* @@ -66,7 +60,7 @@ De btw-vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet (hierna: De onderwijsvrijstelling maakt een onderscheid tussen het wettelijk geregelde onderwijs en het bij algemene maatregel van bestuur (artikel 8 van het uitvoeringsbesluit) aan te wijzen onderwijs. Artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet en artikel 8 van het uitvoeringsbesluit zijn gebaseerd op artikel 132, lid 1, onder i en j, van de btw-richtlijn. -Openbare onderwijsinstellingen verzorgen onderwijs als overheid.1Dit uitgangspunt ligt ook besloten in het beleidsbesluit Aftrek van omzetbelasting (BLKB2011/641M), waar in paragraaf 6.4.2 is aangegeven dat een publiekrechtelijk lichaam niet als ondernemer maar als overheid handelt bij het – binnen het kader van zijn overheidshandelingen – verstrekken van wettelijk geregeld onderwijs. Dat onderwijs wordt dus voor de btw-heffing niet in de hoedanigheid van ondernemer verricht en valt buiten het bereik van de btw. Aan de toepassing van de onderwijsvrijstelling wordt in dat geval niet toegekomen. Het verzorgen van onderwijs door bijzondere onderwijsinstellingen valt onder de onderwijsvrijstelling.2Zie ook Hoge Raad 15 juni 2012, 10/01746. Uit dit arrest is het oordeel af te leiden dat rijkssubsidies en les- en cursusgelden voor wettelijk geregeld (beroeps)onderwijs niet zijn te beschouwen als vergoedingen of tegenprestaties in de zin van de wet. Dit vanwege het feit dat de bestreden uitspraak van het Gerechtshof ’s- Hertogenbosch op dit punt niet is gecasseerd door de Hoge Raad en dit oordeel tevens in overeenstemming is met de conclusie van de Advocaat-Generaal in deze zaak. +Openbare onderwijsinstellingen verzorgen onderwijs als overheid.1Dit uitgangspunt ligt ook besloten in het beleidsbesluit Aftrek van omzetbelasting (BLKB2011/641M), waar in paragraaf 6.4.2 is aangegeven dat een publiekrechtelijk lichaam niet als ondernemer maar als overheid handelt bij het – binnen het kader van zijn overheidshandelingen – verstrekken van wettelijk geregeld onderwijs. Dat onderwijs wordt dus voor de btw-heffing niet in de hoedanigheid van ondernemer verricht en valt buiten het bereik van de btw. Aan de toepassing van de onderwijsvrijstelling wordt in dat geval niet toegekomen. Het verzorgen van onderwijs door bijzondere onderwijsinstellingen valt onder de onderwijsvrijstelling.2Zie ook Hoge Raad 15 juni 2012, 10/01746. Uit dit arrest is het oordeel af te leiden dat rijkssubsidies en les- en cursusgelden voor wettelijk geregeld (beroeps)onderwijs niet zijn te beschouwen als vergoedingen of tegenprestaties in de zin van de wet. Dit vanwege het feit dat de bestreden uitspraak van het Gerechtshof ’s- Hertogenbosch op dit punt niet is gecasseerd door de Hoge Raad en dit oordeel tevens in overeenstemming is met de conclusie van de Advocaat-Generaal in deze zaak. Daar waar openbare onderwijsinstellingen onderwijs verzorgen als bedoeld in artikel 11.1.o.1^e van de wet, worden zij voor de toepassing van dit besluit op gelijke voet behandeld met bijzondere onderwijsinstellingen, voor zover het betreft de onderdelen over: @@ -98,17 +92,13 @@ Als onderwijs in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel o, 2^e, van de wet – onderwijs in muziek, dans, drama en beeldende vorming, aan personen jonger dan 21 jaar (zie onderdeel 10); – bijlessen en tentamen- of examentrainingen die worden verzorgd in het kader van het onderwijs als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet. -Op grond van artikel 8, tweede lid, van het uitvoeringsbesluit wordt onder ‘onderwijs’ mede begrepen het afnemen van examens ter afsluiting van onderwijs als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet, ook als een ander dan de ondernemer die voor het desbetreffende examen heeft opgeleid, het examen afneemt. Het afnemen van een examen ter afsluiting van onderwijs dat niet is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet, is belast. Erkenning door het CPION en opname in het RKBO van een ondernemer die het examen afneemt, leveren geen in rechte te honoreren gewekt vertrouwen op dat dan ook het afnemen van examens door die ondernemer is vrijgesteld.3Zie Rechtbank Gelderland, 23 april 2013, LJN BZ 7951. De ondernemer die het examen afneemt, is verantwoordelijk voor de toepassing van het juiste belastingregime bij het afnemen van dat examen. - -### 3.3. Reikwijdte van de onderwijsvrijstelling bij samenwerkende onderwijsinstellingen - -20194931304-09-201909-08-20192019-663520194931304-09-201909-08-20192019-663505-09-2019 +Op grond van artikel 8, tweede lid, van het uitvoeringsbesluit wordt onder ‘onderwijs’ mede begrepen het afnemen van examens ter afsluiting van onderwijs als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet, ook als een ander dan de ondernemer die voor het desbetreffende examen heeft opgeleid, het examen afneemt. Het afnemen van een examen ter afsluiting van onderwijs dat niet is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet, is belast. Erkenning door het CPION en opname in het RKBO van een ondernemer die het examen afneemt, leveren geen in rechte te honoreren gewekt vertrouwen op dat dan ook het afnemen van examens door die ondernemer is vrijgesteld.3Zie Rechtbank Gelderland, 23 april 2013, LJN BZ 7951. De ondernemer die het examen afneemt, is verantwoordelijk voor de toepassing van het juiste belastingregime bij het afnemen van dat examen. ## 4. Reikwijdte van het begrip ‘onderwijs’ en van het begrip ‘beroepsopleidingen’ ### 4.1. Reikwijdte van het begrip ‘onderwijs’ -De wet en de btw-richtlijn geven geen omschrijving van het begrip ‘onderwijs’. Daarom dient voor de betekenis van het begrip te worden aangesloten bij het spraakgebruik. Naar spraakgebruik wordt onderwijs gegeven als een leerkracht aan leerlingen (individueel of in groepsverband) volgens een bepaalde methodiek kennis overdraagt en/of vaardigheden bijbrengt, mits die activiteiten niet een louter recreatief karakter hebben4Zie Hof van Justitie, 14 juni 2007, C-445/05.. Het overdragen van kennis en/of het bijbrengen van vaardigheden staat bij de onderwijsprestatie centraal. +De wet en de btw-richtlijn geven geen omschrijving van het begrip ‘onderwijs’. Daarom dient voor de betekenis van het begrip te worden aangesloten bij het spraakgebruik. Naar spraakgebruik wordt onderwijs gegeven als een leerkracht aan leerlingen (individueel of in groepsverband) volgens een bepaalde methodiek kennis overdraagt en/of vaardigheden bijbrengt, mits die activiteiten niet een louter recreatief karakter hebben4Zie Hof van Justitie, 14 juni 2007, C-445/05.. Het overdragen van kennis en/of het bijbrengen van vaardigheden staat bij de onderwijsprestatie centraal. Niet als onderwijs worden aangemerkt: @@ -118,7 +108,7 @@ Niet als onderwijs worden aangemerkt: – boerderij-educatie waarbij bijvoorbeeld via een rondleiding op de boerderij kinderen leren wat eraan te pas komt voordat voedsel bij hen op tafel staat; – het verzorgen van maatschappelijke stages voor onderwijsinstellingen door ondernemers, andere dan publiekrechtelijke lichamen die tot het verlenen van onderwijs zijn ingesteld of organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden zijn erkend; – de prestatie van een (externe) choreograaf die helpt bij de eindmusical van groep 8 van de basisschool; -– het voorlichten en adviseren van bakkers over stofallergie.5Zie HR 13 november 2009, LJN BB5252. +– het voorlichten en adviseren van bakkers over stofallergie.5Zie HR 13 november 2009, LJN BB5252. ### 4.2. Reikwijdte van het begrip ‘beroepsopleidingen’ @@ -132,7 +122,7 @@ Onderwijs dat zich primair richt op het bijbrengen en ontwikkelen van vaardighed ### 5.1. Algemeen -De vrijstelling voor nauw met het vrijgestelde onderwijs samenhangende leveringen en diensten geldt alleen voor ondernemers die zelf vrijgesteld onderwijs verzorgen. Leveringen en diensten hangen nauw samen met het vrijgestelde onderwijs als zij onontbeerlijk zijn voor het verzorgen daarvan. Alleen dan kunnen zij delen in de vrijstelling.6Zie Hof van Justitie EG, 20 juni 2002, nr. C-287/00 (Commissie – Duitsland). Te denken valt aan het ter beschikking stellen van schoolboeken aan leerlingen door onderwijsinstellingen die vrijgesteld onderwijs verzorgen. +De vrijstelling voor nauw met het vrijgestelde onderwijs samenhangende leveringen en diensten geldt alleen voor ondernemers die zelf vrijgesteld onderwijs verzorgen. Leveringen en diensten hangen nauw samen met het vrijgestelde onderwijs als zij onontbeerlijk zijn voor het verzorgen daarvan. Alleen dan kunnen zij delen in de vrijstelling.6Zie Hof van Justitie EG, 20 juni 2002, nr. C-287/00 (Commissie – Duitsland). Te denken valt aan het ter beschikking stellen van schoolboeken aan leerlingen door onderwijsinstellingen die vrijgesteld onderwijs verzorgen. Niet als nauw met het vrijgestelde onderwijs samenhangende leveringen en diensten kunnen bijvoorbeeld worden aangemerkt: @@ -141,13 +131,35 @@ Niet als nauw met het vrijgestelde onderwijs samenhangende leveringen en dienste ### 5.2. Het ter beschikking stellen van onderwijzend personeel -20187259428-12-201814-12-20182018-1285020187259428-12-201814-12-20182018-1285029-12-2018 +Over de vraag of het ter beschikking stellen van onderwijzend personeel door een onderwijsinstelling kan delen in de vrijstelling van btw voor handelingen die nauw samenhangen met het verstrekken van onderwijs heeft het Hof van Justitie EG in de zaak Horizon College een arrest gewezen.7Hof van Justitie, 14 juni 2007, C-434/05. Het ging in die zaak om het ter beschikking stellen van onderwijzend personeel aan een andere onderwijsinstelling. In die uitspraak heeft het Hof van Justitie beslist dat in de daarin bedoelde situatie het ter beschikking stellen van onderwijzend personeel is vrijgesteld van btw als de terbeschikkingstelling: + +a. plaatsvindt door een onderwijsinstelling; +b. onontbeerlijk is voor het verlenen van onderwijs. Daarvan is sprake als de terbeschikkingstelling van zodanige aard of kwaliteit is dat zonder die terbeschikkingstelling de gelijkwaardigheid van het onderwijs wat betreft niveau en kwaliteit bij de inlenende onderwijsinstelling niet is verzekerd; en +c. er niet in hoofdzaak toe strekt extra opbrengsten te verkrijgen met prestaties die worden verricht in rechtstreekse mededinging met commerciële ondernemers die aan de heffing van btw zijn onderworpen. + +Het Hof van Justitie heeft deze beslissing genomen in een situatie waarin de inlenende partij een onderwijsinstelling is. Dat is niet zonder meer een voorwaarde voor toepassing van de vrijstelling. Zo heeft de Hoge Raad deze beslissing van het Hof van Justitie genuanceerd in het zogenoemde CITO-arrest.8Hoge Raad, 10 september 2010, nr. 08/03624, LJN BK3786. Daarin heeft de Hoge Raad beslist dat het ter beschikking stellen van onderwijzend personeel door een onderwijsinstelling aan CITO een van btw vrijgestelde prestatie is. Dit arrest wordt hierna onder ad b verder besproken. + +Aan de eerste voorwaarde is voldaan als de terbeschikkingstelling van onderwijzend personeel plaatsvindt door een onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet. + +Aan de tweede voorwaarde is voldaan als zonder de terbeschikkingstelling van het onderwijzend personeel niet hetzelfde niveau en dezelfde kwaliteit onderwijs bij de inlenende onderwijsinstelling is verzekerd. Het ter beschikkinggestelde onderwijzend personeel moet beschikken over een zodanig kwalificatieniveau dat de inlenende onderwijsinstelling daarmee kan voldoen aan haar onderwijsverplichting. + +De Hoge Raad heeft met de beslissing in het hiervoor al aangehaalde CITO-arrest een nadere invulling gegeven aan deze voorwaarde. In dat arrest heeft de Hoge Raad beslist dat binnen het Nederlands onderwijsstelsel de kennis en ervaring die de docenten van erkende onderwijsinstellingen in de dagelijkse praktijk opdoen bij het geven van onderwijs van groot belang worden geacht bij het ontwikkelen en opstellen door CITO van de landelijke eindexamens ter afsluiting van (en daarom ook deel uitmakend van) het voortgezet onderwijs. Het door onderwijsinstellingen voor dat doel ter beschikking stellen van in dienst zijnde docenten aan CITO waarborgt de kwaliteit van de eindexamens en optimaliseert de wijze waarop de examens tot stand komen. Aangezien eindexamens een niet weg te denken onderdeel vormen van voortgezet onderwijs, moeten dergelijke onderwijsondersteunende diensten als de onderhavige worden aangemerkt als nauw met onderwijs samenhangende diensten. + +Met betrekking tot de derde voorwaarde heeft het Hof ’s-Gravenhage vastgesteld9Hof ’s-Gravenhage, 15 januari 2009, nr. BK-08/00212, LJN BH2305. dat de terbeschikkingstelling van leraren door het Horizon College er niet in hoofdzaak toe strekte haar extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen die verricht worden in rechtstreekse mededinging met die van commerciële ondernemingen die aan heffing van btw zijn onderworpen. Daarbij heeft het Hof in het bijzonder meegewogen dat het aantal ter beschikking gestelde leraren (8 personen) ten opzichte van het totale personeelsbestand (circa 800) personen zeer gering is. + +Op grond van deze beslissing ben ik van mening dat een onderwijsinstelling die onderwijzend personeel ter beschikking stelt, daarmee niet in hoofdzaak de bedoeling heeft extra opbrengsten te verwerven als: + +a. het ter beschikking stellen van onderwijzend personeel een bijkomende activiteit is van de uitlenende onderwijsinstelling, waarbij het onderwijzend personeel dat naar verwachting niet (volledig) kan worden ingezet voor de primaire onderwijsactiviteit van deze instelling tegen vergoeding ter beschikking wordt gesteld aan een andere onderwijsinstelling. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als onderwijzend personeel boventallig is of als onderwijzend personeel ter beschikking wordt gesteld in het kader van een gezamenlijk onderwijsproject; en +b. het aantal ter beschikking gestelde leerkrachten gering is ten opzichte van het aantal leerkrachten dat onderwijs geeft bij de uitlenende instelling; en +c. alleen de brutoloonkosten worden doorberekend die de uitlenende onderwijsinstelling maakt voor het ter beschikking gestelde onderwijzend personeel. Het berekenen van een redelijke vergoeding voor de werkzaamheden die zijn verbonden aan het optreden als formeel werkgever, vormt geen belemmering om de heffing van btw achterwege te laten. Met het ter beschikking stellen van personeel als geheel mag echter geen winst worden beoogd of gemaakt. Een incidenteel exploitatieoverschot leidt overigens niet direct tot heffing van btw. + +Als de onderwijsinstelling die onderwijzend personeel ter beschikking stelt wel extra opbrengsten verwerft, dan is heffing van btw pas aan de orde als met het ter beschikking stellen van onderwijzend personeel in concurrentie wordt getreden met commerciële ondernemingen die vergelijkbaar personeel ter beschikking stellen. ## 6. RKBO Het RKBO (register kort beroepsonderwijs; hierna register) is een register dat door de betrokken brancheorganisaties is ingesteld. -### . Tekst tot 1 januari 2014 +### . Tekst tot 1 januari 2014 #### . RKBO @@ -167,11 +179,11 @@ Als sprake is van een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, vierde lid, van d De vraag of sprake is van beroepsonderwijs wordt beantwoord door de voor de ondernemer bevoegde inspecteur van de Belastingdienst. -### . Tekst met ingang van 1 januari 2014 +### . Tekst met ingang van 1 januari 2014 #### . RKBO -Met ingang van 1 januari 2014 bestaat het RKBO uit twee registers: een Instellingenregister Beroepsonderwijs en een Docentenregister Beroepsonderwijs. +Met ingang van 1 januari 2014 bestaat het RKBO uit twee registers: een Instellingenregister Beroepsonderwijs en een Docentenregister Beroepsonderwijs. In dit register kunnen onderwijsinstellingen en natuurlijke personen zich laten inschrijven die ‘direct op de markt’ beroepsonderwijs verzorgen. ‘Direct op de markt’ wil zeggen dat zij rechtstreeks voor eigen rekening en risico en voor eigen verantwoordelijkheid overeenkomsten afsluiten voor het verzorgen van beroepsonderwijs. De duur van de opleidingen doet daarbij niet ter zake. @@ -259,7 +271,7 @@ Onderwijs in circustechnieken dat wordt gegeven aan personen jonger dan 21 jaar ### 12.2. Huiswerk- en/of studiebegeleiding -Voor de btw-heffing moet onderscheid worden gemaakt tussen vakinhoudelijke begeleiding en niet-vakinhoudelijke begeleiding. De vakinhoudelijke begeleiding is (verplicht) vrijgesteld als de begeleiding plaatsvindt in het kader van het vrijgestelde onderwijs (zie artikel 11, eerste lid, onderdeel o, 2^e, van de wet in samenhang met artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van het uitvoeringsbesluit). De niet-vakinhoudelijke begeleiding (toezicht houden, bijbrengen van het gewenste studieritme, aanleren studiediscipline en dergelijke) is niet aan te merken als onderwijs als is bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, 2^e, van de wet in samenhang met artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van het besluit10Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 24 februari 1989, nr. 155/1987.. In de praktijk is het niet eenvoudig een scheiding aan te brengen tussen de niet-vakinhoudelijke begeleiding en de vakinhoudelijke begeleiding. Daarom keur ik uit praktische overwegingen het volgende goed. +Voor de btw-heffing moet onderscheid worden gemaakt tussen vakinhoudelijke begeleiding en niet-vakinhoudelijke begeleiding. De vakinhoudelijke begeleiding is (verplicht) vrijgesteld als de begeleiding plaatsvindt in het kader van het vrijgestelde onderwijs (zie artikel 11, eerste lid, onderdeel o, 2^e, van de wet in samenhang met artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van het uitvoeringsbesluit). De niet-vakinhoudelijke begeleiding (toezicht houden, bijbrengen van het gewenste studieritme, aanleren studiediscipline en dergelijke) is niet aan te merken als onderwijs als is bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, 2^e, van de wet in samenhang met artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van het besluit10Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 24 februari 1989, nr. 155/1987.. In de praktijk is het niet eenvoudig een scheiding aan te brengen tussen de niet-vakinhoudelijke begeleiding en de vakinhoudelijke begeleiding. Daarom keur ik uit praktische overwegingen het volgende goed. Ik keur goed dat niet-vakinhoudelijke huiswerk- of studiebegeleiding is vrijgesteld van btw-heffing. @@ -314,12 +326,12 @@ De samenwerkingsverbanden geven samen met verschillende individuele ondernemers De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit: -– het besluit van 14 augustus 1991, nr. VB91/1893. Dit besluit is deels achterhaald en voor een ander deel in geactualiseerde vorm opgenomen in het besluit van 21 december 2012, BLKB2012/1962M -– het besluit van 6 november 2006, nr. CPP2006/2506M -– het besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/6734M -– het besluit van 26 juli 2004, nr. CPP2004/353M +– het besluit van 14 augustus 1991, nr. VB91/1893. Dit besluit is deels achterhaald en voor een ander deel in geactualiseerde vorm opgenomen in het besluit van 21 december 2012, BLKB2012/1962M +– het besluit van 6 november 2006, nr. CPP2006/2506M +– het besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/6734M +– het besluit van 26 juli 2004, nr. CPP2004/353M -Opgemerkt zij dat het besluit van 25 februari 1980, nr. 079-270 (in welk besluit was voorzien in een btw-vrijstelling voor alle taalonderwijs) is ingetrokken bij besluit van 6 januari 1993, WV 92/679. +Opgemerkt zij dat het besluit van 25 februari 1980, nr. 079-270 (in welk besluit was voorzien in een btw-vrijstelling voor alle taalonderwijs) is ingetrokken bij besluit van 6 januari 1993, WV 92/679. ## 14. Inwerkingtreding