From 4bcfebea5f1b957bcc4b668a756207d740b37632 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Fri, 1 Jan 2016 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2016-01-01 | BWBR0017017 | Wet kinderopvang --- wet/wet-kinderopvang/BWBR0017017/README.md | 373 ++++++++++++++++++--- 1 file changed, 328 insertions(+), 45 deletions(-) diff --git a/wet/wet-kinderopvang/BWBR0017017/README.md b/wet/wet-kinderopvang/BWBR0017017/README.md index 22853cd0be5..751cf2accde 100644 --- a/wet/wet-kinderopvang/BWBR0017017/README.md +++ b/wet/wet-kinderopvang/BWBR0017017/README.md @@ -47,6 +47,7 @@ d. bestaande uit de gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen, waaronder - *geregistreerd gastouderbureau:* een in het register kinderopvang ingeschreven gastouderbureau als bedoeld in artikel 1.46, tweede lid; - *geregistreerd kindercentrum:* een in het register kinderopvang ingeschreven kindercentrum als bedoeld in artikel 1.46, tweede lid; - *geregistreerde voorziening voor gastouderopvang:* een in het register kinderopvang ingeschreven voorziening voor gastouderopvang als bedoeld in artikel 1.46, tweede lid; +- *geschillencommissie:* de commissie, bedoeld in artikel 1.57c, eerste lid; - *GGD:* een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid; - *houder:* @@ -206,7 +207,7 @@ b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door: ### Artikel 1.9 -**1.** De bedragen, bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, de mate waarin het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, en het bedrag, bedoeld in artikel 1.8, tweede lid, worden bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen. +**1.** De bedragen, bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, de mate waarin het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, en het bedrag, bedoeld in artikel 1.8, tweede lid, worden bij het begin van het kalenderjaar bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gewijzigd aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen. **2.** @@ -517,6 +518,10 @@ Vervallen #### Paragraaf 2. Eisen +### Artikel 1.48d + +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden + ### Artikel 1.49 **1.** Een houder van een kindercentrum biedt verantwoorde kinderopvang aan waaronder wordt verstaan opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. @@ -754,21 +759,98 @@ f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk. **2.** De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. +### Artikel 1.57b + +**1.** + +De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft ten behoeve van ouders een regeling voor de afhandeling van klachten over: + +a. een gedraging jegens een ouder of een kind van de houder of van voor de houder of door zijn tussenkomst werkzame personen, en +b. de overeenkomst tussen de houder en de ouder. + +**2.** + +De regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt door de houder van een kindercentrum of gastouderbureau schriftelijk vastgelegd en voorziet er in ieder geval in dat: + +a. de ouder zijn klacht schriftelijk bij de houder indient; +b. de houder de klacht zorgvuldig onderzoekt; +c. de houder de ouder zoveel mogelijk op de hoogte houdt van de voortgang van de behandeling van de klacht; +d. de klacht, rekening houdende met de aard ervan, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk zes weken na indiening bij de houder, wordt afgehandeld; +e. de houder de ouder een schriftelijk en met redenen omkleed oordeel op de klacht verstrekt, en +f. er in het oordeel een concrete termijn wordt gesteld waarbinnen eventuele maatregelen naar aanleiding van de klacht zullen zijn gerealiseerd. + +**3.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau brengt de regeling, bedoeld in het eerste lid, alsmede wijzigingen daarvan, op passende wijze onder de aandacht van de ouders en handelt overeenkomstig deze regeling. + +**4.** + +De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar in het eerstvolgende kalenderjaar een verslag wordt opgesteld waarin ten minste wordt opgenomen: + +a. een beknopte beschrijving van de regeling, bedoeld in het eerste lid; +b. de wijze waarop hij die regeling onder de aandacht van de ouders heeft gebracht; +c. het aantal en de aard van de door hem behandelde klachten per locatie; +d. de strekking van de oordelen en de aard van de getroffen maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen e en f, per locatie, en +e. het aantal en de aard van de door de geschillencommissie, bedoeld in artikel 1.57c, eerste lid, behandelde geschillen. + +**5.** Het verslag, bedoeld in het vierde lid, wordt in zodanige vorm opgesteld dat de oordelen niet tot natuurlijke personen herleidbaar zijn, tenzij het de houder betreft. + +**6.** + +In het verslag, bedoeld in het vierde lid, worden niet opgenomen: + +a. het woonadres van een gastouder, voor zover op dat adres geen voorziening voor gastouderopvang is gevestigd, en +b. het woonadres van de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau, wanneer die houder een natuurlijk persoon is en voor zover het kindercentrum of gastouderbureau niet op dit adres gevestigd is. + +**7.** Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald vanaf welk kalenderjaar het verslag, bedoeld in het vierde lid, wordt opgesteld. + +**8.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau zendt het verslag, bedoeld in het vierde lid, voor 1 juni van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het verslag betrekking heeft aan de toezichthouder, genoemd in artikel 1.61, eerste lid, en brengt het verslag gelijktijdig op passende wijze onder de aandacht van de ouders. + +**9.** In afwijking van het vierde lid behoeft geen verslag te worden opgesteld indien er in het betreffende kalenderjaar geen klachten bij de houder zijn ingediend. + +### Artikel 1.57c + +**1.** + +De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau is aangesloten bij een door de Minister van Veiligheid en Justitie erkende geschillencommissie voor het behandelen van geschillen: + +a. tussen de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en een ouder over een onderwerp als bedoeld in artikel 1.57b, eerste lid; +b. tussen de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en de oudercommissie over de toepassing en uitvoering van artikel 1.60 door de houder. + +**2.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau brengt de mogelijkheid om geschillen aan de geschillencommissie voor te leggen op passende wijze onder de aandacht van de ouders. + +**3.** De geschillencommissie, bedoeld in het eerste lid, informeert het college dat een houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau is aangesloten of niet meer is aangesloten bij de geschillencommissie. Het college verwerkt de gegevens, bedoeld in de eerste zin, in het register kinderopvang. + +**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voor de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en de ouder en de oudercommissie verbonden verplichtingen aan de geschillenbeslechting. + +**5.** Bij beschikking van Onze Minister kan een financiële vergoeding worden verstrekt aan de geschillencommissie, bedoeld in het eerste lid. + +### Artikel 1.57d + +Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de artikelen 1.57b en 1.57c en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit hoofdstuk de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. + #### Paragraaf 3. Oudercommissie ### Artikel 1.58 -**1.** Een houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum of gastouderbureau een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in artikel 1.60. +**1.** Een houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt binnen zes maanden na de registratie, bedoeld in artikel 1.46, tweede lid, voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum of gastouderbureau een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in artikel 1.60. -**2.** De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door degenen wier kinderen in het kindercentrum of door tussenkomst van het gastouderbureau worden opgevangen. +**2.** -**3.** Personen werkzaam bij een kindercentrum onderscheidenlijk gastouderbureau zijn geen lid van de oudercommissie van dat kindercentrum of gastouderbureau. +De verplichting tot het instellen van een oudercommissie, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien: -**4.** De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze. +a. de houder zich aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om een oudercommissie in te stellen; en +b. het een kindercentrum, waar maximaal 50 kinderen worden opgevangen, of een gastouderbureau, waarbij maximaal 50 gastouders zijn aangesloten, betreft. + +**3.** In de situatie, bedoeld in het tweede lid, betrekt de houder de ouders aantoonbaar voldoende op een andere wijze bij de onderwerpen, bedoeld in artikel 1.60, eerste lid, biedt de houder de ouders de gelegenheid deel te nemen aan een oudercommissie, stelt de houder voor die oudercommissie in dat geval een reglement vast en zijn artikel 1.59, tweede tot en met vijfde lid, en artikel 1.60 van overeenkomstige toepassing. + +**4.** De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door de ouders van wie de kinderen in het kindercentrum of door tussenkomst van het gastouderbureau worden opgevangen. + +**5.** Personen werkzaam bij een kindercentrum onderscheidenlijk gastouderbureau zijn geen lid van de oudercommissie van dat kindercentrum of gastouderbureau. + +**6.** De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze. ### Artikel 1.59 -**1.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, voor de oudercommissie een reglement vast. +**1.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt binnen zes maanden na de registratie, bedoeld in artikel 1.46, tweede lid, voor de oudercommissie een reglement vast, tenzij er op grond van artikel 1.58, tweede lid, geen oudercommissie is ingesteld. **2.** @@ -790,22 +872,28 @@ c. de zittingsduur van de leden van de oudercommissie. De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot: -a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 1.50, eerste lid, of artikel 1.56, eerste lid; +a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 1.50, eerste lid, in het bijzonder het pedagogisch beleid dat wordt gevoerd, respectievelijk artikel 1.56, eerste lid, in het bijzonder het beleid dat wordt gevoerd inzake het door de gastouder te voeren pedagogisch beleid; b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid; c. openingstijden; -d. het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de kinderen, waaronder het aanbieden van voorschoolse educatie; -e. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten; +d. het beleid met betrekking tot het aanbieden van voorschoolse educatie; +e. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 1.57b, eerste lid; f. wijziging van de prijs van kinderopvang. **2.** Van een advies als bedoeld in het eerste lid kan de houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau slechts afwijken indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen het advies verzet. **3.** De oudercommissie is bevoegd de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau ook ongevraagd te adviseren over de onderwerpen, genoemd in het eerste lid. -**4.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft. +**4.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau voert ten minste eenmaal per 12 maanden overleg met de oudercommissie over de invulling van het nog te voeren pedagogisch beleid en over het al gevoerde pedagogisch beleid, bedoeld in artikel 1.50, eerste lid, respectievelijk artikel 1.56, eerste lid, in verbinding met artikel 1.56b, eerste lid. + +**5.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft. + +**6.** Na vaststelling door de toezichthouder van het inspectierapport, bedoeld in artikel 1.63, eerste lid, bespreekt de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau dit rapport met de oudercommissie. + +**7.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau brengt de mogelijkheid om geschillen aan de geschillencommissie voor te leggen op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. ### Artikel 1.60a -De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 1.60, eerste lid. De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige toepassing. +Vervallen ### Afdeling 4. Handhaving @@ -813,7 +901,7 @@ De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft een regeling vo ### Artikel 1.61 -**1.** Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens afdeling 3 van dit hoofdstuk gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden en de in de bij artikel 1.50b vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur publieke gezondheid van de GGD, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet publieke gezondheid, aan als toezichthouder. +**1.** Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden en de in de bij artikel 1.50b vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur publieke gezondheid van de GGD, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet publieke gezondheid, aan als toezichthouder. **2.** Voor zover een kindercentrum een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau in een woning is gevestigd, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden. @@ -825,13 +913,13 @@ De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft een regeling vo ### Artikel 1.62 -**1.** De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk. +**1.** De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels. -**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid bij ieder geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau jaarlijks of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gestelde regels. +**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid bij ieder geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau jaarlijks of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels. -**3.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid op grond van steekproeven jaarlijks of de exploitatie van geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang in overeenstemming is met de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gestelde regels. +**3.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid op grond van steekproeven jaarlijks of de exploitatie van geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels. -**4.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gestelde regels. +**4.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels. **5.** Indien tijdens een onderzoek als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid tekortkomingen zijn geconstateerd kan de toezichthouder nadien een of meer nadere onderzoeken verrichten. @@ -839,7 +927,7 @@ De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft een regeling vo **1.** De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste tot en met vijfde lid vast in een inspectierapport. -**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. +**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. **3.** Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. Dit lid is niet van toepassing op een inspectierapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, vijfde lid. @@ -865,7 +953,7 @@ c. de houder van een gastouderbureau, indien het rapport betrekking heeft op een ### Artikel 1.65 -**1.** Het college van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven. +**1.** Het college van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven. **2.** In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen. @@ -886,12 +974,49 @@ b. dat de kwaliteit van een gastouderbureau zodanig tekort schiet, en daardoor h **2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens afdeling 3, paragraaf 2, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen of te houden. +#### Paragraaf 2a. Geschillen + +### Artikel 1.66a + +**1.** + +De geschillencommissie verricht haar werkzaamheden op basis van een reglement dat ten minste waarborgt dat: + +a. aan de geschillencommissie een geschil kan worden voorgelegd door een ouder: + +1°. die na de indiening van een klacht bij de houder van een kindercentrum of een gastouderbureau niet tijdig een oordeel heeft ontvangen als bedoeld in artikel 1.57b, tweede lid, onderdeel e; +2°. die een klacht in tweede aanleg wil laten beoordelen; +3°. voor wie behandeling van een klacht overeenkomstig een schriftelijke regeling als bedoeld in artikel 1.57b, eerste lid, niet gewaarborgd is door het ontbreken van die regeling of doordat de regeling niet aan artikel 1.57b, tweede lid, voldoet, of +4°. van wie in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden een klacht bij de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau indient; +b. de geschillencommissie bevoegd is over een geschil door middel van een bindend advies een uitspraak te doen; +c. de geschillencommissie uiterlijk binnen zes maanden na de voorlegging van het geschil uitspraak doet; +d. de geschillencommissie in afwijking van onderdeel c op kortere termijn na voorlegging van het geschil uitspraak doet in gevallen waarin dat, gelet op de aard van het geschil en de daarbij betrokken belangen, is aangewezen; +e. de geschillencommissie de uitspraken over de aan haar voorgelegde geschillen openbaar maakt, zodanig dat deze niet tot natuurlijke- of rechtspersonen herleidbaar zijn, en +f. de geschillencommissie uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter bestaat, en deze leden niet werkzaam zijn voor of bij de houder op wie het geschil betrekking heeft noch anderszins in directe relatie tot de betreffende ouder of houder staan. + +**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot geschillenbeslechting door de geschillencommissie en het reglement, bedoeld in het eerste lid. + +### Artikel 1.66b + +**1.** Indien de oudercommissie een geschil met de houder over de toepassing en de uitvoering van artikel 1.60 door de houder aan de geschillencommissie voorlegt, toetst de geschillencommissie uitsluitend of de houder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft gehandeld. + +**2.** + +Indien de geschillencommissie de oudercommissie in het gelijk stelt, kan zij in haar uitspraak tevens bepalen dat: + +a. de houder zijn besluit geheel of ten dele intrekt; +b. een of meer gevolgen van dat besluit ongedaan worden gemaakt. + +**3.** Indien de houder gebruik maakt van de in artikel 1.58, tweede en derde lid, geboden alternatieve vorm van ouderbetrokkenheid kan, indien deze vorm zich daarvoor leent, bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, dat deze vorm voor de toepassing van het eerste en tweede lid en artikel 1.57c gelijk wordt gesteld met een oudercommissie. Hieraan kunnen voorwaarden worden verbonden. + +**4.** Indien gebruik is gemaakt van de in artikel 1.58, tweede en derde lid, geboden alternatieve vorm van ouderbetrokkenheid, maar deze vorm zich niet leent voor de toepassing van het eerste en tweede lid en artikel 1.57c, kan in plaats daarvan een ouder een geschil over de toepassing en uitvoering van artikel 1.60 aan de geschillencommissie voorleggen en zijn het eerste en tweede lid en artikel 1.57c zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. + +#### Paragraaf 2b. Informatieverstrekking aan de GGD + ### Artikel 1.67 Vervallen -#### Paragraaf 2a. Informatieverstrekking aan de GGD - ### Artikel 1.67a De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtens hoofdstuk 1 gestelde regels. @@ -926,7 +1051,7 @@ Vervallen ### Artikel 1.72 -**1.** Het college kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens afdeling 3 van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 1.65 of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000. +**1.** Het college kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 1.65 of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000. **2.** In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft. @@ -962,9 +1087,27 @@ Vervallen Indien het college voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij de overtreder daarvan kennis onder de vermelding van de gronden waarop het voornemen berust en overlegging van het rapport. -### Artikel 81 +#### Paragraaf 3. Vermelding handhaving -Vervallen +### Artikel 1.81 + +**1.** + +Indien het college de houder in het kader van het toezicht op de naleving van de verplichtingen op basis van dit hoofdstuk: + +a. een sanctie als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht oplegt; +b. een aanwijzing of een bevel als bedoeld in artikel 1.65 geeft, +c. een verbod tot exploitatie als bedoeld in artikel 1.66 oplegt; +d. een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht doet; of +e. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1.72 oplegt; + +wordt daarover een vermelding opgenomen in het register kinderopvang zodra dit besluit onherroepelijk is. + +**2.** De vermelding, bedoeld in het eerste lid, betreft het karakter van de sanctie of van de maatregel, alsmede een beschrijving van de verplichting die niet is nagekomen. + +**3.** Op verzoek verstrekt het college een afschrift van het besluit, bedoeld in het eerste lid, waarin de tot natuurlijke personen herleidbare gegevens, geanonimiseerd worden, met uitzondering van het woonadres van de houder wanneer opvang plaats vindt op dat woonadres. + +**4.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel. ### Artikel 82 @@ -1033,6 +1176,7 @@ In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk berustende bepalingen wordt verstaan ond - *college:* college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar een peuterspeelzaal is gevestigd of zal worden gevestigd; - *GGD:* gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid; - *geregistreerde peuterspeelzaal:* een in het register peuterspeelzaalwerk ingeschreven peuterspeelzaal als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid; +- *geschillencommissie:* de commissie, bedoeld in artikel 2.13b, eerste lid; - *houder:* degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een peuterspeelzaal exploiteert; - *Onze Minister:* Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - *ouder:* bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie het peuterspeelzaalwerk betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een vergoeding op grond van de Jeugdwet buiten beschouwing blijft; @@ -1228,6 +1372,69 @@ b. de personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder een peuterspeelzaa **2.** De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. +### Artikel 2.13a + +**1.** + +De houder treft ten behoeve van ouders een regeling voor de afhandeling van klachten over: + +a. een gedraging jegens een ouder of een kind van de houder of van voor de houder werkzame personen, en +b. de overeenkomst tussen de houder en de ouder. + +**2.** + +De regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt door de houder schriftelijk vastgelegd en voorziet er in ieder geval in dat: + +a. de ouder zijn klacht schriftelijk bij de houder indient; +b. de houder de klacht zorgvuldig onderzoekt; +c. de houder de ouder zoveel mogelijk op de hoogte houdt van de voortgang van de behandeling van de klacht; +d. de klacht, rekening houdende met de aard ervan, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk zes weken na indiening bij de houder, wordt afgehandeld; +e. de houder de ouder een schriftelijk en met redenen omkleed oordeel op de klacht verstrekt, en +f. er in het oordeel een concrete termijn wordt gesteld waarbinnen eventuele maatregelen naar aanleiding van de klacht zullen zijn gerealiseerd. + +**3.** De houder brengt de regeling, bedoeld in het eerste lid, alsmede wijzigingen daarvan, op passende wijze onder de aandacht van de ouders en handelt overeenkomstig deze regeling. + +**4.** + +De houder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar in het eerstvolgende kalenderjaar een verslag wordt opgesteld waarin ten minste wordt opgenomen: + +a. een beknopte beschrijving van de regeling, bedoeld in het eerste lid; +b. de wijze waarop hij die regeling onder de aandacht van de ouders heeft gebracht; +c. het aantal en de aard van de door hem behandelde klachten per locatie; +d. de strekking van de oordelen en de aard van de getroffen maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen e en f, per locatie, en +e. het aantal en de aard van de door de geschillencommissie, bedoeld in artikel 2.13a, eerste lid, behandelde geschillen. + +**5.** Het verslag, bedoeld in het vierde lid, wordt in zodanige vorm opgesteld dat de oordelen niet tot natuurlijke personen herleidbaar zijn, tenzij het de houder betreft. + +**6.** In het verslag, bedoeld in het vierde lid, worden niet opgenomen het woonadres van de houder wanneer die houder een natuurlijk persoon is en voor zover de peuterspeelzaal niet op dit adres gevestigd is. + +**7.** Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald vanaf welk kalenderjaar het verslag, bedoeld in het vierde lid, wordt opgesteld. + +**8.** De houder zendt het verslag, bedoeld in het vierde lid, voor 1 juni van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het verslag betrekking heeft aan de toezichthouder, genoemd in artikel 2.19, eerste lid, en brengt het verslag gelijktijdig op passende wijze onder de aandacht van de ouders. + +**9.** In afwijking van het vierde lid behoeft geen verslag te worden opgesteld indien er in het betreffende kalenderjaar geen klachten bij de houder zijn ingediend. + +### Artikel 2.13b + +**1.** + +De houder is aangesloten bij een door de Minister van Veiligheid en Justitie erkende geschillencommissie voor het behandelen van geschillen: + +a. tussen de houder en een ouder over een onderwerp als bedoeld in artikel 2.13a, eerste lid; +b. tussen de houder en de oudercommissie over de toepassing en uitvoering van artikel 2.17 door de houder. + +**2.** De houder brengt de mogelijkheid om geschillen aan de geschillencommissie voor te leggen op passende wijze onder de aandacht van de ouders. + +**3.** De geschillencommissie, bedoeld in het eerste lid, informeert het college dat een houder is aangesloten of niet meer is aangesloten bij de geschillencommissie. Het college verwerkt de gegevens, bedoeld in de eerste zin, in het register peuterspeelzaalwerk. + +**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voor de houder, de ouder en de oudercommissie verbonden verplichtingen aan de geschillenbeslechting. + +**5.** Bij beschikking van Onze Minister kan een financiële vergoeding worden verstrekt aan de geschillencommissie, bedoeld in het eerste lid. + +### Artikel 2.13c + +Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de artikelen 2.13a en 2.13b en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit bij de uitvoering van dit hoofdstuk de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. + #### Paragraaf 3. Oudercommissie ### Artikel 2.14 @@ -1236,17 +1443,26 @@ Deze paragraaf is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen ### Artikel 2.15 -**1.** Een houder van een peuterspeelzaal biedt voor elk door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal aan degenen van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen, de gelegenheid deel te nemen aan een oudercommissie die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in artikel 2.17. +**1.** Een houder van een peuterspeelzaal stelt binnen zes maanden na de registratie, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, voor elke door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in artikel 2.17. -**2.** De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door degenen van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen. +**2.** -**3.** Personen werkzaam bij een peuterspeelzaal zijn geen lid van de oudercommissie van die peuterspeelzaal. +De verplichting tot het instellen van een oudercommissie, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien: -**4.** De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze. +a. de houder zich aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om een oudercommissie in te stellen; en +b. het een peuterspeelzaal, waar maximaal 50 kinderen worden opgevangen, betreft. + +**3.** In de situatie, bedoeld in het tweede lid, betrekt de houder de ouders aantoonbaar voldoende op een andere wijze bij de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, biedt de houder de ouders de gelegenheid deel te nemen aan een oudercommissie, stelt de houder voor die oudercommissie in dat geval een reglement vast en zijn artikel 2.16, tweede tot en met vijfde lid, en artikel 2.17 van overeenkomstige toepassing. + +**4.** De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door degenen van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen. + +**5.** Personen werkzaam bij een peuterspeelzaal zijn geen lid van de oudercommissie van die peuterspeelzaal. + +**6.** De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze. ### Artikel 2.16 -**1.** De houder stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, voor de oudercommissie een reglement vast. +**1.** De houder stelt binnen zes maanden na de registratie, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, voor de oudercommissie een reglement vast, tenzij er op grond van artikel 2.15, tweede lid, geen oudercommissie is ingesteld. **2.** @@ -1268,22 +1484,28 @@ c. de zittingsduur van de leden van de oudercommissie. De houder stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot: -a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 2.6, eerste lid; +a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 2.6, eerste lid, in het bijzonder het pedagogisch beleid dat wordt gevoerd; b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid; c. openingstijden; -d. het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de kinderen, waaronder voorschoolse educatie; -e. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten; +d. het beleid met betrekking tot voorschoolse educatie; +e. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 2.13a, eerste lid; f. wijziging van de prijs van peuterspeelzaalwerk. **2.** Van een advies als bedoeld in het eerste lid kan de houder slechts afwijken indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van het peuterspeelzaalwerk zich tegen het advies verzet. **3.** De oudercommissie is bevoegd de houder ook ongevraagd te adviseren over de onderwerpen, genoemd in het eerste lid. -**4.** De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft. +**4.** De houder van een peuterspeelzaal voert ten minste eenmaal per 12 maanden overleg met de oudercommissie over de invulling van het nog te voeren pedagogisch beleid en over het al gevoerde pedagogisch beleid, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid. + +**5.** De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft. + +**6.** Na vaststelling door de toezichthouder van het inspectierapport, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, bespreekt de houder dit rapport met de oudercommissie. + +**7.** De houder brengt de mogelijkheid om geschillen aan de geschillencommissie voor te leggen op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. ### Artikel 2.18 -De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid. De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige toepassing voor de oudercommissie. +Vervallen ### Afdeling 3. Handhaving @@ -1291,7 +1513,7 @@ De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommis ### Artikel 2.19 -**1.** Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens afdeling 2 van dit hoofdstuk gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 2.23 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 2.24, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden, en de in de bij artikel 2.8 vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur publieke gezondheid van de GGD, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet publieke gezondheid, aan als toezichthouder. +**1.** Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 2.23 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 2.24, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden, en de in de bij artikel 2.8 vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur publieke gezondheid van de GGD, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet publieke gezondheid, aan als toezichthouder. **2.** Voor zover een peuterspeelzaal is gevestigd in een woning, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden. @@ -1303,11 +1525,11 @@ De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommis ### Artikel 2.20 -**1.** De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk. +**1.** De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels. -**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elke geregistreerde peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden. +**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elke geregistreerde peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden. -**3.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gestelde regels. +**3.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels. **4.** Indien tijdens een onderzoek als bedoeld in het tweede of het derde lid tekortkomingen zijn geconstateerd kan de toezichthouder nadien een of meer nadere onderzoeken verrichten. @@ -1315,7 +1537,7 @@ De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommis **1.** De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, eerste tot en met vierde lid, vast in een inspectierapport. -**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. +**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. **3.** Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. Dit lid is niet van toepassing op een inspectierapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, vierde lid. @@ -1335,7 +1557,7 @@ De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommis ### Artikel 2.23 -**1.** Het college van de gemeente waarin zich een peuterspeelzaal bevindt die de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven. +**1.** Het college van de gemeente waarin zich een peuterspeelzaal bevindt die de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven. **2.** In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen. @@ -1351,6 +1573,41 @@ De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommis #### Paragraaf 2a. Geschillen +### Artikel 2.24a + +**1.** + +De geschillencommissie verricht haar werkzaamheden op basis van een reglement dat ten minste waarborgt dat: + +a. aan de geschillencommissie een geschil kan worden voorgelegd door een ouder: + +1°. die na de indiening van een klacht bij de houder niet tijdig een oordeel heeft ontvangen als bedoeld in artikel 2.13a, tweede lid, onderdeel e; +2°. die een klacht in tweede aanleg wil laten beoordelen; +3°. voor wie behandeling van een klacht overeenkomstig een schriftelijke regeling als bedoeld in artikel 2.13a, eerste lid, niet gewaarborgd is door het ontbreken van die regeling of doordat de regeling niet aan artikel 2.13a, tweede lid, voldoet, of +4°. van wie in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden een klacht bij de houder indient; +b. de geschillencommissie bevoegd is over een geschil door middel van een bindend advies een uitspraak te doen; +c. de geschillencommissie uiterlijk binnen zes maanden na de voorlegging van het geschil uitspraak doet; +d. de geschillencommissie in afwijking van onderdeel c op kortere termijn na voorlegging van het geschil uitspraak doet in gevallen waarin dat, gelet op de aard van het geschil en de daarbij betrokken belangen, is aangewezen, en +e. de geschillencommissie de uitspraken over de aan haar voorgelegde geschillen openbaar maakt, zodanig dat deze niet tot natuurlijke- of rechtspersonen herleidbaar zijn, en +f. de geschillencommissie uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter bestaat, en deze leden niet werkzaam zijn voor of bij de houder op wie het geschil betrekking heeft noch anderszins in directe relatie tot de betreffende ouder of houder staan. + +**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot geschillenbeslechting door de geschillencommissie en het reglement, bedoeld in het eerste lid. + +### Artikel 2.24b + +**1.** Indien de oudercommissie een geschil met de houder over de toepassing en de uitvoering van artikel 2.17 door de houder aan de geschillencommissie voorlegt, toetst de geschillencommissie uitsluitend of de houder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft gehandeld. + +**2.** + +Indien de geschillencommissie de oudercommissie in het gelijk stelt, kan zij in haar uitspraak tevens bepalen dat: + +a. de houder zijn besluit geheel of ten dele intrekt; +b. een of meer gevolgen van dat besluit ongedaan worden gemaakt. + +**3.** Indien de houder gebruik maakt van de in artikel 2.15, tweede en derde lid, geboden alternatieve vorm van ouderbetrokkenheid kan, indien deze vorm zich daarvoor leent, bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, dat deze vorm voor de toepassing van het eerste en tweede lid en artikel 2.13b gelijk wordt gesteld met een oudercommissie. Hieraan kunnen voorwaarden worden verbonden. + +**4.** Indien gebruik is gemaakt van de in artikel 2.15, tweede en derde lid, geboden alternatieve vorm van ouderbetrokkenheid, maar deze vorm zich niet leent voor de toepassing van het eerste en tweede lid en artikel 2.13b, kan in plaats daarvan een ouder een geschil over de toepassing en uitvoering van artikel 2.17 aan de geschillencommissie voorleggen en zijn het eerste en tweede lid en artikel 2.13b zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. + #### Paragraaf 3. Informatie aan minister door colleges ### Artikel 2.25 @@ -1373,12 +1630,32 @@ Deze afdeling is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen. ### Artikel 2.28 -**1.** Het college kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens afdeling 2 van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 2.23 of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 2.24, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000. +**1.** Het college kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 2.23 of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 2.24, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000. **2.** In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft. ### Paragraaf 4a. Vermelding handhaving +### Artikel 2.28a + +**1.** + +Indien het college de houder in het kader van het toezicht op de naleving van de verplichtingen op basis van dit hoofdstuk: + +a. een sanctie als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht oplegt; +b. een aanwijzing of een bevel als bedoeld in artikel 2.23, geeft, +c. een verbod tot exploitatie als bedoeld in artikel 2.24 oplegt; +d. een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht doet; of +e. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 2.28 oplegt; + +wordt daarover een vermelding opgenomen in het register peuterspeelzaalwerk zodra dit besluit onherroepelijk is. + +**2.** De vermelding, bedoeld in het eerste lid, betreft het karakter van de sanctie of van de maatregel, alsmede een beschrijving van de verplichting die niet is nagekomen. + +**3.** Op verzoek verstrekt het college een afschrift van het besluit, bedoeld in het eerste lid, waarin de tot natuurlijke personen herleidbare gegevens, geanonimiseerd worden, met uitzondering van het woonadres van de houder wanneer opvang plaats vindt op dat woonadres. + +**4.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel. + ### Afdeling 5. Experimenten ### Artikel 2.29 @@ -1436,11 +1713,7 @@ Vervallen ### Artikel 3.6a -**1.** In afwijking van artikel 1.5, eerste lid, onder b, heeft een ouder voor het berekeningsjaar 2010 tevens aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft gastouderopvang, die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau, in een of meer voorzieningen voor gastouderopvang die niet in het register kinderopvang zijn opgenomen onder voorwaarde dat is voldaan aan artikel 1.56b, derde, vierde en vijfde lid. - -**2.** Voor zover er geen uniek nummer is verstrekt als bedoeld in artikel 1.10 zoals dat luidde op 31 december 2012, is dat artikel niet van toepassing gedurende het berekeningsjaar 2010. - -**3.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2016. +Vervallen ### Artikel 3.6b @@ -1526,6 +1799,16 @@ In afwijking van artikel 1.1a, vijfde lid, zoals dat luidde op 31 december 2012 Indien er op het moment van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van deze wet een oudercommissie is, geldt de verplichting van artikel 2.16 voor een houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip. +### Artikel 3.8k + +**1.** Artikel 1.57b zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Wet versterking positie ouders kinderopvang en peuterspeelzalen, blijft van toepassing op de behandeling van klachten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van die wet zijn ingediend bij een klachtencommissie als bedoeld in artikel 1.57b, tweede lid. + +**2.** Artikel 1.81 inzake de vermelding van sancties en maatregelen in het register kinderopvang is alleen van toepassing op sancties en maatregelen die na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, van de Wet versterking positie ouders kinderopvang en peuterspeelzalen zijn opgelegd. + +**3.** Artikel 2.13a zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Wet versterking positie ouders kinderopvang en peuterspeelzalen, blijft van toepassing op de behandeling van klachten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel X, van die wet zijn ingediend bij een klachtencommissie als bedoeld in artikel 2.13a, tweede lid. + +**4.** Artikel 2.28a inzake de vermelding van sancties en maatregelen in het register kinderopvang is alleen van toepassing op sancties en maatregelen die na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Z, van de Wet versterking positie ouders kinderopvang en peuterspeelzalen zijn opgelegd. + ### Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving ### Artikel 3.9