2006-07-16 | BWBR0012289 | Vreemdelingencirculaire 2000 (B)
This commit is contained in:
parent
27bf7f49bd
commit
4becc08fff
1 changed files with 53 additions and 596 deletions
|
|
@ -14,10 +14,12 @@ citeertitel: Vreemdelingencirculaire 2000 (B)
|
|||
|
||||
### 1. Algemene inleiding
|
||||
|
||||
In B1 worden de algemene voorschriften behandeld over de mvv (B1/1.1), de verblijfsvergunning regulier, zowel de vergunning voor bepaalde tijd (B1/2) als voor onbepaalde tijd (B1/3). Tevens worden behandeld de rechtsmiddelen die openstaan (B1/4) en het overgangsrecht (B1/5), één en ander voorzover van belang voor de verblijfsvergunning regulier.
|
||||
In B1 worden de algemene voorschriften behandeld over de mvv (zie B1/1.1) en de verblijfsvergunning regulier, zowel voor de vergunning voor bepaalde tijd (zie B1/2) als voor de vergunning voor onbepaalde tijd (zie B1/3). Tevens worden de rechtsmiddelen die openstaan behandeld(zie B1/4).
|
||||
|
||||
|
||||
In B1/2.1 wordt de inwilliging behandeld van de aanvraag tot het verlenen, verlengen en wijzigen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Daarbij worden behandeld de beperking waaronder de verblijfsvergunning wordt verleend (zie B1/2.1.1), de ingangsdatum van de verblijfsvergunning (zie B1/2.1.2), de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning (zie B1/2.1.3), de arbeidsmarktaantekening (zie B1/2.1.5) en de eventuele aantekening omtrent de tijdelijke aard van het verblijfsrecht (zie B1/2.1.6), alsmede de aantekening over de gevolgen van eventueel beroep op de publieke middelen (zie B1/2.1.7) en de voorschriften die aan de vergunning worden verbonden (zie B1/2.1.8).
|
||||
|
||||
|
||||
In B1/2.2 wordt de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd behandeld. Daarbij worden behandeld de gronden waarop de aanvraag kan worden afgewezen, te weten:
|
||||
|
||||
|
||||
|
|
@ -29,10 +31,6 @@ In B1 worden de algemene voorschriften behandeld over de mvv (B1/1.1), de verbli
|
|||
document voor grensoverschrijding (zie B1/2.2.2);
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
middelen van bestaan (zie B1/2.2.3);
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
openbare orde en nationale veiligheid (zie B1/2.2.4);
|
||||
|
||||
|
|
@ -42,17 +40,17 @@ In B1 worden de algemene voorschriften behandeld over de mvv (B1/1.1), de verbli
|
|||
|
||||
|
||||
•
|
||||
arbeid in strijd met de Wav (zie B1/2.2.6);
|
||||
middelen van bestaan (zie B1/2.2.3);
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
arbeid in strijd met de WAV (zie B1/2.2.6);
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
beperking (zie B1/2.2.7);
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
inburgering buitenland (zie B1/2.2.7.1)
|
||||
|
||||
|
||||
•
|
||||
hoofdverblijf (zie B1/2.2.8);
|
||||
|
||||
|
|
@ -63,21 +61,15 @@ In B1 worden de algemene voorschriften behandeld over de mvv (B1/1.1), de verbli
|
|||
|
||||
|
||||
|
||||
In het slot van B1/12.2 is opgenomen een verwijzing naar de relevante artikelen uit het Vb die handelen over aanvragen tot wijziging van een verblijfsvergunning.
|
||||
In het slot van B1/2.2 is een verwijzing opgenomen naar de relevante artikelen uit het Vb die handelen over aanvragen tot wijziging van een verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
|
||||
In B1/2.2.4 worden tevens behandeld de ongewenstverklaring en opheffing daarvan.
|
||||
Voorts worden in B1/2.2 de gevolgen behandeld van de afwijzing van de aanvraag (zie B1/2.2.10), alsmede de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de gevolgen van de intrekking ervan.
|
||||
|
||||
|
||||
Voorts worden in B1/2.2 behandeld de gevolgen van de afwijzing van de aanvraag (zie B1/2.2.10), alsmede de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de gevolgen van de intrekking ervan.
|
||||
Tevens worden behandeld de verlening en verlenging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier wegens het feit dat niet binnen drie jaren onherroepelijk op of verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is beslist (zie B1/2.2.11).
|
||||
|
||||
|
||||
Tevens worden behandeld de verlening en verlenging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier wegens het feit dat niet binnen drie jaren onherroepelijk op een aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is beslist (zie B1/2.2.11).
|
||||
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk wordt de Vw uit 1965 aangeduid met Vw (oud) en de artikelen uit die wet met artikel xx (oud). Waar in de tekst van dit hoofdstuk gesproken wordt van de Vw wordt daarmee, evenals in de overige hoofdstukken van de circulaire, de Vw 2000 bedoeld.
|
||||
|
||||
20065113-03-200624-02-20062006/1220067523-02-200614-02-200615-03-2006Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering in het buitenland (Stb. 2006/28) in werking treedt.
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
#### 1.1. Machtiging tot voorlopig verblijf
|
||||
|
||||
|
|
@ -2315,19 +2307,21 @@ Voor het inkomen van een freelancer (die dat inkomen verwerft uit arbeid op basi
|
|||
|
||||
##### 2.2.4. Openbare orde en nationale veiligheid
|
||||
|
||||
Ingevolge de Vreemdelingenwet kan het verblijf van een vreemdeling in Nederland worden geweigerd dan wel beëindigd, indien de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid. In deze paragraaf zijn de algemene regels opgenomen met betrekking tot de openbare orde bij de verlening, verlenging, wijziging en intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de eerste verblijfsaanvaarding van vreemdelingen en de ontzegging van voortgezet verblijf van vreemdelingen.
|
||||
Ingevolge de Vw kan het verblijf van een vreemdeling in Nederland worden geweigerd dan wel beëindigd, indien de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid. In deze paragraaf zijn de algemene regels opgenomen met betrekking tot de openbare orde bij de verlening, verlenging, wijziging en intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de eerste verblijfsaanvaarding van vreemdelingen en de ontzegging van voortgezet verblijf van vreemdelingen.
|
||||
|
||||
|
||||
Afwijkende bepalingen met betrekking tot de openbare orde bij de verlening, verlenging, wijziging en intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zijn opgenomen voor:
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
•
|
||||
gemeenschapsonderdanen en Turkse onderdanen die rechten ontlenen aan het Associatieverdrag: in B10 en B11;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
•
|
||||
vreemdelingen die in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het feit dat niet binnen drie jaren onherroepelijk op een aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is beslist: in B1/2.2.11;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
•
|
||||
de verblijfsvergunning asiel: in C1/5.13.
|
||||
|
||||
|
||||
|
|
@ -2336,26 +2330,32 @@ Ingevolge de Vreemdelingenwet kan het verblijf van een vreemdeling in Nederland
|
|||
Bepalingen met betrekking tot de openbare orde bij:
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
•
|
||||
de verlening en intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zijn opgenomen in B1/4.4.2;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
•
|
||||
toegang zijn opgenomen in A2/4.2;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
ongewenstverklaring zijn opgenomen in B1/2.2.4.4.
|
||||
•
|
||||
ongewenstverklaring zijn opgenomen in A5.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Onder gevaar voor de openbare orde wordt ook begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid of de (goede) internationale betrekkingen. Ook ongewenste politieke activiteiten kunnen onder het openbare orde begrip worden geschaard. Gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid, de (goede) internationale betrekkingen, of de nationale veiligheid, en ongewenste politieke activiteit, worden per geval beoordeeld. In deze paragraaf zijn derhalve geen algemene regels opgenomen met betrekking tot die gronden om het verblijf van een vreemdeling in Nederland te weigeren of te beëindigen.
|
||||
Indien de vreemdeling reeds in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning, kan wegens gevaar voor de openbare orde worden besloten tot ontzegging van voortgezet verblijf. Bij de ontzegging van voortgezet verblijf (verblijfsbeëindiging) wordt de duur van het verblijf van de vreemdeling op grond van een verblijfsvergunning, direct voorafgaande aan het misdrijf, gerelateerd aan de ernst van de inbreuk op de openbare orde, zoals die blijkt uit de beoordeling daarvan door de (straf)rechter. Daarmee wordt tot uiting gebracht dat naarmate de banden van de vreemdeling met Nederland sterker zijn, de inbreuk op de openbare orde ernstiger dient te zijn om voortgezet verblijf te ontzeggen. In bepaalde gevallen wordt het verblijf niet, of onder zwaardere voorwaarden, beëindigd.
|
||||
Er zijn geen beleidsregels opgenomen omtrent het gevaar voor de nationale veiligheid als grond om verblijf te weigeren dan wel in te trekken. Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling.
|
||||
Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (inter-)nationale ministeries of inlichtingendiensten.
|
||||
|
||||
20059926-05-200513-05-20052005/2520059926-05-200513-05-20052005/2528-05-2005
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling reeds in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning, kan wegens gevaar voor de openbare orde worden besloten tot ontzegging van voortgezet verblijf. Bij de ontzegging van voortgezet verblijf (verblijfsbeëindiging) wordt de duur van het verblijf van de vreemdeling op grond van een verblijfsvergunning, direct voorafgaande aan het misdrijf, gerelateerd aan de ernst van de inbreuk op de openbare orde, zoals die blijkt uit de beoordeling daarvan door de (straf)rechter. Daarmee wordt tot uiting gebracht dat naarmate de banden van de vreemdeling met Nederland sterker zijn, de inbreuk op de openbare orde ernstiger dient te zijn om voortgezet verblijf te ontzeggen. In bepaalde gevallen wordt het verblijf niet, of onder zwaardere voorwaarden, beëindigd.
|
||||
|
||||
|
||||
Er zijn geen beleidsregels opgenomen omtrent het gevaar voor de nationale veiligheid als grond om verblijf te weigeren dan wel in te trekken. Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling.
|
||||
|
||||
|
||||
Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
|
||||
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
###### 2.2.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
|
||||
|
||||
|
|
@ -2406,468 +2406,21 @@ Bij een verblijfsduur van tien jaren, wordt alleen tot verblijfsbeëindiging ove
|
|||
|
||||
Bij de aanvraag die in Nederland wordt ingediend, wordt door iedere vreemdeling van 12 jaar of ouder een antecedentenverklaring ondertekend. De vreemdeling die aangeeft de verklaring niet naar waarheid te kunnen ondertekenen, verschaft daarvoor de reden(en) en onderbouwt die met de relevante gegevens en bescheiden.
|
||||
|
||||
Zowel bij de weigering van eerste verblijf als bij ontzegging van voortgezet verblijf wegens gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid dient steeds beoordeeld te worden of de vreemdeling tevens ongewenst wordt verklaard (Zie B1/2.2.4.4).
|
||||
Zowel bij de weigering van eerste verblijf als bij ontzegging van voortgezet verblijf wegens gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid dient steeds beoordeeld te worden of de vreemdeling tevens ongewenst wordt verklaard (zie A5).
|
||||
|
||||
Bij iedere aanvraag tot het verlenen, het verlengen of het wijzigen van de verblijfsvergunning, alsmede in het kader van een adviesaanvraag inzake een aanvraag tot een mvv worden het SIS, OPS, het HKS en het JDS geraadpleegd. Bij het raadplegen van de systemen wordt zo mogelijk rekening gehouden met eventuele aliassen en alternatieve schrijfwijzen.
|
||||
|
||||
###### 2.2.4.4. Ongewenstverklaring
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
67
|
||||
Vreemdelingenwet:
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
|
||||
De vreemdeling kan door Onze Minister ongewenst worden verklaard:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
indien hij niet rechtmatig in Nederland verblijft en bij herhaling een bij deze wet strafbaar gesteld feit heeft begaan;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 onder a tot en met e dan wel l;
|
||||
|
||||
|
||||
d.
|
||||
ingevolge een verdrag, of
|
||||
|
||||
|
||||
e.
|
||||
in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
Indien de bekendmaking van de beschikking, waarbij de vreemdeling ongewenst wordt verklaard, geschiedt door toezending, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
|
||||
3
|
||||
In afwijking van artikel 8 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf hebben.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*Algemene toelichting*
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel 67, eerste lid, Vreemdelingenwet noemt een vijftal gronden voor ongewenstverklaring. Bij de toepassing van dit artikel worden de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig afgewogen tegen het algemene belang, dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend.
|
||||
Het betreft hier een administratieve maatregel die ten doel heeft bepaalde vreemdelingen, aan wie het niet of niet langer is toegestaan in Nederland te verblijven, uit ons land te weren.
|
||||
|
||||
|
||||
Door de ongewenstverklaring wordt het verblijf in en illegale terugkeer naar Nederland van de vreemdeling strafbaar. Een vreemdeling die in Nederland verblijft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat hij tot ongewenste vreemdeling is verklaard, maakt zich schuldig aan een misdrijf (artikel 197 WvS).
|
||||
|
||||
|
||||
De ongewenstverklaring betekent tevens dat artikel 8 Vreemdelingenwet niet van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat deze vreemdelingen – zolang de ongewenstverklaring van kracht blijft – niet gedurende de 'vrije termijn' in Nederland mogen verblijven en geen andere titel tot verblijf kunnen verkrijgen. Dit betekent tevens dat in het kader van de grensbewaking aan deze vreemdelingen de toegang tot het grondgebied zal worden geweigerd. Evenmin is het hun toegestaan de behandeling van een aanvraag in Nederland af te wachten.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*Toelichting artikel 67, eerste lid, Vreemdelingenwet*
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**Ad a.** Het betreft hier vreemdelingen die bij herhaling een bij de Vreemdelingenwet strafbaar gesteld feit hebben begaan (zie artikel 108 Vreemdelingenwet). Er moet ter zake een proces-verbaal zijn opgemaakt of sprake zijn van een transactie ter zake van de gepleegde overtredingen om bij de tweede of latere overtreding tot ongewenstverklaring over te kunnen gaan. Bij het opmaken van een (eerste) proces-verbaal wordt de vreemdeling tegelijkertijd gewaarschuwd dat, indien hij nogmaals een overtreding in het kader van de Vreemdelingenwet begaat, zijn ongewenstverklaring zal worden voorgesteld. Van deze waarschuwing wordt een aantekening in de vreemdelingenadministratie gemaakt.
|
||||
Nadat de vreemdeling tweemaal een bij artikel 108 van de Vreemdelingenwet strafbaar gesteld feit heeft begaan, wordt zijn ongewenstverklaring voorgesteld aan de hand van de opgemaakte processen-verbaal. Het kan bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, betreffen overtredingen van de artikelen 4.37, 4.38 en 4.39 Vreemdelingenbesluit.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**Ad b.** Het betreft hier vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verbleven en wier verblijfsrecht wegens inbreuk op de openbare orde is beëindigd, bijvoorbeeld door een beslissing om de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet te verlengen of de verblijfsvergunning in te trekken. De glijdende schaal (artikel 3.86 Vreemdelingenbesluit) is daarbij van toepassing. In alle gevallen vergt verblijfsbeëindiging dat de sanctie onherroepelijk is geworden. Indien de vreemdeling, binnen zes maanden nadat de geldigheidsduur van de verleende vergunning is verstreken, een aanvraag heeft ingediend tot verlenging van de verblijfsvergunning, is de glijdende schaal eveneens van toepassing.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**Ad c.** Het betreft hier vreemdelingen die niet rechtmatig op grond van een verblijfsvergunning noch op basis van het gemeenschapsrecht, de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat of het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije hier te lande verblijven. Niet is vereist dat deze vreemdelingen zich feitelijk in Nederland bevinden.
|
||||
Ten aanzien van deze grond vallen de volgende categorieën gevallen te onderscheiden:
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
Gevallen waarin wegens misdrijf een veroordeling tot een gevangenisstraf heeft plaatsgevonden of waarin een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd en het (in totaal) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van straf of maatregel tenminste een maand bedraagt; het is daarbij niet vereist dat de betreffende uitspraak onherroepelijk is geworden;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
Gevallen waarin de vreemdeling bij herhaling is veroordeeld tot een (korte) gevangenisstraf of hem een taakstraf ter zake van een misdrijf is opgelegd, dan wel hij een transactieaanbod ter zake van een misdrijf heeft aanvaard. Door het herhaald plegen van strafbare feiten veroorzaakt deze categorie dusdanige overlast dat ook de niet onherroepelijk opgelegde vrijheidstraf of maatregel in aanmerking wordt genomen.
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
Gevallen waarin de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Hiervoor is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (inter-)nationale ministeries of inlichtingendiensten.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Voor zover deze vreemdelingen een aanvraag indienen of hebben ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning of afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf, wordt die aanvraag afgewezen (zie B1/2.2.4.1).
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**Ad d.** Een vreemdeling die in één van de Benelux of Schengen lidstaten ongewenst is verklaard, kan op een met redenen omkleed verzoek van een der lidstaten ook voor de andere lidstaten ongewenst worden verklaard.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**Ad e.** Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, kan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst worden verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*Procedurele aspecten*
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*Indienen van een voorstel strekkende tot ongewenstverklaring*
|
||||
|
||||
|
||||
Is de korpschef van oordeel dat er termen aanwezig zijn tot ongewenstverklaring van een vreemdeling, dan maakt hij dat onverwijld kenbaar aan de Minister, hetzij middels een gemotiveerd voorstel (model M63), hetzij middels een ander gemotiveerd schrijven. In ieder geval dient de korpschef alle gegevens en bescheiden (zoals afschriften processen-verbaal en dergelijke) die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn, naar de Minister te zenden. Het verdient aanbeveling dat de korpschef de Minister in een zo vroeg mogelijk stadium bericht omtrent de antecedenten van de vreemdeling en dat hij niet wacht tot de invrijheidsstelling van de vreemdeling aanstaande is.
|
||||
|
||||
|
||||
*Voorbereiding*
|
||||
|
||||
|
||||
Overeenkomstig artikel 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen die naar zijn mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken.
|
||||
|
||||
|
||||
Aan de hoorplicht ingevolge de Algemene wet bestuursrecht wordt in beginsel door de korpschef uitvoering gegeven.
|
||||
|
||||
|
||||
De korpschef geeft in ieder geval uitvoering aan de hoorplicht indien:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
de vreemdeling illegaal hier te lande verblijft;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
de vreemdeling zich in een politiecel of in een Huis van Bewaring bevindt;
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
de vreemdeling een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Uit de door de politie aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gezonden bescheiden dient duidelijk naar voren te komen of en hoe door de politie uitvoering is gegeven aan de hoorplicht ingevolge artikel 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij voorkeur is van het gehoor een proces-verbaal opgemaakt.
|
||||
|
||||
|
||||
Door de vreemdeling genoemde personen, die volgens zijn verklaring iets in zijn voordeel zouden kunnen aanvoeren, moeten zoveel mogelijk (schriftelijk) worden gehoord. Een vlotte en goede besluitvorming is ermee gediend dat bij een voorstel of advies tot verblijfsbeëindiging tevens aan de Minister alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de mogelijke ongewenstverklaring zo uitvoerig mogelijk worden belicht (model M63).
|
||||
|
||||
|
||||
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) geeft in beginsel uitvoering aan de hoorplicht in andere dan de onder a tot en met c genoemde situaties. Hierbij valt te denken aan de situatie waarin bij de afhandeling van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier een inbreuk op de openbare orde wordt geconstateerd, welke dermate ernstig is dat ongewenstverklaring van de vreemdeling ex artikel 67 van de Vreemdelingenwet is geïndiceerd. Het vorenstaande laat onverlet dat er situaties kunnen zijn, waarin horen door de korpschef desalniettemin meer voor de hand ligt.
|
||||
|
||||
|
||||
*Uitreiking van de beschikking*
|
||||
|
||||
|
||||
Zie voor de toepasselijke algemene regels voor het uitreiken van beschikkingen B1/4.5.1.
|
||||
Het origineel van deze beschikking wordt aan de vreemdeling in persoon uitgereikt door de politie.
|
||||
Van deze uitreiking wordt door de politie een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt door de politie tevens een brochure in een voor de betrokkene begrijpelijke taal met betrekking tot de ongewenstverklaring ex artikel 67 Vreemdelingenwet (model M130) verstrekt. Dezelfde dag wordt afschrift van de beschikking gezonden aan de gemachtigde, zo er een gemachtigde is.
|
||||
Kan uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet plaatsvinden, dan wordt deze – met de brochure model M130 – per aangetekende brief gezonden aan zijn laatst bekende adres, wordt afschrift aan de gemachtigde gezonden, zo die er is, en vindt tevens publicatie van de beschikking in de Nederlandse Staatscourant plaats (artikel 67, tweede lid, Vreemdelingenwet).
|
||||
Indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden en bekend is dat de vreemdeling niet langer op het laatst bekende adres woont, wordt de beschikking – met de brochure model M 130 – aan de in Nederland kantoor houdende gemachtigde gezonden, zo die er is en wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Nederlandse Staatscourant.
|
||||
Indien zodanige gemachtigde er niet is, niet bekend is, of stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Nederlandse Staatscourant.
|
||||
|
||||
|
||||
*Bezwaar en beroep*
|
||||
|
||||
|
||||
Tegen een beschikking waarbij de vreemdeling met toepassing van artikel 67 Vreemdelingenwet ongewenst is verklaard kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend. Tegen het besluit op bezwaar staat beroep bij de rechtbank ‘s-Gravenhage (de vreemdelingenkamer) open.
|
||||
|
||||
*Geen opschortende werking in bezwaar*
|
||||
|
||||
Het indienen van een bezwaarschrift leidt er niet toe dat de werking van de beschikking hangende de behandeling van het bezwaarschrift wordt opgeschort. De beschikking heeft dus onmiddellijke werking (artikel 6:16 Awb).
|
||||
|
||||
|
||||
*Stellen van een aantekening in het document voor grensoverschrijding*
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder h Vreemdelingenbesluit luidt:
|
||||
1. De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, stellen in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling aantekeningen omtrent:
|
||||
(…)
|
||||
h. ongewenstverklaring.
|
||||
(…)
|
||||
|
||||
|
||||
Een aantekening over de ongewenstverklaring wordt in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling gesteld, indien naar het oordeel van de korpschef gegronde reden bestaat om te vermoeden dat de vreemdeling zal proberen naar Nederland terug te keren. In het kader van de grensbewaking is de ambtenaar belast met grensbewaking bevoegd een aantekening te stellen in het reisdocument van de vreemdeling omtrent de reden van weigering toegang in verband met ongewenstverklaring. Indien door deze aantekening de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot, een derde land zou worden bemoeilijkt, mag de aantekening omtrent ongewenstverklaring niet in het document voor grensoverschrijding worden aangetekend (artikel 4.34 Vreemdelingenbesluit). De hier bedoelde aantekening luidt: ‘ongewenst verklaard op (datum beschikking Minister)’.
|
||||
|
||||
|
||||
Bij de kennisgeving van de beschikking strekkende tot ongewenstverklaring wordt de mogelijkheid aangegeven om opheffing van deze maatregel te vragen.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**NB:** ongewenstverklaring conform artikel 67 Vreemdelingenwet heeft onder meer tot rechtsgevolg dat (verder) verblijf van de vreemdeling strafbaar is op grond van artikel 197 Wetboek van Strafrecht indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij tot ongewenste vreemdeling is verklaard. Daaraan doet niet af de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden.
|
||||
|
||||
200511923-06-200510-06-20052005/29200511923-06-200510-06-20052005/2925-06-2005
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
###### 2.2.4.5. Opheffing van de ongewenstverklaring
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
6.6
|
||||
Vreemdelingenbesluit:
|
||||
|
||||
|
||||
1
|
||||
De aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Wet, wordt door Onze Minister in ieder geval ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging terzake van misdrijf is onderworpen en ongewenst verklaard is:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
naar aanleiding van geweldsdelicten of opiumdelicten en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
naar aanleiding van andere misdrijven en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven, of
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
op grond van artikel 67, eerste lid, onder a, van de Wet en sinds de ongewenstverklaring één jaar buiten Nederland heeft verbleven.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
2
|
||||
De in het eerste lid genoemde termijnen vangen opnieuw aan, indien de vreemdeling tijdens de ongewenstverklaring:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
een als misdrijf strafbaar gestelde inbreuk op de openbare orde heeft gepleegd die tot ongewenstverklaring zou kunnen leiden, of
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
zonder voorafgaande tijdelijke opheffing of in strijd met de aan die tijdelijke opheffing verbonden voorwaarden in Nederland heeft verbleven.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
3
|
||||
De gegevens, bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die de vreemdeling verstrekt zijn in ieder geval:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
een schriftelijke verklaring van de vreemdeling dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland na de ongewenstverklaring tien, onderscheidenlijk vijf achtereenvolgende jaren of één jaar buiten Nederland heeft verbleven en dat hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft gehouden;
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
een overzicht van de plaatsen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken, en
|
||||
|
||||
|
||||
d.
|
||||
een schriftelijke verklaring, afgegeven door de terzake bevoegde autoriteiten van het land of de landen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, dat de vreemdeling zich tijdens dat verblijf niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging onderworpen is.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Het eerste lid van artikel 6.6 Vreemdelingenbesluit heeft betrekking op de termijn waarna de ongewenstverklaring op aanvraag in ieder geval wordt opgeheven. Dit heeft het karakter van een bovengrens. De ongewenstverklaring wordt in ieder geval opgeheven indien er sinds de ongewenstverklaring en het vertrek van de vreemdeling tien jaren, vijf jaren of één jaar is verstreken en de vreemdeling gedurende die periode niet aan strafvervolging ter zake van een misdrijf is onderworpen. Bij de vaststelling van de bovengrens is er vanuit gegaan dat na het verstrijken van de termijn het gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid (in aanvaardbare mate) is geweken dan wel dat het algemeen belang van de Staat, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, in redelijkheid dient te wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling.
|
||||
|
||||
|
||||
Een verzoek om opheffing van een ongewenstverklaring op grond van een gevaar voor de nationale veiligheid kan alleen worden ingewilligd indien de vreemdeling sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Indien op grond van een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst kan worden vastgesteld dat de vreemdeling nog steeds een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, dan zal de ongewenstverklaring worden gehandhaafd.
|
||||
In voorkomende gevallen kan ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (inter-)nationale ministeries of inlichtingendiensten.
|
||||
|
||||
|
||||
Er kunnen zich echter (uitzonderlijke) gevallen voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling dient te prevaleren vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. Het algemeen belang van de Staat kan alleen wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden van het individuele geval die bij de totstandkoming van de algemene regel (lees: de bovengrens) niet zijn betrokken. In ieder geval kan het gegeven dat de vreemdeling zich gedurende de ongewenstverklaring niet schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit en niet meer in Nederland heeft verbleven, niet worden aangemerkt als een bijzonder feit of omstandigheid.
|
||||
|
||||
|
||||
*Beoordeling van het verzoek*
|
||||
|
||||
|
||||
Als uitgangspunt geldt dat slechts in de volgende twee situaties gesproken kan worden van bijzondere feiten en omstandigheden, die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen:
|
||||
|
||||
|
||||
1.
|
||||
familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM;
|
||||
|
||||
|
||||
2.
|
||||
verbod tot uitzetting in verband met artikel 3 EVRM.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad 1) Familie en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM*
|
||||
|
||||
|
||||
De bijzondere feiten en omstandigheden zijn gelegen in het recht om hier te lande het familie- en gezinsleden als bedoeld in artikel 8 EVRM te kunnen uitoefenen.
|
||||
In deze situatie schrijft artikel 8 EVRM namelijk voor dat bij bestaand familie- en gezinsleven altijd beoordeeld moet worden of er op de Nederlandse Staat een positieve verplichting (bij niet-inmenging) dan wel een negatieve verplichting (bij inmenging) rust om de ongewenstverklaring op te heffen. In het geval de ongewenstverklaarde vreemdeling in Nederland wenst te verblijven bij familie- en gezinsleden waarvan een of meer rechtmatig verblijf hebben, dient beoordeeld te worden of het niet-opheffen van de ongewenstverklaring geen strijdigheid oplevert met artikel 8 EVRM. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of op de Nederlandse Staat de verplichting rust om het bestaand familie- en gezinsleven hier te lande mogelijk te maken.
|
||||
Bij de beoordeling of er op de Nederlandse Staat een verplichting rust, moeten *in ieder geval* de volgende omstandigheden betrokken worden (zie B2/13.2.3.3):
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de aard en ernst van het gepleegde misdrijf;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de duur van het verblijf in het gastland;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van de betrokkene gedurende die tijd;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de nationaliteiten van alle betrokkenen;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de gezinssituatie van de vreemdeling, zoals de duur van het huwelijk;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
andere factoren die uitdrukking geven aan de feitelijke invulling van het huwelijk of de gezinssituatie;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de vraag of de (huwelijks)partner op de hoogte was van het misdrijf toen hij/ zij met de vreemdeling in het huwelijk trad of de relatie aanging;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de vraag of er kinderen uit het huwelijk zijn geboren en, als dit het geval is, hun leeftijd;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de ernst van de moeilijkheden die de echtgeno(o)t(e) zal ondervinden als hij/ zij de vreemdeling zou volgen naar het land van herkomst.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Nu bovenstaande omstandigheden reeds betrokken zijn bij de beoordeling of betrokkene ongewenst kon worden verklaard, en hieraan niet in de weg hebben gestaan, dient bij de beoordeling omtrent het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring gekeken te worden of er een wijziging in deze omstandigheden is opgetreden. Immers, indien er geen wijziging is in de feiten en omstandigheden ten opzichte van de datum van de in rechte onaantastbare beschikking tot ongewenstverklaring, kan in redelijkheid niet worden gezegd dat er aan het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring bijzondere feiten en omstandigheden ten grondslag liggen.
|
||||
|
||||
|
||||
Als sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden, dient vervolgens beoordeeld te worden of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het persoonlijk belang van de ongewenstverklaarde vreemdeling bij familie- en gezinsleven hier te lande in redelijkheid meer gewicht toegekend dient te worden dan aan het algemeen belang van de Staat, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld gelegen zijn in een objectieve belemmering om de wijze waarop het familie- en gezinsleven gedurende de ongewenstverklaring wordt uitgeoefend voort te zetten (zie B2/13.2.3.4). Bij de beoordeling van de aangevoerde gewijzigde feiten en omstandigheden op hun bijzonderheid, moet altijd de duur van het verblijf buiten Nederland afgezet worden tegen de duur van de opgelegde ongewenstverklaring.
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad 2) Verbod tot uitzetting in verband met artikel 3 EVRM*
|
||||
|
||||
|
||||
Indien een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat juist hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel artikel 3 van het Anti-Folterverdrag, zal hij nu niet worden uitgezet naar het land van herkomst. Bij de beoordeling dient het bepaalde in C1/4.3 te worden betrokken.
|
||||
|
||||
*Vorenstaande laat onverlet* dat het voornemen tot uitzetting blijft bestaan. Voorts geldt dat op de vreemdeling de plicht rust om Nederland zelfstandig te verlaten en mitsdien zelf gevolg te geven aan zijn vertrekplicht. Eerst als de ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 EVRM, *dan wel artikel 3 van het Anti-Folterverdrag*, duurzaam in de weg staat aan uitzetting naar zijn land van herkomst, en hij bovendien heeft aangetoond dat er geen derde land is waar hij zich zal kunnen vestigen, kan de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring verzoeken. Bij de beoordeling van dit verzoek tot opheffing moet in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf worden betrokken. Met name vreemdelingen aan wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen of die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, hebben een grotere inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar zij zich kunnen vestigen.
|
||||
|
||||
|
||||
*De aanvraag tot opheffing*
|
||||
|
||||
|
||||
De aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring wordt ondertekend en bevat ten minste de naam en het volledige adres van de vreemdeling, de dagtekening en de aanduiding dat verzocht wordt om opheffing van de maatregel van ongewenstverklaring. De door de ongewenst verklaarde vreemdeling ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd wordt niet ambtshalve aangemerkt als aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring.
|
||||
De aanvraag wordt in ieder geval voorzien van de informatie als bedoeld in artikel 6.6, derde lid, Vreemdelingenbesluit.
|
||||
Het overleggen van een verklaring als bedoeld in artikel 6.6, derde lid onder d Vreemdelingenbesluit kan achterwege blijven indien het overleggen van een dergelijke verklaring niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege de algemene (oorlogs)situatie of het ontbreken van een registratie in dat land.
|
||||
|
||||
|
||||
*Behandeling van aanvragen tot opheffing*
|
||||
|
||||
|
||||
Een besluit tot inwilliging of niet-inwilliging van een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring is een beschikking waarbij de Minister bevoegd is deze beslissing te nemen. Wanneer de aanvraag niet wordt ingewilligd kan de vreemdeling of zijn gemachtigde hiertegen bezwaar maken.
|
||||
Indien wordt overgegaan tot opheffing van de ongewenstverklaring dient de medewerker een kopie van de beschikking te zenden aan het aanspreekpunt signalering OVR in de eigen regio. Dit aanspreekpunt dient de signalering OVR vervolgens te verwijderen uit de systemen.
|
||||
|
||||
|
||||
*Signalering*
|
||||
|
||||
|
||||
Zie A3/4.2.1 en A3/4.2.2.
|
||||
|
||||
200511923-06-200510-06-20052005/29200511923-06-200510-06-20052005/2925-06-2005
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
###### 2.2.4.6. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
6.7
|
||||
Vreemdelingenbesluit
|
||||
|
||||
In zeer uitzonderlijke en dringende gevallen kan Onze Minister de ongewenstverklaring tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring ingevolge artikel 6.7 van het Vreemdelingenbesluit kan slechts plaatsvinden in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.
|
||||
|
||||
|
||||
*Beoordeling van het verzoek*
|
||||
|
||||
|
||||
In onderstaande, niet uitputtende lijst, zijn verblijfsdoelen weergegeven die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring. De bewijslast voor het aannemelijk maken van zijn verblijfsdoel ligt bij de vreemdeling. Voor alle omstandigheden geldt dat de vreemdeling na afloop onverwijld Nederland dient te verlaten.
|
||||
|
||||
|
||||
a. Familieomstandigheden: in het geval sprake is van zwaarwegende familieomstandigheden, kan de ongewenstverklaring voor beperkte tijd worden opgeheven om de vreemdeling in staat te stellen naar Nederland te komen. De omstandigheden dienen altijd te worden afgewogen tegen de ernst en actualiteit van de feiten die aan de ongewenstverklaring ten grondslag hebben gelegen.
|
||||
|
||||
|
||||
b. Getuigenis in een (straf-)rechtszaak: er moet sprake zijn van een noodzakelijkheid van de overkomst van de vreemdeling naar Nederland. Van een dergelijke noodzaak wordt alleen uitgegaan als er sprake is van een officiële oproep aan de vreemdeling om te getuigen. De opheffing van de ongewenstverklaring dient beperkt te blijven tot de periode die nodig is om betrokkene te laten getuigen.
|
||||
|
||||
|
||||
c. Overkomst voor een eigen rechtszaak: in een civiele zaak of een vreemdelingrechtelijke zaak kan in beginsel worden volstaan met de gemachtigde van de vreemdeling. In andere zaken geldt dat, alleen wanneer de rechtbank vindt dat de vreemdeling aanwezig moet zijn of als een gemachtigde niet kan volstaan, overkomst van de vreemdeling noodzakelijk is. De opheffing van de ongewenstverklaring dient beperkt te blijven tot de tijd waarin de aanwezigheid van de vreemdeling bij de zaak is vereist.
|
||||
|
||||
|
||||
*Vorm van het verzoek*
|
||||
|
||||
|
||||
Een verzoek tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring dient schriftelijk bij de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) te worden ingediend. Het dient afkomstig te zijn van de vreemdeling zelf, van zijn gemachtigde, of van een instantie die stelt een bijzonder belang te hebben bij de komst van betrokkene naar Nederland. In het laatste geval kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het Openbaar Ministerie of een internationaal straftribunaal. Als het verzoek wordt ingediend door het Openbaar Ministerie dient het te zijn ondertekend door een Hoofdofficier van Justitie. In het geval van bijvoorbeeld een internationaal straftribunaal moet de ondertekening geschieden door iemand van het niveau van een Hoofdofficier van Justitie. Ook een rechter kan een verzoek ondertekenen om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.
|
||||
|
||||
|
||||
*Inhoud van het verzoek*
|
||||
|
||||
|
||||
Het verzoek dient de volgende gegevens minimaal te bevatten:
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
volledige personalia van betrokkene, inclusief evt. aliassen waarvan hij zich eerder heeft bediend;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
datum en plaats van binnenkomst;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
vluchtnummers van de heen- en terugvlucht (de vreemdeling dient dus een retourticket te boeken);
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
reden en noodzaak van de overkomst van de vreemdeling;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
indien de aanvrager niet de vreemdeling of zijn gemachtigde is: het belang van de aanvragende instantie bij overkomst van de vreemdeling;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
als de vreemdeling of zijn gemachtigde zelf de aanvrager is: het belang dat de vreemdeling heeft bij zijn komst naar Nederland;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
garanties omtrent het verblijf en de kosten van het verblijf van de vreemdeling.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing*
|
||||
|
||||
|
||||
Aan de overkomst van de vreemdeling naar Nederland moeten voorwaarden worden gesteld.
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de overkomst, en dus de opheffing van de ongewenstverklaring, dient te worden beperkt tot de tijd die nodig is voor het doel waarvoor de vreemdeling naar Nederland komt;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
binnenkomst in en vertrek uit Nederland dienen te geschieden via een buitengrens. Er moet sprake te zijn van een gecontroleerde binnenkomst;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de tijdelijke opheffing gaat pas in op het moment van binnenkomst in Nederland en eindigt na verloop van de gestelde termijn.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*Inreis, toezicht en uitreis*
|
||||
|
||||
|
||||
Ten aanzien van een vreemdeling wiens ongewenstverklaring tijdelijk is opgeheven dient sprake te zijn van een gecontroleerde in- en uitreis van het Nederlands grondgebied via een buitengrens. Ook dient tijdens het verblijf van de vreemdeling in Nederland toezicht op hem te worden uitgeoefend. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring gaat gepaard met tijdelijke toegangsverlening aan een gesignaleerde vreemdeling op grond van artikel 5, tweede lid, van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst. Daarbij dient de handelwijze te worden gehanteerd zoals beschreven in A3/4.6.2. Door middel van een bijzondere aanwijzing van Onze Minister worden de ambtenaren belast met de grensbewaking op de hoogte gesteld van de komst van de vreemdeling naar Nederland. Bij vertrek van de vreemdeling uit Nederland moeten de ambtenaren belast met de grensbewaking de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het moment van het daadwerkelijke vertrek op de hoogte stellen.
|
||||
|
||||
|
||||
Hoe het toezicht op de vreemdeling tijdens zijn verblijf in Nederland moet worden ingericht, dient per individueel geval te worden bezien. Dit hangt onder meer af van de ernst van de onderliggende feiten die tot de ongewenstverklaring hebben geleid en van de reden waarom de vreemdeling in Nederland is. De toe te passen vorm van toezicht moet worden afgestemd met de instantie die om het verblijf van de vreemdeling in Nederland heeft verzocht. Gedacht kan worden aan een vorm van beperking van bewegingsvrijheid op grond van artikel 56, eerste lid, Vreemdelingenwet en artikel 5.1, Vreemdelingenbesluit.
|
||||
|
||||
200511923-06-200510-06-20052005/29200511923-06-200510-06-20052005/2925-06-2005
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
##### 2.2.5. Medisch onderzoek
|
||||
|
||||
|
|
@ -5037,159 +4590,63 @@ De korpschef wordt middels een signalering in het BVV op de hoogte gesteld van d
|
|||
|
||||
### 5. Overgangsrecht
|
||||
|
||||
Hier wordt het overgangsrecht van de Vreemdelingenwet beschreven. Het overgangsrecht betreft zowel de verblijfsvergunningen als de procedurele aspecten.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
#### 5.1. Verblijfsvergunningen
|
||||
|
||||
##### 5.1.1. Inleiding
|
||||
|
||||
Op de datum van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet (1 april 2001) worden de bestaande – geldige – vergunningen tot verblijf of vestiging van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning op grond van deze wet (artikel 115, eerste lid, Vreemdelingenwet), met de daaraan verbonden rechten en verplichtingen. Er zijn geen afzonderlijke handelingen nodig om deze gevolgen te laten intreden. Wel moet het document, waaruit het verblijfsrecht blijkt, worden omgewisseld voor een verblijfsdocument op grond van de Vreemdelingenwet.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
##### 5.1.2. Omzetting
|
||||
|
||||
a. De vergunning tot verblijf onder beperking op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet (oud) wordt aangemerkt als een vergunning voor bepaalde tijd regulier als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet. De geldigheidsduur en de beperking van deze vergunning worden gehandhaafd.
|
||||
|
||||
Bijvoorbeeld: een vergunning tot verblijf die is verleend onder de beperking ‘voor het verrichten van arbeid in loondienst’, geldig tot 1 augustus 2001, wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet, onder de beperking ‘het verrichten van arbeid in loondienst’, geldig tot 1 augustus 2001. Na afloop van de geldigheidsduur zal de eventuele aanvraag tot verlenging dan worden getoetst aan artikel 18 Vreemdelingenwet (zie B5 in dit voorbeeld).
|
||||
|
||||
b. De vergunning tot vestiging op grond van artikel 13 van de Vreemdelingenwet (oud) wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet.
|
||||
|
||||
c. De vergunning tot verblijf zonder beperking op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet (oud) wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet.
|
||||
|
||||
Ook deze omzetting van de vergunning tot verblijf zonder beperking naar de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd geschiedt van rechtswege met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet (1 april 2001), en wel ongeacht de ingangsdatum van de vergunning tot verblijf zonder beperkingen. Dit betekent dat de houder van een dergelijke vergunning zonder beperking onder het nieuwe recht houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt, ook al zou hij onder het oude recht nog niet in aanmerking zijn gekomen voor een vergunning tot vestiging.
|
||||
|
||||
d. Toelating krachtens artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (oud) wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet.
|
||||
|
||||
De status als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (oud) is sinds 7 januari 1994 niet meer tot stand gekomen. De houder van deze status is dus reeds ten minste zeven jaar op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (oud) toegelaten in Nederland. Houders van de status van artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (oud) die deze voor 7 januari 1994 door geboorte hebben verkregen, krijgen eveneens van rechtswege de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
#### 5.2. Behandeling van de aanvraag
|
||||
|
||||
##### 5.2.1. Inleiding
|
||||
|
||||
In artikel 117 Vreemdelingenwet is geregeld welk rechtsregime van toepassing is op de aanvragen, die op het tijdstip van inwerkingtreding reeds in behandeling zijn. Deze aanvragen worden aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van deze wet.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
##### 5.2.2. Aanvragen tot verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf
|
||||
|
||||
Aanvragen tot verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet (oud) voor een regulier verblijfsdoel (onder een beperking) worden aangemerkt als aanvragen tot het verlenen of het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
##### 5.2.3. Aanvragen tot verlening van een vergunning tot vestiging
|
||||
|
||||
Aanvragen tot verlening van een vergunning tot vestiging worden aangemerkt als aanvragen om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier als bedoeld in artikel 20 Vreemdelingenwet.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
##### 5.2.4. Wijze van behandeling
|
||||
|
||||
Een aanvraag tot verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf of tot verlening van een vergunning tot vestiging, wordt op grond van artikel 117, tweede lid, Vreemdelingenwet behandeld op grond van de Vreemdelingenwet (oud). Op deze aanvragen blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet (op 1 april 2001).
|
||||
|
||||
|
||||
Dit houdt in dat de procedurele bepalingen van artikel 11 en artikel 13 Vreemdelingenwet (oud) van toepassing blijven. Ook de bepalingen omtrent het betalen van leges (artikel 16, tweede lid, Vreemdelingenwet (oud)) blijven van toepassing. Dit voorkomt dat in een lopende aanvraagprocedure stappen moeten worden overgedaan.
|
||||
|
||||
|
||||
De behandeling van de aanvraag leidt na inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet tot een beslissing omtrent het al dan niet toekennen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet (bepaalde tijd regulier) en artikel 20 Vreemdelingenwet (onbepaalde tijd regulier).
|
||||
|
||||
|
||||
Voorbeeld 1. Een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt ingediend op 1 december 2000. De vreemdeling moet allereerst de verschuldigde leges voldoen, zoals bepaald in artikel 16, tweede lid, Vreemdelingenwet (oud), alvorens de aanvraag in behandeling wordt genomen. De vreemdeling blijkt niet te voldoen aan de voorwaarden voor verblijfsaanvaarding, dus volgt een afwijzende beslissing die gebaseerd is op het nieuwe materiele recht. Dat wil zeggen dat de afwijzing een meeromvattende beschikking als bedoeld in artikel 27 Vreemdelingenwet wordt.
|
||||
|
||||
|
||||
Voorbeeld 2. De vreemdeling in voorbeeld 1 voldoet wel aan de voorwaarden voor verblijfsaanvaarding. Dan wordt hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet.
|
||||
|
||||
|
||||
Volgt op een onder het oude recht behandelde aanvraag een besluit dat bekend is gemaakt na de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet, dan zijn de rechtsmiddelen van de Vreemdelingenwet van toepassing.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
#### 5.3. Rechtsmiddelen
|
||||
|
||||
Het overgangsrecht in artikel 118 t/m 120 Vreemdelingenwet regelt de toepassing van de rechtsmiddelen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de mogelijkheden tot het instellen van een rechtsmiddel op grond van de Vreemdelingenwet (oud) en de behandeling van dit rechtsmiddel.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
##### 5.3.1. Bezwaar
|
||||
|
||||
Onder de Vreemdelingenwet blijft de bezwaarprocedure in reguliere zaken bestaan. Tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet (oud), dat is bekendgemaakt voor de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet, kan op grond van het oude recht bezwaar worden gemaakt. Hetzelfde geldt voor de handeling op grond van de Vreemdelingenwet (oud), die is verricht voor inwerkingtreding van de wet. Dit is bepaald in artikel 118, eerste lid, Vreemdelingenwet.
|
||||
|
||||
|
||||
Dit betekent dat het mogelijk is een bezwaarschrift in te dienen zolang de bezwaartermijn na inwerkingtreding van de wet nog niet is verstreken. Indien bijvoorbeeld een besluit twee weken voor inwerkingtreding van de wet bekend is gemaakt, respectievelijk een handeling twee weken voor inwerkingtreding is verricht, dan kan nog gedurende twee weken na inwerkingtreding van de wet bezwaar daartegen worden gemaakt.
|
||||
|
||||
|
||||
De nadruk ligt op het bekend maken van het besluit om te verzekeren dat in gelijke gevallen hetzelfde recht wordt toegepast. Indien de datum van het indienen van het rechtsmiddel als uitgangspunt wordt genomen, dan zal in gelijke gevallen (de beslissing is op dezelfde dag bekendgemaakt) een ander rechtsregime gelden. Dat is uiteraard niet de bedoeling.
|
||||
|
||||
|
||||
In artikel 118, tweede lid, Vreemdelingenwet is vastgelegd dat op de behandeling van een dergelijk bezwaarschrift de bepalingen van het oude recht van toepassing zijn. Het betreft dan artikel 29 en volgende Vreemdelingenwet (oud). Dat betekent ook dat bijvoorbeeld de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken moet worden ingeschakeld indien dat volgens artikel 31, tweede lid, Vreemdelingenwet (oud) verplicht is. Tegen een besluit dat is bekendgemaakt na inwerkingtreding van de nieuwe wet staat bezwaar open op grond van hoofdstuk 7, afdeling 1 en 2, Vreemdelingenwet.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
##### 5.3.2. Beroep
|
||||
|
||||
Tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet (oud), dat is bekendgemaakt voor de inwerkingtreding van de wet, kan op grond van het oude recht beroep worden ingesteld. Hetzelfde geldt voor de handeling op grond van de Vreemdelingenwet (oud), die is verricht voor inwerkingtreding van de wet. Dit is bepaald in artikel 119, eerste lid, Vreemdelingenwet.
|
||||
|
||||
|
||||
De formulering van artikel 119, eerste lid, Vreemdelingenwet is tamelijk beknopt, maar regelt verschillende situaties. Enerzijds vallen onder dit artikel de gevallen waarin geen bezwaar kan worden gemaakt op grond van artikel 29 Vreemdelingenwet (oud) en anderzijds de gevallen waarin een beslissing op een bezwaarschrift bekend is gemaakt voor de inwerkingtreding. In beide gevallen kan beroep worden ingesteld op grond van het oude recht.
|
||||
|
||||
|
||||
In het derde lid van artikel 119 Vreemdelingenwet is bepaald dat voor een beroep of een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van het oude recht ook de bepalingen van het oude recht van toepassing zijn over de hoogte van het griffierecht. Zie artikel 33f Vreemdelingenwet (oud).
|
||||
|
||||
|
||||
Het rechtsmiddel beroep kent in de Vreemdelingenwet in reguliere zaken geen opschortende werking.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
##### 5.3.3. Hoger beroep
|
||||
|
||||
In artikel 120 Vreemdelingenwet is bepaald dat het hoger beroep bedoeld in artikel 84 Vreemdelingenwet slechts kan worden ingesteld tegen de uitspraak over een besluit dat is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet. Het betreft een uitspraak van de rechtbank of de president van de rechtbank over de beschikking op de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning dan wel over de beschikking waarbij de verblijfstitel is ingetrokken.
|
||||
|
||||
|
||||
Dit artikel beoogt het instellen van hoger beroep te beperken tot die zaken, waarin vanaf de eerste aanlegfase de nieuwe wet is toegepast (artikel 117 Vreemdelingenwet).
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
#### 5.4. Bijzondere rechtsmiddelen vrijheidsbeperking en ontneming
|
||||
|
||||
Zie A5/6.
|
||||
|
||||
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
#### 5.5. Betekenis
|
||||
|
||||
De nieuwe, inhoudelijke regels van de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 zijn ingevolge het zogenoemde onmiddellijkheidsbeginsel per 1 april 2001 met onmiddellijke ingang van toepassing. Dit geldt zowel voor aanvragen in eerste aanleg die op of na 1 april 2001 zijn ontvangen als aanvragen in eerste aanleg die per 1 april 2001 reeds waren ontvangen, waarop nog niet is beslist.
|
||||
|
||||
|
||||
Het onmiddellijkheidsbeginsel brengt tevens met zich mee dat de nieuwe inhoudelijke regels ook moeten worden toegepast op nieuwe bezwaarschriften en de bezwaarschriften die op 1 april 2001 reeds waren ontvangen, maar waarop nog niet is beslist. De uitzonderingen daarop zijn door middel van overgangsbepalingen opgenomen in hoofdstuk 9 van de Vreemdelingenwet (artikel 116 Vreemdelingenwet), alsmede hoofdstuk 9 van het Vreemdelingenbesluit (artikelen 9.1 tot en met 9.10 Vreemdelingenbesluit).
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel 3.103 Vreemdelingenbesluit is geen bepaling van overgangsrecht per 1 april 2001, ondanks dat daarmee is gecodificeerd de in het vreemdelingenrecht geldende uitzondering op het onmiddellijkheidsbeginsel. Dit artikel is bedoeld voor toekomstige wijzigingen.
|
||||
|
||||
|
||||
De plaatsing in hoofdstuk 3 duidt erop dat het een procedurele bepaling betreft die niet behoort tot het overgangsrecht, dat immers is neergelegd in hoofdstuk 9, waar geen bepaling met vergelijkbare strekking is opgenomen. Bovendien is de werking van artikel 3.103 Vreemdelingenbesluit beperkt tot reguliere zaken, aangezien in hoofdstuk 3, afdeling 5 Vreemdelingenbesluit geen vergelijkbare bepaling is opgenomen.
|
||||
|
||||
|
||||
Bovendien kan door middel van een lagere regel zoals het Vreemdelingenbesluit niet de werking van een hogere regel, de Vreemdelingenwet, ongedaan worden gemaakt.
|
||||
|
||||
|
||||
Het is dus niet mogelijk om, met verwijzing naar artikel 3.103 Vreemdelingenbesluit, op in behandeling zijnde aanvragen en bezwaarschriften in reguliere zaken voor de vreemdeling gunstiger te beslissen dan de Vreemdelingenwet en daarbij behorende lagere regelgeving voorschrijft.
|
||||
|
||||
200121506-11-200110-10-20015093984/01/IND200121506-11-200110-10-20015093984/01/IND07-11-2001
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
#### 5.6. Vergunning tot verblijf zonder beperkingen
|
||||
|
||||
Verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder beperking is ingevolge artikel 14, tweede lid, Vreemdelingenwet niet mogelijk, maar het zal niettemin vóórkomen dat nog moet worden beslist op aanvragen tot het verlenen van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien moet worden beslist op een aanvraag die is ontvangen voor 1 april 2001 of op een bezwaar gericht tegen de weigering om een dergelijke aanvraag in te willigen, wordt per brief aan de vreemdeling (althans diens gemachtigde) meegedeeld dat het als gevolg van de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 niet langer mogelijk is een vergunning tot verblijf zonder beperkingen te verlenen en wordt bij die brief verzocht binnen een in die brief bepaalde termijn het verblijfsdoel aan te geven en dat met gegevens en bescheiden te onderbouwen, met het oog op eventuele verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Betrokkene dient erop te worden gewezen dat hij of zij in beginsel dient te kiezen uit de verblijfsdoelen van artikel 3.4, eerste lid, Vreemdelingenbesluit. Indien betrokkene een ander verblijfsdoel wenst dan in artikel 3.4, eerste lid, Vreemdelingenbesluit vermeld of de Vreemdelingencirculaire of een geldig TBV, geldt het vermelde in 2.1.1.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien betrokkene echter geen verblijfsdoel aangeeft, stelt betrokkene niet (alsnog) een kader voor de besluitvorming. De toelatingsgrond ‘klemmende redenen van humanitaire aard’ is naar zijn aard niet als een verblijfsdoel aan te merken. Indien voorts op grond van de aanwezige stukken geen grond kan worden gevonden tot ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 3.6 Vreemdelingenbesluit over te gaan, wordt de aanvraag afgewezen en eventueel bezwaar om dezelfde reden als regel kennelijk ongegrond verklaard.
|
||||
|
||||
200121506-11-200110-10-20015093984/01/IND200121506-11-200110-10-20015093984/01/IND07-11-2001
|
||||
200613514-07-200614326-07-2006200613514-07-200616-07-2006
|
||||
|
||||
## B2. Gezinshereniging en gezinsvorming
|
||||
|
||||
|
|
@ -9984,7 +9441,7 @@ Artikel 3.41 Vb regelt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld
|
|||
|
||||
Voor een studie/opleiding aan een instelling die niet valt onder artikel 3.18a VV maar op grond waarvan vóór 1 mei 2006 wel reeds een verblijfsvergunning is verleend, wordt verlenging van de geldigheidsduur niet geweigerd op grond van de omstandigheid dat de betreffende studie/opleiding niet is aangesloten bij ‘de Gedragscode internationale student in het Nederlands Hoger Onderwijs’ of valt onder instellingen die opleidingen verzorgen in het kader van het ontwikkelinssamenwerkinsbeleid van het ministerie van BuZa.
|
||||
|
||||
200610023-05-200616-05-20062006/21200610023-05-200616-05-20062006/2125-05-200601-05-2006Stcrt. 2006, 154, datum inwerkingtreding 12-08-2006, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-05-2006. Artikel 3.41 Vb regelt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw, onder een beperking verband houdend met het volgen van studie kan worden verleend aan de vreemdeling die voltijds hoger, voortgezet of beroepsonderwijs volgt aan een bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwijsinstelling. Artikel 3.18a VV wijst uitsluitend als voltijds hoger onderwijs de volgende onderwijsinstellingen aan:a.Instellingen voor hoger onderwijs die de Gedragscode internationale student in het Nederlands Hoger Onderwijs hebben ondertekend en voorkomen in het openbare register van onderwijsinstellingen die de Gedragscode hebben ondertekend;b.Instellingen die opleidingen verzorgen in het kader van ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het ministerie van BuZa;c.Instellingen die opleidingsactiviteiten verzorgen in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid.*Ad a.*Instellingen die de Gedragscode internationale student in het Nederlands Hoger Onderwijs hebben ondertekend staan vermeld in het openbare register dat wordt beheerd door de Informatie Beheer Groep. Indien een hoger onderwijsinstelling in dit openbare register voorkomt is toelating van een student aan de onderwijsinstelling toegestaan, indien ook aan de overige voorwaarden genoemd in dit hoofdstuk is voldaan.*Ad b*.Instellingen die een opleiding verzorgen in het kader van ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het ministerie van BuZa staan vermeld in een door de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs beheerde lijst. Indien een onderwijsinstelling op deze lijst is geplaatst is toelating van een student aan de onderwijsinstelling toegestaan, indien ook aan de overige voorwaarden genoemd in dit hoofdstuk is voldaan.*Ad c.*Instellingen die opleidingsactiviteiten verzorgen in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid staan vermeld op een door het Ministerie van OCW beheerde lijst. Indien een hoger onderwijsinstelling in dit openbare register voorkomt, is toelating van een student aan de onderwijsinstelling toegestaan, indien ook aan de overige voorwaarden genoemd in dit hoofdstuk is voldaan.*Overgangsregeling*Instellingen die in 2001, 2002 of 2003 zijn aangewezen door de Minister van OCW en waarvan de opleidingen op grond van overgangsrecht van rechtswege geaccrediteerd zijn en die tot 1 mei 2006 in aanmerking kwamen voor toelating van buitenlandse studenten, dan wel een door de Minister van OCW aangewezen instelling die opleidingen heeft gestart in 2001, 2002 of 2003 die op grond van overgangsrecht van rechtswege geaccrediteerd is en die tot 1 mei 2006 in aanmerking kwam voor toelating van buitenlandse studenten, komen tot 1 mei 2007 in aanmerking voor toelating, mits aan de overige voorwaarden genoemd in dit hoofdstuk wordt voldaan.Voor een studie/opleiding aan een instelling die niet valt onder artikel 3.18a VV maar op grond waarvan vóór 1 mei 2006 wel reeds een verblijfsvergunning is verleend, wordt verlenging van de geldigheidsduur niet geweigerd omdat de instelling niet voldoet aan 3.18a VV. Wel dient aan de overige in dit hoofdstuk genoemde voorwaarden te worden voldaan.
|
||||
200610023-05-200616-05-20062006/21200610023-05-200616-05-20062006/2125-05-2006
|
||||
|
||||
##### 2.1.2. De verlening van een verblijfsvergunning voor de voorbereiding op de studie
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue