2005-05-28 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

This commit is contained in:
Coornhert 2005-05-28 12:00:00 +00:00
parent e23c9cfc46
commit 4d032b2475

View file

@ -1598,22 +1598,21 @@ e. Een uitspraak van een buitenlandse rechter kan eveneens van belang zijn voor
##### 5.13.2. Beoordeling van de aanvraag
Bij de beslissing omtrent verlening van een verblijfsvergunning is het beleid, zoals omschreven in B1/2.2.4, van overeenkomstige toepassing voorzover dit geen strijd oplevert met verdragsverplichtingen. Alleen veroordelingen wegens misdrijven worden tegengeworpen.
Bij de beoordeling laten zich de volgende situaties onderscheiden:
Indien de asielzoeker verdragsvluchteling is, is de non-refoulementbepaling van artikel 33, eerste lid Vluchtelingenverdrag op grond van het tweede lid echter slechts dan niet van toepassing, indien er ten aanzien van de vluchteling ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land. Alleen in dat geval wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel afgewezen.
Indien vast komt te staan dat bij terugzending een schending van artikel 3 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dreigt, dient beoordeeld te worden of de asielzoeker bij verlening van een verblijfsvergunning een bedreiging zou vormen voor de openbare veiligheid of de gemeenschap van het land. Is dat het geval, dan wordt de asielzoeker niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning en ook niet uitgezet. Wel wordt hij uitgesloten van alle voorzieningen. Het weigeren van een verblijfsvergunning en het vervolgens niet uitzetten bij een dreigende schending van artikel 3 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient tot uitzonderingssituaties beperkt te blijven.
Voor de beoordeling van de verblijfsaanspraken is een individuele belangenafweging, gericht op het misdrijf en de beoordeling daarvan, niet nodig.
Slechts indien de asielzoeker bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht, stelt en aannemelijk maakt, is er reden om af te wijken van dit beleid. Deze bijzondere omstandigheden kunnen geen verband houden met het gepleegde misdrijf of de beoordeling ervan. Die afweging heeft reeds plaatsgevonden in het kader van de strafrechtelijke vervolging.
Het enkele ontbreken van een gevaar voor recidive is onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden. Bij de beoordeling van de verblijfsaanspraken nadat een vreemdeling een delict heeft gepleegd gaat het niet om de beoordeling van het toekomstig onzekere feit dat betrokkene niet meer een (soortgelijk) delict zal plegen. Wel kan het ontbreken van een gevaar voor recidive in samenhang met andere bijzondere omstandigheden leiden tot het oordeel dat gebruik moet worden gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
Er zijn geen beleidsregels opgenomen omtrent het gevaar voor de nationale veiligheid als grond om verblijf te weigeren dan wel in te trekken. Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling.
Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (inter-)nationale ministeries of inlichtingendiensten.
Bij de beoordeling laten zich de volgende situaties onderscheiden:
- Indien de asielzoeker verdragsvluchteling is, is de non-refoulementbepaling van artikel 33, eerste lid Vluchtelingenverdrag op grond van het tweede lid echter slechts dan niet van toepassing, indien er ten aanzien van de vluchteling ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land. Alleen in dat geval wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel afgewezen.
- Indien vast komt te staan dat bij terugzending een schending van artikel 3 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dreigt, dient beoordeeld te worden of de asielzoeker bij verlening van een verblijfsvergunning een bedreiging zou vormen voor de openbare veiligheid of de gemeenschap van het land. Is dat het geval, dan wordt de asielzoeker niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning en ook niet uitgezet. Wel wordt hij uitgesloten van alle voorzieningen. Het weigeren van een verblijfsvergunning en het vervolgens niet uitzetten bij een dreigende schending van artikel 3 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient tot uitzonderingssituaties beperkt te blijven.
Voor de beoordeling van de verblijfsaanspraken is een individuele belangenafweging, gericht op het misdrijf en de beoordeling daarvan, niet nodig.
Slechts indien de asielzoeker bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht, stelt en aannemelijk maakt, is er reden om af te wijken van dit beleid. Deze bijzondere omstandigheden kunnen geen verband houden met het gepleegde misdrijf of de beoordeling ervan. Die afweging heeft reeds plaatsgevonden in het kader van de strafrechtelijke vervolging.
Het enkele ontbreken van een gevaar voor recidive is onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden. Bij de beoordeling van de verblijfsaanspraken nadat een vreemdeling een delict heeft gepleegd gaat het niet om de beoordeling van het toekomstig onzekere feit dat betrokkene niet meer een (soortgelijk) delict zal plegen. Wel kan het ontbreken van een gevaar voor recidive in samenhang met andere bijzondere omstandigheden leiden tot het oordeel dat gebruik moet worden gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid.
##### 5.13.3. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
@ -5798,14 +5797,14 @@ Voor de vraag wanneer de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde in d
##### 31.2.3. De vreemdeling vormt een gevaar voor de nationale veiligheid
Op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken als de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.
Op grond van artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag kan een verdragsvluchteling geen aanspraak maken op het verbod van refoulement van artikel 33, eerste lid, Vluchtelingenverdrag, indien ten aanzien van hem ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt.
In alle gevallen waarin een vermoeden bestaat dat een vreemdeling een gevaar voor de nationale veiligheid vormt, dient contact te worden opgenomen met het Bureau Veiligheid en Integriteit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), die de zaak verder in behandeling zal nemen.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
Op grond van artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag kan een verdragsvluchteling geen aanspraak maken op het verbod van refoulement van artikel 33, eerste lid, Vluchtelingenverdrag, indien ten aanzien van hem ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt.
In alle gevallen waarin een vermoeden bestaat dat een vreemdeling een gevaar voor de nationale veiligheid vormt, dient contact te worden opgenomen met het Bureau Veiligheid en Integriteit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), die de zaak verder in behandeling zal nemen.
Er zijn geen beleidsregels opgenomen omtrent het gevaar voor de nationale veiligheid als grond om een verblijfsvergunning in te trekken. Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling.
Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (inter-)nationale ministeries of inlichtingendiensten.
##### 31.2.4. De inwilligingsgrond is komen te vervallen