2015-09-01 | BWBR0011453 | Wet studiefinanciering 2000

This commit is contained in:
Coornhert 2015-09-01 12:00:00 +00:00
parent 0e43f34aae
commit 4d242fccb8

View file

@ -21,7 +21,7 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
**afsluitend examen**:
a. voor wat betreft hoofdstuk 4 het examen, bedoeld in artikel 7.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a,
b. voor wat betreft de hoofdstukken 5 en 10 het examen, bedoeld in artikel 7.10a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.14,
b. voor wat betreft hoofdstuk 5 het examen, bedoeld in artikel 7.10a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.14,
**bacheloropleiding**: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel t, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan,
@ -39,7 +39,7 @@ b. voor wat betreft de hoofdstukken 5 en 10 het examen, bedoeld in artikel 7.10a
**hoger onderwijs**: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in paragraaf 2.3 en in artikel 2.14,
**lening**: rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift, onverminderd omzetting, bedoeld in artikel 10.8,
**lening**: rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift,
**masteropleiding**: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel t, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan,
@ -50,12 +50,12 @@ b. voor wat betreft de hoofdstukken 5 en 10 het examen, bedoeld in artikel 7.10a
**opleiding niveau 1 of 2**:
a. entreeopleiding en basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en
b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2,
b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2,
**opleiding niveau 3 of 4**:
a. vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en
b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4,
b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4,
**ouder**: natuurlijke ouder of adoptiefouder in de zin van de artikelen 197 tot en met 232 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
@ -65,6 +65,10 @@ b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan Onze Minis
**prestatiebeurs**: rentedragende lening die onder voorwaarden kan worden omgezet in een gift, waarbij de rente teniet gaat, niet zijnde de rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift,
**prestatiebeurs beroepsonderwijs**: prestatiebeurs als bedoeld in artikel 4.6a,
**prestatiebeurs hoger onderwijs**: prestatiebeurs als bedoeld in artikel 5.1,
**reisproduct**: elektronisch product dat studerenden kunnen laden op een OV-chipkaart wanneer zij beschikken over reisrecht,
**reisrecht**: recht om te reizen als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid,
@ -90,11 +94,11 @@ b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan Onze Minis
**studiepunt**: eenheid waarin de studielast, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, wordt uitgedrukt,
**thuiswonende studerende**: studerende die niet een uitwonende studerende is,
**thuiswonende deelnemer**: deelnemer die niet een uitwonende deelnemer is,
**toetsingsinkomen**: inkomen als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met dien verstande dat, behoudens bij de toepassing van de artikelen 3.4 en 3.17, voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar,
**uitwonende studerende**: studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5,
**uitwonende deelnemer**: deelnemer die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5,
**veronderstelde ouderlijke bijdrage**: bedrag dat verondersteld wordt door de ouders bijgedragen te worden waarmee de aanvullende beurs van de studerende wordt verminderd,
@ -130,12 +134,12 @@ Vervallen
**1.**
Voor het normbedrag voor een uitwonende studerende komt in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:
Voor het normbedrag voor een uitwonende deelnemer komt in aanmerking de deelnemer die voldoet aan de volgende verplichtingen:
a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en
b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven.
a. de deelnemer woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en
b. het woonadres van de deelnemer is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven.
**2.** Op een studerende die ingevolge artikel 2.13a of artikel 2.14 in aanmerking komt voor studiefinanciering is het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing.
**2.** Op een deelnemer die ingevolge artikel 2.13a in aanmerking komt voor studiefinanciering is het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing.
### Artikel 1.6
@ -156,11 +160,7 @@ d. in contacten met de toezichthouders, bedoeld in artikel 9.1a.
### Artikel 1.8
Op deze wet zijn van toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen:
a. artikel 6,
b. artikel 9, eerste lid, en
c. artikel 10, eerste lid.
Van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is artikel 6 op deze wet van toepassing en zijn de artikelen 9, eerste lid, en 10, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
## Hoofdstuk 2. Werkingssfeer
@ -218,7 +218,7 @@ b. een instelling die ten aanzien van de beroepsopleiding het in artikel 1.4.1 v
**1.** Een deelnemer heeft geen aanspraak op studiefinanciering indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar.
**2.** De aanspraak op studiefinanciering van een deelnemer als bedoeld in artikel 2.4, die gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken geen lessen, stages of beroepspraktijkvorming heeft gevolgd, vervalt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de instelling de afwezigheid, bedoeld in artikel 4.3, aan Onze Minister heeft medegedeeld. De periode van 8 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
**2.** De aanspraak op studiefinanciering van een deelnemer als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a of b, die gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken geen lessen, stages of beroepspraktijkvorming heeft gevolgd, vervalt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de instelling de afwezigheid, bedoeld in artikel 4.3, aan Onze Minister heeft medegedeeld. De periode van 8 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
**3.** De aanspraak op studiefinanciering vervalt over het tijdvak waarover een deelnemer de gegevens, bedoeld in artikel 4.19, niet verstrekt. Zolang hij deze gegevens over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij ontbrekende gegevens alsnog levert, herleeft de aanspraak.
@ -238,7 +238,7 @@ Vervallen
Een deelnemer aan een opleiding niveau 3 of 4 die na 31 juli 2005 voor het eerst studiefinanciering ontving voor het volgen van beroepsonderwijs, heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs:
a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op de prestatiebeurs, bedoeld in artikel 4.7, gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, of
a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs beroepsonderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, of
b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering in de zin van de paragrafen 4.1.2 of 4.2.3 is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs of op grond van de Wet studiefinanciering BES is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs aan een opleiding niveau 3 of 4.
c. In afwijking van onderdeel b wordt, indien artikel 4.14, eerste lid, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden.
d. In afwijking van onderdeel b wordt, indien artikel 4.14, tweede lid, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met 5 jaren.
@ -279,7 +279,7 @@ Vervallen
Een student heeft geen aanspraak op studiefinanciering:
a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op de prestatiebeurs in het hoger onderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten,
a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs hoger onderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten,
b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs, op grond van deze wet of op grond van de Wet studiefinanciering BES,
c. indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar, of
d. indien hij in het betreffende studiefinancieringstijdvak aanspraak maakt op een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud, die door de voor de verstrekking van deze tegemoetkomingen verantwoordelijke autoriteit van een ander land wordt verstrekt.
@ -317,7 +317,7 @@ a. is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederl
b. is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland die, onverminderd onderdeel a, overigens voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria, en
c. binnen de reikwijdte van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie valt, of daarmee gelijkgesteld is op grond van het recht van de Europese Unie, of ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan die opleiding in Nederland heeft gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf heeft gehad. De periode gedurende welke een student is ingeschreven aan een opleiding buiten Nederland als bedoeld onder a, telt niet mee voor de bepaling van de 6 jaren, bedoeld in de vorige volzin.
**3.** Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid. Indien voor een vergelijkbare opleiding of vergelijkbaar geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in Nederland de prestatiebeurs voor meer dan 4 jaren wordt verstrekt stelt Onze Minister voor de betreffende opleiding buiten Nederland de duur van de prestatiebeurs vast op de duur van de periode gedurende welke studiefinanciering wordt verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs voor die opleiding in Nederland. Indien de studielast van een vergelijkbare opleiding of vergelijkbaar geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in Nederland minder dan 4 jaren betreft, stelt Onze Minister de studielast van de opleiding buiten Nederland vast op de studielast van die opleiding in Nederland.
**3.** Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid. Onze Minister stelt voor de opleiding buiten Nederland de duur en de vorm van de studiefinanciering vast overeenkomstig de duur en de vorm waarin deze voor een vergelijkbare opleiding in Nederland wordt verstrekt.
**4.** Het tweede en derde lid van artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing op het tweede lid. Het tweede en derde lid van artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn, voor de toepassing van de eerste volzin, tevens van overeenkomstige toepassing op personen met een andere dan de Nederlandse nationaliteit.
@ -343,13 +343,13 @@ De studerende die lesgeld is verschuldigd op grond van artikel 5, tweede lid, va
### Artikel 2.16
**1.** De deelnemer heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2, indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs voor het volgen van een opleiding beroepsonderwijs heeft genoten.
**1.** De deelnemer heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2, indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten.
**2.** De studerende heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs indien hij reeds 4 jaren studiefinanciering heeft genoten voor het volgen van een opleiding in het hoger onderwijs.
**2.** De studerende heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs hoger onderwijs heeft genoten.
### Artikel 2.17
**1.** Een studerende die voor ten minste één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, heeft, behoudens in de gevallen, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming ten minste één maand heeft geduurd slechts aanspraak op studiefinanciering voor een thuiswonende studerende.
**1.** Een deelnemer die voor ten minste één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, heeft, behoudens in de gevallen, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming ten minste één maand heeft geduurd slechts aanspraak op studiefinanciering voor een thuiswonende deelnemer.
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
@ -361,19 +361,27 @@ De studerende die lesgeld is verschuldigd op grond van artikel 5, tweede lid, va
### Artikel 3.1
**1.** Studiefinanciering bestaat uit basisbeurs, uit basislening en uit aanvullende beurs of aanvullende lening en voor studenten ook uit collegegeldkrediet.
**1.**
Studiefinanciering bestaat voor een opleiding in het beroepsonderwijs uit een basisbeurs, een basislening en een aanvullende beurs of aanvullende lening, en kan geheel of gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van:
a. een gift;
b. een prestatiebeurs; of
c. een lening.
**2.**
Studiefinanciering kan geheel of gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van:
Studiefinanciering bestaat voor een opleiding in het hoger onderwijs uit een basislening, een aanvullende beurs of aanvullende lening en collegegeldkrediet, en kan geheel of gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van:
a. gift,
b. prestatiebeurs, of
c. lening.
a. een gift;
b. een prestatiebeurs; of
c. een lening.
**3.** De hoogte van de studiefinanciering wordt vastgesteld op basis van een budget voor een kalendermaand en voor studenten ook op basis van het collegegeldkrediet.
**3.** Indien een studerende geen aanspraak heeft op studiefinanciering als bedoeld in het eerste of tweede lid bestaat studiefinanciering uit levenlanglerenkrediet.
**4.** In afwijking van het derde lid kan de hoogte van de studiefinanciering ook worden vastgesteld op een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs.
**4.** De hoogte van de studiefinanciering wordt vastgesteld op basis van een budget voor een kalendermaand.
**5.** In afwijking van het vierde lid kan de hoogte van de studiefinanciering ook worden vastgesteld op een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs.
### Artikel 3.2
@ -392,9 +400,13 @@ Dit budget kan worden verhoogd met:
a. een toeslag voor een partner ingevolge artikel 3.4, of
b. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge artikel 3.5.
**3.** De tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld wordt voor een deelnemer vastgesteld op eentwaalfde deel van het op grond van artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet vastgestelde of herziene bedrag van het lesgeld.
**3.** De tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld wordt voor een deelnemer vastgesteld op eentwaalfde deel van het op grond van artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet vastgestelde of herziene bedrag van het lesgeld. Het bedrag van de maximale aanvullende beurs, bedoeld in de artikelen 3.13, eerste lid, 3.16 en 3.18, wordt voor een deelnemer verhoogd met het bedrag van de tegemoetkoming.
**4.** De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.
**4.** De tegemoetkoming, bedoeld in het derde lid, wordt niet toegekend voor het studiejaar waarin de deelnemer de leeftijd van 18 jaren bereikt.
**5.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
**6.** De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.
### Artikel 3.3
@ -402,8 +414,9 @@ b. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge artikel 3.5.
Het budget voor een student voor een kalendermaand is het totaal van:
a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, en
b. een reisvoorziening.
a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud;
b. het collegegeldkrediet; en
c. een reisvoorziening.
**2.**
@ -426,7 +439,7 @@ b. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge artikel 3.5.
### Artikel 3.5
**1.** Aan een studerende zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag heeft, wordt een toeslag voor een één-oudergezin toegekend.
**1.** Aan een studerende zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag heeft, wordt een toeslag voor een eenoudergezin toegekend.
**2.** Het bedrag is opgenomen in artikel 3.18.
@ -434,11 +447,11 @@ b. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge artikel 3.5.
### Artikel 3.6
**1.** De hoogte van de basisbeurs is verschillend voor uit- en thuiswonende studerenden en voor beroepsonderwijs en hoger onderwijs. De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.
**1.** De hoogte van de basisbeurs is verschillend voor uit- en thuiswonende deelnemers. De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.
**2.** Van de basisbeurs maakt een reisvoorziening deel uit, tenzij anders is bepaald.
**2.** Voor een opleiding niveau 1 of 2 maakt een reisvoorziening deel uit van de basisbeurs.
**3.** Van de basisbeurs kunnen de toeslagen, bedoeld in de artikelen 3.4 en 3.5, deel uitmaken.
**3.** Voor een opleiding niveau 1 of 2 kan de toeslag, bedoeld in artikel 3.5, onderdeel uitmaken van de basisbeurs.
### Artikel 3.7
@ -446,11 +459,11 @@ b. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge artikel 3.5.
**2.**
Voor studerenden die aanspraak hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, respectievelijk artikel 5.3, tweede lid.
Voor studerenden die aanspraak hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 5.3, eerste lid.
In afwijking van de eerste volzin kan een studerende als bedoeld in de eerste volzin op aanvraag als reisvoorziening een reisrecht ontvangen.
**3.** Voor studerenden voor wie geen burgerservicenummer kan worden gebruikt in het contact tussen Onze Minister en RSR, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, respectievelijk artikel 5.3, tweede lid.
**3.** Voor studerenden voor wie geen burgerservicenummer kan worden gebruikt in het contact tussen Onze Minister en RSR, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 5.3, eerste lid.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze van aanvraag en toekenning van de reisvoorziening in geld, bedoeld in het tweede en derde lid alsmede regels met het oog op een goede uitvoering van dit artikel.
@ -535,7 +548,7 @@ b. de voorwaarden waaronder de toekenning van de aanvraag geschiedt.
### Artikel 3.15
De basislening is een lening. De hoogte van de basislening is opgenomen in artikel 3.18.
Op aanvraag wordt een basislening toegekend. De maximale hoogte van de basislening is opgenomen in artikel 3.18, waarbij verschillende bedragen zijn vastgesteld voor deelnemers en studenten.
### Artikel 3.16
@ -545,11 +558,9 @@ Het verschil tussen het maximale bedrag van de aanvullende beurs en de voor een
**1.** Het collegegeldkrediet is een lening die aan de student op aanvraag wordt toegekend.
**2.** Het bedrag dat per maand kan worden geleend bedraagt ten hoogste eentwaalfde deel van het volledige wettelijke collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid. Indien het door de student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag voor het volgen van hoger onderwijs hoger is dan het volledige wettelijke collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, bedraagt het bedrag dat per maand kan worden geleend, in afwijking van de eerste volzin, ten hoogste eentwaalfde deel van het door de student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag voor het volgen van hoger onderwijs.
**2.** Het bedrag dat per maand kan worden geleend bedraagt niet meer dan een twaalfde deel van het feitelijk door de studerende voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag aan collegegeld voor het volgen van hoger onderwijs en in totaal ten hoogste vijf maal een twaalfde deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de WHW.
**3.** Het collegegeldkrediet bedraagt per maand maximaal vijftwaalfde deel van het volledige wettelijke collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het collegegeldkrediet.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het collegegeldkrediet.
### Artikel 3.16b
@ -569,7 +580,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 3.17
**1.** Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13 215,83 per 1 januari 2015: € 13.856,11.
**1.** Indien een deelnemer in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de deelnemer. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13 215,83 per 1 januari 2015: € 13.856,11.
**2.** Vervallen.
@ -579,20 +590,20 @@ Tot het meerinkomen worden niet gerekend:
a. een uitkering op grond van de Participatiewet, de Toeslagenwet of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
b. de studiefinanciering verstrekt op grond van deze wet en voor zover in deze inkomsten begrepen, en
c. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die in het kalenderjaar waarin de studerende zijn afsluitend examen behaalt, is verworven, met dien verstande dat een studerende hier slechts eenmaal voor in aanmerking komt.
c. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die in het kalenderjaar waarin de deelnemer zijn afsluitend examen behaalt, is verworven, met dien verstande dat een deelnemer hier slechts eenmaal voor in aanmerking komt.
**4.** Voor iedere maand dat een studerende een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene nabestaandenwet, blijft daarvan een bedrag ter grootte van de maximale aanvullende beurs voor een thuiswonende deelnemer, bedoeld in artikel 3.18, buiten beschouwing.
**4.** Voor iedere maand dat een deelnemer een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene nabestaandenwet, blijft daarvan naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag ter grootte van € 324,10 naar de maatstaf van 1 januari 2015 per 1 september 2015: € 332,30 buiten beschouwing.
**5.**
Bij de berekening van het meerinkomen blijft buiten beschouwing inkomen waarvan de studerende aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen studerende was in de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit kan slechts de periode betreffen:
Bij de berekening van het meerinkomen blijft buiten beschouwing inkomen waarvan de deelnemer aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen deelnemer was in de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit kan slechts de periode betreffen:
a. die begint bij de aanvang van het kalenderjaar, of
b. die eindigt bij het einde van het kalenderjaar.
**6.**
Voor de toepassing van het vijfde lid worden de volgende onderdelen van het toetsingsinkomen op verzoek van de studerende herleid tot maandbedragen door de desbetreffende bedragen te delen door 12:
Voor de toepassing van het vijfde lid worden de volgende onderdelen van het toetsingsinkomen op verzoek van de deelnemer herleid tot maandbedragen door de desbetreffende bedragen te delen door 12:
a. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onder a van de Wet inkomstenbelasting 2001,
b. de negatieve persoonsgebonden aftrekposten, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
@ -602,25 +613,26 @@ e. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de
**7.**
Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die studerende aan Onze Minister een bedrag ter grootte van het meerinkomen verschuldigd, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan de som van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die studerende toegekende bedragen aan:
Indien een deelnemer in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die deelnemer aan Onze Minister een bedrag ter grootte van het meerinkomen verschuldigd, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan de som van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die deelnemer toegekende bedragen aan:
a. basisbeurs,
b. aanvullende beurs, en
c. voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de reisvoorziening, het bedrag gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.
b. aanvullende beurs,
c. toeslag eenoudergezin, en
d. voor iedere maand waarin de deelnemer op enig moment beschikte over de reisvoorziening, een bedrag gelijk aan een twaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.
**8.** Over de verschuldigde bedragen, bedoeld in het zevende lid, wordt rente berekend op de voet van de artikelen 6.3 en 6.4, met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de dag waarop de beschikking terzake is gegeven.
**9.** Indien een studerende voor 1 juni van een kalenderjaar aan Onze Minister schriftelijk opgave doet van het bedrag aan meerinkomen in het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, is het achtste lid op deze studerende niet van toepassing, voor zover dat bedrag voor die datum door hem is betaald.
**9.** Indien een deelnemer voor 1 juni van een kalenderjaar aan Onze Minister schriftelijk opgave doet van het bedrag aan meerinkomen in het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, is het achtste lid op deze deelnemer niet van toepassing, voor zover dat bedrag voor die datum door hem is betaald.
**10.** De vordering die ontstaat door toepassing van het zevende lid, wordt in mindering gebracht op de met betrekking tot dat kalenderjaar aan de studerende toegekende prestatiebeurs. Voor zover de prestatiebeurs over dat kalenderjaar niet is uitbetaald, wordt de vordering verrekend met die prestatiebeurs. De opgebouwde rente over het in mindering gebrachte bedrag gaat teniet.
**10.** De vordering die ontstaat door toepassing van het zevende lid, wordt in mindering gebracht op de met betrekking tot dat kalenderjaar aan de deelnemer toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs. Voor zover de prestatiebeurs over dat kalenderjaar niet is uitbetaald, wordt de vordering verrekend met die prestatiebeurs. De opgebouwde rente over het in mindering gebrachte bedrag gaat teniet.
**11.** Een aanvraag van de studerende aan Onze Minister om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking indien dat verzoek is ingediend voor 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar.
**11.** Een aanvraag van de deelnemer aan Onze Minister om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking indien dat verzoek is ingediend voor 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar.
### Paragraaf 3.5. Normbedragen
### Artikel 3.18
De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand en zijn uitgedrukt in euros, voor de Overzichten 1 en 2 naar de maatstaf van 1 september 2007, en voor Overzicht 3 naar de maatstaf van 1 september 2015:
De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand naar de maatstaf van 1 januari 2014, en voor overzicht 3 naar de maatstaf van 1 september 2015:
### Paragraaf 3.6. Toekenning
@ -701,7 +713,7 @@ b. zijn reisproduct op grond van artikel 3.7, tweede of derde lid, is vervangen
**2.** Bij het ten onrechte beschikken over een op een OV-chipkaart geladen reisproduct, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister een bedrag van € 97,00 per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand verschuldigd, ongeacht of gebruik is gemaakt van het reisrecht. De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van een maand. De tweede helft loopt tot en met het einde van die maand.
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op een periode waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet kan worden toegerekend aan degene aan wie het reisrecht is toegekend.
**3.** Het tweede lid is niet van toepassing op een periode waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet kan worden toegerekend aan degene aan wie het reisrecht is toegekend.
**4.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze van beëindigen van het reisrecht, en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop en het tijdstip waarvoor de niet-toerekenbaarheid, bedoeld in het derde lid, moet worden aangetoond.
@ -774,7 +786,7 @@ b. dat de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen
**6.** Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vierde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokkene aan Onze Minister zijn verstrekt, aan deze betrokkene en geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in artikel 4.3, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat tegen de mededelingen, bedoeld in het vierde lid.
#### Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
#### Paragraaf 4.1.2. Prestatiebeurs beroepsonderwijs
### Artikel 4.6
@ -782,7 +794,12 @@ Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die in Nederland een
### Artikel 4.6a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Een deelnemer aan een opleiding niveau 3 of 4 komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
a. een basisbeurs;
b. een aanvullende beurs;
c. een reisvoorziening; en
d. een toeslag eenoudergezin.
### Artikel 4.6b
@ -790,37 +807,31 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 4.7
**1.** Studiefinanciering, met uitzondering van de basislening en de aanvullende lening, wordt voor een opleiding niveau 3 of 4 binnen en buiten Nederland tezamen gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 12 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm van een gift.
**1.** Prestatiebeurs beroepsonderwijs wordt voor een opleiding niveau 3 of 4 binnen en buiten Nederland tezamen gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 12 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm van een gift.
**2.** Indien een deelnemer een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs heeft genoten, wordt aan hem studiefinanciering, met uitzondering van de basislening en de aanvullende lening, voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
**2.** Indien een deelnemer een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten, wordt aan hem voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt.
**3.** Indien aan de voorwaarden, bedoeld in deze paragraaf, wordt voldaan wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift.
**3.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van artikel 4.6b reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden.
**4.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.
**5.** Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in artikel 3.4, gedurende de periode, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.4, derde lid.
**6.** Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
**4.** Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode bedoeld in het derde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18.
### Artikel 4.8
**1.** In afwijking van artikel 4.7, eerste en tweede lid, wordt de studiefinanciering in de vorm van een reisvoorziening verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs gedurende het in deze leden bedoelde aantal jaren, vermeerderd met 3 jaren. Indien artikel 4.12 is toegepast, wordt de uitkomst van de vorige volzin met 1 jaar vermeerderd.
**1.** Het deel van de prestatiebeurs beroepsonderwijs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs beroepsonderwijs wordt niet uitbetaald of verrekend.
**2.** Het deel van de prestatiebeurs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs wordt niet uitbetaald of verrekend.
**3.** Indien de prestatiebeurs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in artikel 3.26 of is stopgezet als bedoeld in artikel 3.27. In afwijking van artikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in artikel 3.7, tweede of derde lid, is toegekend.
**2.** Indien de prestatiebeurs beroepsonderwijs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in artikel 3.26 of is stopgezet als bedoeld in artikel 3.27. In afwijking van artikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in artikel 3.7, tweede of derde lid, is toegekend.
### Artikel 4.9
De diplomatermijn beroepsonderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst prestatiebeurs is toegekend voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4.
De diplomatermijn beroepsonderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs is toegekend.
### Artikel 4.10
**1.** Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge artikel 4.7, eerste lid, toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
**1.** Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge artikel 4.7, eerste lid, toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
**2.** Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een specialistenopleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge artikel 4.7, tweede lid, toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
**2.** Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een specialistenopleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge artikel 4.7, tweede lid, toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
**3.** Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding niveau 3 of 4 aanvangt.
**3.** Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding niveau 3 of 4 aanvangt.
**4.** Met een afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 of een afsluitend examen van een specialistenopleiding wordt gelijkgesteld het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs.
@ -828,15 +839,15 @@ De diplomatermijn beroepsonderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode van
### Artikel 4.11
Indien een deelnemer in het eerste jaar van een opleiding voor het eerst prestatiebeurs geniet en hij in dat studiejaar ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4 dan wel voor hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt op zijn aanvraag per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het einde van dat studiejaar de over dat studiejaar toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Indien een deelnemer in het eerste jaar van een opleiding voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs geniet en hij in dat studiejaar ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4 dan wel voor hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt op zijn aanvraag per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het einde van dat studiejaar de over dat studiejaar toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
### Artikel 4.12
Onze Minister verlengt op aanvraag van de deelnemer de duur van de prestatiebeurs eenmalig met 1 jaar indien de deelnemer blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs.
Onze Minister verlengt op aanvraag van de deelnemer de duur van de prestatiebeurs beroepsonderwijs eenmalig met 1 jaar indien de deelnemer blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs.
### Artikel 4.13
Indien een deelnemer op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van die wet bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Indien een deelnemer op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van die wet bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
### Artikel 4.14
@ -844,7 +855,7 @@ Indien een deelnemer op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs in
**2.** Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
**3.** Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
**3.** Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
**4.** Indien een deelnemer als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de deelnemer bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
@ -852,7 +863,7 @@ Indien een deelnemer op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs in
### Artikel 4.15
Bij omzetting van een prestatiebeurs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.
Bij omzetting van de prestatiebeurs beroepsonderwijs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.
### Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
@ -872,7 +883,9 @@ Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven
**1.** Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift.
**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.
**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift.
**3.** Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18.
### Artikel 4.19
@ -894,7 +907,7 @@ Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven
### Artikel 4.22
**1.** De deelnemer zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn, een gewaarmerkt bewijs van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van de opleiding aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs. Op het gewaarmerkt bewijs vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten.
**1.** De deelnemer zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn, een gewaarmerkt bewijs van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van de opleiding aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs beroepsonderwijs. Op het gewaarmerkt bewijs vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten.
**2.** De omzetting, bedoeld in artikel 4.10, vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de deelnemer daarvan in kennis.
@ -904,47 +917,70 @@ Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven
Voorzover deze afdeling daarin niet voorziet, alsmede indien noodzakelijk, kunnen in afwijking van het in deze afdeling bepaalde bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede uitvoering van deze afdeling.
## Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
## Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs
### Paragraaf 5.1. Algemeen
### Artikel 5.1
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 augustus 1996 voor het volgen van hoger onderwijs voor het eerst studiefinanciering ontvingen.
Een student komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
a. een aanvullende beurs;
b. een reisvoorziening; en
c. een toeslag eenoudergezin.
### Artikel 5.2
**1.** Studiefinanciering, met uitzondering van het collegegeldkrediet, de basislening en de aanvullende lening, wordt gedurende 4 jaren of het aantal jaren genoemd in artikel 5.6, dan wel bedoeld in artikel 2.14, derde lid, verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm van een gift.
**1.**
**2.** Indien aan de voorwaarden, bedoeld in dit hoofdstuk, wordt voldaan wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift.
De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt aan een student verstrekt:
**3.** Studiefinanciering, met uitzondering van het collegegeldkrediet, wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.3, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2007 € 809,93 per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.
a. voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, van de WHW gedurende de periode waarop de studielast van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs op grond van artikel 7.4b, eerste tot en met zevende lid, van de WHW is gebaseerd; of
b. voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, van de WHW gedurende de periode waarop de studielast van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op grond van artikel 7.4a, eerste tot en met zevende lid, van de WHW is gebaseerd.
**4.** De basislening en de aanvullende lening kunnen gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt. Het collegegeldkrediet kan gedurende de periode bedoeld in het eerste en derde lid worden verstrekt.
**2.** In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat, verstrekt in de vorm van een gift.
**5.** Op aanvraag kan een student als bedoeld in artikel 3.4, gedurende de in het derde lid bedoelde periode tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.4, derde lid.
**3.** De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.
**6.** Op aanvraag kan een student als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de in het derde lid bedoelde periode tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
**4.** Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
**5.** Op aanvraag kan een student als bedoeld in artikel 3.5 gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
### Artikel 5.2a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt, indien:
a. het een student betreft die met goed gevolg het afsluitende examen van een bacheloropleiding heeft behaald, voor zover bij ministeriële regeling aangewezen, of een daarmee gelijkgesteld diploma; en
b. deze student is ingeschreven voor de hbo-lerarenopleiding, voor een daarbinnen te volgen eenjarig programma, waarvan in de onder a bedoelde ministeriële regeling is aangegeven dat die opleiding verwant is aan de onder a bedoelde opleiding.
### Artikel 5.2b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een handicap of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen het aantal jaren waarop de studielast van de opleiding, bedoeld in artikel 7.3a van de WHW, is gebaseerd.
### Artikel 5.2c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.**
In aanvulling op artikel 5.2, eerste lid, wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt, indien:
a. het een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.30c van de WHW betreft;
b. met goed gevolg het afsluitende examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, met uitzondering van het derde lid, van de WHW is behaald en daarna een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, van de WHW wordt gevolgd; of
c. reeds eerder prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend op grond van artikel 5.2a en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, van de WHW wordt gevolgd.
**2.** Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing, indien reeds eerder op grond van onderdeel b van dat lid prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend.
**3.**
Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien reeds eerder:
a. op grond van het eerste lid, onderdeel a, of artikel 5.2a prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; of
b. op grond van artikel 5.2, eerste lid, prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend, voor zover die toekenning betrekking had op een opleiding als bedoeld in artikel 7.4b, vierde lid, van de WHW.
### Artikel 5.3
**1.** Studiefinanciering in de vorm van een reisvoorziening wordt in de vorm van een prestatiebeurs verstrekt gedurende de periode, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, vermeerderd met 1 jaar.
**1.** Het deel van de prestatiebeurs hoger onderwijs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs hoger onderwijs wordt niet uitbetaald of verrekend.
**2.** Het deel van de prestatiebeurs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs wordt niet uitbetaald of verrekend.
**3.** Indien de prestatiebeurs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in artikel 3.26 of is stopgezet als bedoeld in artikel 3.27. In afwijking van artikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in artikel 3.7, tweede of derde lid, is toegekend.
**2.** Indien de prestatiebeurs hoger onderwijs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in artikel 3.26 of is stopgezet als bedoeld in artikel 3.27. In afwijking van artikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in artikel 3.7, tweede of derde lid, is toegekend.
### Artikel 5.4
@ -956,68 +992,43 @@ De diplomatermijn hoger onderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vang
### Artikel 5.6
**1.** De prestatiebeurs wordt gedurende meer dan 4 jaren verstrekt voor het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid van de WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde, vierde, vijfde of zesde lid, van de WHW. De duur van de prestatiebeurs van 48 maanden wordt met een maand verlengd voor elke 5 studiepunten die de studielast van de masteropleiding boven de 60 studiepunten telt. Indien het aantal studiepunten boven de 60 geen veelvoud van 5 betreft, wordt de prestatiebeurs voor het geheel van studiepunten dat overblijft na toepassing van de vorige volzin, met een maand verlengd.
**2.** De prestatiebeurs wordt gedurende 6 jaar verstrekt indien het betreft het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan een universiteit of levensbeschouwelijke universiteit dat, blijkens het onderwijsen examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap en waarvoor via de universiteit of levensbeschouwelijke universiteit middelen ter beschikking worden gesteld.
**3.** De prestatiebeurs wordt gedurende 7 jaar verstrekt voor het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid, eerste volzin, van de WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, zevende lid, van de WHW.
**4.** De duur van de prestatiebeurs wordt ten hoogste met 1 jaar verlengd indien het een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid, tweede volzin, van de WHW betreft. Het eerste lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
**5.**
De duur van de prestatiebeurs wordt op aanvraag met 1 jaar verlengd indien het betreft:
a. een student die met goed gevolg het afsluitende examen van een bacheloropleiding heeft behaald, voorzover bij ministeriële regeling aangewezen, of een daarmee gelijk gesteld diploma, en
b. deze student is ingeschreven voor de hbo-lerarenopleiding, voor een daarbinnen te volgen eenjarig programma, waarvan in bedoelde ministeriële regeling is aangegeven dat die opleiding verwant is aan de onder a bedoelde opleiding.
**6.** De duur van de prestatiebeurs wordt op aanvraag met 1 jaar verlengd indien het een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.30c van de WHW betreft. De eerste volzin is niet van toepassing indien eerder op grond van het zevende lid van dit artikel prestatiebeurs is toegekend.
**7.** De duur van de prestatiebeurs wordt op aanvraag met 1 jaar verlengd indien met goed gevolg het afsluitende examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, met uitzondering van het derde lid, van de WHW is behaald en daarna een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, van de WHW wordt gevolgd. De eerste volzin is niet van toepassing indien eerder op grond van het vijfde of zesde lid van dit artikel prestatiebeurs is toegekend. De eerste volzin is eveneens niet van toepassing indien eerder op grond van het negende lid van dit artikel prestatiebeurs is toegekend, voor zover dat betrekking had op een opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken.
**8.** De duur van de prestatiebeurs wordt op aanvraag met 1 jaar verlengd indien reeds eerder prestatiebeurs is toegekend op grond van het vijfde lid en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, van de WHW wordt gevolgd.
**9.** De duur van de prestatiebeurs wordt met 1 jaar verlengd indien het een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4b, tweede tot en met zevende lid, van de WHW betreft.
**10.** Onze Minister verlengt op aanvraag van de student de duur van de prestatiebeurs eenmalig met 1 jaar indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een handicap of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs.
Vervallen
### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
### Artikel 5.7
**1.** Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs het afsluitend examen van een hbo bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, van de WHW met goed gevolg heeft afgesloten, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
**1.** Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afrondt, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift.
**2.** Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgesloten, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b van de WHW die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de WHW aanvangt.
**2.** Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het eerste lid afrondt, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs hoger onderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b van de WHW die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de WHW aanvangt.
**3.** Met een afsluitend examen wordt gelijkgesteld het examen van een deeltijdse opleiding of een opleiding van de Open Universiteit, voor zover deze examens door de WHW daarmee gelijk worden gesteld.
**3.** Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld het afronden van een deeltijdse opleiding of een opleiding van de Open Universiteit, voor zover deze opleiding krachtens de WHW daarmee gelijk wordt gesteld.
**4.** Met een afsluitend examen wordt eveneens gelijkgesteld het examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs en het examen van een programma als bedoeld in artikel 7.8a van de WHW, voorzover de student daartoe een aanvraag heeft ingediend.
**4.** Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het eerste lid wordt eveneens gelijkgesteld het afronden van een wo-bacheloropleiding en het afronden van een programma als bedoeld in artikel 7.8a van de WHW, voor zover de student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling.
### Artikel 5.8
**1.** Indien een student met goed gevolg het afsluitend examen heeft behaald van een opleiding waarvan de studielast is gebaseerd op een periode van minder dan 4 jaren overeenkomstig artikel 5.2, eerste lid, wordt het aantal om te zetten maanden van zijn prestatiebeurs met dit verschil verminderd.
**2.** Indien een student een aanvraag als bedoeld in artikel 5.7, vierde lid, heeft ingediend, wordt het aantal maanden, bedoeld in het eerste lid, van de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Vervallen
### Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
### Artikel 5.9
**1.** De omzetting, bedoeld in artikel 5.7, vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d van de WHW, of de mededeling, bedoeld in artikel 9.5, derde lid. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de student daarvan in kennis.
**1.** De omzetting, bedoeld in artikel 5.7, vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d van de WHW, of de mededeling, bedoeld in artikel 9.5, tweede lid. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de student daarvan in kennis.
**2.** Een student die het examen, bedoeld in de artikelen 5.7 of 5.8, met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.
**2.** Een student die het examen, bedoeld in artikel 5.7, met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.
**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de omzetting van de prestatiebeurs ingevolge artikel 5.7, vierde lid.
**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs ingevolge artikel 5.7, vierde lid.
### Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar
### Artikel 5.10
Indien een student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment voor het eerst prestatiebeurs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt op 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat studiejaar de in dat studiejaar toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Indien een student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt op 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat studiejaar de in dat studiejaar toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
### Artikel 5.11
Indien een student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment na 31 januari voor het eerst prestatiebeurs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 september, en hij niet vóór 1 februari van het daaropvolgende studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het laatstbedoelde studiejaar de in het eerste studiejaar toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Indien een student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment na 31 januari voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 september, en hij niet vóór 1 februari van het daaropvolgende studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het laatstbedoelde studiejaar de in het eerste studiejaar toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
### Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
@ -1039,7 +1050,7 @@ Vervallen
### Artikel 5.15
Indien een student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van die wet bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Indien een student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van die wet bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
### Artikel 5.16
@ -1047,7 +1058,7 @@ Indien een student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs in st
**2.** Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
**3.** Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
**3.** Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
**4.** Indien een student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
@ -1057,7 +1068,7 @@ Indien een student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs in st
### Artikel 5.17
Bij omzetting van een prestatiebeurs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.
Bij omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.
## Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
@ -1065,7 +1076,20 @@ Bij omzetting van een prestatiebeurs of een deel daarvan in een gift gaat de ove
### Artikel 6.1
In dit hoofdstuk wordt onder lening mede verstaan de prestatiebeurs.
**1.** In dit hoofdstuk wordt onder lening mede verstaan de prestatiebeurs.
**2.**
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- *lening beroepsonderwijs:* lening die uitsluitend is aangegaan voor het volgen van beroepsonderwijs;
- *lening hoger onderwijs:* lening die is aangegaan voor het volgen van hoger onderwijs.
**3.** Vanaf de dag waarop een studerende met een lening beroepsonderwijs tevens een lening hoger onderwijs aangaat, wordt de lening beroepsonderwijs aangemerkt als een lening hoger onderwijs.
**4.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
**5.** Indien de debiteur tevens een schuld uit een lening heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, wordt die schuld voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als een schuld in de zin van dit hoofdstuk.
### Artikel 6.2
@ -1085,9 +1109,24 @@ c. tot welk tijdstip een aanvraag kan worden ingediend.
**5.** Bij kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 6.10, eerste en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, en is artikel 6.12 niet van toepassing.
**6.** Indien de debiteur tevens een schuld uit een lening heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, wordt die schuld voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als een schuld in de zin van dit hoofdstuk.
**6.** Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
**7.** Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
### Artikel 6.2a
**1.**
Aan de debiteur wordt gelijktijdig met de omzetting, bedoeld in artikel 5.7, een deel van de lening hoger onderwijs kwijtgescholden indien:
a. aan de debiteur op grond van artikel 5.2b voor een opleiding een extra jaar prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; en
b. de desbetreffende bacheloropleiding of masteropleiding met goed gevolg is afgerond binnen de diplomatermijn hoger onderwijs.
**2.**
Voor de waarde van de kwijtschelding is bepalend het jaar waarin voor het eerst is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. De kwijtschelding bedraagt naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 1.200 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 1.230,12.
.
**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor een goede uitvoering van dit artikel.
### Artikel 6.3
@ -1103,9 +1142,7 @@ Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage vast dat
**4.** Voor de berekening van de rente op de voet van het tweede lid wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen.
**5.** Indien op grond van artikel 10.7, derde lid, de over een studiejaar toegekende studiefinanciering lening wordt, gaat de renteberekening in op 1 januari van het kalenderjaar volgend op de datum waarop de vorm van de aan een studerende toegekende studiefinanciering onvoorwaardelijk is vastgesteld.
**6.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede tot en met het vijfde lid.
**5.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede tot en met het vierde lid.
### Artikel 6.5
@ -1113,9 +1150,21 @@ Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage vast dat
**2.** De terugbetalingsperiode bestaat uit een aanloopfase en een aflosfase.
**3.** Indien de debiteur gedurende de voor hem geldende diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel diplomatermijn hoger onderwijs opnieuw studiefinanciering geniet, of op aanvraag van de debiteur indien hij binnen bovengenoemde termijn opnieuw studerende wordt zonder hiervoor studiefinanciering te genieten, wordt de terugbetalingsperiode geschorst. Voor debiteuren die niet op grond van onderscheidenlijk artikel 4.9 en artikel 5.5 onder een diplomatermijn vallen geldt, in afwijking van de eerste volzin, dat de terugbetaling wordt geschorst zolang de debiteur opnieuw studiefinanciering geniet, of op aanvraag van de debiteur indien hij binnen bovengenoemde termijn opnieuw studerende wordt zonder hiervoor studiefinanciering te genieten.
**3.**
**4.** De schorsing, bedoeld in het derde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister of de debiteur nog studerende is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield studerende te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag. De schorsing wordt tevens beëindigd aan het einde van de diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel de diplomatermijn hoger onderwijs.
Gedurende de voor de debiteur geldende diplomatermijn wordt de terugbetalingsperiode geschorst:
a. van rechtswege indien de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, geniet; of
b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw studerende is en levenlanglerenkrediet geniet of geen studiefinanciering geniet.
**4.**
Voor debiteuren voor wie nooit een diplomatermijn heeft gegolden op grond van artikel 4.9 onderscheidenlijk artikel 5.5 geldt, in afwijking van het derde lid, dat de terugbetaling wordt geschorst:
a. van rechtswege zolang de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, geniet; of
b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw studerende is en levenlanglerenkrediet of geen studiefinanciering geniet.
**5.** De schorsing, bedoeld in het derde of vierde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister of de debiteur nog studerende is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield studerende te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag. De schorsing wordt tevens beëindigd aan het einde van de diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel de diplomatermijn hoger onderwijs.
### Artikel 6.5a
@ -1129,7 +1178,14 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de
### Artikel 6.7
**1.** De aflosfase beslaat behoudens toepassing van artikel 6.9, derde lid, 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase. Deze periode wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het tweede lid.
**1.**
De aflosfase volgt op de aanloopfase en beslaat behoudens toepassing van artikel 6.9, derde lid:
a. 15 kalenderjaren voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs;
b. 35 kalenderjaren voor de terugbetaling van een lening hoger onderwijs.
Deze periode wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het tweede lid.
**2.** Op aanvraag van de debiteur wordt de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opgeschort.
@ -1141,7 +1197,7 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de
**2.** Over de achterstallige schuld is rente verschuldigd. Als rentepercentage wordt het percentage van de wettelijke rente gehanteerd. Deze rente wordt berekend per dag op basis van samengesteld interest, waarbij een maand wordt gesteld op 30 dagen en een jaar wordt gesteld op 360 dagen.
**3.** Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in artikel 6.7, bij de vaststelling van de maandelijkse termijn, bedoeld in artikel 6.9 en 6.15, alsmede bij het tenietgaan van de schuld, bedoeld in artikel 6.16, geen rekening gehouden.
**3.** Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in artikel 6.7, bij de vaststelling van de maandelijkse termijn, bedoeld in artikel 6.9 en 6.15, alsmede bij het tenietgaan van de schuld, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, geen rekening gehouden.
**4.** Artikel 6.4 is niet van toepassing.
@ -1157,27 +1213,27 @@ a. het eerste jaar van de aflosfase,
b. het vierde jaar van de aflosfase, en
c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase.
**3.** Onverminderd toepassing van artikel 6.10 bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnen ten minste € 545,. Bij ministeriële regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden herzien.
**3.** Onverminderd toepassing van artikel 6.10 bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnen voor de terugbetaling van de lening beroepsonderwijs onderscheidenlijk lening hoger onderwijs ten minste € 545 onderscheidenlijk € 60. Bij ministeriële regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden herzien.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de terugbetalingstermijnen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat betaling geschiedt door middel van een daartoe verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen afschrijven van een bank- of postbankrekening.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de terugbetalingstermijnen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat betaling geschiedt door middel van een daartoe verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen afschrijven van een bankrekening.
### Artikel 6.10
**1.** Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is het totaal van zijn toetsingsinkomen en dat van zijn partner in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen.
**1.** Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is het totaal van zijn toetsingsinkomen en dat van zijn partner in het peiljaar. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen.
**2.**
Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan:
Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs onderscheidenlijk een lening hoger onderwijs gelijk aan:
a. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met partner,
b. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur die ouder zonder partner is als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget, of
c. 84% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren zonder partner.
a. 120% onderscheidenlijk 143% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met partner;
b. 120% onderscheidenlijk 143% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur die in het peiljaar een ouder zonder partner is als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget; of
c. 84% onderscheidenlijk 100% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren zonder partner.
**3.** De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 12% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet.
**3.** De draagkracht van de debiteur uit inkomen is voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs onderscheidenlijk een lening hoger onderwijs 12% onderscheidenlijk 4% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet.
**4.** Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het bedrag van de vastgestelde termijn, berekend op grond van artikel 6.9, betaalt de debiteur, in afwijking van dat artikel, het bedrag van zijn draagkracht.
**5.** Voor de toepassing van dit artikel, wordt indien het toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen benadert.
**5.** Voor de toepassing van dit artikel, wordt indien het toetsingsinkomen in het peiljaar nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen benadert.
**6.** Het vierde lid is niet van toepassing indien het voor Onze Minister niet mogelijk is op grond van het vijfde lid bij benadering een bedrag vast te stellen.
@ -1193,7 +1249,7 @@ c. 84% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren zonder partner.
**1.**
Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel 6.10 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien:
Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel 6.10 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen in het peiljaar, indien:
a. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of
b. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
@ -1205,7 +1261,7 @@ Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen versta
a. de vermindering niet kan worden gerekend tot inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, en
b. aannemelijk wordt gemaakt dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de aanhef alsmede in onderdeel a.
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar minimumloon over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister het uiteindelijke belastbaar minimumloon benadert.
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar minimumloon in het peiljaar, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister het uiteindelijke belastbaar minimumloon benadert.
### Artikel 6.13
@ -1215,13 +1271,15 @@ Indien het een debiteur betreft die na het peiljaar een ouder zonder partner als
**1.**
Indien de partner van de debiteur ook een debiteur op wie dit hoofdstuk van toepassing is is, wordt:
Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is op wie dit hoofdstuk van toepassing is, wordt:
a. artikel 6.10, eerste en derde lid, slechts eenmaal toegepast op het totaal van het toetsingsinkomen voor beide partners samen;
b. de draagkracht per debiteur vastgesteld op basis van de verhouding tussen de hoogte van het toetsingsinkomen van beide debiteuren afzonderlijk;
c. de draagkracht van de debiteur eerst aangewend voor de betaling van de eigen termijn op grond van artikel 6.9. Het bedrag aan resterende draagkracht van de debiteur wordt toegevoegd aan de draagkracht van de partner van wie de draagkracht zonder deze toevoeging lager is dan de voor hem op grond van artikel 6.9 vastgestelde termijn.
**2.** Indien de debiteur een partner heeft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt het op grond van artikel 6.10 berekende bedrag van de draagkracht van de debiteur verminderd met de op grond van artikel 10a.6 voor zijn partner vastgestelde terugbetalingstermijn, danwel de op grond van artikel 10a.7 berekende draagkracht van zijn partner. Indien de uitkomst negatief is wordt de draagkracht van de debiteur op nihil vastgesteld.
**2.** Indien een van de partners een lening beroepsonderwijs en de andere partner een lening hoger onderwijs terugbetaalt, wordt onverminderd het eerste lid voor beide partners artikel 6.10, tweede en derde lid, afzonderlijk toegepast volgens de percentages die van toepassing zijn op de terugbetaling van de desbetreffende lening.
**3.** Indien de debiteur een partner heeft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt het op grond van artikel 6.10 berekende bedrag van de draagkracht van de debiteur verminderd met de op grond van artikel 10a.6 voor zijn partner vastgestelde terugbetalingstermijn, danwel de op grond van artikel 10a.7 berekende draagkracht van zijn partner. Indien de uitkomst negatief is wordt de draagkracht van de debiteur op nihil vastgesteld.
### Artikel 6.15
@ -1262,7 +1320,7 @@ f. de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage wordt vastgesteld of gewi
g. de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, wordt vastgesteld of gewijzigd,
h. de hoogte van het collegegeldkrediet wordt vastgesteld of gewijzigd,
i. een herziening van de keuze in een soort reisvoorziening is geweigerd,
j. een bedrag is vastgesteld dat de studerende verschuldigd is omdat hij het reisvoorziening niet tijdig heeft beëindigd, of
j. een bedrag is vastgesteld dat de studerende verschuldigd is omdat hij het reisproduct niet tijdig heeft stopgezet, of
k. de aanvraag van een studerende, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, om als reisvoorziening een reisrecht te ontvangen, is toegekend of geweigerd.
**2.**
@ -1271,7 +1329,7 @@ Herziening vindt plaats op grond van het feit dat:
a. een beschikking genomen is waarvan de studerende of de debiteur onderscheidenlijk zijn ouder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was,
b. de situatie van langdurige afwezigheid, bedoeld in artikel 4.3, zich niet heeft voorgedaan,
c. te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de vorm van de studiefinanciering op grond van artikel 10.6, zevende lid, opnieuw wordt vastgesteld, de termijn te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld, of een onjuist besluit met betrekking tot het reisvoorziening is genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,
c. te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de termijn te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld, of een onjuist besluit met betrekking tot de reisvoorziening is genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,
d. betrokkene heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet,
e. geen gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van artikel 3.10 of de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12, omdat niet kon worden voldaan aan de voorwaarde genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b, en is gebleken dat gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.10, tweede lid, aanhef alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, aanhef alsmede de onderdelen a en b,
f. gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van artikel 3.10 of de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12, en is gebleken dat niet gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.10, tweede lid, aanhef alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, aanhef alsmede de onderdelen a en b, of
@ -1279,8 +1337,6 @@ g. andere, nader gebleken feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend
**3.** Een herziening als bedoeld in het tweede lid de onderdelen a, b, c, voor zover het betreft de vorm van de studiefinanciering, e of f, kan, behoudens het geval van bedrog, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening als bedoeld in het tweede lid onder c, voor zover het betreft de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, slechts geschieden binnen 3 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening anders dan bedoeld in de eerste en tweede volzin, slechts geschieden binnen 18 maanden na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld.
**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op een beschikking waarbij de vorm van de studiefinanciering op grond van artikel 10.7, zevende lid, onvoorwaardelijk is vastgesteld.
### Artikel 7.2
Vervallen
@ -1301,7 +1357,7 @@ De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van
**5.** De in het eerste tot en met vierde lid bedoelde terugbetaling, voor zover artikel 6.17 niet van toepassing is, en verrekening geschieden overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen redelijke terugbetalingsregels.
**7.** Artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op deze wet.
**6.** Artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op deze wet.
## Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
@ -1315,7 +1371,7 @@ De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van
### Artikel 8.2
In het studiejaar waarin een deelnemer de leeftijd van 18 jaren bereikt, wordt de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage, bedoeld in artikel 3.2, derde lid, onderdeel a, voor dat studiejaar niet toegekend. De eerste volzin is tevens van toepassing op een deelnemer die in de periode na 1 juli voorafgaand aan het betreffende studiejaar de leeftijd van 18 jaren bereikt.
Vervallen
### Artikel 8.3
@ -1327,7 +1383,7 @@ Onze Minister vaardigt een dwangbevel uit aan de nalatige, indien een bij of kra
### Artikel 9.1
Het toezicht door de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht, heeft mede betrekking op de vraag of de instelling of de opleiding voldoet aan de van toepassing zijnde voorwaarden, bedoeld in de artikelen 2.5, eerste lid, 2.13, onderdeel c, en 4.5.
Het toezicht door de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht, heeft mede betrekking op de vraag of de instelling of de opleiding voldoet aan de van toepassing zijnde voorwaarden, bedoeld in de artikelen 2.5, eerste lid, 2.13, eerste lid, onderdeel c, en 4.5.
### Artikel 9.1a
@ -1346,7 +1402,7 @@ b. de bij besluit van het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambt
### Artikel 9.1b
**1.** De toezichthouders, bedoeld in artikel 9.1a, en Onze Minister wisselen de persoonsgegevens en inlichtingen uit die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht onder vermelding van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het onderwijsnummer van de studerende op wie de persoonsgegevens of inlichtingen betrekking hebben.
**1.** De toezichthouders, bedoeld in artikel 9.1a, en Onze Minister wisselen de persoonsgegevens en inlichtingen uit die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht onder vermelding van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het onderwijsnummer van de deelnemer op wie de persoonsgegevens of inlichtingen betrekking hebben.
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van verstrekking van persoonsgegevens en inlichtingen op grond van het eerste lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de persoonsgegevens en inlichtingen die op grond van het eerste lid worden verwerkt.
@ -1377,13 +1433,7 @@ Vervallen
**1.** De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling als bedoeld in de artikelen 2.4, 2.8, 2.9, 2.10 en 2.11, uitgaat, is verplicht op een bij ministeriële regeling aan te geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet.
**2.** De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat als bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen 2.8 en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, stelt aan het einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in het eerste en tweede lid, van iedere aan de instelling ingeschreven student vast en stelt betrokkene voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van deze voortgang in kennis.
**3.** Voorts stelt de natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het tweede lid, na het einde van elk studiejaar vóór 1 november daaropvolgend Onze Minister in kennis welke studenten de norm van 30 of 20 studiepunten niet hebben behaald.
**4.** De natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het tweede lid, stuurt gelijktijdig een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die hij over de betrokkene aan Onze Minister verstrekt en geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van deze wet zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.
**5.** Onze Minister kan voor instellingen of groepen van instellingen waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een student het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan Onze Minister en gelijktijdig de student van die mededeling in kennis stelt.
**2.** Onze Minister kan voor instellingen of groepen van instellingen waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een student het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan Onze Minister en gelijktijdig de student van die mededeling in kennis stelt.
### Artikel 9.6
@ -1395,7 +1445,7 @@ Vervallen
### Artikel 9.6b
**1.** Onze Minister kan de gegevens die bij haar bekend zijn als gevolg van de uitvoering van haar wettelijke taken verstrekken aan de voor de verstrekking van een tegemoetkoming in de kosten voor toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud voor studerenden verantwoordelijke autoriteit van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
**1.** Onze Minister kan de gegevens die bij hem bekend zijn als gevolg van de uitvoering van zijn wettelijke taken verstrekken aan de voor de verstrekking van een tegemoetkoming in de kosten voor toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud voor studerenden verantwoordelijke autoriteit van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
**2.** De in het eerste lid bedoelde verantwoordelijke autoriteit toont voor de verstrekking van gegevens aan dat de studerende ten laste van die autoriteit een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud heeft aangevraagd dan wel reeds ontvangt.
@ -1403,7 +1453,7 @@ Vervallen
### Artikel 9.6c
**1.** Onze Minister kan, overeenkomstig artikel 9.6b, gegevens, die bij haar bekend zijn als gevolg van de uitvoering van haar wettelijke taken, uitwisselen met een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte indien deze staat een passend beschermingsniveau als bedoeld in artikel 76 van de Wet bescherming persoonsgegevens waarborgt.
**1.** Onze Minister kan, overeenkomstig artikel 9.6b, gegevens, die bij hem bekend zijn als gevolg van de uitvoering van zijn wettelijke taken, uitwisselen met een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte indien deze staat een passend beschermingsniveau als bedoeld in artikel 76 van de Wet bescherming persoonsgegevens waarborgt.
**2.** Voor gegevensuitwisseling als bedoeld in artikel 9.6b met een staat die geen passend beschermingsniveau kan waarborgen, kan Onze Minister een vergunning als bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens aanvragen bij Onze Minister van Veiligheid en Justitie.
@ -1411,7 +1461,7 @@ Vervallen
### Artikel 9.7
Indien een instelling als bedoeld in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.11, niet uiterlijk 1 november volgend op het einde van het studiejaar aan Onze Minister de gegevens, bedoeld in artikel 7.9a van de WHW, of in de artikelen 9.5, derde lid, of 10.6, vierde lid, heeft verstrekt, ontstaat er een vordering van Onze Minister op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag aan onvoorwaardelijk als gift vastgestelde studiefinanciering, bedoeld in de artikelen 10a.3, vijfde lid, of 10.7, dat aan de studenten aan die instelling is toegekend.
Vervallen
### Artikel 9.8
@ -1419,19 +1469,19 @@ Indien een instelling als bedoeld in artikel 2.4, onderdeel b, op enig moment in
### Artikel 9.9
**1.** Indien een studerende het normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5, kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
**1.** Indien een deelnemer het normbedrag voor een uitwonende deelnemer toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5, kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de deelnemer in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
**2.** De herziening vindt plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de studerende of een van hen na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de studerende, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.
**2.** De herziening vindt plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de deelnemer in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de deelnemer of een van hen na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de deelnemer, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.
**3.** Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
### Artikel 9.9a
**1.** Indien Onze Minister de studerende een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, heeft opgelegd en de studerende heeft, nadat voormelde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, voor een tweede maal niet voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5, kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100 procent van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
**1.** Indien Onze Minister de deelnemer een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, heeft opgelegd en de deelnemer heeft, nadat voormelde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, voor een tweede maal niet voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5, kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100 procent van het bedrag dat van de deelnemer in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
**2.** De herziening vindt plaats met ingang van de dag na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, ziet of, indien dit een latere datum betreft, de dag van de laatste adreswijziging van de studerende in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de studerende of een van hen na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, ziet of na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de studerende, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.
**2.** De herziening vindt plaats met ingang van de dag na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, ziet of, indien dit een latere datum betreft, de dag van de laatste adreswijziging van de deelnemer in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de deelnemer of een van hen na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, ziet of na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de deelnemer, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.
**3.** Indien Onze Minister de studerende een boete als bedoeld in het eerste lid heeft opgelegd kan hij tevens beslissen dat elke aanspraak op studiefinanciering vervalt.
**3.** Indien Onze Minister de deelnemer een boete als bedoeld in het eerste lid heeft opgelegd kan hij tevens beslissen dat elke aanspraak op studiefinanciering vervalt.
**4.** Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
@ -1453,122 +1503,35 @@ De in de artikelen 9.10 en 9.11 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
### Artikel 10.1
In dit hoofdstuk wordt onder tempobeurs verstaan een voorwaardelijke gift die onder voorwaarden kan worden omgezet in een lening. De tempobeurs omvat niet de reisvoorziening.
Vervallen
### Artikel 10.2
**1.** Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 juli 1991 en voor 1 september 1996 voor het eerst voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontvingen op grond van de Wet op de studiefinanciering.
**2.** Dit hoofdstuk is niet van toepassing op studenten die onderwijs volgen aan een opleiding als bedoeld in de artikelen 2.11 en 2.14. De studiefinanciering aan deze studenten wordt op grond van artikel VI van de wet van 28 maart 1996 (Stb. 226) gedurende 6 jaren verstrekt in de vorm van een gift. Indien Onze Minister heeft bepaald dat het een langere opleiding betreft, wordt het aantal van 6 jaren verhoogd met het meerdere.
Vervallen
### Artikel 10.3
**1.** In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, onderdeel b, kan studiefinanciering worden toegekend in de vorm van tempobeurs.
**2.** Studiefinanciering met uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 5 jaren of het aantal jaren genoemd in artikel 10.5, verstrekt in de vorm van een tempobeurs. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een gift.
**3.** Studiefinanciering met uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 2 jaren na de periode, bedoeld in het tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een gift. Het bedrag dat per maand gedurende deze periode kan worden geleend, bedraagt, in afwijking van de artikelen 3.2 en 3.3, naar de maatstaf van 1 januari 2007 € 809,93 per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. De artikelen 3.13 en 3.18 zijn niet van toepassing.
Vervallen
### Artikel 10.4
In afwijking van de artikelen 2.13 en 2.16 geldt dat:
a. een student geen aanspraak op studiefinanciering heeft:
1°. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op de tempobeurs gedurende 24 maanden een lening heeft genoten,
2°. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op de tempobeurs ingevolge artikel 10.8, tweede lid, gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, of
3°. indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar, en
b. de studerende geen aanspraak op studiefinanciering heeft voor het volgen van een opleiding in het beroepsonderwijs, indien hij reeds 5 jaren studiefinanciering heeft genoten voor het volgen van een opleiding in het hoger onderwijs.
Vervallen
### Artikel 10.5
**1.** Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die een opleiding volgen aan een onderwijsinstelling als bedoeld in de artikelen 2.8, 2.9 en 2.10.
**2.**
De tempobeurs wordt gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft:
a. een opleiding, genoemd in artikel 7.4, derde lid, eerste volzin, van de WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, of
b. het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid, van de WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, eerste volzin, van de WHW.
**3.**
De tempobeurs wordt gedurende 7 jaren verstrekt, indien het betreft:
a. een opleiding, genoemd in artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, van de WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde,
b. het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid, van de WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, zesde lid, van de WHW, of
c. het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid, van de WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, tweede volzin.
**4.**
De tempobeurs wordt gedurende 7,5 jaren verstrekt, indien het betreft:
a. een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) in de godgeleerdheid aan een openbare universiteit die dan wel het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan een openbare of bijzondere universiteit dat, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap,
b. het geheel van een bacheloropleiding en masteropleiding met een gezamenlijke studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs,
c. een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs,
d. het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid binnen het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen instelling als bedoeld in artikel 6.9 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), of
e. een opleiding in de zin van artikel 18.15 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) in de godgeleerdheid aan een aangewezen instelling als bedoeld in artikel 6.9 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
**5.**
De periode van 5 jaren, genoemd in artikel 10.3, tweede lid, wordt met 1 jaar verlengd, indien de student een opleiding volgt als bedoeld in:
a. artikel 7.4b, tweede lid, van de WHW,
b. artikel 18.16 van de WHW, of
c. artikel 18.20 van de WHW.
**6.** Onze Minister verlengt op aanvraag van de student het aantal jaren tempobeurs, bedoeld in dit artikel, eenmalig met 12 maanden, indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren tempobeurs.
**7.** Indien een student gelijktijdig staat ingeschreven voor meer dan een studie, waaronder een studie als bedoeld in het derde, vierde of vijfde lid, wordt de periode van 5 jaren, genoemd in artikel 10.3, tweede lid, slechts verlengd nadat hij aan Onze Minister een verklaring van het instellingsbestuur verstrekt waaruit blijkt dat de student 240 studiepunten heeft behaald van een studie die moet leiden tot verlenging. De verklaring, bedoeld in de eerste volzin, dient eveneens te worden verstrekt, indien de gelijktijdige inschrijving voor meer dan een studie aanvangt nadat reeds een verlenging is verleend op grond van het tweede, derde of vierde lid, en de inschrijving voor de studie op grond waarvan die verlenging is verleend niet wordt gestaakt.
Vervallen
### Artikel 10.6
**1.** Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die een opleiding volgen aan een onderwijsinstelling als bedoeld in de artikelen 2.8, 2.9 en 2.10.
**2.** De tempobeurs bestaat geheel uit lening in het studiejaar waarin de student niet ten minste 30 studiepunten heeft behaald. De vorige volzin is niet van toepassing op opleidingen als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, eerste volzin, van de WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002, en in artikel 7.4a, derde lid, van de WHW en artikel 7.4b, achtste lid, van de WHW. Voor een student die zich als student in het onderwijs, bedoeld in de eerste volzin, inschrijft na 31 januari van een studiejaar, geldt, in afwijking van de eerste volzin een norm van 20 studiepunten.
**3.** In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister naar aanleiding van een door een instelling als bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen 2.8 en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, in te dienen aanvraag, toestaan dat in plaats van studiepunten een andere norm voor de beoordeling van studievoortgang wordt gehanteerd. Deze andere norm dient gelijkwaardig te zijn aan de norm uitgedrukt in studiepunten. De opleiding dient zodanig te worden ingericht dat een student in redelijkheid kan voldoen aan de in de vorige volzin bedoelde norm.
**4.** De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat als bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen 2.8 en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, stelt aan het einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in het eerste en tweede lid, van iedere aan de instelling ingeschreven student vast en stelt betrokkene voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van deze voortgang in kennis.
**5.** Voorts stelt de natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het vierde lid, na het einde van elk studiejaar vóór 1 november daaropvolgend Onze Minister in kennis welke studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld in het tweede of derde lid, niet hebben behaald. Op de verstrekking van die gegevens zijn de krachtens artikel 9.5, eerste lid, vastgestelde regels van toepassing.
**6.** De natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het vierde lid, stuurt gelijktijdig een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die hij over de betrokkene aan Onze Minister verstrekt en geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van deze wet zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.
**7.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de mogelijkheid om studiepunten, behaald in een voorafgaand studiejaar mee te laten tellen bij de beoordeling van de vraag of aan de norm, bedoeld in het tweede lid, is voldaan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder studiepunten die in enig jaar zijn behaald, leiden tot herziening van een beschikking, inhoudende de onvoorwaardelijke vorm van de aan de student toegekende studiefinanciering op grond van artikel 10.7.
Vervallen
### Artikel 10.7
**1.** Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die een opleiding volgen aan een onderwijsinstelling als bedoeld in de artikelen 2.8, 2.9 en 2.10.
**2.** Ten aanzien van een student wordt de tempobeurs toegekend onder de voorwaarde dat de student over een studiejaar het in artikel 10.6, tweede lid, of het krachtens artikel 10.6, derde lid, vastgestelde resultaat behaalt.
**3.** Over het studiejaar waarin de student blijkens de mededeling aan Onze Minister, bedoeld in artikel 10.6, vierde lid, tweede volzin, of de mededeling, bedoeld in artikel 7.9a, tweede lid, van de WHW, de norm van de studievoortgang niet heeft behaald, wordt met ingang van 31 december van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, de tempobeurs van rechtswege omgezet in lening. Onze Minister maakt de omzetting zo spoedig mogelijk aan de student bekend. De tempobeurs van de studenten voor wie Onze Minister niet een mededeling als bedoeld in de eerste volzin, heeft ontvangen, wordt op 31 december van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van rechtswege onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
**4.** Bij de beoordeling van de studievoortgang tellen de studiepunten mee die zijn behaald in opleidingen waarop artikel 10.6 van toepassing is. Bij de beoordeling van de studievoortgang tellen niet mee de studiepunten die zijn behaald als gevolg van een vrijstelling als bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onderdeel r, van de WHW.
**5.** Indien een student als bedoeld in het tweede lid, in het eerste studiejaar van inschrijving in het hoger onderwijs waarvoor hij op enig moment studiefinanciering geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering in de zin van dit hoofdstuk voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt aan het einde van dat studiejaar de tempobeurs voor dat studiejaar onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
**6.** In het studiejaar waarin de student, bedoeld in het tweede lid, een opleiding waarvoor de student staat ingeschreven, met goed gevolg afrondt, wordt de tempobeurs voor dat studiejaar onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
**7.** Indien een onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, niet na het einde van elk studiejaar voor 1 november daaropvolgend aan Onze Minister de gegevens, bedoeld in artikel 7.9a van de WHW, of artikel 10.6, vierde lid, heeft verstrekt, wordt de tempobeurs onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
Vervallen
### Artikel 10.8
**1.**
Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die:
a. na 31 augustus 1995 en voor 1 september 1996 voor het eerst voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontvingen op grond van de Wet op de studiefinanciering, en
b. een voltijdse opleiding volgen als bedoeld in artikel 7.4, zesde lid, van de WHW , zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002, of het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid, van de WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW.
**2.** Indien aan een student na de periode van 5 jaren, genoemd in artikel 10.3, tweede lid, op grond van artikel 10.3, derde lid, studiefinanciering in de vorm van lening is verstrekt voor een periode van 2 jaren, vermeerderd met 1 jaar, en hij een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte kopie van het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd hebben van het afsluitend examen van een zodanige opleiding aan Onze Minister overlegt, wordt zijn studiefinanciering over die leenperiode opnieuw vastgesteld alsof artikel 10.3, derde lid, eerste volzin, over die periode niet van toepassing was geweest. Indien die leenperiode langer is dan 12 maanden, wordt de werking van de vorige volzin beperkt tot de eerste 12 maanden van die leenperiode.
**3.** Het tweede lid is niet van toepassing op maanden die deel uitmaken van een studiejaar waarin de student niet het in artikel 10.6, tweede lid, genoemde aantal studiepunten heeft behaald. De eerste volzin is niet van toepassing op maanden van het studiejaar waarin de student de opleiding waarvoor hij staat ingeschreven, met goed gevolg afrondt.
**4.** Het tweede lid is niet van toepassing, indien de daar bedoelde gewaarmerkte kopie van het getuigschrift niet binnen 2 jaren na het einde van de leenperiode waarop het tweede lid, laatste volzin, betrekking heeft, of wanneer dat eerder is, binnen 6 maanden na de uitreiking van dat getuigschrift, aan Onze Minister is overgelegd.
**5.** Bij het in het tweede lid bedoelde opnieuw vaststellen van de studiefinanciering wordt de per maand in aanmerking te nemen aanvullende beurs vastgesteld op het gemiddelde van de maandbedragen aan aanvullende beurs die aan de aanvrager voorwaardelijk zijn toegekend over de laatste 12 maanden van de in het tweede lid bedoelde periode van 5 jaren. De toekenning van gift op grond van het tweede lid is een onvoorwaardelijke.
Vervallen
## Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
@ -1578,13 +1541,20 @@ Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op debiteuren die voor het studiejaa
### Artikel 10a.2
**1.** Een debiteur die voor het studiejaar 2009-2010 voor het eerst studiefinanciering ontving en voor wie op 31 december 2011 nog geen aflosfase is aangevangen, kan, op aanvraag, zijn schuld aflossen op grond van hoofdstuk 6. Een debiteur dient een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend voor de aanvang van zijn aflosfase in.
**1.**
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de goede uitvoering van het eerste lid.
Een debiteur die voor het studiejaar 20092010 voor het eerst studiefinanciering ontving en voor wie op 31 december 2011 nog geen aflosfase is aangevangen, kan, op aanvraag, zijn schuld aflossen op grond van paragraaf 6.1, waarbij de debiteur verzoekt dat de schuld wordt aangemerkt als:
a. een lening beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, of;
b. een lening hoger onderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, uitsluitend voor zover het een debiteur betreft als bedoeld in artikel 12.14, vijfde lid.
**2.** Een debiteur dient een aanvraag als bedoeld in het eerste lid uitsluitend voor de aanvang van zijn aflosfase in.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de goede uitvoering van het eerste lid.
### Artikel 10a.3
De artikelen 6.1 tot en met 6.6, 6.8, 6.12, en 6.14 tot en met 6.17 zijn van overeenkomstige toepassing op debiteuren die onder dit hoofdstuk vallen.
De artikelen 6.1 tot en met 6.6, 6.8, 6.12, en 6.14 tot en met 6.17 zijn van overeenkomstige toepassing op debiteuren die onder dit hoofdstuk vallen, waarbij de lening van de debiteur wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs.
### Artikel 10a.4
@ -1674,9 +1644,9 @@ Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is en op beide debiteuren hoo
### Artikel 11.1
**1.** Per 1 januari van ieder kalenderjaar past Onze Minister de bedragen, genoemd in de artikelen 3.4, tweede lid, 3.9, derde lid, 3.17, eerste lid, 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 4.7, 4.18, 5.2 en 10.3, aan op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze aan de hand van de loon- of prijsontwikkelingen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar.
**1.** Per 1 januari van ieder kalenderjaar past Onze Minister de bedragen, genoemd in de artikelen 3.4, tweede lid, 3.9, derde lid, 3.17, eerste en vierde lid, 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 4.7, 4.18, 5.2 en 6.2a, aan op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze aan de hand van de loon- of prijsontwikkelingen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar.
**2.** De bedragen maximale aanvullende beurs/lening in de kolom hoger onderwijs, genoemd in overzicht 2 van artikel 3.18, worden voor de studiejaren 20092010 tot en met 20182019 jaarlijks op 1 september verhoogd met een bedrag van € 1,84. Het bedrag basislening in de kolom hoger onderwijs, genoemd in overzicht 2 van artikel 3.18, wordt gelijktijdig met hetzelfde bedrag verlaagd.
**2.** Het bedrag van de maximale aanvullende beurs, genoemd in artikel 3.18, overzicht 2, onderdeel B, wordt voor de studiejaren 20092010 tot en met 20182019 jaarlijks op 1 september verhoogd met een bedrag van € 1,84. Het bedrag van de basislening, genoemd in artikel 3.18, overzicht 2, onderdeel B, wordt gelijktijdig met hetzelfde bedrag verlaagd.
**3.** De aangepaste bedragen treden in de plaats van de in het eerste en tweede lid bedoelde, aan te passen bedragen.
@ -1718,6 +1688,8 @@ Vervallen
## Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
### Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015
### Artikel 12.1
**1.** Vervallen.
@ -1736,7 +1708,7 @@ Vervallen
### Artikel 12.1a
Voor deelnemers die voor 1 augustus onderscheidenlijk voor studenten die voor 1 september volgend op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XII van de wet van 13 december 2000 tot wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het adres van een ingezetene, Stb. 2001, 67, studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering of van deze wet ontvingen, geldt in afwijking van artikel 1.5, zoals dat artikel luidde op 31 december 2011, dat waar de studerende woont naar de omstandigheden wordt beoordeeld.
Voor deelnemers die vóór 1 augustus 2002 onderscheidenlijk voor studenten die vóór 1 september 2002 studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering of van deze wet ontvingen, geldt in afwijking van artikel 1.5, zoals dat artikel luidde op 31 december 2011, dat waar de studerende woont naar de omstandigheden wordt beoordeeld.
### Artikel 12.1a0
@ -1744,17 +1716,17 @@ Voor deelnemers die voor 1 augustus onderscheidenlijk voor studenten die voor 1
**2.**
Het langstudeerderskrediet is een lening die op aanvraag kan worden toegekend voor het studiejaar 20112012 en 20122013. Het langstudeerderskrediet kan worden toegekend aan een iemand die:
Het langstudeerderskrediet is een lening die op aanvraag kan worden toegekend voor het studiejaar 20112012 en 20122013. Het langstudeerderskrediet kan worden toegekend aan iemand die:
a. voor 1 september 2011 aanspraak op studiefinanciering had;
b. op het moment van aanvraag geen aanspraak op studiefinanciering heeft; en
c. het verhoogde wettelijke collegegeld verschuldigd is op grond van artikel 7.45b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zoals dat luidde op 1 september 2011.
c. het verhoogde wettelijke collegegeld verschuldigd is op grond van artikel 7.45b van de WHW zoals dat luidde op 1 september 2011.
**3.** Het langstudeerderskrediet voor het desbetreffende studiejaar wordt in een keer uitgekeerd en bedraagt maximaal de hoogte van de opslag, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zoals dat luidde op 1 september 2011.
**3.** Het langstudeerderskrediet voor het desbetreffende studiejaar wordt in een keer uitgekeerd en bedraagt maximaal de hoogte van de opslag, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de WHW zoals dat luidde op 1 september 2011.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het langstudeerderskrediet.
**5.** Hoofdstuk 6 en 10a en de artikelen 7.1, 7.3 en 12.10a1 zijn van overeenkomstige toepassing.
**5.** Hoofdstuk 10a, paragraaf 6.1, voor de toepassing waarvan het langstudeerderskrediet wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs, en de artikelen 7.1, 7.3 en 12.10a1 zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 12.1aa
@ -1762,13 +1734,13 @@ Op de deelnemer die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs st
### Artikel 12.1b
**1.** In afwijking van de artikelen 2.8 en 2.9 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in de artikelen 18.14 of 18.15 van de WHW zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), of 18.16 van de WHW, voorzover die opleiding is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de WHW of de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel t, van de WHW, met positief gevolg heeft ondergaan.
**1.** In afwijking van de artikelen 2.8 en 2.9 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in de artikelen 18.14 of 18.15 van de WHW, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010, of 18.16 van de WHW, voorzover die opleiding is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de WHW of de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel t, van de WHW, met positief gevolg heeft ondergaan.
**2.** In afwijking van de artikelen 2.8 en 2.9 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in artikel VII van de wet van 2 april 1998, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen (Stb. 1998, 216), voorzover die opleiding is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 5a.9 van de WHW.
**3.** In afwijking van artikel 2.8, tweede lid, geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in plaats van 6.5, tweede lid: 6.5, derde lid.
**4.** In aanvulling op artikel 2.9 kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een student voor studiefinanciering in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een aangewezen instelling als bedoeld in de artikelen 6.9 of 16.10 van de WHW, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
**4.** In aanvulling op artikel 2.9 kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een student voor studiefinanciering in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een aangewezen instelling als bedoeld in de artikelen 6.9 of 16.10 van de WHW, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010.
### Artikel 12.1ba
@ -1784,7 +1756,7 @@ Op een student die voor 1 september 2007 voor het volgen van hoger onderwijs bu
### Artikel 12.1ca
Voor een studerende die reeds voor de inwerkingtreding van artikel 2.17 studiefinanciering ontving en wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel 2.17 rechtens was ontnomen, wordt voor de toepassing van dat artikel als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding van artikel 2.17 en eindigt de aanspraak op studiefinanciering voor uitwonenden in afwijking van artikel 2.17, eerste lid, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd.
Voor een studerende die reeds vóór 1 juli 2009 studiefinanciering ontving en wiens vrijheid op 30 juni 2009 rechtens was ontnomen, wordt voor de toepassing van artikel 2.17, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel P, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt 1 juli 2009 en eindigt de aanspraak op studiefinanciering voor uitwonenden in afwijking van artikel 2.17, eerste lid, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd.
### Artikel 12.1d
@ -1792,13 +1764,11 @@ In afwijking van de artikelen 3.9, tweede lid, vijfde volzin, 3.12, 6.10, tweede
### Artikel 12.2
**1.** In afwijking van artikel 3.18 wordt het normbedrag maximale aanvullende beurs/lening (of veronderstelde ouderlijke bijdrage) voor zowel thuiswonend als uitwonend en voor zowel hoger onderwijs als beroepsonderwijs voor het kalenderjaar 2006 eenmalig verhoogd met € 5,84.
**2.** In afwijking van artikel 3.18 wordt het normbedrag basislening voor zowel hoger onderwijs als beroepsonderwijs voor het kalenderjaar 2006 eenmalig verlaagd met € 5,84.
Vervallen
### Artikel 12.3
In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, kan een student die voor 1 september 2007, zonder aanspraak op studiefinanciering of visiebeurs, reeds ingeschreven stond voor het volgen van hoger onderwijs buiten Nederland, met terugwerkende kracht tot uiterlijk 1 september 2007 aanspraak maken op studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs buiten Nederland, indien hij uiterlijk 31 augustus 2008 hiertoe een aanvraag indient.
Vervallen
### Artikel 12.4
@ -1826,13 +1796,13 @@ Op de student die vóór 1 september 2010 voor het volgen van hoger onderwijs s
### Artikel 12.9a
Op een student die een reisvoorziening als bedoeld in artikel 5.3, zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Y, van de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met het inkorten van het studentenreisrecht, het vervallen van de bijverdiengrens voor ondernemers in hun laatste studiejaar en het herstel van enkele technische onvolkomenheden (Stb. 2012, 368) toegekend heeft gekregen, blijft ten aanzien van deze toegekende reisvoorziening artikel 5.3, zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Y, van deze Wijzigingswet van 12 juli 2012 van toepassing.
Op een student aan wie vóór 1 september 2012 een reisvoorziening is toegekend, blijft ten aanzien van deze toegekende reisvoorziening artikel 5.3, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2012, van toepassing.
### Artikel 12.10
**1.**
In afwijking van artikel 5.6 wordt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de prestatiebeurs mede gedurende 5 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding:
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van artikel 5.6, zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AZ, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, de prestatiebeurs mede gedurende 5 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding:
a. genoemd in artikel 7.4, derde lid, eerste volzin, van de WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde,
b. genoemd in artikel 7.4, zesde lid, van de WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, of
@ -1840,24 +1810,24 @@ c. genoemd in artikel 18.20 van de WHW.
**2.**
In afwijking van artikel 5.6 wordt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de prestatiebeurs mede gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding, genoemd in artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, van de WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde. Het aantal om te zetten maanden wordt verminderd met het verschil tussen 360 studiepunten en de studielast die is gebaseerd op een geringer aantal maanden, indien een student:
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van artikel 5.6, zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AZ, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, de prestatiebeurs mede gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding, genoemd in artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, van de WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde. Het aantal om te zetten maanden wordt verminderd met het verschil tussen 360 studiepunten en de studielast die is gebaseerd op een geringer aantal maanden, indien een student:
a. met goed gevolg een examen heeft afgelegd van een deel van een opleiding, en
b. dat deel ten minste 240 studiepunten bedraagt.
**3.**
In afwijking van artikel 5.6 wordt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de prestatiebeurs mede gedurende 6,5 jaar verstrekt, indien het betreft:
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van artikel 5.6, zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AZ, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, de prestatiebeurs mede gedurende 6,5 jaar verstrekt, indien het betreft:
a. een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) in de godgeleerdheid aan een openbare universiteit die, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, en
b. een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een opleiding in de zin van artikel 18.15 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) in de godgeleerdheid aan een op grond van artikel 6.9 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) aangewezen instelling.
a. een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een openbare universiteit die, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, en
b. een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een opleiding in de zin van artikel 18.15 van de WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een op grond van artikel 6.9 van de WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, aangewezen instelling.
**4.**
In afwijking van artikel 6.5 wordt de prestatiebeurs gedurende 6,5 jaar verstrekt aan een student die voor inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) studiefinanciering ontving voor:
In afwijking van artikel 5.6, zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AZ, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, wordt de prestatiebeurs gedurende 6,5 jaar verstrekt aan een student die vóór 1 september 2010 studiefinanciering ontving voor:
a. het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan een openbare of bijzondere universiteit dat, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, of
b. een opleiding met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid binnen het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen instelling als bedoeld in artikel 6.9 van de WHW, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
b. een opleiding met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid binnen het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen instelling als bedoeld in artikel 6.9 van de WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010.
### Artikel 12.10a
@ -1869,9 +1839,7 @@ In afwijking van artikel 6.4 wordt er geen rente berekend over collegegeldkredie
### Artikel 12.10b
**1.** Artikel 11.1, eerste lid, is niet van toepassing in het kalenderjaar 2011, met uitzondering van hetgeen in dat artikellid is bepaald ten aanzien van de artikelen 3.4, tweede lid, en 3.9, derde lid.
**2.** Artikel 11.1, eerste lid, is niet van toepassing in het kalenderjaar 2012, met uitzondering van hetgeen in dat artikellid is bepaald ten aanzien van de artikelen 3.4, tweede lid, 3.9, derde lid, en 3.17, eerste lid.
Vervallen
### Artikel 12.11
@ -1893,91 +1861,107 @@ In afwijking van artikel III van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht is
**3.** Verplichtingen die op grond van de Wet op de studiefinanciering bestaan, worden van rechtswege omgezet in verplichtingen op grond van deze wet.
### Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs
### Artikel 12.14
Vervallen
**1.**
## Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
Op een student die vóór 1 september van het jaar waarin de Wet studievoorschot hoger onderwijs in werking treedt stond ingeschreven aan een bacheloropleiding, masteropleiding of ongedeelde opleiding of die onderwijs volgde volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW, en die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een opleiding in het hoger onderwijs, blijven de volgende artikelen, zoals die luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AX, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, voor de nominale duur van die opleiding van toepassing:
a. van hoofdstuk 1, de artikelen 1.1 en 1.5;
b. van hoofdstuk 2, de artikelen 2.13, eerste lid, 2.16, tweede lid, en 2.17;
c. van hoofdstuk 3, de artikelen 3.1, eerste en tweede lid, 3.6, en paragraaf 3.3, met uitzondering van artikel 3.10, tweede lid; en
d. hoofdstuk 5, met uitzondering van artikel 5.9, eerste lid, en artikel 5.16, derde lid, waarbij voor «prestatiebeurs hoger onderwijs» wordt gelezen: prestatiebeurs;
e. van hoofdstuk 9, de artikelen 9.1b, 9.9 en 9.9a.
**2.**
In afwijking van artikel 3.18 gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitwonende student die overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen de volgende bedragen per maand, naar de maatstaf van 1 januari 2014:
| | thuiswonende | uitwonende |
| --- | --- | --- |
| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 633,44 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 649,34 | € 833,22 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 854,13 |
| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 100,25 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 102,77 | € 279,14 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 286,15 |
| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 237,46 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 245,30 | € 258,35 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 266,71 |
| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 295,73 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 301,27 | € 295,73 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 301,27 |
**3.** Artikel 6.2a is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen.
**4.** Voor de debiteur met een schuld uit een lening die is ontstaan door verstrekking van studiefinanciering overeenkomstig het eerste lid, wordt de lening aangemerkt als een lening beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, tenzij artikel 10a.1 van toepassing is.
**5.** Indien een debiteur als bedoeld in het vierde lid ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen basisbeurs toegekend heeft gekregen voor een masteropleiding of voor onderwijs volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW, kan de lening worden aangemerkt als een lening hoger onderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, indien de debiteur vóór aanvang van de aflosfase, maar na 31 december 2016, daartoe een aanvraag indient.
**6.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van dit artikel.
### Artikel 12.15
**1.** In dit artikel wordt onder voucher begrepen: een vergoeding van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van artikel 3.1, voor de kosten van het volgen van hoger onderwijs.
**2.**
Een ieder die voldoet aan de volgende voorwaarden heeft aanspraak op een voucher:
a. hij heeft in één van de vier studiejaren vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet studievoorschot hoger onderwijs voor het eerst studiefinanciering ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs;
b. hij heeft binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afgerond; en
c. hij heeft zich ingeschreven voor een geaccrediteerde opleiding in het hoger onderwijs in Nederland als bedoeld in artikel 7.3a van de WHW, of binnen die opleiding voor één of meer onderwijseenheden als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, van de WHW, in het tijdvak van het vijfde tot en met negende studiejaar volgend op de dag waarop Onze Minister de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d van de WHW, heeft ontvangen.
**3.** Een voucher wordt uitsluitend op aanvraag verstrekt en is niet overdraagbaar aan derden. De aanspraak vervalt na afloop van het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.
**4.**
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over onder meer:
a. de wijze van verstrekking van de voucher;
b. de waarde van de voucher, die overeenkomstig artikel 11.1 wordt aangepast;
c. de aanvraag van een voucher;
d. de aan de voucher verbonden verplichtingen voor de rechthebbende of de instelling.
### Artikel 12.16
**1.** In afwijking van artikel 3.18 geldt in het studiejaar 20152016 voor de toepassing van paragraaf 3.3 voor een student die ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen basisbeurs ontvangt, een maximale aanvullende beurs die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 258,35 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 266,71.
**2.** Voor de student die na de toepassing van het eerste lid een aanvullende beurs ontvangt, wordt de aanvullende beurs in dat studiejaar verhoogd met een bedrag per maand dat naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 106,98 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 109,67.
### Artikel 12.17
**1.** Voor de toepassing van hoofdstuk 4 kan de toeslag, bedoeld in artikel 3.4, onderdeel uitmaken van de basisbeurs.
**2.** Voor de toepassing van hoofdstuk 5 kan de toeslag, bedoeld in artikel 3.4, worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs gedurende de periodes, bedoeld in de artikelen 5.2, eerste lid, 5.2a, 5.2b en 5.2c.
**3.** Op aanvraag kan een studerende als bedoeld in artikel 3.4, gedurende de in artikel 4.7, derde lid, onderscheidenlijk 5.2, vierde lid, bedoelde periode tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in het vierde lid.
**4.** In afwijking van artikel 3.4, derde lid, bedraagt de partnertoeslag naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 584,28 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 598,95 per maand.
### Artikel 12.18
Op de studerende die een toeslag als bedoeld in artikel 3.4, zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel T, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, toegekend heeft gekregen, blijven ten aanzien van de toegekende toeslag de artikelen 3.4, 3.6, 4.7, eerste lid, 4.10, 5.2, eerste lid, en 5.7, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BA, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs van toepassing.
### Artikel 12.19
**1.** In afwijking van artikel 3.17 blijft dat artikel, zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AG, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, van toepassing op studenten in de kalenderjaren waarin zij aanspraak hebben op een basisbeurs.
**2.** In afwijking van het eerste lid blijft voor de berekening van de bijverdiengrens over het kalenderjaar waarin een student ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs voor het eerst geen basisbeurs ontvangt buiten beschouwing het inkomen van een student dat is verworven vanaf de eerste maand waarin geen aanspraak op basisbeurs bestaat.
### Artikel 12.20
**1.** In afwijking van artikel 3.21, derde lid, wordt in het studiejaar 20152016 geen terugwerkende kracht verleend voor zover de periode waarvoor terugwerkende kracht wordt gevraagd, is gelegen voor 1 januari 2016.
**2.** Dit artikel is niet van toepassing op de aanspraak, bedoeld in artikel 2.7, derde lid.
### Artikel 12.21
Onze Minister past de bedragen, genoemd in deze paragraaf, overeenkomstig artikel 11.1 aan.
## Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
### Artikel 13.1
Wijzigt de Algemene bijstandswet.
Met ingang van 1 september 2019 vervalt artikel 11.1, tweede lid, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid en vervalt in het tweede lid (nieuw): en tweede.
### Artikel 13.2
Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet.
### Artikel 13.3
Wijzigt de wet van 20 juni 1996 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht.
### Artikel 13.4
Wijzigt de Experimentenwet onderwijs.
### Artikel 13.5
Wijzigt de Faillissementswet.
### Artikel 13.6
Wijzigt de Les- en cursusgeldwet.
### Artikel 13.7
Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
### Artikel 13.8
Wijzigt de WEB.
### Artikel 13.9
Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
### Artikel 13.10
Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
### Artikel 13.11
Wijzigt de Wet inschakeling werkzoekenden.
### Artikel 13.12
Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
### Artikel 13.13
Wijzigt de Wet op de studiefinanciering.
### Artikel 13.14
Wijzigt de WHW.
### Artikel 13.15
Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.
### Artikel 13.16
Wijzigt de Wet tegemoetkoming studiekosten.
### Artikel 13.17
Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de studiefinanciering, enz. (invoering prestatiebeurs en aanspraak studiefinanciering).
### Artikel 13.18
Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en Wet op de studiefinanciering (uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen).
### Artikel 13.19
Wijzigt de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank.
### Artikel 13.20
Wijzigt de Ziekenfondswet.
Artikel 12.17 vervalt met ingang van 1 januari van het jaar volgend op het jaar van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CV, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs.
## Hoofdstuk 14. Slotbepalingen