From 4e60dfa8fd001927fc357d57071c8a6b67152cae Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Thu, 1 Oct 2020 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2020-10-01 | BWBW33099 | Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 --- .../BWBW33099/README.md | 547 +++++++++++------- 1 file changed, 325 insertions(+), 222 deletions(-) diff --git a/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003/BWBW33099/README.md b/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003/BWBW33099/README.md index 53a5889fd38..1a01859e373 100644 --- a/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003/BWBW33099/README.md +++ b/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003/BWBW33099/README.md @@ -238,7 +238,12 @@ Bij de toepassing van de RWN wordt om vast te stellen of sprake is van hoofdverb ### 1-2. Toelichting ad -Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:60 BW tot en met artikel 10:91 BW van toepassing. De hierboven opgenomen wettekst is nog niet aangepast. Voor de artikelen 2 en 3 dient gelezen te worden de artikelen 10:61 BW en 10:62 BW. Artikel 10:91 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:60 BW tot en met artikel 10:91 BW van toepassing is op geregistreerde partnerschappen die vanaf 1 januari 2005 zijn aangegaan. +Behoudens voor de toepassing van artikel 15A, onder a, van deze rijkswet wordt mede verstaan onder: + +a. echtgenoot: de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap alsmede de partner in een buiten Nederland geregistreerd partnerschap dat op grond van de 61 en 62 Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek wordt erkend, en +b. huwelijk: het in Nederland geregistreerd partnerschap alsmede het buiten Nederland geregistreerd partnerschap dat op grond van de artikelen 61 en 62 Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek wordt erkend. + +Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:60 BW tot en met artikel 10:91 BW van toepassing. Artikel 10:91 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:60 BW tot en met artikel 10:91 BW van toepassing is op geregistreerde partnerschappen die vanaf 1 januari 2005 zijn aangegaan. In het kader van de RWN worden in Nederland geregistreerde partnerschappen gelijkgesteld met een huwelijk. Met ingang van 1 januari 2005 worden buiten Nederland geregistreerde partnerschappen gelijkgesteld met een huwelijk, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN. @@ -1152,7 +1157,7 @@ Zie voor recente informatie de internetsite van de ‘Hague conference on privat ## 5b -Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht adoptie (Wcad) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing. De hierboven opgenomen wettekst is nog niet aangepast. Voor de artikelen 6 en 7 dient gelezen te worden de artikelen 10:108 en 10:109 BW. Artikel 10:112 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing is (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2004. +Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht adoptie (Wcad) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing. Artikel 10:112 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing is (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2004. ### 5b-alg. Toelichting algemeen @@ -1207,12 +1212,12 @@ Hier wordt benadrukt dat de bepalingen uit artikel 10:103 tot en met artikel 10: **Nederlander wordt ook het kind dat in het buitenland bij uitspraak van een ter plaatse bevoegde autoriteit wordt geadopteerd, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:** -a. **de adoptie voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in Nederland van artikel 6 of artikel 7 van de Wet conflictenrecht adoptie, en** +a. **de adoptie voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in Nederland van artikel 108 of artikel 109 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek, en** b. **de adoptie heeft tot gevolg dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, en** c. **ten minste een der adoptiefouders is Nederlander op de dag dat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, en** d. **het kind was op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig.** -Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht adoptie (Wcad) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing. De hierboven opgenomen wettekst is nog niet aangepast. Voor de artikelen 6 en 7 dient gelezen te worden de artikelen 10:108 en 10:109 BW. Artikel 10:112 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing is (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2004. +Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht adoptie (Wcad) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing. Artikel 10:112 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing is (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2004. Kern van artikel 5b, eerste lid (en onder b) RWN is dat de buitenlandse adoptie leidde tot verbreking van de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen. Dit wordt een ‘sterke adoptie’ genoemd. Of sprake is (geweest) van een ‘sterke adoptie’ volgt uit het van toepassing zijnde vreemde familierecht. Is dit niet het geval geweest: lees verder bij artikel 5b, tweede lid RWN. @@ -1234,7 +1239,7 @@ Leidraad bij de erkenning op grond van artikel 10:108 BW is het afschrift van de Ook moet met (als nodig: gelegaliseerde) bescheiden de gewone verblijfplaats van betrokkenen worden aangetoond zowel op het moment van indiening van het adoptieverzoek als het moment van totstandkoming van de adoptie. -Tenzij er aanwijzingen zijn voor fraude, zal de ambtenaar zich, behalve genoemde bescheiden, geen andere bescheiden van andere buitenlandse bij de adoptie betrokken instanties behoeven te laten overleggen. (Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, 28 457, 2002–2003, nr. 6, pp. 7 en 8.) +Tenzij er aanwijzingen zijn voor fraude, zal de ambtenaar zich, behalve genoemde bescheiden, geen andere bescheiden van andere buitenlandse bij de adoptie betrokken instanties behoeven te laten overleggen. (Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, 28 457, 2002-2003, nr. 6, pp. 7 en 8.) Als vermeld: bij de toepassing van artikel 10:108 BW gaat het altijd om adoptiefouder(s) die, ten tijde van de adoptie, gewone verblijfplaats heeft (hebben) (gehad) buiten Europees Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Onderstaand volgen twee overzichten met de voorwaarden voor de erkenning van rechtswege, onderscheiden naar gewone verblijfplaats van adoptiefouder(s) én adoptiefkind: @@ -1279,12 +1284,17 @@ Het kind verkrijgt het Nederlanderschap met ingang van de datum waarop de Nederl ### 5b-2. Toelichting ad -6.1 *Kern artikel 5b, tweede lid RWN: ‘zwakke adoptie’* +Nederlander wordt voorts het kind dat in het buitenland is geadopteerd bij een adoptie die niet tot gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, welke adoptie in Nederland bij rechterlijke uitspraak in overeenstemming met artikel 111 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek wordt omgezet in een adoptie naar Nederlands recht, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan: + +a. de adoptie voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in Nederland van artikel 108 of artikel 109 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek, en +b. ten minste een der adoptiefouders is Nederlander op de dag nadat drie maanden te rekenen van de dag van de uitspraak houdende omzetting in eerste aanleg of in hoger beroep zijn verstreken zonder dat daartegen hoger beroep of beroep in cassatie is ingesteld, dan wel, indien beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie; en +c. het kind was op de dag van de uitspraak houdende omzetting in eerste aanleg minderjarig. + +Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht adoptie (Wcad) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing. Artikel 10:112 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing is (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2004. Kern van artikel 5b, tweede lid RWN is dat de (op grond van artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW erkende) buitenlandse adoptie niet leidde tot verbreking van de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en de oorspronkelijke ouder(s). Of sprake is (geweest) van een ‘zwakke adoptie’ volgt uit het van toepassing zijnde vreemde familierecht. Om toch naar Nederlands recht de familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en de oorspronkelijke ouder(s) te verbreken, kan op grond van artikel 10:111 BW een rechterlijke omzetting van de buitenlandse adoptie plaatsvinden in een adoptie naar Nederlands recht. -6.2 *Concrete voorwaarden voor de verkrijging van het Nederlanderschap als artikel 10:111 BW in het spel is, zijn:* • er is een buitenlandse adoptie (niet zijnde een adoptie conform het Haags adoptieverdrag); • er is een rechterlijke omzetting van de buitenlandse adoptie op grond van artikel 10:111 BW; @@ -1299,7 +1309,7 @@ Het kind wordt Nederlander op de dag als bepaald onder b van artikel 5b, tweede ### . bij -#### +#### . Afdeling 3 De erkenning van een buitenlandse adoptie en haar rechtsgevolgen @@ -1362,19 +1372,19 @@ De erkenning van een buitenlandse adoptie en haar rechtsgevolgen 1. - Een buitenslands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot stand is gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit van staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had, terwijl de adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, wordt erkend indien: + Een buitenslands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot stand is gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit van staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had, terwijl de adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, wordt erkend indien: a. - de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie in acht zijn genomen; + de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie in acht zijn genomen; b. - de erkenning van de adoptie in het kennelijk belang van het kind is; en + de erkenning van de adoptie in het kennelijk belang van het kind is; en c. - erkenning niet op een grond, bedoeld in artikel 108 lid 2 of lid 3 van dit Boek, zou worden onthouden. + erkenning niet op een grond, bedoeld in artikel 108 lid 2 of lid 3 van dit Boek, zou worden onthouden. @@ -1384,7 +1394,7 @@ De erkenning van een buitenlandse adoptie en haar rechtsgevolgen 3. - De rechter die vaststelt dat aan de voorwaarden voor erkenning van de adoptie is voldaan, geeft ambtshalve een last tot toevoeging van een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte van de burgerlijke stand. De artikelen 25 lid 6, 25c lid 3 en 25g lid 2 van Boek 1 zijn van overeenkomstige toepassing. + De rechter die vaststelt dat aan de voorwaarden voor erkenning van de adoptie is voldaan, geeft ambtshalve een last tot toevoeging van een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte van de burgerlijke stand. De artikelen 25 lid 6, 25c lid 3 en 25g lid 2 van Boek 1 zijn van overeenkomstige toepassing. @@ -1395,25 +1405,25 @@ De erkenning van een buitenlandse adoptie en haar rechtsgevolgen 1. - De erkenning als bedoeld in de artikelen 108 en 109 van dit Boek, houdt tevens in de erkenning van: + De erkenning als bedoeld in de artikelen 108 en 109 van dit Boek, houdt tevens in de erkenning van: a. - de familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en zijn adoptiefouders en, in voorkomend geval, de bloedverwanten van zijn adoptiefouders; + de familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en zijn adoptiefouders en, in voorkomend geval, de bloedverwanten van zijn adoptiefouders; b. - het gezag van de adoptiefouders over het kind; + het gezag van de adoptiefouders over het kind; c. - de verbreking van de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en zijn moeder en vader, indien de adoptie dit gevolg heeft in de staat waar zij plaatsvond. + de verbreking van de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en zijn moeder en vader, indien de adoptie dit gevolg heeft in de staat waar zij plaatsvond. 2. - Ingeval de adoptie in de staat waar zij plaatsvond niet tot gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, mist de adoptie ook in Nederland dat gevolg. + Ingeval de adoptie in de staat waar zij plaatsvond niet tot gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, mist de adoptie ook in Nederland dat gevolg. @@ -1423,7 +1433,7 @@ De erkenning van een buitenlandse adoptie en haar rechtsgevolgen In het in artikel 110 lid 2 van dit Boek bedoelde geval kan, als het kind in Nederland gewone verblijfplaats heeft en daar voor permanent verblijf bij de adoptiefouders is toegelaten, een verzoek tot omzetting in een adoptie naar Nederlands recht worden ingediend. Artikel 11 lid 2 van de Wet tot uitvoering van het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 105 lid 2 van dit Boek is van overeenkomstige toepassing op de toestemming van de ouders wier toestemming tot de adoptie vereist was. -20121288928-06-201219-06-2012WBN2012/320121288928-06-201219-06-2012WBN2012/301-10-2012 +20203400725-06-202022-06-2020WBN2020/320203400725-06-202022-06-2020WBN2020/301-10-2020 ## 5c @@ -3176,14 +3186,10 @@ De afstandsverplichting geldt alleen voor optanten die op of na 1 oktober 2010 ### 6a-1. Toelichting ad -**De in artikel 6, tweede lid, bedoelde bevestiging wordt geweigerd indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, een andere nationaliteit bezit en niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de bevestiging, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.** +**De in artikel 6, derde lid, bedoelde bevestiging wordt geweigerd indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, een andere nationaliteit bezit en niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de bevestiging, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.** Een vreemdeling die een optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, RWN aflegt (vanaf het vierde levensjaar toelating en hoofdverblijf in een land van het Koninkrijk), moet in beginsel afstand doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders als het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem verlangd kan worden. Daarnaast zijn er categorieën optanten waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is (zie artikel 6a, tweede lid, RWN). -Let op! De verwijzing naar artikel 6, tweede lid in de hierboven opgenomen wettekst is niet juist. Hier wordt het derde lid bedoeld. In de wet is dit onjuist geredigeerd. - -*Gronden om geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit te vragen of te hoeven doen.* - Een optant die in beginsel afstandsplichtig is, hoeft als één van de onderstaande situaties zich voordoet toch geen afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit: 1. de optant die door verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit automatisch verliest; @@ -3196,11 +3202,11 @@ Een optant die in beginsel afstandsplichtig is, hoeft als één van de onderstaa 8. de optant die bijzondere en objectief waardeerbare redenen heeft om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit; 9. de optant die onderdaan is van een staat welke niet door Nederland wordt erkend; 10. de optant die onderdaan is van een staat die partij is bij het zogenaamde Tweede Protocol; -11. de optant die is geboren in Nederland, Curaçao, Sint Maarten of Aruba en daar zijn hoofdverblijf heeft ten tijde van de optieverklaring; +11. de optant die is geboren in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten en daar zijn hoofdverblijf heeft ten tijde van de optieverklaring; 12. de optant die is gehuwd met een Nederlander; -13. de optant die in Nederland, Curaçao, Sint Maarten of Aruba is erkend als vluchteling. +13. de optant die in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is erkend als vluchteling. -Voor de toelichtingen wordt verwezen naar artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 3. Zie tevens artikel 6 Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap. +Voor de toelichtingen wordt verwezen naar artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 3. Zie tevens artikel 6 Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap. Een optant die in de BRP is ingeschreven als staatloze en daarom wordt aangemerkt als staatloze in de zin van de RWN (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), kan logischerwijs geen afstand doen. Hij wordt immers door geen enkele staat als onderdaan beschouwd. Dit geldt niet voor een optant die in de BRP is ingeschreven als zijnde van onbekende nationaliteit, omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Hij zal in de meeste gevallen immers wel in het bezit zijn van een nationaliteit. Pas als deze optant aan de hand van de daarvoor geldende regels (artikel 2.15 Wet BRP) in de BRP wordt opgenomen als zijnde staatloos, kan worden aangenomen dat hij geen afstand van een nationaliteit kan doen. @@ -3216,9 +3222,9 @@ Voor de toelichting wordt verwezen naar het algemeen deel bij artikel 9, derde l ### 6a-2-b. Toelichting ad -**Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba is geboren en daar ten tijde van de verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap zijn hoofdverblijf heeft.** +**Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geboren en daar ten tijde van de verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap zijn hoofdverblijf heeft.** -De afstandsverplichting geldt niet voor de optant die is geboren in Nederland, Curaçao, Sint Maarten of Aruba en daar ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zijn hoofdverblijf heeft. De optant hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. +De afstandsverplichting geldt niet voor de optant die is geboren in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten en daar ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zijn hoofdverblijf heeft. De optant hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. ### 6a-2-c. Toelichting ad @@ -3236,7 +3242,7 @@ Geen afstandsplicht bestaat voor de echtgenoot/geregistreerd partner met een B-n ### 6a-2-d. Toelichting ad -**Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba erkend is als vluchteling.** +**Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten erkend is als vluchteling.** De optant die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij het optieverzoek dienen aan te tonen dat hij in het bezit is van een verblijfsvergunning IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) of verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd). De reden voor deze uitzondering op de afstandsplicht is dat het onverantwoord is voor een erkende vluchteling contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie optanten vrijgesteld van het legalisatie-vereiste, indien optant bezwaar maakt tegen dat vereiste. De optant behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. @@ -3272,11 +3278,9 @@ De autoriteit besluit niet eerder dan na de ontvangst van het advies van Onze Mi ### 6a-6. Toelichting ad -**De beslistermijn als bedoeld in artikel 6, vierde lid, wordt met vier weken verlengd, indien de autoriteit Onze Minister verzoekt om advies, bedoeld in het vierde lid.** +**De beslistermijn als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, wordt met vier weken verlengd, indien de autoriteit Onze Minister verzoekt om advies, bedoeld in het vierde lid.** -Als de autoriteit Onze Minister om advies vraagt, dan wordt de beslistermijn van de optieverklaring met vier weken verlengd (zie artikel 6a, lid 6, RWN). De beslistermijn wordt dus 13 weken + 4 weken of 26 weken + 4 weken). Als door de autoriteit advies is gevraagd aan Onze Minister, dan moet de autoriteit dit schriftelijk aan de optant meedelen. - -Let op! In het wetsartikel wordt nu verwezen naar de beslistermijn als bedoeld in artikel 6, vierde lid. Hier wordt echter het vijfde lid bedoeld. In de wet is dit onjuist geredigeerd. +Als de autoriteit Onze Minister om advies vraagt, dan wordt de beslistermijn van de optieverklaring met vier weken verlengd (zie artikel 6a, lid 6, RWN). De beslistermijn wordt dus 13 weken + 4 weken of 26 weken + 4 weken). Als door de autoriteit advies is gevraagd aan Onze Minister, dan moet de autoriteit dit schriftelijk aan de optant meedelen. ## 7 @@ -3868,41 +3872,58 @@ De burgemeester wordt verzocht eventuele onjuistheden in het besluit zo spoedig ## 8 -RWN: artikelen 1.1b; 1.1f; 1.1g; 1.1h; 2; 7; 8; 9; 10; 11 en 14.1 - -RRWN: artikelen II en VII.2 - -BNT: artikelen 2; 3; 5 en 7 - -BON: artikel 3 en volgende - -BVVN: artikel 24; hoofdstuk III en artikel 72 - -Awb: artikelen 4:2; 4:5.1 en 6:3 - -Bdr: artikelen 5; 6; 8 en 9 - -BW: artikelen 1:33; 1:63,1:69, 10:27-10:53 en 10:58 - -Rgdr: artikel 2 - -Vb 2000: artikelen 3.4; 3.5; 3.59; 3.89; 3.93 en 8.12 - -Vc 2000: hoofdstuk B5 - -Vw 2000: artikelen 3; 14; 20 en 28 - -Boek 10 BW: artikelen 29 en 58 - -WNI: artikel 7 - -Wet BRP: artikel 2.4, 2.15 en 3.6 - -EG-richtlijnen: 73/148 en 93/96 - -EG-Verdrag: artikel 50 - -Voor artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’. +Artikel + 8 + + + 1 + Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker + + + a. + die meerderjarig is; + + + b. + tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan; + + + c. + die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft; + + + d. + die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen; en + + + e. + die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd. + + + + + 2 + Het eerste lid, onder c, geldt niet met betrekking tot de verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten, hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander, hetzij tijdens zijn meerderjarigheid in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het Nederlanderschap bezit. + + + 3 + De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op twee jaren gesteld voor degene die in totaal ten minste tien jaren in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating en hoofdverblijf heeft gehad. + + + 4 + De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op drie jaren gesteld voor de verzoeker die hetzij ongehuwd tenminste drie jaren onafgebroken met een ongehuwde Nederlander in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleeft, hetzij staatloos is. + + + 5 + De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt eveneens op drie jaren gesteld voor de verzoeker die door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. Voor de verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd wordt de termijn van drie jaren verminderd met de onafgebroken periode gedurende welke hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn meerderjarigheid na de erkenning of wettiging zonder erkenning, verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens kind hij door wettiging zonder erkenning is geworden. + + + 6 + Een krachtens het eerste lid, onder d, vastgestelde algemene maatregel van rijksbestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal. + + + +20203400725-06-202022-06-2020WBN2020/320203400725-06-202022-06-2020WBN2020/301-10-2020 ### 8-alg. Toelichting algemeen @@ -3916,198 +3937,208 @@ Op het moment dat een verzoek om naturalisatie wordt ingediend, moet de verzoeke Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van artikel 10 RWN (zie de toelichting bij dat artikel). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen artikel 11, eerste lid, RWN. Zie voorts artikel 11, vierde lid, RWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt. -### 8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b +### 8-1-b. Toelichting ad -**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan.** - +Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan. -20101624214-10-201008-10-20102010/220101624214-10-201008-10-20102010/210-10-2010De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. +20203400725-06-202022-06-2020WBN2020/320203400725-06-202022-06-2020WBN2020/301-10-2020 #### 1. Algemeen -Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de Vw 2000 gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de RWN gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen. +Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de Vw 2000 en EU richtlijnen gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de RWN gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen. -Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van de beperking van de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet (zie hierna paragraaf 3). +Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van (de beperking van) de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet (zie hierna paragraaf 3). De Vw 2000 is overigens – anders dan de RWN – geen rijkswet en regelt daarom alleen het verblijf van vreemdelingen in het Europese deel van Nederland. In Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelden aparte verblijfsregelingen. -#### 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000 +#### 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten -##### 2.1. Verblijfsvergunningen +##### 2.1. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Op grond van de Vw 2000 zijn de volgende verblijfsvergunningen vastgesteld: -– verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (artikel 14 Vw 2000) die altijd onder beperking wordt verleend; -– verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (artikel 20 Vw 2000); -– verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (artikel 28 Vw 2000); -– verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (artikel 33 Vw 2000). - -##### 2.2. Verblijfsdocumenten - -In het kader van de Vw 2000 zijn verblijfsdocumenten vastgesteld waarover de vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en zijn verblijfsrechtelijke positie. De verblijfsdocumenten worden aangeduid met Romeinse cijfers I tot en met V. Gemeenschapsonderdanen die rechtmatig verblijf in Nederland houden op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsdocument EU/EER. +– verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (artikel 14 Vw 2000) die altijd onder beperking wordt verleend *(verblijfsdocument I)*; +– verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (artikel 20 Vw 2000)*(verblijfsdocument II)*; +– verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (artikel 28 Vw 2000) *(verblijfsdocument III)*; +– verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (artikel 33 Vw 2000)*(verblijfsdocument IV)*. +– Verblijfsvergunning voor EU-langdurig ingezetene (artikel 45a Vw 2000) Het verblijfsdocument W dient als bewijs van rechtmatig verblijf in Nederland voor asielzoekers die in afwachting zijn van een definitief besluit op hun asielaanvraag, voor vreemdelingen die op medische gronden niet uitzetbaar zijn en voor vreemdelingen ten aanzien van wie is besloten dat verstrekkingen op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers niet worden beëindigd. In de overige gevallen blijkt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling uit stickers die worden geplaatst in het document voor grensoverschrijding dan wel op een afzonderlijk inlegvel. -In Bijlage 1 bij dit artikellid wordt het gestelde in paragraaf 2.1 en 2.2 schematisch weergegeven. +##### 2.2. Overig verblijfsrecht + +Gemeenschapsonderdanen die rechtmatig verblijf in Nederland houden op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsdocument *Duurzaam verblijf of EU/EER of Familielid EU/EER) *. + +Zie voor een schema bijlage 1 bij dit artikellid. #### 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd Bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie zal steeds de vraag moeten worden beantwoord of er op grond van de beperking van de verblijfsvergunning van de vreemdeling bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. -In het kader van de Wet modern migratiebeleid, dat per 1 juni 2013 in werking is getreden, is het stelsel van verblijfsvergunningen vereenvoudigd en gestroomlijnd. De beperkingen waaronder een verblijfsvergunning kan worden verleend is in aantal verminderd. Zie hiervoor bijlage 3 bij dit artikellid. In deze bijlage wordt tevens aangegeven of er op grond van de beperking al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet. +Er is sprake van toelating voor onbepaalde tijd waartegen geen bedenkingen bestaan, als het verstrekte reguliere verblijfsrecht naar zijn aard niet tijdelijk is. In artikel 3.4 Vb 2000 staan de beperkingen waaronder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. De beperking wordt vermeld op het verblijfsdocument. In artikel 3.5, tweede lid, Vb 2000 is bepaald of een verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een tijdelijk karakter heeft of niet. Is de verblijfsvergunning verleend onder een andere beperking, dan is het verblijf van de vreemdeling in beginsel niet-tijdelijk van aard. Het kan echter voorkomen dat bij de verlening van een verblijfsvergunning of in een beleidsregel is aangegeven dat het verblijfsrecht toch tijdelijk van aard is. -Let op! De verblijfsvergunningen die zijn afgegeven vóór 1 juni 2013 blijven geldig tot de geldigheidsduur verstrijkt of de vergunning is ingetrokken. De ‘oude beperking’ wordt vanaf 1 juni 2013 aangemerkt als ‘nieuwe’ beperking. +Aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker en met behulp van de Bijlagen 1, 3 en 7 kan worden beoordeeld of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker moet bij de indiening van het verzoek de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken (artikel 4:2 Awb). Hij verstrekt bij de indiening de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status (artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN). -Voorbeeld: een vreemdeling die op 1 januari 2013 houder is van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar’ (tijdelijk verblijfsrecht tot 1 juni 2013), geldig tot 1 december 2015, wordt vanaf 1 juni 2013 aangemerkt als houder van een verblijfsvergunning ‘arbeid in loondienst’ (niet tijdelijk verblijfsrecht). Deze vreemdeling kan dus, als hij voldoet aan alle voorwaarden, vanaf 1 juni 2013 in aanmerking komen voor naturalisatie. +Bij het indienen van het naturalisatieverzoek toont de verzoeker zijn verblijfsdocument en controleert de gemeente de toelatingsgegevens van verzoeker in de BRP en/of de BVV. De gemeente vult vervolgens model 2.22 (adviesblad naturalisatie) in. -In artikel 3.4 Vb 2000 staan de beperkingen waaronder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. De beperking wordt vermeld op het verblijfsdocument. In artikel 3.5, tweede lid, Vb 2000 is bepaald of een verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een tijdelijk karakter heeft of niet. Is de verblijfsvergunning verleend onder een andere beperking, dan is het verblijf van de vreemdeling in beginsel niet-tijdelijk van aard. Het kan echter voorkomen dat bij de verlening van een verblijfsvergunning of in een beleidsregel is aangegeven dat het verblijfsrecht toch tijdelijk van aard is. +Het gaat te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht dat naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld. Als de verzoeker stelt daar aanspraak op te kunnen maken, wijst de burgemeester verzoeker op de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen bij de IND. Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bezien of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfstitel om voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen als daarom zou worden gevraagd. Zie paragraaf 3.3. -Aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker en met behulp van de Bijlagen 2 en 3 kan worden beoordeeld of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker moet bij de indiening van het verzoek de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken (artikel 4:2 Awb). Hij verstrekt bij de indiening de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status (artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN). +Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de verblijfsvergunning die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Toch vindt in de naturalisatieprocedure altijd een beoordeling plaats op de vraag of de verblijfsvergunning op dit moment zou worden verlengd of zou kunnen worden ingetrokken. Zie paragraaf 3.2. -Het gaat te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning die naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld. Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de verblijfsvergunning die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Vragen over de verlening, de intrekking dan wel de niet-verlenging van een verblijfsvergunning behoren in beginsel inzet te zijn van een vreemdelingenrechtelijke procedure op grond van de Vw 2000. Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie in het algemeen geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bezien of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfstitel om voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen als daarom zou worden gevraagd. Als vreemdelingrechtelijke vragen zich bij het indienen van een verzoek voordoen, moet de verzoeker worden verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) (artikel 36, eerste lid BVVN). In gevallen waarin een verzoeker in het geheel niet in het bezit is van een verblijfsdocument, niet bereid is om een verblijfsdocument te verkrijgen en niettemin een verzoek om naturalisatie wil indienen, zal de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het verzoek afwijzen. +Als vreemdelingrechtelijke vragen zich bij het indienen van een verzoek voordoen, moet de verzoeker worden verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) (artikel 36, eerste lid BVVN). -Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, waarin het verblijfsdocument behoort te worden ingetrokken, waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen of waarin verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsdocument. In die gevallen kan niet met behulp van de Bijlagen 2 en 3 worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland van de verzoeker. Voor die gevallen geldt het navolgende. +Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet beschikt over de juiste verblijfsvergunning, waarin de verblijfsvergunning behoort te worden ingetrokken, waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen of waarin verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsvergunning. In die gevallen kan niet met behulp van de Bijlagen 1, 3 en 7 worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland van de verzoeker. Voor die gevallen gelden de volgende paragrafen. + +In afwijking van het voorgaande vindt een fictietoets wel plaats indien het een buiten het Koninkrijk ingediend verzoek betreft. Zie paragraaf 3.8. ##### 3.1. Beoordelingsmoment -Hoewel de verzoeker bij de indiening van het verzoek moet aantonen of er ten aanzien van hem al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of er op het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Als op het moment van de indiening van het verzoek wel, maar op het moment van de beslissing geen bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als op het moment van de indiening van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing wel bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie. Als de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21. -Het bovenstaande neemt niet weg dat een verzoeker (met uitzondering van een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN) op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN op het moment van indiening van het verzoek een onafgebroken periode van vijf jaar ‘toelating’ moet hebben in Nederland als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN (zie de toelichting bij dat artikel) en dat die ‘toelating’ moet voortduren tot en met het moment van beslissen op het verzoek. -##### 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning +Hoewel de verzoeker bij de indiening van het verzoek moet aantonen of er ten aanzien van hem al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of er op het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Als op het moment van de indiening van het verzoek wel, maar op het moment van de beslissing geen bedenkingen bestaan, wordt het verzoek toch ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als op het moment van de indiening van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing wel bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie. -Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Voor de gronden tot intrekking dan wel niet verlenging van een verblijfsvergunning wordt verwezen naar de volgende artikelen in de Vw: +Als de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan (en dit blijkt evenmin uit de BRP en/of de BVV), wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om – indien van toepassing – zijn verblijfsstatus te regelen en wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. Als de verzoeker er niettemin op staat een naturalisatieverzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21. + +##### 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van het verblijfsrecht + +Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. + +Als er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd, kunnen er – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument en een geldig verblijfsrecht in de BRP – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en hij wordt ontraden nu al een verzoek in te dienen. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid. + +In het advies aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt dan melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot het vermoeden dat de verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht dan nader onderzoeken. + +Voor de gronden tot intrekking dan wel niet verlenging van een verblijfsvergunning wordt verwezen naar de volgende artikelen in de Vw: | Verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd | Artikel 18 en 19 Vw | | --- | --- | | Verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd | Artikel 22 Vw | | Verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd | Artikel 32 Vw | | Verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd | Artikel 35 Vw | +| Verblijfsvergunning voor EU-langdurig ingezetene | Artikel 45d Vw | -Als er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd, kunnen er – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid. +##### 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht; geen fictietoets -In het advies aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot het vermoeden dat de verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht dan nader worden onderzocht. +Zoals aangegeven in paragraaf 3 (onder ‘Geen fictietoets op sterker verblijfsrecht in de naturalisatieprocedure’) vindt – behoudens bij een verzoek ingediend buiten het Koninkrijk – geen fictietoets plaats binnen de naturalisatieprocedure. -##### 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht +Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning met een andere beperking die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. In dat geval geldt – om redenen genoemd in paragraaf 3 – dat verzoeker verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wordt ontraden om nu al een verzoek in te dienen. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid. -Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning met een andere beperking die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt – om bovengenoemde redenen – dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument (dus geen fictietoets) met behulp van Bijlagen 2 en 3 beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd. +In geval een Turkse werknemer en zijn gezinsleden voldoen aan de voorwaarden van artikel 6 of 7 van Besluit nr. 1/80 ontlenen zij een rechtstreeks verblijfsrecht aan de betreffende bepaling van Besluit nr. 1/80. Dit is een declaratoir verblijfsrecht, een verblijfsrecht van rechtswege. Dit betekent echter niet dat zij niet in het bezit hoeven te zijn van een verblijfsvergunning en het bijbehorende verblijfsdocument. Een op artikel 6 of 7 van Besluit nr. 1/80 gebaseerd verblijfsrecht in het indienen van een naturalisatieverzoek toont de naturalisatieverzoeker aan met de volgende verblijfsvergunningen. De reguliere verblijfsvergunning ontleend aan artikel 6 van Besluit nr. 1/80 wordt verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’. De verblijfsvergunning ontleend aan artikel 7 van Besluit nr. 1/80 wordt verleend onder de beperking ‘niet-tijdelijk humanitaire gronden’. -Het kan voorkomen dat een verzoeker die in het bezit is van een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter, toch in aanmerking komt voor naturalisatie. Dit is het geval wanneer de verzoeker verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EU – Turkije. Een Turkse werknemer die een jaar legale arbeid heeft verricht, heeft namelijk op grond van Associatiebesluit 1/80 recht op verlenging van zijn verblijfsvergunning voor de duur van een jaar, als dezelfde werkgever nog een jaar werkgelegenheid voor de werknemer heeft en in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Na drie jaar is hij vrij op de arbeidsmarkt. Ook kinderen van Turkse werknemers, die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit. +Het is echter ook mogelijk dat de Turkse werknemer of het gezinslid van een Turkse werknemer een niet-tijdelijk regulier verblijfsrecht heeft op grond van artikel 6 of 7 van Besluit nr. 1/80 terwijl hij/zij in het bezit is van een verblijfsvergunning die is afgegeven onder een andere beperking dan ‘arbeid in loondienst’ of ‘niet-tijdelijk humanitaire gronden’. In dat geval is niet zichtbaar – en niet bekend – dat de Turkse werknemer een niet-tijdelijk verblijfsrecht heeft. -Omdat niet in één oogopslag te zien is of een Turkse onderdaan verblijfsrecht ontleent aan besluit 1/80, zal hij, om in aanmerking te komen voor naturalisatie, in principe met een verblijfsvergunning moeten aantonen dat hij verblijfsrecht heeft in Nederland. Heeft hij (een tijdje) geen verblijfsvergunning (gehad) en stelt hij het voor naturalisatie tot Nederlander juiste verblijfsrecht te hebben (gehad) op grond van besluit 1/80, dan zal betrokkene bij de IND een verblijfsrechtelijke beslissing (beschikking) moeten aanvragen en verkrijgen waarin is neergelegd dat hij daadwerkelijk op genoemde grond verblijfsrecht heeft (gehad) (artikel 36, eerste lid BVVN). Betrokkene zal bij een dergelijke verblijfsrechtelijke aanvraag de juiste stukken aan de IND moeten overleggen waaruit blijkt dat hij voldoet of heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 (Turkse werknemers) of in artikel 7 (gezinsleden van Turkse werknemers) van besluit 1/80. - -Als niet direct te zien is of een Turkse onderdaan verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter ontleent aan Associatiebesluit 1/80 moet betrokkene zich dus voorafgaand aan de indiening van het naturalisatieverzoek tot de IND wenden om zijn verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard te laten vastleggen in een verblijfsrechtelijke beschikking. +De Turkse onderdaan die stelt verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter te ontlenen aan Associatiebesluit 1/80 maar dit niet kan onderbouwen met een verblijfsvergunning moet zich voorafgaand aan de indiening van het naturalisatieverzoek tot de IND wenden om zijn verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard te laten vastleggen. Dit kan door het aanvragen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Alleen als betrokkene er op staat om tóch, ondanks het ontbreken van het juiste verblijfsdocument of een beschikking van de IND zoals hierboven omschreven, zijn naturalisatieverzoek in te dienen, dan mag de gemeente die indiening niet weigeren en moet de procedure gevolgd worden zoals omschreven in paragraaf 3.1 van de toelichting op artikel 7 RWN. -##### 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen (Gemeenschapsonderdanen) +##### 3.4. Gemeenschapsonderdanen en familieleden-derdelanders -EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede hun familieleden – ongeacht hun nationaliteit – die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, worden aangeduid als gemeenschapsonderdanen. Gemeenschapsonderdanen zijn niet in alle gevallen ook burgers van de Europese Unie. Zo zijn de familie- of gezinsleden van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de genoemde Overeenkomst, maar die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, wel gemeenschapsonderdaan maar niet burger van de Unie. +Gemeenschapsonderdanen zijn EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en hun familieleden-derdelanders. Zij ontlenen hun verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht of aan de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat. -Het verblijfsrecht van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen wordt op voorhand aangenomen, dus zonder tussenkomst van de Nederlandse autoriteiten en zonder dat daadwerkelijk een besluit behoeft te worden genomen (het verblijfsrecht ontstaat van rechtswege). Dat verblijfsrecht kan slechts vervallen door middel van een daartoe strekkende beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als regel geldt dat EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen hier te lande wel verblijfsrecht hebben, maar niet in het bezit worden gesteld van een verblijfsdocument. Het verblijfsdocument voor de verblijfsperiode tot de verkrijging van het duurzame verblijfsrecht is namelijk met ingang van 29 april 2006 afgeschaft. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen hier te lande die niet in het bezit zijn van een verblijfsdocument wordt niet ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. +Onder hun familieleden-derdelanders wordt in deze paragraaf verstaan: familie- of gezinsleden van EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen die verblijf ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de genoemde overeenkomst, maar zelf niet de nationaliteit van een lidstaat of van Zwitserland bezitten. -Met behulp van de Bijlagen 2, 3 en 7 bij dit artikellid kan worden bepaald of er ten aanzien van EU/EER-onderdanen (en hun familieleden) al dan niet bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. De uitleg in de onderhavige paragraaf is echter leidend. +Met behulp van de Bijlagen 1, 3 en 7 bij dit artikellid kan worden bepaald of er ten aanzien van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen (en hun familieleden) al dan niet bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. -EU-onderdanen hebben het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld (artikel 18 EG-Verdrag). Onderdanen van de EER en van Zwitserland hebben daaraan gelijkwaardige rechten. Het verblijfsrecht van deze onderdanen of burgers van de Unie is onderverdeeld in: +Onderdanen van een EU-lidstaat hebben het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld (artikel 18 EG-Verdrag). Onderdanen van de EER en van Zwitserland hebben daaraan gelijkwaardige rechten. Deze rechten ontstaan van rechtswege. Dat verblijfsrecht kan slechts vervallen door middel van een daartoe strekkende beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als regel geldt dat EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen hier te lande verblijfsrecht hebben, maar niet in het bezit worden gesteld van een verblijfsdocument. + +In het kader van het verblijf als vreemdeling en anderszins vreemdelingenrechtelijke aangelegenheden mag van een Gemeenschapsonderdaan niet worden geëist dat hij/zij een document bezit waarmee het verblijfsrecht wordt aangetoond. Het gemeenschapsrecht of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat staat dat niet toe. Het EU-recht strekt zich evenwel niet uit tot de voorwaarden van optie of naturalisatie. In het kader van een optie- of naturalisatieprocedure is een gezinslid-derdelander van een EU-burger wél verplicht om zijn rechtmatig verblijf (duurzaam of meer dan drie maanden) aan te tonen met een verblijfsdocument. De EU-burger zelf toont zijn duurzaam verblijf aan met een document. Als de EU-burger geen duurzaam verblijfsdocument heeft, kan rechtmatig verblijf voor meer dan drie maanden blijken uit de BRP en/of BVV. + +Het verblijfsrecht van deze onderdanen of burgers van de Unie is onderverdeeld in: a. een verblijfsrecht voor maximaal drie maanden (artikel 6 Richtlijn 2004/38/EG); b. een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden (artikel 7 Richtlijn 2004/38/EG); c. en een duurzaam verblijfsrecht na een onafgebroken (legale) verblijfsperiode van vijf jaar in het gastland (artikel 16 Richtlijn 2004/38/EG). -I. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen. +EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en hun familieleden-derdelanders. -Aan het verblijfsrecht voor maximaal drie maanden zijn in het kader van de Richtlijn geen andere voorwaarden of formaliteiten gesteld dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. Dit verblijfsrecht is naar zijn aard tijdelijk. Ingevolge de uitspraken van de Raad van State van 7 juli 2004 wordt echter ook in de eerste periode van drie maanden aangenomen dat de EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen dadelijk rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan hebben, zijnde niet-tijdelijk verblijf. -II. Familieleden niet zelf EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan. +Aan het verblijfsrecht voor maximaal drie maanden zijn in het kader van de Richtlijn geen andere voorwaarden of formaliteiten gesteld dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. Dit verblijfsrecht is naar zijn aard tijdelijk. Er bestaan dus in deze periode van drie maanden bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. -Voor familieleden van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die zelf niet de nationaliteit van een lidstaat of Zwitserland hebben wordt rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan niet onmiddellijk aangenomen. Tegen het verblijf voor onbepaalde tijd hier te lande van deze familieleden die gebruik maken van hun verblijfsrecht voor maximaal drie maanden, bestaan derhalve bedenkingen. +EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en hun familieleden-derdelanders. -EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen hebben (in beginsel) het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien zij: +EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en hun familieleden-derdelanders hebben onder bepaalde voorwaarden (zie artikel 7 van Richtlijn 2004/38/EG) het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven. Er bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Hun naturalisatie doorkruist hier namelijk niet het toelatingsbeleid. -– in het gastland werknemer of zelfstandige zijn; of -– voor zichzelf en hun familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikken die de ziektekosten in het gastland volledig dekt; of -– zijn ingeschreven aan een door het gastland erkende of gefinancierde particuliere of openbare instelling, om er als hoofdbezigheid een studie of beroepsopleiding te volgen; of zij familielid zijn van de gemeenschapsonderdaan die voldoet aan de hierboven genoemde voorwaarden. (zie artikel 7 van de Richtlijn 2004/38/EG). +Voor derdelander familieleden geldt dat zij hun rechtmatig verblijf dienen aan te tonen met een document toetsing aan het gemeenschapsrecht. EU-burgers zelf hoeven niet te beschikken over een EU-document. Hun rechtmatig verblijf blijkt uit de BRP en/of de BVV. -EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland hebben verbleven, hebben aldaar (van rechtswege) een duurzaam verblijfsrecht. De IND verstrekt een document duurzaam verblijfsrecht: +Het verblijfsrecht gaat verloren, als: -− op verzoek aan de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan; -− na verificatie van de duur van het verblijf. +• Het verblijf wordt beëindigd (op gronden van openbare orde en openbare veiligheid, volksgezondheid, rechtsmisbruik of fraude en een beroep op de algemene middelen) +• Het verblijf van rechtswege eindigt (wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van de Richtlijn 2004/38). + +EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en hun familieleden-derdelanders. + +EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en hun familieleden-derdelanders die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland hebben verbleven, kunnen aldaar (van rechtswege op grond van Richtlijn 2004/38/EG) een duurzaam verblijfsrecht verkrijgen. Er bestaan in dat geval geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Het duurzame verblijfsrecht gaat slechts verloren, als: -• de houder van het duurzame verblijfsrecht meer dan twee achtereenvolgende jaren afwezig is uit het gastland; of -• de IND daartoe een beschikking heeft gegeven wegens ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid +• de houder van het duurzame verblijfsrecht meer dan twee achtereenvolgende jaren afwezig is uit het gastland én dat gastland na die periode met een beschikking het duurzame verblijfsrecht heeft beëindigd; of +• wegens ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid bij beschikking het verblijfsrecht is beëindigd. -Na tien jaren in Nederland te hebben verbleven kan nog slechts tot verwijdering worden overgegaan om dwingende redenen van openbare orde of nationale veiligheid. Een minderjarige kan slechts worden verwijderd indien dat in zijn eigen belang is. Ten aanzien van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die duurzaam verblijfsrecht genieten bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Hoewel niet verplicht, kunnen betrokkenen hun duurzaam verblijfsrecht aantonen met het duurzame verblijfsdocument. +EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en hun familieleden-derdelanders tonen hun duurzame verblijfsrecht aan met een duurzaam verblijfsdocument. -Familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat of de Zwitserse nationaliteit bezitten, en die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in het gastland bij de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan hebben verbleven, hebben (van rechtswege) duurzaam verblijfsrecht en kunnen eveneens in het bezit worden gesteld van het duurzaam verblijfsdocument. Ten aanzien van de familieleden die duurzaam verblijfsrecht genieten, bestaan geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd. Hoewel niet verplicht, kunnen betrokkenen hun duurzaam verblijfsrecht aantonen met het duurzame verblijfsdocument. +Als het duurzame verblijfsrecht niet is aangetoond, sluit dat niet uit dat er wel sprake is van rechtmatig verblijf op grond van een verblijf van meer dan drie maanden (zie hiervoor het kopje ‘Verblijfsrecht na drie maanden’). -Familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat of de Zwitserse nationaliteit bezitten en die niet in het bezit zijn van een (geldig) verblijfsdocument EU/EER, het duurzaam verblijfsdocument, wordt ontraden een verzoek in te dienen. Zij worden verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), om aldaar te laten beoordelen of zij in het bezit zijn van een verblijfsrecht voor onbepaalde tijd. +Familieleden niet zelf EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan. -Indien deze verzoekers er niettemin op staan een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoekers te laten ondertekenen. Verzoekers wordt erop gewezen dat, in het geval hun verzoek wordt afgewezen, zij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgen. De burgemeester kan verlangen dat verzoekers een verklaring ondertekenen als opgenomen in model 2.21. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoekers nader onderzoeken en beoordelen of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd. +Familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat of de Zwitserse nationaliteit bezitten, en die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in het gastland bij de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan hebben verbleven, hebben (van rechtswege op grond van artikel 16, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG) duurzaam verblijfsrecht en kunnen eveneens in het bezit worden gesteld van het duurzaam verblijfsdocument. Ten aanzien van de familieleden die duurzaam verblijfsrecht genieten, bestaan geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd. -Het kan ook voorkomen dat verzoekers weliswaar in het bezit zijn van een verklaring van inschrijving van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), duurzaam verblijfsdocument, verblijfsdocument EU/EER, maar dat er redelijke twijfel rijst of nog wel aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan. Dat kan onder meer het geval zijn indien: +Het verblijfsrecht van familieleden van EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen blijkt uit een verblijfsdocument EU/EER. Als zij hier niet over beschikken worden zij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), om aldaar te laten beoordelen of zij in het bezit zijn van een verblijfsrecht voor onbepaalde tijd. Hen wordt ontraden een verzoek in te dienen. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid. -– personen met een duurzaam verblijfsrecht door afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit het gastland, dat verblijfsrecht hebben verloren; -– familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten in geval van overlijden of vertrek uit het gastland van de hoofdpersoon hun verblijfsrecht verliezen doordat zij vóór dit overlijden of vertrek nog niet gedurende ten minste één jaar in het gastland hebben verbleven; -– familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten in geval van scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of van beëindiging van het geregistreerde partnerschap hun verblijfsrecht verliezen doordat het huwelijk of geregistreerd partnerschap bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap nog niet ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan één jaar in het gastland. +Het kan voorkomen dat verzoekers weliswaar in het bezit zijn van een verklaring van inschrijving van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), duurzaam verblijfsdocument, of verblijfsdocument EU/EER, maar dat er redelijke twijfel rijst of nog wel aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan. Dat kan onder meer het geval zijn indien: -Bij redelijke twijfel ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek of nog aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan, vindt onderzoek naar dit verblijfsrecht plaats. Zolang het verblijfsrecht echter niet door middel van een beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is beëindigd, wordt aangenomen dat sprake is van verblijfsrecht overeenkomstig de Richtlijn. +− Verplaatsing van het hoofdverblijf kan een indicatie zijn dat er niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van de Richtlijn; +− familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten in geval van overlijden of vertrek uit het gastland van de hoofdpersoon hun verblijfsrecht verliezen doordat zij vóór dit overlijden of vertrek nog niet gedurende ten minste één jaar in het gastland hebben verbleven; +− familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten in geval van scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of van beëindiging van het geregistreerde partnerschap hun verblijfsrecht verliezen. Dit is het geval indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap (bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap) nog niet ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan één jaar in het gastland. -In deze gevallen van redelijke twijfel worden verzoekers erop gewezen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) onderzoek naar hun verblijfspositie zal doen en het rechtmatige verblijf eventueel eindigt. Vervolgens zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoekers te laten ondertekenen. Verzoekers worden erop gewezen dat, in het geval hun verzoek wordt afgewezen, zij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgen. De burgemeester kan verlangen dat verzoekers een verklaring ondertekenen als opgenomen in model 2.21. In het advies van de burgemeester aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot de redelijke twijfel of nog aan de voorwaarden voor verblijf is voldaan. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoekers verder onderzoeken. +Bij redelijke twijfel ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek of nog aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan, vindt onderzoek naar dit verblijfsrecht plaats. -Personen, die hun verblijfsrecht ontlenen aan artikel 20 van de VWEU kunnen in aanmerking komen voor een verblijfsdocument EU/EER. Bij het verblijfsrecht ontleend aan artikel 20 VWEU valt te denken aan een ouder met een niet-EU nationaliteit, die legaal verblijf heeft gekregen omdat zijn/haar minderjarige Nederlandse kind afhankelijk van deze ouder is en het kind anders genoopt zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten. Zie hiervoor ook de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie: HvJ EU 8 maart 2011, C-34/09 (ECLI:EU:C:2011:124) en HvJ EU 10 mei 2017, C-133/15 (ECLI:EU:C:2017:354). Omdat deze derdelander ouders hun verblijfsrecht niet ontlenen aan de Richtlijn 2004/38/EG, komen zij niet in aanmerking voor het duurzame verblijfsrecht als bedoeld in die Richtlijn. Zie hiervoor ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1490). Daarnaast wordt dit verblijfsrecht niet aangemerkt als niet-tijdelijk verblijfsrecht in de zin van artikel 3.5, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit. Omdat het verblijfsrecht gebaseerd is op het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding met de een minderjarige, welke eindig is, wordt het verblijfsrecht naar zijn aard als tijdelijk aangemerkt. Om die reden is dit verblijfsrecht een verblijfsrecht waartegen bedenkingen bestaan tegen het verblijf van onbepaalde tijd. +In gevallen van redelijke twijfel worden verzoekers erop gewezen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) onderzoek naar hun verblijfspositie zal doen en het rechtmatige verblijf eventueel eindigt. Vervolgens zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoekers te laten ondertekenen. Verzoekers worden erop gewezen dat, in het geval hun verzoek wordt afgewezen, zij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgen. De burgemeester kan verlangen dat verzoekers de verklaring ondertekenen van model 2.21. In het advies van de burgemeester aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot de redelijke twijfel of nog aan de voorwaarden voor verblijf is voldaan. De EU unit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoekers verder onderzoeken. + +Zolang het verblijfsrecht echter niet door middel van een beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is beëindigd, wordt aangenomen dat sprake is van verblijfsrecht op grond van het gemeenschapsrecht. Wel vindt altijd een beperkte beoordeling plaats op niet-verlengbaarheid of intrekking van het verblijfsrecht. Zie paragraaf 3.2. + +Personen, die hun verblijfsrecht ontlenen aan artikel 20 van de VWEU komen in aanmerking voor een verblijfsdocument EU/EER. Bij het verblijfsrecht ontleend aan artikel 20 VWEU valt te denken aan een ouder met een niet-EU nationaliteit, die verblijfsrecht heeft gekregen omdat zijn/haar minderjarige Nederlandse kind afhankelijk van deze ouder is en het kind anders genoopt zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten. Zie hiervoor ook de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie: HvJ EU 8 maart 2011, C-34/09 (ECLI:EU:C:2011:124) en HvJ EU 10 mei 2017, C-133/15 (ECLI:EU:C:2017:354). + +Omdat deze derdelander ouders hun verblijfsrecht niet ontlenen aan de Richtlijn 2004/38/EG, komen zij niet in aanmerking voor het duurzame verblijfsrecht als bedoeld in die Richtlijn. Zie hiervoor ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1490). Daarnaast wordt dit verblijfsrecht niet aangemerkt als niet-tijdelijk verblijfsrecht in de zin van artikel 3.5, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit. Omdat het verblijfsrecht gebaseerd is op het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding met de een minderjarige, welke eindig is, wordt het verblijfsrecht naar zijn aard als tijdelijk aangemerkt. + +Om die reden is dit verblijfsrecht een verblijfsrecht waartegen bedenkingen bestaan tegen het verblijf van onbepaalde tijd. ##### 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden -Vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een diplomatieke zending, consulaire post of een internationale organisatie en hun gezinsleden hebben een bijzondere status. Zij kunnen worden onderscheiden in twee hoofdgroepen. +Vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een diplomatieke zending, consulaire post of een internationale organisatie en hun gezinsleden hebben een bijzondere status. ###### 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel Door de zendstaat uitgezonden diplomatiek of consulair niet duurzaam verblijvend personeel (en hun gezinsleden) bezitten een bijzondere status op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer respectievelijk de Consulaire Betrekkingen. Zij worden door de Minister van Buitenlandse Zaken in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs. De Vw 2000 is niet op hen van toepassing. Zolang zij deze bijzondere status bezitten, beschikken zij niet (en kunnen zij ook niet beschikken) over een verblijfsvergunning op grond van Vw 2000. Er bestaan bedenkingen tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. -De verzoeker wordt ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21 HRWN. Door de IND zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht. +De verzoeker wordt ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1. De Vw 2000 is in het algemeen evenmin van toepassing op vreemdelingen (en hun gezinsleden) die in Nederland werkzaamheden verrichten voor internationale organisaties. Op grond van zetelovereenkomsten, waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie, komt aan hen en hun gezinsleden de bijzondere status toe. Door de Minister van Buitenlandse Zaken worden zij in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs en zij beschikken niet over een verblijfsvergunning. Er bestaan bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Dezelfde handelwijze geldt als bij uitgezonden diplomatiek of consulair personeel. Na beëindiging van het dienstverband met een ambassade, een consulaat of een internationale organisatie komt de bijzondere status van bovenstaande categorieën vreemdelingen te vervallen. De bepalingen van de Vw 2000 zijn dan onverkort van toepassing. -Op grond van artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder a, Vb 2000 kunnen vreemdelingen die werkzaam zijn geweest bij een ambassade of een consulaat in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II) als zij tien aaneengesloten jaren in Nederland hebben verbleven, de geprivilegieerde status niet door eigen toedoen hebben verloren en zij beschikken over voldoende middelen van bestaan die nog gedurende ten minste een jaar beschikbaar zijn. Deze personen kunnen ook in plaats van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II) een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene (verblijfsdocument V) aanvragen. Zie hoofdstuk B12, Vc 2000. +Als een ex-geprivilegieerde verzoeker beschikt over een verblijfsdocument kan aan de hand van dat document met behulp van Bijlagen 1, 3 en 7 worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Indien een ex-geprivilegieerde verzoeker (nog) niet beschikt over een verblijfsdocument wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1. -Vreemdelingen die als geprivilegieerde werkzaam zijn geweest bij een internationale organisatie kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd of een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene als zij tien aaneengesloten jaren in Nederland hebben verbleven en zij beschikken over voldoende middelen van bestaan die nog gedurende ten minste een jaar beschikbaar zijn. Voor deze categorie vreemdelingen geldt daarnaast dat de periode van verblijf onder het regime van de Vw 2000 mag meetellen voor de vereiste termijn van tien jaren. +Uiteraard kunnen ook onderdanen uit de EU- en EER-landen de bijzondere geprivilegieerde status bezitten. Zij kunnen in het bezit zijn van een verblijfsdocument EU/EER. In dat geval wordt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument met behulp van Bijlagen 1, 3 en 7 bij dit artikellid beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde duur. -Voorts kan op grond van artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder b, Vb 2000 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden verleend aan een meerderjarige vreemdeling die tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven op grond van een bijzondere geprivilegieerde status als geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel dan wel als particulier bediende, in dienst van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post. Dit betreft vreemdelingen die tien jaar aaneengesloten verblijf hebben gehad op grond van een geprivilegieerde status. Deze vreemdelingen kunnen na tien jaar geprivilegieerd te zijn geweest in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning. - -De familieleden van bovengenoemde categorieën die op grond van artikel 3.93 Vb 2000 in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II) of een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene (verblijfsdocument V) kunnen eveneens voor dezelfde verblijfsvergunning in aanmerking komen. - -Als een ex-geprivilegieerde verzoeker (die derhalve geen ‘identiteitsbewijs geprivilegieerden’ van het ministerie van Buitenlandse Zaken meer in bezit heeft) beschikt over een verblijfsdocument kan aan de hand van dat document met behulp van Bijlagen 2 en 3 worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Indien een ex-geprivilegieerde verzoeker (nog) niet beschikt over een verblijfsdocument wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1. - -Uiteraard kunnen ook onderdanen uit de EU- en EER-landen de bijzondere geprivilegieerde status bezitten. Zo kunnen deze vreemdelingen die bij een missie of internationale organisatie werken bijvoorbeeld van rechtswege een verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht, omdat zij zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan en niet ten laste komen van de publieke middelen (economisch niet-actieven). Zij kunnen in het bezit zijn van een verblijfsdocument EU/EER. In dat geval wordt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument met behulp van Bijlagen 2 en 3 bij dit artikellid beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde duur. - -Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21 HRWN. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht. +Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1. ###### 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel -Het betreft vreemdelingen die door diplomatieke zendingen of consulaire posten op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn geworven om voor de missie werkzaamheden te verrichten. Voordat zij die werkzaamheden zijn gaan verrichten verbleven zij reeds rechtmatig op grond van de Vreemdelingenwet (1965 dan wel 2000) in Nederland. Zij dienen zich als ingezetene in te laten schrijven in de BRP en zich te melden bij de korpschef van het regionale politiekorps. De Vw 2000 is op hen (en hun gezinsleden) van toepassing (net zoals de Vw 1965 op hen van toepassing was) en zij dienen in het bezit te zijn van een verblijfsdocument. Aan de hand van dat verblijfsdocument kan worden bepaald of er bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bestaan. Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21 HRWN. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht. +Het betreft vreemdelingen die door diplomatieke zendingen of consulaire posten op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn geworven om voor de missie werkzaamheden te verrichten. De Vw 2000 is op hen (en hun gezinsleden) van toepassing en zij dienen in het bezit te zijn van een verblijfsdocument. Aan de hand van dat verblijfsdocument kan worden bepaald of er bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bestaan. ##### 3.6. Molukkers -Er bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd ten opzichte van verzoekers op wie de Wet van 9 september 1976 (*Stb. *1976, 468) betreffende de positie van Molukkers van toepassing is. Zij zijn geen Nederlanders en evenmin vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet. Zij worden behandeld als Nederlanders. Zij mogen zonder meer in Nederland verblijven. Zij kunnen worden genaturaliseerd, mits zij uiteraard aan de overige daartoe gestelde voorwaarden in de RWN voldoen. +Er bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd ten opzichte van verzoekers op wie de Wet van 9 september 1976 (*Stb.*1976, 468) betreffende de positie van Molukkers van toepassing is. Zij zijn geen Nederlanders en evenmin vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet. Zij worden behandeld als Nederlanders. Zij mogen zonder meer in Nederland verblijven. Zij kunnen worden genaturaliseerd, mits zij uiteraard aan de overige daartoe gestelde voorwaarden in de RWN voldoen. Ten aanzien van Molukkers die op grond van de wet van 9 september 1976 worden behandeld als Nederlander, dient in de BRP te zijn aangetekend: ‘Behandeld als Nederlander’. -##### 3.7. Minderjarigen +##### 3.7. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken -Voor 1 april 2003 kon aan minderjarige kinderen het Nederlanderschap worden verleend op grond van artikel 10 RWN (de zogenaamde na-naturalisatie) dan wel op grond van artikel 11 RWN (medeverlening). In beide gevallen was vereist dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba van het kind mochten bestaan. Dit vereiste is na 1 april 2003 opgenomen in artikel 11 RWN, waarin is bepaald dat het kind voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij artikel 11 RWN). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN). +De in artikel 8, tweede lid, RWN genoemde vreemdelingen kunnen ook buiten het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt, in afwijking van hetgeen hiervoor onder paragraaf 3 is opgenomen, ambtshalve – aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid en het EU-recht die op de verzoeker van toepassing zouden zijn als hij om toelating in Nederland zou vragen – beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, als hij daar om zou vragen. Als aan iemand op wie de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing zou zijn een regulier verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard zou kunnen worden verleend, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (voor meer informatie, zie de circulaire optie/naturalisatieverzoeken in het buitenland). -##### 3.8. Buiten een land van het Koninkrijk ingediende verzoeken +##### 3.8. Medeverlening aan minderjarigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bep) -De in artikel 8, tweede lid, RWN genoemde vreemdelingen kunnen ook buiten een land van het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt ambtshalve – aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn als hij om toelating in Nederland zou vragen – beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, als hij daar om zou vragen. Alleen als aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard zou kunnen worden verleend, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (voor meer informatie, zie de circulaire optie/naturalisatieverzoeken in het buitenland). - -##### 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bep) - -Er is sprake van toelating voor onbepaalde tijd als het verblijfsrecht naar zijn aard niet tijdelijk is. Voor de vraag of kinderen in de verlening of verkrijging kunnen delen, is de aard van het verblijfsrecht beslissend. Als de ouder(s) aan wie het kind het verblijf ontleent in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, is het verblijfsrecht van het kind, ook al betreft het een vergunning asiel voor bepaalde tijd, naar zijn aard niet-tijdelijk. Echter, als de ouder(s) in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en het kind houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt het kind geacht toelating voor onbepaalde tijd te hebben als de ouder(s) om medeverlening verzoekt (verzoeken). Kinderen van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kunnen dus, als zij aan de overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen, delen in de naturalisatie van de ouder(s). +Voor de vraag of kinderen in de verlening of verkrijging kunnen delen, is de aard van het verblijfsrecht beslissend. Als de ouder(s) aan wie het kind het verblijf ontleent in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, is het verblijfsrecht van het kind, ook al betreft het een vergunning asiel voor bepaalde tijd, naar zijn aard niet-tijdelijk. Er zijn in dat geval ten aanzien van de minderjarigen geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. In het geval beide ouders om medeverlening hebben verzocht, maar slechts één van hen in aanmerking komt voor naturalisatie, zal het kind met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd delen in de naturalisatie van die ouder. In dit geval is het niet van belang vanwege welke ouder het minderjarige kind het afhankelijke asiel verblijfsrecht heeft verkregen. @@ -4117,53 +4148,89 @@ De vader komt niet in aanmerking voor naturalisatie. De moeder wel. Ondanks dat #### 1 -| Vreemdelingenwet 2000 Document | Verblijfsstatus | -| --- | --- | -| I | Verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd | -| II | Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd | -| III | Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd | -| IV | Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd | -| V | EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene derdelander | -| EU/EER | Duurzaam (na vijf jaar ononderbroken legaal verblijf in het gastland) Afgegeven voor de duur van vijf jaar of voor de duur van het voorgenomen verblijf EU/EER- en Zwitserse onderdaan; Familie- of gezinslid van een EU/EER- en Zwitserse onderdaan Afgegeven voor de duur van vijf jaar of voor de duur van het voorgenomen verblijf Familie- of gezinslid (van een EU/EER- en Zwitserse onderdaan) dat niet de nationaliteit van een lidstaat bezit | -| W | Verblijf in afwachting van een asielaanvraag, niet uitzetbaar op medische gronden, verstrekkingen op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden niet beëindigd | -| Sticker | Vreemdeling die rechtmatig verblijf in Nederland verblijven op grond van artikel 8, aanhef en onder e, f, g, h, i en j, Vw 2000 | +| Vreemdelingenwet 2000 Document | Verblijfsstatus | Bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (*) | +| --- | --- | --- | +| I | Verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd | Zie bijlage 3 (*) | +| II | Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd | Geen bedenkingen (*) | +| III | Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd | Wel bedenkingen, tenzij betrokkene: a) een minderjarige is voor wie medeverlening op grond van artikel 11, eerste lid, RWN is verzocht en verblijf heeft op grond van artikel 29, eerste lid of tweede lid onder a, Vw 2000; of b) een meerderjarige is, staatloos is en verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Let op! ‘Onbekende nationaliteit’ is niet ‘staatloos”; of c) verblijf heeft op grond van artikel 29, tweede lid, Vw 2000 bij een persoon met een verblijfsrecht van niet tijdelijke aard of bij een Nederlander. | +| IV | Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd | Geen bedenkingen (*) | +| V | EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene derdelander zoals bedoeld in artikel 45a van de Wet | Geen bedenkingen (*) | +| EU/EER | EU/EER- en Zwitserse onderdaan; Familielid-derdelander van een EU/EER- en Zwitserse onderdaan Rechtmatig verblijvend in Nederland op grond van gemeenschapsrecht dan wel de overeenkomst EU-Zwitserland. | Geen bedenkingen, tenzij betrokkene korter dan drie maanden in Nederland hoofdverblijf heeft. | +| W | Verblijf in afwachting van een asielaanvraag, niet uitzetbaar op medische gronden, verstrekkingen op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden niet beëindigd | Wel bedenkingen | +| Sticker | Vreemdeling die rechtmatig verblijft in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder e, f, g, h, i en j, Vw 2000 | Wel bedenkingen | + +* Bij de uitkomst ‘geen bedenkingen’ in Bijlage 1, 3 of 7 moet nog wel worden bedacht dat er geen redenen mogen bestaan om een verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000 in te trekken dan wel niet te verlengen. Zie hiervoor paragraaf 3.2. Tevens kunnen er gevallen zijn waarbij het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (gemeenschapsonderdanen). Zie hiervoor paragraaf 3.4 ('Redelijke twijfel omtrent het bestaan van het verblijfsrecht'). #### 2 -| Verblijfsdocument | Verblijfstitel | Toelating voor onbepaalde tijd/geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (**) | -| --- | --- | --- | -| I | Verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder beperking | Zie bijlage 3 (*) | -| II | Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd | Ja (*) | -| III | Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd | Nee, tenzij betrokkene: a) een minderjarige is voor wie medeverlening op grond van artikel 11, eerste lid, RWN is verzocht en verblijf heeft op grond van artikel 29, eerste lid of tweede lid onder a, Vw 2000; of b) een meerderjarige is, staatloos is en verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Let op! ‘Onbekende nationaliteit’ is niet ‘staatloos”; of c) verblijf heeft op grond van artikel 29, eerste of tweede lid, Vw 2000 bij een persoon met een verblijfsrecht van niet tijdelijke aard of bij een Nederlander. | -| IV | Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd | Ja (*) | -| V | EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene | Ja (*) | -| EU/EER | Vanaf 29 april 2006 ontvangen EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen niet langer een verblijfsdocument. Familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten ontvangen op aanvraag nog wel een verblijfsdocument EU/EER. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen met een duurzaam verblijfsrecht ontvangen op aanvraag een duurzaam verblijfsdocument. Dat geldt ook voor hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit. | Ja, tenzij betrokkene: – familie- of gezinslid is van een EU/EER- of Zwitserse onderdaan, niet in het bezit is van een nationaliteit van een lidstaat en niet in het bezit is van een verblijfsdocument EU/EER, afgegeven voor de duur van vijf jaar of de duur van het voorgenomen verblijf indien dit minder dan vijf jaar bedraagt. | -| W | Vreemdeling is in het bezit van een W-document | Neen | -| Sticker met verblijfsaantekening | Vreemdeling heeft sticker in geldig document voor grensoverschrijding of op inlegvel (ook EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen kunnen in het bezit zijn van een sticker/inlegvel) | Neen | - -* Bij de uitkomst ‘geen bedenkingen’ in Bijlage 2 of 3 moet nog wel worden bedacht dat er geen redenen mogen bestaan om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Zie hiervoor paragraaf 3.2. Tevens kunnen er gevallen zijn waarbij het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (gemeenschapsonderdanen). Zie hiervoor paragraaf 3.4. - -** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en 3 moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een andere verblijfscategorie. Zie hiervoor paragraaf 3.3. +*Vervallen per 1 juli 2020* #### 3 -| Beperkingen vvr bepaalde tijd sinds 1 juni 2013 (per hoofdstuk van de vreemdelingencirculaire) | Beperking tot 1 juni 2013 | Bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de RWN? | +| Beperkingen vvr bepaalde tijd (per hoofdstuk van de vreemdelingencirculaire) | Bron (Vreemdelingenbesluit) | Bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de RWN? | | --- | --- | --- | -| *B2 Uitwisseling:* – WHS – WHP – Au pair | – uitwisseling particuliere organisatie (niet WHS/WHP) – uitwisseling WHS – uitwisseling WHP – au pair | Ja | -| | | | -| *B3 Studie:* – hoger onderwijs – middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs | – studie hoger onderwijs – studie voortgezet en beroepsonderwijs – aanvullende examens | Ja | -| | | | -| *B4 Arbeid tijdelijk:* – lerend werken – seizoenarbeid | – verblijf als stagiair – verblijf als praktikant – tijdelijke arbeid in loondienst | Ja | -| | | | -| *B5 Arbeid regulier:* – grensoverschrijdende dienstverlening – arbeid in loondienst – arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel | – grensoverschrijdende dienstverlening – arbeid in loondienst; – arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar; – arbeid in loondienst aan boord van een Nld’s zeeschip, mijnbouwinstallatie of boorplatvorm – afwachten van herstel en hervatting van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of mijnbouwinstallatie op een continentaal platvorm – doorbrengen van verlof in Nederland – verblijf als niet-geprivilegieerd militair of burgerpersoneel | Ja Nee | -| | | | -| *B6 Kennis en talent:* – het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst – arbeid als kennismigrant – wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG – arbeid als zelfstandige – houder van een Europese blauwe kaart in de zin van richtlijn 2009/50/EG | – zoekjaar regeling afgestudeerden – zoekjaar regeling hoogopgeleiden – arbeid als kennismigrant – EU-richtlijn wetenschappelijk onderzoekers – arbeid als zelfstandige – Europese Blauwe kaart | Ja Nee | -| | | | -| *B7 Gezinsmigratie:* – verblijf als familie- of gezinslid | – gezinshereniging/-vorming – verruimde gezinshereniging – adoptie – afwachten onderzoek geschiktheid adoptief ouders – pleegkind | Nee, tenzij de hoofdpersoon in het bezit is van een verblijfsvergunning van tijdelijke aard | -| | | | -| *B8 Humanitair tijdelijk:* – eergelateerd en huiselijk geweld – slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel – vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken – Alleenstaande minderjarige vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken – remigratie op grond van artikel 8 Remigratiewet – verblijf in afwachting van een verzoek ex artikel 17 RWN – medische behandeling – plaatsing pleeggezin of instelling in Nederland op grond van het Haags kinderbeschermingsverdrag 1996 | – eergelateerd geweld – slachtoffer mensenhandel – buiten zijn schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken – AMV – afwachten artikel 17 RWN procedure – medische behandeling – kinderbeschermingsmaatregel | Ja | -| | | | -| *B9 Humanitair niet-tijdelijk:* – wedertoelating – voortgezet verblijf – langdurig verblijvende kinderen | – wedertoelating – voortgezet verblijf om humanitaire redenen | Nee | +| *B2 Uitwisseling:* | | | +| Working Holiday Scheme (WHS) | Art. 3.4, lid 1, onder o, Vb | Wel bedenkingen, zie art. 3.5, lid 2, onder h, Vb | +| – Working Holiday Programme (WHP) | | | +| – Au pair | | | +| – Particuliere uitwisselingsorganisatie | | | +| – Europees vrijwilligerswerk | | | +| *B3 Studie:* | | | +| – hoger onderwijs | Art. 3.4, lid 1, onder m, Vb | Wel bedenkingen, zie art. 3.5, lid 2, onder f, Vb | +| – middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs | | | +| *B4 Arbeid tijdelijk:* | | | +| – lerend werken | Art. 3.4, lid 1, onder k, Vb | Wel bedenkingen, zie art. 3.5, lid 2, onder e, Vb | +| – seizoenarbeid | Art. 3.4, lid 1, onder f, Vb | Wel bedenkingen, zie art. 3.5, lid 2, onder b, Vb | +| *B5 Arbeid regulier:* | | | +| – arbeid in loondienst | Art. 3.4, lid 1, onder h, Vb | Geen bedenkingen, mits vrij op de arbeidsmarkt. Wel bedenkingen indien niet vrij op de arbeidsmarkt. | +| – grensoverschrijdende dienstverlening | Art. 3.4, lid 1, onder i, Vb | Wel bedenkingen, zie art. 3.5, lid 2, onder d, Vb | +| – arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel | Art. 3.4, lid 1, onder l, Vb | Geen bedenkingen | +| *B6 Kennis en talent:* | | | +| – het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst | Art. 3.4, lid 1, onder n, Vb | Wel bedenkingen, zie art. 3.5, lid 2, onder g, Vb | +| – arbeid als kennismigrant | Art. 3.4, lid 1, onder d, Vb | Geen bedenkingen | +| – Onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 | Art. 3.4, lid 1, onder j, Vb | Geen bedenkingen | +| – arbeid als zelfstandige | Art. 3.4, lid 1, onder c, Vb | Geen bedenkingen | +| – houder van een Europese blauwe kaart | Art. 3.4, lid 1, onder e, Vb | Geen bedenkingen | +| – Overplaatsing binnen een onderneming | Art. 3.4, lid 1, onder g, Vb | Wel bedenkingen, zie art. 3.5, lid 2, onder c, Vb | +| *B7 Gezinsmigratie:* | | | +| – Huwelijk en (geregistreerd) partnerschap | Art. 3.4, lid 1, onder a, Vb | Geen bedenkingen, tenzij de hoofdpersoon in het bezit is van een verblijfsvergunning van tijdelijke aard of houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zie art. 3.5, lid 2, onder a, Vb | +| – Minderjarige kinderen | | | +| – In Nederland geboren kinderen | | | +| – Gezinshereniging bij minderjarige houder | | | +| – Gezinsleden van een verblijfsvergunninghouder medische behandeling | | | +| – Buitenlandse adoptiekinderen en adoptiefkinderen | | | +| – Buitenlandse pleegkinderen | | | +| – Familie of gezinsleven als bedoeld in Artikel 8 EVRM | | | +| *B8 Humanitair tijdelijk:* | | | +| – Eergerelateerd en huiselijk geweld | Art. 3.4, lid 1, onder q, Vb | Wel bedenkingen, zie art. 3.5, lid 2, onder j, Vb | +| – Slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel | | | +| – Vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken *Let op: geen bedenkingen bij het gelijknamige verblijfsdoel onder B9 Humanitair niet-tijdelijk* | | | +| – Verblijfsvergunning in het kader van remigratie op grond van de Remigratiewet | | | +| – Amv die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken | | | +| – Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex artikel 17 RWN | | | +| – Verwesterde schoolgaande minderjarige vrouwen | | | +| – Plaatsing in een pleeggezin of instelling in Nederland | | | +| – Verblijf van vreemdelingen die zich in de terminale fase van een ziekte bevinden | | | +| – Verblijf als minderjarige vreemdeling met een kinderbeschermingsmaatregel | | | +| – Beschermde getuige in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid | | | +| – Medische behandeling | Art. 3.4, lid 1, onder p, Vb | Wel bedenkingen, zie art. 3.5, lid 2, onder i, Vb | +| *B9 Humanitair niet-tijdelijk:* | | | +| – Oud-Nederlanders | Art. 3.4, lid 1, onder s, Vb | Geen bedenkingen | +| – Vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken *Let op: wel bedenkingen bij het gelijknamige verblijfsdoel onder B8 Humanitair tijdelijk* | | | +| – Terugkeeroptie op grond van artikel 8 Remigratiewet | | | +| – Terugkeeroptie (minderjarige vreemdelingen) | | | +| – Afsluiting Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen | | | +| – Verblijfsvergunning na eerder verblijf als minderjarige vreemdeling in het kader van verblijf als familie- of gezinslid | | | +| – Verblijfsvergunning na verblijf als familie- of gezinslid | | | +| – Na verblijf in het kader van medische behandeling | | | +| – Na verblijf als slachtoffer van mensenhandel die hiervan geen aangifte kan of wil doen | | | +| – Na verblijf als slachtoffer van (dreigend) eergerelateerd geweld of van (dreigend) huiselijk geweld | | | +| – Na verblijf als slachtoffer of slachtoffer-aangever van mensenhandel | | | +| – Na verblijf als getuige-aangever van mensenhandel | | | +| – Privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM | | | +| – Plaatsing in een pleeggezin of instelling op verzoek van een ander land op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV) | | | +| – Verblijf als minderjarige vreemdeling met een kinderbeschermingsmaatregel | | | +| – (Vervolg) Beschermde getuige in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid | | | Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de *Assiociatieraad* EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg paragraaf 3.3 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, onder b, RWN. @@ -4179,13 +4246,13 @@ Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 2013680729-03-201326-03-2013WBN2013/12013680729-03-201326-03-2013WBN2013/101-06-2013 -#### 7 +#### 7. Gemeenschapsonderdanen en familieleden derdelanders -| Wel/geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd t.a.v. EU/EER-onderdaan of Zwitsers onderdaan of familielid daarvan Categorie vreemdelingen | Geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de volgende situatie(s) | Vereiste bescheiden | +| Categorie vreemdelingen | Geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de volgende situatie(s) | Vereiste bescheiden | | --- | --- | --- | | EU/EER-onderdaan en Zwitserse onderdaan | Verblijf voor meer dan drie maanden (NB: ook in de eerste drie maanden heeft betrokkene verblijfsrecht overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG) | Ieder bewijsmiddel is toegestaan, dus ook een verklaring van inschrijving van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) | -| | Duurzaam verblijf na ononderbroken periode van vijf jaar legaal verblijf in het gastland | Het duurzame verblijfsrecht wordt van rechtswege verkregen na vijf jaar legaal verblijf. Een duurzaam verblijfsdocument is niet vereist, maar wordt op verzoek en na verificatie van de duur van het verblijf verstrekt | -| Familieleden van de EU/ EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten | Verblijf voor meer dan drie maanden en duurzaam verblijf na ononderbroken periode van vijf jaar legaal verblijf in het gastland | Verblijfsdocument EU/EER, afgegeven voor de duur van vijf jaar of voor de duur van de periode van het voorgenomen verblijf, duurzaam verblijfsdocument of ieder ander bewijsmiddel | +| EU/EER-onderdaan en Zwitserse onderdaan | Duurzaam verblijf na ononderbroken periode van vijf jaar legaal verblijf in het gastland | Het duurzame verblijfsrecht wordt van rechtswege verkregen na vijf jaar legaal verblijf. Een duurzaam verblijfsdocument is niet vereist, maar wordt op verzoek en na verificatie van de duur van het verblijf verstrekt | +| Familieleden van de EU/ EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten | Verblijf voor meer dan drie maanden en duurzaam verblijf na ononderbroken periode van vijf jaar legaal verblijf in het gastland | Verblijfsdocument EU/EER, afgegeven voor de duur van vijf jaar of voor de duur van de periode van het voorgenomen verblijf of duurzaam verblijfsdocument | ### 8-1-c. Toelichting ad @@ -4209,12 +4276,12 @@ Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de burge 20191718829-03-201928-03-2019WBN2019/120191718829-03-201928-03-2019WBN2019/101-07-2019 -### 8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d +### 8-1-d. Toelichting ad -**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die in de samenleving van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, dan wel – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van hoofdverblijf naast het Nederlands gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen.** +**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, en – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen.** -20101624214-10-201008-10-20102010/220101624214-10-201008-10-20102010/210-10-2010De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. +20203400725-06-202022-06-2020WBN2020/320203400725-06-202022-06-2020WBN2020/301-10-2020 #### 1. Algemeen @@ -5513,10 +5580,10 @@ voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistra | Denemarken | B Met ingang van 26.08.2015 is Denemarken geen partij meer bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg. Tot 01.04.2016: A + D. Het doen van afstand wordt alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.04.2016 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder 3, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.04.2016. | | Djibouti | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. | | Dominica | B | -| Dominicaanse Republiek | C | +| Dominicaanse Republiek | B (m.i.v. 1 oktober 2020) Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN), ingediend vanaf 1 oktober 2020. Vanaf 1 oktober 2020 moet een bereidheidsverklaring tot het doen van afstand worden ondertekend. | | Duitsland | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 28.08.2007 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. Geen partij meer bij het verdrag van Straatsburg m.i.v. 22.12.2002. Tot 28.08.2007 ging de Duitse nationaliteit automatisch verloren, tenzij de Duitse autoriteiten, met instemming van de Nederlandse autoriteiten, behoud van de Duitse nationaliteit hadden goedgekeurd. | | Ecuador | C | -| Egypte Met het oog op de actualiteit van de basisregistratie personen voegt de IND aan de bekendmaking aan de bevoegde autoriteit dat betrokkene het Nederlanderschap is verleend, een kopie van de toestemmingsverklaring van de Egyptische autoriteiten toe. Let op! De Egyptische nationaliteit is verloren gegaan met het verlenen van het Nederlanderschap, mits genaturaliseerd is ná verkregen toestemming**en** nadat het verlies van de Egyptische nationaliteit is gepubliceerd in de Egyptische Staatscourant. Zodra betrokkene een kopie van de publicatie in de Egyptische Staatscourant heeft overgelegd, zal de IND de bevoegde autoriteit hiervan op de hoogte stellen en verzoeken de (gemeentelijke) basisadministratie aan te passen. | B Betrokkene moet zich tot het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken wenden om toestemming te krijgen voor het verkrijgen van een andere nationaliteit. Betrokkene moet vóór het moment van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap de beoogde toestemming van het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken hebben verkregen. Bedoelde toestemming blijkt uit een (gelegaliseerde) verklaring van de Egyptische ambassade. De verklaring van de Egyptische ambassade legt betrokkene over bij het afleggen van de optieverklaring of bij het indienen van het naturalisatieverzoek. De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie kan eventueel ook worden afgelegd dan wel ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan moet betrokkene na ontvangst van bedoelde verklaring deze inleveren/opsturen bij/naar de bevoegde autoriteit waar de optieverklaring is afgelegd of het IND-kantoor waar zijn naturalisatieverzoek in behandeling is. Op de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie wordt pas beslist als de verklaring van de ambassade is ontvangen. In dit kader kan bij naturalisatie gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot aanhouding uit artikel 9, vierde lid, RWN. Bij optie kan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid om de beslistermijn met dertien weken te verlengen (artikel 6, vijfde lid, RWN). De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie wordt na de verlengingstermijn/ laatste aanhoudingstermijn bevestigd of ingewilligd als nog geen toestemmingsverklaring is ontvangen, **mits** de betrokkene aan de hand van correspondentie aantoont meermaals bij de Egyptische autoriteiten navraag te hebben gedaan inzake zijn verzoek om een vreemde nationaliteit aan te nemen. Nadat het Nederlanderschap is verleend of verkregen moet betrokkene, totdat daadwerkelijk afstand is gedaan van de Egyptische nationaliteit, nog de volgende handelingen verrichten: - Inleveren van het Egyptische paspoort en/of ID-kaart bij de bevoegde autoriteit; - Verzoek indienen bij het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken om de Egyptische nationaliteit officieel te laten schrappen. Het opgeven van de Egyptische nationaliteit wordt gepubliceerd in de Egyptische Staatscourant; - Betrokkene moet een bewijs publicatie verlies Egyptische nationaliteit overleggen aan de IND. Genoemde stukken moeten zijn voorzien van een vertaling, gemaakt door een beëdigd vertaler. Een afstandsplichtige betrokkene (die niet onder één van de vrijstellingscategorieën voor de verplichting tot het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit valt) wordt ook gevraagd een verklaring (model 1.14-1b bij optie en model 2.5/2.5a bij naturalisatie) dat de Egyptische autoriteiten niet is gevraagd noch zal worden gevraagd om behoud van de Egyptische nationaliteit. Uit artikel 10 van de Egyptische nationaliteitswetgeving blijkt namelijk dat de mogelijkheid bestaat om na de verkregen toestemming om een andere nationaliteit aan te nemen en het hieropvolgende verlies van de Egyptische nationaliteit binnen één jaar na verkrijging van de andere nationaliteit om behoud kan worden gevraagd van de Egyptische nationaliteit. Om de betrokkene duidelijk te maken dat dit niet de bedoeling is, moet model 1.14-1b (bij optie) en model 2.5/2.5a (bij naturalisatie) getekend te worden. | +| Egypte Met het oog op de actualiteit van de basisregistratie personen voegt de IND aan de bekendmaking aan de bevoegde autoriteit dat betrokkene het Nederlanderschap is verleend, een kopie van de toestemmingsverklaring van de Egyptische autoriteiten toe. Let op! De Egyptische nationaliteit is verloren gegaan met het verlenen van het Nederlanderschap, mits genaturaliseerd is ná verkregen toestemming **en** nadat het verlies van de Egyptische nationaliteit is gepubliceerd in de Egyptische Staatscourant. Zodra betrokkene een kopie van de publicatie in de Egyptische Staatscourant heeft overgelegd, zal de IND de bevoegde autoriteit hiervan op de hoogte stellen en verzoeken de (gemeentelijke) basisadministratie aan te passen. | B Betrokkene moet zich tot het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken wenden om toestemming te krijgen voor het verkrijgen van een andere nationaliteit. Betrokkene moet vóór het moment van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap de beoogde toestemming van het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken hebben verkregen. Bedoelde toestemming blijkt uit een (gelegaliseerde) verklaring van de Egyptische ambassade. De verklaring van de Egyptische ambassade legt betrokkene over bij het afleggen van de optieverklaring of bij het indienen van het naturalisatieverzoek. De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie kan eventueel ook worden afgelegd dan wel ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan moet betrokkene na ontvangst van bedoelde verklaring deze inleveren/opsturen bij/naar de bevoegde autoriteit waar de optieverklaring is afgelegd of het IND-kantoor waar zijn naturalisatieverzoek in behandeling is. Op de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie wordt pas beslist als de verklaring van de ambassade is ontvangen. In dit kader kan bij naturalisatie gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot aanhouding uit artikel 9, vierde lid, RWN. Bij optie kan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid om de beslistermijn met dertien weken te verlengen (artikel 6, vijfde lid, RWN). De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie wordt na de verlengingstermijn/ laatste aanhoudingstermijn bevestigd of ingewilligd als nog geen toestemmingsverklaring is ontvangen, **mits** de betrokkene aan de hand van correspondentie aantoont meermaals bij de Egyptische autoriteiten navraag te hebben gedaan inzake zijn verzoek om een vreemde nationaliteit aan te nemen. Nadat het Nederlanderschap is verleend of verkregen moet betrokkene, totdat daadwerkelijk afstand is gedaan van de Egyptische nationaliteit, nog de volgende handelingen verrichten: – Inleveren van het Egyptische paspoort en/of ID-kaart bij de bevoegde autoriteit; – Verzoek indienen bij het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken om de Egyptische nationaliteit officieel te laten schrappen. Het opgeven van de Egyptische nationaliteit wordt gepubliceerd in de Egyptische Staatscourant; – Betrokkene moet een bewijs publicatie verlies Egyptische nationaliteit overleggen aan de IND. Genoemde stukken moeten zijn voorzien van een vertaling, gemaakt door een beëdigd vertaler. Een afstandsplichtige betrokkene (die niet onder één van de vrijstellingscategorieën voor de verplichting tot het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit valt) wordt ook gevraagd een verklaring (model 1.14-1b bij optie en model 2.5/2.5a bij naturalisatie) dat de Egyptische autoriteiten niet is gevraagd noch zal worden gevraagd om behoud van de Egyptische nationaliteit. Uit artikel 10 van de Egyptische nationaliteitswetgeving blijkt namelijk dat de mogelijkheid bestaat om na de verkregen toestemming om een andere nationaliteit aan te nemen en het hieropvolgende verlies van de Egyptische nationaliteit binnen één jaar na verkrijging van de andere nationaliteit om behoud kan worden gevraagd van de Egyptische nationaliteit. Om de betrokkene duidelijk te maken dat dit niet de bedoeling is, moet model 1.14-1b (bij optie) en model 2.5/2.5a (bij naturalisatie) getekend te worden. | | El Salvador | B, echter in sommige gevallen A. B: voor Salvadoranen door geboorte. A: tot Salvadoraan genaturaliseerden verliezen de Salvadoraanse nationaliteit automatisch als zij vijf jaren zonder onderbreking buiten El Salvador verblijven. | | Equatoriaal-Guinee | A | | Eritrea | C (met ingang van 1 april 2016) Bij het indienen van een naturalisatieverzoek of het afleggen van een optieverklaring (ex artikel 6, lid 1 onder e) ingediend of afgelegd op of na 1 april 2016, hoeft geen bereidheidsverklaring tot het doen van afstand meer te worden ondertekend. Van 01.07.2010 tot 01.04.2016: B | @@ -5555,7 +5622,7 @@ voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistra | Kaapverdië | B | | Kameroen | A | | Kazachstan | B | -| Kenia | B (m.i.v. 01.01.2013) Het doen van afstand van het Keniaanse staatsburgerschap is mogelijk op grond van artikel 19 van de Kenya Citizenship and Immigration Bill, 2011, die op 30 augustus 2011 in werking is getreden. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen genaturaliseerde of van rechtswege Kenianen. Het doen van afstand wordt bij een naturalisatie en optie (ex artikel 6, lid 1 onder e, RWN) alleen gevraagd als dat is ingediend of afgelegd op of na 01.01.2013. Vanaf deze datum moet een bereidheidsverklaring worden ondertekend. A: tot 27.08.2010 (datum inwerkingtreding Grondwet 2010) | +| Kenia | B (m.i.v. 01.01.2013) Het doen van afstand van het Keniaanse staatsburgerschap is mogelijk op grond van artikel 19 van de Kenya Citizenship and Immigration Bill, 2011, die op 30 augustus 2011 in werking is getreden. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen genaturaliseerde of van rechtswege Kenianen. Het doen van afstand wordt bij een naturalisatie en optie (ex artikel 6, lid 1 onder e, RWN) alleen gevraagd als dat is ingediend of afgelegd op of na 01.01.2013. Vanaf deze datum moet een bereidheidsverklaring worden ondertekend. A: tot 27.08.2010 (datum inwerkingtreding Grondwet 2010) | | Kirgizië | B | | Kiribati | B, echter in sommige gevallen A Personen van Kiribatische afstamming moeten afstand doen. Personen die de Kiribatische nationaliteit door naturalisatie hebben verkregen, verliezen deze nationaliteit automatisch bij het verkrijgen van een andere nationaliteit. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. | | Koeweit | A | @@ -5570,7 +5637,6 @@ voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistra | Liechtenstein | B | | Litouwen | A | | Luxemburg | B Sinds 10.07.2009 is Luxemburg geen partij meer bij Hoofdstuk 1 van het Verdrag van Straatsburg. Het doen van afstand bij naturalisatie wordt gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend na 10.07.2009 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. A, D, E: tot 10.07.2009. | -| Macedonië | B | | Madagaskar | A | | Malawi | A | | Maldiven | B | @@ -5597,7 +5663,8 @@ voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistra | Niger | A | | Nigeria | B, in sommige gevallen A. Tot Nigeriaan genaturaliseerden verliezen de Nigeriaanse nationaliteit wel automatisch. | | Noord-Korea | A | -| Noorwegen | A Noorwegen is vanaf 19 december 2019 niet langer partij bij Hoofdstuk 1 van het Verdrag van Straatsburg. | +| Noord-Macedonië | B | +| Noorwegen | B (m.i.v. 1 oktober 2020) Noorwegen is vanaf 19 december 2019 niet langer partij bij Hoofdstuk 1 van het Verdrag van Straatsburg. Vanaf 1 januari 2020 is er geen automatisch verlies meer bij het verkrijgen van een vreemde nationaliteit en kan afstand worden gedaan. Het doen van afstand wordt gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 1 oktober 2020 en bij optie (o.g.v. artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 1 oktober 2020. In deze gevallen moet dus ook vanaf 1 oktober 2020 een bereidheidsverklaring tot het doen van afstand, worden ondertekend. | | Oeganda (Uganda) | A | | Oekraïne | B Ondanks de tekst van artikel 19, eerste lid van de Oekraïense nationaliteitswet, is van de bevoegde Oekraïense autoriteiten vernomen dat in geval van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit de Oekraïense nationaliteit eerst verloren wordt als door de President van de Oekraïne aan betrokkene een verklaring van verlies is afgegeven. Daarom moet verzoeker na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap een verklaring van verlies overleggen, en moet bij het naturalisatieverzoek en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) m.i.v. 01.10.2010 de bereidheidsverklaring tot het doen van afstand worden getekend. | | Oezbekistan | B | @@ -5691,14 +5758,22 @@ voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistra 20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003 -### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid +### 9-3. Toelichting ad Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op -a. de verzoeker die onderdaan is van een Staat die Partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1994, 265); -b. de verzoeker die in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba is geboren en daar ten tijde van het verzoek zijn hoofdverblijf heeft; +a. de verzoeker die onderdaan is van een Staat die Partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1994, 265); +b. de verzoeker die in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geboren en daar ten tijde van het verzoek zijn hoofdverblijf heeft; c. de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander; -d. de verzoeker die in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba erkend is als vluchteling. +d. de verzoeker die in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten erkend is als vluchteling. + +Tot 1 oktober 2010 luidde artikel 9, derde lid, onder c: + +Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf gehad heeft. + +Sinds 1 oktober 2010 is dit artikel 9, derde lid, onder c vervallen. De overige subleden zijn daardoor een letter opgeschoven. + +De afstandsverplichting gold tot 1 oktober 2010 niet voor de verzoekers die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd vijf jaar onafgebroken in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf heeft gehad. Vanaf 1 oktober 2010 geldt voor deze groep wel de afstandsverplichting. Deze groep moet dus bij alle verzoeken die op of na 1oktober 2010 worden ingediend, de bereidheidsverklaring ondertekenen (zie overgangsbepaling artikel II, tweede lid, RRWN (Stb. 2010, 242)). #### 1. Algemeen @@ -8362,13 +8437,35 @@ Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en ## 22A -1. **Tegen een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 14, vierde lid, staat rechtstreeks beroep open bij de rechtbank te ’s-Gravenhage of, indien degene die het betreft in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woonachtig was, bij het Gerecht van eerste aanleg van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.** -2. **De termijn voor het indienen van een beroepsschrift bedraagt vier weken.** -3. **Uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 14, vierde lid, stelt Onze Minister de rechtbank of het Gerecht van eerste aanleg van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba hiervan in kennis, tenzij degene die het betreft voordien zelf beroep heeft ingesteld. Zodra de rechtbank onderscheidenlijk het Gerecht van eerste aanleg de kennisgeving heeft ontvangen, wordt degene die het betreft geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap.** -4. **Tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in het eerste lid, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg, bedoeld in het eerste lid, kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.** -5. **Indien de ingevolge het eerste lid bevoegde rechtbank bij het beroep van oordeel is dat het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap, bedoeld in artikel 14, vierde lid, in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond.** -6. **Er wordt door de griffier van de ingevolge het eerste lid bevoegde rechtbank, door de griffier van het Gerecht van eerste aanleg van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, door de griffier van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en door de griffier van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen griffierecht geheven.** -7. **Beroep tegen het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap, bedoeld in artikel 14, vierde lid, wordt geacht tevens beroep tegen het besluit tot ongewenstverklaring, bedoeld in artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, artikel 16d van de Wet toelating en uitzetting BES, dan wel overeenkomstige artikelen uit de wetgeving van de andere landen, te omvatten.** +1 + Tegen een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 14, vierde lid, staat rechtstreeks beroep open bij de rechtbank Den Haag of, indien degene die het betreft in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woonachtig was, bij het Gerecht van eerste aanleg van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. + + + 2 + De termijn voor het indienen van een beroepsschrift bedraagt vier weken. + + + 3 + Uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 14, vierde lid, stelt Onze Minister de rechtbank of het Gerecht van eerste aanleg van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba hiervan in kennis, tenzij degene die het betreft voordien zelf beroep heeft ingesteld. Zodra de rechtbank onderscheidenlijk het Gerecht van eerste aanleg de kennisgeving heeft ontvangen, wordt degene die het betreft geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap. + + + 4 + Tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in het eerste lid, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg, bedoeld in het eerste lid, kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. + + + 5 + Indien de ingevolge het eerste lid bevoegde rechtbank bij het beroep van oordeel is dat het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap, bedoeld in artikel 14, vierde lid, in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond. + + + 6 + Er wordt door de griffier van de ingevolge het eerste lid bevoegde rechtbank, door de griffier van het Gerecht van eerste aanleg van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, door de griffier van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en door de griffier van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen griffierecht geheven. + + + 7 + Beroep tegen het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap, bedoeld in artikel 14, vierde lid, wordt geacht tevens beroep tegen het besluit tot ongewenstverklaring, bedoeld in artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, artikel 16d van de Wet toelating en uitzetting BES, dan wel overeenkomstige artikelen uit de wetgeving van de andere landen, te omvatten. + + +20203400725-06-202022-06-2020WBN2020/320203400725-06-202022-06-2020WBN2020/301-10-2020 ## 22B @@ -9049,9 +9146,15 @@ Vervallen. ## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap +(artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap; + +artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap) + *[afbeelding]* - -*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +(artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap) *[afbeelding]*