From 4e72a57dd0164e40a06956448fcca9cf2b413dd1 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Tue, 22 Dec 2009 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2009-12-22 | BWBR0026872 | Waterbesluit --- amvb/waterbesluit/BWBR0026872/README.md | 849 ++++++++++++++++++++++++ 1 file changed, 849 insertions(+) create mode 100644 amvb/waterbesluit/BWBR0026872/README.md diff --git a/amvb/waterbesluit/BWBR0026872/README.md b/amvb/waterbesluit/BWBR0026872/README.md new file mode 100644 index 00000000000..165eb588dbc --- /dev/null +++ b/amvb/waterbesluit/BWBR0026872/README.md @@ -0,0 +1,849 @@ +--- +titel: Waterbesluit +bwb_id: BWBR0026872 +type: AMvB +status: geldend +datum_inwerkingtreding: '2009-12-22' +bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0026872 +citeertitel: Waterbesluit +--- + +# Waterbesluit + +## Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen + +### Paragraaf 1. Begripsbepalingen + +### Artikel 1.1 + +**1.** + +In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: + +- *grondwaterrichtlijn:* richtlijn nr. 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PbEU L 372); +- *hoofdwater:* oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen in bijlage II, onderdeel 1, bij dit besluit; +- *overstromingsrisicobeheerplan:* plan als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de richtlijn overstromingsrisico’s; +- *Protocol:* op 7 november 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol bij het op 29 december 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen (Trb. 2000, 27); +- *richtlijn overstromingsrisico’s:* richtlijn nr. 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s (PbEU L 288); +- *Verdrag:* op 22 september 1992 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Trb. 1993, 16); +- *wet:* Waterwet; +- *zijwater:* oppervlaktewaterlichaam dat in open verbinding staat met een van de hoofdwateren. + +**2.** In dit besluit wordt onder oppervlaktewaterlichaam mede begrepen een gedeelte van een oppervlaktewaterlichaam. + +### Paragraaf 2. Stroomgebieddistricten + +### Artikel 1.2 + +**1.** De onderlinge grenzen tussen de Nederlandse delen van de stroomgebieddistricten Eems, Maas, Rijn en Schelde zijn aangegeven op de in bijlage I bij dit besluit opgenomen kaarten. + +**2.** De onder de stroomgebieddistricten Eems, Rijn, Maas en Schelde gelegen grondwaterlichamen zijn toegewezen aan de desbetreffende stroomgebieddistricten, met dien verstande dat een grondwaterlichaam dat zich bevindt onder twee stroomgebieddistricten over die stroomgebieddistricten verdeeld is met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde grenzen. + +## Hoofdstuk 2. Doelstellingen en normen + +### Paragraaf 1. Rangorde bij watertekorten + +### Artikel 2.1 + +**1.** + +In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de maatschappelijke en ecologische behoeften bij het beheer de volgende rangorde van behoeften in acht genomen: + +1°. het waarborgen van de veiligheid tegen overstroming en het voorkomen van onomkeerbare schade; +2°. nutsvoorzieningen; +3°. kleinschalig hoogwaardig gebruik; +4°. overige behoeften. + +**2.** + +Bij de in het eerste lid, onder 1°, bedoelde behoeften wordt achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: + +1°. de stabiliteit van waterkeringen; +2°. het voorkomen van klink en zettingen; +3°. natuur, voor zover het gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade. + +**3.** + +Bij de in het eerste lid, onder 2°, bedoelde behoeften wordt achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: + +1°. drinkwatervoorziening, voor zover het gaat om het waarborgen van de leveringszekerheid; +2°. energievoorziening, voor zover het gaat om het waarborgen van de leveringszekerheid. + +**4.** + +Bij de in het eerste lid, onder 3°, bedoelde behoeften wordt, op zodanige wijze dat de maatschappelijke en economische gevolgen zo gering mogelijk zijn, prioriteit toegekend aan: + +a. de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen; +b. het verwerken van industrieel proceswater. + +**5.** + +Bij de in het eerste lid, onder 4°, bedoelde overige behoeften wordt, op zodanige wijze dat de maatschappelijke en economische gevolgen zo gering mogelijk zijn, prioriteit toegekend aan: + +a. scheepvaart; +b. landbouw; +c. natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade; +d. industrie; +e. waterrecreatie; +f. binnenvisserij; +g. drinkwatervoorziening, voor zover het niet gaat om de behoefte, bedoeld in het derde lid, onder 1°; +h. energievoorziening, voor zover het niet gaat om de behoefte, bedoeld in het derde lid, onder 2°; +i. overige belangen. + +### Artikel 2.2 + +Onverminderd artikel 2.1, kunnen bij of krachtens provinciale verordening voor regionale wateren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1, vierde en vijfde lid, genoemde behoeften in geval van een watertekort. + +### Paragraaf 2. Meten en beoordelen + +### Artikel 2.3 + +**1.** Het bevoegd gezag controleert het brengen van stedelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam vanuit een zuiveringtechnisch werk op de naleving van de eisen gesteld krachtens de artikelen 6.5 en 6.6 in ieder geval overeenkomstig de in artikel 6.7, eerste lid, bedoelde regels. + +**2.** Het bevoegd gezag controleert oppervlaktewaterlichamen waarin vanuit een zuiveringtechnisch werk stedelijk afvalwater wordt gebracht of waarin bedrijfsafvalwater wordt gebracht afkomstig van een bij ministeriële regeling aangewezen categorie van bedrijven of bedrijfsactiviteiten, in ieder geval wanneer mag worden verwacht dat de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam in betekenende mate zal worden beïnvloed. + +**3.** Het bevoegd gezag legt binnen vier maanden na ontvangst van een verzoek daartoe de resultaten van de in het eerste en tweede lid bedoelde controles over aan Onze Minister. + +## Hoofdstuk 3. Organisatie van het waterbeheer + +### Paragraaf 1. Toedeling beheer + +### Artikel 3.1 + +**1.** Het beheer van oppervlaktewaterlichamen die zijn vermeld in bijlage II bij dit besluit berust bij het Rijk, met uitzondering van de onderdelen van beheer van bepaalde oppervlaktewaterlichamen die zijn gelegen buiten de desbetreffende bij ministeriële regeling vastgestelde beheergrenzen. + +**2.** Voorts berust bij het Rijk het beheer van de zijwateren, met uitzondering van de onderdelen van beheer van bepaalde zijwateren die zijn gelegen buiten de desbetreffende bij ministeriële regeling vastgestelde beheergrenzen. + +**3.** Het beheer van de oppervlaktewaterlichamen die ingevolge het eerste lid in beheer zijn bij het Rijk, omvat mede het beheer van de daarin gelegen ondersteunende kunstwerken. + +### Artikel 3.2 + +Het beheer van de primaire waterkeringen en andere waterkeringen die zijn vermeld in bijlage III bij dit besluit berust bij het Rijk. + +### Paragraaf 2. Begrenzing oppervlaktewaterlichamen en aanwijzing drogere oevergebieden + +### Artikel 3.3 + +Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden: + +a. de grenzen van de in artikel 3.1 van dit besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen vastgesteld; +b. de drogere oevergebieden aangewezen die zijn gelegen binnen bepaalde in artikel 3.1 van dit besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen. + +### Paragraaf 3. Regels met betrekking tot het verstrekken van informatie + +### Artikel 3.4 + +**1.** Ten aanzien van hun onderscheiden aandeel in het waterbeheer verrichten gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur van de waterschappen en burgemeester en wethouders de analyses en beoordelingen, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn water. + +**2.** + +Ten aanzien van hun onderscheiden aandeel in het waterbeheer verstrekken gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur van de waterschappen en burgemeester en wethouders Onze Minister: + +a. de gegevens die nodig zijn voor het opstellen van de stroomgebiedbeheerplannen; +b. de resultaten van de analyses en beoordelingen, bedoeld in het eerste lid; +c. gegevens omtrent de voortgang van de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water. + +**3.** De gegevens en resultaten, bedoeld in het tweede lid, worden elektronisch verstrekt. Bij ministeriële regeling wordt een website aangewezen die voor de gegevensverstrekking wordt gebruikt. + +**4.** Ten aanzien van hun onderscheiden aandeel in het waterbeheer verstrekken gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur van de waterschappen en burgemeester en wethouders Onze Minister de gegevens die nodig zijn voor het opstellen van de overstromingsrisicobeheerplannen. + +**5.** Ten aanzien van hun onderscheiden aandeel in het waterbeheer verstrekken het dagelijks bestuur van de waterschappen en burgemeester en wethouders aan gedeputeerde staten de gegevens die nodig zijn voor de overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten, bedoeld in artikel 4.9. + +**6.** Gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders verstrekken op verzoek van Onze Minister ten behoeve van het door hem uit te oefenen toezicht op het waterbeheer de bij dat verzoek omschreven gegevens. + +**7.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gegevensverstrekking. + +## Hoofdstuk 4. Plannen + +### Paragraaf 1. Het nationale waterplan + +### Artikel 4.1 + +**1.** De voorbereiding van het nationale waterplan en de documenten die ten behoeve van het opstellen van dat plan afzonderlijk worden vastgesteld, geschiedt overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat zienswijzen op het ontwerp naar voren kunnen worden gebracht door een ieder, gedurende een termijn van zes maanden. + +**2.** Het ontwerp van het nationale waterplan wordt ten minste een jaar voor het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft ter inzage gelegd. + +**3.** De ontwerpen van het nationale waterplan en de documenten, bedoeld in het eerste lid, worden tevens ter inzage gelegd bij de provincies. + +### Artikel 4.2 + +In afwijking van artikel 4.1, eerste lid, geldt een termijn van zes weken voor het naar voren brengen van zienswijzen op het ontwerp van tussentijdse wijzigingen van het nationale waterplan, voor zover die wijzigingen geen betrekking hebben op een stroomgebiedbeheerplan of overstromingsrisicobeheerplan. + +### Artikel 4.3 + +**1.** + +Ter voorbereiding van het nationale waterplan leggen Onze Ministers ter inzage: + +a. een tijdschema en een werkprogramma voor het opstellen van de stroomgebiedbeheerplannen die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied, ten minste drie jaren voor het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft; +b. een tussentijds overzicht van belangrijke waterbeheerkwesties die zijn vastgesteld in de stroomgebieddistricten, ten minste twee jaren voor het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft. + +**2.** + +Onze Ministers leggen, tegelijk met ontwerp van het nationale waterplan, ter inzage: + +a. het ontwerp van de stroomgebiedbeheerplannen die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied; en +b. het ontwerp van de overstromingsrisicobeheerplannen die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied. + +**3.** Op een overstromingsrisicobeheerplan is artikel 4.3, tweede lid, van de wet van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 4.4 + +Bij de voorbereiding van het nationale waterplan raadplegen Onze Ministers: + +a. vertegenwoordigers uit de kring van de provincies, de waterschappen en de gemeenten; +b. ten aanzien van stroomgebiedbeheerplannen en overstromingsrisicobeheerplannen: gedeputeerde staten van de provincies en het dagelijks bestuur van de waterschappen, op wiens grondgebied het Nederlandse deel van het stroomgebieddistrict mede is gelegen; +c. ten aanzien van de uitvoering van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico’s: de bevoegde autoriteiten van andere staten in de stroomgebieddistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems; +d. ten aanzien van het Noordzeebeleid: de bevoegde autoriteiten van andere staten betrokken bij dat beleid. + +### Artikel 4.5 + +**1.** + +Het nationale waterplan omvat mede: + +a. de overstromingsrisicobeheerplannen voor de stroomgebieddistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems, voor zover die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied; +b. de aanwijzing van de oppervlaktewaterlichamen in de zin van de kaderrichtlijn water die in beheer zijn bij het Rijk, waarbij kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen overeenkomstig artikel 4, derde lid, van die richtlijn. + +**2.** Een stroomgebiedbeheerplan omvat de informatie, bedoeld in bijlage VII bij de kaderrichtlijn water en de artikelen 3, vijfde en zesde lid, 4, vierde lid, 5, vierde en vijfde lid, en deel C van bijlage II van de grondwaterrichtlijn, betreffende het Nederlandse deel van het stroomgebieddistrict. + +**3.** Een overstromingsrisicobeheerplan voldoet aan artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s. Het plan heeft geen betrekking op overstromingen vanuit rioolstelsels. + +### Artikel 4.6 + +**1.** + +De in het nationale waterplan op te nemen doelstellingen en maatregelen omvatten, gerangschikt naar stroomgebieddistrict, in elk geval: + +a. maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water; +b. maatregelen als bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid, en 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn; +c. doelstellingen en maatregelen als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s. + +**2.** De onderdelen van het nationale waterplan die dienen ter uitvoering van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico’s vormen afzonderlijke delen van dat plan. Hieronder vallen in ieder geval de doelstellingen en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, alsmede een overzicht van de financiële middelen die voor de uitvoering van die maatregelen nodig zijn. + +**3.** Maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water dienen uiterlijk drie jaren na de in artikel 4.8, eerste lid, van de wet bedoelde zesjaarlijkse herziening operationeel te zijn. + +### Artikel 4.7 + +Onze Ministers leggen in het nationale waterplan de functie drinkwateronttrekking vast voor de rijkswateren die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en van waaruit dagelijks meer dan 10 m^3 water wordt onttrokken, dan wel van waaruit water wordt onttrokken ten behoeve van meer dan 50 personen. + +### Artikel 4.8 + +**1.** + +Onze Ministers leggen in het nationale waterplan de functie zwemwater vast: + +a. indien de maatregelen ter verwezenlijking van de op grond van artikel 1, derde lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden voorgeschreven klasse «aanvaardbaar» naar hun oordeel uitvoerbaar en niet onevenredig kostbaar zijn; +b. voor zover die functie verenigbaar is met de andere aan het water toegekende functies. + +**2.** De functie zwemwater wordt niet vastgelegd, indien een op grond van artikel 10b, tweede lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden aangewezen locatie gedurende vijf achtereenvolgende jaren in de klasse «slecht» is ingedeeld. + +**3.** Onze Ministers houden bij de vaststelling van de functie zwemwater rekening met het oordeel van gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden. + +**4.** Indien voor een rijkswater toepassing wordt gegeven aan artikel 11, tweede lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden zijn Onze Ministers bevoegd om de functie zwemwater niet langer vast te leggen in het nationale waterplan. + +**5.** Voor zover de in het nationale waterplan vastgelegde functie zwemwater heeft geleid tot een aanwijzing op grond van artikel 10b, tweede lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, wordt deze functie gedurende het badseizoen niet ongedaan gemaakt. + +### Artikel 4.9 + +**1.** Gedeputeerde staten van de provincies dragen zorg voor de productie, de actualisatie en de elektronische publicatie van overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten, overeenkomstig artikel 6 van de richtlijn overstromingsrisico’s, ten minste twee jaren voor de vaststelling van het overstromingsrisicobeheerplan. De kaarten hebben geen betrekking op overstromingen vanuit rioolstelsels. + +**2.** De in het eerste lid bedoelde kaarten worden ten minste eenmaal in de zes jaren herzien. + +**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden over de op de kaarten op te nemen informatie en de productie, de actualisatie en de vormgeving van die kaarten. + +### Paragraaf 2. Regionale waterplannen + +### Artikel 4.10 + +Een regionaal waterplan omvat mede: + +a. de aanwijzing van regionale oppervlaktewaterlichamen in de zin van de kaderrichtlijn water die niet in beheer zijn bij het Rijk, waarbij kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen overeenkomstig artikel 4, derde lid, van die richtlijn; +b. de aanwijzing van grondwaterlichamen in de zin van de kaderrichtlijn water. + +### Artikel 4.11 + +**1.** + +De in het regionale waterplan op te nemen doelstellingen en maatregelen omvatten, gerangschikt naar stroomgebieddistrict, in elk geval: + +a. maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water; +b. maatregelen als bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid, en 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn; en +c. doelstellingen en maatregelen als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s. + +**2.** Artikel 4.6, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 4.12 + +**1.** + +Provinciale staten leggen de volgende bijzondere functies voor regionale wateren vast in een regionaal waterplan: + +a. de functie zwemwater; +b. de functie drinkwateronttrekking voor de regionale wateren die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en van waaruit dagelijks meer dan 10 m^3 water wordt onttrokken, dan wel van waaruit water wordt onttrokken ten behoeve van meer dan 50 personen. + +**2.** Artikel 4.8 is van overeenkomstige toepassing op de vastlegging van de functie zwemwater in een regionaal waterplan, met dien verstande dat voor «Onze Ministers» wordt gelezen: provinciale staten. + +**3.** Een besluit tot tussentijdse herziening van een regionaal waterplan waarbij uitsluitend voor een watersysteem of onderdeel daarvan de functie zwemwater wordt vastgelegd dan wel een zodanige functietoekenning wordt ingetrokken, kan worden vastgesteld door gedeputeerde staten. + +### Artikel 4.13 + +Indien internationale verplichtingen of bovenregionale belangen dat noodzakelijk maken, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de inhoud van regionale waterplannen. + +### Paragraaf 3. Beheerplannen + +### Artikel 4.14 + +**1.** De voorbereiding van het beheerplan voor de rijkswateren geschiedt overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat zienswijzen op het ontwerp naar voren kunnen worden gebracht door een ieder. + +**2.** Het ontwerp van het beheerplan voor de rijkswateren wordt tevens ter inzage gelegd bij de provincies. + +**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorbereiding, vormgeving en inrichting van het beheerplan voor de rijkswateren. + +### Artikel 4.15 + +Bij de voorbereiding van het beheerplan voor de rijkswateren raadpleegt Onze Minister: + +a. gedeputeerde staten van de provincies op wiens grondgebied de rijkswateren of een gedeelte daarvan, waarop het plan betrekking heeft, zijn gelegen; +b. het dagelijks bestuur van de waterschappen die watersystemen beheren die samenhangen of samen kunnen hangen met de rijkswateren of een gedeelte daarvan waarop het plan betrekking heeft; +c. de bevoegde Belgische, Duitse en Britse autoriteiten, voor zover het plan betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren. + +### Artikel 4.16 + +**1.** + +De in het beheerplan voor de rijkswateren op te nemen doelstellingen en maatregelen omvatten, gerangschikt naar stroomgebieddistrict, in elk geval: + +a. maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water; en +b. doelstellingen en maatregelen als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s. + +**2.** Artikel 4.6, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 4.17 + +Voor zover het nationale waterplan voorziet in aanvullende toekenning van de functie zwemwater in het beheerplan voor de rijkswateren, is artikel 4.8 van overeenkomstige toepassing op die toekenning, met dien verstande dat voor «Onze Ministers» wordt gelezen: Onze Minister. + +### Artikel 4.18 + +Indien internationale verplichtingen of bovenregionale belangen dat noodzakelijk maken, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de inhoud van beheerplannen. + +## Hoofdstuk 5. Beheer van waterstaatswerken + +### Paragraaf 1. Vrijstelling leggerplicht + +### Artikel 5.1 + +Van de in artikel 5.1, eerste lid, van de wet bedoelde verplichtingen wordt vrijstelling verleend met betrekking tot de oppervlaktewaterlichamen Noordzee, Waddenzee, Westerschelde en IJsselmeer. + +### Paragraaf 2. Aanwijzing rijkswateren peilbesluit + +### Artikel 5.2 + +**1.** + +Onze Minister stelt peilbesluiten vast voor de volgende rijkswateren of onderdelen daarvan: + +a. Noordzeekanaal, Afgesloten IJ, Buiten IJ, Amsterdam-Rijnkanaal; +b. Grevelingenmeer; +c. Veerse Meer; +d. Volkerak-Zoommeer, Bathse Spuikanaal, Schelde-Rijnverbinding tussen het Volkerak-Zoommeer en de Kreekraksluizen; +e. IJsselmeer, Ketelmeer, Vossemeer, Zwarte Meer, Markermeer, IJmeer, Gooimeer, Eemmeer, Wolderwijd, Nijkerkernauw, Nuldernauw, Veluwemeer, Drontermeer. + +**2.** De voorbereiding van een peilbesluit geschiedt overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat Onze Minister binnen acht weken na afloop van de termijn, genoemd in artikel 3.11, vierde lid, van die wet, het peilbesluit vaststelt. + +**3.** Bij het vaststellen van een peilbesluit houdt Onze Minister rekening met het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren. + +### Paragraaf 3. Regels ten aanzien van het calamiteitenplan + +### Artikel 5.3 + +Het door de beheerder vast te stellen calamiteitenplan, bedoeld in artikel 5.29 van de wet, bevat ten minste: + +a. een overzicht van de soorten calamiteiten die zich in de watersystemen of onderdelen daarvan kunnen voordoen, waaronder een inventarisatie van de daarmee gepaard gaande risico’s; +b. een overzicht van te nemen maatregelen, met inbegrip van de maatregelen die voortkomen uit de voor de betreffende watersystemen geldende overstromingsrisicobeheerplannen, en het beschikbare materieel, benodigd om de onderscheidene calamiteiten het hoofd te bieden; +c. een overzicht van de diensten, instanties en organisaties, die bij gevaar kunnen worden ingeschakeld; +d. een beschrijving van het moment en de wijze van het door de beheerder informeren van burgemeesters en wethouders van de gemeenten waarbinnen de watersystemen of onderdelen daarvan zijn gelegen; +e. een schema met betrekking tot de calamiteitenorganisatie van de beheerder; +f. een meld- en alarmeringsprocedure; +g. een overzicht waaruit blijkt op welke wijze de beheerder de kwaliteit van de calamiteitenorganisatie waarborgt. + +## Hoofdstuk 6. Handelingen in watersystemen + +### Paragraaf 1. Algemeen + +### Artikel 6.1 + +In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: + +- *bedrijfsafvalwater:* afvalwater dat vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater is; +- *bouwen:* bouwen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet; +- *emissiegrenswaarde:* emissiegrenswaarde als bedoeld in artikel 2, onderdeel 40, van de kaderrichtlijn water; +- *huishoudelijk afvalwater: *afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden; +- *inwoner-equivalent (i.e.):* biochemisch zuurstofverbruik van 54 gram per etmaal; +- *totaal-stikstof:* om van totaal Kjeldahl-stikstof (organisch N + NH_3), nitraat (NO_3)-stikstof en nitriet (NO_2)-stikstof; +- *zuiveringsrendement:* percentage van het totaal-fosfaat onderscheidenlijk totaal-stikstof dat uit het stedelijk afvalwater wordt verwijderd dat op de onder de zorg van eenzelfde bestuursorgaan staande gezamenlijke zuiveringtechnische werken wordt aangevoerd. + +### Artikel 6.1a + +Bij het verlenen van een watervergunning houdt het bevoegd gezag rekening met de ingevolge de artikelen 4.1, 4.4 en 4.6 van de wet vastgestelde plannen, die betrekking hebben op het betreffende watersysteem of onderdeel daarvan. + +### Paragraaf 2. Algemene bepalingen over het lozen + +### Artikel 6.1b + +Op de voorbereiding van een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de wet zijn de afdelingen 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing, indien het lozen plaatsvindt: + +a. vanuit een inrichting, niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 8.1, eerste of tweede lid, van de Wet milieubeheer; +b. anders dan vanuit een inrichting in de zin van artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer. + +### Artikel 6.2 + +Indien internationale verplichtingen dat noodzakelijk maken, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat: + +a. in een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de wet wordt bepaald dat zij geldt voor een bij die vergunning vast te stellen termijn van ten hoogste een bij die regeling vast te stellen aantal jaren; +b. het bevoegd gezag met een bij die regeling vast te stellen frequentie beziet of een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de wet nog toereikend is, gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. + +### Artikel 6.3 + +Indien internationale verplichtingen dat noodzakelijk maken, kunnen bij ministeriële regeling emissiegrenswaarden worden vastgesteld voor het lozen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk. Bij die regeling kunnen tevens regels worden gesteld ten aanzien van het meten van die stoffen. + +### Artikel 6.3a + +Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het lozen van afvalwater van rookgasreiniging. Deze regels omvatten mede een instructie aan het bevoegd gezag omtrent de aan een vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen. + +### Paragraaf 3. Het brengen van stedelijk afvalwater in oppervlaktewaterlichamen + +### Artikel 6.4 + +**1.** Het is verboden vanuit een zuiveringtechnisch werk stedelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam te brengen, tenzij het werk is berekend op een in een jaar voorkomende maximale gemiddelde wekelijkse belasting, ongebruikelijke situaties daarbij buiten beschouwing gelaten, en de doelmatige werking van het werk wordt gewaarborgd. + +**2.** Het is verboden slib dat geheel of in hoofdzaak afkomstig is van een zuiveringtechnisch werk in een oppervlaktewaterlichaam te brengen, met uitzondering van geringe hoeveelheden slib in het te lozen stedelijk afvalwater, indien de grenswaarde voor de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen, genoemd in artikel 6.5, niet wordt overschreden. + +### Artikel 6.5 + +**1.** + +Het bevoegd gezag verbindt aan een vergunning als bedoeld artikel 6.2 van de wet, om stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van 2.000 inwoner-equivalenten of meer in een oppervlaktewaterlichaam te brengen, in ieder geval het voorschrift dat het stedelijk afvalwater een zodanige behandeling ondergaat dat de waarden van de in de volgende tabel genoemde parameters de daarbij behorende grenswaarden na behandeling niet overschrijden: + +| Parameters | Grenswaarde | +| --- | --- | +| Biochemisch zuurstofverbruik (BZV_5 bij 20°C) zonder nitrificatie | 20 mg/l O_2 | +| Chemisch zuurstofverbruik (CZV) | 125 mg/l O_2 | +| Totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen | 30 mg/l | +| Totaal-fosfor (indien meer dan 100.000 i.e.) | 1 mg/l P | +| Totaal-fosfor (indien 2.000 tot en met 100.000 i.e.) | 2 mg/l P | +| Totaal-stikstof (indien 20.000 i.e. of meer ) | 10 mg/l N | +| Totaal-stikstof (indien 2.000 tot 20.000 i.e.) | 15 mg/l N | + +**2.** Het bevoegd gezag kan aan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, lagere grenswaarden verbinden dan de grenswaarden, genoemd in dat lid, indien het belang van de bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam daartoe noodzaakt. + +### Artikel 6.6 + +In afwijking van artikel 6.5, eerste lid, kan het bevoegd gezag aan de vergunning voor een zuiveringtechnisch werk hogere grenswaarden verbinden voor de parameters totaal-fosfor en totaal-stikstof, indien het zuiveringsrendement ten minste 75 procent bedraagt en het een zuiveringtechnisch werk betreft: + +a. dat vóór 1 januari 1991 in bedrijf is genomen en waarvan de capaciteit op of na 1 januari 1991 niet of met niet meer dan 25 procent is uitgebreid; +b. dat vóór 1 januari 1991 in bedrijf is genomen en ten aanzien waarvan ten behoeve van het uitbreiden van de capaciteit met meer dan 25 procent vóór 1 januari 1991 een bouwvergunning in de zin van de Woningwet is aangevraagd; +c. dat vóór 1 september 1992 in bedrijf is genomen en ten behoeve van het bouwen waarvan vóór 1 januari 1991 een bouwvergunning in de zin van de Woningwet is aangevraagd; of +d. met een ontwerpcapaciteit van minder dan 20.000 inwoner-equivalenten. + +### Artikel 6.7 + +**1.** Een overheidslichaam dat de zorg heeft voor een zuiveringtechnisch werk voor de behandeling van stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van 2.000 inwoner-equivalenten of meer, bemonstert zowel het inkomende als het behandelde stedelijk afvalwater, analyseert het op de parameters biochemisch zuurstofverbruik, chemisch zuurstofverbruik, onopgeloste bestanddelen, totaal-fosfaat en totaal-stikstof en beoordeelt de resultaten daarvan met inachtneming van bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vast te stellen regels. + +**2.** Het in het eerste lid bedoelde overheidslichaam legt binnen vier maanden na afloop van ieder kalenderjaar aan Onze Minister een overzicht over van de onder zijn zorg staande zuiveringtechnische werken en van de resultaten van de bemonstering, analyse en beoordeling, bedoeld in het eerste lid. + +### Paragraaf 4. Verontreinigende handelingen in het zeegebied + +### Artikel 6.8 + +**1.** Een vergunning als bedoeld in artikel 6.3 van de wet kan slechts worden verleend in overeenstemming met het Protocol en het Verdrag. + +**2.** + +Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 6.3 van de wet, zijn de volgende gedragingen vrijgesteld: + +a. het plaatsen van vaste substanties of voorwerpen met een ander oogmerk dan het zich er enkel van ontdoen; +b. het achterlaten van vaste substanties of voorwerpen die aanvankelijk in zee zijn geplaatst met een ander oogmerk dan het zich ervan ontdoen. + +**3.** In de gevallen, waarin door overmacht het in artikel 6.3, eerste lid, onderdeel a, van de wet omschreven verbod wordt overtreden, maakt de kapitein van het vaartuig of de gezagvoerder van het luchtvaartuig van het voorval melding in het scheepsdagboek of het journaal. Tevens doet hij van dit voorval onverwijld mededeling aan Onze Minister. + +### Artikel 6.9 + +**1.** Een vergunning als bedoeld in artikel 6.3 van de wet wordt verleend door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. + +**2.** + +Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn niet van toepassing, indien: + +a. de aanvraag betrekking heeft op het in het buitenland aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig nemen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, met het oogmerk die stoffen te storten; en +b. de Staat op wiens grondgebied dat aan boord nemen geschiedt, partij is bij het Protocol of het Verdrag. + +**3.** Voorts kan Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bepalen dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing zijn indien de aanvraag betrekking heeft op stoffen waarvan door een ongewoon voorval de afvoer op korte termijn nodig is. + +### Artikel 6.10 + +**1.** Degene aan wie gevaarlijke afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer worden afgegeven met het oogmerk deze te doen storten is verplicht elke zodanige afgifte te melden aan de krachtens artikel 10.40 van de Wet milieubeheer aangewezen instantie. Op de melding zijn de regels die zijn vastgesteld krachtens artikel 10.41 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing. + +**2.** Het is een persoon als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid verboden gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst te nemen zonder dat hem daarbij een omschrijving en een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 van de Wet milieubeheer worden verstrekt. + +### Paragraaf 5. Melden en meten van onttrekkingen en infiltraties + +### Artikel 6.11 + +**1.** Degene die grondwater onttrekt of water infiltreert, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.4 van de wet of een verordening van het waterschap, meldt dit bij het bevoegd gezag. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de gegevens die bij de melding worden verstrekt. + +**2.** Degene die grondwater onttrekt of water infiltreert, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van 5%. Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het bevoegd gezag in de voorschriften van de vergunning voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water of, indien geen vergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten. + +**3.** Degene die water infiltreert, meet de kwaliteit van dat water volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. + +**4.** Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, indien de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, wordt opgave gedaan aan het bevoegd gezag over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, geïnfiltreerd water en de kwaliteit van het geïnfiltreerde water. + +**5.** Bij provinciale verordening, voor zover het betreft het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water als bedoeld in artikel 6.4 van de wet, dan wel bij verordening van het waterschap, voor zover het betreft het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water in andere gevallen dan bedoeld in dat artikel, kunnen gevallen worden aangewezen waarin de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, niet gelden. + +### Paragraaf 6. Gebruik van rijkswaterstaatswerken + +### Artikel 6.12 + +**1.** + +Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het Rijk, niet zijnde de Noordzee, door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: + +a. werken te maken of te behouden; +b. vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. + +**2.** + +Het eerste lid is niet van toepassing op: + +a. het bouwen van bouwwerken als bedoeld in het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, met uitzondering van de bouwwerken bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van dat besluit en met dien verstande dat in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, en in artikel 5, tweede lid, onderdeel c, onder 2°, van dat besluit in plaats van «minder is dan 50 m^2» gelezen wordt: minder is dan 30 m^2; +b. activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, onderdeel a tot en met e, van het Besluit ruimtelijke ordening, met dien verstande dat in het eerste lid van dat artikel: + +1°. in onderdeel a, onder 1e, in plaats van «ten hoogste 150 m^2» gelezen wordt: ten hoogste 25 m^2; +2°. de uitbreiding van of een bijgebouw bij een ander gebouw, bedoeld in onderdeel b, betrekking heeft op een gebouw buiten de bebouwde kom met een agrarische bestemming; +3°. in onderdeel d, onder 1e, in plaats van «50 m^2» gelezen wordt: 25 m^2; +c. het uitvoeren van onderhoud, aanleg of wijziging van waterstaatswerken, voor zover deze activiteiten door of vanwege de beheerder worden verricht; +d. het maken van werken om oeverafslag tegen te gaan, mits deze niet boven het oeverland uitsteken, en het ten behoeve van de uitvoering van die werken storten, plaatsen of neerleggen van vaste substanties of voorwerpen; +e. het permanent afmeren van woonschepen of andere drijvende objecten in rijkswateren, met uitzondering van de rijkswateren of delen van rijkswateren die zijn aangewezen bij ministeriële regeling; en +f. bij ministeriële regeling aan te wijzen activiteiten van ondergeschikt belang voor de veilige en doelmatige functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk. + +**3.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat voor daarbij aan te wijzen categorieën oppervlaktewaterlichamen het tweede lid niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen bouwwerken als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, of daarbij aan te wijzen activiteiten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b. + +### Artikel 6.13 + +**1.** + +Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te maken van de Noordzee door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: + +a. de bodem op te hogen of te verharden of land aan te winnen; +b. suppleties of andere handelingen die een landwaartse verplaatsing van de kustlijn tot gevolg kunnen hebben uit te voeren, anders dan op grond van artikel 2.7 van de wet; +c. installaties of kabels en leidingen te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; +d. te bouwen. + +**2.** Artikel 6.12, tweede lid, aanhef en onderdelen a, b, c, en f, zijn van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 6.14 + +**1.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te maken van waterkeringen in beheer bij het Rijk of van een daartoe behorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken te maken of te behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. + +**2.** Artikel 6.12, tweede lid, aanhef en onderdeel c, is van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 6.15 + +**1.** + +Degene die gebruik maakt van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het Rijk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken te maken of te behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen, waarvoor geen vergunning krachtens artikel 6.12 of artikel 6.13 vereist is, draagt zorg voor: + +a. een zodanige situering en uitvoering van de handelingen dat geen nadelige gevolgen optreden voor het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam of het bijbehorende kunstwerk overeenkomstig de daaraan toegekende functies, voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam en voor het kustfundament; +b. het voorkomen van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam; en +c. een zo gering mogelijke waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het gebruik, alsmede het compenseren van resterende onvermijdbare waterstandseffecten. + +**2.** + +Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval uitgevoerd overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op: + +a. het compenseren van waterstandseffecten of van de afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam, alsmede de financiering en tijdige realisatie van deze compensatie; +b. het melden en registreren van gegevens ten aanzien van het gebruik en de opgave daarvan aan Onze Minister. + +**3.** Bij de in het tweede lid bedoelde regeling kan worden bepaald dat Onze Minister voor daarbij aan te wijzen aspecten van het gebruik aan de gebruiker voorschriften kan opleggen ter uitwerking van de in dat lid bedoelde regels. Daarbij kan worden bepaald dat de voorschriften kunnen afwijken van die regels. + +### Artikel 6.16 + +**1.** Deze paragraaf is niet van toepassing op de in bijlage IV bij dit besluit aangewezen gebieden binnen de begrenzing van de rivieren. + +**2.** Bij ministeriële regeling kunnen voor andere waterstaatswerken dan de rivieren gebieden worden aangewezen waarop, vanwege het ondergeschikte waterstaatkundige belang van die gebieden, deze paragraaf niet van toepassing is. + +### Paragraaf 7. Brengen of onttrekken van water + +### Artikel 6.17 + +Het is in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen verboden zonder vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk. + +### Artikel 6.18 + +**1.** Degene die water brengt in of onttrekt aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, waarvoor geen vergunning krachtens artikel 6.17 is vereist, draagt zorg voor een zodanige situering en uitvoering van deze handelingen dat geen nadelige gevolgen optreden voor de ecologische toestand van dat oppervlaktewaterlichaam of voor het peilbeheer. + +**2.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat Onze Minister voor daarbij aan te wijzen aspecten aan degene die water brengt in of onttrekt aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk voorschriften kan opleggen ter uitwerking van het eerste lid. + +**3.** In geval van een watertekort of dreigend watertekort kan Onze Minister verbieden water te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk. Dit besluit wordt bekend gemaakt door plaatsing in de Staatscourant. Zodra de situatie van een watertekort of dreigend watertekort is geëindigd, trekt Onze Minister het verbod in en maakt dat onverwijld bekend door plaatsing in de Staatscourant. + +### Artikel 6.19 + +Degene die water brengt in of onttrekt aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.17, doet daarvan in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen melding aan Onze Minister, volgens bij die regeling te stellen regels. Bij de regeling kunnen mede regels worden gesteld met betrekking tot het uitvoeren van metingen, het registreren van gegevens en het doen van opgave daarvan aan Onze Minister. + +### Paragraaf 8. Nadere bepalingen omtrent de watervergunning + +### Artikel 6.20 + +**1.** Een aanvraag om een watervergunning kan langs elektronische weg worden ingediend. + +**2.** Dit lid is nog niet in werking getreden. + +### Artikel 6.21 + +**1.** Indien een aanvraag niet langs elektronische weg wordt ingediend, wordt gebruik gemaakt van een bij ministeriële regeling vastgesteld formulier. Het bevoegd gezag stelt op verzoek van de aanvrager het formulier aan hem ter beschikking. + +**2.** Het bevoegd gezag bepaalt het aantal exemplaren dat van de aanvraag en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden wordt ingediend, met een maximum van vier. + +### Artikel 6.22 + +**1.** In afwijking van artikel 2:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, neemt het bevoegd gezag een aanvraag die langs elektronische weg wordt ingediend, in ontvangst. + +**2.** Indien een aanvraag langs elektronische weg wordt ingediend, worden de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden eveneens langs elektronische weg verstrekt. De aanvrager kan de gegevens en bescheiden op schriftelijke wijze verstrekken, voor zover het bevoegd gezag daarvoor toestemming heeft gegeven. + +**3.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop een aanvraag langs elektronische weg wordt ingediend, alsmede met betrekking tot het beheer van de in de voorziening, bedoeld in artikel 7.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opgenomen gegevens en bescheiden. + +### Artikel 6.23 + +**1.** Onverminderd artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht verstrekt de aanvrager bij de aanvraag de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden ten aanzien van de betrokken handelingen. + +**2.** + +De in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden behoeven niet te worden verstrekt voor zover: + +a. de aanvrager die gegevens of bescheiden reeds aan het bevoegd gezag heeft verstrekt en het bevoegd gezag over die gegevens of bescheiden beschikt, of +b. het bevoegd gezag heeft beslist dat verstrekking van die gegevens of bescheiden niet nodig is voor het nemen van de beslissing op de aanvraag. + +**3.** De gegevens en bescheiden worden door de aanvrager gekenmerkt als behorende bij de aanvraag. + +## Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen + +### Paragraaf 1. Grondwaterheffing + +### Artikel 7.1 + +Van grondwaterheffing zijn vrijgesteld onttrekkingen van grondwater: + +a. door of vanwege overheidslichamen ten behoeve van de vervulling van taken op grond van de wet; +b. ten behoeve van een bodemenergiesysteem door middel van een inrichting waarbij grondwater wordt onttrokken en het water vervolgens in een gesloten systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken, in overeenstemming met de voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het onttrekken van grondwater ingevolge de wet is verleend; +c. ten behoeve van een bodem- of grondwatersaneringsproject; +d. ten behoeve van landijsbanen; +e. ten behoeve van de ontwatering of afwatering van gronden; +f. door middel van een oevergrondwaterwinning. + +### Artikel 7.2 + +**1.** + +De in artikel 7.7, eerste lid, onderdeel b, van de wet bedoelde onderzoekingen bestaan uit: + +a. onderzoekingen betreffende het grondwaterregime in de provincie, voor zover deze rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de totstandkoming en de uitvoering van het regionale waterplan in verband met het onttrekken van grondwater dan wel het infiltreren van water in de bodem; +b. onderzoekingen naar de samenhang tussen het in onderdeel a bedoelde grondwaterregime en de daarbij betrokken belangen. + +**2.** + +De kosten van de in het eerste lid bedoelde onderzoekingen, welke kunnen worden aangemerkt als de kosten, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, onderdeel b, van de wet, zijn de kosten van: + +a. het verkrijgen en bewerken van gegevens betreffende de geohydrologische gesteldheid van de provincie; +b. het inventariseren van de bij het grondwaterregime betrokken belangen; +c. de bijdragen aan onderzoeksprogramma's direct verband houdende met de totstandkoming en de uitvoering van de onderzoekingen; +d. het verkrijgen en bewerken van gegevens betreffende de samenhang tussen het grondwaterregime en de daarbij betrokken belangen; +e. het personeel voor zover dat de onderzoekingen en de begeleiding daarvan rechtstreeks uitvoert; +f. de publicatie van de resultaten van de onderzoekingen. + +## Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen + +### Paragraaf 1. Overgangsbepalingen + +### Artikel 8.1 + +De maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, die zijn opgenomen in een plan als bedoeld in de artikelen 4.1, 4.4 of 4.6 van de wet dat betrekking heeft op de jaren 2010 tot 2015, dienen uiterlijk op 22 december 2012 operationeel te zijn. + +### Artikel 8.2 + +De eerste overstromingsrisicobeheerplannen die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied worden uiterlijk op 22 december 2015 vastgesteld. + +### Artikel 8.3 + +**1.** Een opgave van een inrichting als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Grondwaterwet, die is gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.4 van de wet, wordt gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikel 6.11, eerste lid. + +**2.** Besluiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of artikel 5, derde lid, in samenhang met artikel 3, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 11 en 12 Grondwaterwet, genomen door gedeputeerde staten voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.4 van de wet, worden gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 6.11, tweede lid, genomen door het bevoegd gezag. + +**3.** Gedeputeerde staten dragen de archiefbescheiden die betrekking hebben op onttrekkingen en infiltraties, waarvoor het dagelijks bestuur van het waterschap ingevolge een verordening als bedoeld in artikel 6.13 van de wet dan wel een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6.5, onder b, van de wet bevoegd gezag is geworden, over aan dat dagelijks bestuur. + +**4.** Het derde lid geldt niet voor bescheiden die overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. + +### Artikel 8.4 + +**1.** Van een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken voor handelingen als bedoeld in de artikelen 6.12, tweede lid, 6.13, tweede lid en 6.14, tweede lid, die direct voor het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen in werking en onherroepelijk is, worden de voorschriften aangemerkt als voorschriften, gesteld krachtens artikel 6.15, derde lid, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van voorschriften krachtens dat artikel. + +**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een vergunning als bedoeld in dat lid, die overeenkomstig artikel 2.29 van de Invoeringswet Waterwet is verleend en onherroepelijk is geworden. + +**3.** Een vergunning voor de aanleg of wijziging van waterstaatswerken door of vanwege de beheerder, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 6 van hoofdstuk 6 in werking en onherroepelijk is overeenkomstig artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, wordt, in afwijking van de artikelen 6.12, tweede lid, 6.13, tweede lid en 6.14, tweede lid, gelijkgesteld met een vergunning krachtens het eerste lid van die artikelen. Artikel 5.4 van de wet is niet van toepassing op de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk in overeenstemming met die vergunning. + +**4.** Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een vergunning als bedoeld in dat lid, die overeenkomstig artikel 2.29 van de Invoeringswet Waterwet is verleend en onherroepelijk is geworden. + +**5.** Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk waarop artikel 2.16 of artikel 2.16a van de Invoeringswet Waterwet van toepassing is. + +### Artikel 8.5 + +Tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.20, tweede lid, wordt in artikel 6.21, tweede lid, in plaats van «ten hoogste vier» gelezen: ten hoogste acht. + +### Artikel 8.6 + +Artikel 2.25, tweede tot en met vierde lid, van de Invoeringswet Waterwet is van overeenkomstige toepassing op een vergunning krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, die overeenkomstig het eerste lid van artikel 2.29 van de Invoeringswet Waterwet onherroepelijk is geworden na het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 6.2 van de wet. + +### Artikel 8.7 + +**1.** Indien door de inwerkingtreding van een algemene maatregel van bestuur, een ministeriële regeling, een provinciale verordening of een verordening van een waterschap de betrokkenheid van het bestuursorgaan, dat met toepassing van artikel 6.17 van de wet als bevoegd gezag een watervergunning heeft verleend, bij die watervergunning eindigt, wordt die watervergunning met betrekking tot de resterende vergunningplichtige handeling of handelingen gelijkgesteld met een watervergunning, verleend door het bestuursorgaan dat voor die handeling of handelingen, zo nodig met overeenkomstige toepassing van artikel 6.17 van de wet, bevoegd gezag is. + +**2.** Het overeenkomstig het eerste lid bepaalde bevoegd gezag deelt aan de vergunninghouder mede dat hij bevoegd gezag is voor de watervergunning. + +### Paragraaf 2. Slotbepalingen + +### Artikel 8.8 + +De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. + +### Artikel 8.9 + +Dit besluit wordt aangehaald als: Waterbesluit. + +## Bijlage I. Onderlinge grenzen stroomgebieddistricten Eems, Rijn, Maas en Schelde (Bijlage bij + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +## Bijlage II. Oppervlaktewaterlichamen in rijksbeheer (Bijlage bij de + +## Bijlage III. Waterkeringen in beheer bij het Rijk (Bijlage bij + +## Bijlage IV. Gebieden waar + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]*