2011-04-01 | BWBR0012289 | Vreemdelingencirculaire 2000 (B)

This commit is contained in:
Coornhert 2011-04-01 12:00:00 +00:00
parent 180e3d3dfb
commit 4e99a05341

View file

@ -315,7 +315,7 @@ Het is niet mogelijk om een verzoek om advies ten behoeve van een vreemdeling di
### 2. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
In artikel 14, eerste lid, onder c, Vw is de bevoegdheid neergelegd van de Minister van Justitie om een verblijfsvergunning ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden. Van de bevoegdheid om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden wordt slechts gebruik gemaakt indien schending van het familie-, gezins- of privé-leven in de zin van artikel 8 EVRM aan de orde is.
In artikel 14, eerste lid, onder c, Vw is de bevoegdheid neergelegd van de Minister voor I&A om een verblijfsvergunning ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden. Van de bevoegdheid om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden wordt slechts gebruik gemaakt indien schending van het familie-, gezins- of privé-leven in de zin van artikel 8 EVRM aan de orde is.
Als regel van de Vw geldt dat er aan de verlening van een verblijfsvergunning altijd een daartoe strekkende aanvraag vooraf gaat (uitzondering daarop zijn de in artikel 3.6 Vb en artikel 3.17a VV aangewezen verblijfsvergunningen die ambtshalve verleend kunnen worden). Dat geldt ook voor verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en tevens voor wijziging van een zodanige verblijfsvergunning.
@ -325,7 +325,7 @@ Gelet op hetgeen in B1/2.1 is vermeld (er moet op de aanvraag worden beslist zoa
Indien aan de vreemdeling reeds een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend, maar er sprake is van veranderde omstandigheden, dient de vreemdeling een aanvraag tot wijziging van de vergunning in te dienen onder een beperking verband houdend met het nieuwe verblijfsdoel.
Op grond van artikel 3.81 Vb wordt een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 Vw, beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, met dien verstande dat de artikelen artikelen 3.71, 3.77, 3.78 en 3.79 Vb niet van toepassing zijn en de artikelen 3.86 en 3.87 Vb van overeenkomstige toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.
Op grond van artikel 3.81 Vb wordt een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 Vw, beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, met dien verstande dat de artikelen 3.71, 3.77, 3.78 en 3.79 Vb niet van toepassing zijn en de artikelen 3.86 en 3.87 Vb van overeenkomstige toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.
#### 2.1. Beperking
@ -333,7 +333,7 @@ Ingevolge artikel 14, tweede lid, Vw wordt een verblijfsvergunning regulier voor
a. gezinshereniging of gezinsvorming (zie B2);
b. verblijf ter adoptie of als pleegkind (zie B3);
c. het afwachten van onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders, bedoeld in artikel 11 Wobka (zie B2);
c. het afwachten van onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders, bedoeld in artikel 11 Wobka (zie B2;
d. familiebezoek (zie B13);
e. het verrichten van arbeid als zelfstandige (zie B5);
f. het verrichten van arbeid in loondienst (zie B5);
@ -355,7 +355,7 @@ u. voortgezet verblijf (zie B16);
v. wedertoelating (zie B4);
w. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken (zie B14 en deel C);
x. verblijf als Amv (zie B14 en deel C);
y. verblijf als kennismigrant als bedoeld in artikel 1d Besluit uitvoering Wav (zie B15);
y. verblijf als kennismigrant als bedoeld in artikel 1d Besluit uitvoering Wav (zie B15;
z. werkzaam in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening, als bedoeld in artikel 1e, eerste lid, Besluit uitvoering Wav (zie B5 en B10; of
aa. verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene (zie B17).
@ -369,7 +369,7 @@ In artikel 3.100 Vb, handelend over de wijziging van de beperking, komt tot uiti
Met de aanvraag stelt de vreemdeling het kader voor de besluitvorming. Op de aanvraag moet worden beschikt zoals zij is ingediend en er mag niet iets anders worden toegewezen of afgewezen dan is aangevraagd. Indien de wijziging dermate gering is dat redelijkerwijs niet meer van een wijziging kan worden gesproken, hoeft geen nieuwe aanvraag te worden ingediend. In een dergelijk geval kan de beperking dus wel anders luiden dan hetgeen is aangevraagd.
De verblijfsdoelen waarvoor verblijf kan worden verleend, zijn omschreven in artikel 3.4, eerste lid, Vb en deze zijn nader uitgewerkt in deel B. De opsomming in artikel 3.4 Vb is niet limitatief. In het derde lid van dit artikel is de bevoegdheid van de Minister van Justitie neergelegd om een verblijfsvergunning te verlenen onder een beperking die niet in het Vb is geregeld.
De verblijfsdoelen waarvoor verblijf kan worden verleend, zijn omschreven in artikel 3.4, eerste lid, Vb en deze zijn nader uitgewerkt in deel B. De opsomming in artikel 3.4 Vb is niet limitatief. In het derde lid van dit artikel is de bevoegdheid van de Minister voor I&A neergelegd om een verblijfsvergunning te verlenen onder een beperking die niet in het Vb is geregeld.
Van deze bevoegdheid, die overigens ook categoriaal kan worden toegepast, zal terughoudend worden gebruikgemaakt.
@ -600,28 +600,17 @@ Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
a. de vreemdeling die de nationaliteit bezit van één der door de Minister van BuZa aan te wijzen landen;
*Toelichting*
Deze landen zijn: Australië, België, Bulgarije, Canada, Cyprus Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Japan, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Monaco, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Vaticaanstad, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland.
Voor vreemdelingen uit deze landen staat echter wel de mogelijkheid open om bij een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland onverplicht een mvv aan te vragen ten einde hun verblijfsaanspraken vooraf te laten toetsen, zodat ook zij vroegtijdig weten of hun verblijfsrecht toekomt.
b. de gemeenschapsonderdaan, voorzover niet reeds vrijgesteld op grond van een aanwijzing, als bedoeld onder a;
*Toelichting*
Een gemeenschapsonderdaan heeft geen verblijfsvergunning nodig om rechtmatig in Nederland te verblijven. Een gemeenschapsonderdaan ontleent zijn verblijfsrecht immers rechtstreeks aan het gemeenschapsrecht. Ook van belang is dat de vreemdeling die niet zelf onderdaan is van een lidstaat van de EU, EER of Zwitserland, maar die wel rechtstreeks verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontleent, bijvoorbeeld als echtgeno(o)t(e), kind, partner of (schoon)ouder van een gemeenschapsonderdaan, vrijgesteld is van het mvv-vereiste (zie de definitiebepaling van gemeenschapsonderdaan in artikel 1 Vw).
c. de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen;
*Toelichting*
Voor deze vrijstelling dient beoordeeld te worden of de vreemdeling, al dan niet onder voorwaarden, in staat is te reizen. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling. Hierbij wordt aangesloten bij B8/3.4. Voor de procedurele aspecten wordt in dit kader verwezen naar B8/3.
d. de vreemdeling die slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel;
*Toelichting*
Het Nederlandse beleid is er op gericht de opsporing en vervolging van hen die zich aan mensenhandel schuldig maken, zoveel mogelijk te bevorderen. In dat opzicht is van groot belang dat slachtoffers en getuigen van mensenhandel aangifte doen van mensenhandel en dat slachtoffers op andere wijze medewerking verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit bedoeld in artikel 273f van het WvSr. Met de verblijfsregeling zoals neergelegd n artikel 3.48 Vb wordt beoogd te voorkomen dat het slachtoffer of de getuige van mensenhandel afziet van het doen van aangifte of dat het slachtoffer afziet van het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, uit vrees Nederland te worden uitgezet als illegale vreemdeling. In dat verband wordt er op gewezen dat het slachtoffer of de getuige ingevolge artikel 8, onder k, Vw gedurende een bedenktijd van maximaal drie maanden rechtmatig verblijf in Nederland kan verkrijgen. In dat geval wordt nog geen verblijfsvergunning verleend.
Ingeval het noodzakelijk is dat de getuige-aangever in Nederland verblijft nadat de aangifte is gedaan, kan de in artikel 3.48 Vb bedoelde verblijfsvergunning worden verleend zolang dat in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel noodzakelijk is.
@ -631,106 +620,67 @@ Aan het slachtoffer van mensenhandel die aangifte doet of op andere wijze medewe
Het mvv-vereiste wordt hierbij niet tegengeworpen.
In het geval van de getuige-aangever kan de verblijfsvergunning eerst worden verleend, indien het OM de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst acht voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek. Ook in die situatie wordt het mvv-vereiste niet tegengeworpen. Er dient wel proces verbaal van de aangifte opgemaakt te zijn.
e. de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw dan wel van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 Vw;
f. de vreemdeling die tijdig een aanvraag heeft ingediend tot wijziging van een verblijfsvergunning;
*Toelichting e en f*
Het mvv-vereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.
Het ontbreken van een mvv wordt evenmin tegengeworpen aan de vreemdeling die een aanvraag indient om wijziging van het verblijfsdoel. Hierbij is van belang dat er geen onderscheid wordt gemaakt naar het soort verblijfsdoel. De vrijstelling geldt bijvoorbeeld ook indien een vreemdeling twee maanden in het bezit geweest is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw en vervolgens in aanmerking wenst te komen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Voor de beoordeling of er sprake is van voortzetting van verblijf is dan niet van belang of de eerdere vergunning verlengd zou zijn of dat de vergunning na twee maanden is ingetrokken in verband met een wijziging in de situatie in het land van herkomst. Van belang is wel dat de aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel tijdig, dat wil zeggen in ieder geval niet later dan twee jaar na afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning, ontvangen is (zie artikel 3.82 Vb en B1/5.1).
g. de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie;
h. de vreemdeling die houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het EG-verdrag, dan wel de echtgenoot of het minderjarig kind is van die houder, in geval het gezin reeds was gevormd in die andere staat;
De geregistreerde partner dan wel ongehuwde partner van de langdurig ingezetene en het kind van die partner worden daarbij gelijk gesteld met de echtgeno(o)t(e) dan wel het kind van die echtgeno(o)t(e).
Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, Vb kan van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld worden, de vreemdeling:
Ingevolge artikel artikel 3.71, tweede lid, Vb kan van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld worden, de vreemdeling:
a. die voor het bereiken van het negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vw of als Nederlander en in die periode niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst;
*Toelichting*
De vreemdeling die voor diens negentiende levensjaar ten minste vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw kan in aanmerking komen voor wedertoelating tot Nederland. Indien de vreemdeling minderjarig is kan een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend. Indien de vreemdeling meerderjarig is kan een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. Hiermee verhoudt zich niet dat het mvv-vereiste wordt tegengeworpen. Dit onderdeel komt grotendeels overeen met artikel 52a, onderdeel g, van het voormalige Vb, met dien verstande dat toegevoegd is de categorie vreemdelingen die in diezelfde periode geheel of gedeeltelijk als Nederlander in Nederland hebben verbleven. Het is redelijk laatstgenoemde vreemdelingen niet anders te behandelen om de enkele reden dat het rechtmatig verblijf geheel of gedeeltelijk als Nederlander in Nederland is doorgebracht.
b. van twaalf jaar of jonger, die in Nederland is geboren en naar het oordeel van de Minister feitelijk is blijven behoren tot het gezin van een ouder die:
• sedert het moment van geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of als Nederlander; of
• op het moment van de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland had op grond van artikel 8, onder f tot en met k, Vw en die sedertdien aansluitend rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw heeft, voor zover geen van beiden het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
*Toelichting*
Kinderen van twaalf jaar of jonger die in Nederland zijn geboren, vanaf dat moment onafgebroken in Nederland woonachtig zijn en naar het oordeel van de Minister feitelijk zijn blijven behoren tot het gezin van een van de ouders die sinds de geboorte van het kind in Nederland verblijft op grond van een verblijfsvergunning, komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien zij feitelijk (zijn blijven) behoren tot het gezin van die ouder. Als hoofdregel geldt dat één van de ouders binnen drie dagen na de geboorte van het kind een aanvraag ten behoeve van het kind moet indienen om het verblijfsrecht mede geldig te maken voor het kind.
Is het kind evenwel niet direct na de geboorte aangemeld dan kan tot en met de leeftijd van twaalf jaar alsnog een aanvraag worden ingediend. In dat geval kan de verblijfsvergunning worden verleend indien naar het oordeel van de Minister genoegzaam is aangetoond dat het kind vanaf de geboorte onafgebroken in Nederland heeft verbleven en feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de ouder die houder is van een verblijfsvergunning. Gelet op het feit dat deze kinderen in Nederland zijn geboren, is het niet rechtvaardig om de aanvraag af te wijzen omdat het kind niet in het bezit is van een geldige mvv. Hetzelfde geldt ten aanzien van kinderen die in Nederland zijn geboren uit een ouder die op het moment van die geboorte rechtmatig in Nederland verbleef, al dan niet in afwachting van een (nadere) beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, en die aansluitend op dat rechtmatige verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Van dat kind wordt evenmin verlangd dat het met die ouder vertrekt naar het land van herkomst om daar de beslissing op de mvv-aanvraag af te wachten. Tot de hier bedoelde categorie behoren onder meer de kinderen die tijdens de procedure in Nederland worden geboren uit een ouder die aansluitend op die procedure in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning. Tevens zijn vrijgesteld andere kinderen die in Nederland zijn geboren op een moment waarop de ouder op een der andere in artikel 8 Vw genoemde gronden rechtmatig in Nederland verbleef, bijvoorbeeld in verband met de aangifte van mensenhandel, of tijdens de vrije termijn, en die aansluitend op dat rechtmatige verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning.
c. die in Nederland verblijft op grond van een geprivilegieerde status als gezinslid van een in Nederland geaccrediteerd personeelslid van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post die zelf in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 21a Vw;
*Toelichting*
Onderdeel k ziet op feitelijk in Nederland verblijvende afhankelijke gezinsleden van geaccrediteerde personeelsleden van een buitenlandse diplomatieke of consulaire missie in Nederland.
Geaccrediteerde personeelsleden van een buitenlandse diplomatieke of consulaire missie en hun afhankelijke gezinsleden bezitten een bijzondere status op grond van het Diplomatenverdrag of het Consulaire verdrag. De verblijfsstatus van de hoofdpersoon is bepalend voor de status van afhankelijke gezinsleden. Indien de uitgezonden status van de hoofdpersoon komt te vervallen, vervalt daarmee tevens de uitgezonden status van de afhankelijke gezinsleden. De afhankelijke gezinsleden die tien jaar of langer bij de hoofdpersoon in Nederland verblijven komen evenals de hoofdpersoon onder omstandigheden in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie B12).
Na beëindiging van de bijzondere geprivilegieerde status van de hoofdpersoon kan het voorkomen dat de geprivilegieerde hoofdpersoon wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, maar één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet. Dit kan het geval zijn indien één of meer van de afhankelijke gezinsleden nog minderjarig is of als één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet minimaal tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven op basis van een bijzondere geprivilegieerde status. Indien deze afhankelijke gezinsleden op grond van het nationale vreemdelingenrecht in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw met als doel gezinshereniging, geldt vrijstelling van het mvv-vereiste. Deze vrijstelling houdt verband met het feit dat sprake is van eerder (langdurig) verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, het feit dat tijdig om verblijfsrecht op grond van de Vw is verzocht en het feit dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel gezinshereniging bij de hoofdpersoon. Gelet hierop is het niet redelijk van deze afhankelijke gezinsleden een mvv te verlangen.
Personeelsleden van internationale organisaties en hun afhankelijke gezinsleden bezitten een bijzondere status (de uitgezonden status) op grond van de Zetelovereenkomsten, waarin onder andere bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie. Deze personeelsleden en hun meerderjarige afhankelijke gezinsleden kunnen onder omstandigheden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie B12). Het kan voorkomen dat de hoofdpersoon wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, maar één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet. Indien deze afhankelijke gezinsleden op grond van het nationale vreemdelingenrecht in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw met als doel gezinshereniging, geldt vrijstelling van het mvv-vereiste. Onderdeel c ziet niet op de afhankelijke gezinsleden van geaccrediteerde personeelsleden van een internationale organisatie. Echter, ten aanzien van hen geldt evenzeer dat sprake is van eerder (langdurig) verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, dat tijdig om verblijfsrecht op grond van de Vw is verzocht en dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel gezinshereniging bij de hoofdpersoon. Daarom is evenmin redelijk van hen een mvv te verlangen. Daarmee wordt voor deze categorie toepassing gegeven aan artikel 3.71, vierde lid, Vb.
Personeelsleden van internationale organisaties en hun afhankelijke gezinsleden bezitten een bijzondere status (de uitgezonden status) op grond van de Zetelovereenkomsten, waarin onder andere bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie. Deze personeelsleden en hun meerderjarige afhankelijke gezinsleden kunnen onder omstandigheden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie B12). Het kan voorkomen dat de hoofdpersoon wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, maar één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet. Indien deze afhankelijke gezinsleden op grond van het nationale vreemdelingenrecht in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel artikel 14 Vw met als doel gezinshereniging, geldt vrijstelling van het mvv-vereiste. Onderdeel c ziet niet op de afhankelijke gezinsleden van geaccrediteerde personeelsleden van een internationale organisatie. Echter, ten aanzien van hen geldt evenzeer dat sprake is van eerder (langdurig) verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, dat tijdig om verblijfsrecht op grond van de Vw is verzocht en dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel gezinshereniging bij de hoofdpersoon. Daarom is evenmin redelijk van hen een mvv te verlangen. Daarmee wordt voor deze categorie toepassing gegeven aan artikel artikel 3.71, vierde lid, Vb.
d. die ten minste zeven jaren werkzaam is of is geweest op een Nederlands zeeschip of een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat;
*Toelichting*
Onderdeel l ziet op bepaalde categorieën buitenlandse werknemers in de internationale sector van de arbeidsmarkt. De Vw is niet van toepassing op buitenlandse werknemers aan boord van Nederlandse zeeschepen of mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentaal plat, omdat werknemers in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. Deze vreemdelingen komen derhalve in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Er zijn echter enkele specifieke regelingen met betrekking tot de vergunningverlening met het oog op verlof, gezinshereniging en gezinsvorming, werkloosheid en werk op het Nederlandse grondgebied voor vreemdelingen die een arbeidsverleden van zeven jaren of langer in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt hebben (zie artikel 3.34 tot en met 3.38 Vb en B5). Gelet op het feit dat deze vreemdelingen veelal niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland, geacht worden verblijf te houden aan boord van het Nederlandse zeeschip of de mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, en reeds zeven jaren in deze positie verkeren, is het redelijk van hen niet te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen. Omdat op vreemdelingen die werkzaam zijn in de internationale luchtvaart, het internationale wegtransport of de internationale binnenscheepvaart onder bepaalde voorwaarden de Wav en de Vw wel van toepassing zijn, zijn die vreemdelingen niet vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Onderdeel l ziet op bepaalde categorieën buitenlandse werknemers in de internationale sector van de arbeidsmarkt. De Vw is niet van toepassing op buitenlandse werknemers aan boord van Nederlandse zeeschepen of mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentaal plat, omdat werknemers in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. Deze vreemdelingen komen derhalve in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Er zijn echter enkele specifieke regelingen met betrekking tot de vergunningverlening met het oog op verlof, gezinshereniging en gezinsvorming, werkloosheid en werk op het Nederlandse grondgebied voor vreemdelingen die een arbeidsverleden van zeven jaren of langer in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt hebben (zie artikel artikel 3.34 tot en met 3.38 Vb en B5). Gelet op het feit dat deze vreemdelingen veelal niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland, geacht worden verblijf te houden aan boord van het Nederlandse zeeschip of de mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, en reeds zeven jaren in deze positie verkeren, is het redelijk van hen niet te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen. Omdat op vreemdelingen die werkzaam zijn in de internationale luchtvaart, het internationale wegtransport of de internationale binnenscheepvaart onder bepaalde voorwaarden de Wav en de Vw wel van toepassing zijn, zijn die vreemdelingen niet vrijgesteld van het mvv-vereiste.
e. die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80;
*Toelichting*
Dit onderdeel heeft betrekking op vreemdelingen die in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80. Deze zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste. Het Associatiebesluit 1/80 geeft rechten aan Turkse werknemers die behoren tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat. Ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie houdt het recht zoals neergelegd in het Associatiebesluit 1/80 om na een bepaalde periode van legale arbeid de arbeid voort te kunnen zetten, noodzakelijkerwijs in dat de betrokken vreemdeling een recht van verblijf heeft. Volgens het Hof wordt aan de erkenning van die rechten door artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 niet de voorwaarde gesteld dat het legale karakter van de arbeid door de Turkse werknemer wordt gestaafd door het bezit van een specifiek administratief document, zoals een verblijfsvergunning. Als wordt vastgesteld dat een Turkse werknemer behoort tot de legale arbeidsmarkt en uit dien hoofde recht heeft op een verblijfsvergunning kan het ontbreken van een geldige mvv hem niet worden tegengeworpen. In de meeste gevallen zal de desbetreffende werknemer echter verkeren in een situatie van voortzetting van verblijf of reeds op grond van enige andere vrijstelling van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat verblijfsrechten niet slechts uit artikel 6, maar ook uit enkele andere artikelen van het Associatiebesluit 1/80 kunnen voortvloeien.
f. die in aanmerking komt voor terugkeer naar Nederland op grond van artikel 8 van de Remigratiewet;
*Toelichting*
Dit onderdeel heeft betrekking op de vreemdeling die met gebruikmaking van de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet een verblijfsvergunning aanvraagt. Hierbij gaat het zowel om de ouder als het (meerderjarige) kind die eerder in Nederland hebben verbleven. Door de verwijzing naar artikel 8 van de Remigratiewet (en daarmee tevens naar het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet) is verzekerd dat de vrijstelling alleen van toepassing is op de vreemdeling die voor de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet in aanmerking komt. Deze bepaling ziet derhalve niet op de vreemdeling die op grond van eerdere of andere remigratieregelingen is teruggekeerd naar zijn land van herkomst en die wil terugkeren naar Nederland. De vreemdeling die binnen één jaar na remigratie uit Nederland op grond van de Remigratiewet een aanvraag om verblijf in Nederland indient en die direct voorafgaande aan de remigratie uit Nederland gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning, komt op grond van de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Uit artikel 10, eerste lid, onder b, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet volgt dat alleen voor de terugkeeroptie in aanmerking komt, de vreemdeling die drie jaar in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning onder een beperking van niet-tijdelijke aard. De beperkingen van tijdelijke aard zijn voor het bepaalde bij en krachtens de Remigratiewet geregeld in de Regeling Aanwijzing vreemdelingen wegens verblijf voor een tijdelijk doel (Stcrt. 2000, 62). Uiteraard is de verwijzing naar artikel 8 van de Remigratiewet alleen van belang voorzover daaruit het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voortvloeit. In andere gevallen kan de vreemdeling op grond van deze terugkeeroptie een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. In het laatste geval kan de desbetreffende aanvraag niet worden afgewezen wegens het ontbreken van een mvv. Overigens verdient het de voorkeur dat deze vreemdelingen vóór hun terugkeer naar Nederland een mvv aanvragen. Artikel 8 van de Remigratiewet heeft ook betrekking op kinderen van vreemdelingen. Ook deze kinderen kunnen van de terugkeeroptie gebruikmaken en zijn daarmee vrijgesteld van het mvv-vereiste. Concreet betekent dit, dat vrijgesteld is de vreemdeling die direct voorafgaande aan de remigratie als minderjarig kind van de ouder in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning of als Nederlander en binnen een jaar na de remigratie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet met de ouder naar Nederland terugkeert. Tevens is vrijgesteld de vreemdeling die binnen een jaar na de remigratie meerderjarig is geworden en vervolgens zelfstandig naar Nederland terugkeert.
g. die in Nederland verblijft, bij de rechtbank te s-Gravenhage een verzoek heeft ingediend tot vaststelling van zijn Nederlanderschap dat naar het oordeel van de Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is;
*Toelichting*
De persoon die feitelijk in Nederland verblijft en bij de rechtbank te s-Gravenhage een verzoek ingevolge artikel 17, eerste lid, Rwn heeft ingediend tot vaststelling van zijn vermeende Nederlanderschap, wordt in het algemeen niet uitgezet indien dat verzoek naar het oordeel van de Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is. In dat geval kan de betrokkene, onder omstandigheden, in aanmerking komen voor een reguliere verblijfsvergunning, in afwachting van de beslissing op het verzoek. Gelet op het feit dat de verzoeken van deze personen niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot zijn en zij veelal lange tijd in Nederland verblijven voordat twijfels over de Nederlandse nationaliteit ontstonden, is het niet redelijk van hen te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen en kunnen zij in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning.
h. die tijdelijke bescherming heeft en in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw, onder een beperking als bedoeld in artikel 3.30 of 3.31 Vb.
*Toelichting*
Dit onderdeel p is het gevolg van de implementatie per 15 februari 2005 van de Richtlijn 2001/55. Ingevolge artikel 12 van deze richtlijn staan de lidstaten personen die tijdelijke bescherming genieten toe om, voor een periode die niet langer is dan die van hun tijdelijke bescherming, werkzaam te zijn in loondienst of als zelfstandige. Daarbij mogen de lidstaten om redenen van arbeidsmarktbeleid voorrang geven aan EU-burgers en onderdanen van staten die gebonden zijn aan de EER overeenkomst, en aan de onderdanen van derde landen die legaal in de EU verblijven en een werkloosheidsuitkering ontvangen. Het op grond van het ontbreken van een mvv afwijzen van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor het verrichten van arbeid van de tijdelijk beschermde vreemdeling is niet verenigbaar met het geclausuleerde recht op arbeid in de richtlijn. Om die reden krijgt de tijdelijk beschermde die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder een beperking die verband houdt met het verrichten van arbeid in loondienst of als zelfstandige, vrijstelling van het mvv-vereiste. Dit laat onverlet dat er een wezenlijk Nederlands belang moet zijn gediend met het verrichten van die arbeid. De vrijstelling is derhalve niet van toepassing indien voor de desbetreffende soort arbeid voorrang kan worden gegeven aan EU- en EER-burgers of legaal verblijvende derdelanders met een werkloosheidsuitkering. Zie tenslotte het derde lid van artikel 3.71 Vb: de tijdelijk beschermde vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel het verrichten van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar is (in afwijking van artikel 3.71, derde lid, Vb) eveneens vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Dit onderdeel p is het gevolg van de implementatie per 15 februari 2005 van de Richtlijn 2001/55. Ingevolge artikel 12 van deze richtlijn staan de lidstaten personen die tijdelijke bescherming genieten toe om, voor een periode die niet langer is dan die van hun tijdelijke bescherming, werkzaam te zijn in loondienst of als zelfstandige. Daarbij mogen de lidstaten om redenen van arbeidsmarktbeleid voorrang geven aan EU-burgers en onderdanen van staten die gebonden zijn aan de EER overeenkomst, en aan de onderdanen van derde landen die legaal in de EU verblijven en een werkloosheidsuitkering ontvangen. Het op grond van het ontbreken van een mvv afwijzen van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor het verrichten van arbeid van de tijdelijk beschermde vreemdeling is niet verenigbaar met het geclausuleerde recht op arbeid in de richtlijn. Om die reden krijgt de tijdelijk beschermde die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder een beperking die verband houdt met het verrichten van arbeid in loondienst of als zelfstandige, vrijstelling van het mvv-vereiste. Dit laat onverlet dat er een wezenlijk Nederlands belang moet zijn gediend met het verrichten van die arbeid. De vrijstelling is derhalve niet van toepassing indien voor de desbetreffende soort arbeid voorrang kan worden gegeven aan EU- en EER-burgers of legaal verblijvende derdelanders met een werkloosheidsuitkering. Zie tenslotte het derde lid van derde lid van artikel 3.71 Vb: de tijdelijk beschermde vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel het verrichten van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar is (in afwijking van artikel 3.71, derde lid, Vb) eveneens vrijgesteld van het mvv-vereiste.
i. die houder is van een verblijfsvergunning voor onderzoekers in de zin van Richtlijn 2005/71 afgegeven door een andere staat die Partij is bij het EG-verdrag dan wel de echtgenoot, partner of het minderjarig kind is van die houder, in geval het gezin reeds was gevormd in die andere staat.
*Toelichting*
Deze vrijstelling strekt ertoe de mobiliteit voor wetenschappelijk onderzoekers tussen lidstaten te vergemakkelijken. Deze uitzondering geldt enkel voor onderzoekers die reeds in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor het verrichten van onderzoek in de zin van de richtlijn die is afgegeven door een ander lidstaat. Deze uitzondering geldt ook voor gezinsleden (echtgenoot, partner, minderjarig kind) van de onderzoeker, met dien verstande dat het gezin reeds dient te zijn gevormd in de ander lidstaat.
j. die binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend, een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, voor zover de gezinsband reeds bestond voordat de hoofdpersoon in Nederland hoofdverblijf had en er geen gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft.
*Toelichting*
Een gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd komt op grond van artikel 29, eerste lid, onder e en f, van de Vw 2000 onder bepaalde voorwaarden eveneens in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Het gezinslid dat niet voldoet aan alle in voornoemd artikel genoemde voorwaarden kan, onder bepaalde voorwaarden in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier. Een van de voorwaarden is dat het gezinslid in het bezit is van een mvv. Uit de toelichting op de wijziging van artikel 3.71 Vb van 24 april 2009 blijkt dat deze voorwaarde, in situaties waarin het gezinslid enkel door het bezit van een andere nationaliteit dan de hoofdpersoon, mogelijk tot bij nader inzien onbillijk te achten situaties leidt, met name in het geval dat het gezinslid dat tegelijk met de hoofdpersoon naar Nederland is gekomen om internationale bescherming te zoeken, zonder de hoofdpersoon moet terugkeren naar het land van herkomst of bestendig verblijf om daar een mvv aan te vragen. Om deze situaties te voorkomen en de eenheid van het gezin in die gevallen te bewaren, is onderdeel j in artikel 3.71, tweede lid, Vb 2000 opgenomen.
k. die minderjarig is, schoolgaand is en drie jaar ononderbroken hoofdverblijf in Nederland heeft en een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging bij een Nederlander of een hoofdpersoon met rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet.
*Toelichting*
Op grond van artikel 3.71, tweede lid, onderdeel b, Vb 2000 wordt het mvv-vereiste niet tegengeworpen aan minderjarigen van twaalf jaar of jonger, die een aanvraag tot gezinshereniging indienen omdat zij in Nederland zijn geboren uit een ouder die rechtmatig verblijf in Nederland had op het moment van de geboorte van het kind, en vanaf de geboorte onafgebroken verblijf hebben. Er komt regelmatig voor dat minderjarigen ouder dan twaalf jaar, of minderjarigen die niet in Nederland zijn geboren, na een aanzienlijke periode van feitelijk verblijf in Nederland een verblijfsaanvraag indienen in het kader van gezinshereniging met de hoofdpersoon. Uit de toelichting op de wijziging van artikel 3.71 Vb van 24 april 2009 blijkt dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in deze gevallen bij nader inzien tot onbillijk te achten situaties leidt, waarin het kind, dat na geruime tijd feitelijk te hebben verbleven bij een legaal verblijvende hoofdpersoon, mogelijk zonder de hoofdpersoon moet terugkeren naar het land van herkomst of bestendig verblijf om daar een mvv aan te vragen. Het betreft een kwetsbare groep vreemdelingen die in de regel afhankelijk is van de keuzes die volwassenen voor hen maken.
Op grond van artikel 3.71, tweede lid, onderdeel b, Vb 2000 wordt het mvv-vereiste niet tegengeworpen aan minderjarigen van twaalf jaar of jonger, die een aanvraag tot gezinshereniging indienen omdat zij in Nederland zijn geboren uit een ouder die rechtmatig verblijf in Nederland had op het moment van de geboorte van het kind, en vanaf de geboorte onafgebroken verblijf hebben. Er komt regelmatig voor dat minderjarigen ouder dan twaalf jaar, of minderjarigen die niet in Nederland zijn geboren, na een aanzienlijke periode van feitelijk verblijf in Nederland een verblijfsaanvraag indienen in het kader van gezinshereniging met de hoofdpersoon. Uit de toelichting op de wijziging van artikel 3.71 Vb van 24 april 2009 blijkt dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in deze gevallen- bij nader inzien tot onbillijk te achten situaties leidt, waarin het kind, dat na geruime tijd feitelijk te hebben verbleven bij een legaal verblijvende hoofdpersoon, mogelijk zonder de hoofdpersoon moet terugkeren naar het land van herkomst of bestendig verblijf om daar een mvv aan te vragen. Het betreft een kwetsbare groep vreemdelingen die in de regel afhankelijk is van de keuzes die volwassenen voor hen maken.
Zij zijn voorts veelal geworteld in de Nederlandse maatschappij en gaan hier te lande naar school.
l. van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn.
*Toelichting*
In de toelichting op de regels over de vrijstelling van het mvv-vereiste (artikel 3.71 Vb 2000) is reeds aangegeven dat vanzelfsprekend het ontbreken van een geldige mvv niet kan leiden tot afwijzing van de aanvraag, indien een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich daartegen verzet. Een voorbeeld van een dergelijke verplichting is artikel 8 EVRM. Wanneer toetsing aan artikel 8 EVRM aan de orde is, vergt dit een op de concrete zaak toegespitste afweging van alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval.
Aan de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM is, wordt op grond hiervan het mvv-vereiste niet tegen geworpen.
@ -751,9 +701,9 @@ De vreemdeling dient, indien hij zich beroept op een van de vrijstellingscategor
Indien geen (afdoende) bewijs kan worden overgelegd ter staving van het beroep op één der vrijstellingscategorieën, terwijl vaststaat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform artikel 16 Vw in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, Vb afgewezen wegens het ontbreken van een mvv.
De vreemdeling die zich erop beroept dat het stellen van het vereiste bezit van een geldige mvv ten aanzien van hem getuigt van een onbillijkheid van overwegende aard (zie artikel 3.71, vierde lid, Vb) dient bij het indienen van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een onderbouwing voor het beroep op deze vrijstellingscategorie te overleggen. Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij een aanvraag tot afgifte van een mvv in het land van herkomst indient. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
De vreemdeling die zich erop beroept dat het stellen van het vereiste bezit van een geldige mvv ten aanzien van hem getuigt van een onbillijkheid van overwegende aard (zie artikel artikel 3.71, vierde lid, Vb) dient bij het indienen van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een onderbouwing voor het beroep op deze vrijstellingscategorie te overleggen. Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij een aanvraag tot afgifte van een mvv in het land van herkomst indient. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
Ten aanzien van de beoordeling van een beroep op een van de vrijstellingscategorieën van het mvv- vereiste geldt dat hierbij uitsluitend dient te worden getoetst aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie. Hierbij wordt dus nog niet ten volle aan de inhoudelijke verblijfsvoorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel getoetst, ook al zal een toets aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie veelal voor een deel overeenkomen met een inhoudelijke toets aan de verblijfsvoorwaarden. Zo wordt bijvoorbeeld voor een beroep op de vrijstelling genoemd onder artikel 3.71, tweede lid, onder a, Vb getoetst of de vreemdeling vóór zijn negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw en in die periode niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Dit valt voor een deel samen met de toetsing aan de voorwaarden van artikel 3.54, eerste lid, onder b, Vb. Eerst nadat is vastgesteld dat de vreemdeling zich met succes kan beroepen op een van de vrijstellingscategorieën, dient ten behoeve van de verblijfsvergunning ten volle aan de inhoudelijke voorwaarden voor de verlening hiervan getoetst te worden. In het bovengenoemde voorbeeld wordt de verblijfsaanvraag dan ook aan de overige verblijfsvoorwaarden van artikel 3.54 Vb getoetst.
Ten aanzien van de beoordeling van een beroep op een van de vrijstellingscategorieën van het mvv-vereiste geldt dat hierbij uitsluitend dient te worden getoetst aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie. Hierbij wordt dus nog niet ten volle aan de inhoudelijke verblijfsvoorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel getoetst, ook al zal een toets aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie veelal voor een deel overeenkomen met een inhoudelijke toets aan de verblijfsvoorwaarden. Zo wordt bijvoorbeeld voor een beroep op de vrijstelling genoemd onder artikel 3.71, tweede lid, onder a, Vb getoetst of de vreemdeling vóór zijn negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw en in die periode niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Dit valt voor een deel samen met de toetsing aan de voorwaarden van artikel 3.54, eerste lid, onder b, Vb. Eerst nadat is vastgesteld dat de vreemdeling zich met succes kan beroepen op een van de vrijstellingscategorieën, dient ten behoeve van de verblijfsvergunning ten volle aan de inhoudelijke voorwaarden voor de verlening hiervan getoetst te worden. In het bovengenoemde voorbeeld wordt de verblijfsaanvraag dan ook aan de overige verblijfsvoorwaarden van artikel 3.54 Vb getoetst.
In het vierde lid van artikel 3.71 Vb is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv, indien de toepassing van het mvv-vereiste naar het oordeel van de Minister zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (zie B1/4.1.1).
@ -767,13 +717,13 @@ Vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71 vierde lid, Vb, geld
• die in aanmerking komt voor voortgezet verblijf op grond van het overgangsrecht als bedoeld in B16/5.1;
• van wie de terugkeer in verband met een medische noodsituatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (zie B8/2.1);
• die een minderjarige is die, op grond van een in het buitenland uitgesproken adoptie, door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het bezit is gesteld van een Nederlands paspoort, terwijl door of namens de vreemdeling geen onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot afgifte van het Nederlandse paspoort (zie B3/2.6 en 2.6.1) ;
• die een minderjarige is die, op grond van een in het buitenland uitgesproken adoptie, door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het bezit is gesteld van een Nederlands paspoort, terwijl door of namens de vreemdeling geen onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot afgifte van het Nederlandse paspoort (zie B3/2.6 en 2.6.1);
• die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake eergerelateerd geweld zoals neergelegd in hoofdstuk B20;
• die een minderjarig kind is van een in het kader van eergerelateerd geweld toegelaten vreemdeling;
• die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van verblijf als slachtoffer van mensenhandel onder de beperking conform beschikking Staatssecretaris;
• die een minderjarig kind is van een in het kader van verblijf als slachtoffer mensenhandel conform beschikking Staatssecretaris toegelaten vreemdeling;
• die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van huiselijk geweld, onder de beperking conform beschikking Staatssecretaris;
• die een minderjarig kind is van een in het kader van verblijf als slachtoffer van huiselijk geweld conform beschikking Staatssecretaris toegelaten vreemdeling.
• die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van verblijf als slachtoffer van mensenhandel onder de beperking conform beschikking Minister;
• die een minderjarig kind is van een in het kader van verblijf als slachtoffer mensenhandel conform beschikking Minister toegelaten vreemdeling;
• die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van huiselijk geweld, onder de beperking conform beschikking Minister;
• die een minderjarig kind is van een in het kader van verblijf als slachtoffer van huiselijk geweld conform beschikking Minister toegelaten vreemdeling.
Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene:
@ -783,7 +733,7 @@ Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene
• het gemotiveerde beroep hoewel mogelijk niet met relevante stukken heeft onderbouwd binnen een daartoe gestelde termijn;
• asielgerelateerde gronden aanvoert (dergelijke gronden worden alleen in het kader van een asielaanvraag beoordeeld);
• als asielzoeker is uitgeprocedeerd;
• stelt dat terugkeer naar het land van herkomst redelijkerwijs niet kan worden verlangd en dat hoewel mogelijk niet binnen een daartoe gestelde termijn met stukken heeft onderbouwd;
• stelt dat terugkeer naar het land van herkomst redelijkerwijs niet kan worden verlangd en dat hoewel mogelijk niet binnen een daartoe gestelde termijn met stukken heeft onderbouwd;
• aangeeft dat noodzakelijke, medische behandeling aan terugkeer teneinde een mvv te verkrijgen naar het land van herkomst in de weg staat, maar niet heeft aangetoond dat sprake is van een medische noodsituatie;
• niet ontoerekenbaar, niet-tijdig en na afloop van een redelijke termijn meer dan twee jaar na afloop van een eerder verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om verlenging of wijziging ervan of om verlening van een verblijfsvergunning heeft gevraagd.
@ -933,14 +883,37 @@ Deze overgangsregeling geldt tot 31 juli 2013.
##### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
Hieronder worden beleidsregels gegeven omtrent de inkomsten uit arbeid als zelfstandige.
Als middelen van bestaan in de zin van de Vw wordt aangemerkt inkomen uit arbeid als zelfstandige, voorzover getrokken uit arbeid als zelfstandig beroepsbeoefenaar of ondernemer, mits het is toegestaan die arbeid te verrichten. Het inkomen van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt derhalve niet aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan, indien het die persoon niet is toegestaan die arbeid te verrichten. Met name is niet toegestaan die arbeid te verrichten indien op het verblijfsdocument van de zelfstandige is vermeld dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan of niet is voldaan aan de vereisten voor uitoefening van het betreffende beroep of voor exploitatie van de betreffende onderneming (zie B5).
Het algemene uitgangspunt bij behandeling van aanvragen om een verblijfsvergunning is dat de zelfstandige ten tijde van de aanvraag aantoont dat hij nog een jaar over voldoende middelen van bestaan kan beschikken. Hier kan de zelfstandige over het algemeen niet aan voldoen. Immers, de inkomensvorming van een zelfstandige verloopt over het algemeen niet regelmatig over een jaar en het inkomen in zijn administratie wordt over een boekjaar vastgesteld. Aan de hand van zijn inkomsten uit het verleden dient daarom te worden vastgesteld of de duurzaamheid van zijn inkomen voor de toekomst gewaarborgd kan worden geacht.
Als startende ondernemer wordt aangemerkt diegene die nog niet anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige heeft verworven. Immers, hij kan nog niet ten minste anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige hebben verworven. De omstandigheid dat de ondernemer een reeds langere tijd bestaande onderneming overneemt, maakt niet dat hij geen startend ondernemer is in de zin van artikel 3.20 VV. Uitgangspunt van artikel 3.20 VV is immers het inkomen van de zelfstandige zelf, en niet het inkomen van diegene die voorheen de onderneming dreef.
De inkomsten van een startende ondernemer worden, ongeacht de hoogte ervan, vanwege de onzekerheid van de levensvatbaarheid van de onderneming en het ontbreken van een inzicht in de inkomsten van het verleden, niet aangemerkt als duurzame inkomsten in de zin van de Vw.
Een uitzondering op deze hoofdregel wordt gemaakt voor vreemdelingen die op grond van het beleid als genoemd in B5 tot Nederland worden toegelaten voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, aangezien ten aanzien van hen is vastgesteld dat met hun verblijf hier te lande een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend en inzichtelijk wordt gemaakt, door middel van een ondernemingsplan, wat de te verwachten inkomsten uit de onderneming zullen zijn.
De inkomsten van de gevestigd ondernemer uit diens arbeid als zelfstandige over de voorgeschreven periode van anderhalf jaar, worden aangetoond met de volgende stukken:
• verklaring inkomen ondernemer (bijlage 13 VV), volledig ingevuld door een registeraccountant, een Accountant Administratieconsulent, een Federatie Belastingadviseur, een College Belastingadviseur)of een administrateur met een beconnummer van de Belastingdienst, en ondertekend door zowel de administrateur als door de ondernemer zelf;
• de bijlagen die volgens het model gelet op de situatie van de ondernemer tevens noodzakelijk zijn; én
• een uittreksel van de Kamer van Koophandel (tenzij inschrijving onmogelijk is, bijvoorbeeld ingeval van vrije beroepen).
Ter meerdere zekerheid kunnen andere bewijsstukken worden opgevraagd, waaronder bankafschriften, aangiften inkomstenbelasting, aanslagen inkomstenbelasting, jaarrekeningen en maandelijkse opgaven van de bedrijfsresultaten over de anderhalf jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend.
Met de verklaring inkomen ondernemer wordt de aanvrager in staat gesteld de inkomsten van de ondernemer over de voorgeschreven periode van anderhalf jaar aan te tonen. Ter toelichting op het model, wordt het volgende opgemerkt:
• de winst van het afgesloten boekjaar dan wel van het lopende boekjaar van een onderneming wordt berekend door de som van de bedrijfsopbrengsten te verminderen met de som van de bedrijfskosten. De opbrengsten en de kosten dienen te worden berekend volgens de algemeen aanvaarde bedrijfseconomische opvattingen. Ten aanzien hiervan wordt nog het volgende opgemerkt. Wanneer er geen afgesloten boekjaar is, dient er bij de berekening van de maandelijkse winst te worden uitgegaan van de zogenaamde 'permanence'. Dit houdt in dat zowel de bedrijfsopbrengsten als de bedrijfskosten toerekenbaar moeten zijn aan de betreffende periode. Indien de onderneming de vorm van een maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap heeft, wordt de winst vervolgens verdeeld over de maten, firmanten of vennoten.
• indien de gevestigde ondernemer van oordeel is dat het reële inkomen hoger is dan via deze manier is berekend, staat voor hem de mogelijkheid open om het reële inkomen zelf aan te tonen aan de hand van een verklaring van een registeraccountant, een Accountant Administratieconsulent, een Federatie Belastingadviseur, een College Belastingadviseur of een belastingadviseur met een beconnummer van de Belastingdienst. Omdat een dergelijke herberekening slechts in uitzonderingssituaties de doorslag zal geven, is hiermee geen rekening gehouden in het aanvraagformulier. De aanvrager zal eigenstandig een dergelijke verklaring dienen op te stellen en mee te sturen.
• ingevolge artikel 6, tweede lid, Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 wordt bij bijstandverlening aan een zelfstandige rekening gehouden met het inkomen over een boekjaar (niet het inkomen over een kalenderjaar).
• bij de behandeling van aanvragen om een verblijfsvergunning wordt hierbij aansluiting gezocht. Aangezien rekening wordt gehouden met het gemiddeld inkomen over een boekjaar, zijn de inkomsten in iedere afzonderlijke maand van dat boekjaar voor de beoordeling niet relevant;
• de informatie die met het model wordt gevraagd over het voorlaatste afgesloten boekjaar zal voor de beoordeling van de duurzaamheid van de inkomsten niet van belang zijn, indien het laatste afgesloten boekjaar en het lopende boekjaar tezamen reeds een periode van anderhalf jaar beslaan;
• in het model worden naast de gegevens over de voor de beoordeling van het middelenvereiste relevante inkomsten tevens vragen gesteld over de fiscale winst en de behandeling van de aangifte inkomstenbelasting door de Belastingdienst. De betreffende gegevens moeten de IND in staat stellen de inkomensgegevens in geval van twijfel te verifiëren bij de Belastingdienst.
Voor het inkomen van een freelancer (die dat inkomen verwerft uit arbeid op basis van een overeenkomst van opdracht) geldt hetzelfde als voor het inkomen van een zelfstandige.
#### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
@ -1033,81 +1006,44 @@ In alle gevallen waarin een verblijfsvergunning (of in geval van een mvv een pos
#### 4.5. Medisch onderzoek
Op dit moment is TBC de enige infectieziekte waaraan het vreemdelingenrecht gevolgen verbindt, zowel op het gebied van toezicht (zie artikel 54, eerste lid, onder e, Vw, artikel 4.46 Vb en A3/7.5 Vc) als ook bij de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De bereidheid om het onderzoek (en zonodig de behandeling) te ondergaan en daaraan mee te werken, is een algemene voorwaarde voor de verlening (zowel op aanvraag als ambtshalve) van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Indien TBC wordt vastgesteld, vormt dat op zichzelf nog geen grond om de aanvraag af te wijzen.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is om medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens de Infectieziektewet, ter bescherming van de volksgezondheid of een medische behandeling tegen een dergelijke ziekte te ondergaan. Op grond van artikel 16, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in artikel 3.79 Vb.
*Keuring en behandeling*
De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is een onderzoek naar of behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen te ondergaan of indien hij niet meewerkt aan dat onderzoek of die behandeling, tenzij hij de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen. Ontbreken van bedoelde bereidheid of medewerking staat ook in de weg aan ambtshalve verlening van verblijfsvergunningen.
*Vrijstellingen*
In artikel 3.18 VV zijn de landen vermeld, waarvan de onderdanen van dit vereiste zijn vrijgesteld. Het betreft onderdanen van de EU, de lidstaten van de EER, Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Suriname, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland. In deze landen komt verhoudingsgewijs weinig TBC voor.
Ingevolge artikel 3.79, tweede lid, Vb is van het vereiste eveneens vrijgesteld de vreemdeling die langdurig ingezetene is, dan wel als gezinslid van een langdurig ingezetene in een andere staat die partij is bij het EG-verdrag is toegelaten.
Omdat het vereiste alleen geldt voor de eerste verblijfsaanvaarding kunnen aanvragen om voortzetting van verblijf niet op deze grond worden afgewezen. Indien de vreemdeling houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd) of Nederlander is geweest, en een aanvraag heeft ingediend, geldt het vereiste niet, indien wordt geoordeeld dat redelijkerwijs sprake is van voortzetting van verblijf.
Dat betekent dat, indien wordt geoordeeld dat niet redelijkerwijs kan worden of behoort te worden gesproken van voortzetting van verblijf, het vereiste wel geldt, met name gelet op het tweede lid van artikel 3.82 Vb.
Met een redelijke termijn wordt blijkens de toelichting op dit artikel gedoeld op een termijn van zes maanden na het einde van het rechtmatig verblijf of als Nederlander.
*Procedure*
Idealiter heeft de vreemdeling die zich bij de IND meldt om aldaar fysiek een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in te dienen, reeds bij de GG&GD een onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen ondergaan. Veelal zal de vreemdeling dat onderzoek nog niet hebben ondergaan.
In die situatie ondertekent de vreemdeling, bij de indiening van de aanvraag om een verblijfsvergunning, een verklaring op het TBC-formulier (zie bijlage 13 VV) waarin de vreemdeling aangeeft bereid te zijn een onderzoek naar en, indien nodig, behandeling van TBC te ondergaan. De IND verwijst daarna de vreemdeling door naar de meest nabij gelegen GG&GD. Voor deze verwijzing maakt hij gebruik van het originele TBC-formulier.
De te onderzoeken vreemdeling vervoegt zich vervolgens, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na de datum van de aanvraag om een verblijfsvergunning, bij de aangewezen GG&GD voor het ondergaan van een TBC-onderzoek. Naast het document voor grensoverschrijding dat bij de IND is overgelegd, wordt het TBC-formulier aan de onderzoeksarts overgelegd, waarop de persoonsgegevens van de vreemdeling die uit het document voor grensoverschrijding kenbaar zijn, staan vermeld. De arts belast met het onderzoek vergelijkt de gegevens in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met de gegevens op het formulier. De onderzoeksarts vult na het onderzoek het formulier in en zendt het naar het juiste kantoor van de IND, dat de aanvraag in behandeling heeft.
In het kader van het medisch onderzoek zoals bedoeld in de onderhavige paragraaf is het van belang twee situaties van elkaar te scheiden; de bereidheid tot medisch onderzoek en de bereidheid tot het ondergaan van een medische behandeling.
Door ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het formulier verklaart de vreemdeling zich bereid zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen alsmede zijn medewerking te verlenen aan behandeling van eventuele TBC. Indien de vreemdeling niet tot ondertekening is overgegaan wordt hem een termijn van twee weken gegund om dat alsnog te doen.
De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is gebleken bedoelde verklaring op het TBC-formulier te ondertekenen.
*De bereidheid tot medisch onderzoek*
De bereidheid van de vreemdeling om een medisch onderzoek te ondergaan, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid aanhef en onder e Vw, blijkt uit de ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het TBC-formulier. Nadat de vreemdeling voornoemde verklaring heeft ondertekend, kan de verblijfsvergunning worden verleend, indien ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan.
Achteraf stelt de IND, op basis van opgave door de GG&GD, vast of betrokkene aan de verplichting om een TBC-onderzoek te ondergaan heeft voldaan.
Indien na verlening van de verblijfsvergunning blijkt dat de vreemdeling ondanks bedoelde ondertekening niet daadwerkelijk aan de verplichting om een TBC-onderzoek te ondergaan heeft voldaan (zie artikel 3.79 Vb) wordt de verblijfsvergunning ingetrokken op grond van het feit dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt.
*Bereidheid medische behandeling*
De bereidheid van de vreemdeling om een medische behandeling te ondergaan en daaraan medewerking te verlenen, blijkt uit de ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het TBC-formulier.
Het enkele feit dat bij de vreemdeling TBC aan de ademhalingsorganen is geconstateerd, leidt er overigens niet toe dat de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning wordt afgewezen. Indien de verklaring is ondertekend, wordt de vergunning verleend. Gelet op de duur van de TBC-behandeling is het immers niet opportuun om de bereidheid om mee te werken aan die behandeling eerst na voltooiing van de behandeling vast te stellen. Indien na verlening van de vergunning blijkt dat de vreemdeling ondanks bedoelde ondertekening niet daadwerkelijk bereid is gebleken de behandeling te ondergaan of daaraan mee te werken, wordt de vergunning ingetrokken op grond van het feit dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt.
*Achterwege laten van uitzetting*
Indien de vreemdeling bij wie TBC is geconstateerd, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, kan dat een reden vormen om de uitzetting van die vreemdeling en diens eventuele gezinsleden achterwege te laten omdat het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen (zie artikel 64 Vw). Voor de specifieke uitwerking hiervan wordt verwezen naar A4/7.7. Voor het recht op opvang en RvA verstrekkingen wordt verwezen naar C23/2.3.3.
20092912-02-200920-01-20092009/320092912-02-200920-01-20092009/314-02-2009
Ingevolge artikel 16, eerste lid aanhef en onder e, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is om medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens de Infectieziektewet, ter bescherming van de volksgezondheid of een medische behandeling tegen een dergelijke ziekte te ondergaan. Op grond van artikel 16, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in artikel 3.79 Vb.
De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is een onderzoek naar of behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen te ondergaan of indien hij niet meewerkt aan dat onderzoek of die behandeling, tenzij hij de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen. Ontbreken van bedoelde bereidheid of medewerking staat ook in de weg aan ambtshalve verlening van verblijfsvergunningen.
In artikel 3.18 VV zijn de landen vermeld, waarvan de onderdanen van dit vereiste zijn vrijgesteld. Het betreft onderdanen van de EU, de lidstaten van de EER, Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Suriname, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland. In deze landen komt verhoudingsgewijs weinig TBC voor.
Ingevolge artikel 3.79, tweede lid, Vb is van het vereiste eveneens vrijgesteld de vreemdeling die langdurig ingezetene is, dan wel als gezinslid van een langdurig ingezetene in een andere staat die partij is bij het EG-verdrag is toegelaten.
Omdat het vereiste alleen geldt voor de eerste verblijfsaanvaarding kunnen aanvragen om voortzetting van verblijf niet op deze grond worden afgewezen. Indien de vreemdeling houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd) of Nederlander is geweest, en een aanvraag heeft ingediend, geldt het vereiste niet, indien wordt geoordeeld dat redelijkerwijs sprake is van voortzetting van verblijf.
Dat betekent dat, indien wordt geoordeeld dat niet redelijkerwijs kan worden of behoort te worden gesproken van voortzetting van verblijf, het vereiste wel geldt, met name gelet op het tweede lid van artikel 3.82 Vb.
Met een redelijke termijn wordt gedoeld op een termijn van twee jaar na het einde van het rechtmatig verblijf of als Nederlander.
Idealiter heeft de vreemdeling die zich bij de IND meldt om aldaar fysiek een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in te dienen, reeds bij de GG&GD een onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen ondergaan. Veelal zal de vreemdeling dat onderzoek nog niet hebben ondergaan.
In die situatie ondertekent de vreemdeling, bij de indiening van de aanvraag om een verblijfsvergunning, een verklaring op het TBC-formulier (zie bijlage 13 VV) waarin de vreemdeling aangeeft bereid te zijn een onderzoek naar en, indien nodig, behandeling van TBC te ondergaan. De IND verwijst daarna de vreemdeling door naar de meest nabij gelegen GG&GD. Voor deze verwijzing maakt hij gebruik van het originele TBC-formulier.
De te onderzoeken vreemdeling vervoegt zich vervolgens, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na de datum van de aanvraag om een verblijfsvergunning, bij de aangewezen GG&GD voor het ondergaan van een TBC-onderzoek. Naast het document voor grensoverschrijding dat bij de IND is overgelegd, wordt het TBC-formulier aan de onderzoeksarts overgelegd, waarop de persoonsgegevens van de vreemdeling die uit het document voor grensoverschrijding kenbaar zijn, staan vermeld. De arts belast met het onderzoek vergelijkt de gegevens in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met de gegevens op het formulier. De onderzoeksarts vult na het onderzoek het formulier in en zendt het naar het juiste kantoor van de IND, dat de aanvraag in behandeling heeft.
In het kader van het medisch onderzoek zoals bedoeld in de onderhavige paragraaf is het van belang twee situaties van elkaar te scheiden; de bereidheid tot medisch onderzoek en de bereidheid tot het ondergaan van een medische behandeling.
Door ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het formulier verklaart de vreemdeling zich bereid zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen alsmede zijn medewerking te verlenen aan behandeling van eventuele TBC. Indien de vreemdeling niet tot ondertekening is overgegaan wordt hem een termijn van twee weken gegund om dat alsnog te doen.
De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is gebleken bedoelde verklaring op het TBC-formulier te ondertekenen.
De bereidheid van de vreemdeling om een medisch onderzoek te ondergaan, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, Vw, blijkt uit de ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het TBC-formulier. Nadat de vreemdeling voornoemde verklaring heeft ondertekend, kan de verblijfsvergunning worden verleend, indien ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan.
Achteraf stelt de IND, op basis van opgave door de GG&GD, vast of betrokkene aan de verplichting om een TBC-onderzoek te ondergaan heeft voldaan.
Indien na verlening van de verblijfsvergunning blijkt dat de vreemdeling ondanks bedoelde ondertekening niet daadwerkelijk aan de verplichting om een TBC-onderzoek te ondergaan heeft voldaan (zie artikel 3.79 Vb) wordt de verblijfsvergunning ingetrokken op grond van het feit dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt.
De bereidheid van de vreemdeling om een medische behandeling te ondergaan en daaraan medewerking te verlenen, blijkt uit de ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het TBC-formulier.
Het enkele feit dat bij de vreemdeling TBC aan de ademhalingsorganen is geconstateerd, leidt er overigens niet toe dat de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning wordt afgewezen. Indien de verklaring is ondertekend, wordt de vergunning verleend. Gelet op de duur van de TBC-behandeling is het immers niet opportuun om de bereidheid om mee te werken aan die behandeling eerst na voltooiing van de behandeling vast te stellen. Indien na verlening van de vergunning blijkt dat de vreemdeling ondanks bedoelde ondertekening niet daadwerkelijk bereid is gebleken de behandeling te ondergaan of daaraan mee te werken, wordt de vergunning ingetrokken op grond van het feit dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt.
Indien de vreemdeling bij wie TBC is geconstateerd, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, kan dat een reden vormen om de uitzetting van die vreemdeling en diens eventuele gezinsleden achterwege te laten omdat het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen (zie artikel 64 Vw). Voor de specifieke uitwerking hiervan wordt verwezen naar A4/7.7. Voor het recht op opvang en RvA verstrekkingen wordt verwezen naar C23/2.3.3.
#### 4.6. Niet voldoen aan de beperking
@ -1118,83 +1054,55 @@ Ingevolge het tweede lid van zowel artikel 16 als 18 Vw kunnen bij of krachtens
#### 4.7. Inburgeringsvereiste
Per 15 maart 2006 is de Wet inburgering in het buitenland van kracht geworden en per 1 januari 2007 de Wet inburgering. De koppeling tussen het behalen van het inburgeringsexamen en het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met voortgezet verblijf en een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd is per 1 januari 2010 van kracht.
Het inburgeringsvereiste in het kader van de mvv-procedure bestaat uit het met goed gevolg afleggen van het basisexamen inburgering binnen één jaar voorafgaand aan de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (artikel 3.71a, eerste lid, Vb) op een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging (zie B1/4.7.1).
Het inburgeringsvereiste in het kader van de aanvraag om een bovengenoemde verblijfsvergunning bestaat uit het behalen van het inburgeringsexamen (artikel 3.80a Vb voor de verblijfsvergunning bepaalde tijd en artikel 3.96a Vb voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd). Ten bewijze dat het inburgeringsexamen is behaald, wordt een diploma uitgereikt (artikel 14 Wet inburgering).
Het inburgeringsexamen bestaat uit twee onderdelen: een praktijkdeel en een centraal deel.
*Praktijkdeel*
Het praktijkdeel van het inburgeringsexamen bestaat uit een onderzoek naar de vijf functionele taalvaardigheden (spreken, luisteren, lezen, schrijven en gespreksvaardigheid) gerelateerd aan veel voorkomende praktijksituaties die van cruciaal belang zijn om adequaat te kunnen participeren in de Nederlandse samenleving. Het praktijkdeel bestaat uit een portfolio of assessment of een combinatie van beide (artikel 3.7 Besluit inburgering).
*Centraal deel*
Het centraal deel van het examen bestaat uit drie examens: kennis van de Nederlandse samenleving (KNS), het electronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN). KNS en EPE worden afgenomen via de computer. TGN wordt afgenomen via de telefoon. De examens van het centraal deel van het inburgeringsexamen worden enkel afgenomen door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, onder verantwoordelijkheid van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie (vóór 1 januari 2010: de IB-Groep) (artikel 3.9 Besluit inburgering).
20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010
Het inburgeringsvereiste in het kader van de mvv-procedure bestaat uit het met goed gevolg afleggen van het basisexamen inburgering binnen één jaar voorafgaand aan de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (artikel 3.71a, eerste lid, Vb) op een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging (zie B1/4.7.1).
Het inburgeringsvereiste in het kader van de aanvraag om een bovengenoemde verblijfsvergunning bestaat uit het behalen van het inburgeringsexamen (artikel 3.80a Vb voor de verblijfsvergunning bepaalde tijd en artikel 3.96a Vb voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd). Ten bewijze dat het inburgeringsexamen is behaald, wordt een diploma uitgereikt (artikel 14 Wet inburgering).
Het inburgeringsexamen bestaat uit twee onderdelen: een praktijkdeel en een centraal deel.
Het praktijkdeel van het inburgeringsexamen bestaat uit een onderzoek naar de vijf functionele taalvaardigheden (spreken, luisteren, lezen, schrijven en gespreksvaardigheid) gerelateerd aan veel voorkomende praktijksituaties die van cruciaal belang zijn om adequaat te kunnen participeren in de Nederlandse samenleving. Het praktijkdeel bestaat uit een portfolio of assessment of een combinatie van beide (artikel 3.7 Besluit inburgering).
Het centraal deel van het examen bestaat uit drie examens: kennis van de Nederlandse samenleving (KNS), het electronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN). KNS en EPE worden afgenomen via de computer. TGN wordt afgenomen via de telefoon. De examens van het centraal deel van het inburgeringsexamen worden enkel afgenomen door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, onder verantwoordelijkheid van de Minister van BZK (vóór 1 januari 2010: de IB-Groep) (artikel 3.9 Besluit inburgering).
##### 4.7.1. Inburgering buitenland middels het basisexamen inburgering (mvv-procedure)
Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder h, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling, die niet behoort tot een der categorieën, bedoeld in artikel 17, eerste lid, Vw, na verkrijging van rechtmatig verblijf in Nederland, inburgeringsplichtig zou zijn op grond van de artikelen 3 en 5 Wet inburgering en niet beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlandse maatschappij.
Ingevolge artikel 16, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Deze regels zijn neergelegd in artikelen 3.71a, 3.98a, 3.98b, 3.98c en 3.98d Vb en de artikelen 3.10, 3.11, 3.12 en 3.13 VV.
Ingevolge artikel 16, derde lid, Vw is het eerste lid, onder h, niet van toepassing op de vreemdeling die de Surinaamse nationaliteit bezit en die, met bij ministeriële regeling vastgestelde bescheiden, heeft aangetoond in Suriname of Nederland lager onderwijs in de Nederlandse taal te hebben gevolgd.
Ingevolge artikel 3.98c, derde lid, Vb worden de resultaten van het basisexamen inburgering door middel van het geautomatiseerde systeem beoordeeld. Aangezien de resultaten van de onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de kwaliteit van de toetsen, ruimte laten voor onduidelijkheid omtrent de mate waarin de beoordeling aan de hand van het geautomatiseerde systeem vergelijkbaar is met die door menselijke examinatoren, worden de resultaten van het basisexamen in de eerste fase na invoering daarvan een tweede maal door menselijke examinatoren beoordeeld. In verband hiermee is in artikel II besluit van 17 februari 2006 tot wijziging van het Vb in verband met inburgering in het buitenland, Stb. 2006, 94,opgenomen dat in afwijking van artikel 3.98c, derde lid, Vb de resultaten van het basisexamen inburgering, die door middel van het geautomatiseerde systeem zijn beoordeeld, nogmaals beoordeeld worden door examinatoren, indien het basisexamen is afgelegd vóór een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Inburgeringsplichtig is de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, a tot en met e, dan wel l, Vw, die anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft of geestelijk bedienaar is. Verblijfsdoelen die als tijdelijk worden aangemerkt in de zin van de Wet inburgering staan opgenomen artikel 2.1 van het Besluit inburgering en in de bijlage bij artikel 2.1 Regeling inburgering (zie B1/4.7.1.1).
De hoofdregel geldt voor vreemdelingen die voor hun komst naar Nederland in het bezit moeten zijn van een mvv in het kader van bijvoorbeeld gezinshereniging of gezinsvorming, en die na hun komst naar Nederland inburgeringsplichtig zijn op grond van de artikelen 3 en 5 Wet inburgering. Hetzelfde geldt voor verblijf als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, ondanks dat zij doorgaans geen duurzaam verblijf in Nederland beogen (zie B1/4.7.1.1).
*Vreemdelingen van 18 jaar en ouder*
Vreemdelingen in de leeftijd van 18 tot 65 jaar zijn ingevolge de Wet inburgering inburgeringsplichtig en dienen derhalve het basisexamen inburgering buitenland met goed gevolg af te leggen tenzij zij zijn vrijgesteld ingevolge de artikelen 3 en 5 Wet inburgering (zie B1/4.7.1.1).
De basiskennis, die de vreemdeling reeds voor komst naar Nederland in het buitenland moet hebben verworven, wordt in het buitenland beoordeeld aan de hand van het basisexamen inburgering, tenzij de vreemdeling niet inburgeringsplichtig is of daarvan is vrijgesteld. De resultaten van het basisexamen worden betrokken bij de aanvraag om een mvv.
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen indien de vreemdeling het basisexamen inburgering niet met goed gevolg heeft afgelegd, tenzij:
de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit bezit en met krachtens artikel 16, derde lid, Vw vastgestelde bescheiden heeft aangetoond lager onderwijs in Suriname of Nederland te hebben gevolgd;
artikel 3.71a, tweede lid, Vb van toepassing is; of
de vreemdeling de leeftijd van 65 jaren heeft bereikt.
In artikel 4:2, tweede lid, Awb is bepaald dat de aanvrager bij indiening van de aanvraag de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Het is daarbij aan de vreemdeling, als potentiële nieuwkomer, om aan te tonen dat hij over de vereiste basiskennis van de Nederlandse taal en Nederlandse samenleving beschikt. De enige wijze die hem daartoe ter beschikking staat is het met goed gevolg afleggen van een basisexamen inburgering. Daaronder vallen ook gegevens en bescheiden met betrekking tot de eventuele vrijstelling van het basisexamen inburgering.
Indien de vreemdeling bij de aanvraag niet de noodzakelijke gegevens voor eventuele vrijstelling van het basisexamen inburgering overlegt, wordt hij met toepassing van artikel 4:5 Awb in de gelegenheid gesteld gedurende een redelijke termijn de aanvraag aan te vullen voordat daarop wordt beslist. In deze periode wordt de beslistermijn met toepassing van artikel 4:15 Awb opgeschort. Als de vreemdeling binnen die redelijke termijn geen gegevens en bescheiden met betrekking tot de eventuele vrijstelling van het basisexamen inburgering heeft overgelegd, wordt op de aanvraag beslist.
In deze paragraaf zijn algemene regels opgenomen over het basisexamen inburgering buitenland. Het basisexamen inburgering buitenland is van toepassing op aanvragen tot verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging en gezinsvorming met een hoofdpersoon die een verblijfsrecht heeft dat niet-tijdelijk van aard is of die Nederlander is, tenzij nadrukkelijk anders is vermeld. Ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen zijn elders in het Vb, het VV en de in de betreffende materiehoofdstukken (zie B2 en verder) andersluidende bepalingen opgenomen.
20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010
Ingevolge artikel 16, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Deze regels zijn neergelegd in artikelen 3.71a, 3.98a, 3.98b, 3.98c en 3.98d Vb en de artikelen 3.10, 3.11, 3.12 en 3.13 VV.
Ingevolge artikel 16, derde lid, Vw is het eerste lid, onder h, niet van toepassing op de vreemdeling die de Surinaamse nationaliteit bezit en die, met bij ministeriële regeling vastgestelde bescheiden, heeft aangetoond in Suriname of Nederland lager onderwijs in de Nederlandse taal te hebben gevolgd.
Ingevolge artikel 3.98c, derde lid, Vb worden de resultaten van het basisexamen inburgering door middel van het geautomatiseerde systeem beoordeeld. Aangezien de resultaten van de onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de kwaliteit van de toetsen, ruimte laten voor onduidelijkheid omtrent de mate waarin de beoordeling aan de hand van het geautomatiseerde systeem vergelijkbaar is met die door menselijke examinatoren, worden de resultaten van het basisexamen in de eerste fase na invoering daarvan een tweede maal door menselijke examinatoren beoordeeld. In verband hiermee is in artikel II besluit van 17 februari 2006 tot wijziging van het Vb in verband met inburgering in het buitenland, Stb. 2006, 94,opgenomen dat in afwijking van artikel 3.98c, derde lid, Vb de resultaten van het basisexamen inburgering, die door middel van het geautomatiseerde systeem zijn beoordeeld, nogmaals beoordeeld worden door examinatoren, indien het basisexamen is afgelegd vóór een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Inburgeringsplichtig is de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, a tot en met e, dan wel l, Vw, die anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft of geestelijk bedienaar is. Verblijfsdoelen die als tijdelijk worden aangemerkt in de zin van de Wet inburgering staan opgenomen artikel 2.1 van het Besluit inburgering en in de bijlage bij artikel 2.1 Regeling inburgering (zie B1/4.7.1.1).
De hoofdregel geldt voor vreemdelingen die voor hun komst naar Nederland in het bezit moeten zijn van een mvv in het kader van bijvoorbeeld gezinshereniging of gezinsvorming, en die na hun komst naar Nederland inburgeringsplichtig zijn op grond van de artikelen 3 en 5 Wet inburgering. Hetzelfde geldt voor verblijf als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, ondanks dat zij doorgaans geen duurzaam verblijf in Nederland beogen (zie B1/4.7.1.1).
Vreemdelingen in de leeftijd van 18 tot 65 jaar zijn ingevolge de Wet inburgering inburgeringsplichtig en dienen derhalve het basisexamen inburgering buitenland met goed gevolg af te leggen tenzij zij zijn vrijgesteld ingevolge de artikelen 3 en 5 Wet inburgering (zie B1/4.7.1.1).
De basiskennis, die de vreemdeling reeds voor komst naar Nederland in het buitenland moet hebben verworven, wordt in het buitenland beoordeeld aan de hand van het basisexamen inburgering, tenzij de vreemdeling niet inburgeringsplichtig is of daarvan is vrijgesteld. De resultaten van het basisexamen worden betrokken bij de aanvraag om een mvv.
Het basisexamen inburgering bestaat uit de Toets Gesproken Nederlands en een onderzoek naar de kennis van de Nederlandse samenleving (art. 3.98a Vb). Vanaf 1 april 2011 is het niveau van de Toets Gesproken Nederlands verhoogd van niveau A1min naar niveau A1 van het Europese Raamwerk voor Vreemde Talen en omvat het basisexamen inburgering ook de toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen (GBL).
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen indien de vreemdeling het basisexamen inburgering niet met goed gevolg heeft afgelegd, tenzij:
• de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit bezit en met krachtens artikel 16, derde lid, Vw vastgestelde bescheiden heeft aangetoond lager onderwijs in Suriname of Nederland te hebben gevolgd;
• artikel 3.71a, tweede lid, Vb van toepassing is;
• de vreemdeling de leeftijd van 65 jaren heeft bereikt.
In artikel 4:2, tweede lid, Awb is bepaald dat de aanvrager bij indiening van de aanvraag de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Het is daarbij aan de vreemdeling, als potentiële nieuwkomer, om aan te tonen dat hij over de vereiste basiskennis van de Nederlandse taal en Nederlandse samenleving beschikt. De enige wijze die hem daartoe ter beschikking staat is het met goed gevolg afleggen van een basisexamen inburgering. Daaronder vallen ook gegevens en bescheiden met betrekking tot de eventuele vrijstelling van het basisexamen inburgering.
Indien de vreemdeling bij de aanvraag niet de noodzakelijke gegevens voor eventuele vrijstelling van het basisexamen inburgering overlegt, wordt hij met toepassing van artikel 4:5 Awb in de gelegenheid gesteld gedurende een redelijke termijn de aanvraag aan te vullen voordat daarop wordt beslist. In deze periode wordt de beslistermijn met toepassing van artikel 4:15 Awb opgeschort. Als de vreemdeling binnen die redelijke termijn geen gegevens en bescheiden met betrekking tot de eventuele vrijstelling van het basisexamen inburgering heeft overgelegd, wordt op de aanvraag beslist.
In deze paragraaf zijn algemene regels opgenomen over het basisexamen inburgering buitenland. Het basisexamen inburgering buitenland is van toepassing op aanvragen tot verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging en gezinsvorming met een hoofdpersoon die een verblijfsrecht heeft dat niet-tijdelijk van aard is of die Nederlander is, tenzij nadrukkelijk anders is vermeld. Ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen zijn elders in het Vb, het VV en de Vc in de betreffende materiehoofdstukken (zie B2 en verder) andersluidende bepalingen opgenomen.
###### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
Uit de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de Regeling inburgering blijkt of de vreemdeling wel of niet inburgeringsplichtig is. Als de vreemdeling in Nederland niet inburgeringsplichtig is, dan is de vreemdeling ook niet inburgeringsplichtig in het buitenland en hoeft het basisexamen inburgering niet afgelegd te worden.
Het inburgeringsvereiste is niet van toepassing op vreemdelingen die na verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in Nederland niet inburgeringsplichtig op grond van de artikelen 3 en 5 Wet inburgering zijn, bijvoorbeeld omdat zij voor een tijdelijk doel naar Nederland komen.
Als tijdelijke verblijfsdoel in de zin van de Wet inburgering gelden de volgende verblijfsdoelen:
• gezinshereniging of gezinsvorming indien het verblijfsrecht van de hoofdpersoon van tijdelijke aard is;
@ -1223,53 +1131,81 @@ Als tijdelijke verblijfsdoel in de zin van de Wet inburgering gelden de volgende
• verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG;
• verblijfsrecht op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb indien bij de verlening is bepaald dat het verblijfsrecht tijdelijk van aard is.
Het inburgeringsvereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven zijnde de periode van het vijfde tot en met het zestiende jaar. Het verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd blijkt op grond van artikel 2.6 Besluit inburgering uit inschrijving als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit inschrijving in de daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding. Voor toepassing van deze vrijstellingsrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat. Voorts is niet vereist dat het om acht jaar legaal verblijf in Nederland gaat.
Op grond van artikel 2.3 en artikel 2.5 Besluit inburgering is niet inburgeringsplichtig de vreemdeling die beschikt over een diploma, certificaat of ander document zoals hieronder genoemd:
• een diploma of getuigschrift van een Nederlandstalige opleiding binnen het wetenschappelijk onderwijs, het hoger beroepsonderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs of leerlingwezen. Het diploma moet een wettelijke basis hebben. Als dat zo is, staat dat vermeld op het diploma;
• een diploma staatsexamen Nederlands als tweede taal, programma I of II;
• een in België, Suriname, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba behaald schooldiploma of getuigschrift. Dit moet zijn behaald na onderwijs in een Nederlandstalige opleiding met een voldoende op de cijferlijst voor het vak Nederlands. Het niveau van de opleiding moet hoger zijn dan lager- of basisonderwijs en het uitgereikte diploma moet een wettelijke basis hebben;
• een diploma van het Europese baccalaureaat van de Europese school, het getuigschrift International Baccalaureate Middele Years Certificate, International General Certificate of Secundary Education of Internationaal Baccalaureaat, voor zover dat het baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald of indien daartoe een cursus Engels-Nederlandstalig onderwijs of een cursus Internationaal Baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is gevolgd en een voldoende is behaald;
• het Certificaat Naturalisatietoets;
• het inburgeringsdiploma van de Wet inburgering;
• een certificaat Inburgering in het kader van de WIN, wanneer uiterlijk 31 december 2006 het WIN-traject is afgerond, en bijbehorende verklaring van het ROC waaruit blijkt dat een profieltoets met de uitkomst voor de onderdelen 'luisteren' en 'spreken' niveau NT2-2 is behaald, voor de onderdelen 'lezen' en 'schrijven' niveau NT2-1 en voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie niveau 2 of 80% als die toets is afgelegd na 31 augustus 2001 respectievelijk 85% als de toets voor 1 september 2001 is afgelegd (de vreemdeling is oudkomer);
• een certificaat Inburgering in het kader van de WIN, wanneer het WIN-traject doorliep in 2007 of 2008, en bijbehorende verklaring van het ROC waaruit blijkt dat voor de onderdelen 'luisteren', 'spreken', lezen' en schrijven' tenminste niveau NT2-2 is behaald en voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie niveau 2 of 80% als die toets is afgelegd na 31 augustus 2001 respectievelijk 85% als de toets voor 1 september 2001 is afgelegd (de vreemdeling is nieuwkomer);
• een certificaat Oudkomers van de Regeling certificaat inburgering oudkomers, waaruit blijkt dat voor de onderdelen luisteren en spreken niveau NT2 2 is behaald en niveau NT2 1 voor de onderdelen lezen schrijven;
• het document korte vrijstellingstoets van de Wet inburgering (artikel 2.7, tweede lid, Besluit inburgering);
• een beschikking van het college van B&W waarin staat dat de vaststelling van een inburgeringsprogramma op grond van de Wet inburgering nieuwkomers achterwege is gelaten omdat tijdens het inburgeringsonderzoek aannemelijk is geworden dat de nieuwkomer de kennis, het inzicht en de vaardigheden die hij door het deelnemen aan een inburgeringsprogramma zou kunnen verwerven, reeds in voldoende mate op andere wijze zou verwerven;
• een beschikking van het college van B&W waarin staat dat de vaststelling van een inburgeringsprogramma op grond van de Wet inburgering nieuwkomers achterwege is gelaten omdat een toets als bedoeld in artikel 5, vierde lid, Wet inburgering nieuwkomers met goed gevolg is afgelegd; of
• een bewijs waaruit blijkt dat de vreemdeling ingevolge artikel 4 Besluit Naturalisatietoets zoals dit gold op 1 april 2003 is of was ontheven van de verplichting om alle in dat artikel bedoelde toetsonderdelen af te leggen.
Andere bescheiden dan hier vermeld, leiden niet tot vrijstelling op deze grond. De thans geldende legalisatiecirculaire is van overeenkomstige toepassing.
Om voor vorengenoemde vrijstellingsgrond in aanmerking te komen overlegt de vreemdeling bij de aanvraag van de mvv of het verzoek om advies het gevraagde diploma. In het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is gehaald, overlegt de vreemdeling een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal.
Bij twijfel of het diploma, getuigschrift of ander document vrijstelling oplevert in het kader van de Wet inburgering kan contact worden opgenomen met de Dienst Uitvoering Onderwijs.
De vreemdeling met de Surinaamse nationaliteit is op grond van artikel 16, derde lid, Vw vrijgesteld van het basisexamen inburgering, indien hij heeft aangetoond in Suriname of Nederland lager onderwijs in de Nederlandse taal te hebben gevolgd.
Conform artikel 3.13 VV dienen daartoe de volgende bescheiden te worden overgelegd:
a. een schooldiploma of getuigschrift behaald in Suriname voor 25 november 1975 waaruit blijkt dat tenminste de lagere school in de Nederlandse taal is afgerond en een verklaring van het Centraal Bureau Burgerzaken voorzien van een apostille waaruit blijkt dat de vreemdeling ten tijde van afronding van deze school woonachtig is geweest in Suriname;
b. een door het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling afgegeven schooldiploma of getuigschrift, behaald in Suriname na 25 november 1975, waaruit blijkt dat tenminste de lagere school in de Nederlandse taal is afgerond, dan wel een verklaring van het Examenbureau van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling waaruit dit blijkt. Het diploma, het getuigschrift of de verklaring dient te zijn voorzien van een apostille;
c. een in Nederland gehaald diploma hoger dan dat van het lager onderwijs;
d. een historisch overzicht uit het Vestigingsregister te Den Haag waaruit blijkt dat de vreemdeling ten tijde van de afronding van de lagere school, op de leeftijd van elf, twaalf of dertien jaar, woonachtig is geweest in Nederland; of
e. een uittreksel uit de GBA waaruit blijkt dat de vreemdeling ten tijde van de afronding van de lagere school, op de leeftijd van elf, twaalf of dertien jaar, woonachtig is geweest in Nederland.
Andere bescheiden dan daar vermeld, leiden niet tot vrijstelling op deze grond.
Het inburgeringsvereiste is evenmin van toepassing op vreemdelingen die, om voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in aanmerking te kunnen komen, niet hoeven te beschikken over een geldige mvv. In artikel 16, eerste lid, onder h, Vw is reeds voorzien in een uitzondering voor de in artikel 17, eerste lid, Vw genoemde categorieën vreemdelingen, waartoe ook behoren de in artikel 3.71, tweede lid, Vb genoemde categorieën vreemdelingen, aan wie het ontbreken van een geldige mvv niet wordt tegengeworpen.
Het inburgeringsvereiste wordt niet tegengeworpen aan het gezinslid van de hoofdpersoon die houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.
###### 4.7.1.2. Ontheffing
Ingevolge artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen indien de vreemdeling ten genoegen van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie heeft aangetoond door een geestelijke of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te zijn het basisexamen inburgering af te leggen.
Indien de vreemdeling een ernstige lichamelijke en/of geestelijke belemmering heeft, is hij ontheven van het basisexamen inburgering buitenland. Het gaat hier met name om blindheid, doofheid alsmede om doofstomheid. Indien er sprake is van slechtziendheid en hardhorendheid en betrokkene niet door eigen hulpmiddelen (bijvoorbeeld een bril of hoorapparaat) alsnog voldoende gezichts- of hoorvermogen krijgt om de toets af te leggen, is betrokkene ook vrijgesteld.
Tevens kan onder meer gedacht worden aan een ernstig spraakgebrek dat de menselijke communicatie verhindert en het afleggen van het basisexamen met behulp van de spraakherkenningscomputer blijvend onmogelijk maakt. In dergelijke gevallen is het blijvend onmogelijk om te gaan voldoen aan het inburgeringsvereiste en daarmee voor toelating tot Nederland.
Betrokkene dient zelf aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor de ontheffing. In geval van een lichamelijke of geestelijke belemmering volgt de hierna beschreven procedure.
*Registratieformulier, toestemmingsverklaring en vragenformulier*
De verzoeker verklaart op de Nederlandse diplomatieke en/of consulaire vertegenwoordiging dat hij blijvend niet in staat is het basisexamen inburgering buitenland te doen vanwege een lichamelijke of geestelijke belemmering. Hiertoe is model (bijlage 19 VV, ontheffing inburgering, artikel 3.10 VV) beschikbaar. Het door de arts, deskundige of specialist ingevulde standaardformulier (zie bijlage 19 VV) wordt gevoegd bij de aanvraag tot afgifte van de mvv.
Van het model vragenformulier maakt deel uit een door vreemdeling zelf te ondertekenen verklaring dat hij toestemming geeft aan de arts of deskundige die hem onderzoekt om zijn bevindingen mee te delen aan de Minister via het hoofd van de Nederlandse vertegenwoordiging.
Bij het model vragenformulier hoort het informatieblad voor de arts of deskundige (artikel 3.10 VV). Het informatieblad is onderdeel van het model vragenformulier en dient tevens door de arts of deskundige voor gezien te worden ondertekend. De verklaring wordt opgemaakt door het vragenformulier in te vullen. De arts of deskundige tekent zijn bevindingen aan op de verklaring en zendt de verklaring rechtstreeks naar de Minister via het hoofd van de post en stuurt een afschrift ervan aan de vreemdeling, dan wel geeft het afschrift aan de vreemdeling mee.
Verklaringen, opgemaakt anders dan conform dit model, worden niet geaccepteerd. Om de garantie te hebben dat het model inderdaad is ingevuld door een arts of deskundige, hecht deze een korte verklaring dienaangaande op zijn eigen brief- of receptpapier aan de ingevulde verklaring. De arts/deskundige voorziet het eigen brief- of receptpapier van zijn stempel en zijn paraaf. Voorts worden slechts geaccepteerd de verklaringen afkomstig van een door de Nederlandse diplomatieke en/of consulaire vertegenwoordiging aangewezen arts of deskundige (artikel 3.10 VV).
De Minister beoordeelt aan de hand van de bevindingen van de arts of deskundige of er wel of niet sprake is van lichamelijke of geestelijke belemmeringen, waardoor de vreemdeling blijvend niet in staat is het basisexamen inburgering af te leggen.
*Onderzoek*
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan op aanwijzing van de IND tijdens de aanvraagprocedure de gegrondheid van het beroep op ontheffing van het basisexamen nader worden onderzocht.
20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010
Ingevolge artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen indien de vreemdeling ten genoegen van de Minister van BZK heeft aangetoond door een geestelijke of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te zijn het basisexamen inburgering af te leggen.
Indien de vreemdeling een ernstige lichamelijke en/of geestelijke belemmering heeft, is hij ontheven van het basisexamen inburgering buitenland. Het gaat hier met name om blindheid, doofheid alsmede om doofstomheid. Indien er sprake is van slechtziendheid en hardhorendheid en betrokkene niet door eigen hulpmiddelen (bijvoorbeeld een bril of hoorapparaat) alsnog voldoende gezichts- of hoorvermogen krijgt om de toets af te leggen, is betrokkene ook vrijgesteld.
Tevens kan onder meer gedacht worden aan een ernstig spraakgebrek dat de menselijke communicatie verhindert en het afleggen van het basisexamen met behulp van de spraakherkenningscomputer blijvend onmogelijk maakt. In dergelijke gevallen is het blijvend onmogelijk om te gaan voldoen aan het inburgeringsvereiste en daarmee voor toelating tot Nederland.
Betrokkene dient zelf aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor de ontheffing. In geval van een lichamelijke of geestelijke belemmering volgt de hierna beschreven procedure.
De verzoeker verklaart op de Nederlandse diplomatieke en/of consulaire vertegenwoordiging dat hij blijvend niet in staat is het basisexamen inburgering buitenland te doen vanwege een lichamelijke of geestelijke belemmering. Hiertoe is model (bijlage 19 VV, ontheffing inburgering, artikel 3.10 VV) beschikbaar. Het door de arts, deskundige of specialist ingevulde standaardformulier (zie bijlage 19 VV) wordt gevoegd bij de aanvraag tot afgifte van de mvv.
Van het model vragenformulier maakt deel uit een door vreemdeling zelf te ondertekenen verklaring dat hij toestemming geeft aan de arts of deskundige die hem onderzoekt om zijn bevindingen mee te delen aan de Minister via het hoofd van de Nederlandse vertegenwoordiging.
Bij het model vragenformulier hoort het informatieblad voor de arts of deskundige (artikel 3.10 VV). Het informatieblad is onderdeel van het model vragenformulier en dient tevens door de arts of deskundige voor gezien te worden ondertekend. De verklaring wordt opgemaakt door het vragenformulier in te vullen. De arts of deskundige tekent zijn bevindingen aan op de verklaring en zendt de verklaring rechtstreeks naar de Minister via het hoofd van de post en stuurt een afschrift ervan aan de vreemdeling, dan wel geeft het afschrift aan de vreemdeling mee.
Verklaringen, opgemaakt anders dan conform dit model, worden niet geaccepteerd. Om de garantie te hebben dat het model inderdaad is ingevuld door een arts of deskundige, hecht deze een korte verklaring dienaangaande op zijn eigen brief- of receptpapier aan de ingevulde verklaring. De arts/deskundige voorziet het eigen brief- of receptpapier van zijn stempel en zijn paraaf. Voorts worden slechts geaccepteerd de verklaringen afkomstig van een door de Nederlandse diplomatieke en/of consulaire vertegenwoordiging aangewezen arts of deskundige (artikel 3.10 VV).
De Minister beoordeelt aan de hand van de bevindingen van de arts of deskundige of er wel of niet sprake is van lichamelijke of geestelijke belemmeringen, waardoor de vreemdeling blijvend niet in staat is het basisexamen inburgering af te leggen.
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan op aanwijzing van de IND tijdens de aanvraagprocedure de gegrondheid van het beroep op ontheffing van het basisexamen nader worden onderzocht.
Ingevolge artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder d, Vb, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen indien de vreemdeling het basisexamen inburgering niet met goed gevolg heeft afgelegd en afwijzing van die aanvraag naar het oordeel van de Minister van BZK zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (dit is de zogenaamde hardheidsclausule). Hiervan is sprake als een combinatie van zeer bijzondere individuele omstandigheden ertoe leidt dat de vreemdeling blijvend niet in staat is om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen.
Hierbij dient de vreemdeling bovendien te kunnen aantonen die inspanningen te hebben geleverd die in redelijkheid kunnen worden gevergd om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen. Dit kan onder meer blijken uit het één of meermalen afleggen van het basisexamen inburgering, waarbij bijvoorbeeld wel een positief resultaat is behaald voor de Toets Gesproken Nederlands en de toets Kennis van de Nederlandse Samenleving, maar geen positief resultaat is behaald voor de toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen. Deze resultaten blijken uit de op naam van de vreemdeling gestelde resultatenbrief van het Ministerie van Buza. Deze resultatenbrief ontvangt de vreemdeling van de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland na het afleggen van het basisexamen inburgering en voegt de vreemdeling bij de mvv-aanvraag.
Het enkele feit dat men een of meerdere malen het examen heeft afgelegd, leidt niet tot een succesvol beroep op de hardheidsclausule.
###### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
*Geldigheidsduur van het examen*
De geldigheid van het met goed gevolg afgelegde basisexamen inburgering is vastgesteld op één jaar (artikel 3.71a Vb). Het met goed gevolg afgelegde basisexamen inburgering is ongeldig indien het is behaald meer dan een jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag. Zie voor herkansing artikel 3.98d Vb.
20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010
De geldigheid van het met goed gevolg afgelegde basisexamen inburgering is vastgesteld op één jaar (artikel 3.71a Vb). Het met goed gevolg afgelegde basisexamen inburgering is ongeldig indien het is behaald meer dan een jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag.
Het positieve resultaat van het basisexamen inburgering dat is behaald vóór 1 april 2011 kan ook bij mvv-aanvragen ingediend ná 1 april 2011 worden overgelegd. Daarbij is van belang dat de mvv-aanvraag binnen een jaar nadat het basisexamen is behaald, wordt ingediend.
Zie voor herkansing artikel 3.98d Vb.
##### 4.7.2. Het inburgeringsexamen (voortgezet verblijf)
@ -1292,13 +1228,13 @@ Op grond van artikel 3.80a, eerste lid, Vb wordt de verblijfsvergunning onder de
a. de vreemdeling jonger is dan 16 jaar dan wel 65 jaar of ouder;
b. de vreemdeling ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven;
c. de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste, omdat hij beschikt over een document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, van het Besluit inburgering;
c. de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste, omdat hij beschikt over een document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, Besluit inburgering;
d. de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste omdat hij voldoet aan een van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van het Besluit inburgering;
e. de vreemdeling door het college van B&W is ontheven van de inburgeringsplicht omdat de vreemdeling heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen;
f. de vreemdeling door het college van B&W is ontheven van de inburgeringsplicht omdat het college op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen;
g. de vreemdeling verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld;
h. naar het oordeel van de Staatssecretaris van Justitie blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts, vanwege een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen;
i. toepassing daarvan naar het oordeel van de Staatssecretaris van Justitie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
h. naar het oordeel van de Minister voor I&A blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts, vanwege een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen;
i. toepassing daarvan naar het oordeel van de Minister voor I&A zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Vreemdelingen van 16 en 17 jaar zijn niet van rechtswege vanwege hun leeftijd vrijgesteld van het inburgeringsvereiste. Vreemdelingen van 16 en 17 jaar worden echter wel op grond van de hardheidsclausule vrijgesteld van het inburgeringsvereiste (zie B1/4.7.2.3).
@ -1312,19 +1248,18 @@ Bij twijfel of het diploma, getuigschrift of ander document vrijstelling oplever
De vreemdelingen die gedeeltelijk zijn vrijgesteld op grond van artikel 2.4 Besluit inburgering vallen hier uitdrukkelijk niet onder. De vreemdelingen die slechts gedeeltelijk van de inburgeringsplicht zijn vrijgesteld en de resterende examens (nog) niet hebben behaald, hebben het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 Wet inburgering dan ook nog niet behaald. Ingevolge artikel 14 Wet inburgering is het inburgeringsexamen behaald, ingeval van gedeeltelijke vrijstelling, indien de overige daartoe behorende examens met goed gevolg zijn afgelegd. Ten bewijze dat het inburgeringsexamen is behaald, wordt een diploma uitgereikt (artikel 14, tweede lid, Wet inburgering).
In artikel 3.80a, tweede lid, onder d, Vb is de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond door het college van B&W van de inburgeringsplicht ontheven (zie artikel 6, eerste lid, Wet inburgering), nadat een onafhankelijke arts terzake een medisch advies heeft uitgebracht (zie artikel 2.8 Besluit inburgering). Deze beslissing van het college heeft dus ook tot gevolg dat het inburgeringsvereiste niet wordt gesteld in het kader van de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar.
In artikel artikel 3.80a, tweede lid, onder d, Vb is de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond door het college van B&W van de inburgeringsplicht ontheven (zie artikel 6, eerste lid, Wet inburgering), nadat een onafhankelijke arts terzake een medisch advies heeft uitgebracht (zie artikel 2.8 Besluit inburgering). Deze beslissing van het college heeft dus ook tot gevolg dat het inburgeringsvereiste niet wordt gesteld in het kader van de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar.
Ingevolge artikel 31, tweede lid, Wet inburgering kan het college van B&W de vreemdeling ontheffing verlenen van de inburgeringsplicht, indien het college op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen. Deze ontheffing werkt door in de procedure van een aanvraag om een verblijfsvergunning. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W.
In artikel 3.80a, tweede lid, aanhef en onder e, Vb wordt verwezen naar vreemdelingen (voornamelijk vrouwen), die verblijf hebben in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en wier relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld. Aan deze groep kan voortgezet verblijf worden verleend wegens klemmende redenen van humanitaire aard (zie B16/4.2). De meeste personen binnen deze categorie zullen het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald. Indien aan deze groep de eis van het behalen van het inburgeringsexamen gesteld wordt, zou dit in het overgrote merendeel van de gevallen leiden tot een afwijzing van de aanvraag tot wijziging van de beperking in voortgezet verblijf. Bij deze groep vallen twee subgroepen te onderscheiden. In de eerste plaats betreft het vreemdelingen, die binnen de drie jaar verblijf op basis van een afhankelijke verblijfstitel, de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd hebben verbroken en in afwachting zijn van de beoordeling of voortgezet verblijf in verband met huiselijk geweld of een combinatie van humanitaire redenen kan worden verleend. In de tweede plaats betreft het vreemdelingen die geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om na drie jaar een zelfstandige verblijfsvergunning aan te vragen en die het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald.
In artikel artikel 3.80a, tweede lid, aanhef en onder e, Vb wordt verwezen naar vreemdelingen (voornamelijk vrouwen), die verblijf hebben in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en wier relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld. Aan deze groep kan voortgezet verblijf worden verleend wegens klemmende redenen van humanitaire aard (zie B16/4.2). De meeste personen binnen deze categorie zullen het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald. Indien aan deze groep de eis van het behalen van het inburgeringsexamen gesteld wordt, zou dit in het overgrote merendeel van de gevallen leiden tot een afwijzing van de aanvraag tot wijziging van de beperking in voortgezet verblijf. Bij deze groep vallen twee subgroepen te onderscheiden. In de eerste plaats betreft het vreemdelingen, die binnen de drie jaar verblijf op basis van een afhankelijke verblijfstitel, de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd hebben verbroken en in afwachting zijn van de beoordeling of voortgezet verblijf in verband met huiselijk geweld of een combinatie van humanitaire redenen kan worden verleend. In de tweede plaats betreft het vreemdelingen die geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om na drie jaar een zelfstandige verblijfsvergunning aan te vragen en die het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald.
De vreemdeling die verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd, is verbroken in verband met huiselijk geweld (art. 3.80a, tweede lid, onder e, Vb), toont dit aan door:
• gegevens van de politie, mits bij de politie voldoende aannemelijk is gemaakt dat het geweld heeft plaatsgevonden, of een proces-verbaal van de aangifte; èn één van de volgende eisen:
• een verklaring van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener. De vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; of
• gegevens over verblijf in een blijf-van-mijn-lijfhuis; of
andere gegevens, voorzover het gaat over objectieve gegevens uit betrouwbare bron.
• andere gegevens, voorzover het gaat over objectieve gegevens uit betrouwbare bron.
Deze ontheffingsgrond is nader uitgewerkt in paragraaf 4.7.2.2.
@ -1332,32 +1267,27 @@ Deze ontheffingsgrond betreft de zogenaamde hardheidsclausule en is nader uitgew
###### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
Op grond van artikel 3.80a, derde lid, Vb kan de Staatssecretaris van Justitie besluiten het inburgeringsvereiste buiten toepassing te laten, indien de vreemdeling naar het oordeel van de Staatssecretaris blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts, wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Deze bepaling heeft ten eerste betrekking op vreemdelingen die na de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Wet inburgering van de inburgeringsplicht waren uitgezonderd, maar aan wie in het kader van de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning alsnog het inburgeringsvereiste wordt gesteld. Uitgangspunt is dat deze vreemdelingen op dezelfde grond en wijze van het inburgeringsvereiste ontheven moeten kunnen worden als de vreemdeling wie ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in beginsel inburgeringsplichtig was en ontheven is van de inburgeringsplicht door het college van B&W vanwege medische omstandigheden. Deze bepaling heeft voorts betrekking op vreemdelingen die voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning niet door het college van B&W van de inburgeringsplicht waren ontheven (zie 4.7.2.1 onder e). Voor hen geldt hetzelfde uitgangspunt.
De IND maakt ter beoordeling van de psychische of lichamelijke belemmering eveneens gebruik van het medische advies van de onafhankelijke arts (artikel 2.8 Besluit inburgering).
Betrokkene toont zelf door middel van een medisch advies inburgeringsexamen aan dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. Hiervoor dient de volgende procedure gevolgd te worden.
*Medisch advies inburgeringsexamen*
De vreemdeling die aantoont dat hij een zodanig psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen af te leggen, kan naar het oordeel van de Staatssecretaris van Justitie worden ontheven van de verplichting het inburgeringsexamen te behalen. Voor een medisch advies die de belemmering of handicap aantoont, kan hij terecht bij de, in het kader van de uitvoering van de Wet inburgering, door het college van B&W van zijn woonplaats aangewezen arts. In geval van verhuizing kan het advies afkomstig zijn van een aangewezen arts uit de vorige woonplaats.
De medisch adviseur is een onafhankelijke arts niet zijnde een behandelend arts van de vreemdeling die is ingeschreven in het BIG-register (het conform de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehouden register).
De medisch adviseur stelt een advies op conform het “Protocol Medische Advisering” dat een bijlage is bij artikel 2.4, derde lid, van de Regeling inburgering. Het advies wordt door de medisch adviseur rechtstreeks naar de vreemdeling gestuurd. In het advies dienen de volgende gegevens ingevuld te zijn: persoonlijke gegevens van betrokkene, de naam van de medisch adviseur, onderzoeksactiviteiten, probleemanalyse, conclusie en advies. Medische adviezen opgemaakt anders dan conform het model zoals opgenomen in het “Protocol Medische Advisering”, of door een andere dan de door het college van B&W aangewezen arts, dan wel onvolledige adviezen, worden niet geaccepteerd.
Het medisch advies mag bij het indienen van de aanvraag om een verblijfsvergunning niet ouder zijn dan zes maanden.
*Onderzoek IND*
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de procedure om een verblijfsvergunning het medisch advies nader worden onderzocht door de IND. De IND stuurt dan het medische advies naar de medisch adviseur die het advies heeft opgesteld, waarna de medisch adviseur de authenticiteit kan vaststellen. Indien het advies niet authentiek blijkt, wordt de vreemdeling niet ontheven van de verplichting het inburgeringsexamen te behalen.
20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010
Op grond van artikel 3.80a, derde lid, Vb kan de Minister voor I&A besluiten het inburgeringsvereiste buiten toepassing te laten, indien de vreemdeling naar het oordeel van de Minister blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts, wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Deze bepaling heeft ten eerste betrekking op vreemdelingen die na de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Wet inburgering van de inburgeringsplicht waren uitgezonderd, maar aan wie in het kader van de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning alsnog het inburgeringsvereiste wordt gesteld. Uitgangspunt is dat deze vreemdelingen op dezelfde grond en wijze van het inburgeringsvereiste ontheven moeten kunnen worden als de vreemdeling wie ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in beginsel inburgeringsplichtig was en ontheven is van de inburgeringsplicht door het college van B&W vanwege medische omstandigheden. Deze bepaling heeft voorts betrekking op vreemdelingen die voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning niet door het college van B&W van de inburgeringsplicht waren ontheven (zie 4.7.2.1 onder e). Voor hen geldt hetzelfde uitgangspunt.
De IND maakt ter beoordeling van de psychische of lichamelijke belemmering eveneens gebruik van het medische advies van de onafhankelijke arts (artikel 2.8 Besluit inburgering).
Betrokkene toont zelf door middel van een medisch advies inburgeringsexamen aan dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. Hiervoor dient de volgende procedure gevolgd te worden.
De vreemdeling die aantoont dat hij een zodanig psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen af te leggen, kan naar het oordeel van de Minister voor I&A worden ontheven van de verplichting het inburgeringsexamen te behalen. Voor een medisch advies die de belemmering of handicap aantoont, kan hij terecht bij de, in het kader van de uitvoering van de Wet inburgering, door het college van B&W van zijn woonplaats aangewezen arts. In geval van verhuizing kan het advies afkomstig zijn van een aangewezen arts uit de vorige woonplaats.
De medisch adviseur is een onafhankelijke arts niet zijnde een behandelend arts van de vreemdeling die is ingeschreven in het BIG-register (het conform de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehouden register).
De medisch adviseur stelt een advies op conform het “Protocol Medische Advisering” dat een bijlage is bij artikel 2.4, derde lid, van de Regeling inburgering. Het advies wordt door de medisch adviseur rechtstreeks naar de vreemdeling gestuurd. In het advies dienen de volgende gegevens ingevuld te zijn: persoonlijke gegevens van betrokkene, de naam van de medisch adviseur, onderzoeksactiviteiten, probleemanalyse, conclusie en advies. Medische adviezen opgemaakt anders dan conform het model zoals opgenomen in het “Protocol Medische Advisering”, of door een andere dan de door het college van B&W aangewezen arts, dan wel onvolledige adviezen, worden niet geaccepteerd.
Het medisch advies mag bij het indienen van de aanvraag om een verblijfsvergunning niet ouder zijn dan zes maanden.
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de procedure om een verblijfsvergunning het medisch advies nader worden onderzocht door de IND. De IND stuurt dan het medische advies naar de medisch adviseur die het advies heeft opgesteld, waarna de medisch adviseur de authenticiteit kan vaststellen. Indien het advies niet authentiek blijkt, wordt de vreemdeling niet ontheven van de verplichting het inburgeringsexamen te behalen.
###### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
In artikel 3.80a, vierde lid, Vb is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over het inburgeringsdiploma en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, indien de toepassing van het inburgeringsvereiste naar het oordeel van de Staatssecretaris leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het inburgeringsvereiste ten aanzien van hem leidt tot een tot een onbillijkheid van overwegende aard, motiveert dit beroep reeds bij het indienen van de aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier in een verblijfsvergunning om voortgezet verblijf en onderbouwt dit zoveel als mogelijk met bewijsstukken. Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij aan het inburgeringsvereiste voldoet. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling ook verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
In artikel 3.80a, vierde lid, Vb is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over het inburgeringsdiploma en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, indien de toepassing van het inburgeringsvereiste naar het oordeel van de Minister leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het inburgeringsvereiste ten aanzien van hem leidt tot een tot een onbillijkheid van overwegende aard, motiveert dit beroep reeds bij het indienen van de aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier in een verblijfsvergunning om voortgezet verblijf en onderbouwt dit zoveel als mogelijk met bewijsstukken. Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij aan het inburgeringsvereiste voldoet. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling ook verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
Indien geen (afdoende) bewijs wordt overgelegd ter staving van het beroep op de hardheidsclausule, terwijl vast staat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform artikel 16a Vw in samenhang met artikel 3.80a, eerste lid, Vb afgewezen wegens het niet behalen van het inburgeringsexamen.
@ -1365,7 +1295,7 @@ Bij de toepassing van de hardheidsclausule kan ondermeer worden gedacht aan de s
Van minderjarige vreemdelingen wordt niet verwacht dat zij het inburgeringsexamen behalen. Vreemdelingen van 16 en 17 jaar vallen om deze reden onder de hardheidsclausule.
De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Staatssecretaris van Justitie op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Minister voor I&A op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
Het gaat hier om een vreemdeling die:
@ -1387,7 +1317,7 @@ Dit zogenaamde haalbaarheidsonderzoek vindt uitsluitend plaats bij Regiona
Iemand is niet gealfabetiseerd in het kader van het inburgeringsexamen indien hij analfabeet is in zowel zijn eigen taal als het Nederlands. Beheerst iemand wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch, Chinees of Thais schrijven), maar beheerst hij niet het Latijnse schrift, dan kan hij niet als niet gealfabetiseerd worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de kunst van het schrijven. Onderwijsdeskundigen spreken in dat geval van anders gealfabetiseerd zijn .
Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van het inburgeringsexamen als niet gealfabetiseerd beschouwd. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigen taal en (al dan niet) het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet gealfabetiseerd. Van een ieder die op het model Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam voor het onderzoek naar analfabetisme aangeeft dat hij in het herkomst land geen enkele opleiding heeft afgerond, wordt aangenomen dat hij de eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft dienaangaande geen stukken te overleggen. Indien later blijkt dat de vreemdeling in een andere procedure anders heeft verklaard of anderszins blijkt dat de vreemdeling een opleiding heeft afgerond, wordt van het ROC-advies afgeweken. Het model Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam voor het onderzoek naar analfabetisme is te vinden op www.ind.nl.
Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van het inburgeringsexamen als niet gealfabetiseerd beschouwd. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigen taal en (al dan niet) het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet gealfabetiseerd. Van een ieder die op het model *Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam voor het onderzoek naar analfabetisme* aangeeft dat hij in het herkomst land geen enkele opleiding heeft afgerond, wordt aangenomen dat hij de eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft dienaangaande geen stukken te overleggen. Indien later blijkt dat de vreemdeling in een andere procedure anders heeft verklaard of anderszins blijkt dat de vreemdeling een opleiding heeft afgerond, wordt van het ROC-advies afgeweken. Het model *Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam voor het onderzoek naar analfabetisme* is te vinden op www.ind.nl.
Betrokkene toont aan de hand van certificaten of verklaringen van (bij voorkeur onderwijs-)instellingen aan dat hij zich heeft ingespannen om gealfabetiseerd te raken. Van een extra inspanning is sprake als meer dan gemiddeld is getracht het vereiste niveau op het gebied van Nederlands leren lezen en schrijven te behalen. Voor oud-komers is dit het niveau A1, voor overige vreemdelingen is dit het niveau A2. Hierbij is het niet van belang of betrokkene wel of niet inburgeringsplichtig is of was ingevolge de Wet inburgering. Het moet wel ten minste gaan om een cursus in georganiseerd verband, bij voorkeur bij een onderwijsinstelling, maar het kan ook gaan om een gemeentelijk welzijnswerk, een cursus bij of via het arbeidsbureau of een cursus bij buurt- of clubhuis.
@ -1407,7 +1337,7 @@ In het geval de vreemdeling nog geen drie jaar in Nederland verblijft conform ar
Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene stelt, hoewel inburgeringsplichtig, geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening of geen inburgeringsvoorziening opgelegd te hebben gekregen of geen aanbod tot een taalkennisvoorziening te hebben gekregen van de gemeente of nimmer hebben geweten het inburgeringsexamen behaald te moeten hebben.
Het inburgeringsvereiste zal nimmer buiten toepassing worden gelaten om die reden. De voorwaarden waaronder voortgezet verblijf wordt verleend waren reeds met inwerkingtreding van de Wet inburgering op 1 januari 2007 duidelijk. Van een onverwachte confrontatie met het inburgeringsvereiste is geen sprake. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om ingeburgerd te geraken.
Het inburgeringsvereiste zal nimmer buiten toepassing worden gelaten om die reden. De voorwaarden waaronder voortgezet verblijf wordt verleend waren reeds met inwerkingtreding van de Wet inburgering op 1 januari 2007 duidelijk. Van een onverwachte confrontatie met het inburgeringsvereiste is geen sprake. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om ingeburgerd te geraken.
##### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
@ -1454,36 +1384,54 @@ In die gevallen waarin het belang van de uitzetting of de openbare orde (waarond
#### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
Met ingang van 1 januari 2003 is het driejarenbeleid afgeschaft, onder handhaving van het bestaande beleid als overgangsrecht voor aanvragen die op dat moment drie jaar oud waren. Een aanspraak op het driejarenbeleid ontstaat pas op het moment dat de driejarentermijn is volgemaakt. Aanvragen, ontvangen op 1 januari 2000 of latere datum, komen dus niet op grond van het driejarenbeleid in aanmerking voor inwilliging.
Voor aanvragen, ontvangen vóór 1 januari 2000, blijft het driejarenbeleid wel gelden met dien verstande dat na 1 januari 2003 geen relevante tijd meer wordt opgebouwd.
Het driejarenbeleid is een bijzonder beleid binnen het vreemdelingenbeleid. Het enkele tijdsverloop in een procedure omtrent een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning is geen reden om tot verblijfsaanvaarding over te gaan.
Het driejarenbeleid heeft zich gevormd vanuit de overweging dat als gevolg van het tijdsverloop in een verblijfsrechtelijke procedure, onder omstandigheden, enerzijds bij de vreemdeling de gedachte kan opkomen dat de Minister in zijn verblijf in Nederland zal berusten en anderzijds de Minister in redelijkheid niet meer gebruik kan maken van zijn bevoegdheid de vreemdeling op bepaalde gronden verblijf te weigeren. De lange duur van de procedure moet voornamelijk of uitsluitend terug te voeren zijn op effecten van bestuurlijk beleid, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het verloop van de procedure. In dat verband is van belang dat de vreemdeling geen handelingen heeft verricht die het bestuursorgaan of de rechter noodzaken tot het uitstellen van de beslissing (traineren). In een reguliere procedure wordt het driejarenbeleid uitgewerkt als een beperking van de afwijzingsgronden. Ingeval de procedure drie jaar heeft geduurd wordt voorbij gegaan aan twee gronden waarop een aanvraag afgewezen zou kunnen worden, te weten het middelenvereiste en het mvv-vereiste. De overige afwijzingsgronden van artikel 16 Vw blijven van toepassing.
a. Een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv (zie artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder b, Vb) of omdat de vreemdeling of degene bij wie deze wil verblijven niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan, indien op de aanvraag drie jaren na ontvangst ervan niet onherroepelijk is beslist, terwijl de vreemdeling gedurende deze periode rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vw in afwachting van de beslissing op deze aanvraag of het bezwaarschrift of het beroepschrift gericht tegen de afwijzing van deze aanvraag. Voor de toepassing van dit beleid wordt een bezwaarschrift tegen de intrekking van een verblijfsvergunning gelijk gesteld met een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van deze vergunning. Ook in deze gevallen moet het gaan om een beslissing, die nog niet onherroepelijk is, terwijl de vreemdeling rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vw. Voor reeds afgesloten zaken geldt het beleid dus niet. Tevens dient het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel nog van toepassing te zijn. Gedurende de periode van drie jaar moet de oorspronkelijke aanvraag nog aan de orde zijn, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet inmiddels een ander verblijfsdoel nastreeft. Indien de vreemdeling bijvoorbeeld een aanvraag heeft gedaan voor een verblijfsvergunning met een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, maar hij inmiddels een verblijfsvergunning met een beperking verband houdend met gezinsvorming wenst, dan wordt niet aan de hier bedoelde voorwaarde voldaan.
NB: onder de Vw (oud) bestond de mogelijkheid om een aanvraag te doen voor een verblijfsvergunning zonder beperking of vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. Na inwerkingtreding van de Vw op 1 april 2001 moet de vreemdeling een verblijfsdoel aangeven als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid Vb (zie hierna onder B1/5.6). In de gevallen waarin een aanvraag voor een verblijfsvergunning zonder beperking of vanwege klemmende redenen van humanitaire aard is gedaan vóór 1 april 1998 wordt niet vereist dat de vreemdeling een verblijfsdoel aangeeft, aangezien de driejarentermijn is volgelopen vóór inwerkingtreding van de wet. In deze gevallen kan, indien aan de overige voorwaarden van deze paragraaf is voldaan, een verblijfsvergunning worden verleend. Zie hierna onder het kopje Procedurele bepalingen.
NB: onder de Vw (oud) bestond de mogelijkheid om een aanvraag te doen voor een verblijfsvergunning zonder beperking of vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. Na inwerkingtreding van de Vw op 1 april 2001 moet de vreemdeling een verblijfsdoel aangeven als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid Vb(zie hierna onder B1/5.6. In de gevallen waarin een aanvraag voor een verblijfsvergunning zonder beperking of vanwege klemmende redenen van humanitaire aard is gedaan vóór 1 april 1998 wordt niet vereist dat de vreemdeling een verblijfsdoel aangeeft, aangezien de driejarentermijn is volgelopen vóór inwerkingtreding van de wet. In deze gevallen kan, indien aan de overige voorwaarden van deze paragraaf is voldaan, een verblijfsvergunning worden verleend. Zie hierna onder het kopje Procedurele bepalingen.
b. Er moet sprake zijn van beleidsmatige redenen voor het rechtmatig verblijf. De vreemdeling moet rechtmatig verblijf hebben gehad op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vw. Deze voorwaarde omvat dus zowel de gevallen waarin de vreemdeling de behandeling van de aanvraag of een bezwaar- of beroepschrift op grond van hoofdstuk 7, afdeling 2, Vw mag afwachten als de gevallen waarin het bestuursorgaan of de rechter heeft bepaald dat de vreemdeling om redenen verband houdend met de onderhavige aanvraag de behandeling in Nederland mag afwachten. Dit rechtmatig verblijf gedurende drie jaar moet dus samenhangen met het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel. Indien het de vreemdeling is toegestaan om de beslissing op de aanvraag af te wachten om een andere reden, bijvoorbeeld omdat inmiddels een aanvraag voor een ander verblijfsdoel is ingediend, dan levert het rechtmatig verblijf geen aanspraak op een verblijfsvergunning vanwege het driejarenbeleid op. Hierbij geldt nog het volgende. Een rechterlijke uitspraak waarbij het beroep of hoger beroep gegrond is verklaard, maakt de periode van daaraan voorafgaand niet-rechtmatig verblijf alsnog rechtmatig. Dit betekent dat de vreemdeling ofwel aansluitend vanaf de datum van de aanvraag om (verlenging van de geldigheidsduur van) een verblijfsvergunning tot aan het moment van het vollopen van de driejaartermijn rechtmatig verblijf heeft gehad omdat hij de beslissing op de aanvraag mocht afwachten, ofwel na een rechterlijke uitspraak geacht wordt de gehele periode van drie jaar rechtmatig verblijf te hebben gehad. Indien de voorlopige voorziening wordt toegewezen dan wel het (hoger) beroep gegrond is verklaard, geldt de tijd vanaf de datum van het verzoekschrift (verzoek om een voorlopige voorziening, (hoger) beroepschrift) als relevante tijd voor het bepalen van de driejaartermijn. In het geval de rechter met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb het bestreden besluit heeft vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand laat, wordt de periode van behandeling van het (hoger) beroep niet alsnog rechtmatig geacht. Eén van de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing is immers dat er aanspraken kunnen ontstaan op een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid.
c. Er mag geen sprake zijn van de afwijzingsgronden van artikel 16 Vw, behoudens het mvv-vereiste en het middelenvereiste.
Daarnaast gelden nog de volgende afwijzingsgronden:
er zijn onjuiste gegevens verstrekt dan wel gegevens achtergehouden, terwijl de verstrekt of achtergehouden gegevens tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid;
de vreemdeling heeft zich onttrokken aan het toezicht.
er zijn onjuiste gegevens verstrekt dan wel gegevens achtergehouden, terwijl de verstrekt of achtergehouden gegevens tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid;
de vreemdeling heeft zich onttrokken aan het toezicht.
De toepassing van het driejarenbeleid heeft tot gevolg dat afgezien wordt van de afwijzingsgronden van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a en c, Vw. De overige afwijzingsgronden zijn onverkort van toepassing. Voor de toepassing van de afwijzingsgrond van artikel 16, aanhef en onder d, Vw is het tijdstip van het plegen van het delict van belang. Indien tijdens de driejarentermijn een strafbaar feit is gepleegd, terzake waarvan een serieuze verdenking is ontstaan (het gaat dan om een misdrijf), dan wordt aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde tenzij de strafzaak is afgerond zonder veroordeling (sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging). Ook als een transactie heeft plaatsgevonden dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd of als de strafzaak nog niet is afgerond, is er sprake van deze contra-indicatie.
Is het delict gepleegd voorafgaand aan de asielaanvraag, of na het verstrijken van de driejarentermijn, dan wordt aansluiting gezocht bij het algemene beleid inzake de weigering van verblijf bij gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid, aangezien het driejarenbeleid ziet op de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie B1/4.4). Is het delict gepleegd op een moment dat er reeds drie jaar en zes maanden (de normale beslistermijn plus de driejarentermijn) verstreken zijn, dan wordt getoetst aan de glijdende schaal.
Gelet op het bijzondere karakter van het driejarenbeleid worden de voordelen van dit beleid niet verstrekt, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt.
Uit het gedrag van de vreemdeling moet blijken dat hij kennelijk geen belang meer hecht aan de beslissing op zijn oorspronkelijke aanvraag door (bijvoorbeeld) zijn adres met onbekende bestemming te verlaten of geen contact meer te houden met de bevoegde autoriteiten. Overigens geldt als voorwaarde voor toepassing van deze afwijzingsgrond niet dat de vreemdeling een meldplicht had. De tijd die verstreken is voordat de vreemdeling met onbekende bestemming vertrok telt niet mee voor het berekenen van de relevante termijn; pas op het moment dat de vreemdeling zich weer bij de bevoegde autoriteiten meldt gaat er een nieuwe termijn lopen.
De termijn van drie jaar gaat lopen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag om een verblijfsvergunning, het wijzigen daarvan of het verlengen van de geldigheidsduur, door middel van het formulier als bedoeld in artikel 3.99 Vb. De dag van ontvangst van de aanvraag telt dus mee bij de berekening van de termijn.
Voor de toepassing van dit beleid wordt een bezwaarschrift tegen de intrekking van een verblijfsvergunning gelijkgesteld met een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van deze vergunning. In deze gevallen gaat de termijn lopen vanaf de datum van ontvangst van het rechtsmiddel. Let wel, deze procedure staat los van de procedure die betrekking heeft op de aanvraag van de verblijfsvergunning. Het tijdsverloop van de oorspronkelijke procedure mag niet worden opgeteld bij het tijdsverloop van de intrekkingsprocedure.
Er wordt geen tijdsverloop meer opgebouwd vanaf de datum waarop de beslissing rechtens onaantastbaar wordt. Daarvan zal in beginsel sprake zijn vier weken na de datum waarop de beslissing, met inachtneming van artikel 3:40 en 3:41 Awb, in werking treedt, als de vreemdeling tenminste binnen de daarvoor gestelde termijn geen beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing.
Indien de vreemdeling beroep heeft ingesteld, eindigt het tijdsverloop, behoudens een gegrondverklaring van het beroep met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan, op de datum van de uitspraak, tenzij binnen de daarvoor gestelde termijn hoger beroep tegen de uitspraak wordt ingesteld.
Indien de vreemdeling verzet doet tegen de uitspraak in (hoger) beroep, wordt geen tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzetschrift ontvangen is, tenzij het verzet gegrond wordt verklaard en het (hoger) beroep vervolgens alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
Indien de vreemdeling herziening vraagt van de uitspraak in (hoger) beroep, wordt evenmin tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzoekschrift wordt ontvangen, tenzij het verzoek om herziening wordt toegewezen en het (hoger) beroep alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
Bij het berekenen van deze termijn worden bepaalde perioden buiten beschouwing gelaten. Het betreft de volgende perioden, waarin:
a. de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e of l, Vw;
b. de vreemdeling niet in Nederland verblijft, tenzij de vreemdeling geoorloofd buiten Nederland verblijft;
c. onderzoek wordt gedaan naar door de vreemdeling verstrekte gegevens of bescheiden, die naar het oordeel van de Minister in redelijkheid niet tot inwilliging van de aanvraag zouden kunnen leiden.
In onderdeel a is neergelegd dat niet in aanmerking wordt genomen de periode waarin de vreemdeling al rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning, als gemeenschapsonderdaan of als vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/ Turkije. Dat betekent dat het verlenen van een verblijfsvergunning, van welke aard ook (asiel of regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd), of de vaststelling dat de vreemdeling een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht of het Associatiebesluit de opbouw van de relevante tijd stopt. De gehele geldigheidsduur van de verblijfsvergunning telt niet mee, ook al wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van een datum die ligt voor de datum waarop de beschikking, strekkende tot verlening, is genomen. Let wel: in zaken waarin het relevante tijdsverloop moet worden beoordeeld naar de stand van zaken vóór 1 april 2001, en dus moet worden vastgesteld of de driejaartermijn is volgelopen vóór 1 april 2001, is dit op grond van een uitspraak van de REK van 1 november 2000 anders. Indien de vreemdeling in de loop van de procedure reeds in het bezit is gesteld van een andere verblijfstitel ongeacht de vraag of deze verblijfstitel naar zijn aard tijdelijk is of niet, telt die periode niet mee in de opbouw van het relevante tijdsverloop voor de nog openstaande procedure. Buiten beschouwing blijft derhalve de periode vanaf de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de vreemdeling een verblijfstitel wordt toegekend tot en met de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de verblijfstitel wordt ingetrokken, dan wel, bij niet verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfstitel, de expiratiedatum daarvan. Bij verzending per post wordt de dag na de verzending als dag van ontvangst gezien, tenzij deze dag valt op een zondag of een algemeen erkende feestdag. In dit laatste geval wordt de dag van ontvangst geacht te zijn de eerstvolgende dag die niet een zondag of algemeen erkende feestdag is. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat in deze gevallen in twee stappen gekeken wordt naar de driejarentermijn. Eerst wordt bepaald aan de hand van de lijn van de REK van 1 november 2000 het feitelijk bezit van de verblijfsvergunning op welke datum de vreemdeling drie jaar relevant tijdsverloop heeft opgebouwd. Indien deze termijn volloopt vóór 1 april 2001, dan is in ieder geval voldaan aan één van de voorwaarden van het driejarenbeleid en kan, indien aan de overige voorwaarden van deze paragraaf is voldaan, een verblijfsvergunning worden verleend. Indien de termijn, op deze wijze berekend, volloopt op of ná 1 april 2001 dan geldt de hoofdregel dat de gehele periode van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet wordt meegeteld.
In onderdeel a is neergelegd dat niet in aanmerking wordt genomen de periode waarin de vreemdeling al rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning, als gemeenschapsonderdaan of als vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/ Turkije. Dat betekent dat het verlenen van een verblijfsvergunning, van welke aard ook (asiel of regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd), of de vaststelling dat de vreemdeling een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht of het Associatiebesluit de opbouw van de relevante tijd stopt. De gehele geldigheidsduur van de verblijfsvergunning telt niet mee, ook al wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van een datum die ligt voor de datum waarop de beschikking, strekkende tot verlening, is genomen. Let wel: in zaken waarin het relevante tijdsverloop moet worden beoordeeld naar de stand van zaken vóór 1 april 2001, en dus moet worden vastgesteld of de driejaartermijn is volgelopen vóór 1 april 2001, is dit op grond van een uitspraak van de REK van 1 november 2000 anders. Indien de vreemdeling in de loop van de procedure reeds in het bezit is gesteld van een andere verblijfstitel ongeacht de vraag of deze verblijfstitel naar zijn aard tijdelijk is of niet, telt die periode niet mee in de opbouw van het relevante tijdsverloop voor de nog openstaande procedure. Buiten beschouwing blijft derhalve de periode vanaf de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de vreemdeling een verblijfstitel wordt toegekend tot en met de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de verblijfstitel wordt ingetrokken, dan wel, bij niet verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfstitel, de expiratiedatum daarvan. Bij verzending per post wordt de dag na de verzending als dag van ontvangst gezien, tenzij deze dag valt op een zondag of een algemeen erkende feestdag. In dit laatste geval wordt de dag van ontvangst geacht te zijn de eerstvolgende dag die niet een zondag of algemeen erkende feestdag is. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat in deze gevallen in twee stappen gekeken wordt naar de driejarentermijn. Eerst wordt bepaald aan de hand van de lijn van de REK van 1 november 2000 het feitelijk bezit van de verblijfsvergunning op welke datum de vreemdeling drie jaar relevant tijdsverloop heeft opgebouwd. Indien deze termijn volloopt vóór 1 april 2001, dan is in ieder geval voldaan aan één van de voorwaarden van het driejarenbeleid en kan, indien aan de overige voorwaarden van deze paragraaf is voldaan, een verblijfsvergunning worden verleend. Indien de termijn, op deze wijze berekend, volloopt op of ná 1 april 2001 dan geldt de hoofdregel dat de gehele periode van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet wordt meegeteld.
In onderdeel b is bepaald dat bij de berekening van de driejarentermijn, buiten beschouwing blijft de periode waarin de vreemdeling niet in Nederland verbleef. Daarop wordt een uitzondering gemaakt ingeval de vreemdeling geoorloofd buiten Nederland verbleef. Daarvan is in ieder geval sprake indien de vreemdeling voorafgaande aan zijn vertrek van de Minister een verklaring heeft gekregen die hem recht geeft op terugkeer naar Nederland, en hij tijdig, dat wil zeggen voor de aangegeven expiratiedatum, naar Nederland is teruggekeerd. In de uitzondering van onderdeel b komt de ratio tot uiting, dat met geoorloofd verblijf buiten Nederland de opbouw van de driejarentermijn niet eindigt. Wel zal, aangezien het verblijf buiten Nederland berust op een keuze van de vreemdeling, de periode van het verblijf in het buitenland niet meetellen.
@ -1493,6 +1441,18 @@ Het driejarenbeleid geldt ook voor aanvragen om verlenging van de geldigheidsduu
Het driejarenbeleid voor verblijfsvergunningen regulier regelt slechts de afwijking van het mvv-vereiste en het middelenvereiste. De aanvraag komt dus niet voor inwilliging op grond van het driejarenbeleid in aanmerking indien niet aan de overige voorwaarden voor het verkrijgen van de gevraagde verblijfsvergunning wordt voldaan.
Indien een verblijfsvergunning regulier wordt verleend op grond van het driejarenbeleid, dan geschiedt dit onder de beperking waarop de aanvraag was gericht. De daarbij behorende arbeidsmarktaantekeningen gelden onverkort. Na de inwerkingtreding van de Vw op 1 april 2001 moet een vreemdeling een beperking als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, Vb aangeven. In zaken van vóór 1 april 1998, waarin van de vreemdeling niet gevergd werd een dergelijke beperking aan te geven, dan wel in zaken waarin de vreemdeling vóór 1 januari 2000 een aanvraag heeft gedaan voor een verblijfsvergunning met als doel zonder beperking of vanwege klemmende redenen van humanitaire aard en geen beperking kon aangeven, kan op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb een verblijfsvergunning worden verleend op grond van het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een verblijfsaanvraag. Dit houdt verband met het feit dat er niet een concreet verblijfsdoel is geweest waaraan kon worden getoetst.
Voor zover een aanvraag is ingediend voor een andere beperking, maar tevens bij de aanvraag is aangegeven dat de aanvraag (mede) is ingediend wegens klemmende redenen van humanitaire aard, dan wel zonder beperking, geldt deze uitzondering ook. Dit geldt ook voor zaken waarin na de inwerkingtreding van de Vw door de IND is verzocht een verblijfsrechtelijke beperking aan te geven en de vreemdeling één van de verblijfsdoelen als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, Vb heeft aangegeven.
Deze regeling geldt dus alleen voor de aanvragen om een verblijfsvergunning zonder beperking, klemmende redenen van humanitaire aard en de aanvragen waarin zowel de hier bedoelde gronden zijn genoemd, als een beperking als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, Vb.
Aanvragen met een beperking als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, Vb, zonder aanvulling met betrekking tot de klemmende redenen van humanitaire aard, vallen niet onder de regeling.
In de beschikking dient te worden aangegeven dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend op grond van dit beleid, als vastgesteld in Tussentijds Bericht Vc 2002/62. Op het verblijfsdocument komt te staan verblijf onder beperking conform beschikking Minister. De arbeidsmarktaantekening wordt dan: arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.
Voor de verlenging van deze verblijfsvergunning gelden geen bijzondere voorwaarden.
### 5. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning bepaalde tijd
Uitgangspunt bij aanvragen tot het wijzigen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is dat wordt getoetst aan de regels voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het gewijzigde doel, doch dat een dergelijke aanvraag voor het overige wordt behandeld als een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
@ -1942,98 +1902,39 @@ Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder k, Vw kan de aanvraag tot het
###### 7.1.11.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
Op grond van artikel 3.96a, eerste lid, Vb wordt de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd afgewezen als de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 Wet inburgering, niet heeft behaald. Dit is ingevolge artikel 3.96a, tweede tot en met het vierde lid, Vb niet van toepassing indien:
a.
de vreemdeling 65 jaar of ouder is;
b.
de vreemdeling ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven;
c.
de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste omdat hij beschikt over een document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, van het Besluit inburgering;
d.
de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste omdat hij voldoet aan een van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van het Besluit inburgering;
e.
de vreemdeling door het college van B&W is ontheven van de inburgeringsplicht omdat de vreemdeling heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen;
f.
de vreemdeling door het college van B&W is ontheven van de inburgeringsplicht omdat het college op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen;
g.
naar het oordeel van de Staatssecretaris van Justitie blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts, vanwege een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen;
h.
toepassing daarvan naar het oordeel van de Staatssecretaris van Justitie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
*Ad a.*
Minderjarige vreemdelingen zijn niet van rechtswege vanwege hun leeftijd vrijgesteld van het inburgeringsvereiste. Minderjarige vreemdelingen worden echter wel op grond van de hardheidsclausule vrijgesteld van het inburgeringsvereiste (zie B1/7.1.11.3).
*Ad b.*
B1/4.7.2.1 ad b is van toepassing.
*Ad c en d.*
B1/4.7.2.1 ad c en d is van overeenkomstige toepassing.
*Ad e.*
In artikel 3.96a, tweede lid, onder d, Vb is de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond door het college van B&W van de inburgeringsplicht ontheven (zie artikel 6, eerste lid, Wet inburgering), nadat een onafhankelijke arts terzake een medisch advies heeft uitgebracht (zie artikel 2.8 Besluit inburgering). Deze beslissing van het college heeft dus ook tot gevolg dat het inburgeringsvereiste niet wordt gesteld in het kader van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar.
*Ad f.*
B1/4.7.2.1 ad f is van toepassing.
*Ad g.*
Deze ontheffingsgrond is nader uitgewerkt in paragraaf 7.1.11.2.
*Ad h.*
Deze ontheffingsgrond betreft de zogenaamde hardheidsclausule en is nader uitgewerkt in paragraaf 7.1.11.3.
20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010
a. de vreemdeling 65 jaar of ouder is;
b. de vreemdeling ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven;
c. de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste omdat hij beschikt over een document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, van het Besluit inburgering;
d. de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste omdat hij voldoet aan een van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van het Besluit inburgering;
e. de vreemdeling door het college van B&W is ontheven van de inburgeringsplicht omdat de vreemdeling heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen;
f. de vreemdeling door het college van B&W is ontheven van de inburgeringsplicht omdat het college op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen;
g. naar het oordeel van de Minister voor I&A blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts, vanwege een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen;
h. toepassing daarvan naar het oordeel van de Minister voor I&A zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Minderjarige vreemdelingen zijn niet van rechtswege vanwege hun leeftijd vrijgesteld van het inburgeringsvereiste. Minderjarige vreemdelingen worden echter wel op grond van de hardheidsclausule vrijgesteld van het inburgeringsvereiste (zie B1/7.1.11.3).
B1/4.7.2.1 ad b is van toepassing.
B1/4.7.2.1 ad c en d is van overeenkomstige toepassing.
In artikel 3.96a, tweede lid, onder d, Vb is de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond door het college van B&W van de inburgeringsplicht ontheven (zie artikel 6, eerste lid, Wet inburgering), nadat een onafhankelijke arts terzake een medisch advies heeft uitgebracht (zie artikel 2.8 Besluit inburgering). Deze beslissing van het college heeft dus ook tot gevolg dat het inburgeringsvereiste niet wordt gesteld in het kader van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar.
B1/4.7.2.1 ad f is van toepassing.
Deze ontheffingsgrond is nader uitgewerkt in paragraaf 7.1.11.2.
Deze ontheffingsgrond betreft de zogenaamde hardheidsclausule en is nader uitgewerkt in paragraaf 7.1.11.3.
###### 7.1.11.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
Op grond van artikel 3.96a, derde lid, Vb kan de Staatssecretaris van Justitie besluiten het inburgeringsvereiste buiten toepassing te laten, indien de vreemdeling naar het oordeel van de Staatssecretaris blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts, wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Deze bepaling heeft ten eerste betrekking op vreemdelingen die na de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Wet inburgering van de inburgeringsplicht waren uitgezonderd, maar aan wie in het kader van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd alsnog het inburgeringsvereiste wordt gesteld. Uitgangspunt is dat deze vreemdelingen op dezelfde grond en wijze van het inburgeringsvereiste ontheven moeten kunnen worden als de vreemdeling wie ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in beginsel inburgeringsplichtig was en ontheven is van de inburgeringsplicht door het college van B&W vanwege medische omstandigheden. Deze bepaling heeft voorts betrekking op vreemdelingen die voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet door het college van B&W van de inburgeringsplicht waren ontheven (zie 4.7.2.1 onder e). Voor hen geldt hetzelfde uitgangspunt.
De IND maakt ter beoordeling van de psychische of lichamelijke belemmering eveneens gebruik van het medische advies van de onafhankelijke arts (artikel 2.8 Besluit inburgering). Betrokkene toont zelf door middel van een medisch advies inburgeringsexamen aan dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. Hiervoor dient de procedure gevolgd te worden, zoals omschreven in B1/4.7.2.2.
20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010
Op grond van artikel 3.96a, derde lid, Vb kan de Minister voor I&A besluiten het inburgeringsvereiste buiten toepassing te laten, indien de vreemdeling naar het oordeel van de Minister blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts, wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Deze bepaling heeft ten eerste betrekking op vreemdelingen die na de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Wet inburgering van de inburgeringsplicht waren uitgezonderd, maar aan wie in het kader van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd alsnog het inburgeringsvereiste wordt gesteld. Uitgangspunt is dat deze vreemdelingen op dezelfde grond en wijze van het inburgeringsvereiste ontheven moeten kunnen worden als de vreemdeling wie ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in beginsel inburgeringsplichtig was en ontheven is van de inburgeringsplicht door het college van B&W vanwege medische omstandigheden. Deze bepaling heeft voorts betrekking op vreemdelingen die voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet door het college van B&W van de inburgeringsplicht waren ontheven (zie 4.7.2.1 onder e). Voor hen geldt hetzelfde uitgangspunt.
De IND maakt ter beoordeling van de psychische of lichamelijke belemmering eveneens gebruik van het medische advies van de onafhankelijke arts (artikel 2.8 Besluit inburgering). Betrokkene toont zelf door middel van een medisch advies inburgeringsexamen aan dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. Hiervoor dient de procedure gevolgd te worden, zoals omschreven in B1/4.7.2.2.
###### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
In artikel 3.96a, vierde lid, Vb is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over het inburgeringsdiploma en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, indien de toepassing van het inburgeringsvereiste naar het oordeel van de Staatssecretaris zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het inburgeringsvereiste ten aanzien van hem leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, motiveert dit beroep op de zogeheten hardheidsclausule reeds bij het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en onderbouwt dit zo veel als mogelijk met bewijsstukken.
In artikel 3.96a, vierde lid, Vb is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over het inburgeringsdiploma en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, indien de toepassing van het inburgeringsvereiste naar het oordeel van de Minister zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het inburgeringsvereiste ten aanzien van hem leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, motiveert dit beroep op de zogeheten hardheidsclausule reeds bij het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en onderbouwt dit zo veel als mogelijk met bewijsstukken.
Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij aan het inburgeringsvereiste voldoet. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
@ -2047,7 +1948,7 @@ Het gaat om de volgende groepen vreemdelingen:
a. De oud-Nederlander van wie het Nederlanderschap op grond van artikel 15, onder d, Rijkswet op het Nederlanderschap is ingetrokken of de oud-Nederlander die op grond van artikel 15, onder b, Rijkswet op het Nederlanderschap afstand heeft gedaan van het Nederlanderschap èn die voorafgaand aan het moment waarop het Nederlanderschap werd verleend vijf jaar aaneengesloten op grond van artikel 8, onder a, b, e of l, Vw in Nederland heeft verbleven;
b. De vreemdeling die binnen een jaar na terugkeer naar het land van herkomst op basis van de Remigratiewet een aanvraag indient om wedertoelating en voorafgaand aan de remigratie als Nederlander in Nederland verbleef, in Nederland verbleef als houder van een verblijfsvergunning asiel of regulier voor onbepaalde tijd of gedurende een ononderbroken periode van tenminste vijf jaar rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e of l, Vw in Nederland had;
c. De meerderjarige vreemdeling die tussen zijn vierde en 19e levensjaar tenminste tien jaar op basis van een verblijfsvergunning in Nederland heeft verbleven en voor zijn 23e levensjaar een aanvraag in het kader van wedertoelating heeft ingediend en de vreemdeling die voor zijn 19e levensjaar tenminste vijf jaar ononderbroken in Nederland heeft verbleven en voor wie Nederland het meest aangewezen land is.
c. De meerderjarige vreemdeling die tussen zijn vierde en 19e levensjaar tenminste tien jaar op basis van een verblijfsvergunning in Nederland heeft verbleven en voor zijn 23^e levensjaar een aanvraag in het kader van wedertoelating heeft ingediend en de vreemdeling die voor zijn 19e levensjaar tenminste vijf jaar ononderbroken in Nederland heeft verbleven en voor wie Nederland het meest aangewezen land is.
Met betrekking tot deze oud-Nederlanders geldt dat zij, gelet op de duur van hun eerder rechtmatig verblijf en de omstandigheid dat zij op enig moment Nederlander zijn geweest, worden geacht ingeburgerd te zijn in de Nederlandse samenleving.
@ -2055,9 +1956,9 @@ Ook voor de vreemdelingen die in het kader van de Remigratiewet zijn teruggekeer
Voor deze categorie vreemdelingen geldt dat zij, gelet op hun leeftijd, geacht worden geen bewuste keuze te hebben gemaakt voor terugkeer naar het land van herkomst en dat zij geacht worden nauwere banden met Nederland te hebben dan met het land van herkomst.
De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Staatssecretaris van Justitie op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Minister voor I&A op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
B1/4.7.2.3, kopje *B. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het inburgeringsexamen te behalen* is van overeenkomstige toepassing.
B1/4.7.2.3, kopje B. *Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het inburgeringsexamen te behalen* is van overeenkomstige toepassing.
Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene stelt, hoewel inburgeringsplichtig, geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening of geen inburgeringsvoorziening opgelegd te hebben gekregen of geen aanbod tot een taalkennisvoorziening te hebben gekregen van de gemeente of nimmer hebben geweten het inburgeringsexamen behaald te moeten hebben.
@ -2505,7 +2406,7 @@ Het verblijfsdocument wordt alleen in persoon aan de vreemdeling uitgereikt en t
Ingevolge artikel 24, tweede lid, Vw is de vreemdeling leges verschuldigd voor de afdoening van een aanvraag in door de Minister te bepalen gevallen en volgens door die Minister te geven regels. Tevens kan de Minister bepalen dat de vreemdeling voor de afgifte van documenten waaruit het rechtmatig verblijf blijkt leges verschuldigd is. De Minister heeft van deze bevoegdheden gebruik gemaakt bij de artikelen 3.34 en verder VV.
Ter zake van de afdoening van een aanvraag worden leges geheven:
Terzake van de afdoening van een aanvraag worden leges geheven:
• tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd;
• tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd;
@ -2516,39 +2417,39 @@ De vreemdeling is leges verschuldigd per aanvraag. Indien de vreemdeling tegelij
Indien een ouder, althans wettelijk vertegenwoordiger, één aanvraag indient (mede) ten behoeve van een of meer minderjarige vreemdelingen, wordt het totaal van de per vreemdeling verschuldigde leges ineens geheven.
De leges ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van vreemdelingen die niet over een mvv beschikken, van vreemdelingen die een mvv hebben voor een ander verblijfsdoel dan waarvoor de reguliere verblijfsvergunning wordt aangevraagd en van vreemdelingen die om wijziging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd vragen, zijn afhankelijk van het beoogde verblijfsdoel. De leges bedragen zijn vastgelegd in het VV. Voor een overzicht van de verschillende legesbedragen zie ook de IND website.
Het legestarief terzake van de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van vreemdelingen die in het bezit zijn van een mvv voor hetzelfde verblijfsdoel als waarvoor de verblijfsvergunning wordt aangevraagd, is vastgelegd in artikel 3.34, eerste lid, Vw.
Het legestarief ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van vreemdelingen die in het bezit zijn van een mvv voor hetzelfde verblijfsdoel als waarvoor de verblijfsvergunning wordt aangevraagd, is vastgelegd in artikel 3.34, eerste lid, Vw.
De leges terzake van de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van vreemdelingen die niet over een mvv beschikken, van vreemdelingen die een mvv hebben voor een ander verblijfsdoel dan waarvoor de reguliere verblijfsvergunning wordt aangevraagd en van vreemdelingen die om wijziging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd vragen, zijn afhankelijk van het beoogde verblijfsdoel. De leges bedragen zijn vastgelegd in het VV. Voor een overzicht van de verschillende legesbedragen zie ook de IND website.
De toepasselijke legestarieven zijn voor:
• gezinshereniging en gezinsvorming en familiebezoek vastgelegd in artikel 3.34, tweede lid, onder b, VV;
• arbeid, studie, verblijf in het kader van uitwisseling en au pair vastgelegd in artikel 3.34, tweede lid, onder a, VV;
• kennismigrant vastgelegd in artikel 3.34, tweede lid, VV;
• een gezinslid en een in Nederland geboren kind en de overige verblijfsdoelen vastgelegd in artikel 3.34, tweede lid onder d, VV;
• de overige verblijfsdoelen, vastgelegd in artikel 3.34, tweede lid, VV;
• artikel 8 Remigratiewet en verblijf in het kader van Working Holiday Scheme, Working Holiday Programme en Young Workers Exchange Programme vastgelegd in artikel 3.34a VV;
• EU en EER vastgelegd in artikel 3.34h VV.
• gezinshereniging en gezinsvorming en familiebezoek vastgelegd in artikel 3.34, tweede lid, onder b, VV;
• arbeid, studie, verblijf in het kader van uitwisseling en au pair vastgelegd in artikel 3.34, tweede lid, onder a, VV;
• kennismigrant vastgelegd in artikel 3.34, tweede lid, VV;
• een gezinslid en een in Nederland geboren kind en de overige verblijfsdoelen vastgelegd in artikel 3.34, tweede lid onder d, VV;
• de overige verblijfsdoelen, vastgelegd in artikel 3.34, tweede lid, VV;
• artikel 8 Remigratiewet en verblijf in het kader van Working Holiday Scheme, Working Holiday Programme en Young Workers Exchange Programme vastgelegd in artikel 3.34a VV;
• EU en EER vastgelegd in artikel 3.34h VV.
Voor het afdoen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met het oog op gezinshereniging of gezinsvorming kunnen twee legestarieven van toepassing zijn: een standaardtarief conform artikel 3.34, tweede lid, onder b, VV en een gezinstarief conform artikel 3.34, tweede lid, onder c of d, VV. Het gezinstarief is van toepassing indien meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor gezinshereniging of gezinsvorming voor verblijf bij dezelfde hoofdpersoon, gelijktijdig worden ingediend. Zo is in het geval dat twee of meer vreemdelingen gelijktijdig een aanvraag indienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning met het oog op gezinshereniging of gezinsvorming met een in Nederland verblijvende persoon, één van de aanvragers het standaardtarief verschuldigd en betalen de andere aanvragers het gezinstarief (artikel 3.34, tweede lid, onder d, VV). In het geval dat één of meer vreemdelingen gelijktijdig met de vreemdeling, bij wie zij in Nederland in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming willen verblijven, een aanvraag indienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming, betalen zij het gezinstarief. De vreemdeling, bij wie deze gezinsleden verblijf beogen, betaalt het tarief conform het door hem beoogde verblijfsdoel (artikel 3.34, tweede lid, onder c, VV). Voor het afdoen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan in Nederland uit een ouder, die in het bezit is van een verblijfsvergunning, geboren kinderen is het tarief van artikel 3.34, tweede lid, onder e, VV van toepassing.
Voor het afdoen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met het oog op gezinshereniging of gezinsvorming kunnen twee legestarieven van toepassing zijn: een standaardtarief conform artikel 3.34, tweede lid, onder b, VV en een gezinstarief conform artikel 3.34, tweede lid, onder c of d, VV. Het gezinstarief is van toepassing indien meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor gezinshereniging of gezinsvorming voor verblijf bij dezelfde hoofdpersoon, gelijktijdig worden ingediend. Zo is in het geval dat twee of meer vreemdelingen gelijktijdig een aanvraag indienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning met het oog op gezinshereniging of gezinsvorming met een in Nederland verblijvende persoon, één van de aanvragers het standaardtarief verschuldigd en betalen de andere aanvragers het gezinstarief (artikel 3.34, tweede lid, onder d, VV). In het geval dat één of meer vreemdelingen gelijktijdig met de vreemdeling, bij wie zij in Nederland in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming willen verblijven, een aanvraag indienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming, betalen zij het gezinstarief. De vreemdeling, bij wie deze gezinsleden verblijf beogen, betaalt het tarief conform het door hem beoogde verblijfsdoel (artikel 3.34, tweede lid, onder c, VV). Voor het afdoen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan in Nederland uit een ouder, die in het bezit is van een verblijfsvergunning, geboren kinderen is het tarief van artikel 3.34, tweede lid, onder e, VV van toepassing.
Een vreemdeling die een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, kan desgevraagd ontheven worden van de verplichting om de voor het afdoen van de aanvraag verschuldigde leges te betalen. Voorwaarde om voor vrijstelling in aanmerking te komen, is dat hij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM. Ten behoeve van ontheffing van het legesvereiste wordt een beroep op artikel 8 EVRM gerechtvaardigd geacht indien verblijf in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming wordt beoogd. De hoofdpersoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, dient door middel van het overleggen van bewijsstukken omtrent zijn financiële situatie aan te tonen dat hij niet over middelen kan beschikken om de leges te voldoen en dat hij de afgelopen drie jaren alles in het werk heeft gesteld om over de vereiste middelen te kunnen beschikken. Tevens dient hij aannemelijk te maken dat hij op korte termijn noch zelf zal kunnen beschikken over de middelen om de leges te voldoen, noch deze kan verwerven bij personen in zijn naaste omgeving waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze de vergoeding voor de belanghebbende betalen, zoals de partner, familieleden of andere in aanmerking komende derden.
Een vreemdeling die een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, kan desgevraagd ontheven worden van de verplichting om de voor het afdoen van de aanvraag verschuldigde leges te betalen. Voorwaarde om voor vrijstelling in aanmerking te komen, is dat hij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM. Ten behoeve van ontheffing van het legesvereiste wordt een beroep op artikel 8 EVRM gerechtvaardigd geacht indien verblijf in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming wordt beoogd. De hoofdpersoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, dient door middel van het overleggen van bewijsstukken omtrent zijn financiële situatie aan te tonen dat hij niet over middelen kan beschikken om de leges te voldoen en dat hij de afgelopen drie jaren alles in het werk heeft gesteld om over de vereiste middelen te kunnen beschikken. Tevens dient hij aannemelijk te maken dat hij op korte termijn noch zelf zal kunnen beschikken over de middelen om de leges te voldoen, noch deze kan verwerven bij personen in zijn naaste omgeving waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze de vergoeding voor de belanghebbende betalen, zoals de partner, familieleden of andere in aanmerking komende derden.
Het onvermogen met betrekking tot legesbetaling dient bij de indiening van de aanvraag te worden aangetoond aan de hand van bewijsstukken. De vreemdeling dient te overleggen een inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand op grond van artikel 7, tweede lid, onder d, Wet op de rechtsbijstand, ten behoeve van de hoofdpersoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt. Daarnaast dient de vreemdeling bewijsstukken te overleggen met betrekking tot de inspanningen van zichzelf en van de hoofdpersoon die de afgelopen drie jaar zijn verricht om financiële middelen te verwerven. Ook dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat noch hij noch de hoofdpersoon op korte termijn in het bezit zullen raken van financiële middelen waarmee de verschuldigde leges kunnen worden voldaan, waarbij ook aannemelijk moet worden gemaakt dat daartoe evenmin een beroep gedaan kan worden op familieleden of in aanmerking komende derden.
Indien de vreemdeling bij het doen van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor gezinshereniging of gezinsvorming een beroep op vrijstelling van de leges doet maar niet heeft aangetoond niet te (kunnen) beschikken over financiële middelen om de verschuldigde leges te betalen, wordt hem herstel verzuim geboden zodat hij dat alsnog kan aantonen en wordt hem tegelijkertijd de gelegenheid geboden om de verschuldigde leges te voldoen. Indien de vreemdeling niet alsnog heeft aangetoond dat hij de verschuldigde leges niet kan betalen en evenmin leges heeft betaald, krijgt hij nog éénmaal de gelegenheid om de leges te voldoen. Indien de vreemdeling vervolgens niet de verschuldigde leges betaalt, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Indien voornoemde stukken zijn overgelegd en de beoordeling ervan tot het oordeel leidt dat de vreemdeling, ook niet met behulp van derden, in staat is, noch op korte termijn in staat zal zijn, om de verschuldigde leges te voldoen, wordt de aanvraag in behandeling genomen zonder dat de vreemdeling leges is verschuldigd. Ook geldt de mogelijkheid van vrijstelling van leges in het geval van een aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning van de vreemdeling die verblijf heeft onder de beperking uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM en die bij de aanvraag om het verlengen van de verblijfsvergunning aantoont dat hij vanaf de datum van het verlenen van de verblijfsvergunning alles in het werk heeft gesteld om over voldoende middelen te beschikken.
Indien voornoemde stukken zijn overgelegd en de beoordeling ervan tot het oordeel leidt dat de vreemdeling, ook niet met behulp van derden, in staat is, noch op korte termijn in staat zal zijn, om de verschuldigde leges te voldoen, wordt de aanvraag in behandeling genomen zonder dat de vreemdeling leges is verschuldigd. Ook geldt de mogelijkheid van vrijstelling van leges in het geval van een aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning van de vreemdeling die verblijf heeft onder de beperking uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM en die bij de aanvraag om het verlengen van de verblijfsvergunning aantoont dat hij vanaf de datum van het verlenen van de verblijfsvergunning alles in het werk heeft gesteld om over voldoende middelen te beschikken.
De volgende categorieën vreemdelingen zijn vrijgesteld van de verplichting om leges te voldoen ter afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Het betreft niet-geprivilegieerd militair en niet-geprivilegieerd burgerpersoneel, alsmede slachtoffers van mensenhandel en hun minderjarige kinderen die feitelijk tot het gezin behoren en daartoe reeds in het land van herkomst feitelijk behoorden en die onder het gezag van de hoofdpersoon staan, alsmede slachtoffersvan dreigend eergerelateerd geweld en hun minderjarige kinderen. Tevens zijn vrijgesteld vreemdelingen die blijkens een schriftelijke verklaring van de Minister in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning in het kader van het buiten de schuld van de vreemdeling niet kunnen vertrekken uit Nederland, dan wel voor een verblijfsvergunning voor een ander verblijfsdoel dan genoemd artikel 3.4, eerste lid, Vb; de vreemdeling die een aanvraag in dient in het kader van verblijf als slachtoffer van mensenhandel of als slachtoffer van huiselijk geweld onder de beperking conform beschikking Staatssecretaris en zijn minderjarige kinderen.
De volgende categorieën vreemdelingen zijn vrijgesteld van de verplichting om leges te voldoen ter afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Het betreft niet-geprivilegieerd militair en niet-geprivilegieerd burgerpersoneel, alsmede slachtoffers van mensenhandel en hun minderjarige kinderen die feitelijk tot het gezin behoren en daartoe reeds in het land van herkomst feitelijk behoorden en die onder het gezag van de hoofdpersoon staan, alsmede slachtoffersvan dreigend eergerelateerd geweld en hun minderjarige kinderen. Tevens zijn vrijgesteld vreemdelingen die blijkens een schriftelijke verklaring van de Minister in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning in het kader van het buiten de schuld van de vreemdeling niet kunnen vertrekken uit Nederland, dan wel voor een verblijfsvergunning voor een ander verblijfsdoel dan genoemd artikel 3.4, eerste lid, Vb; de vreemdeling die een aanvraag in dient in het kader van verblijf als slachtoffer van mensenhandel of als slachtoffer van huiselijk geweld onder de beperking conform beschikking Minister en zijn minderjarige kinderen.
Daarnaast zijn vreemdelingen die op grond van Richtlijn 2001/55 de status van tijdelijk beschermde hebben ontheven van de legesplicht in het geval deze vreemdeling een aanvraag doet tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige.
Het legestarief ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is vastgelegd in de aanhef van artikel 3.34d VV, ongeacht de gevraagde duur van de verlenging en ongeacht de leeftijd van de vreemdeling. De leges ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor studie is vastgelegd in artikel 3.34d, onder a, VV. artikel 3.34d, onder b, VV bepaalt de leges in het geval van aanvragen tot het verlengen van de verblijfsvergunning voor gezinshereniging met de beperking (verruimde) gezinshereniging bij ouder(s).
Het legestarief ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is vastgelegd in de aanhef van artikel 3.34d VV, ongeacht de gevraagde duur van de verlenging en ongeacht de leeftijd van de vreemdeling. De leges ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor studie is vastgelegd in artikel 3.34d, onder a, VV. Artikel 3.34d, onder b, VV bepaalt de leges in het geval van aanvragen tot het verlengen van de verblijfsvergunning voor gezinshereniging met de beperking (verruimde) gezinshereniging bij ouder(s).
De toepassing van het gezinstarief bij verlengingsaanvragen is niet afhankelijk van de vraag of er sprake is van meerdere gelijktijdig ingediende aanvragen. Alle individueel ingediende verlengingsaanvragen voor het verblijfsdoel gezinshereniging, met de beperking (verruimde) gezinshereniging bij ouder(s), komen voor het gezinstarief in aanmerking.
De leges ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor het doorbrengen van verlof, van werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat, is vastgelegd in artikel 3.34d, onder a, VV.
De leges ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor het doorbrengen van verlof, van werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat, is vastgelegd in artikel 3.34d, onder a, VV.
Indien gelijktijdig aanvragen worden gedaan tot het verlengen en het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, zijn ter afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de vergunning geen leges verschuldigd, zodat dan slechts ter afdoening van de aanvraag tot het wijzigen van de vergunning leges zijn verschuldigd.
@ -2681,11 +2582,11 @@ De wettelijke beslistermijn begint op de dag van ontvangst van de aanvraag en lo
In het geval de aanvraag door of namens de aanvrager schriftelijk wordt ingetrokken, vervalt de verplichting om te beslissen in eerste aanleg.
In geval beroep wordt ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, blijft de verplichting bestaan een besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft. (zie artikel 6:20, eerste lid, Awb).
In geval beroep wordt ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, blijft de verplichting bestaan een besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft. (zie artikel artikel 6:20, eerste lid, Awb).
De wettelijke beslistermijn van zes maanden kan ten hoogste voor zes maanden worden verlengd, indien advies of onderzoek door derden of het OM nodig is (zie artikel 25, tweede lid, Vw). Van de mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen, wordt zo terughoudend mogelijk gebruikgemaakt.
Verlenging is slechts mogelijk, indien het gaat om onderzoek door derden dat voor de beoordeling van de aanvraag nodig is. Onder derden wordt hierbij verstaan: personen die geen aanwijzingen van de Minister in acht behoeven te nemen terzake van het door hen te verrichten onderzoek, alsmede het OM. Naast het OM (in strafrechtelijke procedures) valt in elk geval te denken aan ministeries als BuZa, Financiën, EZ, SZW, OCW, VWS en aan externen die medisch onderzoek verrichten (via BMA) of anderszins (bijvoorbeeld DNA-onderzoek) advies uit moeten brengen. De ambtenaren van de politie die onderzoek verrichten, worden niet aangemerkt als derden; zij dienen aanwijzingen van de Minister in acht te nemen.
Verlenging is slechts mogelijk, indien het gaat om onderzoek door derden dat voor de beoordeling van de aanvraag nodig is. Onder derden wordt hierbij verstaan: personen die geen aanwijzingen van de Minister in acht behoeven te nemen terzake van het door hen te verrichten onderzoek, alsmede het OM. Naast het OM (in strafrechtelijke procedures) valt in elk geval te denken aan ministeries als BuZa, Financiën, EL&I, SZW, OCW, VWS en aan externen die medisch onderzoek verrichten (via BMA) of anderszins (bijvoorbeeld DNA-onderzoek) advies uit moeten brengen. De ambtenaren van de politie die onderzoek verrichten, worden niet aangemerkt als derden; zij dienen aanwijzingen van de Minister in acht te nemen.
Verlenging van de beslistermijn met toepassing van artikel 25, tweede lid, Vw is niet mogelijk indien het gaat om mvv-aanvragen.
@ -2763,7 +2664,7 @@ De hoofdregel is dat een beschikking in reguliere zaken aan de belanghebbende wo
1. Bij de toezending dienen de volgende situaties te worden onderscheiden:
a. er is een raadsman of gemachtigde, die de belangen van de vreemdeling behartigt. Aan de gemachtigde van de vreemdeling wordt een schriftelijke, gemotiveerde beschikking toegezonden. In deze beschikking is een clausule opgenomen omtrent de mogelijkheid om daartegen bezwaar of administratief beroep bij de Minister indien het een beschikking in eerste aanleg betreft dan wel beroep bij de rechtbank s-Gravenhage in te stellen. De Korpschef ontvangt eerst bericht van de IND terzake van een afwijzende beslissing, wanneer deze beslissing in rechte onaantastbaar is geworden. Dit in verband met het regelen van het vertrek van de vreemdeling. Daarnaast wordt een afschrift gezonden aan degene die uitgenodigd was om ter zitting van een hoorcommissie zijn zienswijze naar voren te brengen.
b. er is géén raadsman of gemachtigde bekend. In deze gevallen geldt verzending van de schriftelijke, gemotiveerde beschikking naar het adres zoals blijkt uit de GBA op het moment van verzending van de vreemdeling als bekendmaking van de beschikking. In deze beschikking is een (Nederlandstalige) clausule opgenomen omtrent de mogelijkheid om daartegen bezwaar of administratief beroep bij de Minister indien het een beschikking in eerste aanleg betreft dan wel beroep bij de rechtbank s-Gravenhage in te stellen. Bij minderjarige vreemdelingen geldt het adres van de wettelijk vertegenwoordiger. Blijkt de vreemdeling niet of niet meer op het in de GBA vermelde adres te wonen en heeft hij verzuimd een ander adres door te geven, dan geldt de verzending aan het laatst bekende GBA- adres als rechtsgeldige bekendmaking. Indien de vreemdeling een adres in het buitenland heeft, kan de beschikking, via het ministerie van Justitie, door tussenkomst van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aldaar worden toegezonden of uitgereikt.
b. er is géén raadsman of gemachtigde bekend. In deze gevallen geldt verzending van de schriftelijke, gemotiveerde beschikking naar het adres zoals blijkt uit de GBA op het moment van verzending van de vreemdeling als bekendmaking van de beschikking. In deze beschikking is een (Nederlandstalige) clausule opgenomen omtrent de mogelijkheid om daartegen bezwaar of administratief beroep bij de Minister indien het een beschikking in eerste aanleg betreft dan wel beroep bij de rechtbank s-Gravenhage in te stellen. Bij minderjarige vreemdelingen geldt het adres van de wettelijk vertegenwoordiger. Blijkt de vreemdeling niet of niet meer op het in de GBA vermelde adres te wonen en heeft hij verzuimd een ander adres door te geven, dan geldt de verzending aan het laatst bekende GBA- adres als rechtsgeldige bekendmaking. Indien de vreemdeling een adres in het buitenland heeft, kan de beschikking, via het Ministerie van BZK, door tussenkomst van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aldaar worden toegezonden of uitgereikt.
2. Gevallen waarin de originele beschikking wordt uitgereikt.
Uitzonderingen op de hoofdregel dat een beschikking wordt toegezonden, worden gemaakt in de volgende gevallen:
@ -2814,8 +2715,6 @@ wordt het kind zelf in het bezit gesteld van een verblijfsdocument.
In andere situaties wordt het verblijfsdocument slechts aan het kind beneden de leeftijd van twaalf jaar verstrekt, voor zover het kind er naar het oordeel van de Minister een redelijk belang bij heeft in het bezit van zulk een document te worden gesteld (zie artikel 4.21, tweede lid, Vb). Bij voorbeeld voor het maken van reizen naar het buitenland (mits op aanvraag of met instemming van de wettelijk vertegenwoordiger van het kind).
Beschikkingen niet in overeenstemming met een door de vreemdeling ingediende aanvraag
Van een beschikking niet gegeven in overeenstemming met een door de vreemdeling ingediende aanvraag is sprake, indien:
1. aan de vreemdeling wel (voortzetting van) verblijf wordt toegestaan, maar gedeeltelijk van zijn aanvraag wordt afgeweken (de vergunning tot verblijf wordt bijvoorbeeld verleend voor een kortere duur dan gevraagd);
@ -2834,8 +2733,6 @@ Maakt de vreemdeling bezwaar bij de Minister tegen een beschikking waarbij hem v
Indien geen bezwaar is gemaakt, wordt het verblijfsdocument ingehouden door de Korpschef dan wel op de sticker in het document voor grensoverschrijding door de ambtenaar belast met het toezicht de aantekening vervallen geplaatst.
Beschikkingen in overeenstemming met de aanvraag
Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden in het bezit gesteld van een verblijfsdocument volgens artikel 3.1 VV. Op het verblijfsdocument staat de beperking aangegeven welke aan de verblijfsvergunning is gesteld. In de desbetreffende hoofdstukken van deel B van deze circulaire wordt voor de daar behandelde categorieën vreemdelingen aangegeven onder welke beperking de vergunning tot verblijf wordt verleend.
In de volgende gevallen wordt geen rekening gehouden met de geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding:
@ -2922,7 +2819,7 @@ Het bezwaar of (administratief) beroep kan slechts worden ingediend door de vree
#### 10.4. Vereisten indienen bezwaar- of administratief beroepschrift
Een bezwaar- of administratief beroepschrift wordt schriftelijk ingediend bij de Minister van Justitie. Een bezwaarschrift in visum- en mvv-zaken wordt gericht aan de minister van BuZa, maar toegezonden aan de IND. Het bezwaar- of administratief beroepschrift bevat in ieder geval:
Een bezwaar- of administratief beroepschrift wordt schriftelijk ingediend bij de Minister voor I&A. Een bezwaarschrift in visum- en mvv-zaken wordt gericht aan de Minister van BuZa, maar toegezonden aan de IND. Het bezwaar- of administratief beroepschrift bevat in ieder geval:
a. de naam en adres van de indiener;
b. de dagtekening;
@ -2934,8 +2831,6 @@ Vermelding van de naam en geboortedatum van de vreemdeling en het dossiernummer
Als niet is voldaan aan een van de vereisten voor het in behandeling nemen van een bezwaar- of administratief beroepschrift termijn, vormvereisten, beroepsgerechtigde wordt de indiener gedurende een termijn van twee weken in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Indien het verzuim niet binnen die termijn wordt hersteld, kan het bezwaar- of administratief beroepschrift niet-ontvankelijk worden verklaard.
Indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan het bezwaar of (administratief) beroep worden ingediend door middel van een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 451a WvSv, die de vreemdeling doet toekomen aan het hoofd van de inrichting waar hij is gedetineerd (artikel 70, tweede lid, Vw).
#### 10.5. Bericht over een bezwaar- of administratief beroepschrift
Na ontvangst van het bezwaar- of administratief beroepschrift wordt aan de indiener ervan een ontvangstbevestiging verzonden. Indien de beslissing op het bezwaar- of beroepschrift wordt verdaagd, wordt dat zo mogelijk reeds bij de ontvangstbevestiging meegedeeld. De politie wordt middels een signalering in het BVV op de hoogte gesteld van de verblijfsstatus van de vreemdeling.
@ -3134,19 +3029,23 @@ De Korpschef wordt middels een signalering in het BVV op de hoogte gesteld van d
#### 10.11. Hoger beroep
Tegen de uitspraak van de rechtbank, staat beperkt hoger beroep open bij de ABRvS. Ook de Staat kan hoger beroep instellen. Er staat geen hoger beroep open tegen uitspraak van (de voorzieningenrechter van) de rechtbank:
Tegen de uitspraak van de rechtbank, staat beperkt hoger beroep open bij de ABRvS. Ook de Staat kan hoger beroep instellen. Er staat geen hoger beroep tegen uitspraak van (de president van) de rechtbank:
• op een verzoek om een voorlopige voorziening;
• over een visum voor een verblijf van drie maanden of minder (artikel 84, onder b, Vw);
• over een besluit op bezwaar of administratief beroep, indien de voorzieningenrechter gelijk met de voorlopige voorziening uitspraak over dat bezwaar of administratief beroep heeft gedaan (zie artikel 84, onder c, juncto artikel 78 Vw).
• over een besluit op bezwaar of administratief beroep, indien de president gelijk met de voorlopige voorziening uitspraak over dat bezwaar of administratief beroep heeft gedaan (zie artikel 84, onder c, juncto artikel 78 Vw).
De ABRvS bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank had behoren te doen. Ook is het mogelijk dat de ABRvS de zaak terugverwijst naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld. Dit is mogelijk indien voorzover hier van belang de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de Afdeling deze uitspraak vernietigt met ontvankelijkverklaring van het beroep of indien dan de Afdeling om andere redenen van oordeel is dat de zaak opnieuw moet worden behandeld. In het geval de afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigt met ontvankelijkverklaring van het beroep kan de Afdeling ook zonder terugverwijzing de zaak afdoen, indien zij naar haar oordeel geen nadere beoordeling door de rechtbank behoeft. Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak zendt de griffier van de ABRvS een afschrift van de uitspraak aan de belanghebbende en aan de Minister van Justitie.
De ABRvS bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank had behoren te doen. Ook is het mogelijk dat de ABRvS de zaak terugverwijst naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld. Dit is mogelijk indien voorzover hier van belang de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de afdeling deze uitspraak vernietigt met ontvankelijkverklaring van het beroep of indien dan de afdeling om andere redenen van oordeel is dat de zaak opnieuw moet worden behandeld. In het geval de afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigt met ontvankelijkverklaring van het beroep kan de afdeling ook zonder terugverwijzing de zaak afdoen, indien zij naar haar oordeel geen nadere beoordeling door de rechtbank behoeft. Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak zendt de griffier van de ABRvS een afschrift van de uitspraak aan de belanghebbende en aan de Minister voor I&A.
Hoger beroep op de ABRvS kan worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn bijzondere gemachtigde of een raadsman indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Hoger beroep bij de ABRvS dient binnen een termijn van vier weken te worden ingesteld, gerekend met ingang van de dag na die waarop de uitspraak van de rechtbank is verzonden. De grieven moeten worden ingediend bij de ABRvS. Daarbij moet een afschrift van de bestreden uitspraak in beroep worden overgelegd.
Hoger beroep bij de ABRvS schort de werking van de uitspraak van de vreemdelingenkamer niet op.
Een voorlopige voorziening kan bij de Voorzitter van de ABRvS aangevraagd worden om de werking van het bestreden besluit hangende het hoger beroep op te schorten. Voorwaarden voor het vragen van een voorlopige voorziening zijn dat er een beroepschrift is ingediend bij de ABRvS in de bodemprocedure, en er een spoedeisend belang is. Voor de voorwaarden waaronder een verzoek om voorlopige voorziening mag worden afgewacht wordt verwezen naar B1/10.6.4.
Een voorlopige voorziening kan bij de Voorzitter van de ABRvS aangevraagd worden om de werking van het bestreden besluit hangende het hoger beroep op te schorten. Voorwaarden voor het vragen van een voorlopige voorziening zijn dat er een beroepschrift is ingediend bij de ABRvS in de bodemprocedure, en er een spoedeisend belang is. Indien de vreemdeling tijdig een verzoek heeft ingediend om een voorlopige voorziening, blijft uitzetting als regel achterwege totdat de president uitspraak heeft gedaan, tenzij:
• het betreft een tweede verzoek om een voorlopige voorziening zonder nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden; of
• redenen van openbare orde of nationale veiligheid zich daartegen verzetten; of
• het gevaar bestaat dat de mogelijkheid van terugkeer naar het land van herkomst of van toelating tot een derde land verloren zou gaan, bijvoorbeeld doordat het paspoort of de daarin voorkomende visa nog slechts voor korte tijd geldig zijn.
De Voorzitter heeft de mogelijkheid in de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening ook onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Dit geldt ook indien het verzoek niet ter zitting is behandeld.
@ -3323,57 +3222,66 @@ De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling een gevaar vorm
#### 2.10. Middelen
De verblijfsvergunning wordt ingevolge artikel 3.22, eerste lid, Vb in ieder geval verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het minimumloon voor volwassenen van 23 jaar of ouder, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, en artikel 14 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge artikel 3.22, eerste lid, Vb in ieder geval verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het minimumloon voor volwassenen van 23 jaar of ouder, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, en artikel 14 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Deze inkomensnorm geldt als een referentiebedrag en niet als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.
De vreemdeling legt zelf een verklaring over van de GG&GD dan wel een bedrijfsarts of verzekeringsarts waaruit het vorenstaande blijkt. De bedrijfs- of verzekeringsarts dient met een aantekening over het betreffende specialisme te staan ingeschreven in het Beroepen in de individuele Gezondheidszorg-register. Informatie hieromtrent kan telefonisch worden verkregen (0900-8998225) of via de website van het Beroepen in de individuele gezondheidszorgregister.
Blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid wordt aangetoond aan de hand van een beschikking van de uitvoeringsinstantie die de arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt. Indien de hoofdpersoon een uitkering krachtens de WAO, WAZ of de Wajong ontvangt, wordt blijvendheid aangenomen, indien:
• uit de toekenningsbeschikking van de uitkerende instantie ingevolge de WAO, WAZ of Wajong blijkt, dat de hoofdpersoon volledig arbeidsongeschikt is; en
• uit de meest recente uitkeringsspecificatie (die van minimaal één jaar na datum toekenningsbeschikking is) volgt dat de hoofdpersoon nog steeds voor 80-100% arbeidsongeschikt is, omdat de uitkering minimaal op gelijke hoogte is gebleven.
Indien de hoofdpersoon een uitkering krachtens de WIA ontvangt, wordt blijvendheid aangenomen, indien:
• uit de toekenningsbeschikking van de uitkerende instantie ingevolge de WIA blijkt, dat de hoofdpersoon onder de regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten valt en na vijf jaar voor herkeuring in aanmerking komt; of
• uit de toekenningsbeschikking van de uitkerende instantie ingevolge de WIA blijkt, dat de hoofdpersoon onder de regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten valt, doch dat er geringe kans op herstel bestaat en jaarlijks een herkeuring plaats vindt. In dat geval dient middels een beschikking van de uitkeringsinstantie aangetoond te worden dat de hoofdpersoon na de laatste herkeuring nog voor minimaal één jaar onder de regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten valt.
De WIA bestaat naast de regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten ook uit de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten. Wanneer de hoofdpersoon ingevolge de WIA onder deze regeling valt, is in ieder geval géén sprake van blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid.
Indien de hoofdpersoon arbeid in het kader van de Wsw verricht en aanspraak kan maken op een uitkering krachtens de WAO, WAZ, WIA, of Wajong, wordt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid aangenomen indien aan de voornoemde voorwaarden wordt voldaan.
Indien de hoofdpersoon geen uitkering krachtens de WIA, WAO, WAZ of Wajong ontvangt, wordt de blijvendheid van de arbeidsongeschiktheid aangenomen indien:
• de hoofdpersoon valt onder de regeling IVA en uit de toekenningsbeschikking en/of uit de meest recente herbeoordeling blijkt dat er geen kans is op herstel; of
• de hoofdpersoon valt onder de regeling IVA en uit zowel de toekenningsbeschikking als uit de meest recente herbeoordeling blijkt dat er een geringe kans is op herstel.
De vreemdeling legt zelf een verklaring over van de GG&GD dan wel een bedrijfsarts of verzekeringsarts waaruit het vorenstaande blijkt. De bedrijfs- of verzekeringsarts dient met een aantekening over het betreffende specialisme te staan ingeschreven in het Beroepen in de individuele Gezondheidszorg-register. Informatie hieromtrent kan telefonisch worden verkregen (0900-8998225) of via de website van het Beroepen in de individuele gezondheidszorg-register.
Op grond van artikel 9, eerste lid, Wwb, hebben personen die aanspraak maken op een uitkering krachtens de Wwb (kort gezegd) de verplichting naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, alsook de verplichting gebruik te maken van door het college van B&W aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen worden tezamen de plicht tot arbeidsinschakeling genoemd.
Alleen in die gevallen waarin de hoofdpersoon een uitkering krachtens de Wwb geniet en het voor de hoofdpersoon blijvend onmogelijk is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen, wordt ontheffing van het middelenvereiste verleend.
Artikel 9, tweede lid, Wwb geeft het college van B&W de bevoegdheid om in individuele gevallen tijdelijk te ontheffen van de plicht tot arbeidsinschakeling. Van een bevoegdheid om een burger blijvend vrij te stellen van deze verplichting, is geen sprake. Derhalve wordt de vraag of het voor een hoofdpersoon blijvend onmogelijk is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen, beoordeeld aan de hand van ervaringen in het verleden.
Dat het blijvend onmogelijk is om aan deze verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen wordt - behoudens bijzondere omstandigheden - slechts aangenomen als (op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven) de hoofdpersoon:
• reeds vijf jaar door het college van B&W op grond van artikel 9, tweede lid, Wwb volledig is ontheven van al de verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, Wwb (plicht tot arbeidsinschakeling); en
• (gedeeltelijke of volledige) arbeidsinschakeling niet binnen een redelijke termijn te voorzien is.
Met het oog op de invoering van de Wwb wordt bij de berekening van de termijn van vijf jaar tevens meegeteld de periode waarin de hoofdpersoon op grond van artikel 107 Awb volledig was vrijgesteld van de verplichting naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen (de zogenaamde sollicitatieplicht).
Gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling is (behoudens bijzondere omstandigheden) in elk geval binnen een redelijke termijn te voorzien indien de hoofdpersoon is vrijgesteld van de plicht tot arbeidsinschakeling met het oog op de zorg voor een kind (al dan niet jonger dan vijf jaar).
Als redelijke termijn, waarbinnen arbeidsmarktinschakeling niet te voorzien moet zijn, wordt aangemerkt een termijn van een jaar.
Als een beroep wordt gedaan op deze vrijstellingsgrond, worden alle toekenningsbesluiten ingevolge de Wwb, dan wel de Awb overgelegd, die betrekking hebben op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, alsook eventuele correspondentie met het college van B&W omtrent ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling, die betrekking heeft op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag. Indien aanwezig, dienen bescheiden te worden overgelegd waaruit blijkt dat een arbeidsinschakeling binnen een redelijke termijn niet te verwachten is.
In geval van gezinshereniging met een houder van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd wordt de aanvraag ingevolge artikel 3.22, derde lid, Vb niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien:
1. deze aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, en
2. gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft.
Dit vormt een aanvulling op de regeling van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw. Ingevolge die regeling kunnen gezinsleden onder omstandigheden, met voorbijgaan aan het middelenvereiste, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die binnen drie maanden vragen om gezinshereniging maar niet in aanmerking komen voor een «afgeleide» verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw, omdat zij een andere nationaliteit bezitten dan de hoofdpersoon, kunnen op grond van deze aanvulling met voorbijgaan aan het middelenvereiste in aanmerking komen voor een reguliere verblijfsvergunning, indien gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft.
Bijzondere banden zijn in ieder geval aanwezig, indien het gezinslid de nationaliteit van een dergelijk ander land bezit. Indien de hoofdpersoon echter niet wordt toegelaten tot dat land, is gezinshereniging daar niet mogelijk en wordt het middelenvereiste niet tegengeworpen bij de beoordeling van een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging. Bij de toepassing van het onder 1 gestelde wordt bij de bepaling van het begin van de termijn van drie maanden uitgegaan van de datum van bekendmaking van de beschikking, waarbij aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend.
##### 2.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
Voor aanvragen, ontvangen op of na 1 april 2004, maar vóór 1 november 2004, is het volgende van belang, zowel in geval van gezinshereniging als gezinsvorming.
Op grond van artikel 3.103 Vb wordt de aanvraag getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Vw anders voortvloeit, of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, gunstiger is.
Het recht, dat gold van 1 april 2004 tot 1 november 2004, luidde als volgt:
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan de bijstandsnorm voor echtparen/gezinnen. In afwijking hiervan wordt de aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan, indien de hoofdpersoon:
a.
zevenenvijftigeneenhalf jaar of ouder is;
b.
naar het oordeel van de Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is; of
c.
als alleenstaande ouder de zorg heeft over een kind jonger dan vijf jaar dat rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw, dan wel Nederlander is.
Ad b. Ten aanzien van de vrijstellingsgrond onder b wordt verwezen naar B2/2.10 onder ad b.
Ad c. Een persoon heeft in beginsel ook alleen de zorg voor een kind indien de buitenlandse partner, geregistreerde partner of huwelijkspartner in Nederland een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend welke in behandeling is genomen en deze partner in afwachting van een beslissing rechtmatig in Nederland verblijft.
Hoewel feitelijk sprake is van een tweeouder gezin, geldt de volgende fictieredenering. Zou de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning van één van de ouders worden afgewezen op grond van het middelenvereiste, dan zou die ouder moeten terugkeren naar het herkomstland. De andere ouder zou dan als alleenstaande achterblijven met het kind, zodat aanleiding zou bestaan vrijstelling van het middelenvereiste te verlenen. Om onnodige procedurestappen te voorkomen wordt in dergelijke gevallen de voornoemde fictieredenering toegepast.
Een hoofdpersoon heeft echter niet alleen de zorg voor een kind indien dit kind samen met de buitenlandse partner, geregistreerde partner of huwelijkspartner het hoofdverblijf in het buitenland heeft. In die gevallen wordt niet de fictieredenering gehanteerd, dat als het kind Nederland zou inreizen en hier rechtmatig verblijf zou verkrijgen dan wel als Nederlander hier te lande zou gaan wonen, de hoofdpersoon aanspraak zou maken op vrijstelling van het middelenvereiste. Het kind dient derhalve bij de alleenstaande ouder in Nederland te wonen, om met vrucht een beroep te kunnen doen op de vrijstellingsgrond bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, aanhef en onder c, Vb, zoals dat luidde tot 1 november 2004. Hierbij geldt vanzelfsprekend dat er sprake van dient te zijn dat het kind rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw, dan wel Nederlander is.
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
2011530229-03-201118-03-2011WBV2011/22011530229-03-201118-03-2011WBV2011/201-04-2011
##### 2.10.2. Middelen: overgangsrecht ex artikel 116 Vw
Voor langdurig werklozen die een uitkering genieten krachtens de Wwb kan gezinshereniging of -vorming toch mogelijk zijn indien kan worden vastgesteld dat een langdurig werkloze, ondanks serieuze inspanningen, geen uitzicht heeft op werk om daarmee zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien, terwijl hij in het verleden wel langdurig heeft deelgenomen aan het arbeidsproces. Voor langdurig werklozen wordt dit onder andere getoetst aan:
de duur van het verblijf in Nederland;
de duur van de werkloosheid (minimaal drie jaar);
de duur en de aard van de werkzaamheden in het verleden;
serieuze inspanningen om zelfstandig in het levensonderhoud te voorzien;
uitzichten op een werkkring;
leeftijd;
medische aspecten.
2011530229-03-201118-03-2011WBV2011/22011530229-03-201118-03-2011WBV2011/201-04-2011
#### 2.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
@ -4941,15 +4849,19 @@ Het is echter mogelijk dat in Nederland (alsnog) in de adoptie moeten worden voo
#### 2.3. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
In aanvulling op de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van verblijf ter adoptie de volgende cumulatieve voorwaarden:
In aanvulling op de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van verblijf ter adoptie de volgende cumulatieve voorwaarden:
a. De vreemdeling is minderjarig (zie artikel 3.26, eerste lid, Vb);
b. De vreemdeling wil verblijven in het gezin van een of meer Nederlanders of vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw (zie artikel 3.26, eerste lid, Vb); en
c. Er is voldaan aan de vereisten van de Wobka (zie artikel 3.26, eerste lid, Vb).
a. De vreemdeling is minderjarig (zie artikel 3.26, eerste lid, Vb);
b. De vreemdeling wil verblijven in het gezin van een of meer Nederlanders of vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw (zie artikel 3.26, eerste lid, Vb); en
c. Er is voldaan aan de vereisten van de Wobka (zie artikel 3.26, eerste lid, Vb).
Door de aspirant-adoptiefouders dient gebruik te zijn gemaakt van een bemiddelende, vergunninghoudende instantie, bedoeld in hoofdstuk 5 Wobka. Indien niet van een zodanige instantie doch van andere contacten gebruik is gemaakt, dient de daartoe ex artikel 7a Wobka benodigde toestemming van de Minister van Justitie te zijn verleend; De afstand door ouder(s) en de instemming van de autoriteiten uit het land van herkomst van het kind is verkregen (artikel 8 onder d en e Wobka) Door de aspirant-adoptiefouders dient op bevredigende wijze door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden (zie B2/8) te worden aangetoond dat de afstand door de ouder(s) van het buitenlandse kind naar behoren is geregeld. Op gelijke wijze dienen de aspirant-adoptiefouders aan te tonen dat de autoriteiten van het land van herkomst instemmen met de opneming, door hen, van het kind.
Het buitenlandse kind mag op het tijdstip van binnenkomst in Nederland de leeftijd van zes jaren niet bereikt hebben, behoudens de bevoegdheid van de Staatssecretaris van V&J om in bijzondere gevallen, op schriftelijk verzoek van de aspirant-adoptiefouders, een afwijking van deze leeftijdsgrens toe te staan. Ook mag er niet meer dan 40 jaar leeftijdsverschil zijn tussen het kind en de aspirant-adoptiefouders, behoudens de bevoegdheid van de Staatssecretaris van V&J om in bijzondere gevallen een afwijking van toe te staan, in dat geval kan de Minister eisen stellen aan de leeftijd van het kind.
Ingevolge de Wobka zijn de aspirant-adoptiefouders vanaf het tijdstip van vertrek van het buitenlandse kind naar Nederland verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van dat kind als ware het hun eigen kind. De kosten van een eventuele terugkeer naar het land van herkomst van het kind komen te hunnen laste. In het kader van het onderzoek met het oog op het afgeven van de beginseltoestemming, wordt door de Minister van Justitie bezien of de aspirant-adoptiefouders duurzaam over voldoende zelfstandige middelen van bestaan beschikken.
Door de aspirant-adoptiefouders dient een in het land van herkomst recent afgegeven (niet langer dan zes maanden geleden) medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse kind te worden overgelegd, waaruit blijkt dat in redelijkheid niet valt aan te nemen dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind niet zou kunnen worden opgenomen. Indien uit de medische verklaring niet blijkt dat op TBC is getest, dient het kind (hier te lande) alsnog een onderzoek ter zake te ondergaan. Indien daaraan of aan de behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen niet wordt meegewerkt, wordt de aanvraag met toepassing van artikel 3.79 Vb afgewezen (zie ook B1/4.5). Het vorenstaande is uiteraard niet van toepassing indien het kind op grond van zijn nationaliteit is vrijgesteld van het vereiste van het ondergaan van een onderzoek naar en/of behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen.
Door de aspirant-adoptiefouders dient gebruik te zijn gemaakt van een bemiddelende, vergunninghoudende instantie, bedoeld in hoofdstuk 5 Wobka. Indien niet van een zodanige instantie doch van andere contacten gebruik is gemaakt, dient de daartoe ex artikel 7a Wobka benodigde toestemming van de Staatssecretaris van V&J te zijn verleend; De afstand door ouder(s) en de instemming van de autoriteiten uit het land van herkomst van het kind is verkregen (artikel 8 onder d en e Wobka) Door de aspirant-adoptiefouders dient op bevredigende wijze door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden (zie B2/8) te worden aangetoond dat de afstand door de ouder(s) van het buitenlandse kind naar behoren is geregeld. Op gelijke wijze dienen de aspirant-adoptiefouders aan te tonen dat de autoriteiten van het land van herkomst instemmen met de opneming, door hen, van het kind.
Ingevolge de Wobka zijn de aspirant-adoptiefouders vanaf het tijdstip van vertrek van het buitenlandse kind naar Nederland verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van dat kind als ware het hun eigen kind. De kosten van een eventuele terugkeer naar het land van herkomst van het kind komen te hunnen laste. In het kader van het onderzoek met het oog op het afgeven van de beginseltoestemming, wordt door de Staatssecretaris van V&J bezien of de aspirant-adoptiefouders duurzaam over voldoende zelfstandige middelen van bestaan beschikken.
Als niet voldaan wordt aan een of meer van bovengenoemde voorwaarden die ontleend zijn aan de Wobka en het kind verblijft reeds illegaal hier te lande, maakt de IND melding van deze vermoedelijk illegale adoptie bij de Raad van de Kinderbescherming, die, zonodig, aangifte doet bij de politie.
@ -4965,7 +4877,7 @@ Het kind dient zich binnen drie dagen na aankomst in Nederland aan te melden bij
##### 2.5.2. Plaats van indiening van de aanvraag
Ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dient het kind zich te vervoegen bij de IND. Deze stelt de aspirant-adoptiefouder in de gelegenheid ten behoeve van het kind een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen. De aspirant-adoptiefouder toont de originele beginseltoestemming van de Minister van Justitie voor opneming bij de burgemeester. Dit lijdt slechts uitzondering indien het originele document door de daarvoor bevoegde autoriteiten in het land van herkomst van het kind is ingenomen. In deze gevallen kan genoegen worden genomen met een kopie van de beginseltoestemming. In geval van twijfel kan contact worden opgenomen met de Centrale Autoriteit interlandelijke adoptie van het Ministerie van Justitie. De IND retourneert de beginseltoestemming voor zover deze in origineel is overgelegd aan de vreemdeling.
Ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dient het kind zich te vervoegen bij de IND. Deze stelt de aspirant-adoptiefouder in de gelegenheid ten behoeve van het kind een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen. De aspirant-adoptiefouder toont de originele beginseltoestemming van de Staatssecretaris van V&J voor opneming bij de burgemeester. Dit lijdt slechts uitzondering indien het originele document door de daarvoor bevoegde autoriteiten in het land van herkomst van het kind is ingenomen. In deze gevallen kan genoegen worden genomen met een kopie van de beginseltoestemming. In geval van twijfel kan contact worden opgenomen met de Centrale Autoriteit interlandelijke adoptie van het Ministerie van V&J. De IND retourneert de beginseltoestemming voor zover deze in origineel is overgelegd aan de vreemdeling.
##### 2.5.3. De controletaak van de politie ingevolge de
@ -5013,9 +4925,7 @@ In situaties waarbij sprake is van reeds in Nederland verblijvende illegaal opge
##### 3.3.1. Aanmelding en plaats van indiening van de aanvraag
De hierboven in B3/2.3 vermelde voorschriften inzake aanmelding (zie B3/2.3.1) en de plaats van indiening van de aanvraag (zie B3/2.3.2) van buitenlandse kinderen ter adoptie zijn voor wat de buitenlandse pleegkinderen betreft van overeenkomstige toepassing.
Voorafgaande aan de aanmelding dient de wettelijke vertegenwoordiging van het kind te zijn geregeld. Het gestelde in B1/9.1.1 is van overeenkomstige toepassing.
De hierboven in B3/2.5 vermelde voorschriften inzake aanmelding (zie B3/2.5.1) en de plaats van indiening van de aanvraag (zie B3/2.5.2) van buitenlandse kinderen ter adoptie zijn voor wat de buitenlandse pleegkinderen betreft van overeenkomstige toepassing. Voorafgaande aan de aanmelding dient de wettelijke vertegenwoordiging van het kind te zijn geregeld. Het gestelde in B1/9.1.1 is van overeenkomstige toepassing.
##### 3.3.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
@ -5050,9 +4960,9 @@ De aspirant-pleegouders verstrekken bij de ten behoeve van het kind in te dienen
De gevraagde officiële buitenlandse bescheiden dienen gelegaliseerd te zijn (zie B2/8).
Na onderzoek zal, met inachtneming van de relevante omstandigheden op de aanvraag worden beslist.
Zo nodig wint het Hoofd van de Visadienst dan wel de Minister van Justitie aanvullende gegevens in bij de Raad voor de Kinderbescherming omtrent de geschiktheid van de aspirant pleegouders voor de verzorging en opvoeding van het kind.
Zo nodig wint het Hoofd van de Visadienst dan wel de Minister voor I&A aanvullende gegevens in bij de Raad voor de Kinderbescherming omtrent de geschiktheid van de aspirant pleegouders voor de verzorging en opvoeding van het kind.
20101237003-08-201026-07-2010WBV2010/1220101237003-08-201026-07-2010WBV2010/1204-08-201031-07-2010
2011530229-03-201118-03-2011WBV2011/22011530229-03-201118-03-2011WBV2011/201-04-2011
##### 3.3.3. Kennisgeving aan de gemeente
@ -5938,7 +5848,7 @@ Het in B5/4.7.1 gestelde is van overeenkomstige toepassing op grensarbeiders, wa
Door het feit dat zij grensarbeid verrichten komen zij niet toe aan het tijdstip waarop zij, ingevolge het bepaalde in artikel 3.3 Vb, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zouden moeten hebben. Ook is het gestelde in artikel 4.47 en 4.48 Vb over de aanmeldingsplicht niet van toepassing.
Voor de tewerkstelling van vreemdelingen die als grensarbeider werkzaamheden in loondienst komen verrichten dient de werkgever echter (behoudens voor de in artikel 1, aanhef en onder e, Vw bedoelde gemeenschapsonderdanen) in het bezit te zijn van een TWV.
Voor de tewerkstelling van vreemdelingen die als grensarbeider werkzaamheden in loondienst komen verrichten dient de werkgever echter in het bezit te zijn van een TWV.
Met het oog op de verlening van een TWV aan hun werkgever is het ook voor grensarbeiders van belang dat zij in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf. Zie hiervoor het gestelde onder B5/4.7.1.
@ -6190,39 +6100,77 @@ Voor onderdanen van landen waarmee Europa-overeenkomsten zijn gesloten en die st
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing. Verwezen wordt naar B1/4.
#### 7.3. Wezenlijk Nederlands economisch belang
#### 7.3. Wezenlijk Nederlands belang
Om voor de uitoefening van bepaalde beroepen te worden toegelaten, gelden vaak speciale bevoegdheidsvereisten.
De vreemdeling dient aan te tonen dat hij aan de vereisten van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder c, Vb voldoet.
Zo zal een buitenlandse arts de bevoegdheid moeten bezitten om in Nederland zijn vak uit te oefenen. Meer inlichtingen omtrent de uitoefening van medische en paramedische beroepen worden verstrekt door het Ministerie van VWS.
Voor de beantwoording van de vraag of met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend (artikel 3.30, eerste lid aanhef en onder a, Vb, zal in veel gevallen het oordeel van andere ministeries van belang zijn. In geval van een kunstenaar zal het advies van de Minister van OCW moeten worden gevraagd, in geval van een sportleraar het advies van de Minister van VWS. Indien het gaat om het zelfstandig uitoefenen van een beroep of ondernemersactiviteiten zal in de regel advies moeten worden gevraagd aan de Minister vanEL&I. De toenmalige Minister van Economische Zaken heeft een puntensysteem ontwikkeld dat de basis vormt voor het advies dat de Minister van EL&I aan de IND geeft over het wezenlijk Nederlands economisch belang dat met het verblijf van de vreemdeling in Nederland wordt gediend (zie hierna B5/7.3.1). Voor Turkse vreemdelingen die verblijf in Nederland voor het verrichten van arbeid als zelfstandige beogen, geldt het puntensysteem niet (zie hierna B5/7.3.2).
##### 7.3.1. Puntensysteem
Met het oog op het werven van hooggekwalificeerde vreemdelingen die een gevraagde hoogwaardige kennisbijdrage aan onze economie kunnen leveren in de vorm van zelfstandig ondernemerschap, is een puntensysteem ontwikkeld dat de toelating van deze categorie beter mogelijk moet maken. Het puntensysteem vormt de basis voor het advies dat de Minister van EZ aan de IND geeft over de wezenlijke bijdrage van de vreemdeling voor het land.
Met het oog op het werven van hooggekwalificeerde vreemdelingen die een gevraagde hoogwaardige kennisbijdrage aan onze economie kunnen leveren in de vorm van zelfstandig ondernemerschap, is een puntensysteem ontwikkeld dat de toelating van deze categorie beter mogelijk moet maken. Het puntensysteem vormt de basis voor het advies dat de Minister van EL&I aan de IND geeft over de wezenlijke bijdrage van de vreemdeling voor het land.
In hoofdlijnen kent het puntensysteem de volgende opzet en de volgende indeling en weging van kwaliteiten en capaciteiten. Het systeem kent drie onderdelen, te weten:
a.
Persoonlijke ervaring;
b.
Ondernemingsplan;
c.
Toegevoegde waarde van de economische activiteiten voor de Nederlandse economie.
Totaal is voor de onderdelen maximaal 300 punten te behalen terwijl tenminste 90 punten zijn vereist voor een positief advies(Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 13 oktober 2010, Stc. 2010).
In het hierna volgende wordt aangegeven met welke stukken en bescheiden de kwaliteiten en capaciteiten van de vreemdeling kunnen worden onderbouwd.
2011530229-03-201118-03-2011WBV2011/22011530229-03-201118-03-2011WBV2011/201-04-2011
##### 7.3.2. Te overleggen stukken
##### 7.3.2. Toetsing wezenlijk Nederlands belang Turkse zelfstandigen
Voor de beoordeling van de aanvraag om advies aan de Minister van EZ met gebruikmaking van het puntensysteem dient de vreemdeling ten minste een volledig ondernemingsplan, eventueel aangevuld met onderliggend onderzoek dan wel analyses, referenties van kennisinstellingen, bedrijven of partijen op de markt, referenties of contacten met arbeidsmarktinstellingen, of referenties of contacten met financiële instellingen, te overleggen.
In verband met de standstill bepaling in het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de EG en Turkije kan het puntensysteem niet worden toegepast op aanvragen om verblijf van Turkse vreemdelingen voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Dit puntensysteem stelt immers zwaardere eisen ten aanzien van Turkse vreemdelingen dan ten tijde van de totstandkoming van het Aanvullend Protocol (voor Nederland in werking getreden op 1 januari 1973) golden. Met name kunnen geen eisen worden gesteld ten aanzien van hoogwaardigheid van de kennisinbreng en het innovatieve vermogen van de betrokken vreemdeling. De Minister van EL&I baseert zijn adviezen ten aanzien van deze Turkse vreemdelingen daarom op de feitelijke situatie: De op het moment van de aanvraag bestaande (concurrentie)verhoudingen op het specifieke deel van de markt en de werkgelegenheidseffecten (Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 13 oktober 2010, Stcrt. 2010, nr. 16617).
Het is de verantwoordelijkheid van de vreemdeling om zijn aanvraag te onderbouwen met stukken en aan te tonen dat hij met zijn onderneming een wezenlijke bijdrage aan de Nederlandse economie kan leveren. Ten behoeve van de toetsing aan het puntenstelsel kunnen, in aanvulling op het ondernemersplan, onder meer de volgende stukken worden overgelegd:
##### 7.3.3. Te overleggen stukken
afschriften van behaalde diplomas; de vreemdeling dient zorg te dragen voor vertaling en erkenning van de overgelegde diplomas en afschriften door het Nuffic;
indien sprake is van een onderneming in het land van herkomst:
akte van oprichting en statuten onderneming;
referentie voormalige werkgever(s);
arbeidscontract(en) van voormalige dienstbetrekkingen;
getuigschriften;
referenties Nederlandse partners of contacten;
omzetgevens Nederlandse-markt;
getuigschriften Nederlandse opleiding (diploma, promotie).
Voor de beoordeling van de aanvraag om advies aan de Minister van EL&I met gebruikmaking van het puntensysteem dient de vreemdeling ten minste een volledig ondernemingsplan, eventueel aangevuld met onderliggend onderzoek dan wel analyses, referenties van kennisinstellingen, bedrijven of partijen op de markt, referenties of contacten met arbeidsmarktinstellingen, of referenties en contacten met financiële instellingen, te overleggen. Voor de inhoud van het ondernemingsplan zelf zie hierna onder B5/7.3.4.
Indien geen of een niet voldoende onderbouwd ondernemingsplan over wordt gelegd, wordt een herstelverzuimtermijn geboden van twee weken. Indien, ook na het bieden van de herstelverzuimtermijn, geen of een niet voldoende onderbouwd ondernemingsplan over is gelegd, wordt de aanvraag, zonder voorlegging aan de Minister van EL&I voor advies, afgewezen omdat niet wordt aangetoond dat met de te verrichten arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend.
Het is de verantwoordelijkheid van de vreemdeling om zijn aanvraag te onderbouwen met stukken en aan te tonen dat hij met zijn onderneming een wezenlijke bijdrage aan de Nederlandse economie kan leveren. Ten behoeve van de toetsing aan het puntenstelsel moeten (voor zover van toepassing), ter onderbouwing van het ondernemersplan, onder meer de volgende stukken worden overgelegd:
• afschriften van behaalde diplomas; de vreemdeling dient zorg te dragen voor vertaling en erkenning van de overgelegde diplomas en afschriften door het Nuffic (dit geldt niet voor Turkse vreemdelingen);
• indien sprake is van een onderneming in het land van herkomst:
• akte van oprichting en statuten onderneming;
• referentie voormalige werkgever(s);
• arbeidscontract(en) van voormalige dienstbetrekkingen;
• getuigschriften;
• referenties Nederlandse partners of contacten;
• vennootschapscontracten;
• financiële gegevens, zoals omzetgegevens, jaarrekeningen, belastinggegevens, loonstaten, loonaangiften, e.d.;
• getuigschriften Nederlandse opleiding (diploma, promotie) (dit geldt niet voor Turkse vreemdelingen).
Jaarstukken en/of cijfers moeten zijn opgesteld of goedgekeurd door een onafhankelijke deskundige (bijv. bij financiering door een Nederlandse bank). De onafhankelijke deskundige mag géén familie zijn. Het hoeft niet speciaal een Registeraccountant of een Accountant Administratieconsulent te zijn. Een boekhouder of een financieel adviseur is ook voldoende.
Naast de hiervoor genoemde stukken ter onderbouwing van het ondernemingsplan moet de vreemdeling ook nog overleggen:
• bewijsstukken die de nieuwheid van het product of de dienst voor Nederland aantonen (bijv. patenten of referenties van kennisinstellingen e.d.) (dit geldt niet voor Turkse vreemdelingen);
• bewijsstukken van arbeidscreatie in het eigen bedrijf (dit geldt niet voor Turkse vreemdelingen);
• gegevens m.b.t. voorgenomen investeringen (dit geldt niet voor Turkse vreemdelingen);
• een kopie van een uittreksel van de (verplichte) inschrijving bij de Kamer van Koophandel, niet ouder dan drie maanden;
• een kopie van alle bladzijden van het paspoort.
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels, Frans of Duits of te zijn vertaald door een vertaler die door de Nederlandse rechtbank is beëdigd.
##### 7.3.3. Het ondernemingsplan
##### 7.3.4. Het ondernemingsplan
Uit het ondernemingsplan moet in ieder geval het volgende blijken:
Uit het ondernemingsplan zelf moet in ieder geval het volgende blijken:
Hieronder vallen de personalia van de vreemdeling, maar ook zijn gezins- en inkomenssituatie, financiële verplichtingen, opleidingen (onderbouwd met behaalde diplomas) en beroepservaring;
@ -6234,35 +6182,41 @@ Hierbij dient een omschrijving te worden gegeven van het type product of dienst,
Hierbij wordt een omschrijving gegeven van de omvang van het benodigde personeel, de wijze van werven en de beoogde organisatie;
Dit bevat onder andere een investeringsbegroting, een financieringsplan en een aflossingsplan (zo mogelijk onderbouwd met bankcontracten), een exploitatiebegroting en een liquiditeitsprognose.
Dit bevat onder andere een investeringsbegroting, een financieringsplan en een aflossingsplan (zo mogelijk onderbouwd met bankcontracten), een exploitatiebegroting en een liquiditeitsprognose (incl. berekeningen).
#### 7.4. Voldoende middelen van bestaan
Voor de uitoefening van een bedrijf is in de regel een vergunning vereist op grond van de Vestigingswet Bedrijven 1954 of de Drank- en Horecawet.
De vreemdeling dient aan te tonen dat hij door de uitoefening van zijn beroep of bedrijf kan beschikken over voldoende middelen van bestaan, gelet op artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, Vb en B1/4.3.4.
De vreemdeling dient aan te tonen dat hij aan de vereisten voor het uitoefenen van het betreffende bedrijf voldoet, als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder c, Vb.
Meer informatie over de eisen die gesteld worden aan het verkrijgen van deze vergunningen wordt verstrekt door de Kamers van Koophandel en Fabrieken.
Bevoegd tot het verlenen van vergunningen op grond van de Drank- en Horecawet is het College van Burgemeester en Wethouders van een gemeente.
In bijzondere gevallen kan ontheffing worden verleend van de verplichting om met een vergunning een bedrijf of detailhandel uit te oefenen.
Bevoegd tot het verlenen van ontheffing wat betreft de Drank- en Horecawet is de Minister van EZ.
##### 7.4.1. Middelenvereiste
Zie voor de berekening van het inkomen van een gevestigde ondernemer B1/4.3.4.
In geval van een aanvraag om een mvv, een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur of een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur, ingediend terwijl de vreemdeling nog niet tenminste anderhalf jaar in het bezit is van die verblijfsvergunning, geldt het volgende.
In deze gevallen kunnen de te verwachten bedrijfsresultaten inzichtelijk en aannemelijk worden gemaakt door middel van het indienen van een ondernemingsplan, omschreven in B5/7.3.3, dat ook kan worden gebruikt bij de beoordeling of met de te vestigen onderneming in Nederland en met het verblijf van de betrokken vreemdeling een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend, als bedoeld in B5/7.1 en B5/7.3. Het ondernemingsplan dient zodanig te zijn ingericht dat daaruit de bestaansmiddelen van de ondernemer kunnen worden afgeleid, dat wil zeggen uit de daarin mede opgenomen, te verwachten bruto winst.
In deze gevallen kunnen de te verwachten bedrijfsresultaten inzichtelijk en aannemelijk worden gemaakt door middel van het indienen van een ondernemingsplan, omschreven in B5/7.3.3 en B5/7.3.4, dat ook kan worden gebruikt bij de beoordeling of met de te vestigen onderneming in Nederland en met het verblijf van de betrokken vreemdeling een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend, als bedoeld in B5/7.1 en B5/7.3. Het ondernemingsplan dient zodanig te zijn ingericht dat daaruit de bestaansmiddelen van de ondernemer kunnen worden afgeleid, dat wil zeggen uit de daarin mede opgenomen, te verwachten bruto winst.
#### 7.5. Vereisten voor het uitoefenen van een bepaald beroep
##### 7.4.1. Middelenvereiste
2011530229-03-201118-03-2011WBV2011/22011530229-03-201118-03-2011WBV2011/201-04-2011
#### 7.5. Vereisten voor het uitoefenen van een bepaald beroep of bedrijf
De vreemdeling die toegelaten wil worden om arbeid als zelfstandige te verrichten, moet aantonen dat hij aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van het uit te oefenen beroep of aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf voldoet (artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder c, Vb).
Om voor de uitoefening van bepaalde beroepen te worden toegelaten, gelden vaak speciale bevoegdheidsvereisten.
Zo zal een buitenlandse arts de bevoegdheid moeten bezitten om in Nederland zijn vak uit te oefenen. Hiervoor is onder meer ook, evenals voor andere beroepen in de individuele gezondheidszorg, inschrijving in het BIG-register vereist. Meer inlichtingen omtrent de uitoefening van medische en paramedische beroepen worden verstrekt door het Ministerie van VWS.
Voor de uitoefening van een bedrijf is vaak een vergunning vereist. Zo hebben bedrijven in de horeca een vergunning nodig op grond van de Drank- en Horecawet.
Bevoegd tot het verlenen van vergunningen op grond van de Drank- en Horecawet is het College van B&W van een gemeente. In bijzondere gevallen kan ontheffing worden verleend van de verplichting om met een vergunning een bedrijf of detailhandel uit te oefenen.
Bevoegd tot het verlenen van ontheffing wat betreft de Drank- en Horecawet is de Minister van EL&I.
Meer informatie over de eisen die gesteld worden aan het verkrijgen van deze vergunningen kan worden verkregen bij Kamer van Koophandel.
#### 7.6. Vereisten voor het uitoefenen van een bedrijf
Voor de uitoefening van een bedrijf is in de regel een vergunning vereist op grond van de Vestigingswet Bedrijven 1954 of de Drank- en Horecawet.
2011530229-03-201118-03-2011WBV2011/22011530229-03-201118-03-2011WBV2011/201-04-2011
#### 7.7. Geen gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
@ -6278,11 +6232,13 @@ Ingevolge artikel 3.30, vijfde lid, Vb kan de verblijfsvergunning voor het uitoe
Daarnaast gelden de bepalingen zoals neergelegd in B17.
Voor het overige zijn de bepalingen van B5/7.1, B5/7.2, B5/7.3, B5/7.4 en B5/7.5 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat ten behoeve van de langdurig ingezetene geen sprake hoeft te zijn van een hooggekwalificeerde vreemdeling die een hoogwaardige kennisbijdrage aan onze economie kan leveren en ook geen advies van het Ministerie van EL&I hoeft te worden ingewonnen.
#### 7.9. Aanvragen waarbij eis wezenlijk Nederlands belang niet geldt
##### 7.9.1. Surinaamse onderdanen met verkregen rechten
Bij de vestiging van Surinaamse onderdanen die nog rechten kunnen ontlenen aan de overeenkomst inzake verblijf en vestiging van 1975 blijft een onderzoek naar de vraag of met de vestiging in Nederland een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend achterwege (zie B11). De aanvraag dient derhalve niet ter advisering aan de Minister van EZ te worden voorgelegd. Er dient wel voldaan te worden aan de overige algemene voorwaarden onder B5/7.2.
Bij de vestiging van Surinaamse onderdanen die nog rechten kunnen ontlenen aan de overeenkomst inzake verblijf en vestiging van 1975 blijft een onderzoek naar de vraag of met de vestiging in Nederland een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend achterwege (zie B11). De aanvraag dient derhalve niet ter advisering aan de Minister van EL&I te worden voorgelegd. Er dient wel voldaan te worden aan de overige algemene voorwaarden onder B5/7.2.
##### 7.9.2. Vreemdeling werkzaam is (geweest) internationale arbeidsmarkt
@ -6420,13 +6376,10 @@ Voor een schriftelijke studie of een avondopleiding wordt geen toelating verleen
Indien de studie of opleiding of een soortgelijke studie of opleiding reeds bestaat in het land van herkomst, komt de vreemdeling niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning.
Het feit dat Nederland het meest aangewezen land moet zijn betekent daarnaast dat, als er andere landen zijn, die meer dan Nederland aangewezen zijn voor het volgen van de desbetreffende studie of opleiding, niet aan dit criterium wordt voldaan. Meer aangewezen zijn bijvoorbeeld buurlanden, of landen waar een gemeenschappelijke taal wordt gesproken.
Daarnaast moet aan ten minste twee van de volgende voorwaarden worden voldaan:
Bij de beoordeling van de vraag of Nederland als het meest aangewezen land moet worden aangemerkt, kunnen onder meer de volgende factoren worden betrokken:
• Het betreft een opleiding die aantoonbaar alleen in Nederland kan worden gevolgd;
• Het herkomstland van de vreemdeling heeft historische banden met Nederland;
• De vreemdeling heeft familiebanden met reeds in Nederland verblijvende personen;
• De vreemdeling is afkomstig uit en heeft de nationaliteit van Indonesië, Suriname of Zuid-Afrika;
• de vreemdeling heeft familiebanden met reeds in Nederland verblijvende personen;
• De vreemdeling is de Nederlandse taal machtig.
Indien nodig kan COLO namens het Ministerie van OCW om advies worden gevraagd over de studiemogelijkheden in de herkomstlanden voor het MBO onderwijs (zie ook de website van COLO).
@ -6767,7 +6720,7 @@ De aanvraag wordt niet afgewezen indien de vreemdeling gehuwd is of de zorg heef
#### 5.4. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend op grond van artikel 3.4, derde lid van het Vb met de beperking conform beschikking Staatssecretaris”, voor de duur van maximaal één jaar. De geldigheidsduur van deze vergunning wordt na een jaar niet verlengd.
De verblijfsvergunning wordt verleend op grond van artikel 3.4, derde lid van het Vb met de beperking conform beschikking Minister, voor de duur van maximaal één jaar. De geldigheidsduur van deze vergunning wordt na een jaar niet verlengd.
#### 5.5. Arbeidsmarktaantekening
@ -6803,7 +6756,7 @@ c. de financiering van de medische behandeling dient deugdelijk geregeld te zijn
Naast deze voorwaarden zijn de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing (zie B1/4).
Op grond van artikel 3.46, derde lid, Vb wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder a en c, Vw en op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw.
Op grond van artikel 3.46, derde lid, Vb wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder a en c, Vw en op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw (zie B8/2.1.1).
Voor deze beoordeling is slechts van belang of de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden die genoemd worden in één van de onder 1 tot 7 genoemde situaties.
@ -6817,7 +6770,7 @@ d. de medische behandeling voor die klachten reeds ten minste één jaar plaatsv
De vraag of de medische behandeling voor die klachten naar verwachting langer dan één jaar zal duren, is hier niet relevant. Het verblijf in Nederland wordt door de vreemdeling aangetoond met objectieve bescheiden, niet zijnde getuigenverklaringen. Het moment van aanvang van de medische behandeling wordt aangetoond door de vreemdeling, hiernaar wordt geen onderzoek verricht door het BMA.
Onder *medische noodsituatie* wordt verstaan: die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Onder op korte termijn wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden.
Onder *medische noodsituatie* wordt verstaan: die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Onder “op korte termijn” wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden.
3. de situatie waarin:
a. de vreemdeling zich in Nederland bevindt; en
@ -6862,13 +6815,13 @@ Ter beoordeling van de vraag of de medische behandeling noodzakelijk is, wordt a
De financiering van de medische behandeling dient deugdelijk te zijn geregeld. Hiertoe moet worden aangetoond dat een toereikende ziektekostenverzekering is afgesloten. Een ziektekostenverzekering die uit de publieke middelen wordt betaald of waarvan de premie wordt voldaan uit een uitkering die ten laste komt van de publieke middelen, wordt niet als toereikend aangemerkt.
Bj onvoldoende financiële zekerheid wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen.
Bij onvoldoende financiële zekerheid wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen.
Overeenkomstig artikel 3.46, derde lid Vb, wordt de aanvraag niet afgewezen op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw.
De vreemdeling moet voldoen aan alle algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16 Vw, tenzij in artikel 3.46 Vb en hieronder anders is vermeld.
Voor wat betreft het vereiste in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding is artikel 16, onder b, Vw juncto artikel 3.72 Vb van toepassing. Blijkens de nota van toelichting bij laatstgenoemd artikel, vormt het ondergaan van een medische behandeling in Nederland in het algemeen onvoldoende aanleiding om vrijstelling van het paspoortvereiste te verlenen, aangezien het enkel ondergaan van een medische behandeling de vreemdeling in het algemeen niet belet om zich tot zijn ambassade of consulaat te wenden (Stb. 2000 497). De vreemdeling dient genoegzaam aan te tonen dat het voor hem persoonlijk niet mogelijk is in het bezit gesteld te worden van een geldig document voor grensoverschrijding (zie in dit verband tevens B1/4.2 Vc). Gelet hierop kan slechts in geval van zeer bijzondere individuele omstandigheden vrijstelling worden verleend van het hier bedoelde vereiste.
Voor wat betreft het vereiste in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding is artikel 16, onder b, Vw juncto artikel 3.72 Vb van toepassing. Blijkens de nota van toelichting bij laatstgenoemd artikel, vormt het ondergaan van een medische behandeling in Nederland in het algemeen onvoldoende aanleiding om vrijstelling van het paspoortvereiste te verlenen, aangezien het enkel ondergaan van een medische behandeling de vreemdeling in het algemeen niet belet om zich tot zijn ambassade of consulaat te wenden (Stb 2000 497). De vreemdeling dient genoegzaam aan te tonen dat het voor hem persoonlijk niet mogelijk is in het bezit gesteld te worden van een geldig document voor grensoverschrijding (zie in dit verband tevens B1/4.2 Vc). Gelet hierop kan slechts in geval van zeer bijzondere individuele omstandigheden vrijstelling worden verleend van het hier bedoelde vereiste.
In ieder geval is er sprake van zeer bijzondere individuele omstandigheden zoals hier bedoeld als aan onderstaande voorwaarden is voldaan:
@ -6890,6 +6843,26 @@ Het familielid of een andere relatie dient aantoonbaar te beschikken over voldoe
Vrijstelling van het middelenvereiste wordt verleend indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw.
##### 2.1.1
Met een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag, zoals bedoeld in artikel 3.46, derde lid, Vb, wordt bedoeld dat sprake moet zijn van één aaneengesloten jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw direct voordat de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking medische behandeling wordt ingediend.
Het bovenstaande impliceert dat de vreemdeling de aanvraag tijdig moet indienen, anders is namelijk geen sprake meer van een jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw direct voorafgaande aan de aanvraag.
In het geval de vreemdeling de aanvraag in persoon bij de IND indient in de periode tussen 28 dagen vóór het eindigen van het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw en 28 dagen nadat het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw is geëindigd, wordt de aanvraag als tijdig beschouwd, ook al voldoet de vreemdeling formeel gezien nog niet of niet langer aan de voorwaarde van één jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw direct voorafgaande aan de aanvraag (zie in dit verband ook *ingangsdatum van de verblijfsvergunning*). Een aanvraag zoals hier bedoeld ingediend buiten bovengenoemde periode wordt niet als tijdig aangemerkt.
Indien de aanvraag wordt ingediend nadat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw is geëindigd, is toch sprake van een tijdig ingediende aanvraag als de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe te rekenen. In deze gevallen wordt toepassing gegeven aan artikel 3.46, derde lid, Vb. De vraag of de te late indiening van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te rekenen, wordt van geval tot geval beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de aanvraag. Om die reden zal niet snel sprake zijn van een situatie waardoor te late indiening te wijten is aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. Aan de omstandigheid dat de vreemdeling door de overheid er niet op is gewezen dat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw binnenkort eindigt en dat een aanvraag moet worden ingediend, komt in dit verband geen betekenis toe. Evenmin komt in dit verband betekenis toe aan de omstandigheid dat de vreemdeling zich te kort voor het eindigen van het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw bij de IND meldt voor het maken van een afspraak voor het in persoon indienen van de aanvraag, waardoor het niet langer mogelijk is om tijdig een afspraak in te plannen. Aan het feit dat de vreemdeling tijd nodig heeft om de voor de aanvraag benodigde gegevens en bescheiden te vergaren, zoals een paspoort, komt ook geen betekenis toe.
Bij omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling toe te rekenen zou kunnen zijn, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat de vreemdeling kort voor het eindigen van het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw met spoed is opgenomen in een ziekenhuis en dat hij hierdoor niet in staat is om de aanvraag tijdig in persoon in te dienen. In dat geval kan geconcludeerd worden dat het onomstotelijk vaststaat dat de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling te wijten is. Wel dient een bewijs van in dit geval een ziekenhuisopname of een ander medisch bewijs overgelegd te worden.
De verblijfsvergunning wordt, ingevolge artikel 26, eerste lid, Vw, verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
In het geval de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend in de periode tussen 28 dagen vóór het einde van het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw, zal de verblijfsvergunning niet eerder kunnen worden verleend dan met ingang van de datum waarop de vreemdeling één jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw heeft gehad.
In het geval de aanvraag is ingediend binnen 28 dagen nadat het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw is geëindigd, ontstaat altijd een onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling, wat gevolgen heeft voor de opbouw van verblijfsrechten.
Ook indien de aanvraag is ingediend voor het einde van het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw kan een onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling ontstaan als hij pas nadat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw is geëindigd aantoont aan alle voorwaarden te voldoen.
De voorgaande periode van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder j, Vw, zal, bij onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling, niet meetellen voor de periode van drie jaar die nodig is om aanspraak te maken op een verblijfsvergunning onder de beperking voortgezet verblijf (zie in dit verband B16/3.2).
#### 2.2. Voorwaarden als de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit heeft
Voor de vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, is artikel 3.47 Vb en de Overeenkomst Nederland-Suriname 1981 (Trb 1981, 35) van toepassing (zie B11/16 Vc).
@ -6975,11 +6948,11 @@ Als de medisch adviseur vaststelt dat de vreemdeling een medische behandeling on
• stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid aan te geven of er al dan niet personen aanwezig zijn in het herkomstland, die in staat moeten worden geacht mantelzorg te verlenen; en
• legt de vreemdeling, als hij stelt dat voor hem in het herkomstland geen mantelzorgnetwerk aanwezig is, gegevens en bescheiden over waaruit dit blijkt.
De IND kent geen betekenis toe aan niet (in voldoende mate) onderbouwde dan wel speculatieve stellingen hieromtrent en is evenmin verplicht om onderzoek te doen naar dergelijke stellingen. De enkele onwil van de gezins- of familieleden de benodigde mantelzorg te verlenen dan wel de eventuele onwil van de vreemdeling om een beroep op hen te doen is onvoldoende voor het oordeel dat de vreemdeling de nodige zorg in het land van herkomst zal ontberen.
De IND kent geen betekenis toe aan niet (in voldoende mate) onderbouwde dan wel speculatieve stellingen hieromtrent en is evenmin verplicht om onderzoek te doen naar dergelijke stellingen.De enkele onwil van de hier bedoelde personen, met name gezins- of familieleden, de benodigde mantelzorg te verlenen dan wel de eventuele onwil van de vreemdeling om een beroep op hen te doen is onvoldoende voor het oordeel dat de vreemdeling de nodige zorg in het land van herkomst zal ontberen.
Als de vreemdeling zoals boven vermeld aantoont dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de mantelzorg te verlenen waar de vreemdeling medisch gezien op is aangewezen, wordt geconcludeerd dat voldaan is aan het vermelde in paragraaf B8/2.1 ad a, onder 5 b Vc. Als aan alle andere voorwaarden genoemd in paragraaf B8/2.1, waaronder B8/2.1 ad a, onder 5 a en c Vc, wordt voldaan wordt de verblijfsvergunning verleend.
Als de vreemdeling zoals boven vermeld aantoont dat in het land van herkomst geen personen, met name gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de mantelzorg te verlenen waar de vreemdeling medisch gezien op is aangewezen, wordt geconcludeerd dat voldaan is aan het vermelde in paragraaf B8/2.1 ad a, onder 5 b Vc. Als aan alle andere voorwaarden genoemd in paragraaf B8/2.1, waaronder B8/2.1 ad a, onder 5 a en c Vc, wordt voldaan wordt de verblijfsvergunning verleend.
Als de vreemdeling zoals boven vermeld aantoont dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de mantelzorg te verlenen die noodzakelijk is voor het slagen van de medische behandeling, terwijl aangetoond is dat zonder medische behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan en dat er gezins- of familieleden hier te lande verblijven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of Nederlander zijn die de medisch noodzakelijke mantelzorg verlenen, wordt geconcludeerd dat voldaan is aan het vermelde in paragraaf B8/2.1 ad a, onder 3c Vc. Als aan alle andere voorwaarden genoemd in paragraaf B8/2.1 Vc wordt voldaan wordt de verblijfsvergunning verleend.
Als de vreemdeling zoals boven vermeld aantoont dat in het land van herkomst geen personen, met name gezins- of familieleden, zijn die in staat moeten worden geacht de mantelzorg te verlenen die noodzakelijk is voor het slagen van de medische behandeling, terwijl aangetoond is dat zonder medische behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan en dat er gezins- of familieleden hier te lande verblijven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of Nederlander zijn die de medisch noodzakelijke mantelzorg verlenen, wordt geconcludeerd dat voldaan is aan het vermelde in paragraaf B8/2.1 ad a, onder 3c Vc. Als aan alle andere voorwaarden genoemd in paragraaf B8/2.1 Vc wordt voldaan wordt de verblijfsvergunning verleend.
Met mantelzorg wordt bedoeld dat de aard van de medische aandoening het noodzakelijk maakt dat de vreemdeling wordt verzorgd door derden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn. Professionele zorg zoals bijvoorbeeld thuiszorg is geen mantelzorg.
@ -7075,12 +7048,12 @@ Indien de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder
### 13. Overgangsrecht
Op 7 oktober 2009 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie in een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer aangekondigd voornemens te zijn de verscheidenheid aan toelatingsvormen medisch te vereenvoudigen (Kamerstukken II 2009/2010, 19 637, nr 1305). Naar aanleiding hiervan wordt het beleid dat geldt voor aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking medische behandeling, met ingang van de datum van inwerkingtreding van onderhavig WBV, aangepast en komt de beperking medische noodsituatie te vervallen.
Op 7 oktober 2009 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie in een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer aangekondigd voornemens te zijn de verscheidenheid aan toelatingsvormen medisch te vereenvoudigen (Kamerstukken II 2009/2010, 19637, nr 1305). Naar aanleiding hiervan is het beleid dat geldt voor aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking medische behandeling, met ingang 1 juli 2010 aangepast en is de beperking medische noodsituatie komen te vervallen.
In verband met onderhavige wijziging wordt de volgende overgangsregeling getroffen:
In verband met deze wijziging is de volgende overgangsregeling getroffen:
• Aanvragen om verlening en verlenging van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking medische behandeling of vanwege medische noodsituatie die zijn ontvangen vóór 1 juli 2010, worden getoetst aan het recht dat gold ten tijde van het indienen van de aanvraag. Dit geldt tevens voor aanvragen om wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd in de beperking medische behandeling of vanwege medische noodsituatie die ontvangen zijn vóór 1 juli 2010. Dit conform artikel 3.103 Vb. Indien de aanvraag op grond van het recht dat gold ten tijde van het indienen hiervan in aanmerking zou komen voor inwilliging, zal een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking medische behandeling worden verleend.
• De verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd die vóór 1 juli 2010 is verleend onder de beperking vanwege medische noodsituatie behoudt zijn geldigheidsduur.
• De verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd die vóór 1 juli 2010 is verleend onder de beperking vanwege medische noodsituatie behoudt zijn geldigheidsduur.
• Onder de situatie bedoeld in artikel 3.46, derde lid, Vb wordt ook verstaan de situatie dat de vreemdeling ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag houder is geweest van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd verblijf vanwege medische noodsituatie of medische behandeling(vanwege het voldoen aan het beleid voor medische noodsituatie op grond van hetgeen hierover onder het eerste punt is opgenomen).
## 9. Mensenhandel
@ -7386,7 +7359,7 @@ De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt het OM in kennis van de beslissi
#### 7.2. Beperking en arbeidsmarktaantekening
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de volgende beperking: onder de beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9, arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. Op het verblijfsdocument zal evenwel worden vermeld beperking conform beschikking Staatssecretaris. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de volgende beperking: onder de beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9, arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. Op het verblijfsdocument zal evenwel worden vermeld beperking conform beschikking Minister. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.
#### 7.3. Afgifte van het verblijfsdocument
@ -7517,6 +7490,8 @@ De bijzondere bepalingen die gelden voor onderdanen van staten waarmee de EU een
Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Noord- Ierland, Griekenland, Portugal, Spanje, Finland, Oostenrijk, Zweden, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije en Roemenië. Voor het toepasselijke overgangsrecht (zie B10/8).
Voor het toepassingsgebied van zowel binnen als buiten Europa gelegen grondgebieden van lidstaten wordt verwezen naar A2/6.2.2.
#### 1.3. Partijen bij de Overeenkomst betreffende de EER
Deze Overeenkomst is gesloten tussen IJsland, Noorwegen, Liechtenstein en de onder B10/1.2 genoemde partijen.
@ -7907,7 +7882,9 @@ Het onderscheid tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig ver
Het familielid, dat niet zelf EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland is, wordt bij een verblijf van langer dan drie maanden na aanvraag in bezit gesteld van een document EU/EER, met de aantekening familielid van een burger van de Unie. De geldigheidsduur van dit document bedraagt vijf jaar vanaf de datum van afgifte, of is gelijk aan de (voorgenomen) periode van verblijf van de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland van wie het rechtmatig verblijf afhankelijk is, indien dat voorgenomen verblijf korter dan vijf jaren bedraagt. In overige gevallen wordt de geldigheidsduur van het verblijfsdocument bepaald op vijf jaren.
Op grond van artikel 23 van richtlijn 2004/38 hebben de familieleden van een burger van de Unie die in een lidstaat (duurzaam) verblijfsrecht genieten ongeacht hun nationaliteit het recht aldaar een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen. Familieleden van een burger van de Unie die op grond van het EU-recht in Nederland verblijven zijn in Nederland dus vrij op de arbeidsmarkt en hoeven niet te beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning. Op het verblijfsdocument wordt de volgende aantekening geplaatst: arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist. Dit houdt in dat het familie- of gezinslid, ongeacht de nationaliteit, het recht heeft om arbeid, al dan niet in loondienst, te verrichten. Familieleden van een burger van de Unie die op grond van het EU-recht verblijven in een aan Nederland grenzende lidstaat, mogen gelet op artikel 23 van de Richtlijn, in Nederland alleen arbeid verrichten indien de werkgever beschikt over een geldige tewerkstellingsvergunning, tenzij de Wet arbeid Vreemdelingen anders bepaalt.
Op grond van artikel 23 van richtlijn 2004/38 hebben de familieleden van een burger van de Unie die in een lidstaat (duurzaam) verblijfsrecht genieten ongeacht hun nationaliteit het recht aldaar een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen. Familieleden van een burger van de Unie die op grond van het EU-recht in Nederland verblijven zijn in Nederland dus vrij op de arbeidsmarkt. Hun werkgever hoeft niet te beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning. Op het verblijfsdocument wordt de volgende aantekening geplaatst: arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist. Dit houdt in dat het familie- of gezinslid, ongeacht de nationaliteit, het recht heeft om arbeid, al dan niet in loondienst, te verrichten. Familieleden van een burger van de Unie die op grond van het EU-recht verblijven in een andere (al dan niet aan Nederland grenzende) lidstaat, mogen gelet op artikel 23 van de Richtlijn, in Nederland alleen arbeid verrichten indien de werkgever beschikt over een geldige tewerkstellingsvergunning, tenzij de Wet arbeid Vreemdelingen anders bepaalt.
De vorenstaande alinea is in ieder geval niet van toepassing op familieleden van een burger van de Unie die direct voorafgaande aan 1 januari 2011 op grond van het EU-recht in een andere (al dan niet aan Nederland grenzende) lidstaat verbleven en arbeid verrichtten in Nederland, indien zij deze situatie vanaf 1 januari 2011 hebben gecontinueerd. Deze familieleden mogen tot 1 januari 2012 hun arbeid voortzetten zonder dat hun werkgever hoeft te beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning. Vanaf 1 januari 2012 geldt de tewerkstellingsplicht onverkort.
Bij de registratie van de burger van de Unie als economisch niet-actieve zal hij moeten aantonen dat hij voldoet aan het middelenvereiste. Indien zijn familieleden afkomstig van buiten de Europese Unie zich op een later moment bij hem willen voegen en in dit kader een aanvraag indienen om toetsing aan het gemeenschapsrecht, moet opnieuw worden getoetst aan het middelenvereiste. De burger van de Unie dient dan bewijzen te overleggen waaruit blijkt dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt voor hemzelf én zijn familieleden.
@ -8415,7 +8392,7 @@ Onder ten laste van de openbare liefdadigheid wordt verstaan ten laste van de pu
##### 6.3.1. Arbeid als zelfstandige
Op een Zwitsers onderdaan, die zich in Nederland wil vestigen om alhier economische activiteiten als zelfstandige te gaan verrichten, is artikel 3.30, eerste lid, onder a en b, Vb niet van toepassing. Dit betekent dat hij niet behoeft te voldoen aan de voorwaarden als genoemd in B5/7.5 en B5/7.7. De aanvraag hoeft dus niet aan het Ministerie van EZ te worden voorgelegd voor een toetsing aan het wezenlijk Nederlands economisch belang.
Op een Zwitsers onderdaan, die zich in Nederland wil vestigen om alhier economische activiteiten als zelfstandige te gaan verrichten, is artikel 3.30, eerste lid, onder a en b, Vb niet van toepassing. Dit betekent dat hij niet behoeft te voldoen aan de voorwaarden als genoemd in B5/7.5 en B5/7.7. De aanvraag hoeft dus niet aan het Ministerie van EL&I te worden voorgelegd voor een toetsing aan het wezenlijk Nederlands economisch belang.
De aanvraag om een verblijfsvergunning wordt echter afgewezen, indien niet is voldaan aan een of meer van de algemene voorwaarden als genoemd in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, Vw en B5/7.3 en B5/7.4.
@ -8487,14 +8464,14 @@ Het laat onverlet om maatregelen toe te passen welke noodzakelijk zijn ter handh
Onder het begrip bedrijfsuitoefening van een onderneming dient mede te worden verstaan een persoon die een Amerikaanse onderneming in Nederland vertegenwoordigt en in dienst van deze onderneming in een sleutelfunctie werkzaam is (zie artikel 2 van het Protocol). De vrije uitoefening van een beroep valt niet onder het begrip bedrijfsuitoefening van een onderneming (zie artikel 8 van het bijbehorende Protocol).
Hieronder volgt een uitleg van het begrip aanzienlijk kapitaal ten aanzien van de diverse mogelijke ondernemingsvormen (zie circulaire van de Minister van EZ van 4 november 1992, DMO/DCM/ AM92081647):
Hieronder volgt een uitleg van het begrip aanzienlijk kapitaal ten aanzien van de diverse mogelijke ondernemingsvormen (zie circulaire van de Minister van EL&I van 4 november 1992, DMO/DCM/ AM92081647):
Eenmanszaak: een zodanig kapitaal, dat de ondernemer zelfstandig het bedrijf kan exploiteren. Dit dient per geval te worden bekeken, maar als minimum wordt € 4.500 aangehouden.
Vennootschap onder firma: ten minste 25% van het firmakapitaal, met als minimum € 4.500.
Commanditaire vennootschap: voor de beherende vennoot geldt hetzelfde als bij een vennootschap onder firma. De stille vennoot oefent geen bedrijf uit en valt derhalve niet onder het bepaalde in het verdrag.
Besloten vennootschap: ten minste 25% van het gestorte kapitaal. Het gestorte kapitaal is in Nederland ten minste € 18.000, zodat het aanzienlijk kapitaal ten minste € 4.500 zal beslaan.
Naamloze vennootschap: ten minste 25% van het gestorte kapitaal. Het gestorte kapitaal is in Nederland ten minste € 45.000, zodat het aanzienlijk kapitaal ten minste € 11.250 zal beslaan.
Andere ondernemingsvormen: per geval bekijken.
Eenmanszaak: een zodanig kapitaal, dat de ondernemer zelfstandig het bedrijf kan exploiteren. Dit dient per geval te worden bekeken, maar als minimum wordt € 4.500 aangehouden.
Vennootschap onder firma: ten minste 25% van het firmakapitaal, met als minimum € 4.500.
Commanditaire vennootschap: voor de beherende vennoot geldt hetzelfde als bij een vennootschap onder firma. De stille vennoot oefent geen bedrijf uit en valt derhalve niet onder het bepaalde in het verdrag.
Besloten vennootschap: ten minste 25% van het gestorte kapitaal. Het gestorte kapitaal is in Nederland ten minste € 18.000, zodat het aanzienlijk kapitaal ten minste € 4.500 zal beslaan.
Naamloze vennootschap: ten minste 25% van het gestorte kapitaal. Het gestorte kapitaal is in Nederland ten minste € 45.000, zodat het aanzienlijk kapitaal ten minste € 11.250 zal beslaan.
Andere ondernemingsvormen: per geval bekijken.
Het dient te gaan om eigen kapitaal, niet om geleend geld. Het belegde aanzienlijk kapitaal dient op peil te worden gehouden. Dit houdt in dat het kapitaal nooit lager mag zijn dan het voor de desbetreffende ondernemingsvorm geldende minimum. De vreemdeling dient ter staving van zijn aanvraag recente cijfers over te leggen die zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige.
@ -9458,7 +9435,7 @@ Hierbij moet gedacht worden aan een verklaring van de ambassade waarin staat dat
##### 3.2.1. Inleiding
Het begrip buiten hun schuld dient hier te worden opgevat als een objectief criterium, hetgeen betekent dat de vreemdeling aan de hand van objectief toetsbare bescheiden moet kunnen aantonen dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst of van het land alwaar de persoon verblijf heeft (gehad), geen toestemming zullen verlenen aan zijn terugkeer. Veelal gaat het hierbij om het verkrijgen van vervangende reisdocumenten waarmee de vreemdeling naar het betreffende land kan reizen en op grond waarvan hij bovendien in beginsel toegang zal krijgen tot het betreffende land. Bij de pogingen om de vereiste medewerking van de betreffende autoriteiten te krijgen, alsmede om in het bezit te komen van de benodigde (vervangende) reisdocumenten, heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid.
2011530229-03-201118-03-2011WBV2011/22011530229-03-201118-03-2011WBV2011/201-04-2011
##### 3.2.2. Categorieën vreemdelingen die onder het beleid vallen
@ -9466,25 +9443,7 @@ Er zijn drie categorieën vreemdelingen die in aanmerking kunnen komen voor een
###### 3.2.2.1. Vreemdelingen die vruchteloos gepoogd hebben te vertrekken
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het hier beschreven bijzondere beleid, dient de vreemdeling zich te wenden tot de vertegenwoordiging van zijn land van herkomst en eventuele landen van eerder verblijf. De vreemdeling komt in aanmerking voor verblijf als cumulatief aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1. de vreemdeling heeft zelfstandig geprobeerd zijn vertrek te realiseren. Hij heeft zich aantoonbaar gewend tot de vertegenwoordiging van het land of de landen waarvan hij de nationaliteit heeft, dan wel tot het land of de landen waar hij als staatloze vreemdeling eerder zijn gewone verblijfplaats had, en/of tot andere landen waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang zal worden verleend; en
2. hij heeft zich gewend tot de IOM voor facilitering van zijn vertrek en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek van de vreemdeling te realiseren vanwege het feit dat de vreemdeling stelt niet te kunnen beschikken over reisdocumenten; en
3. hij heeft verzocht om bemiddeling van de DT&V bij het verkrijgen van de benodigde documenten van de autoriteiten van het land waar hij naar toe kan gaan, welke bemiddeling niet het gewenste resultaat heeft gehad; en
4. er is sprake van een samenhangend geheel van feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat betrokkene buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten; en
5. hij verblijft zonder verblijfstitel in Nederland, en voldoet niet aan andere voorwaarden voor een verblijfsvergunning.
Van de vreemdeling wordt verwacht dat hij:
zich wendt tot de autoriteiten van het land van herkomst en dat hij ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit de juiste gegevens verstrekt;
tracht op andere wijze in het bezit te komen van documenten om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen waarmee hij vervangende reisdocumenten kan verkrijgen, teneinde Nederland te kunnen verlaten, bij voorbeeld door het aanschrijven van familieleden in het land van herkomst;
vertrekt naar een derde land, indien op basis van het geheel aan feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang zal worden verleend.
Vereist is dat de vreemdeling om bemiddeling van de DT&V heeft gevraagd. De DT&V zal door middel van een ambtsbericht aangeven aan de IND of al dan niet sprake is van buitenschuld.
Het dient daarbij te gaan om objectieve, verifieerbare feiten en omstandigheden die zien op de persoon van betrokkene en die in de eerste plaats zijn onderbouwd met bescheiden. Hierbij moet gedacht worden aan een verklaring van de ambassade waarin staat dat betrokkene niet in het bezit zal worden gesteld van een vervangend reisdocument, hoewel er niet getwijfeld wordt aan de door betrokkene opgegeven identiteit en nationaliteit. Ook kan gedacht worden aan een ambtsbericht van de DT&V aan de IND waaruit blijkt dat de betreffende ambassade weigert een (vervangend) reisdocument te verstrekken hoewel de nationaliteit en identiteit niet worden betwist.
Verschillende landen van herkomst en/of nationaliteiten binnen één gezin Indien de leden van één gezin verschillende nationaliteiten hebben en/of afkomstig zijn uit verschillende landen van herkomst, dienen zij de bovenstaande stappen te ondernemen om terugkeer voor het gehele gezin naar één land te bewerkstelligen. De pogingen dienen ten aanzien van alle landen waarvan op basis van het geheel aan feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat het gezin aldaar de toegang zal worden verleend te worden ondernomen.
2011530229-03-201118-03-2011WBV2011/22011530229-03-201118-03-2011WBV2011/201-04-2011
###### 3.2.2.2. Uitgeprocedeerde Amvs
@ -9791,9 +9750,9 @@ In deze verklaring geeft de werkgever garanties met betrekking tot onder meer de
Nu de IND zich verplicht tot een versnelde procedure, is het voor de IND van belang om vast te stellen of het aannemelijk is dat de werkgever de verplichtingen die hij in de verklaring (zie artikel 3.25a VV) aangaat, ook daadwerkelijk zal (kunnen) nakomen. Daarom dient de werkgever bij de verklaring steeds de volgende stukken te overleggen:
een bewijs van inschrijving in het Handelsregister, niet ouder dan dertig dagen, verstrekt door de Kamer van Koophandel dan wel een bewijs waaruit blijkt dat inschrijving in het Handelsregister niet verplicht is;
(indien van toepassing) een bewijs dat het een bekostigde of aangewezen onderwijsinstelling of een van overheidswege direct of indirect, geheel of gedeeltelijk bekostigde of gesubsidieerde onderzoeksinstelling betreft;
een verklaring van betalingsgedrag, afgegeven door de Belastingdienst.
een bewijs van inschrijving in het Handelsregister, niet ouder dan dertig dagen, verstrekt door de Kamer van Koophandel dan wel een bewijs waaruit blijkt dat inschrijving in het Handelsregister niet verplicht is;
(indien van toepassing) een bewijs dat het een bekostigde of aangewezen onderwijsinstelling of een van overheidswege direct of indirect, geheel of gedeeltelijk bekostigde of gesubsidieerde onderzoeksinstelling betreft;
een verklaring van betalingsgedrag, afgegeven door de Belastingdienst.
Als de werkgever verzuimt deze stukken samen met de verklaring te overleggen, worden deze ten behoeve van een versnelde behandeling van verzoeken om advies of aanvragen van kennismigranten die de werkgever in dienst wil nemen, alsnog overgelegd bij het eerste verzoek om advies in verband met de afgifte van een mvv of bij de eerste aanvraag ter verlening van een verblijfsvergunning. De alsnog overgelegde stukken worden bij de beoordeling van het verzoek om advies of de verblijfsaanvraag betrokken.
@ -9801,9 +9760,9 @@ Als de stukken niet of niet volledig zijn overgelegd dan wel de inhoud van de st
Van startende ondernemingen kan niet worden verwacht dat zij een verklaring omtrent betalingsgedrag, afgegeven door de Belastingdienst, overleggen, aangezien het bedrijf nog geen (belasting) verleden in Nederland heeft. Verblijf als kennismigrant bij startende ondernemingen is evenwel mogelijk in de navolgende situaties en onder de daarbij genoemde voorwaarden. Verblijf als kennismigrant kan worden toegestaan bij:
startende vestigingen van bedrijven die onderdeel vormen van een buitenlands bedrijf. Bij de af te geven verklaring in het kader van de kennismigrantenregeling dient door het bedrijf tevens een verklaring van bekendheid te worden overgelegd, afgegeven door de Directie Buitenlandse Investeringen in Nederland, onderdeel van het ministerie van EZ. Deze verklaring wordt door DBIN uitsluitend afgegeven aan bedrijven die bij Directie Buitenlandse Investeringen in Nederland (voluit) bekend zijn en die tot vestiging in Nederland hebben besloten;
zogenaamde technostarters. Het bedrijf dient aan de hand van het verleende certificaat te tonen dat aan het bedrijf het Technopartnerlabel is verstrekt;
andere startende ondernemingen dan de bovengenoemde, dan wel bij bedrijven die niet eerder vast personeel in dienst hebben gehad, en die om die reden niet aan de hand van bovenstaande bescheiden goed werkgeverschap in het verleden kunnen aantonen. Het bedrijf in kwestie moet aan de hand van bewijsstukken aan kunnen tonen dat de financiële positie van het bedrijf zodanig is dat de verplichtingen jegens een vreemdeling die verblijf bij het bedrijf als kennismigrant heeft en de verplichtingen zoals neergelegd in de door de werkgever af te geven verklaring, zullen kunnen worden nagekomen.
startende vestigingen van bedrijven die onderdeel vormen van een buitenlands bedrijf. Bij de af te geven verklaring in het kader van de kennismigrantenregeling dient door het bedrijf tevens een verklaring van bekendheid te worden overgelegd, afgegeven door de Directie Buitenlandse Investeringen in Nederland, onderdeel van het ministerie van EL&I. Deze verklaring wordt door DBIN uitsluitend afgegeven aan bedrijven die bij Directie Buitenlandse Investeringen in Nederland (voluit) bekend zijn en die tot vestiging in Nederland hebben besloten;
zogenaamde technostarters. Het bedrijf dient aan de hand van het verleende certificaat te tonen dat aan het bedrijf het Technopartnerlabel is verstrekt;
andere startende ondernemingen dan de bovengenoemde, dan wel bij bedrijven die niet eerder vast personeel in dienst hebben gehad, en die om die reden niet aan de hand van bovenstaande bescheiden goed werkgeverschap in het verleden kunnen aantonen. Het bedrijf in kwestie moet aan de hand van bewijsstukken aan kunnen tonen dat de financiële positie van het bedrijf zodanig is dat de verplichtingen jegens een vreemdeling die verblijf bij het bedrijf als kennismigrant heeft en de verplichtingen zoals neergelegd in de door de werkgever af te geven verklaring, zullen kunnen worden nagekomen.
Bij vreemdelingen die een bedrijf uitoefenen op grond van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, kan verblijf als kennismigrant worden toegestaan. In het geval het bedrijf van deze vreemdeling een startende onderneming is, gelden voor wat betreft verblijf van vreemdelingen als kennismigrant bij dat bedrijf, de hierboven genoemde voorwaarden die van toepassing zijn op startende ondernemingen.
@ -9815,12 +9774,12 @@ De verklaring dient elektronisch door de werkgever te worden ingevuld. De door d
Als het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND de volledig ingevulde en ondertekende verklaring, vergezeld van de hierboven genoemde stukken heeft ontvangen, stuurt het loket de werkgever een ontvangstbevestiging. Als de te overleggen stukken geheel of gedeeltelijk ontbreken, wordt de werkgever erop gewezen dat de ontbrekende stukken alsnog in het kader van het eerste verzoek om advies in verband van de afgifte van een mvv dan wel de eerste verblijfsaanvraag dienen te worden overgelegd. Bij de ontvangstbevestiging krijgt de werkgever een toegangscode waarmee hij op de website van de IND toegang krijgt tot:
het formulier Verzoek om advies afgifte mvv kennismigrant;
het aanvraagformulier: Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant;
het aanvraagformulier: Aanvraag verblijfsvergunning of wijziging beperking zonder mvv;
het formulier verzoek om advies voor afgifte van mvv, nareizend gezinslid kennismigrant;
het aanvraagformulier verblijfsvergunning regulier zonder mvv, nareizend gezinslid kennismigrant;
het aanvraagformulier verblijfsvergunning regulier met mvv, nareizend gezinslid kennismigrant.
het formulier Verzoek om advies afgifte mvv kennismigrant;
het aanvraagformulier: Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant;
het aanvraagformulier: Aanvraag verblijfsvergunning of wijziging beperking zonder mvv;
het formulier verzoek om advies voor afgifte van mvv, nareizend gezinslid kennismigrant;
het aanvraagformulier verblijfsvergunning regulier zonder mvv, nareizend gezinslid kennismigrant;
het aanvraagformulier verblijfsvergunning regulier met mvv, nareizend gezinslid kennismigrant.
#### 4.2. Verzoek om advies
@ -10355,18 +10314,22 @@ Daarnaast kan als uitwerking van de onder d en f genoemde factoren gedacht worde
Indien sprake is van in Nederland geboren kinderen, dan wel kinderen met (tevens) de Nederlandse nationaliteit en aannemelijk wordt gemaakt dat deze kinderen niet eenvoudig op te lossen problemen ondervinden bij toegang tot een schoolopleiding wordt aan deze factor in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend.
Aan deze factor wordt in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend. Dit betekent dat naast deze factor niet aan één van de andere factoren (genoemd onder a tot en met d en f) dient te worden getoetst.. Geweld, waaronder seksueel geweld, dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie, wordt aangetoond aan de hand van:
Aan deze factor wordt in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend. Dit betekent dat naast deze factor niet aan één van de andere factoren (genoemd onder a tot en met d en f) dient te worden getoetst. Geweld, waaronder seksueel geweld, dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie, wordt aangetoond aan de hand van:
gegevens van de politie, bijvoorbeeld de melding van een incident, mits bij de politie voldoende aannemelijk is gemaakt dat het geweld heeft plaats gevonden, of een proces-verbaal van de aangifte; en
een verklaring van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener. De vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; of
gegevens over verblijf in een blijf-van-mijn-lijfhuis; of
• andere gegevens, voorzover het gaat objectieve gegevens uit betrouwbare bron.
recente gegevens van de politie, bijvoorbeeld een recent proces-verbaal van de aangifte van huiselijk geweld of een recente melding van huiselijk geweld. In beide gevallen moet bij de politie voldoende aannemelijk gemaakt zijn dat het geweld heeft plaatsgevonden; en
recente informatie van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener. De vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; of
recente gegevens over verblijf in de opvang; of
• andere recente gegevens, voorzover het gaat objectieve gegevens uit betrouwbare bron.
In gevallen waarin het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld, dus zonder dat betrokkene aangifte van (seksueel) geweld heeft gedaan, kan geweld worden aangetoond door middel van een verklaring van het OM dan wel van de politie. Tevens is vereist:
Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van huiselijk geweld, dat geleid heeft tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
• een verklaring van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener, de vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; of
• gegevens over verblijf in een blijf-van-mijn-lijfhuis; of
• andere gegevens, voorzover het gaat objectieve gegevens uit betrouwbare bron.
In gevallen waarin het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld, dus zonder dat betrokkene aangifte van (seksueel) geweld heeft gedaan, kan geweld worden aangetoond door middel van een recente verklaring van het OM dan wel van de politie. Tevens is vereist:
• recente informatie van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener, de vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; of
• recente gegevens over verblijf in de opvang; of
• andere recente gegevens, voorzover het gaat objectieve gegevens uit betrouwbare bron.
Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van huiselijk geweld, dat geleid heeft tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
Hierbij is niet van belang wie tot verbreking van de (huwelijks)relatie heeft besloten.
@ -10950,7 +10913,7 @@ Voor zover op de vreemdeling de plicht berust om te beschikken over een mvv, die
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden bij (naam religieuze of levensbeschouwelijke groepering).
Op het verblijfsdocument dat aan de vreemdeling wordt verstrekt, wordt de beperking vermeld verblijf conform beschikking Staatssecretaris.
Op het verblijfsdocument dat aan de vreemdeling wordt verstrekt, wordt de beperking vermeld verblijf conform beschikking Minister.
De verblijfsvergunning voor verblijf voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden wordt conform artikel 3.57 Vb voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd.
@ -11084,14 +11047,16 @@ Er kan een verblijfsvergunning worden verleend:
3. die geen relatie heeft met eer; en
4. waaraan het slachtoffer zich niet kan onttrekken door vestiging in het land van herkomst.
De vreemdeling toont de (reële dreiging van) huiselijk geweld aan met:
De vreemdeling toontde (reële dreiging van) huiselijk geweld aan met:
a. recente gegevens van de politie, bijvoorbeeld de recente melding van een incident, mits bij de politie voldoende aannemelijk is gemaakt dat het geweld heeft plaats gevonden, of een recent proces-verbaal van de aangifte; en
a. recente gegevens van de politie, bijvoorbeeld een recent proces-verbaal van de aangifte van huiselijk geweld of een recente melding van huiselijk geweld. In beide gevallen moet bij de politie voldoende aannemelijk zijn gemaakt dat het geweld heeft plaatsgevonden; en
b. recente informatie van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener; de vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; of
c. recente gegevens over verblijf in een blijf-van-mijn-lijfhuis; of
c. recente gegevens over verblijf in de opvang; of
d. andere recente gegevens, voorzover het gaat om objectieve gegevens uit betrouwbare bron.
In gevallen waarin het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld, dus zonder dat de betrokkene aangifte van geweld heeft gedaan, kan geweld worden aangetoond door middel van een recente verklaring van het OM dan wel van de politie. Tevens is vereist: recente informatie van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener; de vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; of recente gegevens over verblijf in een blijf-van-mijn-lijfhuis; of andere recente gegevens, voorzover het gaat objectieve gegevens uit betrouwbare bron.
Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van (een reële dreiging van) huiselijk geweld, die heeft geleid tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
In gevallen waarin het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld, dus zonder dat de betrokkene aangifte van geweld heeft gedaan, kan geweld worden aangetoond door middel van een recente verklaring van het OM dan wel van de politie. Tevens is vereist: recente informatie van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener; de vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; of recente gegevens over verblijf in de opvang; of andere recente gegevens, voorzover het gaat objectieve gegevens uit betrouwbare bron. Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van (een reële dreiging van) huiselijk geweld, die geleid heeft tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
Hierbij is het niet van belang wie tot verbreking van de (huwelijks)relatie heeft besloten. Alleen bij minderjarige slachtoffers is het in verband met de leeftijd niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.