2007-01-01 | BWBR0011919 | Wet bevordering eigenwoningbezit

This commit is contained in:
Coornhert 2007-01-01 12:00:00 +00:00
parent 4a9e243097
commit 4e9fa6ebd6

View file

@ -21,32 +21,24 @@ citeertitel: Wet bevordering eigenwoningbezit
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. bestaande woning: woning die al voor de eigendomsoverdracht werd bewoond;
b. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de woning is gelegen waarop de eigenwoningbijdrage of de bijzondere bijdrage, bedoeld in artikel 34, betrekking heeft;
b. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de woning is gelegen waarop de eigenwoningbijdrage betrekking heeft;
c. bijdragejaar: jaar dat begint met de eerste volle kalendermaand waarin degene die de eigenwoningbijdrage aanvraagt de woning in eigendom heeft verkregen en loopt tot en met de elfde daaropvolgende kalendermaand, en de direct daarop aansluitende jaren;
d. driejaarstijdvak: aaneengesloten periode van drie bijdragejaren;
e. eigenaar-bewoner: natuurlijke persoon die, alleen of gezamenlijk met een persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a of b, een woning volledig in eigendom verkrijgt en daarin zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben;
f. eigenwoningbijdrage: financiële bijdrage krachtens deze wet, met uitzondering van de bijzondere bijdrage, bedoeld in artikel 34;
g. financier: financiële instelling die de hypothecaire lening verstrekt;
h. fiscaal effect: naar een maandbedrag herrekend jaarlijks terugkerend belastingvoordeel dat een huishouden met een eigen woning heeft ten opzichte van andere huishoudens, gebaseerd op aftrekbaarheid van de te betalen hypotheekrente enerzijds, en bijtelling van het huurwaardeforfait anderzijds;
i. hypothecaire lening: lening of krediet in rekening-courant ter financiering van de kosten van het in eigendom verkrijgen van de woning in verband met welke een eigenwoningbijdrage wordt aangevraagd, met als zekerheid hypotheek op die woning, niet zijnde een zodanige lening die of krediet dat voor de inwerkingtreding van deze wet is gesloten of verleend;
j. hypotheekrente: te betalen bedrag aan rente over de hypothecaire lening, blijkens de geldleningsovereenkomst;
k. nieuwbouwwoning: woning die voor de eigendomsoverdracht nooit bewoond is geweest;
l. normlasten: gedeelte van de hypotheekrente dat per maand ten minste voor rekening van de eigenaar-bewoner blijft;
m. normrente: genormeerd maandbedrag aan rente over de hypothecaire lening;
n. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
o. peildatum: eerste dag van het driejaarstijdvak, respectievelijk, in artikel 40, eerste dag die volgt op het vijfde driejaarstijdvak;
p. peiljaar: kalenderjaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar, of, als dat kalenderjaar minder dan een half jaar voor het bijdragejaar eindigt, het kalenderjaar dat voorafgaat aan dat kalenderjaar;
q. primaire toekenning: toekenning van de eigenwoningbijdrage voor het eerste driejaarstijdvak;
r. rekeninkomen, rekenvermogen: het rekeninkomen en het rekenvermogen, bedoeld in artikel 3 respectievelijk artikel 4;
s. standplaats: standplaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van de Woningwet;
t. verkrijgen in eigendom:
d. eigenaar-bewoner: natuurlijke persoon die, alleen of gezamenlijk met een persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a of b, een woning volledig in eigendom verkrijgt en daarin zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben;
e. eigenwoningbijdrage: financiële bijdrage krachtens deze wet;
f. financieringslast: te betalen bedrag aan rente over en aflossing van de hypothecaire lening, blijkens de geldleningsovereenkomst;
g. financieringslastnorm: gedeelte van de financieringslast dat per maand ten minste voor rekening van de eigenaar-bewoner blijft, uitgedrukt in een percentage van het toetsinkomen;
h. fiscaal effect: naar een maandbedrag herrekend jaarlijks terugkerend belastingvoordeel dat een huishouden met een eigen woning heeft ten opzichte van andere huishoudens, gebaseerd op aftrekbaarheid van het blijkens de geldleningsovereenkomst te betalen bedrag aan rente over de hypothecaire lening enerzijds, en bijtelling van het eigenwoningforfait anderzijds;
i. nieuwbouwwoning: woning die voor de eigendomsoverdracht nooit bewoond is geweest;
j. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
k. peildatum: eerste dag van het vijfjaarstijdvak, respectievelijk in artikel 40, eerste dag die volgt op het derde vijfjaarstijdvak;
l. peiljaar: kalenderjaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar, of, als dat kalenderjaar minder dan een half jaar voor het bijdragejaar eindigt, het kalenderjaar dat voorafgaat aan dat kalenderjaar;
m. primaire toekenning: toekenning van de eigenwoningbijdrage voor het eerste vijfjaarstijdvak;
n. toetsinkomen: toetsinkomen, bepaald volgens artikel 3;
o. toetsrente: rentetarief waartegen een hypothecaire lening kan worden afgesloten;
p. toetsvermogen: toetsvermogen, bedoeld in artikel 4;
q. vijfjaarstijdvak: aaneengesloten periode van vijf bijdragejaren.
1 ^e. verwerven van de eigendom;
2 ^e. verkrijgen van een recht van opstal, een recht van erfpacht, een appartementsrecht of een ander beperkt recht, of
3 ^e. verkrijgen van een lidmaatschapsrecht van een coöperatie, waaraan verbonden het recht van gebruik en bewoning;
u. woonwagen: woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Woningwet.
**2.** In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder woning: woonwagen en standplaats tezamen.
**2.** In deze wet, behoudens de artikelen 17 en 20, en de daarop berustende bepalingen wordt onder bestaande woning, nieuwbouwwoning en woning mede verstaan de daarbij behorende grond.
### Artikel 1a
@ -70,59 +62,30 @@ b. degene die gezamenlijk met de eigenaar-bewoner de woning bewoont en daarin me
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. eenpersoonshuishouden: het huishouden van een eigenaar-bewoner die jonger dan 65 jaar was op 1 januari van het peiljaar, en waartoe geen persoon behoort als bedoeld in het eerste lid, onder a en b;
b. tweepersoonshuishouden: het huishouden van een eigenaar-bewoner waartoe een persoon behoort als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, als het aandeel in het rekeninkomen, afkomstig van degenen die op 1 januari van het peiljaar 65 jaar of ouder waren, de helft of minder bedraagt;
b. tweepersoonshuishouden: het huishouden van een eigenaar-bewoner waartoe een persoon behoort als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, als het aandeel in het toetsinkomen, afkomstig van degenen die op 1 januari van het peiljaar 65 jaar of ouder waren, de helft of minder bedraagt;
c. eenpersoonsouderenhuishouden: het huishouden van een eigenaar-bewoner die 65 jaar of ouder was op 1 januari van het peiljaar, en waartoe geen persoon behoort als bedoeld in het eerste lid, onder a en b;
d. tweepersoonsouderenhuishouden: het huishouden van een eigenaar-bewoner waartoe een persoon behoort als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, als het aandeel in het rekeninkomen, afkomstig van degenen die op 1 januari van het peiljaar 65 jaar of ouder waren, meer dan de helft bedraagt.
d. tweepersoonsouderenhuishouden: het huishouden van een eigenaar-bewoner waartoe een persoon behoort als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, als het aandeel in het toetsinkomen, afkomstig van degenen die op 1 januari van het peiljaar 65 jaar of ouder waren, meer dan de helft bedraagt.
### Artikel 3
**1.**
Het rekeninkomen, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, is:
Het toetsinkomen, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, is:
a. bij een primaire toekenning: het gezamenlijke inkomen over het peiljaar van degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner, verminderd met:
a. bij een primaire toekenning: de ten aanzien van degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner berekende som van de toetsinkomens in de zin van de voorwaarden en normen voor de onder auspiciën van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale Hypotheek Garantie, zoals deze jaarlijks in de Staatscourant worden gepubliceerd, en
b. bij een andere toekenning dan een primaire: die som, vermeerderd met het naar een jaarbedrag herrekend fiscaal effect.
1°. voor een eenpersoonshuishouden: € 1 605;
2°. voor een tweepersoonshuishouden: € 3 210;
3°. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: € 487;
4°. voor een tweepersoonsouderenhuishouden: € 974, en
b. bij een andere toekenning dan een primaire: dat gezamenlijk inkomen, vermeerderd met het naar een jaarbedrag herrekend fiscaal effect.
**2.** Bij de bepaling van het gezamenlijk inkomen wordt elk persoonlijk inkomen dat negatief is op nul gesteld.
**3.**
In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt onder inkomen verstaan:
a. als over het peiljaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
b. in een ander geval dan bedoeld onder a: het belastbare loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964.
**4.** De inspecteur, onder wie de eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden behoort krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteert voor de heffing van de inkomstenbelasting, verstrekt op verzoek van Onze Minister het verzamelinkomen of het belastbare loon in het peiljaar van de desbetreffende eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden behoort, aan Onze Minister volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
**5.** Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen.
**2.** Bij de bepaling van de som volgens het eerste lid wordt elk toetsinkomen als bedoeld onder a van dat lid dat negatief is, op nul gesteld.
### Artikel 4
**1.** Het rekenvermogen, bedoeld in deze wet en de bepalingen die daarop berusten, is het gezamenlijk vermogen van degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner in het peiljaar.
**1.** Het toetsvermogen, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, is het gezamenlijk vermogen van degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner.
**2.** Onder vermogen wordt verstaan: de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat die grondslag wordt bepaald zonder rekening te houden met de vrijstelling maatschappelijke beleggingen, bedoeld in afdeling 5.3 van die wet en de vrijstelling beleggingen in durfkapitaal, bedoeld in afdeling 5.3a van die wet.
### Artikel 5
**1.**
De kosten van het verkrijgen in eigendom van een woning, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, zijn:
a. als de woning een nieuwbouwwoning is: de koopsom, de aanneemsom van de woning en de kosten van werkzaamheden die niet in de aanneemsom begrepen zijn, vermeerderd met 8 procent van de som van deze kostenposten en van kostenposten als bedoeld in het tweede lid, of
b. als de woning een bestaande woning is: de koopsom tot ten hoogste de getaxeerde onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik als vastgelegd in het taxatierapport, bedoeld in artikel 18, eerste lid, welke verkoopwaarde bij het treffen van voorzieningen wordt gesteld op die verkoopwaarde na voltooiing daarvan, of, bij achterstallig onderhoud, wordt vermeerderd met de kosten van herstel van achterstallig onderhoud als vastgelegd in het bouwkundig rapport, bedoeld in artikel 19, onder a, waarbij wordt uitgegaan van uitvoering van dat onderhoud door anderen dan de eigenaar-bewoner, waarna de aldus vermeerderde verkoopwaarde wordt vermeerderd met 12 procent van de som van die verkoopwaarde en van kostenposten als bedoeld in het tweede lid.
**2.**
Tot de kosten van het in eigendom verkrijgen van de woning, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, kunnen behoren:
a. kosten van afkoop van een toekomstige erfpachtcanon;
b. een afkoopsom in verband met toekomstig onderhoud van de woning, en
c. een eenmalige premiestorting in verband met een verzekering welke de maandelijkse hypotheeklasten geheel of gedeeltelijk uitkeert bij arbeidsongeschiktheid of werkloosheid.
Vervallen
## Hoofdstuk 2. Het recht op de eigenwoningbijdrage voor het in eigendom verkrijgen en vervolgens kunnen blijven bewonen van een woning
@ -134,18 +97,18 @@ c. een eenmalige premiestorting in verband met een verzekering welke de maandeli
Als aan deze wet wordt voldaan, kent Onze Minister, ter tegemoetkoming in de kosten van het in eigendom verkrijgen en vervolgens kunnen blijven bewonen van een woning, op aanvraag aan de eigenaar-bewoner:
a. vijf maal een eigenwoningbijdrage toe over vijf achtereenvolgende driejaarstijdvakken, en vervolgens
b. een maal een eigenwoningbijdrage toe over ten hoogste de 15 bijdragejaren die direct volgen op het vijfde driejaarstijdvak, overeenkomstig hoofdstuk 5.
a. drie maal een eigenwoningbijdrage toe over drie achtereenvolgende vijfjaarstijdvakken, en vervolgens
b. een maal een eigenwoningbijdrage toe over ten hoogste de 15 bijdragejaren die direct volgen op het derde vijfjaarstijdvak, overeenkomstig hoofdstuk 5.
**2.** Ten aanzien van een bepaalde eigenaar-bewoner kan slechts één maal van een primaire toekenning sprake zijn.
**3.** Een eigenwoningbijdrage wordt slechts toegekend ten behoeve van het in eigendom verkrijgen en vervolgens kunnen blijven bewonen van een woning.
**4.** Bij verhuizing van de eigenaar-bewoner na de primaire toekenning blijft het in het eerste lid bedoelde recht op een eigenwoningbijdrage in stand, mits hij de woning naar welke hij verhuist in eigendom verkrijgt en vervolgens bewoont en de situatie, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder a, b en c, zich niet voordoet.
**4.** Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is, met uitzondering van afdeling 4.2.2 van die titel, niet van toepassing op eigenwoningbijdragen krachtens deze wet.
**5.** Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op eigenwoningbijdragen krachtens deze wet.
**5.** De hoofdstukken 2 en 3 van deze wet zijn uitsluitend van toepassing op eigenwoningbijdragen als bedoeld in het eerste lid, onder a, tenzij hoofdstuk 5 van deze wet anders bepaalt.
**6.** De hoofdstukken 2 en 3 van deze wet zijn uitsluitend van toepassing op eigenwoningbijdragen als bedoeld in het eerste lid, onder a, tenzij hoofdstuk 4 of 5 van deze wet anders bepaalt.
**6.** Bij ministeriële regeling kan een bedrag worden vastgesteld, dat gedurende een kalenderjaar ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van eigenwoningbijdragen krachtens deze wet, en kan worden bepaald dat, indien een zodanig bedrag in een kalenderjaar niet geheel aan die verstrekking wordt besteed, het niet bestede bedrag wordt toegevoegd aan het bedrag voor het direct daaropvolgende kalenderjaar. Onze Minister maakt het voor het einde van een kalenderjaar geheel aan die verstrekking besteed zijn van het bedrag voor dat kalenderjaar onverwijld bekend in de Staatscourant.
### Paragraaf 2. Eisen die gelden voor elke toekenning
@ -159,44 +122,17 @@ b. een maal een eigenwoningbijdrage toe over ten hoogste de 15 bijdragejaren die
### Artikel 8
**1.**
Het norminkomen bedraagt:
a. € 16 948,69 per 1 juli 2006: € 19.250bij een eenpersoonshuishouden;
b. € 22 711,70 per 1 juli 2006: € 25.825bij een tweepersoonshuishouden;
c. € 15 042,81per 1 juli 2006: € 17.086,93 bij een eenpersoonsouderenhuishouden;
d. € 19 625,99 per 1 juli 2006: € 22.284,03 bij een tweepersoonsouderenhuishouden.
**2.** Het norminkomen, genoemd in het eerste lid, onderdelen c en d, wordt vermeerderd met het bedrag van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 33b van de Algemene Ouderdomswet, per kalenderjaar, onderscheidenlijk twee maal dat bedrag.
**3.**
Een eigenwoningbijdrage wordt niet toegekend als het rekeninkomen meer bedraagt dan:
a. het norminkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, of
b. de som van de bedragen, genoemd in het eerste lid, onderdelen c of d, en bedoeld in het tweede lid.
**4.** De in het eerste lid genoemde bedragen worden met ingang van 1 juli van elk jaar aangepast overeenkomstig artikel 41.
Vervallen
### Artikel 9
**1.**
Een eigenwoningbijdrage wordt niet toegekend als het rekenvermogen meer bedraagt dan:
a. € 18 378,10 per 1 juli 2006: € 20.900bij een eenpersoonshuishouden, als de eigenaar-bewoner op de laatste dag van het eerste bijdragejaar van een driejaarstijdvak jonger is dan 65 jaar;
b. het bedrag, bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dit luidt in het peiljaar, bij een tweepersoonshuishouden, als de eigenaar-bewoner en degene die tot diens huishouden behoort op de laatste dag van het eerste bijdragejaar van een driejaarstijdvak jonger zijn dan 65 jaar;
c. € 31 424,28 per 1 juli 2006: € 35.725bij een eenpersoonshuishouden of een eenpersoonsouderenhuishouden, als de eigenaar-bewoner op de laatste dag van het eerste bijdragejaar van een driejaarstijdvak 65 jaar of ouder is;
d. € 43 517,52 per 1 juli 2006: € 49.475bij een tweepersoonshuishouden of een tweepersoonsouderenhuishouden, als de eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden behoort op de laatste dag van het eerste bijdragejaar van een driejaarstijdvak 65 jaar of ouder is.
**2.** De in het eerste lid, onderdelen a, c en d, genoemde bedragen worden met ingang van 1 juli van elk jaar aangepast overeenkomstig artikel 41.
Een eigenwoningbijdrage wordt niet toegekend als het toetsvermogen voor een eenpersoonshuishouden of een eenpersoonsouderenhuishouden meer bedraagt dan het bedrag, genoemd in artikel 5.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, en voor een tweepersoonshuishouden of een tweepersoonsouderenhuishouden meer bedraagt dan het bedrag, genoemd in artikel 5.5, tweede lid, van die wet.
### Artikel 10
**1.** Een eigenwoningbijdrage wordt slechts toegekend als, tot zekerheid van de nakoming door de eigenaar-bewoner van de verplichtingen uit hetzij de hypothecaire lening hetzij een daaropvolgende lening of daaropvolgend krediet in rekening-courant ter financiering van het in eigendom verkrijgen van een woning met als zekerheid hypotheek op die woning, voor die lening of dat krediet een garantie is afgegeven door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen of een instelling die daarmee, op het punt van de garantieverstrekking, naar het oordeel van Onze Minister vergelijkbaar is.
**1.** Een eigenwoningbijdrage wordt slechts toegekend als, tot zekerheid van de nakoming door de eigenaar-bewoner van de verplichtingen uit hetzij de hypothecaire lening hetzij een daaropvolgende lening of daaropvolgend krediet in rekening-courant ter financiering van het in eigendom verkrijgen van een woning met als zekerheid hypotheek op die woning, voor die lening of dat krediet een garantie is afgegeven door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen.
**2.** De af te geven garantie is de onder auspiciën van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale Hypotheek Garantie. De voorwaarden en normen voor die garantie zijn van toepassing, tenzij deze wet anders bepaalt.
**2.** De af te geven garantie is de garantie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a. De in dat artikelonderdeel bedoelde voorwaarden en normen voor die garantie zijn van toepassing, tenzij deze wet anders bepaalt.
### Paragraaf 3. Eisen die slechts gelden voor primaire toekenningen
@ -204,19 +140,7 @@ d. € 43 517,52 per 1 juli 2006: € 49.475bij een tweepersoonshuishouden of
### Artikel 11
**1.**
Voor een primaire toekenning is vereist dat:
a. de eigenaar-bewoner op de peildatum 23 jaar of ouder is en
b. het rekeninkomen ten minste gelijk is aan:
1 ^e. voor een eenpersoonshuishouden: de naar een jaarinkomen in het peiljaar herrekende som van de bedragen, bedoeld in de artikelen 21, onder a, en 25, tweede lid, van de Wet werk en bijstand, of een daarmee, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, vergelijkbaar bedrag;
2 ^e. voor een tweepersoonshuishouden: het naar een jaarinkomen in het peiljaar herrekende bedrag, bedoeld in artikel 21, onder c, van de Wet werk en bijstand, of een daarmee, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, vergelijkbaar bedrag;
3 ^e. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: het naar een jaarinkomen in het peiljaar herrekende bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet, en de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 33b van die wet, per kalenderjaar, en verder vermeerderd met € 1675, of een met dat aldus vermeerderde bedrag, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, vergelijkbaar bedrag;
4 ^e. voor een tweepersoonsouderenhuishouden: twee maal het naar een jaarinkomen in het peiljaar herrekende bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, en twee maal de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 33b van die wet, per kalenderjaar, en verder vermeerderd met € 1050, of een met dat aldus vermeerderde bedrag, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, vergelijkbaar bedrag.
**2.** In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kan een eigenwoningbijdrage worden toegekend als de eigenaar-bewoner in de aanvraag aannemelijk maakt dat op het tijdstip van indiening daarvan wordt voldaan aan het eerste lid, onder b.
Voor een primaire toekenning is vereist dat de eigenaar-bewoner op de peildatum 18 jaar of ouder is.
### Artikel 12
@ -230,22 +154,13 @@ Op een primaire toekenning is artikel 7 niet van toepassing, voorzover de bewoni
a. omdat een nieuwbouwwoning nog niet bewoonbaar is;
b. omdat een bestaande woning nog door de vorige bewoner wordt bewoond, of
c. omdat in een bestaande woning achterstallig onderhoud wordt verricht als bedoeld in artikel 19.
c. omdat in een bestaande woning achterstallig onderhoud wordt verricht.
**2.** In een geval als bedoeld in het eerste lid kan de eigenwoningbijdrage worden ingetrokken als de inschrijving of de bewoning niet heeft plaatsgevonden binnen negen maanden na de peildatum. De intrekking vindt plaats met ingang van de eerste dag van de kalendermaand die volgt na de afloop van die termijn van negen maanden.
**2.** In een geval als bedoeld in het eerste lid kan de eigenwoningbijdrage worden ingetrokken als de inschrijving of de bewoning niet heeft plaatsgevonden bij een situatie als bedoeld in onderdeel a van dat artikellid binnen negen maanden na de gereedgemelde woning of bij een situatie als bedoeld in de onderdelen b en c van dat artikellid binnen negen maanden na de peildatum. De intrekking vindt plaats met ingang van de eerste dag van de kalendermaand die volgt na de afloop van die termijn van negen maanden.
### Artikel 14
Voor een primaire toekenning is vereist dat, op het moment dat de aanvraag voor de eigenwoningbijdrage bij Onze Minister wordt ingediend:
a. de eigenaar-bewoner:
1°. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld, of
2°. vreemdeling is en rechtmatig verblijf houdt als bedoeld in artikel 8, onder b, d, e of l, van de Vreemdelingenwet 2000, en
b. degene die tot het huishouden van de eigenaar-bewoner behoort:
1°. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld, of
2°. vreemdeling is en rechtmatig verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.
Vervallen
#### Paragraaf 3.2. Eisen aan de woning
@ -255,16 +170,14 @@ b. degene die tot het huishouden van de eigenaar-bewoner behoort:
Voor een primaire toekenning is vereist dat:
a. de kosten van het verkrijgen in eigendom van de woning niet hoger zijn dan f 259 800per 1 juli 2006: € 134.925 en
b. het bedrag van de hypothecaire lening niet hoger is dan f 207 800 per 1 juli 2006: € 107.950.
a. de koopsom van de woning niet hoger is dan € 158 850, en
b. het bedrag van de hypothecaire lening niet hoger is dan het bedrag, genoemd onder a, vermeerderd met 8 procent.
**2.** De in het eerste lid genoemde bedragen kunnen worden aangepast overeenkomstig artikel 41.
**2.** Het in het eerste lid, onder a, genoemde bedrag kan worden aangepast overeenkomstig artikel 41.
### Artikel 16
**1.** Bij algemene maatregel van bestuur kan, gelet op de ontwikkeling van de regionale woningmarkt, voor ten hoogste zes provincies worden bepaald dat de maximale kosten van het verkrijgen in eigendom en de maximale hypothecaire lening, bedoeld in artikel 15, eerste lid, in afwijking van dat artikellid hoger worden vastgesteld, mits bij die maatregel tevens voor een gelijk aantal andere provincies, eveneens gelet op de ontwikkeling van de regionale woningmarkt, de maximale kosten van verkrijging in eigendom en de maximale hypothecaire lening met dienovereenkomstige bedragen lager worden vastgesteld.
**2.** In een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op welke wijze de daarin opgenomen bedragen worden of kunnen worden aangepast.
Vervallen
### Artikel 17
@ -272,22 +185,11 @@ Voor een primaire toekenning ten behoeve van een nieuwbouwwoning is vereist dat
### Artikel 18
**1.**
Voor een primaire toekenning ten behoeve van een bestaande woning is een taxatierapport vereist:
a. dat is opgemaakt door een taxateur of makelaar in onroerende zaken die niet is betrokken bij de overdracht of de financiering;
b. dat is opgemaakt met inachtneming van het laatst uitgegeven terzake relevante model van de betrokken beroepsverenigingen;
c. dat op het tijdstip van acceptatie van de offerte, bedoeld in artikel 42, eerste lid, niet ouder is dan een jaar.
**2.** In geval van achterstallig onderhoud wordt bij de vaststelling van de taxatiewaarde verondersteld dat dat onderhoud volledig is verricht.
Vervallen
### Artikel 19
Indien bij een aanvraag ten behoeve van een bestaande woning uit het taxatierapport blijkt dat de kosten van het verrichten van achterstallig onderhoud aan de woning ten minste ééntiende deel bedragen van de waarde van de woning na het verrichten van het achterstallig onderhoud, is voor een primaire toekenning vereist:
a. dat bij dat taxatierapport een bouwkundig rapport is gevoegd dat is opgesteld door de gemeente waar de woning gelegen is, een bouwkundig bedrijf dat als zodanig is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, of een andere instantie die in het kader van de toepassing van de voorwaarden en normen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, daartoe bevoegd is, en
b. dat de kosten van het verrichten van het achterstallig onderhoud kunnen worden voldaan, en de daartoe benodigde financiële middelen bij de financier in depot blijven tot het achterstallig onderhoud is verricht.
Vervallen
### Artikel 20
@ -295,50 +197,23 @@ Voor een primaire toekenning ten behoeve van een bestaande woning is vereist dat
### Artikel 21
**1.**
Voor een primaire toekenning ten behoeve van het in eigendom verkrijgen van een woonwagen en standplaats tezamen is vereist dat de woonwagen op de peildatum:
a. is geplaatst op een standplaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Huisvestingswet, of op een regionaal woonwagencentrum dat tot stand is gekomen voor 1 oktober 1970, en
b. voldoet aan de eisen, daaraan gesteld krachtens de Woningwet.
**2.** Voor een primaire toekenning is vereist dat deze niet is ten behoeve van het in eigendom verkrijgen van een woonschip.
Vervallen
#### Paragraaf 3.3. Overige eisen
### Artikel 22
**1.**
Voor een primaire toekenning is vereist dat de woning niet in eigendom is verkregen onder voorwaarden die:
a. de beschikkingsmacht van de eigenaar-bewoner over de woning op enigerlei wijze inperken, voorzover niet rechtstreeks voortvloeiend uit Boek 5, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek, of
b. inhouden dat de financiële voordelen als gevolg van vervreemding van de woning door de eigenaar-bewoner mede aan anderen dan de eigenaar-bewoner ten goede komen, een en ander behoudens het recht van een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet om beperkingen te stellen als bedoeld in het tweede, derde en vierde lid.
**2.**
In het kader van de eigendomsoverdracht van een woning kan worden overeengekomen:
a. dat de eigenaar-bewoner de woning gedurende ten hoogste vijf jaar na die eigendomsoverdracht niet vervreemdt, en
b. dat de eigenaar-bewoner, als hij voornemens is de woning te vervreemden binnen 15 jaar na die eigendomsoverdracht, deze bij voorrang ter verkrijging dient aan te bieden aan de toegelaten instelling of diens rechtsopvolger, een en ander tegen de dan geldende onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik.
**3.**
Indien een woning wordt verkocht en geleverd voor minder dan de stichtingskosten of voor minder dan de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik, kan in het kader van de eigendomsoverdracht worden overeengekomen dat bij vervreemding van de woning door de eigenaar-bewoner gedurende ten hoogste 30 jaar na zijn eigendomsverkrijging, aan degene van wie hij de woning in eigendom heeft verkregen, geheel of gedeeltelijk wordt terugbetaald:
a. indien de woning een nieuwbouwwoning is: het verschil tussen de stichtingskosten en het door de eigenaar-bewoner betaalde bedrag, eventueel vermeerderd met ten hoogste de ontwikkeling van de consumentenprijzen (alle huishoudens);
b. indien de woning een bestaande woning is en laatstelijk voor de eigendomsoverdracht werd bewoond door een ander dan de eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden behoort: het verschil tussen de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik en het door de eigenaar-bewoner betaalde bedrag, eventueel vermeerderd met ten hoogste de ontwikkeling van de consumentenprijzen (alle huishoudens), of
c. indien de woning een bestaande woning is en de eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden behoort die woning laatstelijk voor de eigendomsoverdracht als huurder bewoonde: het verschil tussen de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik en het door de eigenaar-bewoner betaalde bedrag, voorzover dat verschil 10 procent van die verkoopwaarde te boven gaat, eventueel vermeerderd met ten hoogste de ontwikkeling van de consumentenprijzen (alle huishoudens).
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het tweede en het derde lid, en kan worden geregeld welke overige voorwaarden in het kader van de eigendomsoverdracht kunnen worden overeengekomen. Bij de aanbieding dient de koper de vrije keuze te hebben tussen het sluiten van een overeenkomst met zodanige voorwaarden en een overeenkomst zonder zodanige voorwaarden waarbij de financiële prestaties op onafhankelijk vastgestelde grondslag inzichtelijk dienen te worden gemaakt. Zodanige voorwaarden kunnen er slechts toe strekken risicos van het eigenwoningbezit voor de koper te beperken.
Voor een primaire toekenning is vereist dat de woning niet in eigendom is verkregen onder voorwaarden die de beschikkingsmacht van de eigenaar-bewoner over de woning op enigerlei wijze inperken, voorzover niet rechtstreeks voortvloeiend uit Boek 5, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek en behoudens bij algemene maatregel van bestuur opgenomen beperkingen.
### Artikel 23
Voor een primaire toekenning is vereist dat de hypothecaire lening:
Voor een primaire toekenning is vereist dat de hypothecaire lening wordt afgesloten voor een bij ministeriële regeling te bepalen rentevaste periode.
a. blijkens de geldleningsovereenkomst in ten hoogste 30 jaar voor ten minste 60 procent wordt afgelost;
b. wordt afgesloten in een bij ministeriële regeling te bepalen vorm en voor een bij die regeling te bepalen rentevaste periode en
c. niet strekt tot financiering van andere bedragen en kosten dan die, genoemd in artikel 5.
### Paragraaf 3a. Eisen die slechts gelden voor toekenningen na het tweede vijfjaarstijdvak
### Artikel 23a
Op een toekenning van een eigenwoningbijdrage na het tweede vijfjaarstijdvak is artikel 23 van overeenkomstige toepassing.
### Paragraaf 4. Hardheid, overgang ewb bij verlies eigendom
@ -346,10 +221,10 @@ c. niet strekt tot financiering van andere bedragen en kosten dan die, genoemd i
**1.**
Onze Minister kan ambtshalve of op verzoek van de eigenaar-bewoner, als in een bepaald geval de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden:
Onze Minister kan, behalve bij een primaire toekenning, ambtshalve of op verzoek van de eigenaar-bewoner, als in een bepaald geval de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden:
a. bij de toepassing van de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, een persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b, buiten beschouwing laten;
b. bij de toepassing van de artikelen 3, derde lid, of 4, tweede lid, bepaalde inkomsten of vermogensbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten.
b. bij de toepassing van artikel 4, tweede lid, bepaalde inkomsten of vermogensbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten.
**2.** Een daling van het inkomen, of een daling van het vermogen na het peiljaar, kan niet leiden tot toepassing van het eerste lid.
@ -357,7 +232,7 @@ b. bij de toepassing van de artikelen 3, derde lid, of 4, tweede lid, bepaalde
**1.**
Als de eigenaar-bewoner in de loop van het driejaarstijdvak de eigendom van de woning verliest, wordt de eigenwoningbijdrage op naam gesteld van diens echtgenoot, geregistreerde partner of bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, als deze:
Als de eigenaar-bewoner in de loop van het vijfjaarstijdvak de eigendom van de woning verliest, wordt de eigenwoningbijdrage op naam gesteld van diens echtgenoot, geregistreerde partner of bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, als deze:
a. ten minste voor de helft eigenaar van die woning blijft of wordt, dan wel een beperkt recht op die woning verkrijgt;
b. die woning op het tijdstip van het verlies van de eigendom, bedoeld in de aanhef, bewoonde en
@ -369,112 +244,73 @@ c. die woning blijft bewonen.
### Artikel 26
**1.** Het percentage van de normrente wordt bij ministeriële regeling vastgesteld met inachtneming van de hypotheekrente die wordt gehanteerd bij het verstrekken van hypothecaire leningen in een vorm als bedoeld in artikel 23, onder b.
**1.** Het percentage van de toetsrente wordt bij ministeriële regeling vastgesteld, met inachtneming van het rentetarief dat wordt gehanteerd bij het verstrekken van een hypothecaire lening afgesloten in de vorm van een annuïteitenhypotheek.
**2.** Als in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 23, onder b, is bepaald dat de hypothecaire lening wordt afgesloten in de vorm van een spaarhypotheek, wordt in de regeling, bedoeld in het eerste lid, tevens een normbedrag voor de per maand te betalen spaarpremie vastgesteld, uitgaande van een hypothecaire lening van € 50 000.
**3.** Het percentage, bedoeld in het eerste lid, en het normbedrag, bedoeld in het tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd als daartoe aanleiding bestaat als gevolg van de ontwikkeling van de hypotheekrente, bedoeld in het eerste lid.
**2.** Het percentage, bedoeld in het eerste lid, kan bij ministeriële regeling worden gewijzigd als daartoe aanleiding bestaat als gevolg van de ontwikkeling van het rentetarief, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 27
**1.**
Het fiscaal effect wordt verkregen door de normrente te vermenigvuldigen met:
Het fiscaal effect wordt verkregen door de tot een bedrag herleide financieringslastnorm te vermenigvuldigen met:
a. voor eenpersoonshuishoudens en tweepersoonshuishoudens, indien het rekeninkomen minder bedraagt dan of gelijk is aan het laagste bedrag, genoemd in de tabel onder II bij artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dit luidt in het peiljaar: 0,29;
b. voor eenpersoonshuishoudens en tweepersoonshuishoudens, indien het rekeninkomen meer bedraagt dan het laagste bedrag, genoemd in de tabel onder II bij artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dit luidt in het peiljaar: 0,33;
c. voor eenpersoonsouderenhuishoudens en tweepersoonsouderenhuishoudens, indien het rekeninkomen minder bedraagt dan of gelijk is aan het laagste bedrag, genoemd in de tabel onder II bij artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dit luidt in het peiljaar: 0,13, en
d. voor eenpersoonsouderenhuishoudens en tweepersoonsouderenhuishoudens, indien het rekeninkomen meer bedraagt dan het laagste bedrag, genoemd in de tabel onder II bij artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dit luidt in het peiljaar: 0,16.
a. voor eenpersoonshuishoudens en tweepersoonshuishoudens, indien het toetsinkomen minder bedraagt dan of gelijk is aan het laagste bedrag, genoemd in de tabel onder II bij artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dit luidt in het peiljaar: 0,29;
b. voor eenpersoonshuishoudens en tweepersoonshuishoudens, indien het toetsinkomen meer bedraagt dan het laagste bedrag, genoemd in de tabel onder II bij artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dit luidt in het peiljaar: 0,33;
c. voor eenpersoonsouderenhuishoudens en tweepersoonsouderenhuishoudens, indien het toetsinkomen minder bedraagt dan of gelijk is aan het laagste bedrag, genoemd in de tabel onder II bij artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dit luidt in het peiljaar: 0,13, en
d. voor eenpersoonsouderenhuishoudens en tweepersoonsouderenhuishoudens, indien het toetsinkomen meer bedraagt dan het laagste bedrag, genoemd in de tabel onder II bij artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dit luidt in het peiljaar: 0,16.
**2.** De in het eerste lid genoemde factoren kunnen worden aangepast overeenkomstig artikel 41.
### Artikel 28
Het minimum-inkomensijkpunt bedraagt, herrekend naar een jaarinkomen in het peiljaar:
a. voor een eenpersoonshuishouden: de som van de bedragen, bedoeld in de artikelen 21, onder a, en 25, tweede lid, van de Wet werk en bijstand;
b. voor een tweepersoonshuishouden: het bedrag, bedoeld in artikel 21, onder c, van de Wet werk en bijstand;
c. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet, en de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 33b van die wet, per kalenderjaar, en verder vermeerderd met € 1675;
d. voor een tweepersoonsouderenhuishouden: het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, en twee maal de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 33b van die wet, per kalenderjaar, en verder vermeerderd met € 1050.
Vervallen
### Artikel 29
**1.**
De normlasten per maand bedragen de uitkomst van de formule:
€ 101,65 per 1 juli 2006: € 115,19 + s ( (I_r - l_m) / (12) )
in welke formule voorstelt:
s: een factor waarmee wordt aangegeven in welke mate de normlasten stijgen in verhouding tot een stijging van het rekeninkomen, en die 0,25 bedraagt;
I_r: het rekeninkomen, of, als dat in geval van een andere dan een primaire toekenning hoger is, het minimum-inkomensijkpunt, bedoeld in artikel 28;
I_m: het minimum-inkomensijkpunt, bedoeld in artikel 28.
**2.** Het in het eerste lid, in de daarin opgenomen formule, genoemde bedrag wordt met ingang van 1 juli van elk jaar aangepast overeenkomstig artikel 41. De in het eerste lid, onder s:, genoemde factor kan worden aangepast overeenkomstig artikel 41.
### Artikel 30
**1.**
De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, bestaat uit:
a. een maandelijkse tegemoetkoming in de hypotheekrente en
b. indien overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 2 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer verschuldigd is: een maandelijkse toeslag in verband met die overdrachtsbelasting.
**1.** De financieringslastnorm wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
**2.**
De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onder a, bedraagt de uitkomst van de formule:
Bij ministeriële regeling wordt een percentage vastgesteld waarmee de financieringslastnorm ten hoogste kan worden vermeerderd. Dat percentage wordt:
(H x (100)/(100 + P_o)) x (R)_p /(100) x (1 - f) x (1) /(12) - N_m
a. bij toetsinkomens van € 29 450 of meer zodanig vastgesteld dat met gebruikmaking daarvan een hypothecaire lening in de vorm van een annuïteitenhypotheek kan worden afgesloten ter hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder b, dan wel
b. bij toetsinkomens van minder dan € 29 450 zodanig vastgesteld dat dit percentage overeenkomt met het ingevolge onderdeel a vastgestelde percentage dat geldt bij een toetsinkomen van € 29 450.
**3.** De in het eerste en tweede lid bedoelde percentages kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd als daartoe aanleiding bestaat als gevolg van de ontwikkeling van het rentetarief, bedoeld in artikel 26, eerste lid.
**4.** Het in het tweede lid genoemde bedrag wordt met ingang van 1 juli van elk jaar aangepast overeenkomstig artikel 41.
**5.** Met het oog op de uitvoering van het eerste en tweede lid worden bij ministeriële regeling de toetsinkomens in inkomensklassen verdeeld, waarbij de toetsrente, de maximale hypothecaire lening, de daarbij behorende financieringslastnorm en het daarbij behorende percentage, bedoeld in het tweede lid, worden vermeld.
**6.** De toetsinkomens in een zelfde inkomensklasse mogen ten hoogste € 500 van elkaar verschillen.
**7.** Bij ministeriële regeling wordt elk jaar, met ingang van 1 juli, de indeling in inkomensklassen herzien.
### Artikel 30
**1.** De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, bestaat uit een maandelijkse tegemoetkoming in de financieringslast.
**2.**
De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, bedraagt de uitkomst van de formule:
in welke formule voorstelt:
H: het bedrag van de hypothecaire lening;
H: het bedrag van het toetsinkomen;
P_o: het percentage, genoemd in artikel 14, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, doch 0 indien niet de overdrachtsbelasting, bedoeld in artikel 2 van die wet, verschuldigd is;
R_x: de uitkomst van de berekening van de financieringslast die uit de hypothecaire lening volgt bij toepassing van de voorwaarden en normen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, uitgedrukt in een percentage;
R_p: het percentage, bedoeld in artikel 26, eerste lid, dat geldt op het tijdstip van acceptatie van de offerte, bedoeld in artikel 42, eerste lid, of, als dat lager is, het percentage dat geldt op het tijdstip van het uitbrengen van die offerte;
R_o: het percentage, bedoeld in artikel 29, eerste lid;
f: de van toepassing zijnde factor, bedoeld in artikel 27, die geldt op de peildatum;
f: de van toepassing zijnde factor, bedoeld in artikel 27, die geldt op de peildatum.
N_m: de normlasten per maand over het driejaarstijdvak, die het gemiddelde bedragen van:
**3.** Er wordt slechts een eigenwoningbijdrage als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, toegekend als de uitkomst van de formule, bedoeld in het tweede lid, een positief bedrag is en het verschil tussen R_x en R_o als bedoeld in het tweede lid niet groter is dan het in artikel 29, tweede lid, eerste volzin, bedoelde percentage.
(a) de normlasten die gelden op de peildatum, berekend overeenkomstig artikel 29;
(b) de normlasten, bedoeld onder (a), vermeerderd met de in een percentage uitgedrukte ontwikkeling van de consumentenprijzen (alle huishoudens) in het peiljaar, als in januari volgend op het peiljaar in de Staatscourant bekendgemaakt, en
(c) de normlasten als berekend onder (b), vermeerderd op dezelfde wijze als bedoeld onder (b).
**3.** Er wordt slechts een eigenwoningbijdrage als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, toegekend als de uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid, een positief bedrag is.
**4.** Als het bedrag dat overeenkomstig het tweede lid is berekend voor het tweede of een volgend driejaarstijdvak waarover een eigenwoningbijdrage wordt toegekend, hoger is dan het bedrag, genoemd in artikel 31, eerste lid, dat bij de primaire toekenning geldt op de peildatum, wordt eerstbedoeld bedrag voor de berekening van de hoogte van die bijdrage gesteld op dat eertijds in dat lid genoemde bedrag.
**5.**
De toeslag, bedoeld in het eerste lid, onder b, bedraagt de uitkomst van de formule:
(H_m x (P_o)/(100 + P_o)) x (R_p)/(100) x (1 - f) x (1)/(12)
in welke formule voorstelt:
H_m: het maximumbedrag dat bij de primaire toekenning geldt op de peildatum, genoemd in artikel 15, eerste lid, onder b, dan wel, bij toepassing van artikel 16, eerste lid, het betrokken maximumbedrag dat bij de primaire toekenning geldt op de peildatum, genoemd in de in dat artikellid bedoelde algemene maatregel van bestuur;
P_o: het percentage, bij de primaire toekenning op de peildatum genoemd in artikel 14, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer;
R_p: het percentage, bedoeld in artikel 26, eerste lid, dat geldt op het tijdstip van ondertekening van de offerte, bedoeld in artikel 42, eerste lid, of, als dat lager is, het percentage dat geldt op het tijdstip van het uitbrengen van die offerte;
f: de van toepassing zijnde factor, bedoeld in artikel 27, die bij de primaire toekenning geldt op de peildatum.
**6.** De som van de overeenkomstig het tweede tot en met vijfde lid berekende bedragen wordt naar boven afgerond op hele eurocenten.
**4.** De overeenkomstig het tweede lid berekende tegemoetkoming wordt naar boven afgerond op hele eurocenten.
### Artikel 31
**1.** Voor een primaire toekenning is vereist dat het bedrag dat voor het eerste driejaarstijdvak is berekend met toepassing van artikel 30, tweede lid, ten hoogste € 152,47 per 1 juli 2006: € 173,06 is.
**2.** Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 16, eerste lid, wordt in de in dat artikellid bedoelde algemene maatregel van bestuur tevens bepaald welk bedrag in plaats van het in het eerste lid van dit artikel genoemde bedrag in de betrokken provincies zal gelden, en bepaald op welke wijze eerstbedoeld bedrag wordt of kan worden aangepast.
**3.** Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt met ingang van 1 juli van elk jaar aangepast overeenkomstig artikel 41.
Vervallen
### Artikel 32
@ -484,90 +320,35 @@ Vervallen
### Artikel 33
**1.**
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. actueel inkomen: het gezamenlijk inkomen van degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner, dat wordt berekend door het netto inkomen over de eerste kalendermaand van het desbetreffende bijdragetijdvak te herrekenen naar een verzamelinkomen over het peiljaar;
b. bijzondere bijdrage: bijzondere bijdrage als bedoeld in artikel 34;
c. bijdragetijdvak: het tijdvak waarvoor telkens een bijzondere bijdrage kan worden toegekend;
d. meetinkomen:
1 ^e. als de eigenaar-bewoner een eigenwoningbijdrage ontvangt, dan wel geen eigenwoningbijdrage ontvangt omdat een daartoe strekkende en overeenkomstig artikel 42, tweede lid, eerste volzin, ingediende aanvraag niet tot een toekenning daarvan heeft geleid om andere redenen dan het niet voldoen aan artikel 8, eerste lid: het bij de toekenning of afwijzing van die aanvraag gehanteerde rekeninkomen;
2 ^e. als de eigenaar-bewoner geen eigenwoningbijdrage ontvangt omdat een daartoe strekkende en overeenkomstig artikel 42, tweede lid, eerste volzin, ingediende aanvraag uitsluitend of onder meer wegens het niet voldoen aan artikel 8, eerste lid, niet tot een toekenning daarvan heeft geleid: het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, dat van toepassing was bij de aanvang van het driejaarstijdvak waarop die aanvraag betrekking had.
**2.** Artikel 3, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van het actueel inkomen.
**3.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop de herrekening plaatsvindt die is bedoeld in het eerste lid, onder a. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ook overigens regels worden gesteld omtrent de bepaling van het actueel inkomen.
**4.** Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, laatste volzin, kunnen regels worden gesteld omtrent het bij de bepaling van het actueel inkomen in bepaalde gevallen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten van een persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a of b, of van inkomensbestanddelen.
Vervallen
### Artikel 34
**1.** Onze Minister kent op aanvraag aan een eigenaar-bewoner een bijzondere bijdrage toe ter tegemoetkoming in de kosten van het in eigendom verkrijgen van een woning, indien voor het einde van het driejaarstijdvak blijkt dat het actueel inkomen ten minste 20 procent lager ligt dan het meetinkomen.
**2.** De hoogte van de bijzondere bijdrage wordt bepaald door, op de wijze die is bedoeld in artikel 30, het bedrag te berekenen van de eigenwoningbijdrage dat behoort bij het actueel inkomen, en dit bedrag te verminderen met het bedrag van de eigenwoningbijdrage dat behoort bij het meetinkomen.
**3.** De artikelen 5, 6, derde, vierde en vijfde lid, 7 tot en met 23 en 25 tot en met 31 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 8 voor «rekeninkomen» wordt gelezen «actueel inkomen» en dat deze artikelen, voorzover zij slechts gelden voor primaire toekenningen, niet van toepassing zijn indien de eigenaar-bewoner reeds een eigenwoningbijdrage of een bijzondere bijdrage is toegekend.
**4.** Voor de toepassing van het begrip «bijdragetijdvak», genoemd in het eerste lid, wordt de eigenaar-bewoner geacht tevens een eigenwoningbijdrage te hebben aangevraagd.
**5.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid.
Vervallen
### Artikel 35
**1.** Het bijdragetijdvak vangt aan op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de inkomensdaling door welke het recht op de bijzondere bijdrage volgens de aanvraag is ontstaan.
**2.** Op een aanvraag wordt binnen zes weken na de indiening beslist. Voor ingewikkelde gevallen kan Onze Minister die termijn, onder opgaaf van redenen, met ten hoogste vier weken verlengen. Een zodanig besluit wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen zes weken na de indiening van de aanvraag.
**3.** De bijzondere bijdrage wordt steeds toegekend voor een tijdvak van ten hoogste zes maanden; dat tijdvak ligt in één driejaarstijdvak.
**4.** Onze Minister kan op aanvraag voorschotten verstrekken terzake van de bijzondere bijdrage.
**5.** De bijzondere bijdrage wordt steeds over een tijdvak van ten hoogste zes maanden uitbetaald, na afloop van dat tijdvak, onder verrekening van de betaalde voorschotten.
**6.** De artikelen 42, eerste en derde lid, 44, eerste lid, derde en vijfde volzin, 45 tot en met 47, 49 en 54 zijn van overeenkomstige toepassing.
Vervallen
### Artikel 36
**1.** In bij algemene maatregel van bestuur te bepalen categorieën van gevallen waarin bijzondere bijdragen zijn toegekend in afwijking van dit hoofdstuk of de daarop berustende bepalingen, dan wel artikel 35, zesde lid, juncto artikel 46, tweede lid, niet wordt nageleefd, besluit Onze Minister dat de ten onrechte of tot een te hoog bedrag toegekende bijdragen, dan wel de voorschotten daarop, worden teruggevorderd dan wel verrekend.
**2.** Artikel 50, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot terugvordering of verrekening als bedoeld in het eerste lid.
**3.** Onze Minister kan besluiten te verrekenen met aanspraken op een bijzondere bijdrage van de eigenaar-bewoner.
Vervallen
### Artikel 37
**1.** Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van dit hoofdstuk over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan.
**2.**
Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. degene op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben, of
c. de gegevens niet herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.
**3.** Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan derden worden verstrekt, voorzover de persoonlijke levenssfeer daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
Vervallen
### Artikel 38
**1.**
Vervallen
Onze Minister past artikel 24, eerste lid, toe overeenkomstig het bepaalde in artikel 34, eerste en tweede lid, in gevallen waarin, hoewel het inkomen is gedaald, geen bijzondere bijdrage als bedoeld in dit hoofdstuk wordt toegekend omdat:
a. niet is voldaan aan de vereisten die zijn gesteld in artikel 11 juncto artikel 34, derde lid, of
b. het rekenvermogen hoger is dan het relevante bedrag, genoemd in artikel 9 juncto artikel 34, derde lid.
**2.** Een verzoek om het eerste lid toe te passen wordt ingediend binnen zes maanden na het einde van het bijdragetijdvak waarop de aanvraag tot toekenning van een bijzondere bijdrage als bedoeld in dit hoofdstuk betrekking heeft.
## Hoofdstuk 5. Het recht op de eigenwoningbijdrage na het vijfde driejaarstijdvak
## Hoofdstuk 5. Het recht op de eigenwoningbijdrage na het derde vijfjaarstijdvak
### Artikel 39
**1.** Bij ministeriële regeling kan een rentevaste periode worden bepaald, waarvoor de lening of het krediet in rekening-courant ter financiering van het in eigendom verkrijgen van een woning met als zekerheid hypotheek op die woning dient te zijn afgesloten, om in aanmerking te komen voor een eigenwoningbijdrage als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b.
**2.** Op een toekenning van een eigenwoningbijdrage als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, zijn de artikelen 6, derde, vierde en vijfde lid, 7, 8, 9, 23, onder a, en 24 tot en met 29 van overeenkomstige toepassing.
**2.** Op een toekenning van een eigenwoningbijdrage als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, zijn de artikelen 6, derde, vierde en zesde lid, 7, 9, 23, 24 tot en met 27 en 29 van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 40
@ -575,99 +356,84 @@ b. het rekenvermogen hoger is dan het relevante bedrag, genoemd in artikel 9 jun
De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, bestaat uit:
a. een maandelijkse tegemoetkoming in de hypotheekrente;
b. een tegemoetkoming in verband met het financieel risico voor de eigenaar-bewoner bij een stijging van het percentage, bedoeld in artikel 26, eerste lid, en
c. indien overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 2 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer verschuldigd is: een maandelijkse toeslag in verband met die overdrachtsbelasting.
a. een maandelijkse tegemoetkoming in de financieringslast, en
b. een tegemoetkoming in verband met het financieel risico voor de eigenaar-bewoner bij een stijging van het percentage, bedoeld in artikel 26, eerste lid.
**2.**
De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt berekend met gebruikmaking van de formule, bedoeld in artikel 30, tweede lid, met dien verstande dat in die formule wordt verstaan onder:
N_m: (a) in het 16^e bijdragejaar: de normlasten die gelden op de peildatum, (b) in het 17^e bijdragejaar: de normlasten die gelden op de peildatum vermeerderd met de in een percentage uitgedrukte ontwikkeling van de consumentenprijzen (alle huishoudens) in het peiljaar, als in januari volgend op het peiljaar in de Staatscourant bekendgemaakt, en (c) in het 18^e en volgende bijdragejaren tot en met ten hoogste het 30^e bijdragejaar: de dienovereenkomstig vermeerderde normlasten in het 17^e bijdragejaar respectievelijk voorgaande bijdragejaren.
H: het bedrag van het toetsinkomen op de peildatum, aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijzen (alle huishoudens), zoals die naar redelijke verwachting zal plaatsvinden;
**3.** Er wordt slechts een eigenwoningbijdrage als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, toegekend als de uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid, voor het 16^e bijdragejaar een positief bedrag is.
R_x: de uitkomst van de berekening van de op de peildatum geldende financieringslast die uit de hypothecaire lening volgt bij toepassing van de voorwaarden en normen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, uitgedrukt in een percentage;
**4.** Als het bedrag dat overeenkomstig het tweede lid is berekend voor het 16^e of een volgend bijdragejaar waarover een eigenwoningbijdrage wordt toegekend, hoger is dan het bedrag, genoemd in artikel 31, eerste lid, dat bij de primaire toekenning geldt op de peildatum, wordt eerstbedoeld bedrag voor de berekening van de hoogte van die bijdrage gesteld op dat eertijds in dat lid genoemde bedrag.
R_o: het percentage, bedoeld in artikel 29, eerste lid, dat geldt op de peildatum.
**5.**
**3.** Er wordt slechts een eigenwoningbijdrage als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, toegekend als de uitkomst van de formule, bedoeld in het tweede lid, voor het 16e bijdragejaar een positief bedrag is en het verschil tussen R_x en R_o als bedoeld in het tweede lid niet groter is dan het in artikel 29, tweede lid, eerste volzin, bedoelde percentage.
De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt berekend met gebruikmaking van de formule:
**4.**
0,5{(R_m R_mt) x (1 f) + (P_m P_mt)}
De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onder b, bedraagt de uitkomst van de formule:
in welke formule voorstelt:
R_m: de normrente op de peildatum;
H: het bedrag van het toetsinkomen dat geldt op de peildatum;
R_mt: de normrente die ten aanzien van de betrokken eigenaar-bewoner is gehanteerd bij de eerste toepassing van artikel 30;
R_x: de uitkomst van de berekening van de op de peildatum geldende financieringslast die uit de hypothecaire lening volgt bij toepassing van de voorwaarden en normen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, uitgedrukt in een percentage;
f: de van toepassing zijnde factor, bedoeld in artikel 27, die geldt op de peildatum;
R_o: het percentage, bedoeld in artikel 29, eerste lid;
P_m: de maandelijkse spaarpremie op de peildatum, welke premie wordt berekend door het op de peildatum krachtens artikel 26, tweede lid, geldende normbedrag te vermenigvuldigen met een factor die wordt verkregen door het bedrag van de hypothecaire lening te delen door € 50 000;
f: de van toepassing zijnde factor, bedoeld in artikel 27, die geldt op de peildatum.
P_mt: de maandelijkse spaarpremie ten tijde van de eerste toepassing van artikel 30, welke premie wordt berekend door het ten tijde van die toepassing krachtens artikel 26, tweede lid, geldende normbedrag te vermenigvuldigen met een factor die wordt verkregen door het bedrag van de hypothecaire lening te delen door € 50 000.
**5.** De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, is de helft van de netto contante waarde van de bedragen die overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid zijn berekend over die bijdragejaren met betrekking tot welke de uitkomst van de formule, bedoeld in het tweede lid, een positief bedrag is.
**6.** Als de uitkomst van de berekening, bedoeld in het vijfde lid, een negatief bedrag is, wordt de uitkomst van die berekening op nul gesteld.
**7.** De toeslag, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt berekend met gebruikmaking van de formule, bedoeld in artikel 30, vijfde lid, met dien verstande dat de uitkomst van die berekening wordt vermenigvuldigd met twaalf maal het aantal bijdragejaren met betrekking tot welke de uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid, een positief bedrag is, onverminderd artikel 6, eerste lid, onder b.
**8.** De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, is de netto contante waarde van de bedragen die overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid zijn berekend over die bijdragejaren met betrekking tot welke de uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid, een positief bedrag is.
**9.** Het volgens het achtste lid toe te kennen bedrag wordt naar boven afgerond op hele eurocenten.
**6.** De volgens het vijfde lid toe te kennen eigenwoningbijdrage wordt naar boven afgerond op hele eurocenten.
## Hoofdstuk 6. Aanpassing van bedragen en factoren
### Artikel 41
**1.** Bij ministeriële regeling worden elk jaar, met ingang van 1 juli, de bedragen die zijn genoemd in de artikelen 8, eerste lid (norminkomen), 9, eerste lid, onderdelen a, c en d (maximaal toegestaan vermogen), 29, eerste lid, formule (minimum normlasten), en 31, eerste lid (maximale ewb), aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijzen (alle huishoudens) in het peiljaar, als in januari volgend op het peiljaar in de Staatscourant bekendgemaakt. Het norminkomen kan, naast de aanpassing daarvan volgens de eerste volzin, worden aangepast ter voorkoming van onbedoelde gevolgen van maatregelen met betrekking tot de inkomens boven het minimum-inkomensijkpunt, bedoeld in artikel 28. De minimum normlasten kunnen, in plaats van de aanpassing daarvan volgens de eerste volzin, worden aangepast met het percentage waarmee het bedrag, bedoeld in artikel 21, onder c, van de Wet werk en bijstand is aangepast.
**1.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt het bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, onder a (maximale koopsom), aangepast aan de ontwikkeling van het prijsindexcijfer voor de bouwkosten. Het bedrag kan, in plaats van de aanpassing daarvan volgens de eerste volzin, worden aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijzen (alle huishoudens) in het peiljaar, als in januari volgend op het peiljaar in de Staatscourant bekendgemaakt.
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen de bedragen, genoemd in artikel 15, eerste lid, onder a (maximale koopsom) en b (maximale hypothecaire lening), worden aangepast aan de ontwikkeling van het prijsindexcijfer voor de bouwkosten.
**2.** Bij ministeriële regeling wordt elk jaar, met ingang van 1 juli, het bedrag, genoemd in artikel 29, tweede lid, aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijzen (alle huishoudens) in het peiljaar, als in januari volgend op het peiljaar in de Staatscourant bekendgemaakt.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen de factoren, genoemd in artikel 27, eerste lid (fiscaal effect), worden aangepast als daartoe aanleiding bestaat vanwege wijziging van de belastingwetgeving.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen de factoren, bedoeld in artikel 27, eerste lid (fiscaal effect), worden aangepast als daartoe aanleiding bestaat vanwege wijziging van de belastingwetgeving.
**4.** Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks, na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de hoogte vastgesteld van de bedragen die vanaf 1 juli krachtens artikel 28 als minimum-inkomensijkpunt zullen gelden.
**4.**
**5.**
De bedragen en de factoren worden als volgt afgerond:
De bedragen en factoren worden als volgt afgerond:
a. de bedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden naar boven afgerond op een veelvoud van € 25;
b. de factoren, bedoeld in het derde lid, worden naar boven afgerond op twee decimalen.
a. de minimum normlasten en de maximale ewb, bedoeld in het eerste lid, worden naar boven afgerond op hele eurocenten;
b. de norminkomens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen a en b (maximaal toegestaan inkomen bij een- en tweepersoonshuishoudens), de som van de bedragen, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b (maximaal toegestaan inkomen bij een- en tweepersoonsouderenhuishoudens), het maximaal toegestaan vermogen, bedoeld in het eerste lid, en de bedragen, bedoeld in het tweede en vierde lid, worden naar boven afgerond op een veelvoud van € 25;
c. de factoren, bedoeld in het derde lid, worden naar boven afgerond op twee decimalen.
**5.** De overeenkomstig het eerste, tweede en derde lid vastgestelde, vanaf 1 juli geldende bedragen en factoren worden elk jaar uiterlijk op 1 mei in de Staatscourant bekendgemaakt.
**6.** De overeenkomstig het eerste tot en met vijfde lid vastgestelde, vanaf 1 juli geldende bedragen en factoren worden elk jaar uiterlijk op 1 mei in de Staatscourant bekendgemaakt.
**7.** Bij een volgende aanpassing van de bedragen, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, en de factoren, bedoeld in het derde lid, wordt uitgegaan van de bedragen en factoren zoals die waren, voordat zij werden afgerond.
**8.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de bedragen, genoemd in de artikelen 11, eerste lid, onder b, 3^e en 4^e, en 28, onder c en d (ouderentoeslag bij minimum-inkomensijkpunt), en de factor, genoemd in artikel 29, eerste lid, onder s, hoger of lager worden gesteld.
**6.** Bij een volgende aanpassing van deze bedragen en deze factoren wordt uitgegaan van de bedragen en factoren zoals die waren, voordat zij werden afgerond.
## Hoofdstuk 7. Aanvraag, toekenning en betaling
### Artikel 42
**1.** De aanvraag tot toekenning van een eigenwoningbijdrage wordt gedaan door middel van een volledig ingevuld formulier. Onze Minister stelt het formulier vast en stelt het verkrijgbaar, behalve in geval van een aanvraag voor een primaire toekenning. In geval van een zodanige aanvraag stelt de financier die de offerte voor een hypothecaire lening heeft uitgebracht die de eigenaar-bewoner heeft geaccepteerd of stellen andere daartoe door Onze Minister aangewezen personen of instanties, het formulier verkrijgbaar.
**1.** De aanvraag tot toekenning van een eigenwoningbijdrage wordt gedaan door middel van een volledig ingevuld formulier. Onze Minister stelt het formulier vast. Onze Minister, de financier die de offerte voor een hypothecaire lening heeft uitgebracht die de eigenaar-bewoner heeft geaccepteerd of andere daartoe door Onze Minister aangewezen personen of instanties stellen het formulier verkrijgbaar.
**2.** De aanvraag voor een andere toekenning dan een primaire wordt ingediend voor de aanvang van het driejaarstijdvak waarop die aanvraag betrekking heeft. Als niet aan de eerste volzin wordt voldaan, kan geen zodanige aanvraag meer worden ingediend.
**2.** De aanvraag voor een andere toekenning dan een primaire wordt ingediend voor de aanvang van het vijfjaarstijdvak waarop die aanvraag betrekking heeft. Als niet aan de eerste volzin wordt voldaan, kan geen zodanige aanvraag meer worden ingediend.
**3.**
Als tot het huishouden van de eigenaar-bewoner nog een ander dan hijzelf behoort, wordt bij de aanvraag een verklaring van die ander gevoegd, inhoudende:
a. dat de op het aanvraagformulier vermelde, hem betreffende, gegevens inzake het inkomen juist zijn, en
b. dat ermee wordt ingestemd dat de inspecteur der rijksbelastingen of Onze Minister terzake van deze gegevens inlichtingen inwint bij, en informatie verschaft aan, de eigenaar-bewoner, zo daartoe bij de toepassing van de artikelen 2 tot en met 6 aanleiding mocht zijn.
b. dat ermee wordt ingestemd dat de inspecteur der rijksbelastingen of Onze Minister terzake van deze gegevens inlichtingen inwint bij, en informatie verschaft aan, de eigenaar-bewoner, zo daartoe bij de toepassing van de artikelen 2, 3, 4 en 6 aanleiding mocht zijn.
**4.**
Bij de aanvraag voor een primaire toekenning wordt een verklaring van de eigenaar-bewoner gevoegd dat wordt voldaan aan artikel 9. Bij die aanvraag worden voorts ten minste afschriften van de navolgende stukken gevoegd, met dien verstande dat dit voor de onderdelen d, e en f slechts geldt voorzover de desbetreffende eis van toepassing is:
Bij de aanvraag voor een primaire toekenning worden ten minste afschriften van de navolgende stukken gevoegd, met dien verstande dat dit voor onderdeel c slechts geldt voorzover de desbetreffende eis van toepassing is:
a. de koopovereenkomst;
b. de offerte, bedoeld in het eerste lid, waarin is aangegeven dat de hypothecaire lening wordt verstrekt onder de garantie, bedoeld in artikel 10;
c. een of meer verklaringen van de inspecteur der rijksbelastingen, waarin hij aangeeft welke voor het rekeninkomen van belang zijnde gegevens bij de ontvanger van de rijksbelastingen bekend zijn;
d. het garantiecertificaat, bedoeld in artikel 17;
e. het taxatierapport, bedoeld in artikel 18;
f. het bouwkundig rapport, bedoeld in artikel 19, onder a.
c. het garantiecertificaat, bedoeld in artikel 17.
**5.** De aanvraag wordt ingediend bij Onze Minister, bij een aanvraag voor een primaire toekenning door tussenkomst van de financier, de personen of de instanties, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister stelt die financier, de personen of de instanties terstond in kennis van de ontvangst van de aanvraag.
**5.** De aanvraag wordt ingediend bij Onze Minister, bij een aanvraag voor een primaire toekenning mogelijk door tussenkomst van de financier, de personen of de instanties, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister stelt die financier, de personen of de instanties terstond in kennis van de ontvangst van de aanvraag.
**6.** Een verzoek als bedoeld in artikel 24 maakt deel uit van de aanvraag, bedoeld in dit artikel.
@ -691,9 +457,9 @@ b. een afschrift van de geldleningsovereenkomst.
### Artikel 44
**1.** De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, wordt steeds over een tijdvak van een maand uitbetaald, direct na afloop van dat tijdvak. De eerste uitbetaling vindt plaats over de eerste kalendermaand van het driejaarstijdvak. Uitbetaling geschiedt doordat Onze Minister de eigenwoningbijdrage, zo nodig in de vorm van een voorschot, uitbetaalt aan de eigenaar-bewoner. Met de uitbetaling over het eerste driejaarstijdvak wordt niet begonnen, zolang Onze Minister de bescheiden, genoemd in artikel 43, tweede lid, niet heeft ontvangen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop zodanige uitbetaling plaatsvindt.
**1.** De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, wordt steeds over een tijdvak van een maand uitbetaald, direct na afloop van dat tijdvak. De eerste uitbetaling vindt plaats over de eerste kalendermaand van het vijfjaarstijdvak. Uitbetaling geschiedt doordat Onze Minister de eigenwoningbijdrage, zo nodig in de vorm van een voorschot, uitbetaalt aan de eigenaar-bewoner. Met de uitbetaling over het eerste vijfjaarstijdvak wordt niet begonnen, zolang Onze Minister de bescheiden, genoemd in artikel 43, tweede lid, niet heeft ontvangen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop zodanige uitbetaling plaatsvindt.
**2.** De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, wordt ineens uitbetaald aan de eigenaar-bewoner in de maand die volgt op de maand waarin de laatste betaling volgens het eerste lid is geschied.
**2.** De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, wordt ineens uitbetaald aan de financier, bedoeld in artikel 42, eerste lid, in de maand die volgt op de maand waarin de laatste betaling volgens het eerste lid is geschied. Onze Minister stelt de eigenaar-bewoner hiervan schriftelijk in kennis.
### Artikel 45
@ -711,7 +477,7 @@ b. een afschrift van de geldleningsovereenkomst.
### Artikel 47
**1.** De financier is verplicht aan Onze Minister op diens verzoek onmiddellijk inlichtingen met betrekking tot de hypothecaire lening te verstrekken waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, en die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de eigenwoningbijdrage.
**1.** De financier, bedoeld in artikel 42, eerste lid, is verplicht aan Onze Minister op diens verzoek onmiddellijk inlichtingen met betrekking tot de hypothecaire lening te verstrekken waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, en die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de eigenwoningbijdrage.
**2.** Onze Minister stelt de eigenaar-bewoner in kennis van elke gegevensverstrekking als bedoeld in het eerste lid.
@ -721,7 +487,7 @@ Vervallen
### Artikel 49
Onze Minister kan de uitbetaling van de eigenwoningbijdrage geheel of gedeeltelijk opschorten als hij redelijkerwijs kan vermoeden dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag een eigenwoningbijdrage is toegekend of dat niet langer is voldaan aan een eis, met uitzondering van de in artikel 31 genoemde eis, voor de primaire toekenning.
Onze Minister kan de uitbetaling van de eigenwoningbijdrage geheel of gedeeltelijk opschorten als hij redelijkerwijs kan vermoeden dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag een eigenwoningbijdrage is toegekend of dat niet langer is voldaan aan een eis voor de primaire toekenning.
### Artikel 50
@ -729,7 +495,7 @@ Onze Minister kan de uitbetaling van de eigenwoningbijdrage geheel of gedeelteli
Onze Minister kan de toekenning herzien:
a. als niet langer wordt voldaan aan een eis, met uitzondering van de in artikel 31 genoemde eis, voor de primaire toekenning;
a. als niet langer wordt voldaan aan een eis voor de primaire toekenning;
b. als de toekenning heeft plaatsgevonden in afwijking van deze wet of de daarop berustende bepalingen, of
c. als artikel 43, tweede lid, of 46, tweede lid, niet wordt nageleefd.
@ -785,7 +551,7 @@ In de administratie over de uitvoering van deze wet wordt het sociaal-fiscaalnum
### Artikel 56
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van de artikelen 5, 18, 19 en 23, aanhef en onder c.
Vervallen
### Artikel 57
@ -811,13 +577,11 @@ Vervallen
### Artikel 61
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de invoering van deze wet nadere regels worden gesteld.
Vervallen
### Artikel 62
**1.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 16, eerste lid, 56 of 61, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd en sedert die overlegging acht, acht, onderscheidenlijk vier weken zijn verstreken.
**2.** Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 22, vierde lid, wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal. Binnen een termijn van vier weken na de overlegging kan door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen worden gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.
De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 41, eerste lid, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd en sedert die overlegging vier weken zijn verstreken.
### Artikel 63
@ -831,7 +595,7 @@ Vervallen
**1.** Onze Minister brengt jaarlijks verslag uit aan de Staten-Generaal over de werking van deze wet.
**2.** Onverminderd het eerste lid zendt Onze Minister binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens vijfjaarlijks, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
**2.** Onverminderd het eerste lid zendt Onze Minister binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens driejaarlijks, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
### Artikel 65