2005-01-12 | BWBR0006530 | Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren

This commit is contained in:
Coornhert 2005-01-12 12:00:00 +00:00
parent 36007e8308
commit 505c1ae987

View file

@ -20,7 +20,7 @@ a. Advies- en Arbitragecommissie: Advies- en Arbitragecommissie, bedoeld in arti
b. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO;
c. Arbo-dienst: deskundige dienst als bedoeld in artikel 14, derde lid, laatste volzin, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
d. beroepsziekte: ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de werkzaamheden van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding dan wel in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
e. bovenwettelijke WW-uitkering: uitkering, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren;
e. bovenwettelijke WW-uitkering: uitkering, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren;
f. deelnemers aan het overleg: deelnemers, bedoeld in artikel 50 van de wet;
g. dienstongeval: ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de werkzaamheden van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding dan wel in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
h. gangbare arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO;
@ -28,18 +28,18 @@ i. gewezen rechterlijk ambtenaar: rechterlijk ambtenaar aan wie ontslag is verle
j. herplaatsen: opdragen van een andere taak als bedoeld in artikel 35 van dit besluit onderscheidenlijk artikel 46k van de wet;
k. herplaatsingstoelage: herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 9 van het pensioenreglement;
l. invaliditeitspensioen: invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het pensioenreglement;
m. LISV: Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
n. medisch advies: advies van de Arbo-dienst dat ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding is uitgebracht na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 13 van dit besluit;
o. passende arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 30 van de ZW;
p. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
q. Osv 1997: Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, zoals die luidde op 31 december 2001;
r. overleg: overleg met de Sectorcommissie rechterlijke macht, bedoeld in artikel 48, eerste en derde lid, van de wet;
s. pensioenreglement: Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
t. Sectorcommissie: Sectorcommissie rechterlijke macht, bedoeld in artikel 48 van de wet;
u. Stichting Pensioenfonds ABP: Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;
v. WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
w. WAO-uitkering: uitkering op grond van de WAO;
x. wet: Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren;
m. medisch advies: advies van de Arbo-dienst dat ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding is uitgebracht na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 13 van dit besluit;
n. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
o. overleg: overleg met de Sectorcommissie rechterlijke macht, bedoeld in artikel 48, eerste en derde lid, van de wet;
p. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding kan worden gevergd;
q. pensioenreglement: Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
r. Sectorcommissie: Sectorcommissie rechterlijke macht, bedoeld in artikel 48 van de wet;
s. Stichting Pensioenfonds ABP: Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;
t. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet Suwi;
u. WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
v. WAO-uitkering: uitkering op grond van de WAO;
w. wet: Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren;
x. Wet Suwi: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
y. WW: Werkloosheidswet;
z. WW-uitkering: uitkering op grond van de Werkloosheidswet;
aa. ZW: Ziektewet;
@ -239,7 +239,7 @@ f. voorzover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting.
### Artikel 14a
**1.** Indien een geschil bestaat tussen de rechterlijk ambtenaar en diens functionele autoriteit over het al dan niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, kan de rechterlijk ambtenaar of diens functionele autoriteit het LISV verzoeken een onderzoek in te stellen en een oordeel te geven als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Osv 1997.
**1.** Indien een geschil bestaat tussen de rechterlijk ambtenaar en diens functionele autoriteit over het al dan niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, kan de rechterlijk ambtenaar of diens functionele autoriteit het UWV verzoeken een onderzoek in te stellen en een oordeel te geven als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Suwi.
**2.** De kosten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de rechterlijk ambtenaar worden hem vergoed overeenkomstig de regels die gelden voor burgerlijke rijksambtenaren.
@ -263,18 +263,19 @@ De artikelen 13 tot en met 15 zijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen
**2.**
De rechterlijk ambtenaar die na het in het eerste lid bedoelde tijdvak van 52 weken op grond van zijn aanstelling aanspraak heeft op een WAO-uitkering onderscheidenlijk ongeschikt is wegens ziekte tot het verrichten van zijn arbeid doch anders dan als gevolg van eigen handelingen of nalaten van handelingen geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering, heeft:
De rechterlijk ambtenaar die na afloop van het in het eerste lid bedoelde tijdvak ongeschikt is wegens ziekte tot het verrichten van zijn arbeid, heeft:
a. gedurende een tijdvak van ten hoogste 26 weken, aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering onderscheidenlijk op de doorbetaling van zijn bezoldiging; en
b. daarna, aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen 80% van zijn bezoldiging en de WAO-uitkering onderscheidenlijk op de doorbetaling van 80% van zijn bezoldiging.
a. gedurende een tijdvak van ten hoogste 26 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging onderscheidenlijk, indien hij aanspraak heeft op een WAO-uitkering, op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering; en
b. daarna, aanspraak op de doorbetaling van 80% van zijn bezoldiging onderscheidenlijk, indien hij aanspraak heeft op een WAO-uitkering, op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen 80% van zijn bezoldiging en de WAO-uitkering.
**3.**
De rechterlijk ambtenaar heeft ook na afloop van het tijdvak van 26 weken, bedoeld in het tweede lid, aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering onderscheidenlijk op de doorbetaling van zijn bezoldiging:
a. voor zolang hij zijn arbeid voor ten minste 45% verricht;
b. indien hij in het belang van zijn genezing door de Arbo-dienst wenselijk geachte andere arbeid verricht voor ten minste 45% van de taakomvang waarvoor hij is aangesteld; of
c. indien de ziekte, uit hoofde waarvan hij ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.
b. indien hij in het belang van zijn genezing door de Arbo-dienst wenselijk geachte andere arbeid verricht voor ten minste 45% van de taakomvang waarvoor hij is aangesteld;
c. indien hij anders dan in het belang van zijn genezing en met instemming van de functionele autoriteit voor ten minste 45% van de taakomvang waarvoor hij is aangesteld andere arbeid verricht; of
d. indien de ziekte, uit hoofde waarvan hij ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.
**4.**
@ -312,10 +313,10 @@ Het percentage, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de ma
**1.**
De gewezen rechterlijk ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, na zijn ontslag anders dan op grond van artikel 36, eerste lid, onderdeel f, van dit besluit onderscheidenlijk artikel 46i van de wet, nog ongeschikt is om een naar aard en omvang soortgelijke taak te verrichten, heeft:
De gewezen rechterlijk ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, na zijn ontslag anders dan op grond van artikel 36, eerste lid, onderdeel f, of artikel 36a van dit besluit onderscheidenlijk artikel 46i van de wet, nog ongeschikt is om een naar aard en omvang soortgelijke taak te verrichten, heeft:
a. zolang hij ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte en voor ten hoogste het met ingang van zijn ontslag nog resterende gedeelte van het tijdvak van 52 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging; en
b. indien hij na het tijdvak van 52 weken op grond van zijn arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft op een WAO-uitkering onderscheidenlijk wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van arbeid doch anders dan als gevolg van zijn eigen handelingen of nalaten van handelingen geen aanspraak op een WAO-uitkering heeft, zolang hij ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte en voor ten hoogste een tijdvak van 26 weken, aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn laatstelijk genoten bezoldiging en de WAO-uitkering onderscheidenlijk op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging.
b. zolang hij na het tijdvak van 52 weken nog ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte en voor ten hoogste een tijdvak van 26 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging onderscheidenlijk, indien hij aanspraak heeft op een WAO-uitkering, op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn laatstelijk genoten bezoldiging en de WAO-uitkering.
**2.** De gewezen rechterlijk ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van zijn ontslag ongeschikt wordt wegens ziekte om een naar aard en omvang soortgelijke taak te verrichten, heeft, zolang hij wegens ziekte ongeschikt is en voor een tijdvak van ten hoogste 52 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag als rechterlijk ambtenaar aangesteld is geweest.
@ -405,7 +406,7 @@ b. het tijdvak van 26 weken, gedurende welke de ambtenaar en de gewezen rechterl
**1.**
De doorbetaling van de bezoldiging of 80% van die bezoldiging, bedoeld in artikel 17, eerste tot en met derde lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
De doorbetaling van de bezoldiging of 80% van die bezoldiging, bedoeld in artikel 17, eerste tot en met derde lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar op grond van artikel 35 van dit besluit onderscheidenlijk artikel 46k van de wet is herplaatst;
b. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar ontslag is verleend; of
@ -458,7 +459,7 @@ c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar
**1.**
De aanspraak van de rechterlijk ambtenaar en de gewezen rechterlijk ambtenaar op de doorbetaling van de bezoldiging gedurende de eerste 52 weken van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, vervalt indien de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar:
De aanspraak van de rechterlijk ambtenaar en de gewezen rechterlijk ambtenaar op de doorbetaling van de bezoldiging gedurende de eerste 52 weken van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, alsmede op de doorbetaling van de bezoldiging of 80% van de bezoldiging gedurende de periode dat in aansluiting hierop de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WAO, op grond van het zevende lid van dat artikel is verlengd, vervalt indien de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar:
a. niet binnen een redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;
b. zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;
@ -468,34 +469,38 @@ e. verzuimt de Arbo-dienst op eerste aanvraag mede te delen om welke reden hij o
f. zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de Arbo-dienst om te verschijnen;
g. er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de Arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;
h. niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte dit heeft gemeld bij de functionele autoriteit;
i. weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de Arbo-dienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden;
i. weigert passende arbeid, waartoe de Arbo-dienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden, dan wel, indien hij hiertoe in de gelegenheid wordt gesteld, te verrichten;
j. zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures;
k. weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voorzover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;
l. tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de Arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;
m. voorafgaand aan de betaling van de bezoldiging weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de Arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;
n. niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mededeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van de betaling van de bezoldiging;
o. zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de Arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de Arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven; of
p. zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.
o. zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de Arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de Arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;
p. zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven onderscheidenlijk mee te werken aan door de functionele autoriteit of een door de functionele autoriteit aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften onderscheidenlijk getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen passende arbeid te verrichten;
q. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO; of
r. zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.
**2.** De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraak herleeft met ingang van het tijdstip waarop de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de desbetreffende verplichting op grond van dat lid.
**3.** Onze Minister kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen dat de in het eerste lid bedoelde aanspraak niet vervalt, maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar zal worden uitbetaald.
**4.** Voorzover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar uitbetaald, indien het oordeel, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Osv 1997, ten gunste van de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar uitvalt of indien de in artikel 14, derde lid, bedoelde commissie van drie artsen ten gunste van de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar heeft geoordeeld.
**4.** Voorzover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar uitbetaald, indien het oordeel, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Suwi, ten gunste van de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar uitvalt of indien de in artikel 14, derde lid, bedoelde commissie van drie artsen ten gunste van de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar heeft geoordeeld.
### Artikel 24
**1.**
De aanspraak van de rechterlijk ambtenaar en de gewezen rechterlijk ambtenaar op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, op de doorbetaling van de bezoldiging of op de doorbetaling van 80% van de bezoldiging na de eerste 52 weken van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, vervalt indien de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar:
De aanspraak van de rechterlijk ambtenaar en de gewezen rechterlijk ambtenaar op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, op de doorbetaling van de bezoldiging of op de doorbetaling van 80% van de bezoldiging na ommekomst van het in artikel 23, eerste lid, bedoelde tijdvak, vervalt indien de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar:
a. zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk;
b. weigert aangeboden gangbare arbeid, waartoe de Arbo-dienst hem in staat acht, te verkrijgen of aanvaarden; of
c. zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.
b. weigert gangbare arbeid, waartoe de Arbo-dienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden, dan wel, indien hij hiertoe in de gelegenheid wordt gesteld, te verrichten;
c. zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven onderscheidenlijk mee te werken aan door de functionele autoriteit of een door de functionele autoriteit aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften onderscheidenlijk getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen gangbare arbeid te verrichten; of
d. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO;
e. zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.
**2.** De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraak herleeft met ingang van het tijdstip waarop de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de desbetreffende verplichting op grond van dat lid.
**3.** Na het tijdvak van 52 weken, bedoeld in de artikelen 17 en 18, is op de aanspraak die de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar heeft op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, op de doorbetaling van de bezoldiging of op de doorbetaling van 80% van de bezoldiging, het verplichtingen- en sanctieregime van de WAO van overeenkomstige toepassing.
**3.** Na het in artikel 23, eerste lid, bedoelde tijdvak is op de aanspraak die de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar heeft op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, op de doorbetaling van de bezoldiging of op de doorbetaling van 80% van de bezoldiging, het verplichtingen- en sanctieregime van de WAO van overeenkomstige toepassing.
**4.** Indien ten aanzien van de WAO-uitkering die de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar geniet een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door Onze Minister zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar aanspraak heeft.
@ -519,21 +524,27 @@ c. zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot
**4.** De inkomsten die de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar geniet in verband met het verrichten van in het belang van zijn genezing door de Arbo-dienst wenselijk geachte arbeid, worden op de aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging, op de doorbetaling van 80% van de bezoldiging of op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht, voor zover deze inkomsten tezamen met de aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging, op de doorbetaling van 80% van de bezoldiging onderscheidenlijk op de WAO-uitkering vermeerderd met de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, zijn volledige bezoldiging te boven gaan.
**5.** Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden in mindering gebracht op het bedrag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar ingevolge artikel 18, eerste lid, recht heeft, tenzij deze inkomsten reeds voorafgaand aan het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte werden genoten en de omvang van die arbeid niet is toegenomen. Op het bedrag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar ingevolge artikel 18, tweede lid, of 26 recht heeft, worden inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf in mindering gebracht, tenzij deze inkomsten reeds voorafgaand aan de datum van ontslag werden genoten en de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
**5.** Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden in mindering gebracht op het bedrag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar ingevolge artikel 18, eerste lid, recht heeft, tenzij deze inkomsten reeds voorafgaand aan het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte werden genoten en de omvang van die arbeid niet is toegenomen. Op het bedrag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar ingevolge artikel 18, tweede lid, of 26 recht heeft, worden inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf in mindering gebracht, tenzij deze inkomsten reeds voorafgaand aan de datum van ontslag werden genoten en de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
### Artikel 26
**1.** De gewezen rechterlijk ambtenaar wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt de laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die aanvangt op de 41e dag voorafgaand aan de vermoedelijke datum van bevalling en eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
**1.** De rechterlijk ambtenaar, die wordt ontslagen in het tijdvak waarin zij zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, ontvangt met ingang van de datum van haar ontslag de laatstelijk genoten bezoldiging gedurende een periode die gelijk is aan de op de datum van ontslag nog resterende duur van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof.
**2.** De in het eerste lid bedoelde periode wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
**2.** De gewezen rechterlijk ambtenaar wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt de laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die aanvangt op de 41e dag voorafgaand aan de vermoedelijke datum van bevalling en eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
**3.** De gewezen rechterlijk ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt de laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die aanvangt op de datum van bevalling en eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
**3.** De in het tweede lid bedoelde periode wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
**4.** Voor zolang de gewezen rechterlijk ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge het eerste of het derde lid toekomende uitkering nog wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van arbeid dan wel binnen een maand na deze beëindiging daartoe ongeschikt wordt, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 18.
**4.** De gewezen rechterlijk ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt de laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die aanvangt op de datum van bevalling en eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
**5.** Het in het vierde lid bedoelde tijdvak van 52 weken wordt geacht aan te vangen op de eerste dag na de bevalling.
**5.** Indien de gewezen rechterlijk ambtenaar gedurende de periode dat zij op basis van het eerste, tweede of vierde lid de laatstelijk genoten bezoldiging ontvangt tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin de financiële tegemoetkoming wordt genoten een inhouding toegepast op de doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging ter grootte van die financiële tegemoetkoming.
**6.** Ongeschikt tot het verrichten van arbeid, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het vierde lid, is de vrouwelijke gewezen rechterlijk ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke taak te verrichten.
**6.** Indien de gewezen rechterlijk ambtenaar aan de voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid voldoet, maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat zij daarvoor geen aanvraag heeft ingediend, wordt de financiële tegemoetkoming geacht onverminderd te zijn genoten en wordt het vijfde lid overeenkomstig toegepast.
**7.** Voor zolang de gewezen rechterlijk ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge het eerste, tweede of vierde lid toekomende uitkering nog wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van arbeid dan wel binnen een maand na deze beëindiging daartoe ongeschikt wordt, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 18.
**8.** Het in het zevende lid bedoelde tijdvak van 52 weken vangt aan met ingang van de eerste dag na beëindiging van de ingevolge het eerste, tweede of vierde lid aan de gewezen rechterlijk ambtenaar toekomende uitkering onderscheidenlijk de eerste dag waarop zij binnen een maand na die beëindiging ongeschikt is geworden tot het verrichten van arbeid.
**9.** Ongeschikt tot het verrichten van arbeid, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het zevende lid, is de vrouwelijke gewezen rechterlijk ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke taak te verrichten.
### Artikel 27
@ -552,7 +563,7 @@ b. onder «betrokkenen» wordt verstaan:
1°. degenen wier rechtspositie is geregeld op grond van de wet;
2°. gewezen personeel als bedoeld in onderdeel 1°, waaraan wegens ontslag uit de betrekking een uitkering is toegekend krachtens of op de voet van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, de Uitkeringsregeling 1966, een vutovereenkomst als bedoeld in de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel, of krachtens een andere overeenkomstige regeling;
3°. degenen aan wie een pensioen is toegekend krachtens het pensioenreglement en die in de maand voorafgaande aan de pensionering behoorden tot de categorieën, bedoeld in onderdeel 1° of 2°;
3°. degenen aan wie een pensioen is toegekend krachtens het pensioenreglement en die in de maand voorafgaande aan de pensionering behoorden tot de categorieën, bedoeld in onderdeel 1° of 2°;
4°. de krachtens het reglement, genoemd in onderdeel 3°, weduwen of weduwnaarspensioengenietende niet hertrouwde weduwen of weduwnaars van degenen die op de dag van overlijden betrokkenen waren in de zin van dit besluit, of betrokkenen zouden zijn geweest indien dit besluit op die dag van kracht zou zijn geweest;
5°. gewezen personeel als bedoeld in onderdeel 1° aan wie een WAO-uitkering als bedoeld in artikel 31 van de Wet privatisering ABP is toegekend.
@ -576,7 +587,7 @@ Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de artikelen 18 en
**2.** Indien de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden aanspraak had op een WW-uitkering, wordt voor de toepassing van artikel 18 van de wet onder bezoldiging verstaan het bedrag waarop de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden op basis van dit hoofdstuk aanspraak zou hebben gehad indien hij geen aanspraak op een WW-uitkering zou hebben gehad.
**3.** Indien de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden meer dan 52 weken wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid en anders dan als gevolg van zijn eigen handelingen of nalaten van handelingen geen aanspraak had op een WAO-uitkering, wordt voor de toepassing van artikel 18 van de wet onder bezoldiging verstaan het bedrag waarop de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden op basis van dit hoofdstuk aanspraak had.
**3.** Indien de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden meer dan 52 weken wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid en geen aanspraak had op een WAO-uitkering, wordt voor de toepassing van artikel 18 van de wet onder bezoldiging verstaan het bedrag waarop de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden op basis van dit hoofdstuk aanspraak had.
**4.** Indien de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden aanspraak had op een WAO-uitkering vermeerderd met een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt voor de toepassing van artikel 18 van de wet onder bezoldiging verstaan het bedrag waarop de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden op basis van de WAO alsmede op basis van dit hoofdstuk aanspraak had.
@ -588,7 +599,7 @@ Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de artikelen 18 en
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de gewezen rechterlijk ambtenaar op de dag van zijn overlijden op grond van artikel 18, eerste lid, aanspraak had op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanvulling op een WAO-uitkering, met dien verstande dat een bedrag wordt uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging die de gewezen rechterlijk ambtenaar op de dag van zijn overlijden zou hebben genoten indien hij op die dag in het genot zou zijn geweest van de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, berekend over een tijdvak van drie maanden.
**3.** Op de in het eerste lid bedoelde uitkering wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van artikel 35 van de ZW, artikel 53 van de WAO of de artikelen 6 of 11 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd. Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing op deze uitkeringen.
**3.** Op de in het eerste lid bedoelde uitkering wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van artikel 35 van de ZW, artikel 53 van de WAO of de artikelen 6 of 11 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd. Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing op deze uitkeringen.
### Artikel 32
@ -625,9 +636,9 @@ b. onder «betrokkene» wordt verstaan: de voor het leven benoemde rechterlijk a
**1.** De rechterlijk ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte kan een andere taak worden opgedragen.
**2.** Gedurende het eerste jaar dat de rechterlijk ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem opgedragen taak te aanvaarden indien sprake is van passende arbeid.
**2.** Gedurende het eerste jaar dat de rechterlijk ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte alsmede gedurende het tijdvak waarin de rechterlijk ambtenaar na het eerste jaar nog ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte en de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid van de WAO, op grond van het zevende lid van dat artikel is verlengd, is hij verplicht een hem opgedragen taak te aanvaarden indien sprake is van passende arbeid.
**3.** Gedurende het tweede jaar dat de rechterlijk ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem opgedragen taak te aanvaarden indien sprake is van gangbare arbeid. Deze verplichting geldt eveneens na afloop van het tweede jaar.
**3.** Indien de rechterlijk ambtenaar na ommekomst van het in het tweede lid bedoelde tijdvak nog ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, is hij verplicht een hem opgedragen taak te aanvaarden indien sprake is van gangbare arbeid.
**4.** Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien aan de rechterlijk ambtenaar de eigen taak wordt opgedragen onder andere voorwaarden.
@ -635,7 +646,7 @@ b. onder «betrokkene» wordt verstaan: de voor het leven benoemde rechterlijk a
**1.**
Anders dan op diens aanvraag, bij wijze van straf of ingevolge artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, de artikelen 95, 96a, 96b of 97 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of artikel 125e, tweede lid, van de Ambtenarenwet, kan de rechterlijk ambtenaar worden ontslagen op grond van:
Anders dan op diens aanvraag, bij wijze van straf of ingevolge artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, de artikelen 95, 96a, 96b of 97 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of artikel 125e, tweede lid, van de Ambtenarenwet, kan de rechterlijk ambtenaar worden ontslagen op grond van:
a. het verlies van een vereiste voor de benoembaarheid, door het bevoegde gezag gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;
b. het aangaan van een graad van zwagerschap, die de benoembaarheid tot het ambt zou uitsluiten;
@ -657,7 +668,7 @@ a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens zie
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel *a* genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en
c. na een zorgvuldig onderzoek door de functionele autoriteit het niet mogelijk is gebleken de rechterlijk ambtenaar andere arbeid aan te bieden bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van Onze Minister, dan wel indien de rechterlijk ambtenaar heeft geweigerd deze arbeid te aanvaarden.
**4.** Onder arbeid als bedoeld in het derde lid, onder *c*, wordt gedurende het eerste jaar dat de rechterlijk ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte passende arbeid en gedurende de periode daarna gangbare arbeid verstaan.
**4.** Onder arbeid als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, wordt gedurende het eerste jaar dat de rechterlijk ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, alsmede gedurende de periode waarin hij wegens ziekte hiertoe ongeschikt is en de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WAO, op grond van het zevende lid van dat artikel is verlengd, passende arbeid verstaan. Gedurende de periode hierna wordt onder arbeid als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, gangbare arbeid verstaan.
**5.** Bij het bepalen van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onder a, worden niet in aanmerking genomen afwezigheid van een rechterlijk ambtenaar wegens door haar zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot de eerste dag van het zwangerschapsverlof en afwezigheid van een rechterlijk ambtenaar wegens ziekte in de periode van de eerste dag van het zwangerschapsverlof tot en met de laatste dag van het bevallingsverlof.
@ -669,7 +680,7 @@ a. indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen;
b. indien zij worden onderbroken door afwezigheid van de rechterlijk ambtenaar wegens ziekte als bedoeld in het vijfde lid; of
c. indien een onder b bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van arbeidsgeschiktheid, die in totaal minder dan vier weken bedraagt.
**7.** Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, vraagt de functionele autoriteit het oordeel van een daartoe door de uitvoeringsinstelling, die de WAO uitvoert ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar, aangewezen arts.
**7.** Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, vraagt de functionele autoriteit het oordeel van een daartoe door het UWV aangewezen arts.
**8.** De in het zevende lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een door de functionele autoriteit aangewezen arts en, indien de rechterlijk ambtenaar dit wenst, een door de rechterlijk ambtenaar aangewezen arts.
@ -683,7 +694,19 @@ c. indien een onder b bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of wordt gevolgd d
### Artikel 36a
**1.** Aan de rechterlijk ambtenaar kan ook op andere gronden dan de gronden, genoemd of bedoeld in artikel 36 of de krachtens artikel 39 van overeenkomstige toepassing zijnde bepalingen, ontslag worden verleend. Dat ontslag wordt eervol verleend.
**1.**
De rechterlijk ambtenaar, die wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, kan, in afwijking van artikel 36, derde lid, worden ontslagen indien hij zonder deugdelijke grond weigert:
a. gevolg te geven aan door de functionele autoriteit of een door de functionele autoriteit aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan door de functionele autoriteit of een door de functionele autoriteit aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid te verrichten;
b. passende arbeid te verrichten waartoe hij in de gelegenheid wordt gesteld; of
c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO.
**2.** Om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid wint de functionele autoriteit het advies in van het UWV.
### Artikel 36b
**1.** Aan de rechterlijk ambtenaar kan ook op andere gronden dan de gronden, genoemd of bedoeld in de artikelen 36 en 36a of de krachtens artikel 39 van overeenkomstige toepassing zijnde bepalingen, ontslag worden verleend. Dat ontslag wordt eervol verleend.
**2.** In geval van ontslag als bedoeld in het eerste lid wordt door het tot ontslagverlening bevoegde gezag een voorziening getroffen waarbij de rechterlijk ambtenaar een uitkering wordt verleend die naar het oordeel van dat bevoegde gezag met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten.
@ -691,10 +714,6 @@ c. indien een onder b bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of wordt gevolgd d
**4.** Indien de rechterlijk ambtenaar ter zake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een uitkering krachtens de WW of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
### Artikel 36b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
## Hoofdstuk 4a. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties
### Artikel 36c
@ -1058,7 +1077,7 @@ De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding heeft recht op ee
a. 0,4% van het in dat jaar genoten salaris; en
b. een door Onze Minister vast te stellen nominaal bedrag.
**2.** Indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering op grond van de WAO en een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig dit besluit, wordt voor de toepassing van het eerste lid het salaris in acht genomen dat de betrokkene zou hebben genoten, indien hij wegens ziekte ongeschikt zou zijn geweest tot het verrichten van zijn arbeid doch anders dan als gevolg van eigen handelingen geen aanspraak zou hebben gehad op een WAO-uitkering. Indien de betrokkene aanspraak heeft op een ZW-uitkering, wordt voor de toepassing van het eerste lid het salaris in acht genomen dat de betrokkene zou hebben genoten indien hij geen aanspraak op een ZW-uitkering zou hebben gehad.
**2.** Indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering op grond van de WAO en een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig dit besluit, wordt voor de toepassing van het eerste lid het salaris in acht genomen dat de betrokkene zou hebben genoten, indien hij wegens ziekte ongeschikt zou zijn geweest tot het verrichten van zijn arbeid doch geen aanspraak zou hebben gehad op een WAO-uitkering. Indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg, wordt voor de toepassing van het eerste lid het salaris in acht genomen dat de betrokkene zou hebben genoten indien hij geen aanspraak op een uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg zou hebben gehad.
**3.** Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bedraagt voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die is aangesteld voor het vervullen van minder dan een volledige taak, een met zijn werktijd overeenkomend deel van het bedrag dat hij zou hebben ontvangen indien hij in hetzelfde ambt zou zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige taak.