2011-02-18 | BWBR0012287 | Vreemdelingencirculaire 2000 (A)

This commit is contained in:
Coornhert 2011-02-18 12:00:00 +00:00
parent bcec27c8e3
commit 51cd41c7ad

View file

@ -3005,15 +3005,22 @@ Indien het hoofd van een gezin uit Nederland moet worden verwijderd, geldt als a
In de volgende gevallen vindt vooralsnog geen uitzetting plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht is ingegaan:
indien uit een signalering of anderszins blijkt dat door een buitenlandse autoriteit de opsporing (en aanhouding ter fine van uitlevering) van een vreemdeling is of wordt gevraagd (zie A4/10.2);
indien het betreft een vreemdeling die als verdachte van een strafbaar feit is aangehouden, of tegen wie een strafvervolging wegens een misdrijf is ingesteld, of die tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld, of ten aanzien van wie een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Een en ander zolang het onderzoek nog niet is beëindigd, of omtrent de strafvervolging nog niet onherroepelijk is beslist, of de opgelegde straf of maatregel nog niet is ondergaan. In zodanige gevallen mag niet tot uitzetting worden overgegaan, tenzij het OM daartegen geen bezwaar heeft;
Indien de vreemdeling een voorlopige voorziening heeft gevraagd tegen de voorgenomen uitzetting, zal de beslissing van de rechter daarop in de regel hier te lande mogen worden afgewacht, mits het verzoek daartoe tijdig is ingediend. Indien er sprake is van een tweede of volgend verzoek om een voorlopige voorziening, mag de uitspraak hierop echter alleen in Nederland worden afgewacht indien er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Een verzoek om een voorlopige voorziening mag niet hier te lande worden afgewacht, indien redenen van openbare orde of nationale veiligheid zich daartegen verzetten of het gevaar bestaat dat de mogelijkheid van terugkeer naar het land van herkomst of van toelating tot een derde land verloren zou gaan, bijvoorbeeld doordat (vervangende) reisdocumenten of de daarin voorkomende visa nog slechts voor korte tijd geldig zijn. Voor de situatie waarin uitzetting (vooralsnog) achterwege blijft vanwege gezondheidsredenen, wordt verwezen naar A4/7.
indien uit een signalering of anderszins blijkt dat door een buitenlandse autoriteit de opsporing (en aanhouding ter fine van uitlevering) van een vreemdeling is of wordt gevraagd (zie A4/10.2);
indien het betreft een vreemdeling die als verdachte van een strafbaar feit is aangehouden, of tegen wie een strafvervolging wegens een misdrijf is ingesteld, of die tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld, of ten aanzien van wie een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Een en ander zolang het onderzoek nog niet is beëindigd, of omtrent de strafvervolging nog niet onherroepelijk is beslist, of de opgelegde straf of maatregel nog niet is ondergaan. In zodanige gevallen mag niet tot uitzetting worden overgegaan, tenzij het OM daartegen geen bezwaar heeft;
• indien de vreemdeling een voorlopige voorziening heeft gevraagd tegen de voorgenomen uitzetting en de uitspraak op dit verzoek mag worden afgewacht. Voor de voorwaarden waaronder een verzoek om voorlopige voorziening mag worden afgewacht wordt verwezen naar B1/10.6.4. Voor de situatie waarin uitzetting (vooralsnog) achterwege blijft vanwege gezondheidsredenen, wordt verwezen naar A4/7.
De uitzetting van een onderdaan van de EU/EER of van Zwitserland, die na beëindiging van het verblijf om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of gezondheid, tijdig een voorlopige voorziening heeft ingediend blijft achterwege. Hierop zijn de volgende uitzonderingen mogelijk (zie artikel 8.24, eerste lid, Vb):
indien het besluit met toepassing van artikel 4:6 Awb is genomen;
indien het besluit reeds door de rechtbank of voorzieningenrechter is beoordeeld;
indien het besluit is gebaseerd op dwingende redenen van openbare veiligheid
• indien het besluit met toepassing van artikel 4:6 Awb is genomen;
• indien het besluit reeds door de rechtbank of voorzieningenrechter is beoordeeld;
• indien het besluit is gebaseerd op dwingende redenen van openbare veiligheid.
De toegang tot het Nederlands grondgebied van een onderdaan van de EU/ EER of van Zwitserland die voor de behandeling van een bezwaarschrift, beroepschrift, dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening gericht tegen de beëindiging van het rechtmatig verblijf, geen gemachtigde heeft gesteld, wordt hangende de procedure niet geweigerd, tenzij:
a. zijn aanwezigheid de openbare orde of de openbare veiligheid ernstig zal verstoren; of
b. het bezwaar of beroep is gericht tegen de weigering van toegang tot het grondgebied.
In het algemeen zal bij ongewenstverklaring sprake zijn van zowel de onder a als b beschreven situatie (zie artikel 8.24, tweede lid, Vb).
#### 6.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting