diff --git a/wet/wet-ammoniak-en-veehouderij/BWBR0013402/README.md b/wet/wet-ammoniak-en-veehouderij/BWBR0013402/README.md index ad5303d71dc..acb51b038ec 100644 --- a/wet/wet-ammoniak-en-veehouderij/BWBR0013402/README.md +++ b/wet/wet-ammoniak-en-veehouderij/BWBR0013402/README.md @@ -3,7 +3,7 @@ titel: Wet ammoniak en veehouderij bwb_id: BWBR0013402 type: wet status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2002-05-08' +datum_inwerkingtreding: '2007-02-17' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0013402 citeertitel: Wet ammoniak en veehouderij --- @@ -18,6 +18,8 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: *ammoniakemissie:* emissie van ammoniak, uitgedrukt in kg NH_3 per jaar; +*beste beschikbare technieken*: beste beschikbare technieken als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer; + *dierenverblijf:* al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden; *dierplaats:* deel van een huisvestingssysteem, bestemd voor het houden van één dier; @@ -26,9 +28,9 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: *emissiefactor:* bij ministeriële regeling vastgestelde ammoniakemissie per dierplaats, behorende bij een daarbij aangewezen diercategorie en huisvestingssysteem; -*huisvestingssysteem:* gedeelte van een dierenverblijf, waarin dieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden; +*gpbv-installatie*: installatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer; -*kwetsbaar gebied: *gebied dat als zodanig is aangemerkt krachtens artikel 2; +*huisvestingssysteem:* gedeelte van een dierenverblijf, waarin dieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden; *maximale emissiewaarde: *ammoniakemissie per dierplaats, die ingevolge een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.44 van de Wet milieubeheer bij een diercategorie ten hoogste mag plaatsvinden; @@ -41,9 +43,16 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: *Onze Minister:* Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; +*richtlijn (EEG) nr. 92/43*: richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206); + *veehouderij:* inrichting, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren; -*vergunning:* vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. +*vergunning:* vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer; + +*voor verzuring gevoelig gebied*: gebied dat onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij als voor verzuring gevoelig was aangemerkt krachtens artikel 1, tweede lid, van die wet, met dien verstande dat: + +a. een gebied dat op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij als voor verzuring gevoelig gebied was aangewezen bij een verordening die tegelijk met voornoemde wet is vervallen, niet als voor verzuring gevoelig wordt aangemerkt, en +b. een gebied waarop voor 1 januari 2002 een convenant als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij van toepassing was, niet als voor verzuring gevoelig wordt aangemerkt. **2.** Voor de berekening van de ammoniakemissie van een veehouderij wordt het aantal dieren dat in de veehouderij aanwezig mag zijn, vermenigvuldigd met de emissiefactoren. @@ -51,18 +60,47 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: ### Artikel 2 -**1.** +**1.** Provinciale staten wijzen de gebieden aan die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt. -Als kwetsbaar gebied worden aangemerkt gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur, en: +**2.** Alleen voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur kunnen als zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen. -a. onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij als voor verzuring gevoelig krachtens artikel 1, tweede lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij waren aangemerkt, of -b. waarop onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een convenant als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij van toepassing was, met ingang van het tijdstip waarop dat convenant niet meer van toepassing is. +**3.** Provinciale staten wijzen, onverminderd het tweede lid, alle voor verzuring gevoelige gebieden binnen een beschermd gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, of artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 dan wel binnen een gebied dat op grond van artikel 4 van richtlijn (EEG) nr. 92/43 van communautair belang is verklaard, aan als zeer kwetsbaar gebied. -**2.** Voor de toepassing van het eerste lid stellen gedeputeerde staten bij besluit vast welke gebieden in hun provincie deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur, voorzover dat onderscheidenlijk op zodanige wijze als noodzakelijk is om te kunnen vaststellen welke van de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde gebieden als kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Een zodanig besluit gaat vergezeld van een of meer kaarten. +**4.** -**3.** Voorzover binnen een provincie of een deel van een provincie het in het tweede lid bedoelde besluit niet is bekend gemaakt, worden in die provincie of dat deel van die provincie als kwetsbaar gebied aangemerkt alle gebieden, bedoeld in het eerste lid onder a en b. +Bij de aanwijzing van gebieden, anders dan bedoeld in het derde lid, als zeer kwetsbaar gebied houden provinciale staten uitsluitend rekening met de volgende aspecten: -**4.** Bij een wijziging van de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur die gevolgen kan hebben voor het aanmerken van de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde gebieden als kwetsbaar gebied, wijzigen gedeputeerde staten tegelijkertijd ook het in het tweede lid bedoelde besluit. Deze wijziging wordt tegelijk met de wijziging van de begrenzing bekend gemaakt. +a. de gevoeligheid van het voor verzuring gevoelige gebied voor de effecten van ammoniak; +b. de in het voor verzuring gevoelige gebied aanwezige natuurwaarden; +c. de ecologische samenhang binnen het voor verzuring gevoelige gebied of van dat gebied met een of meer andere gebieden die als zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen; +d. de grootte van het voor verzuring gevoelige gebied; +e. de gevolgen van de aanwijzing voor bestaande veehouderijen, voorzover de ecologische samenhang tussen de zeer kwetsbare gebieden daardoor niet wordt aangetast en geen verlies van bijzondere natuurwaarden optreedt. + +**5.** Aanwijzing van een gebied als bedoeld in het vierde lid, kleiner dan 50 ha vindt slechts plaats indien het een gebied met zeer grote natuurwaarden betreft. + +**6.** + +Een gebied kan slechts worden aangemerkt als gebied met zeer grote natuurwaarden als bedoeld in het vijfde lid indien: + +a. in het gebied meer dan een soort aanwezig is die is opgenomen in bijlage II van richtlijn (EEG) nr. 92/43 of in de bijlage bij het Besluit Rode Lijsten flora en fauna en deze soorten of hun leefomgeving zeer gevoelig zijn voor de effecten van ammoniak; +b. het gebied is aangewezen als beschermde leefomgeving krachtens artikel 19 van de Flora- en faunawet en deze leefomgeving zeer gevoelig is voor de effecten van ammoniak, of +c. het gebied door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de lokale en regionale organisaties op het terrein van natuur en landbouw die naar het oordeel van gedeputeerde staten representatief zijn alsmede met de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waartoe het betreffende gebied behoort, is voorgesteld om als zodanig te worden aangemerkt. + +### Artikel 2a + +**1.** Een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt voorbereid door gedeputeerde staten met toepassing van de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure. + +**2.** Bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, plegen gedeputeerde staten in ieder geval overleg met de lokale en regionale organisaties op het terrein van natuur en landbouw die naar het oordeel van gedeputeerde staten representatief zijn alsmede met de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waartoe het gebied waarop het besluit betrekking heeft, behoort. + +**3.** Een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, gaat vergezeld van een of meer kaarten waarop de begrenzing van de zeer kwetsbare gebieden nauwkeurig wordt aangegeven. + +**4.** Een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. + +**5.** Tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. + +**6.** Het besluit tot goedkeuring, bedoeld in het vierde lid, maakt voor de toepassing van het vijfde lid deel uit van het daaraan ten grondslag liggende besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid. + +**7.** Indien de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur of van een beschermd gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, of artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 wordt gewijzigd, wijzigen provinciale staten het in artikel 2, eerste lid, bedoelde besluit, voorzover dat noodzakelijk is om te voldoen aan artikel 2. Op de wijziging van het besluit zijn het eerste tot en met derde en het vijfde lid van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 3 @@ -70,25 +108,23 @@ b. waarop onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak **2.** Het eerste lid geldt niet voor de gevolgen voor het milieu die veroorzaakt worden door directe opname uit de lucht van ammoniak door planten en bomen. -**3.** Het eerste lid geldt evenmin voor het weigeren van de vergunning met toepassing van artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer of voor voorschriften die worden gesteld met toepassing van de artikelen 8.11, 8.44, 8.45 of 8.46 van de Wet milieubeheer. +**3.** Het eerste lid geldt evenmin voor het stellen van voorschriften met toepassing van de artikelen 8.11, 8.44, 8.45 of 8.46 van de Wet milieubeheer en het weigeren van de vergunning met toepassing van artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Daarbij geldt dat de vergunningverlening wordt beoordeeld naar de overeenstemming van de som van de ammoniakemissies uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven met de som van de ammoniakemissies die zijn toegestaan bij een beoordeling per afzonderlijk huisvestingssysteem, met dien verstande dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de voorschriften voldoet. Voorzover de voorschriften betrekking hebben op gpbv-installaties wordt de vergunning eveneens geweigerd indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd. **4.** Het eerste lid geldt – onverminderd artikel 7 – evenmin bij het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 7.35 van de Wet milieubeheer met betrekking tot een veehouderij, bij de voorbereiding waarvan krachtens hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer een milieu-effectrapport dient te worden gemaakt. ### Artikel 4 -**1.** Een vergunning voor het oprichten van een veehouderij wordt geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. - -**2.** Indien geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, wordt een vergunning voor het oprichten van een veehouderij geweigerd, indien de veehouderij onder de reikwijdte van Richtlijn nr. 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257) valt en de ammoniakemissie uit de dierenverblijven een belangrijke verontreiniging veroorzaakt. +Een vergunning voor het oprichten van een veehouderij wordt geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. ### Artikel 5 **1.** -In afwijking van artikel 4, eerste lid, wordt een vergunning niet geweigerd met het oog op de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven, indien de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer viel, en: +In afwijking van artikel 4 wordt een vergunning niet geweigerd met het oog op de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven, indien de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer viel, en: a. het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn, b. het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven die de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen veroorzaken, indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, -c. de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij was, van uitsluitend melkrundvee het aantal dieren hoger is dan het aantal bedoeld onder a, en de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 110 stuks melkvee en 77 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, +c. de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij was, van uitsluitend melkrundvee het aantal dieren hoger is dan het aantal bedoeld onder a, en de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, d. het aantal schapen of paarden hoger is dan bedoeld onder a, e. het aantal dieren dat wordt gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, hoger is dan bedoeld onder a, of f. het aantal dieren dat wordt gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer, hoger is dan bedoeld onder a. @@ -97,21 +133,19 @@ f. het aantal dieren dat wordt gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve ### Artikel 6 -**1.** Een vergunning voor het veranderen van een veehouderij wordt geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. - -**2.** Indien geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, wordt een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de veehouderij onder de reikwijdte van Richtlijn nr. 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257) valt, en de toename van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven als gevolg van de uitbreiding een belangrijke toename van de verontreiniging veroorzaakt. +Een vergunning voor het veranderen van een veehouderij wordt geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. ### Artikel 7 **1.** -In afwijking van artikel 6, eerste lid, wordt de vergunning niet geweigerd, voorzover: +In afwijking van artikel 6 wordt de vergunning niet geweigerd, voorzover: a. de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding: 1°. zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of 2°. op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de ammoniakemissie, als bedoeld onder 1°, of -b. de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij was, de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 110 stuks melkvee en 77 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, +b. in de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij melkrundvee werd gehouden, de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, c. de uitbreiding schapen of paarden betreft, d. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, of e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. @@ -120,7 +154,7 @@ e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ### Artikel 8 -Artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer is niet van toepassing op het veranderen van een veehouderij, indien het veranderen betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf na de uitbreiding geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. +Artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer is niet van toepassing op het veranderen van een veehouderij, indien het veranderen betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf na de uitbreiding geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. ### Artikel 9 @@ -128,60 +162,7 @@ Een ministeriële regeling krachtens deze wet wordt vastgesteld door Onze Minist ### Artikel 10 -**1.** - -Een vergunning die is aangevraagd op of na 8 december 2000 en voor het in werking treden van deze wet is verleend, vervalt met ingang van de dag waarop een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.44 van de Wet milieubeheer, waarbij maximale emissiewaarden zijn vastgesteld, in werking treedt, indien: - -a. de vergunning betrekking heeft op: - -1°. het oprichten van een veehouderij, of -2°. het veranderen van een veehouderij, inhoudende een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën, en -b. een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een voor verzuring gevoelig gebied als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. - -**2.** - -Indien een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer is gedaan op of na 8 december 2000 en met betrekking daartoe voor het in werking treden van deze wet het bevoegd gezag een verklaring heeft afgegeven als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer, vervallen de rechtsgevolgen van die melding en die verklaring met ingang van de dag waarop een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.44 van de Wet milieubeheer, waarbij maximale emissiewaarden zijn vastgesteld, in werking treedt, indien: - -a. de melding betrekking heeft op het veranderen van een veehouderij, inhoudende een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën, en -b. een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een voor verzuring gevoelig gebied als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. - -**3.** - -In afwijking van het eerste en het tweede lid vervalt de vergunning niet, respectievelijk vervallen de rechtsgevolgen van de melding en de verklaring niet, indien: - -a. geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, -b. de ammoniakemissie uit de dierenverblijven die ingevolge de vergunning is toegestaan, niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij op 8 december 2000: - -1°. zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of -2°. op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de ammoniakemissie als bedoeld onder 1°, -c. de veehouderij op 8 december 2000 een melkrundveehouderij was, de uitbreiding van het aantal dieren ten opzichte van het aantal op 8 december 2000 uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 110 stuks melkvee en 77 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, -d. de uitbreiding schapen of paarden betreft, -e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, of -f. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. - -**4.** In afwijking van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer mag een veehouderij dan wel een verandering van de veehouderij waarvoor de vergunning is vervallen op grond van het eerste lid, dan wel waarvoor de rechtsgevolgen van de melding en de verklaring zijn vervallen op grond van het tweede lid, overeenkomstig die vergunning of melding in werking worden gehouden tot twaalf weken na het tijdstip van het vervallen van de vergunning of van de rechtsgevolgen van de melding en de verklaring, en indien binnen deze termijn een aanvraag om de voor de bedoelde oprichting of verandering van de veehouderij vereiste vergunning is ingediend, vervolgens tot acht weken na het tijdstip waarop de beschikking op die aanvraag in werking is getreden. - -**5.** Bij de beslissing op een aanvraag als bedoeld in het vierde lid, wordt de vergunning geweigerd, indien het aantal dieren van een of meer diercategorieën meer bedraagt dan het aantal dieren dat op 8 december 2000 in de veehouderij mocht worden gehouden. - -**6.** - -In afwijking van het vijfde lid wordt de vergunning niet geweigerd, indien: - -a. geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, -b. de ammoniakemissie uit de dierenverblijven niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij op 8 december 2000: - -1°. zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of -2°. op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de ammoniakemissie als bedoeld onder 1°, -c. de veehouderij op 8 december 2000 een melkrundveehouderij was, de uitbreiding van het aantal dieren ten opzichte van het aantal op 8 december 2000 uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 110 stuks melkvee en 77 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, -d. de uitbreiding schapen of paarden betreft, -e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, of -f. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. - -**7.** Het eerste lid is niet van toepassing, indien tegen een vergunning als bedoeld in dat lid binnen de daarvoor gestelde termijn beroep is of wordt ingesteld. Het beroep wordt afgedaan met inachtneming van het bij of krachtens deze wet bepaalde. - -**8.** Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een melding als bedoeld in het tweede lid. - -**9.** Indien de aanvraag van een vergunning voor een veehouderij is ingediend voor 8 december 2000 blijft het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. +Indien de aanvraag van een vergunning voor een veehouderij is ingediend voor 8 december 2000 blijft het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. ### Artikel 11