2012-01-01 | BWBR0011354 | Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001

This commit is contained in:
Coornhert 2012-01-01 12:00:00 +00:00
parent f2af8d34fb
commit 52bebad4f4

View file

@ -231,6 +231,7 @@ Voorzover de periodieke uitkeringen en verstrekkingen volgens de regels die op 3
6. Op aanspraken op lijfrenten als bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat artikel luidde op 31 december 1991 waarop ingevolge artikel 75 van die wet de regels van kracht zijn die daarvoor op 31 december 1991 golden, zijn in aanvulling op het eerste lid ook artikel 1.7, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen, alsmede artikel 3.133, derde lid, van die wet, van overeenkomstige toepassing.
7. Met betrekking tot aanspraken op lijfrenten als bedoeld in het zesde lid zijn de aanhef en onderdeel d van het eerste lid ook van toepassing voor zover de desbetreffende premies het in onderdeel d genoemde bedrag van € 2269 te boven gaan, met dien verstande dat voor zover na 2009 betaalde premies het bedrag van € 2269 te boven gaan, deze niet in aanmerking worden genomen als prestatie als bedoeld in artikel 25, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die bepaling luidde op 31 december 1991.
8. Indien voor het bepalen van het inkomen uit een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen het eerste lid, aanhef en onderdeel d, toepassing vindt, vindt artikel 3.107a van de Wet inkomstenbelasting 2001 geen toepassing bij het bepalen van de omvang van belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen ingevolge dat recht.
9. Voor zover een aanspraak op een lijfrente als bedoeld in het zesde lid wordt omgezet in een aanspraak op een lijfrente als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, of op een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt de tweede aanspraak beschouwd als een voortzetting van de eerste aanspraak. Op het tijdstip van de omzetting van de eerstgenoemde aanspraak in een aanspraak op een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt geacht tevens een verzoek te zijn gedaan als bedoeld in artikel 75, eerste lid, laatste volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die bepaling luidde op 31 december 2000. Voor de toepassing van deze wet wordt een aanspraak op een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht gelijkgesteld met een recht op periodieke uitkeringen en verstrekkingen.
**P. Afrekenoptie voor bepaalde rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen.** 1. Op bij de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2001 gedaan verzoek van de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden of de uitkeringen op grond van het recht zijn ingegaan, de begunstigde, blijft toepassing van onderdeel O, eerste lid, met ingang van 1 januari 2001 achterwege op een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen waarvan de daarvoor betaalde premies op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet als persoonlijke verplichtingen in aanmerking konden worden genomen dan wel voor de verkrijging waarvan geen vrijstelling van toepassing is geweest.
2. In het geval bedoeld in het eerste lid wordt op 1 januari 2001 een uitkering of verstrekking als bedoeld in artikel 3.100 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking genomen bij de in het eerste lid bedoelde persoon tot het bedrag van de waarde in het economische verkeer van het recht verminderd met het gezamenlijke bedrag van de ter zake van dat recht betaalde premies voorzover die niet reeds ter zake van een eerdere uitkering of verstrekking in aanmerking zijn genomen.