2023-01-01 | BWBR0035733 | Uitvoeringsbesluit Wmo 2015
This commit is contained in:
parent
7b0a56ca19
commit
52c9a35eb6
1 changed files with 48 additions and 34 deletions
|
|
@ -21,17 +21,18 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
|||
1°. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: de over dat jaar verschuldigde inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 9 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
|
||||
2°. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
|
||||
– *bijdrage:* bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget;
|
||||
– *compensatie vervallen ouderentoeslag:* een aftrek in de berekening van het bijdrageplichtig inkomen als bedoeld in artikel 3.2a, eerste tot en met derde lid;
|
||||
– *grondslag sparen en beleggen:* grondslag sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
|
||||
– *compensatie vervallen ouderentoeslag:* een aftrek in de berekening van het bijdrageplichtig inkomen als bedoeld in artikel 3.2a, eerste en tweede lid;
|
||||
- * grondslag sparen en beleggen:* grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
|
||||
– *inkomen:*
|
||||
|
||||
1°. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
|
||||
2°. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
|
||||
– *peiljaar:* tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor een bijdrage wordt vastgesteld;
|
||||
– *pensioengerechtigde leeftijd:* de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;
|
||||
– *rendementsgrondslag :* rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
|
||||
– *standaardpremie:* het bedrag als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag;
|
||||
– *vermogen:* vermogen als bedoeld in artikel 3.2;
|
||||
– *vermogensinkomensbijtelling:* bijtelling van het vermogen als bedoeld in artikel 3.2a;
|
||||
– *vermogensinkomensbijtelling:* bijtelling van het vermogen als bedoeld in artikel 3.2a, derde lid;
|
||||
– *wet:*
|
||||
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
|
||||
– *zak- en kleedgeld:* bedrag als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Participatiewet;
|
||||
|
|
@ -64,14 +65,9 @@ c. het rechtmatig verblijf, onverminderd de onderdelen a en b, op grond van arti
|
|||
|
||||
### Artikel 3.1
|
||||
|
||||
**1.** Indien de gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 2.1.4a, eerste lid, of artikel 2.1.5 van de wet is een bijdrage verschuldigd.
|
||||
**1.** Dit hoofdstuk is van toepassing op bijdragen als bedoeld in de artikelen 2.1.4, derde lid, 2.1.4a, eerste lid, 2.1.5, en 8.4, tweede lid, van de wet.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Paragraaf 2 is, tenzij de paragraaf 3 of 4 van toepassing is, van toepassing op bijdragen:
|
||||
|
||||
1° voor aangewezen algemene voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid van de wet, maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten; en
|
||||
2°. krachtens artikel 8.3, zesde lid, van de wet.
|
||||
**2.** Paragraaf 2 is, tenzij paragraaf 3 of 4 van toepassing is, van toepassing op bijdragen voor aangewezen algemene voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid van de wet, maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -91,28 +87,35 @@ Paragraaf 3 is van toepassing op bijdragen:
|
|||
Het vermogen van een persoon is zijn vermogensgrondslag, bedoeld in het tweede of derde lid, waarvan de volgende vermogensbestanddelen worden afgetrokken:
|
||||
|
||||
a. op aanvraag van de persoon, het bedrag ter grootte van door de persoon in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die bij ministeriële regeling van Onze Minister of Onze Minister van Financiën krachtens artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn aangewezen;
|
||||
b. voor de toepassing van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel c, en artikel 3.14, eerste lid, een bedrag van € 10.542 voor de persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en van € 10.542 voor zijn echtgenoot die:
|
||||
b. voor de toepassing van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel c, en artikel 3.14, eerste lid, een bedrag van € 10.710 voor de persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en van € 10.710 voor zijn echtgenoot die:
|
||||
|
||||
1°. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; of
|
||||
2°. de pensioengerechtigde leeftijd niet heeft bereikt en geen bijdrage als bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, of artikel 3.12, eerste en tweede lid, dan wel artikel 3.3.2.1, eerste lid, of artikel 3.3.2.2, eerste en tweede lid, van het Besluit langdurige zorg verschuldigd is,
|
||||
|
||||
met dien verstande dat het vermogen ten minste nihil bedraagt.
|
||||
|
||||
**2.** De vermogensgrondslag van een persoon is zijn grondslag sparen en beleggen, over het peiljaar, of indien over het peiljaar artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 op de persoon van toepassing is, het aan hem toegerekende gedeelte van de toepasselijke gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in dat lid.
|
||||
**2.** De vermogensgrondslag van een persoon is zijn rendementsgrondslag aan het begin van het peiljaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het voor dat jaar van toepassing zijnde bedrag in artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid is de vermogensgrondslag van een persoon bij toepassing jegens hem van artikel 3.14, tweede lid, artikel 3.15, tweede lid, of artikel 3.16, de te verwachten grondslag sparen en beleggen over het lopende jaar, of indien artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 vermoedelijk op de persoon van toepassing zal zijn, het te verwachten aan hem toe te rekenen deel van de toepasselijke te verwachten gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid is de vermogensgrondslag van een persoon in geval artikel 3.14, tweede lid, artikel 3.15, tweede lid, of artikel 3.16 van toepassing is, de te verwachten rendementsgrondslag over het lopende jaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag in artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
||||
**4.** Het deel van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dat de vermogensgrondslag van de persoon overtreft, wordt voor zijn echtgenoot als vermindering toegepast.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kan een periode worden vastgesteld gedurende welke het bedrag van een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan worden afgetrokken, welke periode kan verschillen per uitkering.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.2a
|
||||
|
||||
**1.** De compensatie vervallen ouderentoeslag bedraagt een percentage van het vermogen van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Dat percentage bestaat uit de som van het percentage van de vermogensinkomensbijtelling en 4%.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** De compensatie vervallen ouderentoeslag bedraagt ten hoogste de som van het percentage van de vermogensinkomensbijtelling en 2,8%, vermenigvuldigd met 25.000.
|
||||
De compensatie vervallen ouderentoeslag bedraagt de som van:
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot van de cliënt.
|
||||
a. 4% van de grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder a en b, en
|
||||
b. de vermogensinkomensbijtelling,
|
||||
|
||||
**4.** De vermogensinkomensbijtelling bedraagt 4% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, dan wel de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.
|
||||
doch ten hoogste € 1.700.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot van de cliënt.
|
||||
|
||||
**3.** De vermogensinkomensbijtelling bedraagt 4% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, dan wel de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -169,7 +172,7 @@ c. zich bijzondere of verzwarende omstandigheden voordoen voor de cliënt.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.6
|
||||
|
||||
**1.** De bijdrage wordt zo spoedig mogelijk herzien na het tijdstip waarop het CAK of een andere instantie als bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging.
|
||||
**1.** De bijdrage wordt zo spoedig mogelijk herzien na het tijdstip waarop het CAK of een andere instantie als bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging.
|
||||
|
||||
**2.** De bijdrage is verschuldigd of wordt gerestitueerd over ten hoogste 36 maanden voor de maand waarin het besluit, waarmee de bijdrage is herzien, aan de cliënt is verzonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -184,7 +187,16 @@ b. de tekortkoming of vertraging, bedoeld onder a, niet aan de cliënt te wijten
|
|||
|
||||
**5.** Uit eigen beweging of op aanvraag van de cliënt kan, bij het voordoen van de situatie, bedoeld in het vierde lid, het CAK de termijn inkorten tot maximaal een maand of besluiten dat de bijdrage niet verschuldigd is in bijzondere of voor de cliënt verzwarende omstandigheden.
|
||||
|
||||
**6.** Voor zover de bevoegdheid tot herziening van de bijdrage over een maand is vervallen op grond van het tweede, vierde of vijfde lid wordt de over die periode eerder vastgestelde bijdrage van rechtswege definitief.
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het tweede lid, kan het CAK uit eigen beweging of op aanvraag van de cliënt, een eigen bijdrage herzien en restitueren over meer dan 36 maanden, indien het CAK van oordeel is dat het verzuim om de bijdrage te herzien:
|
||||
|
||||
a. het gevolg is van een ernstige tekortkoming of vertraging in de vaststelling van de gegevens, de gegevensuitwisseling of de verwerking daarvan die noodzakelijk zijn voor het herzien van de bijdrage; en
|
||||
b. de tekortkoming of vertraging, bedoeld onder a, niet aan de verzekerde te wijten is.
|
||||
|
||||
**7.** De aanvraag, bedoeld in het zesde lid, wordt gedaan uiterlijk 5 jaar na het bekend worden bij de cliënt van een omstandigheid die aanleiding geeft tot herziening van de bijdrage.
|
||||
|
||||
**8.** Onverminderd het zesde lid, wordt voor zover de bevoegdheid tot herziening van de bijdrage over een maand is vervallen op grond van het tweede, vierde of vijfde lid, de over die periode eerder vastgestelde bijdrage van rechtswege definitief.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.7
|
||||
|
||||
|
|
@ -216,7 +228,7 @@ g. indien het college van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdrage onv
|
|||
h. indien het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente;
|
||||
i. voor de maanden april en mei van het kalenderjaar 2020, tenzij het betreft de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget voor beschermd wonen of opvang.
|
||||
|
||||
**4.** Het college geeft onmiddellijk voor het toepassen van het derde lid, onderdelen c, g en h, bij het CAK aan over hoeveel maanden geen bijdrage verschuldigd is. De ingangsdatum van de maand waarover geen bijdrage verschuldigd is, wordt niet gesteld op een datum die is gelegen voor de dag waarop het oordeel van het college aan het CAK kenbaar is gemaakt. Een herziening van de periode waarover geen bijdrage verschuldigd is heeft geen betrekking op de perioden die liggen voor de ingangsdatum van de eerste maand waarover geen bijdrage is verschuldigd.
|
||||
**4.** Het college geeft onmiddellijk voor het toepassen van het derde lid, onderdelen c, g en h, bij het CAK aan over hoeveel maanden geen bijdrage verschuldigd is. De ingangsdatum van de maand waarover geen bijdrage verschuldigd is, wordt niet gesteld op een datum die is gelegen meer dan zesendertig maanden voorafgaand aan de dag waarop het oordeel van het college aan het CAK kenbaar is gemaakt. Een herziening van de periode waarover geen bijdrage verschuldigd is heeft geen betrekking op de perioden die liggen voor de ingangsdatum van de eerste maand waarover geen bijdrage is verschuldigd.
|
||||
|
||||
**5.** Indien een cliënt een bijdrage niet verschuldigd is op grond van artikel 3.5, zevende lid of 3.6, vierde en vijfde lid, wordt het derde lid, onderdeel a, toegepast alsof de cliënt wel die bijdrage verschuldigd is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -228,11 +240,11 @@ i. voor de maanden april en mei van het kalenderjaar 2020, tenzij het betreft de
|
|||
|
||||
**1.** Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling.
|
||||
|
||||
**2.** Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK voor de berekening van de verlaagde bijdrage, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, onderdeel a, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling van het verwachte vermogen in het lopende jaar, indien het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.695 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
**2.** Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK voor de berekening van de verlaagde bijdrage, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, onderdeel a, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling van het verwachte vermogen in het lopende jaar, indien het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.853 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk vier maanden na de datum waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan € 2.695 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
|
||||
**4.** Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan € 2.853 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de cliënt wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -242,9 +254,9 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 3.10
|
||||
|
||||
**1.** Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde cliënten geen gegevens inzake het inkomen of de grondslag sparen en beleggen beschikbaar zijn, wordt de bijdrage vastgesteld op het bedrag, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid, of 2.1.4a, vierde lid, van de wet.
|
||||
**1.** Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde cliënten geen gegevens inzake het inkomen of de rendementsgrondslag beschikbaar zijn, wordt de bijdrage vastgesteld op het bedrag, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid, of 2.1.4a, vierde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
**2.** Indien na de vaststelling van de bijdrage uit alsnog beschikbaar gekomen gegevens inzake het inkomen of de grondslag sparen en beleggen, of uit een wijziging van deze gegevens, blijkt dat de bijdrage op onjuist bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de bijdrage met inachtneming van de beschikbaar gekomen gegevens dan wel van die wijziging.
|
||||
**2.** Indien na de vaststelling van de bijdrage uit alsnog beschikbaar gekomen gegevens inzake het inkomen of de rendementsgrondslag, of uit een wijziging van deze gegevens, blijkt dat de bijdrage op onjuist bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de bijdrage met inachtneming van de beschikbaar gekomen gegevens dan wel van die wijziging.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10a
|
||||
|
||||
|
|
@ -276,7 +288,7 @@ a. de ongehuwde cliënt die in een instelling voor beschermd wonen verblijft of
|
|||
b. de gehuwde cliënten tezamen die beiden in een instelling voor beschermd wonen verblijven dan wel dat daarvoor een persoonsgebonden budget is verleend;
|
||||
c. de gehuwde cliënt wiens echtgenoot een bijdrage ingevolge artikel 3.3.2.1 van het Besluit langdurige zorg verschuldigd is.
|
||||
|
||||
**2.** De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan € 2.506 per maand.
|
||||
**2.** De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan € 2.652,40 per maand.
|
||||
|
||||
**3.** In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de cliënt en zijn echtgenoot tezamen slechts eenmaal de bijdrage, berekend overeenkomstig het eerste en tweede lid, verschuldigd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -299,7 +311,7 @@ a. de gehuwde cliënt die in een instelling voor beschermd wonen verblijft of ee
|
|||
b. de gehuwde cliënten tezamen van wie één in een instelling voor beschermd wonen verblijft of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend en wiens echtgenoot een persoonsgebonden budget of een andere maatwerkvoorziening ontvangt;
|
||||
c. de gehuwde cliënt die in een instelling voor beschermd wonen verblijft of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend en wiens echtgenoot zorg ontvangt als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, voor zover het zorg met verblijf in een instelling, een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget betreft, met dien verstande dat de cliënt en zijn echtgenoot tezamen de bijdrage slechts eenmaal verschuldigd zijn.
|
||||
|
||||
**3.** De bijdrage voor beschermd wonen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt ten minste € 174 en niet meer dan € 913,20 per maand.
|
||||
**3.** De bijdrage voor beschermd wonen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt ten minste € 184,00 en niet meer dan € 966,60 per maand.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -318,6 +330,8 @@ Uit eigen beweging door het CAK of op aanvraag van de cliënt is de bijdrage nie
|
|||
a. een inkomen heeft dat gelijk is aan of lager is dan de in artikel 23, eerste en tweede lid, van de Participatiewet, genoemde normbedragen, die gelden voor de cliënt of diens echtgenoot in de daarbij genoemde burgerlijke staat, waarbij die normbedragen opgehoogd worden met de voor de cliënt op grond van het derde lid vastgestelde minimale eigen bijdrage; of
|
||||
b. op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet geen uitkering ontvangt.
|
||||
|
||||
**7.** De aanvraag, bedoeld in het zesde lid, wordt gedaan uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk vier maanden na de datum waarop de bijdrage op basis van het bijdrageplichtig inkomen wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.13
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -330,8 +344,8 @@ b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering ge
|
|||
1°. 15% van de netto-opbrengst van in het voorafgaande kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering op grond van de Ziektewet dan wel, indien dit onbekend of niet beschikbaar is, 15% van de redelijkerwijs te verwachten netto-opbrengst van in het lopende kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering op grond van de Ziektewet;
|
||||
2°. het in het peiljaar geldende zak- en kleedgeld, premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag, een aftrekpost die verschillend kan zijn voor een cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en een cliënt die die leeftijd nog niet heeft bereikt of extra vrijlatingen, een en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels;
|
||||
3°. op aanvraag van de cliënt, de in het peiljaar geldende uitkering op grond van artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 of op grond van artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945;
|
||||
4°. de compensatie vervallen ouderentoeslag, indien het inkomen van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.869 bedraagt;
|
||||
5° de compensatie vervallen ouderentoeslag van de echtgenoot, indien de echtgenoot van de cliënt de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 20.869 bedraagt;
|
||||
4°. de compensatie vervallen ouderentoeslag, indien het inkomen van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, verminderd met 4% van de grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder a en b, minder dan € 21.203 bedraagt;
|
||||
5° de compensatie vervallen ouderentoeslag van de echtgenoot, indien de echtgenoot van de cliënt de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van zijn grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder a en b, minder dan € 21.203 bedraagt;
|
||||
c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling.
|
||||
|
||||
**2.** Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, de vermogensinkomensbijtelling over het te verwachten vermogen, en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van het eerste lid, onderdelen a en c, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het zak- en kleedgeld, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie, vermeerderd met de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, en verminderd met de zorgtoeslag, zoals deze bedragen gelden in het lopende kalenderjaar. Het aldus berekende bijdrageplichtig inkomen wordt, om de per maand verschuldigde bijdrage vast te stellen, gedeeld door twaalf.
|
||||
|
|
@ -346,21 +360,21 @@ c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met de
|
|||
|
||||
**1.** Voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.12, eerste en tweede lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling.
|
||||
|
||||
**2.** Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.695 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien de verzekerde algemene bijstand op grond van de Participatiewet ontvangt.
|
||||
**2.** Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.853 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien de verzekerde algemene bijstand op grond van de Participatiewet ontvangt.
|
||||
|
||||
**3.** De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk vier maanden na de datum waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van de definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen over het lopende jaar minder dan € 2.695 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
|
||||
**4.** Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van de definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen over het lopende jaar minder dan € 2.853 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** Inkomen dat buiten Nederland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de cliënt wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.14a
|
||||
|
||||
**1.** Voor de toepassing van artikel 3.14, eerste of tweede lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.12, eerste of tweede lid, uit het inkomen van de ongehuwde cliënt, dan wel van de gehuwde cliënten tezamen, verminderd met de compensatie vervallen ouderentoeslag, indien het inkomen van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.869 bedraagt.
|
||||
**1.** Voor de toepassing van artikel 3.14, eerste of tweede lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.12, eerste of tweede lid, uit het inkomen van de ongehuwde cliënt, dan wel van de gehuwde cliënten tezamen, verminderd met de compensatie vervallen ouderentoeslag, indien het inkomen van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 21.203 bedraagt.
|
||||
|
||||
**2.** De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling.
|
||||
|
||||
**3.** De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de compensatie vervallen ouderentoeslag van de echtgenoot, indien de echtgenoot van de cliënt de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 20.869 bedraagt.
|
||||
**3.** De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de compensatie vervallen ouderentoeslag van de echtgenoot, indien de echtgenoot van de cliënt de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 21.203 bedraagt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.15
|
||||
|
||||
|
|
@ -378,9 +392,9 @@ c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met de
|
|||
|
||||
### Artikel 3.17
|
||||
|
||||
**1.** Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde cliënten geen gegevens inzake het inkomen of de grondslag sparen en beleggen beschikbaar zijn, wordt de bijdrage vastgesteld op het minimumbedrag, genoemd in artikel 3.12, derde lid.
|
||||
**1.** Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde cliënten geen gegevens inzake het inkomen of de rendementsgrondslag beschikbaar zijn, wordt de bijdrage vastgesteld op het minimumbedrag, genoemd in artikel 3.12, derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Indien na de vaststelling van de bijdrage uit alsnog beschikbaar gekomen gegevens inzake het inkomen of de grondslag sparen en beleggen, of uit een wijziging van deze gegevens, blijkt dat de bijdrage op een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de bijdrage met inachtneming van de beschikbaar gekomen gegevens dan wel van die wijziging.
|
||||
**2.** Indien na de vaststelling van de bijdrage uit alsnog beschikbaar gekomen gegevens inzake het inkomen of de rendementsgrondslag, of uit een wijziging van deze gegevens, blijkt dat de bijdrage op een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de bijdrage met inachtneming van de beschikbaar gekomen gegevens dan wel van die wijziging.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.18
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue