2008-07-01 | BWBR0008975 | Besluit diëtist, ergotherapeut, logopedist, mondhygiënist, oefentherapeut, orthoptist en podotherapeut

This commit is contained in:
Coornhert 2008-07-01 12:00:00 +00:00
parent 08def6b8ad
commit 5440a9df40

View file

@ -19,10 +19,7 @@ citeertitel: Besluit diëtist, ergotherapeut, logopedist, mondhygiënist, oefent
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Centraal register opleidingen hoger onderwijs: het register als bedoeld in artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
b. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.8 dan wel aangewezen krachtens artikel 1.11 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. studiepunt: 40 uren studie;
d. hoofdfase: de laatste 84 studiepunten in het geval van een driejarige opleiding dan wel de laatste 126 studiepunten in het geval van een vierjarige opleiding;
e. preventieve mondzorg: primaire preventie met betrekking tot de mondzorg en secundaire en tertiaire preventie op het gebied van de parodontologie en cariologie.
b. preventieve mondzorg: primaire preventie met betrekking tot de mondzorg en secundaire en tertiaire preventie op het gebied van de parodontologie en cariologie.
## Hoofdstuk II. DIËTIST
@ -36,27 +33,94 @@ Het recht tot het voeren van de titel van diëtist is voorbehouden aan degene aa
### Artikel 3
Een opleiding als bedoeld in artikel 2 omvat ten minste de volgende onderdelen:
**1.**
a. het centrale vakgebied diëtetiek en voedingswetenschappen, omvattende ten minste:
De opleiding tot diëtist, bedoeld in artikel 2, omvat zowel theoretisch als praktisch onderwijs, dat gericht is op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de beroepsuitoefening van de diëtist die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 5:
1°. onderzoeken en behandelen van de patiënt in het kader van het gebied van deskundigheid zoals omschreven in artikel 5;
2°. diëet- en voedingsleer;
3°. theoretische en praktische voedselbereiding;
4°. levensmiddelenleer;
5°. scheikunde;
b. de beroepsvoorbereidende periode in het werkveld;
c. het medisch-biologische vakgebied, waaronder biologie, microbiologie, anatomie, fysiologie, biochemie en patho-biochemie, pathologie en gezondheidskunde;
d. vakken op het gebied van de gedrags- en maatschappijwetenschappen, waaronder psychologie, sociologie, communicatie en voorlichtingskunde, gesprekstechnieken en didactiek;
e. ondersteunende vakken, waaronder organisatie van de gezondheidszorg, gezondheidsrecht, beroepsoriëntatie en praktijkvoering, ethiek met betrekking tot het beroep van diëtist, methoden en technieken van wetenschappelijk onderzoek alsmede kwaliteitszorg.
a. diagnostiek en behandeling;
b. communicatie en samenwerking;
c. preventie en gezondheidsvoorlichting;
d. kwaliteitszorg en innovatie;
e. praktijk- en bedrijfsvoering;
f. beroepsontwikkeling.
**2.** Het praktische onderwijs omvat in ieder geval stages in het werkveld inzake het toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 5, onder toezicht van een diëtist.
### Artikel 4
**1.** De in artikel 3, onder b, bedoelde beroepsvoorbereidende periode omvat het in het werkveld toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid zoals omschreven in artikel 5, eerste lid, onder a.
**1.**
**2.** De beroepsvoorbereidende periode vindt plaats onder begeleiding van een daartoe door de instelling aangewezen docent en wordt doorgebracht onder toezicht van een diëtist.
Het aspect diagnostiek en behandeling is zo ingericht dat betrokkene in staat is om in het kader van diagnostiek en behandeling van ziekte gerelateerde voedingsproblemen op verwijzing van een arts, volgens de vigerende beroeps- en gezondheidszorgstandaarden, op methodische wijze de volgende interventies voor te bereiden, uit te voeren, te evalueren, bij te stellen en af te ronden:
**3.** De beroepsvoorbereidende periode omvat 30 studiepunten die behaald worden in de tweede helft van de hoofdfase en is gelijkelijk verdeeld over twee verschillende instellingen van gezondheidszorg.
a. het in het kader van het diëtistische onderzoek bij de patiënt afnemen van een anamnese;
b. het stellen van een diëtistische diagnose;
c. het opstellen van een behandelplan of advies, zo nodig na afstemming met andere disciplines;
d. het bieden van individuele voedings- en dieetadvisering;
e. het op methodische wijze overdragen van informatie over voeding en diëten;
f. het door middel van begeleiding en coaching bewerkstelligen van therapietrouw en gedragsverandering;
g. het adequaat registreren van verzamelde gegevens;
h. het uitvoeren van evaluaties, zowel tussentijds als aan het einde van de behandeling, het afsluiten van de behandeling en het rapporteren aan de verwijzer;
i. het in het kader van preventie bij een persoon signaleren van ongezond voedingsgedrag en ongezonde leefwijzen;
j. het in het kader van leefstijlcoaching bij een persoon teweegbrengen van veranderingen in voedingsgedrag en van een gezonde leefstijl;
k. het regisseren van gezondheidsbevorderende interventies bij door voeding beïnvloedbare ziekten of klachten;
l. het met andere zorgverleners waarborgen van effectieve en efficiënte voedings- en dieetzorg;
m. zo nodig terugverwijzing naar de arts.
**2.**
Het aspect communicatie en samenwerking is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. effectief te communiceren met de patiënt en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, met diens naaste betrekkingen;
b. in het kader van formele relaties, intern en extern te communiceren met andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg en gesprekspartners werkzaam in zowel een preventieve als curatieve setting;
c. een functionele samenwerkingsrelatie met de patiënt aan te gaan, te onderhouden en af te ronden;
d. met andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg en gesprekspartners in en buiten de organisatie professioneel overleg te voeren en samen te werken.
**3.**
Het aspect preventie en gezondheidsvoorlichting is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. in het kader van preventie doelgerichte voedingsvoorlichting en -informatie te geven met gezondheidsbevordering als doel;
b. in het kader van therapietrouw en gedragsverandering de patiënt tijdens de behandeling op methodische wijze voor te lichten;
c. bij te dragen aan het opstellen en implementeren van het preventiebeleid van de organisatie.
**4.**
Het aspect kwaliteitszorg en innovatie is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. de eigen zorg- en dienstverlening op effectiviteit en efficiëntie te analyseren, daaraan conclusies te verbinden en deze zo nodig planmatig te verbeteren;
b. aan de patiënt verantwoording af te leggen over effectiviteit en efficiëntie van de zorg- en dienstverlening;
c. kwaliteitsinstrumenten van de beroepsgroep adequaat te gebruiken;
d. een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de voedingszorg- en dienstverlening binnen een afdeling dan wel organisatie en deze op effectiviteit en efficiëntie te analyseren en daaraan conclusies te verbinden;
e. onderzoek te initiëren en uit te voeren naar de effecten van voeding op gezondheid;
f. nieuwe interventies of nieuwe interventiemethodieken of -producten te ontwikkelen in het kader van voeding en gezondheid;
g. nieuw ontwikkelde kennis en innovaties uit te dragen en te publiceren;
h. algemeen maatschappelijke en beroepsspecifieke innovaties te integreren in het eigen professionele handelen.
**5.**
Het aspect praktijk- en bedrijfsvoering is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. vanuit een gezondheids- en marktperspectief een bijdrage te leveren aan het voedingsbeleid, de praktijkvoering en het beheer van de afdeling dan wel organisatie;
b. al dan niet met anderen tot een effectieve en efficiënte praktijk- en bedrijfsvoering te komen;
c. effectief leergedrag bij stagiaires en nieuwe collegas te stimuleren, zodat beginnende diëtisten op professionele wijze bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de organisatie;
d. middelen en materialen te beheren, zodat de dienstverlening aan de cliënt vanuit de organisatie effectief en efficiënt verloopt;
e. nieuw beleid te volgen en te initiëren zodat de dienstverlening in de toekomst wordt gewaarborgd.
**6.**
Het aspect beroepsontwikkeling is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. het beroep uit te oefenen overeenkomstig de geldende professionele richtlijnen en de stand van de wetenschap en de geldende waarden en opvattingen die patiënten hebben ten aanzien van voedings- en dieetzorg;
b. ethische vraagstukken die zich voordoen bij de diëtistische handelingen te onderkennen en hanteren;
c. te handelen vanuit een juist begrip van wettelijke regelingen en andere regelingen betreffende de beroepsuitoefening van de diëtist;
d. te handelen vanuit een juist inzicht in de epidemiologie en de behoefte aan voedings- en dieetzorg van de bevolking als geheel en de daartoe te hanteren verzorgingsmogelijkheden, zowel collectief als individueel;
e. prioriteiten te stellen voor te verlenen voedings- en dieetzorg in overeenstemming met de beschikbare middelen, de behandelingsnoodzaak en de eigen vraag naar zorg van de cliënt;
f. te handelen vanuit een juist inzicht in de structuur en financiering van de organisatie en de gezondheidszorg gericht op de voedings- en dieetzorg;
g. op een effectieve manier wetenschappelijke informatie te verwerven, te verwerken en toe te passen in het beroepsmatige handelen;
h. te reflecteren op het eigen beroepsmatige handelen en dit op basis hiervan verder te ontwikkelen;
i. de eigen professionaliteit voortdurend te ontwikkelen op basis van nieuwe situaties in de samenleving of het beroepsdomein;
j. anderen te begeleiden in hun beroepsontwikkeling;
k. bij te dragen aan de ontwikkeling van de professie.
### Paragraaf 3. Deskundigheid
@ -86,26 +150,84 @@ Het recht tot het voeren van de titel van ergotherapeut is voorbehouden aan dege
### Artikel 7
Een opleiding als bedoeld in artikel 6 omvat ten minste de volgende onderdelen:
**1.**
a. het centrale vakgebied ergotherapie, omvattende ten minste:
De opleiding tot ergotherapeut, bedoeld in artikel 6, omvat zowel theoretisch als praktisch onderwijs, dat gericht is op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de ergotherapeutische beroepsuitoefening die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 9:
1°. onderzoeken en behandelen van de patiënt in het kader van het gebied van deskundigheid zoals omschreven in artikel 9;
2°. theorie en praktijk van de ergotherapie;
3°. analyse van activiteiten op het gebied van zelfredzaamheid, productiviteit en ontspanning van de patiënt, met name ten aanzien van de zingevende, ergonomische, materiaaltechnische en vormgevingsaspecten;
4°. aanpassingen en voorzieningen in leef-, woon- en werksituatie;
b. de beroepsvoorbereidende periode in het werkveld;
c. het medisch-biologische vakgebied, waaronder kinesiologie, algemene pathologie, speciële pathologie, revalidatiegeneeskunde, geriatrie en psychiatrie;
d. vakken op het gebied van de gedrags- en maatschappijwetenschappen, waaronder psychologie, agologie, sociologie, filosofie en gesprekstechnieken;
e. ondersteunende vakken, waaronder organisatie van de gezondheidszorg, gezondheidsrecht, beroepsoriëntatie en praktijkvoering, ethiek met betrekking tot het beroep van ergotherapeut, methoden en technieken van wetenschappelijk onderzoek alsmede kwaliteitszorg.
a. diagnostiek en behandeling;
b. communicatie en samenwerking;
c. preventie en gezondheidsvoorlichting;
d. kwaliteitszorg en innovatie;
e. praktijk- en bedrijfsvoering;
f. beroepsontwikkeling;
**2.** Het praktische onderwijs omvat in ieder geval stages in het werkveld inzake het toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 9, onder toezicht van een ergotherapeut.
### Artikel 8
**1.** De in artikel 7, onder b, bedoelde beroepsvoorbereidende periode omvat het in het werkveld toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid van de ergotherapeut zoals omschreven in artikel 9, eerste lid, onder a.
**1.**
**2.** De beroepsvoorbereidende periode vindt plaats onder begeleiding van een daartoe door de instelling aangewezen docent en wordt doorgebracht onder toezicht van een ergotherapeut.
Het aspect diagnostiek en behandeling is zo ingericht dat betrokkene in staat is om in het kader van diagnostiek en behandeling op verwijzing van een arts, volgens de vigerende beroeps- en gezondheidszorgstandaarden, op methodische wijze de volgende interventies voor te bereiden, uit te voeren, te evalueren, bij te stellen en af te ronden:
**3.** De beroepsvoorbereidende periode omvat 30 studiepunten die behaald worden in de tweede helft van de hoofdfase en is gelijkelijk verdeeld over twee verschillende instellingen van gezondheidszorg.
a. het in het kader van het ergotherapeutische onderzoek bij de patiënt afnemen van een anamnese;
b. het stellen van een ergotherapeutische diagnose;
c. het opstellen van een behandelplan of advies;
d. het op methodische wijze adviseren aan opdrachtgevers over zorg of begeleiding, hulpmiddelen, voorzieningen of arbeidsomstandigheden met als doel de handelingscompetentie van de patiënt te bevorderen en te behouden, zodat op indirecte wijze een bijdrage wordt geleverd aan gezondheid en welzijn van de patiënt;
e. het ontwerpen of vervaardigen of aanpassen van producten, voorzieningen of hulpmiddelen, gericht op wonen, werken, zorg, vrije tijdsbesteding en spel, als deze niet leverbaar of in hun oorspronkelijke vorm niet bruikbaar zijn voor de patiënt;
f. het met behulp van ICT vastleggen van de aan de patiënt te bieden zorg;
g. het met andere zorgverleners waarborgen van effectieve en efficiënte ergotherapeutische zorg;
h. het zo nodig terugverwijzen naar de arts.
**2.**
Het aspect communicatie en samenwerking is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. effectief te communiceren met de patiënt en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, met diens naaste betrekkingen;
b. in het kader van formele relaties intern en extern te communiceren met andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg of instanties in de gezondheidszorg;
c. een functionele samenwerkingsrelatie met de patiënt en diens naaste betrekkingen aan te gaan, te onderhouden en af te ronden;
d. met andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg in en buiten de organisatie professioneel samen te werken.
**3.**
Het aspect preventie en gezondheidsvoorlichting is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. in het kader van preventie voorlichting te geven aan de patiënt ter zake van gezondheidsbevorderend gedrag;
b. in het kader van therapietrouw en gedragsverandering de patiënt tijdens de behandeling op methodische wijze voor te lichten.
**4.**
Het aspect kwaliteitszorg en innovatie is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. de eigen zorg- en dienstverlening op effectiviteit en efficiëntie te analyseren, daaraan conclusies te verbinden en deze zo nodig planmatig te verbeteren;
b. aan de patiënt verantwoording af te leggen over effectiviteit en efficiëntie van het eigen professionele handelen;
c. een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de zorg- en dienstverlening binnen de organisatie en in dat kader de zorg- en dienstverlening op effectiviteit en efficiëntie te analyseren en daaraan conclusies te verbinden;
d. algemeen maatschappelijke en beroepsspecifieke innovaties te integreren in het eigen professionele handelen.
**5.**
Het aspect praktijk- en bedrijfsvoering is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. vanuit een zorgperspectief een bijdrage te leveren aan het zorgbeleid, de praktijkvoering en het beheer van de afdeling dan wel organisatie;
b. met anderen tot een effectieve, efficiënte en hygiënische praktijk- en bedrijfsvoering te komen, zo mogelijk met behulp van ICT;
c. effectief leergedrag bij stagiaires en nieuwe collegas te stimuleren, zodat beginnende ergotherapeuten op professionele wijze bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de organisatie;
d. middelen en materialen te beheren, zodat de dienstverlening aan de patiënt vanuit de organisatie effectief en efficiënt verloopt;
e. nieuw beleid te volgen en te initiëren zodat de dienstverlening in de toekomst gewaarborgd wordt.
**6.**
Het aspect beroepsontwikkeling is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. het beroep uit te oefenen overeenkomstig de geldende professionele richtlijnen, de stand van de wetenschap en de geldende waarden en opvattingen die patiëntengroepen hebben ten aanzien van ergotherapeutische zorg;
b. ethische vraagstukken die zich voordoen bij de ergotherapeutische handelingen te onderkennen en hanteren;
c. te handelen vanuit een juist begrip van wettelijke regelingen en andere regelingen betreffende de ergotherapeutische beroepsuitoefening;
d. te handelen vanuit een juist inzicht in de epidemiologie en de behoefte aan ergotherapeutische zorg van de bevolking als geheel en de daartoe te hanteren verzorgingsmogelijkheden, zowel collectief als individueel;
e. prioriteiten te stellen voor het verlenen van ergotherapeutische zorg in overeenstemming met de beschikbare middelen, de behandelingsnoodzaak en de eigen vraag naar zorg van de patiënt;
f. te handelen vanuit een juist inzicht in de structuur en financiering van de gezondheidszorg gericht op de ergotherapeutische zorg;
g. op een wetenschappelijke en effectieve manier informatie te verwerven, te verwerken en toe te passen in het beroepsmatige handelen;
h. te reflecteren op het eigen beroepsmatige handelen en dit op basis hiervan verder te ontwikkelen;
i. de eigen professionaliteit voortdurend te ontwikkelen op basis van nieuwe situaties in de samenleving of het beroepsdomein;
j. anderen te begeleiden in hun beroepsontwikkeling;
k. bij te dragen aan de ontwikkeling van de professie.
### Paragraaf 3. Deskundigheid
@ -136,25 +258,84 @@ Het recht tot het voeren van de titel van logopedist is voorbehouden aan degene
### Artikel 11
Een opleiding als bedoeld in artikel 10 omvat ten minste de volgende onderdelen:
**1.**
a. het centrale vakgebied logopedie, omvattende ten minste:
De opleiding tot logopedist, bedoeld in artikel 10, omvat zowel theoretisch als praktisch onderwijs, dat gericht is op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de logopedische beroepsuitoefening die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 13:
1°. onderzoeken en behandelen van de patiënt in het kader van het gebied van deskundigheid zoals omschreven in artikel 13;
2°. theorie, waaronder de normale ontwikkeling van en stoornissen in stem, taal, spraak, gehoor en primaire mond- en keelfuncties;
3°. praktijk intern, waaronder het oefenen van de eigen stem- en spraakvaardigheid, didactiek en audiometrie;
b. de beroepsvoorbereidende periode in het werkveld;
c. het medische vakgebied, waaronder anatomie, pathologie en neurologie;
d. vakken op het gebied van de gedrags- en maatschappijwetenschappen, waaronder agogiek, gesprekstechnieken, didactiek, psychologie en orthopedagogiek;
e. ondersteunende vakken, waaronder organisatie van de gezondheidszorg, gezondheidsrecht, beroepsoriëntatie en praktijkvoering, ethiek met betrekking tot het beroep van logopedist, methoden en technieken van wetenschappelijk onderzoek alsmede kwaliteitszorg.
a. diagnostiek en behandeling;
b. communicatie en samenwerking;
c. preventie en gezondheidsvoorlichting;
d. kwaliteitszorg en innovatie;
e. praktijk- en bedrijfsvoering;
f. beroepsontwikkeling.
**2.** Het praktische onderwijs omvat in ieder geval stages in het werkveld inzake het toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 13, onder toezicht van een logopedist.
### Artikel 12
**1.** De in artikel 11, onder b, bedoelde beroepsvoorbereidende periode omvat het in het werkveld toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid van de logopedist zoals omschreven in artikel 13, eerste lid, onder a.
**1.**
**2.** De beroepsvoorbereidende periode vindt plaats onder begeleiding van een daartoe door de instelling aangewezen docent en wordt doorgebracht onder toezicht van een logopedist.
Het aspect diagnostiek en behandeling is zo ingericht dat betrokkene in staat is om in het kader van diagnostiek en behandeling op verwijzing van een arts, volgens de vigerende beroeps- en gezondheidszorgstandaarden, op methodische wijze de volgende interventies voor te bereiden, uit te voeren, te evalueren, bij te stellen en af te ronden:
**3.** De beroepsvoorbereidende periode omvat 30 studiepunten die behaald worden in de tweede helft van de hoofdfase en is gelijkelijk verdeeld over logopedie binnen de gezondheidszorg en logopedie binnen het onderwijs.
a. het in het kader van het logopedische onderzoek bij de patiënt afnemen van een anamnese;
b. het stellen van een logopedische diagnose;
c. het opstellen, uitvoeren en evalueren van een behandelplan;
d. het inventariseren van een scholings- of adviesvraag van een patiënt ten aanzien van communicatie of voorwaarden daartoe en het opstellen van een plan voor training of advies;
e. het geven aan een patiënt van training of scholing gericht op communicatie of voorwaarden daartoe;
f. het adviseren van een patiënt ten aanzien van communicatie of voorwaarden daartoe en het ondersteunen bij de uitvoering van deze adviezen;
g. het coördineren van activiteiten rondom de patiënt.
**2.**
Het aspect communicatie en samenwerking is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. effectief te communiceren met de patiënt en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, met diens naaste betrekkingen;
b. in het kader van formele relaties, intern en extern te communiceren met diverse beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg of instanties in de gezondheidszorg;
c. een functionele samenwerkingsrelatie met de patiënt en diens naaste betrekkingen aan te gaan, te onderhouden en af te ronden;
d. met andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg in en buiten de organisatie professioneel samen te werken.
**3.**
Het aspect preventie en gezondheidsvoorlichting is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. gezondheidsproblemen en risicofactoren vroegtijdig op te sporen door middel van screening van risicogroepen en deze te analyseren;
b. vroegtijdig en proactief een preventieplan op te stellen en dit uit te voeren;
c. methodisch preventieve voorlichting te geven.
**4.**
Het aspect kwaliteitszorg en innovatie is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. de eigen zorg- en dienstverlening op effectiviteit en efficiëntie te analyseren, daaraan conclusies te verbinden en deze zo nodig planmatig te verbeteren;
b. aan de patiënt verantwoording af te leggen over effectiviteit en efficiëntie van het eigen professionele handelen;
c. een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de zorg- en dienstverlening binnen de organisatie en in dat kader de zorg- en dienstverlening op effectiviteit en efficiëntie te analyseren en daaraan conclusies te verbinden;
d. algemeen maatschappelijke en beroepsspecifieke innovaties te integreren in het eigen professionele handelen.
**5.**
Het aspect praktijk- en bedrijfsvoering is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. vanuit een zorgperspectief een bijdrage te leveren aan het zorgbeleid, de praktijkvoering en het beheer van de afdeling dan wel organisatie;
b. al dan niet met anderen tot een effectieve en efficiënte praktijk- en bedrijfsvoering te komen;
c. effectief leergedrag bij stagiaires en nieuwe collegas te stimuleren, zodat beginnende logopedisten op professionele wijze bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de organisatie;
d. middelen en materialen te beheren, zodat de dienstverlening aan de patiënt vanuit de organisatie effectief en efficiënt verloopt;
e. nieuw beleid te volgen en te initiëren zodat de dienstverlening in de toekomst gewaarborgd wordt.
**6.**
Het aspect beroepsontwikkeling is zo ingericht, dat betrokkene in staat is om:
a. het beroep uit te oefenen overeenkomstig de geldende professionele richtlijnen, de stand van de wetenschap en de geldende waarden en opvattingen die patiëntengroepen hebben ten aanzien van logopedische zorg;
b. ethische vraagstukken die zich voordoen bij de logopedische handelingen te onderkennen en hanteren;
c. te handelen vanuit een juist begrip van wettelijke regelingen en andere regelingen betreffende de logopedische beroepsuitoefening;
d. te handelen vanuit een juist inzicht in de epidemiologie en de behoefte aan logopedische zorg van de bevolking als geheel en de daartoe te hanteren verzorgingsmogelijkheden, zowel collectief als individueel;
e. prioriteiten te stellen voor het verlenen van logopedische zorg in overeenstemming met de beschikbare middelen, de behandelingsnoodzaak en de eigen vraag naar zorg van de patiënt;
f. te handelen vanuit een juist inzicht in de structuur en financiering van de gezondheidszorg gericht op de logopedische zorg;
g. op een wetenschappelijke en effectieve manier informatie te verwerven, te verwerken en toe te passen in het beroepsmatige handelen;
h. te reflecteren op het eigen beroepsmatige handelen en dit op basis hiervan verder te ontwikkelen;
i. de eigen professionaliteit voortdurend te ontwikkelen op basis van nieuwe situaties in de samenleving of het beroepsdomein;
j. anderen te begeleiden in hun beroepsontwikkeling;
k. bij te dragen aan de ontwikkeling van de professie.
### Paragraaf 3. Deskundigheid
@ -294,41 +475,94 @@ Het recht tot het voeren van de titel van oefentherapeut is voorbehouden aan deg
### Artikel 19
Een opleiding als bedoeld in artikel 18 omvat ten minste de volgende onderdelen:
**1.**
a. het centrale vakgebied oefentherapie-Cesar dan wel oefentherapie-Mensendieck, omvattende ten minste:
De opleiding tot oefentherapeut, bedoeld in artikel 18, omvat zowel theoretisch als praktisch onderwijs, dat gericht is op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de oefentherapeutische beroepsuitoefening die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 21:
1°. onderzoeken en behandelen van de patiënt in het kader van het gebied van deskundigheid zoals omschreven in artikel 21;
2°. theorie en praktijk van de oefentherapie-Cesar dan wel de oefentherapie-Mensendieck;
3°. de bewegingsleer Cesar dan wel de methode Mensendieck;
b. de beroepsvoorbereidende periode in het werkveld;
c. het medische vakgebied, waaronder anatomie, fysiologie, algemene en speciële pathologie alsmede biomechanica;
d. vakken op het gebied van de gedrags- en maatschappijwetenschappen, waaronder psychologie en psychopathologie, sociologie, pedagogiek, gesprekstechnieken, voorlichting en algemene didactiek;
e. ondersteunende vakken, waaronder organisatie van de gezondheidszorg, gezondheidsrecht, beroepsoriëntatie en praktijkvoering, ethiek met betrekking tot het beroep van oefentherapeut, methoden en technieken van wetenschappelijk onderzoek alsmede kwaliteitszorg.
a. diagnostiek en behandeling;
b. communicatie en samenwerking;
c. preventie en gezondheidsvoorlichting;
d. kwaliteitszorg en innovatie;
e. praktijk- en bedrijfsvoering;
f. beroepsontwikkeling.
**2.** Het praktische onderwijs omvat in ieder geval stages in het werkveld inzake het toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 21, onder toezicht van een oefentherapeut.
### Artikel 20
**1.** De in artikel 19, onder b, bedoelde beroepsvoorbereidende periode omvat het in het werkveld toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid van de oefentherapeut zoals omschreven in artikel 21, eerste lid, onder a.
**1.**
**2.** De beroepsvoorbereidende periode vindt plaats onder begeleiding van een daartoe door de instelling aangewezen docent en wordt doorgebracht onder toezicht van een oefentherapeut.
Het aspect diagnostiek en behandeling is zo ingericht dat betrokkene in staat is om in het kader van diagnostiek en behandeling, volgens de vigerende beroeps- en gezondheidszorgstandaarden, op methodische wijze de volgende interventies voor te bereiden, uit te voeren, te evalueren, bij te stellen en af te ronden:
**3.** De beroepsvoorbereidende periode omvat 30 studiepunten die behaald worden in de tweede helft van de opleiding en is gelijkelijk verdeeld over twee verschillende instellingen van gezondheidszorg.
a. het in het kader van het oefentherapeutische onderzoek bij de patiënt afnemen van een anamnese;
b. het stellen van een oefentherapeutische diagnose, opstellen van een behandelplan of behandeladvies;
c. het zo nodig afstemmen met andere disciplines;
d. het registreren en evalueren van behandelgegevens;
e. het met andere zorgverleners waarborgen van effectieve en efficiënte oefentherapeutische zorg;
f. het zo nodig verwijzen naar een andere zorgverlener.
**2.**
Het aspect communicatie en samenwerking is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. effectief te communiceren met de patiënt en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, met diens naaste betrekkingen;
b. in het kader van formele relaties, intern en extern te communiceren met andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg of instanties in de gezondheidszorg;
c. een functionele samenwerkingsrelatie met de patiënt aan te gaan, te onderhouden en af te ronden;
d. met andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg in en buiten de organisatie professioneel samen te werken.
**3.**
Het aspect preventie en gezondheidsvoorlichting is zodanig ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. in het kader van preventie en gezondheidsvoorlichting voor diverse doelgroepen adviezen en oefenprogrammas te ontwikkelen, uit te voeren en te evalueren met betrekking tot houdings- en bewegingsgedrag;
b. in het kader van preventie doelgerichte voorlichting te geven aan een persoon met gezondheidsbevordering als doel;
c. in het kader van therapietrouw en veranderingen ten aanzien van houdings- en bewegingsgedrag de patiënt tijdens de behandeling op methodische wijze voor te lichten en te begeleiden.
**4.**
Het aspect kwaliteitszorg en innovatie is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. de eigen zorg- en dienstverlening op effectiviteit en efficiëntie te analyseren, daaraan conclusies te verbinden, en deze zo nodig planmatig te verbeteren;
b. aan de patiënt verantwoording af te leggen over effectiviteit en efficiëntie van het eigen professionele handelen;
c. een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de zorg- en dienstverlening binnen de organisatie en in dat kader de zorg- en dienstverlening op effectiviteit en efficiëntie te analyseren en daaraan conclusies te verbinden;
d. algemeen maatschappelijke en beroepsspecifieke innovaties te integreren in het eigen professionele handelen.
**5.**
Het aspect praktijk- en bedrijfsvoering is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. vanuit een zorgperspectief een bijdrage te leveren aan het zorgbeleid, de praktijkvoering en het beheer van de afdeling of organisatie;
b. al dan niet met anderen tot een effectieve, efficiënte en hygiënische praktijk- en bedrijfsvoering te komen;
c. effectief leergedrag bij stagiaires en nieuwe collegas te stimuleren, zodat beginnende oefentherapeuten op professionele wijze bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de organisatie;
d. middelen en materialen te beheren, zodat de dienstverlening aan de patiënt vanuit de organisatie effectief en efficiënt verloopt;
e. nieuw beleid te volgen en te initiëren zodat de dienstverlening in de toekomst gewaarborgd wordt.
**6.**
Het aspect beroepsontwikkeling is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. het beroep uit te oefenen overeenkomstig de geldende professionele richtlijnen, de stand van de wetenschap en de geldende waarden en opvattingen die patiëntengroepen hebben ten aanzien van oefentherapeutische zorg;
b. ethische vraagstukken die zich voordoen bij de oefentherapeutische handelingen te onderkennen en hanteren;
c. te handelen vanuit een juist begrip van wettelijke regelingen en andere regelingen betreffende de oefentherapeutische beroepsuitoefening;
d. te handelen vanuit een juist inzicht in de epidemiologie en de behoefte aan oefentherapeutische zorg van de bevolking als geheel en de daartoe te hanteren verzorgingsmogelijkheden, zowel collectief als individueel;
e. prioriteiten te stellen voor het verlenen van oefentherapeutische zorg in overeenstemming met de beschikbare middelen, de behandelingsnoodzaak en de eigen vraag naar zorg van de patiënt;
f. te handelen vanuit een juist inzicht in de structuur en financiering van de gezondheidszorg gericht op oefentherapeutische zorg;
g. op een wetenschappelijke en effectieve manier informatie te verwerven, te verwerken en toe te passen in het beroepsmatige handelen;
h. te reflecteren op het eigen beroepsmatige handelen en dit op basis hiervan verder te ontwikkelen;
i. de eigen professionaliteit voortdurend te ontwikkelen op basis van nieuwe situaties in de samenleving of het beroepsdomein;
j. anderen te begeleiden in hun beroepsontwikkeling;
k. bij te dragen aan de ontwikkeling van de professie.
### Paragraaf 3. Deskundigheid
### Artikel 21
**1.**
Tot het gebied van deskundigheid van de oefentherapeut wordt gerekend:
a. het op verwijzing van een arts:
1°. onderzoeken van de patiënt op diens houdings- en bewegingsvermogens en -gewoonten en op de aanwezigheid van stoornissen en beperkingen van diens steun- en bewegingsapparaat en de functioneel daarbij betrokken organen en regelsystemen volgens de oefentherapie, gebaseerd op de bewegingsleer Cesar dan wel de methode Mensendieck, en op basis van de verkregen gegevens opstellen van een behandelplan;
2°. behandelen van de patiënt, strekkende tot het opheffen, verminderen of compenseren van stoornissen of beperkingen van het steun- en bewegingsapparaat en de daarbij betrokken organen en regelsystemen en het normaliseren van het houdings- en bewegingsvermogen, door middel van het doen uitvoeren van oefeningen, ontleend aan en gericht op dagelijkse functionele bewegingen en elementaire bewegingsvaardigheden, volgens de bewegingsprincipes en normen van de bewegingsleer Cesar, dan wel het door middel van informatie en begeleiding doen oefenen van vaardigheden, ontleend aan dagelijkse handelingen, volgens de methode Mensendieck;
b. het onderzoeken van een persoon of het geven van advies, voorlichting en instructie op basis van de bewegingsleer Cesar dan wel van de methode Mensendieck, aan een persoon, met als doel het bevorderen van een goede lichaamshouding en lichaamsbeweging in leef-, woon-, werk- en sportsituaties.
**2.** De verwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder *a*, geschiedt schriftelijk, is gedateerd en ondertekend door de betrokken arts en bevat ten minste de door deze, voor het door de oefentherapeut onderzoeken en behandelen van de patiënt, relevant geachte diagnostische gegevens.
a. het herkennen van risicofactoren en symptomen bij de patiënt die wijzen op de mogelijke aanwezigheid van een aandoening waarvoor deskundigheid van een arts gewenst of noodzakelijk is en bij constatering daarvan verwijzen naar een arts;
b. onderzoeken van de patiënt op diens houdings- en bewegingsvermogens en -gewoonten en op de aanwezigheid van stoornissen en beperkingen van diens steun- en bewegingsapparaat en de functioneel daarbij betrokken organen en regelsystemen volgens de oefentherapie, gebaseerd op de bewegingsleer Cesar dan wel de methode Mensendieck, en op basis van de verkregen gegevens vaststellen van de diagnose en zo nodig opstellen van een behandelplan;
c. behandelen van de patiënt, strekkende tot het opheffen, verminderen of compenseren van stoornissen of beperkingen van het steun- en bewegingsapparaat en de daarbij betrokken organen en regelsystemen en het normaliseren van het houdings- en bewegingsvermogen, door middel van het doen uitvoeren van oefeningen, ontleend aan en gericht op dagelijkse functionele bewegingen en elementaire bewegingsvaardigheden, volgens de bewegingsprincipes en normen van de bewegingsleer Cesar, dan wel het door middel van informatie en begeleiding doen oefenen van vaardigheden, ontleend aan dagelijkse handelingen, volgens de methode Mensendieck;
d. het onderzoeken van een persoon of het geven van advies, voorlichting en instructie op basis van de bewegingsleer Cesar dan wel van de methode Mensendieck aan een persoon, met als doel het bevorderen van een goede lichaamshouding en lichaamsbeweging in leef-, woon-, werk- en sportsituaties.
## Hoofdstuk VII. ORTHOPTIST
@ -342,21 +576,91 @@ Het recht tot het voeren van de titel van orthoptist is voorbehouden aan degene
### Artikel 23
Een opleiding als bedoeld in artikel 22 omvat ten minste de volgende onderdelen:
**1.**
a. het centrale vakgebied orthoptie, omvattende ten minste onderzoeken en behandelen van de patiënt in het kader van het gebied van deskundigheid zoals omschreven in artikel 25, alsmede theorie en praktijk van de orthoptie;
b. de beroepsvoorbereidende periode in het werkveld;
c. het medische vakgebied, waaronder anatomie, fysiologie, neuro-anatomie en neurofysiologie, algemene en speciële pathologie met betrekking tot oogheelkunde en neurologie, zintuigwetenschappen, neuro-ophthalmologie, farmacologie en kinderoogheelkunde;
d. vakken op het gebied van de gedragswetenschappen, waaronder psychologie, gesprekstechnieken en voorlichting;
e. ondersteunende vakken, waaronder organisatie van de gezondheidszorg, gezondheidsrecht, beroepsoriëntatie en praktijkvoering, ethiek met betrekking tot het beroep van orthoptist, methoden en technieken van wetenschappelijk onderzoek alsmede kwaliteitszorg.
De opleiding tot orthoptist, bedoeld in artikel 22, omvat zowel theoretisch als praktisch onderwijs, dat gericht is op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de orthoptische beroepsuitoefening die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 25:
a. diagnostiek en behandeling;
b. communicatie en samenwerking;
c. preventie en gezondheidsvoorlichting;
d. kwaliteitszorg en innovatie;
e. praktijk- en bedrijfsvoering;
f. beroepsontwikkeling.
**2.** Het praktische onderwijs omvat in ieder geval stages in het werkveld inzake het toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 25, onder toezicht van een orthoptist.
### Artikel 24
**1.** De in artikel 23, onder b, bedoelde beroepsvoorbereidende periode omvat het in het werkveld toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid zoals omschreven in artikel 25, eerste lid.
**1.**
**2.** De beroepsvoorbereidende periode vindt plaats onder begeleiding van een daartoe door de instelling aangewezen docent en wordt doorgebracht onder toezicht van een orthoptist.
Het aspect diagnostiek en behandeling is zodanig ingericht dat betrokkene in staat is om in het kader van diagnostiek en behandeling op verwijzing van een oogarts of huisarts, volgens de vigerende beroeps- en gezondheidszorgstandaarden, op methodische wijze de volgende interventies voor te bereiden, uit te voeren, te evalueren, bij te stellen en af te ronden:
**3.** De beroepsvoorbereidende periode omvat 30 studiepunten die behaald worden in de tweede helft van de opleiding en is gelijkelijk verdeeld over twee verschillende instellingen van gezondheidszorg.
a. het in het kader van het orthoptische onderzoek, dat verricht wordt met behulp van daartoe geëigende apparatuur of door het toedienen van diagnostische oogdruppels, bij de patiënt afnemen van een amnese;
b. het controleren van de brilsterkte;
c. het onderzoeken van oogstand en oogmotoriek;
d. het met behulp van objectieve en subjectieve onderzoeksmethoden onderzoeken van het motorisch en sensorisch functioneren van beide ogen;
e. het vaststellen van de monoculaire en binoculaire gezichtsscherpte;
f. het met behulp van objectieve en subjectieve onderzoeksmethoden vaststellen van de brekingsafwijking en het fixatiepatroon van de ogen;
g. het inspecteren van de fundus op afwijkingen;
h. het stellen van de diagnose ten aanzien van het monoculaire en binoculaire functioneren van de ogen;
i. het opstellen van een orthoptisch behandelplan dan wel behandeladvies en van een prognose ter zake van het optimaliseren van de monoculaire en binoculaire functies van de ogen;
j. het uitvoeren van een orthoptische behandeling bij patiënten met amblyopie met behulp van occlusiemateriaal, brillenglazen, accomodatieverlammende oogdruppels of een combinatie hiervan;
k. het uitvoeren van een orthoptische behandeling bij patiënten met oogstandafwijkingen dan wel met stoornissen in het binoculaire zien of in de oogbewegingen met behulp van oefeningen, brillenglazen, prismata, occlusiemateriaal of een combinatie hiervan;
l. het bespreken van de diagnose, het behandelplan en de prognose met de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen;
m. het waar nodig overleg plegen met andere disciplines in de zorg bij het bepalen of veranderen van het behandelplan;
n. het motiveren van de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen ter zake van de behandeling;
o. het volgens de geldende paramedische standaarden begeleiden van de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen voor, tijdens en na de behandeling;
p. een professionele samenwerkingsrelatie met de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen aan te gaan, te onderhouden en af te ronden;
q. het evalueren van de doelmatigheid van de behandeling en het zo nodig bijstellen dan wel afsluiten van de behandeling;
r. het bespreken van het behandelresultaat met de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen;
s. het uitbrengen van een verslag inzake de behandeling en de resultaten ervan aan de verwijzer;
t. het verwijzen naar de oogarts van de patiënt bij vermoeden van oogheelkundige pathologie;
u. het adviseren van de oogarts over tijdstip, maat en soort van oogspierchirurgie;
v. het vastleggen van de zorg met behulp van ICT en beeldopslag;
w. het met andere zorgverleners waarborgen van effectieve en efficiënte zorg.
**2.**
Het aspect communicatie en samenwerking is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is om:
a. in het kader van formele relaties intern en extern te communiceren met andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg of instanties in de gezondheidszorg;
b. met andere medewerkers in de organisatie professioneel samen te werken.
**3.** Het aspect preventie en gezondheidsvoorlichting is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is om in het kader van therapietrouw en gedragsverandering de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen tijdens de behandeling op methodische wijze voor te lichten.
**4.**
Het aspect kwaliteitszorg en innovatie is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is om:
a. de eigen zorg- en dienstverlening inhoudelijk en op effectiviteit en efficiëntie te analyseren, daaruit conclusies te trekken, op basis daarvan een plan te maken ter verbetering van de zorg- en dienstverlening, dit uit te voeren en te evalueren;
b. aan de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen alsmede aan collegas en management verantwoording af te leggen over effectiviteit en efficiëntie van het eigen professionele handelen;
c. een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de zorg- en dienstverlening binnen de organisatie en in dat kader de zorg- en dienstverlening inhoudelijk en op effectiviteit en efficiëntie te analyseren en daaraan conclusies te verbinden;
d. met collegas veranderingsplannen te maken voor vernieuwing van de zorg- en dienstverlening binnen de afdeling dan wel de organisatie en constructief mee te werken aan de uitvoering en evaluatie van deze plannen;
e. een bijdrage te leveren aan de kwaliteitszorg van de werkorganisatie en de arbeidsomstandigheden;
f. met collegas veranderingsplannen te ontwikkelen en uit te voeren op basis van toetsing, klachten, nieuwe situaties en ontwikkelingen op het gebied van bedrijfsvoering.
**5.**
Het aspect praktijk- en bedrijfsvoering is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is om:
a. vanuit een zorgperspectief een bijdrage te leveren aan het zorgbeleid, de praktijkvoering en het beheer van de afdeling dan wel organisatie;
b. al dan niet met anderen tot effectieve en efficiënte praktijk- en bedrijfsvoering te komen met behulp van ICT en eenvoudige managementtaken uit te voeren.
**6.**
Het aspect beroepsontwikkeling is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is om:
a. eigen beroepsmatig handelen, houding en motivatie te beschrijven, erop te reflecteren en te komen tot verdere ontwikkeling ter zake;
b. ethische vraagstukken die zich voordoen bij de orthoptische handelingen te onderkennen en hanteren;
c. de eigen beroepsontwikkeling in kaart te brengen, verder uit te stippelen en ter hand te nemen;
d. een bijdrage te leveren aan intercollegiale kwaliteitszorg en in dat kader aan beroepsgenoten verantwoording af te leggen over effectiviteit en efficiëntie van het eigen professionele handelen;
e. maatschappelijke, wetenschappelijke en beroepsontwikkelingen alsmede veranderingen op het gebied van de gezondheidszorg en zorg- en dienstverlening te vertalen naar het beroepsmatige handelen;
f. systematisch gegevens te verzamelen over de beroepsuitoefening, deze te onderzoeken en de uitkomsten te vertalen naar de consequenties voor het beroep;
g. relevante veranderingen in de samenleving en de regelgeving te signaleren, te onderzoeken en de resultaten hiervan te vertalen in een bijdrage aan het beroep en het beroepsmatige handelen;
h. een bijdrage te leveren aan zo mogelijk multidisciplinair wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van de ontwikkeling van de zorg en dienstverlening;
i. met beroepsgenoten nieuwe methodieken, richtlijnen en protocollen te ontwikkelen;
j. de eigen professionaliteit voortdurend te ontwikkelen op basis van nieuwe situaties in de samenleving of het beroepsdomein;
k. anderen te begeleiden in hun beroepsontwikkeling.
### Paragraaf 3. Deskundigheid
@ -389,28 +693,96 @@ Het recht tot het voeren van de titel van podotherapeut is voorbehouden aan dege
### Artikel 27
Een opleiding als bedoeld in artikel 26 omvat ten minste de volgende onderdelen:
**1.**
a. het centrale vakgebied podotherapie, omvattende ten minste:
De opleiding tot podotherapeut, bedoeld in artikel 26, omvat zowel theoretisch als praktisch onderwijs en is gericht op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de podotherapeutische beroepsuitoefening die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 29:
1°. onderzoeken en behandelen van de patiënt in het kader van het gebied van deskundigheid zoals omschreven in artikel 29;
2°. theorie en praktijk van de podotherapie;
3°. schoenkennis;
4°. toegepaste biomechanica;
b. de beroepsvoorbereidende periode in het werkveld en klinische patiëntenbehandeling;
c. het medische vakgebied, waaronder anatomie, fysiologie, algemene en speciële pathologie, farmacologie, biomechanica en biochemie;
d. vakken op het gebied van gedrags- en maatschappijwetenschappen, waaronder gesprekstechnieken en voorlichting, gezondheidskunde en hygiëne;
e. ondersteunende vakken, waaronder organisatie van de gezondheidszorg, gezondheidsrecht, beroepsoriëntatie en praktijkvoering, ethiek met betrekking tot het beroep van podotherapeut, methoden en technieken van wetenschappelijk onderzoek alsmede kwaliteitszorg.
a. diagnostiek en behandeling;
b. communicatie en samenwerking;
c. preventie en gezondheidsvoorlichting;
d. kwaliteitszorg en innovatie;
e. praktijk- en bedrijfsvoering;
f. beroepsontwikkeling.
**2.**
De opleiding is zo ingericht dat betrokkene bij het toepassen van de in het eerste lid bedoelde competenties onderscheid leert maken tussen de volgende categorieën van patiënten:
a. kinderen;
b. volwassenen;
c. personen bij wie podotherapeutische problemen of de behandeling daarvan worden beïnvloed door specifieke somatische of psychische problematiek.
**3.**
De student verwerft daarnaast algemene competenties met betrekking tot de beroepsuitoefening op de volgende gebieden:
a. multidisciplinaire integratie;
b. wetenschappelijke toepassing;
c. probleemgericht handelen;
d. methodisch en reflectief denken en handelen;
e. bijdragen aan de professionele ontwikkeling van het beroep.
**4.** Het praktische onderwijs omvat in ieder geval stages in het werkveld inzake het toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 29, onder toezicht van een podotherapeut.
### Artikel 28
**1.** De in artikel 27, onder b, bedoelde beroepsvoorbereidende periode omvat het in het werkveld toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid van de podotherapeut zoals omschreven in artikel 29, eerste lid.
**1.**
**2.** De in artikel 27, onder b, bedoelde klinische patiëntenbehandeling is een aan de instelling gebonden onderwijsactiviteit, waarbij studenten oefenen op patiënten of proefpersonen.
Het aspect diagnostiek en behandeling is zo ingericht dat betrokkene in staat is om in het kader van diagnostiek en behandeling op verwijzing van een arts, volgens de vigerende beroeps- en gezondheidszorgstandaarden, op methodische wijze de volgende interventies voor te bereiden, uit te voeren, te evalueren, bij te stellen en af te ronden:
**3.** De beroepsvoorbereidende periode en de klinische patiëntenbehandeling vinden plaats onder begeleiding van een daartoe door de instelling aangewezen docent en worden doorgebracht onder toezicht van een podotherapeut.
a. het podotherapeutische onderzoek en diagnose;
b. het opstellen van een behandelplan;
c. het uitvoeren en evalueren van de behandeling;
d. het volgens de geldende paramedische standaarden coachen van een patiënt voor, tijdens en na de behandeling;
e. het voeren en beheren van een praktijk en de patiëntenadministratie;
f. het met behulp van ICT vastleggen van de zorg;
g. het met andere zorgverleners waarborgen van effectieve en efficiënte zorg;
h. het in medische noodsituaties zodanig handelen dat de patiënt in een stabiele toestand komt en kan blijven totdat adequate hulp beschikbaar is.
**4.** De beroepsvoorbereidende periode en de klinische patiëntenbehandeling omvatten 30 studiepunten die behaald worden in de tweede helft van de opleiding; de beroepsvoorbereidende periode is gelijkelijk verdeeld over twee verschillende instellingen van gezondheidszorg.
**2.**
Het aspect communicatie en samenwerking is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. effectief te communiceren met de patiënten, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, met zijn naaste betrekkingen;
b. in het kader van formele relaties, intern en extern te communiceren met diverse beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg of instanties in de gezondheidszorg;
c. een functionele samenwerkingsrelatie met de patiënt aan te gaan, te onderhouden en af te ronden;
d. met andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg in en buiten de organisatie professioneel samen te werken.
**3.**
Het aspect preventie en gezondheidsvoorlichting is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. in het kader van preventie voorlichting te geven aan de patiënt met gezondheidsbevordering als doel;
b. in het kader van therapietrouw en gedragsverandering de patiënt tijdens de behandeling op methodische wijze voor te lichten.
**4.**
Het aspect kwaliteitszorg en innovatie is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. de eigen zorg- en dienstverlening op effectiviteit en efficiëntie te analyseren, daaraan conclusies te verbinden en deze zo nodig planmatig te verbeteren;
b. aan de patiënt verantwoording af te leggen over effectiviteit en efficiëntie van het eigen professionele handelen;
c. een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de zorg- en dienstverlening binnen de organisatie en in dat kader de zorg- en dienstverlening op effectiviteit en efficiëntie te analyseren en daaraan conclusies te verbinden.
**5.**
Het aspect praktijk- en bedrijfsvoering is zo ingericht dat betrokkene in staat is om:
a. vanuit een zorgperspectief een bijdrage te leveren aan het zorgbeleid, de praktijkvoering en het beheer van de afdeling dan wel organisatie;
b. al dan niet met anderen tot effectieve, efficiënte en hygiënische praktijk- en bedrijfsvoering te komen met behulp van ICT.
**6.**
Het aspect beroepsontwikkeling is zo ingericht, dat betrokkene in staat is om:
a. het beroep uit te oefenen overeenkomstig de geldende professionele richtlijnen en de stand van de wetenschap;
b. ethische vraagstukken die zich voordoen bij de podotherapeutische handelingen te onderkennen en hanteren;
c. te handelen vanuit een juist begrip van wettelijke regelingen en andere regelingen betreffende de podotherapeutische beroepsuitoefening;
d. te handelen vanuit een juist inzicht in de epidemiologie en de behoefte aan podotherapeutische zorg van de bevolking als geheel en de daartoe te hanteren verzorgingsmogelijkheden, zowel collectief als individueel;
e. prioriteiten te stellen voor te verlenen podotherapeutische zorg in overeenstemming met de beschikbare middelen, de behandelingsnoodzaak en de eigen vraag naar zorg van de patiënt;
f. te handelen vanuit een juist inzicht in de structuur en financiering van de gezondheidszorg gericht op de podotherapeutische zorg;
g. op een wetenschappelijke en effectieve manier informatie te verwerven, te verwerken en toe te passen in het beroepsmatige handelen;
h. te reflecteren op het eigen beroepsmatige handelen en dit op basis hiervan verder te ontwikkelen;
i. de eigen professionaliteit voortdurend te ontwikkelen op basis van nieuwe situaties in de samenleving of het beroepsdomein.
### Paragraaf 3. Deskundigheid