diff --git a/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md b/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md index 8cf63ecfea9..26d026e1d70 100644 --- a/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md +++ b/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md @@ -44,34 +44,30 @@ b. een overeenkomst als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Bu ### Artikel 1a -**1.** In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden twee personen als elkaars partner aangemerkt indien voldaan is aan de voorwaarden in de volgende leden. Iedere persoon kan op enig moment ten hoogste één partner hebben. +**1.** -**2.** Indien twee personen gehuwd zijn, zijn zij elkaars partner. - -**3.** Een persoon die van tafel en bed gescheiden is, wordt aangemerkt als ongehuwd. - -**4.** - -Indien twee personen ongehuwd zijn, zijn zij slechts elkaars partner indien zij gedurende de in het vijfde lid bedoelde periode: +In afwijking van artikel 5a, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen twee ongehuwde personen slechts als partner aangemerkt indien zij gedurende de in het tweede lid genoemde periode: a. beiden meerderjarig zijn; -b. een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, blijkend uit een inschrijving in de basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland op hetzelfde woonadres; -c. een wederzijdse zorgverplichting hebben die is aangegaan bij een ten overstaan van een notaris verleden akte; +b. op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland; +c. ingevolge een notarieel samenlevingscontract een wederzijdse zorgverplichting hebben; d. geen bloedverwanten in de rechte lijn zijn, en e. niet met een ander aan de in de onderdelen a tot en met d genoemde voorwaarden voldoen. -**5.** +**2.** -De in de aanhef van het vierde lid bedoelde periode is: +De in de aanhef van het eerste lid bedoelde periode is: -a. voor de bepalingen die zien op de heffing van erfbelasting: zes maanden voorafgaand aan het moment van het overlijden dat aanleiding is tot de heffing van erfbelasting; -b. voor de bepalingen die zien op de heffing van schenkbelasting: twee jaar voorafgaand aan het moment van de schenking. +a. voor de bepalingen die zien op de heffing van erfbelasting: zes maanden voorafgaand aan het overlijden dat aanleiding is tot de heffing van erfbelasting; +b. voor de bepalingen die zien op de heffing van schenkbelasting: twee jaar voorafgaand aan de schenking. -**6.** De in het vierde lid, onderdeel c, gestelde voorwaarde geldt niet voor personen die tot het tijdstip van het overlijden of de schenking gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf kalenderjaren een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, blijkend uit een inschrijving in de basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland op hetzelfde adres. +**3.** De in het eerste lid, onderdeel c, gestelde voorwaarde geldt niet voor personen die tot het tijdstip van het overlijden of de schenking gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren staan ingeschreven op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland. -**7.** Voor de toepassing van de erfbelasting geldt de in het vierde lid, onderdeel d, gestelde voorwaarde niet voor bloedverwanten in de eerste graad, ingeval een van deze bloedverwanten een uitkering als bedoeld in artikel 19a van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft genoten in verband met in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van overlijden van de andere bloedverwant aan die bloedverwant verleende zorg. +**4.** Voor toepassing van de erfbelasting geldt de in het eerste lid, onderdeel d, gestelde voorwaarde niet voor bloedverwanten in de eerste graad, ingeval een van deze bloedverwanten een uitkering als bedoeld in artikel 19a van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft genoten in verband met in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van overlijden van de andere bloedverwant, aan die bloedverwant verleende zorg. -**8.** Personen die partners waren op grond van het vierde en zesde lid kunnen, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, ook nog als partners worden aangemerkt nadat de gezamenlijke huishouding tegen de wil van de betrokkenen is geëindigd, indien na het einde van de gezamenlijke huishouding met betrekking tot geen van beiden een derde persoon op grond van dit artikel als partner wordt aangemerkt of is aangemerkt. +**5.** Artikel 5a, zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op de personen, bedoeld in het eerste en derde lid. + +**6.** Artikel 5a, tweede lid, vierde lid en vijfde lid, derde volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen blijft buiten toepassing voor deze wet en de daarop berustende bepalingen. ### Artikel 1b @@ -205,7 +201,7 @@ b. een schuldigerkenning op grond van een wilsrecht opgenomen in Boek 4 van het Het in het eerste lid, eerste volzin, bepaalde is niet toepasselijk op schenkingen: -1°. bedoeld in artikel 33, 1°, 2°, 3°, 5°, tweede alinea, 8°, 9°, 11° en 12°; +1°. als bedoeld in artikel 33, 1°, 2°, 3°, 5° voor zover het een schenking betreft waarvoor de verhoogde vrijstelling geldt, 6°, 8°, 9°, 11° en 12°; 2°. waarvan het schenkingsrecht is kwijtgescholden op grond van artikel 67. ### Artikel 13 @@ -271,16 +267,14 @@ Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt de afzo Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld: -a. aanverwantschap met bloedverwantschap, doch na de ontbinding van het huwelijk dat de aanverwantschap deed ontstaan onderscheidenlijk, ingeval onderdeel b van toepassing is, na beëindiging van de gezamenlijke huishouding, alleen indien die ontbinding onderscheidenlijk beëindiging een gevolg is van de dood; -b. voor de bepaling van aanverwantschap de kwalificatie als partner met het huwelijk; +a. voor de bepaling van aanverwantschap, twee ongehuwde personen die ingevolge artikel 1a als elkaars partners worden aangemerkt, met gehuwden; +b. aanverwanten met bloedverwanten, met dien verstande dat deze gelijkstelling eindigt ingeval het partnerschap dat de aanverwantschap deed ontstaan anders dan door overlijden is geëindigd; c. pleegkinderen met kinderen die in familierechtelijke betrekking tot de pleegouder staan; d. kinderen over wie overeenkomstig artikel 253t van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een ander dan de ouder gezamenlijk met de ouder het ouderlijk gezag uitoefent of heeft uitgeoefend met kinderen die in familierechtelijke betrekking tot die ander staan; e. kinderen over wie overeenkomstig artikel 282 of 292 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de voogdij door twee personen gezamenlijk wordt uitgeoefend of is uitgeoefend met kinderen die tot die personen in familierechtelijke betrekking staan. **2.** Als pleegkinderen worden aangemerkt zij, die vóór het tijdstip waarop zij de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt dan wel het tijdstip waarop zij vóór die leeftijd in het huwelijk zijn getreden, gedurende ten minste vijf jaren uitsluitend door de pleegouder - dan wel uitsluitend door hem en zijn echtgenoot tezamen - als een eigen kind zijn onderhouden en opgevoed. -**3.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een beëindiging van de gezamenlijke huishouding ten gevolge van de dood gelijkgesteld een beëindiging als bedoeld in artikel 1a, achtste lid, mits de in dat lid bedoelde personen uitsluitend als gevolg van de dood niet langer als elkaars partner worden aangemerkt. - ### Artikel 20 **1.** Voor de regeling van de erfbelasting kunnen van de nalatenschap als lasten slechts worden afgetrokken de kosten van lijkbezorging voor zover zij niet bovenmatig zijn. @@ -342,7 +336,7 @@ b. is artikel 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepas **9.** De waarde van een recht van erfpacht op een onroerende zaak die als woning in gebruik is, wordt gesteld op de waarde van die onroerende zaak, berekend volgens het vijfde lid, verminderd met de overeenkomstig het dertiende lid bepaalde waarde van de canon. -**10.** De waarde van hetgeen onder de last van een vruchtgebruik, een beperkt recht of van een periodieke uitkering wordt verkregen, wordt gesteld op de waarde in onbezwaarde staat, verminderd met de waarde van die last. +**10.** De waarde van hetgeen onder de last van een vruchtgebruik, een beperkt recht of van een periodieke uitkering wordt verkregen, wordt gesteld op de waarde in onbezwaarde staat, verminderd met de waarde van die last. Met elkaar opvolgende vruchtgebruiken, beperkte rechten en periodieke uitkeringen wordt bij de waardebepaling van de daarmee bezwaarde goederen terstond rekening gehouden. **11.** Wat in het economische verkeer als een eenheid pleegt te worden beschouwd, wordt in aanmerking genomen met inachtneming van die omstandigheid. @@ -370,8 +364,8 @@ De belasting wordt geheven naar het volgende tarief. In dit tarief is in de derd | Gedeelte van de belaste verkrijging tussen | en | I. indien verkregen door partner of afstammelingen in de rechte lijn^1) | II. in overige gevallen | | --- | --- | --- | --- | -| € 0 | € 118 000 | 10% | 30% | -| € 118 000 en hoger | | 20% | 40% | +| € 0 | € 118 708 | 10% | 30% | +| € 118 708 en hoger | | 20% | 40% | ^1 Voor afstammelingen in de tweede of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 80% daarvan. @@ -438,12 +432,12 @@ Van erfbelasting is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen: 3°. door een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; 4°. door de hierna genoemde personen tot de daarachter vermelde bedragen: -a. partner: € 600 000; -b. kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en die ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 57 000; -c. kinderen voor wie de onder b bedoelde vrijstelling niet van toepassing is: € 19 000; -d. kleinkinderen: € 19 000; -e. ouders: € 45 000; -f. overige verkrijgers: € 2 000; +a. partner: € 603 600; +b. kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en die ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 57 342; +c. kinderen voor wie de onder b bedoelde vrijstelling niet van toepassing is: € 19 114; +d. kleinkinderen: € 19 114; +e. ouders: € 45 270; +f. overige verkrijgers: € 2012; 5°. aan waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling, aan waarde van lijfrenten alsmede aan waarde van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden; 6°. vervallen; 7°. vervallen; @@ -460,7 +454,7 @@ f. aan de verkrijging is niet een opdracht verbonden welke aan de verkrijging he Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke uitkeringen ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van successierecht, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding; 10°. aan nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten. -**2.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling – andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet –, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een partner ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van erfbelasting zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, onder 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, onder 4°, onderdeel a, bedoelde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 155 000. Voor zover de omvang van de in de eerste volzin bedoelde aanspraken wordt bepaald met toepassing van artikel 13, wordt de verkrijging van deze aanspraken voor de toepassing van dit lid, geacht geheel te kunnen worden toegerekend aan een onttrekking aan het vermogen van de erflater. +**2.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling – andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet –, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een partner ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van erfbelasting zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, onder 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, onder 4°, onderdeel a, bedoelde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 155 930. Voor zover de omvang van de in de eerste volzin bedoelde aanspraken wordt bepaald met toepassing van artikel 13, wordt de verkrijging van deze aanspraken voor de toepassing van dit lid, geacht geheel te kunnen worden toegerekend aan een onttrekking aan het vermogen van de erflater. **3.** Onder pensioenregeling wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. @@ -476,17 +470,24 @@ Vervallen Van schenkbelasting is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen: -1°. van de Koningin of de leden van het Koninklijk Huis; +1°. van: + +a. de Koning; +b. de vermoedelijke opvolger van de Koning; +c. de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan; +d. de echtgenoot of echtgenote van de Koning, de echtgenoot of echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koning of de echtgenoot of echtgenote van de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan; + +uit hoofde van hun functie en hoedanigheid; 2°. door de Staat, of van de Staat, een provincie, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of gemeente; 3°. door een provincie of gemeente in Nederland, zonder bijzondere opdracht of met een opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de schenking niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; 4°. door een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; -5°. door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 5 000, met dien verstande dat dit bedrag voor een kind tussen 18 en 35 jaar voor één kalenderjaar wordt verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan, tot een bedrag van € 24 000 dan wel, indien het bedrag is geschonken ter zake van de verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of is bestemd voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep ten behoeve van dat kind, welke kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden tot een bedrag van € 50 000; -6°. door een kind tussen 18 en 35 jaar van de ouders, voor één kalenderjaar tot een bedrag van € 26 000, indien: +5°. door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 5030, met dien verstande dat dit bedrag voor een kind tussen 18 en 35 jaar voor één kalenderjaar wordt verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan, tot een bedrag van € 24 144 dan wel, indien het bedrag is geschonken ter zake van de verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, ter zake van de kosten voor verbetering of onderhoud van die woning, ter zake van de afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot die woning dan wel voor de aflossing van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001 of is bestemd voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep ten behoeve van dat kind, welke kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden tot een bedrag van € 50 300; +6°. door een kind tussen 18 en 35 jaar van de ouders, voor één kalenderjaar, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, tot een bedrag van € 26 156, indien: a. de verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, eerste lid, onder 5°, zoals dat voor 1 januari 2010 luidde, door dat kind is toegepast; -b. het bedrag is geschonken ter zake van de verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, en +b. het bedrag is geschonken ter zake van de verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, ter zake van de kosten voor verbetering of onderhoud van die woning, ter zake van de afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot die woning dan wel voor de aflossing van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001, en c. op de in aanhef bedoelde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan; -7°. in alle andere gevallen: € 2 000; +7°. in alle andere gevallen: € 2 012; 8°. door iemand, die niet in staat is zijn schulden te betalen, indien en voor zover het verkregene strekt om de begiftigde daartoe in staat te stellen; 9°. door iemand te wiens laste over die verkrijging inkomstenbelasting of een voorheffing van die belasting wordt geheven; 10°. van een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover de uitkeringen geheel of nagenoeg geheel het karakter hebben van te zijn geschied in het algemeen belang; @@ -504,7 +505,7 @@ Vervallen ### Artikel 35a -**1.** Met betrekking tot de bedragen vermeld in de artikelen 24, 32, eerste lid, 4°, 6° en 7°, tweede lid en derde lid, 33, eerste lid, 5°, 6° en 7°, en 35b, eerste lid, zijn de artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing. +**1.** Met betrekking tot de in de artikelen 24, 32, eerste lid, onderdeel 4°, en tweede lid, 33, onderdelen 5°, 6° en 7°, en 35b, eerste lid, vermelde bedragen zijn de artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing. **2.** De vervangende bedragen zijn van toepassing, indien het overlijden, de schenking of de in artikel 45, derde lid, tweede zin, of in artikel 53, eerste lid, bedoelde gebeurtenis plaatsvindt op of na 1 januari van het jaar waarvoor de vervanging geldt, zo mede indien op of na 1 januari van dat jaar krachtens schenking wordt verkregen ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde. @@ -516,12 +517,12 @@ Vervallen Indien tot de verkrijging ondernemingsvermogen behoort als bedoeld in artikel 35c, dat wordt verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging als bedoeld in het vijfde lid, wordt op verzoek van de verkrijger een voorwaardelijke vrijstelling verleend van: -a. indien de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft € 1 000 000 niet te boven gaat: 100%; +a. indien de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft € 1 006 000 niet te boven gaat: 100%; b. in alle overige gevallen: 1°. indien de liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft hoger is dan de waarde going concern: 100 percent van het verschil tussen liquidatiewaarde en lagere waarde going concern; -2°. voor zover de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft, na toepassing van hetgeen is bepaald onder 1°, € 1 000 000 niet te boven gaat: 100%, en -3°. voor zover de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft, na toepassing van hetgeen is bepaald onder 1°, € 1 000 000 te boven gaat: 83%. +2°. voor zover de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft, na toepassing van hetgeen is bepaald onder 1°, € 1 006 000 niet te boven gaat: 100%, en +3°. voor zover de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft, na toepassing van hetgeen is bepaald onder 1°, € 1 006 000 te boven gaat: 83%. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot hetgeen voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder een objectieve onderneming. Daarbij kan worden bepaald in hoeverre tot die objectieve onderneming tevens worden gerekend vermogensbestanddelen die worden ter beschikking gesteld aan een samenwerkingsverband en vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d. @@ -636,6 +637,16 @@ d. indien het een verkrijging betreft als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, on ## Hoofdstuk IIIb. Verkrijging blote eigendom van een eigen woning +### Artikel 35g + +**1.** Indien krachtens erfrecht de blote eigendom wordt verkregen van een woning die voor de vruchtgebruiker een eigen woning is als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt, met het oog op de toepassing van artikel 25, twintigste lid, van de Invorderingswet 1990, op verzoek van de verkrijger de waarde van de blote eigendom aangemerkt als geconserveerde waarde, voor zover het deel van de verkrijging dat niet bestaat uit de blote eigendom van de woning wordt overschreden door het bedrag van de verschuldigde erfbelasting. + +**2.** De belasting over de geconserveerde waarde wordt bepaald op het verschil tussen de belasting over de belaste verkrijging en de belasting over de belaste verkrijging verminderd met deze geconserveerde waarde. + +**3.** Indien de verkrijging omvat zowel blote eigendom als bedoeld in het eerste lid als ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35b, tweede lid, wordt voor de bepaling van de belasting over de geconserveerde waarde van de blote eigendom de verkrijging van het ondernemingsvermogen genegeerd. + +**4.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de verkrijging van een krachtens erfrecht verkregen onderbedelingsvordering. + ## Hoofdstuk IV. Aangifte, aanslag en conserverende aanslag ### Artikel 36