2007-09-01 | BWBR0004471 | Monumentenwet 1988
This commit is contained in:
parent
1765ab1554
commit
5492940c07
1 changed files with 222 additions and 119 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Monumentenwet 1988
|
|||
bwb_id: BWBR0004471
|
||||
type: wet
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '1989-01-01'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2007-09-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0004471
|
||||
citeertitel: Monumentenwet 1988
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -127,6 +127,10 @@ b. een monument dat in gebruik is bij Onze Minister van Defensie en tevens een m
|
|||
|
||||
**2.** In de gevallen waarin burgemeester en wethouders niet beslissen, beslist Onze minister.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een aanvraag om vergunning een archeologisch monument betreft, kan Onze minister een rapport verlangen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van Onze minister in voldoende mate is vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in het derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 14a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -184,6 +188,14 @@ Burgemeester en wethouders dan wel Onze minister nemen met betrekking tot een ke
|
|||
|
||||
**2.** De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien de vergunning een archeologisch monument betreft, kunnen daaraan in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
|
||||
|
||||
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
|
||||
b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
|
||||
c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door Onze minister bij de vergunning te stellen kwalificaties.
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** Burgemeester en wethouders en, voor zover het betreft de monumenten die niet gelegen zijn binnen het grondgebied van enige gemeente, Onze minister houden een openbaar register aan, waarin aantekening wordt gehouden van vergunningen die ingevolge artikel 16 of artikel 17 zijn verleend of worden geacht te zijn verleend.
|
||||
|
|
@ -206,7 +218,7 @@ d. de aard van de werkzaamheden.
|
|||
De vergunning kan door degene die haar heeft verleend worden ingetrokken indien:
|
||||
|
||||
a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
|
||||
b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften, bedoeld in artikel 19, eerste lid, niet naleeft;
|
||||
b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften, bedoeld in artikel 19 niet naleeft;
|
||||
c. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen.
|
||||
|
||||
**2.** Van een besluit tot intrekking van een vergunning wordt mededeling gedaan aan Onze minister dan wel burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten.
|
||||
|
|
@ -279,7 +291,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk III. Subsidie
|
||||
## Hoofdstuk III. Subsidies en specifieke uitkeringen
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
|
|
@ -332,149 +344,280 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
**2.** Geen sloopvergunning is vereist voor het afbreken ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 13 van de Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 1a, 1b, 7b of 13 van de Woningwet.
|
||||
|
||||
**3.** De artikelen 21 en 22 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing zijn van toepassing.
|
||||
**3.** Burgemeester en wethouders kunnen de aanvrager van een sloopvergunning als bedoeld in het eerste lid verplichten een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van de bodem onder het af te breken bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
**4.** Aan een sloopvergunning als bedoeld in het eerste lid kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden met betrekking tot de wijze van slopen.
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**5.** De artikelen 21 en 22 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing zijn van toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk V. Opgravingen en vondsten
|
||||
## Hoofdstuk V. Archeologische monumentenzorg
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en vrijstellingen
|
||||
|
||||
### Artikel 38
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De gemeenteraad kan in het belang van de archeologische monumentenzorg bij verordening onder meer:
|
||||
|
||||
a. regels vaststellen met betrekking tot de eisen die burgemeester en wethouders kunnen stellen aan onderzoek in het kader van het doen van opgravingen; of
|
||||
b. gevallen vaststellen waarin burgemeester en wethouders kunnen afzien van nader archeologisch onderzoek of het opleggen van daartoe strekkende verplichtingen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een verordening als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een gebied waarvoor een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 38a is vastgesteld, blijft die verordening van kracht voor zover zij niet met dat bestemmingsplan in strijd is.
|
||||
|
||||
**3.** Op de voorbereiding van een verordening als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 38a
|
||||
|
||||
**1.** De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover de verplichting, bedoeld in het eerste lid, voor de gemeente tot kosten leidt als gevolg van het doen van opgravingen, kunnen die kosten worden verhaald op degenen ten behoeve van wie medewerking wordt verleend als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening volgens bij de exploitatieverordening, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, te stellen voorschriften.
|
||||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden opgravingen te doen zonder schriftelijke vergunning van Onze minister.
|
||||
**1.** Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verplicht worden gesteld.
|
||||
|
||||
**2.** De vergunning kan worden verleend aan een rijksdienst, een instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente.
|
||||
**2.** Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een aanlegvergunning een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De vergunning wordt geweigerd indien:
|
||||
Aan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
|
||||
|
||||
a. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager niet bekwaam is tot het doen van opgravingen;
|
||||
b. redelijkerwijze niet verwacht kan worden dat de aanvrager in staat is tot het doen van opgravingen;
|
||||
c. de aanvrager een gemeente is die niet beschikt over een depôt voor bodemvondsten als bedoeld in artikel 44.
|
||||
|
||||
**4.** Onze minister kan aan een vergunning voorschriften verbinden.
|
||||
|
||||
**5.** De vergunning wordt voor een bepaalde opgraving of voor een bepaald gebied en voor een bepaalde tijd of tot wederopzegging verleend.
|
||||
|
||||
**6.** Onze minister kan de vergunning intrekken wanneer de vergunninghouder op ondeskundige wijze opgravingen verricht, de aan de vergunning verbonden voorschriften niet nakomt of anderszins misbruik maakt van de vergunning.
|
||||
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
|
||||
b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
|
||||
c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
|
||||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
Onze minister beslist, de Raad gehoord, binnen zes maanden na de datum van ontvangst van de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 39. De termijn kan eenmaal worden verlengd met ten hoogste drie maanden.
|
||||
**1.** Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet een rapport dient over te leggen als bedoeld in artikel 39, tweede lid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat aan een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet voorschriften kunnen worden verbonden als bedoeld in artikel 39, derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
Van de aanvang en van het einde van een opgraving doet de vergunninghouder mededeling aan de directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek.
|
||||
**1.** De aanvrager van een vrijstellingsbesluit als bedoeld in de artikelen 15,17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders of, in geval van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van die wet, naar het oordeel van de gemeenteraad, in voldoende mate is vastgesteld.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
|
||||
|
||||
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
|
||||
b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
|
||||
c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders of, in geval van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening door de gemeenteraad of burgemeester en wethouders, bij de vrijstelling te stellen kwalificaties.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 15, derde lid, eerste volzin, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is op de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 41a
|
||||
|
||||
De artikelen 39, 40 en 41 zijn niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m^2; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen.
|
||||
|
||||
### Artikel 42
|
||||
|
||||
Onze minister kan bepalen dat een rechthebbende ten aanzien van een terrein moet dulden dat een overheid of instelling als bedoeld in artikel 39, tweede lid, in het belang van archeologisch onderzoek dat terrein betreedt, daarop metingen verricht dan wel daarin opgravingen doet. Voor zover een rechthebbende hierdoor schade lijdt, wordt hem deze door de Staat vergoed. Rechtsvorderingen tot vergoeding van deze schade staan ter kennisneming van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het terrein of het grootste gedeelte daarvan gelegen is.
|
||||
Voor zover blijkt dat de aanvrager van een sloopvergunning als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, van een vrijstellingsbesluit als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van die wet of van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet tengevolge van de weigering daarvan in het belang van de archeologische monumentenzorg of ten gevolge van voorschriften die in het belang van de archeologische monumentenzorg aan het desbetreffende besluit zijn verbonden, schade lijdt die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te blijven, kennen burgemeester en wethouders hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
|
||||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
**1.** Roerende monumenten die gevonden zijn bij het doen van opgravingen en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, zijn eigendom van de Staat.
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in de artikelen 39, tweede lid, 40, eerste lid, en 41, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn roerende monumenten die gevonden zijn bij het doen van wettige opgravingen door een gemeente en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, eigendom van die gemeente.
|
||||
|
||||
**3.** De eigenaar van de grond waarin de roerende monumenten zijn opgegraven, ontvangt van de eigenaar van die roerende monumenten een vergoeding ten bedrage van de helft van de waarde van die monumenten.
|
||||
|
||||
**4.** Rechtsvorderingen ter zake van de vergoeding staan ter kennisneming van de in artikel 42 bedoelde rechtbank.
|
||||
### Paragraaf 2. Archeologische attentiegebieden
|
||||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
||||
**1.** Onze minister kan, indien wordt voldaan aan de eisen die hij noodzakelijk acht voor het op verantwoorde wijze onderbrengen van roerende monumenten, een gebouw of een gedeelte van een gebouw aanmerken als depôt voor bodemvondsten.
|
||||
**1.** Voor zover bij de vaststelling van geldende bestemmingsplannen onvoldoende rekening is gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten, kunnen provinciale staten binnen het grondgebied van de provincie gebieden die archeologisch waardevol zijn of naar verwachting archeologisch waardevol zijn, aanwijzen als archeologische attentiegebieden.
|
||||
|
||||
**2.** Onze minister kan een beslissing als bedoeld in het eerste lid intrekken.
|
||||
**2.** De gemeenteraad stelt binnen een door provinciale staten te stellen termijn in verband met een aangewezen archeologisch attentiegebied een bestemmingsplan vast.
|
||||
|
||||
**3.** Gedeputeerde staten melden een aanwijzingsbesluit als bedoeld in het eerste lid aan Onze minister.
|
||||
|
||||
**4.** Provinciale staten houden bij de vaststelling of de herziening van een streekplan als bedoeld in artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening rekening met aangewezen archeologische attentiegebieden.
|
||||
|
||||
**5.** Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Opgravingsvergunning
|
||||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
|
||||
**1.** Onze minister wijst, de Raad gehoord, bij het doen van een opgraving gevonden roerende monumenten die eigendom zijn van de Staat toe aan depôts voor bodemvondsten. Met ingang van het moment van de overgave aan een depôt voor bodemvondsten berust de eigendom bij de eigenaar van dat depôt.
|
||||
**1.** Het doen van opgravingen zonder of in afwijking van een opgravingsvergunning van Onze minister is verboden.
|
||||
|
||||
**2.** Aan de toewijzing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden in het belang van de monumentenzorg.
|
||||
**2.** De opgravingsvergunning wordt verleend, indien de aanvrager aantoont bekwaam te zijn tot het doen van opgravingen.
|
||||
|
||||
**3.** De opgravingsvergunning kan onder beperkingen worden verleend.
|
||||
|
||||
**4.** In verband met de verlening van een opgravingsvergunning kunnen door Onze minister kosten in rekening worden gebracht volgens door hem vast te stellen tarieven.
|
||||
|
||||
### Artikel 46
|
||||
|
||||
Desgevraagd krijgt de opgraver toegang tot roerende monumenten die zijn gevonden bij een opgraving waartoe hij op grond van de bepalingen van deze wet bevoegd was of worden deze hem voor wetenschappelijk onderzoek tijdelijk ter beschikking gesteld.
|
||||
**1.** De houder van een opgravingsvergunning meldt de aanvang van een opgraving aan Onze minister.
|
||||
|
||||
**2.** Binnen twee weken na voltooiing van de opgraving meldt de houder van een opgravingsvergunning aan Onze minister de eerste bevindingen.
|
||||
|
||||
**3.** Binnen twee jaar na voltooiing van de opgraving conserveert de houder van een opgravingsvergunning de roerende monumenten die zijn gevonden bij die opgraving en draagt de geconserveerde monumenten alsmede de daarbij behorende opgravingsdocumentatie over aan de eigenaar.
|
||||
|
||||
**4.** Binnen twee jaar na voltooiing van de opgraving legt de houder van een opgravingsvergunning zowel aan Onze minister als aan de eigenaar als aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de opgraving is voltooid, een rapport over, waarin de resultaten van de opgraving zijn beschreven.
|
||||
|
||||
**5.** Aan de opgravingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg andere voorschriften worden verbonden dan genoemd in het eerste tot en met vierde lid.
|
||||
|
||||
**6.** Onze minister kan ontheffing verlening van de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 47
|
||||
|
||||
**1.** Hij die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is, is verplicht hiervan binnen drie dagen aangifte te doen.
|
||||
Onze minister kan de opgravingsvergunning intrekken indien de vergunninghouder naar het oordeel van Onze minister niet langer bekwaam is tot het doen van opgravingen, zich niet houdt aan de gestelde beperkingen of de gestelde voorschriften niet naleeft.
|
||||
|
||||
**2.** De aangifte dient te geschieden bij de burgemeester van de gemeente waar de vondst is gedaan of, wanneer de vondst werd gedaan buiten het grondgebied van enige gemeente, bij Onze minister.
|
||||
### Artikel 47a
|
||||
|
||||
**3.** De burgemeester geeft van deze aangifte onverwijld kennis aan de directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek.
|
||||
De artikelen 45 tot en met 47 zijn van toepassing in de aansluitende zone, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling aansluitende zone.
|
||||
|
||||
### Artikel 48
|
||||
|
||||
De gerechtigden tot een roerend monument als bedoeld in artikel 47 zijn gehouden het monument gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het vorige artikel bedoelde aangifte ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek.
|
||||
**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de bekwaamheidseis, bedoeld in artikel 45, tweede lid, de beperkingen, bedoeld in artikel 45, derde lid, en kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de voorschriften, bedoeld in artikel 46, eerste tot en met het vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.** De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, geeft in ieder geval regels over de wijze waarop wordt gewaarborgd dat het onderzoek in verband met en de uitvoering van de opgravingen voldoen aan eisen van wetenschappelijke zorgvuldigheid en wetenschappelijke relevantie.
|
||||
|
||||
**3.** De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Het tijdstip van de overlegging wordt zodanig gekozen dat ten minste drie vierde deel van de termijn buiten een reces van de kamers valt.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Wetenschappelijk onderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 49
|
||||
|
||||
**1.** Onze minister kan, de Raad gehoord, ten behoeve van een in te stellen wetenschappelijk onderzoek voorschriften geven met betrekking tot de uitvoering van werken waarbij een zaak als bedoeld in artikel 47 is gevonden, dan wel gelasten dat die werken voor bepaalde of onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk worden stilgelegd.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Schade, veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt door de Staat vergoed. Rechtsvorderingen tot vergoeding van deze schade staan ter kennisneming van de rechtbank binnen welker rechtsgebied de vondst is gedaan.
|
||||
Op verzoek van een instelling voor wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder c, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, kan Onze minister beslissen dat een bepaalde opgraving door die instelling wordt uitgevoerd, indien:
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VI
|
||||
a. de desbetreffende opgraving van uitzonderlijk belang is voor het specifieke onderzoeksprogramma van de instelling;
|
||||
b. de instelling over voldoende capaciteit beschikt om de opgraving binnen een redelijke termijn uit te voeren;
|
||||
c. de mogelijke marktverstorende effecten van het besluit van Onze minister beperkt zijn;
|
||||
d. de mogelijke nadelige financiële gevolgen voor degene die tot het doen van de opgraving is verplicht, niet onevenredig zijn; en
|
||||
e. aan de instelling een vergunning als bedoeld in artikel 45 is verleend.
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
**2.** Voordat Onze minister een beslissing als bedoeld in het eerste lid neemt, wint hij advies in van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
### Paragraaf 5. Eigendom
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
### Artikel 50
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, zijn eigendom van:
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
a. de provincie waar zij zijn gevonden, of
|
||||
b. de gemeente waar zij zijn gevonden, indien die gemeente beschikt over een depot als bedoeld in artikel 51, tweede lid, of
|
||||
c. de Staat, indien die monumenten buiten het grondgebied van enige gemeente zijn gevonden.
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
### Paragraaf 6. Depots
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
### Artikel 51
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Gedeputeerde staten houden een depot in stand waarin roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen binnen die provincie kunnen worden opgeslagen op een wijze die uit een oogpunt van behoud en toegankelijkheid verantwoord is.
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
**2.** Op verzoek van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten in de desbetreffende gemeente een depot aanwijzen waarin roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen kunnen worden opgeslagen op een wijze die uit een oogpunt van behoud en toegankelijkheid verantwoord is.
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**3.** Onze minister wijst ten behoeve van de opslag van scheepsarcheologische monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen één of meer depots aan, die voor die opslag naar zijn oordeel in het bijzonder geschikt zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot verantwoorde en toegankelijke opslag van monumenten en de daarbij behorende documenten en rapporten eisen worden gesteld.
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
### Artikel 52
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VII. Handhaving en strafbepalingen
|
||||
**1.** Roerende monumenten als bedoeld in artikel 50 alsmede de daarbij behorende opgravingsdocumentatie, bedoeld in artikel 46, derde lid, worden opgeslagen in depots als bedoeld in artikel 51, eerste tot en met derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Onze minister kan bepalen dat scheepsarcheologische monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen alsmede de daarbij behorende opgravingsdocumentatie worden opgeslagen in een depot als bedoeld in artikel 51, derde lid.
|
||||
|
||||
**3.** Onze minister kan, de Raad gehoord, binnen zes maanden na de melding, bedoeld in artikel 46, tweede lid, bepalen dat een monument als bedoeld in artikel 50, onder a of b, in verband met het belang daarvan voor het publiek, in beheer wordt gegeven aan een museale instelling.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 7. Meldingsplichten
|
||||
|
||||
### Artikel 53
|
||||
|
||||
**1.** Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is, meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister.
|
||||
|
||||
**2.** De gerechtigde tot een roerend monument als bedoeld in het eerste lid, is gehouden het monument gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek.
|
||||
|
||||
### Artikel 54
|
||||
|
||||
Degene die bij het opsporen van monumenten, zonder dat daarbij verstoring van de bodem optreedt, waarnemingen doet, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat die waarnemingen van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, meldt die waarnemingen zo spoedig mogelijk bij Onze minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 54a
|
||||
|
||||
De artikelen 53 en 54 zijn van toepassing in de aansluitende zone, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling aansluitende zone.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 8. Centraal archeologisch informatiesysteem
|
||||
|
||||
### Artikel 55
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze minister houdt een Centraal archeologisch informatiesysteem in stand waarin in ieder geval worden opgenomen en openbaar gemaakt:
|
||||
|
||||
a. de registers, bedoeld in de artikelen 6 en 7, voor zover die archeologische monumenten betreffen;
|
||||
b. de beslissingen die op de aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, zijn genomen voor zover die beslissingen archeologische monumenten betreffen;
|
||||
c. de besluiten, bedoeld in artikel 44, eerste lid;
|
||||
d. het rapport, bedoeld in artikel 46, vierde lid; en
|
||||
e. de meldingen, bedoeld in de artikelen 46, eerste en tweede lid, 53, eerste lid, en 54.
|
||||
|
||||
**2.** Het auteursrecht op de rapporten, bedoeld in artikel 46, vierde lid, en de daarin opgenomen werken is voorbehouden.
|
||||
|
||||
**3.** Het auteursrecht en het databankenrecht, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Databankenwet, op het Centraal archeologisch informatiesysteem zijn voorbehouden.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de verstrekking van informatie uit het Centraal archeologisch informatiesysteem kunnen kosten in rekening worden gebracht, volgens door Onze minister vast te stellen tarieven.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 9. Bijzondere bevoegdheden
|
||||
|
||||
### Artikel 56
|
||||
|
||||
**1.** Hij die opzettelijk handelt in strijd met artikel 11, met artikel 37, eerste lid, of met een maatregel getroffen op grond van artikel 49, eerste lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.
|
||||
|
||||
**2.** Hij die opzettelijk handelt in strijd met een der artikelen 39, eerste lid, en 47, eerste lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.
|
||||
|
||||
**3.** De feiten zijn misdrijven.
|
||||
Onze minister kan bij schade dan wel dreigende schade aan archeologische monumenten voorschriften geven met betrekking tot de uitvoering van het werk dat die schade dan wel die dreiging veroorzaakt, dan wel gelasten dat dat werk voor bepaalde of onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk wordt stilgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 57
|
||||
|
||||
**1.** Hij die handelt in strijd met artikel 11, met artikel 37, eerste lid, of met een maatregel getroffen op grond van artikel 49, eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vijfde categorie.
|
||||
**1.** Onze minister kan bepalen dat een rechthebbende ten aanzien van een terrein moet dulden dat dat terrein in het belang van een archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht dan wel daarin opgravingen worden gedaan.
|
||||
|
||||
**2.** Hij die handelt in strijd met een der artikelen 39, eerste lid, en 47, eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vijfde categorie.
|
||||
|
||||
**3.** De feiten zijn overtredingen.
|
||||
**2.** Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een rechthebbende ten aanzien van een terrein moet dulden dat een terrein in het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht, dan wel daarin opgravingen worden gedaan, voor zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of ter uitvoering van een besluit als bedoeld in de artikelen 10, 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
|
||||
|
||||
### Artikel 58
|
||||
|
||||
**1.** Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister onderscheidenlijk de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen personen.
|
||||
**1.** Schade veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in de artikelen 56 of 57, eerste lid, wordt door Onze minister naar redelijkheid vergoed.
|
||||
|
||||
**2.** Met de opsporing van de bij de artikelen 56 en 57 strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de in het eerste lid bedoelde ambtenaren, voorzover zij bij besluit van Onze Minister van Justitie daartoe zijn aangewezen. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 van het Wetboek van Strafrecht, voorzover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
|
||||
|
||||
**3.** De in het eerste en het tweede lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.
|
||||
|
||||
**4.** Van een besluit van Onze Minister als bedoeld in het eerste lid of van Onze Minister van Justitie als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen
|
||||
**2.** Schade veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in artikel 57, tweede lid, wordt door burgemeester en wethouders naar redelijkheid vergoed.
|
||||
|
||||
### Artikel 59
|
||||
|
||||
**1.** Zolang een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 15 niet van kracht is, beslist Onze minister omtrent aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11.
|
||||
Rechtsvorderingen tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 58 staan ter kennisneming van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het werk, onderscheidenlijk het onderzoek, wordt uitgevoerd.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 10. Formulieren
|
||||
|
||||
### Artikel 60
|
||||
|
||||
Onze minister kan formulieren vaststellen ten aanzien van de meldingen, bedoeld in de artikelen 46, eerste en tweede lid, 53, eerste lid, en 54.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VI. Handhaving en strafbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 61
|
||||
|
||||
**1.** Hij die opzettelijk handelt in strijd met de artikelen 11, 37, eerste lid, 45, eerste lid, 53, eerste lid, dan wel opzettelijk handelt in strijd met een maatregel getroffen op grond van artikel 56, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.
|
||||
|
||||
**2.** De feiten zijn misdrijven.
|
||||
|
||||
### Artikel 62
|
||||
|
||||
**1.** Hij die handelt in strijd met de artikelen 11, 37, eerste lid, 45, eerste lid, 53, eerste lid, dan wel handelt in strijd met een maatregel getroffen op grond van artikel 56, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vijfde categorie.
|
||||
|
||||
**2.** De feiten zijn overtredingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 63
|
||||
|
||||
**1.** Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze minister onderscheidenlijk de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen personen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Met de opsporing van de bij de artikelen 61 en 62 strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van de Wetboek van Strafvordering, belast de in het eerste lid bedoelde ambtenaren, voor zover zij bij besluit van Onze Minister van Justitie daartoe zijn aangewezen.
|
||||
|
||||
Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
|
||||
|
||||
**3.** De in het eerste en het tweede lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.
|
||||
|
||||
**4.** Van een besluit van Onze minister als bedoeld in het eerste lid of van Onze Minister van Justitie als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 64
|
||||
|
||||
**1.** Zolang een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 15 niet van kracht is, beslist Onze minister omtrent aanvragen voor vergunning als bedoeld in artikel 11.
|
||||
|
||||
**2.** Op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met inachtneming van het derde tot en met achtste lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -490,68 +633,28 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**8.** Op de beslissing omtrent de aanvraag zijn de artikelen 18 tot en met 21 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 60
|
||||
|
||||
De Monumentenwet (*Stb.* 1961, 200) wordt ingetrokken.
|
||||
|
||||
### Artikel 61
|
||||
|
||||
**1.** Beslissingen die op grond van de artikelen 9, 15, 17, 20, 22 tweede lid, 23, eerste lid, 25, eerste lid, dan wel 31, eerste lid, van de Monumentenwet (*Stb.* 1961, 200) zijn genomen, gelden als beslissingen als bedoeld in onderscheidenlijk de artikelen 3, zesde lid, 11, 30 of 31, 35, 39, eerste lid, 42, 49 danwel 58, eerste lid, van deze wet.
|
||||
|
||||
**2.** Indien tegen de beslissingen die op grond van de in het eerste lid genoemde artikelen van de Monumentenwet (*Stb.* 1961, 200) zijn genomen nog beroep kan worden ingesteld dan wel beroep is ingesteld, wordt dat beroep afgehandeld met inachtneming van de artikelen 26 en 27 van die wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 62
|
||||
|
||||
**1.** Kennisgevingen die op grond van artikel 8 van de Monumentenwet (*Stb.* 1961, 200) zijn verzonden, worden afgehandeld met inachtneming van de artikelen 8 en 9 van die wet.
|
||||
|
||||
**2.** Verzoeken om vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Monumentenwet (*Stb.* 1961, 200) die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze wet worden afgehandeld met inachtneming van artikel 15 van die wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 63
|
||||
|
||||
**1.** Het register, de overschrijving en de melding, bedoeld in artikel 10 van de Monumentenwet (*Stb.* 1961, 200), gelden onderscheidenlijk als register, overschrijving en melding als bedoeld in artikel 6 van deze wet.
|
||||
|
||||
**2.** Een dwangbevel tot invordering van ingevolge de Monumentenwet (*Stb.* 1961, 200) verschuldigde kosten als bedoeld in artikel 19 van die wet geldt als dwangbevel tot invordering van ingevolge deze wet verschuldigde kosten als bedoeld in artikel 33.
|
||||
|
||||
### Artikel 64
|
||||
|
||||
Beslissingen die op grond van artikel 23, tweede lid, van de Monumentenwet (*Stb.* 1961, 200) zijn genomen behouden hun geldigheid na de intrekking van die wet. Artikel 61, tweede lid, van deze wet is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 65
|
||||
|
||||
**1.** De Monumentenraad, bedoeld in artikel 3, eerste lid, alsmede de vijf afdelingen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Monumentenwet (*Stb.* 1961, 200) gelden als onderscheidenlijk de Monumentenraad, bedoeld in artikel 50, eerste lid, en de vijf afdelingen, bedoeld in artikel 52 van deze wet.
|
||||
|
||||
**2.** De benoemingen die op grond van artikel 4 van de Monumentenwet hebben plaatsgevonden gelden als benoemingen als bedoeld in artikel 51 van deze wet.
|
||||
|
||||
**3.** Voorschriften die op grond van artikel 6 van de Monumentenwet (*Stb.* 1961, 200) zijn gegeven, gelden als regels als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van deze wet.
|
||||
Een rijksdienst, een instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente die ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg over een opgravingsvergunning voor onbepaalde tijd beschikt, blijft gerechtigd tot het doen van opgravingen onder de beperkingen en voorschriften die aan die vergunning zijn verbonden, gedurende twee jaar na inwerkingtreding van die wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 66
|
||||
|
||||
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
|
||||
**1.** Roerende monumenten die worden gevonden bij het doen van opgravingen die zijn begonnen, maar niet zijn voltooid ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, zijn eigendom van de Staat.
|
||||
|
||||
**2.** Roerende monumenten als bedoeld in het eerste lid die zijn gevonden bij het doen van wettige opgravingen door een gemeente, zijn eigendom van die gemeente.
|
||||
|
||||
### Artikel 67
|
||||
|
||||
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
|
||||
Gedurende twee jaar na inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg kunnen roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen worden opgeslagen in de depots van de vergunninghoudende gemeenten, bedoeld in artikel 65.
|
||||
|
||||
### Artikel 68
|
||||
|
||||
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
|
||||
Gedeputeerde staten maken binnen een jaar na inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg aan de gemeentelijke vergunninghouders, bedoeld in artikel 65, kenbaar, hoe zij gebruik zullen maken van hun bevoegdheid, bedoeld in artikel 51, tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 69
|
||||
|
||||
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
|
||||
Besluiten die voor de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg op grond van het bij die wet vervallen artikel 58, eerste lid, zijn genomen, berusten na inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg op artikel 63, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 70
|
||||
|
||||
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
|
||||
|
||||
### Artikel 71
|
||||
|
||||
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
|
||||
|
||||
### Artikel 72
|
||||
|
||||
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
|
||||
|
||||
### Artikel 73
|
||||
|
||||
Deze wet kan worden aangehaald als Monumentenwet met vermelding van het jaartal van het *Staatsblad* waarin zij zal worden geplaatst.
|
||||
Deze wet wordt aangehaald als: Monumentenwet 1988.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue