2024-07-13 | BWBR0037077 | Belastingregeling Nederland Curaçao

This commit is contained in:
Coornhert 2024-07-13 12:00:00 +00:00
parent 25666ac62e
commit 54d73c4ddb

View file

@ -20,14 +20,19 @@ citeertitel: Belastingregeling Nederland Curaçao
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid maken:
a. een stichting die volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 van de winstbelasting is vrijgesteld, tenzij het een stichting particulier fonds betreft die volgens artikel 1B van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 als doelvermogen is aangewezen;
b. een trust die volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel j, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 van de winstbelasting is vrijgesteld, tenzij het een trust betreft die volgens artikel 1B van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 als doelvermogen is aangewezen;
c. een Vrijgestelde Vennootschap als bedoeld in artikel 1A, eerste lid, onderdeel f, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940; en
d. een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
a. een stichting die volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 van de winstbelasting is vrijgesteld, tenzij het een stichting particulier fonds betreft die volgens artikel 1B van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 als doelvermogen is aangewezen;
b. een trust die volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 van de winstbelasting is vrijgesteld, tenzij het een trust betreft die volgens artikel 1B van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 als doelvermogen is aangewezen; en
c. een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
geen aanspraak op de voordelen van de artikelen 10, 11, 12, 13, vierde lid, en artikel 20, eerste lid.
**3.** De bevoegde autoriteiten van beide landen kunnen in onderling overleg beslissen in hoeverre een inwoner van een van de landen die onder een bijzondere regeling valt geen aanspraak kan maken op de voordelen van deze rijkswet.
**3.** Inkomen en voordelen uit collectieve beleggingen via een Curaçaos fonds voor gemene rekening of Curaçaose commanditaire vennootschap of een Nederlands besloten fonds voor gemene rekening worden toegerekend aan de deelnemers naar rato van de omvang van hun deelneming in deze entiteiten, mits deze entiteiten als fiscaal transparant worden aangemerkt door beide landen. Dit geldt ook ten aanzien van een paraplufonds voor zover het is samengesteld uit genoemde entiteiten.
**4.** Een in het derde lid genoemde entiteit of een door de bevoegde autoriteiten in onderling overleg aan te wijzen andere transparante entiteit, die in een van de landen is gevestigd en inkomen of voordelen ontvangt afkomstig uit het andere land kan zelf, via vertegenwoordiging door de manager van de entiteit of haar depositaris namens zijn deelnemers aanspraak maken op de voordelen uit een regeling ter vermijding van dubbele belasting waarbij het Koninkrijk der Nederlanden namens het andere land partij is en die specifiek van toepassing is op ieder van de betrokken deelnemers. Vorderingen als bedoeld in de eerste zin kunnen voorwerp zijn van een onderzoek en op verzoek van de bevoegde autoriteit van een van de landen verstrekt een manager van de entiteit of diens depositaris relevante informatie, die een overzicht van deelnemers en respectievelijk het voor een vordering relevante toegewezen inkomen of de voor een vordering relevante toegewezen voordelen, alsmede specifieke regelingen ter vermijding van dubbele belasting uit hoofde waarvan door de entiteit aanspraak wordt gemaakt op voordelen, kan omvatten.
**5.** Niettegenstaande de bepalingen van het derde en vierde lid, mag een in het derde lid genoemde entiteit of een door de bevoegde autoriteiten in onderling overleg aan te wijzen andere transparante entiteit geen aanspraak maken op voordelen uit deze rijkswet namens een deelnemer van de entiteit, indien de deelnemer zelf aanspraak heeft gemaakt op voordelen ter zake van hetzelfde inkomen of dezelfde voordelen.
**6.** De bevoegde autoriteiten van beide landen kunnen in onderling overleg beslissen in hoeverre een inwoner van een van de landen die onder een bijzondere regeling valt geen aanspraak kan maken op de voordelen van deze rijkswet.
### Artikel 2
@ -44,7 +49,8 @@ a. - in het Europese deel van Nederland:
1°. de inkomstenbelasting;
2°. de loonbelasting;
3°. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet;
4°. de dividendbelasting; en
4°. de dividendbelasting;
5°. de bronbelasting; en
- In het Caribische deel van Nederland:
1°. de inkomstenbelasting;
@ -85,11 +91,14 @@ f. heeft de uitdrukking «onderneming» betrekking op het uitoefenen van een bed
g. omvat de uitdrukking «uitoefenen van een bedrijf» mede het uitoefenen van een vrij beroep en van andere werkzaamheden van zelfstandige aard;
h. betekenen de uitdrukkingen «onderneming van een land» en «onderneming van het andere land» onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een land en een onderneming gedreven door een inwoner van het andere land;
i. betekent de uitdrukking «het internationale verkeer» alle vervoer met een schip of luchtvaartuig, geëxploiteerd door een onderneming waarvan de plaats van de werkelijke leiding in een land is gelegen, behalve wanneer het schip of luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in het andere land zijn gelegen;
j. betekent de uitdrukking «pensioenfonds» elk lichaam dat inwoner is van een land:
j. betekent de uitdrukking «pensioenfonds»:
1°. dat in het algemeen is vrijgesteld van belastingen naar het inkomen in dat land;
2°. waarvan de werkzaamheden voornamelijk bestaan uit het beheren of verstrekken van pensioenen; en
3°. dat ingevolge de wettelijke bepalingen van een land erkend is en onder toezicht staat;
1°. elk lichaam dat inwoner is van een land:
aa. dat in het algemeen is vrijgesteld van belastingen naar het inkomen in dat land;
bb. waarvan de werkzaamheden voornamelijk bestaan uit het beheren of verstrekken van pensioenen; en
cc. dat ingevolge de wettelijke bepalingen van een land erkend is en onder toezicht staat; alsmede
2°. elk lichaam dat inwoner is van een land en dat zich geheel of nagenoeg geheel bezighoudt met het beheren en beleggen voor lichamen als bedoeld in subonderdeel 1°;
k. betekent de uitdrukking «bevoegde autoriteit»:
1°. wat Nederland betreft, de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
@ -99,7 +108,7 @@ k. betekent de uitdrukking «bevoegde autoriteit»:
### Artikel 4
**1.** Voor de toepassing van deze rijkswet betekent de uitdrukking «inwoner van een land» iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van dat land, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, plaats van oprichting of enige andere soortgelijke omstandigheid. De uitdrukking «inwoner van een land» omvat tevens het land zelf en elk staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan en een persoon die voor de toepassing van de opbrengstbelasting in het Caribische deel van Nederland is gevestigd.
**1.** Voor de toepassing van deze rijkswet betekent de uitdrukking «inwoner van een land» iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van dat land, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, plaats van oprichting of enige andere soortgelijke omstandigheid. De uitdrukking «inwoner van een land» omvat tevens het land zelf en elk staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan en een persoon die voor de toepassing van de opbrengstbelasting in het Caribische deel van Nederland is gevestigd alsmede een pensioenfonds als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel j. Deze uitdrukking omvat echter niet een persoon die in dat land slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in dat land.
**2.**
@ -108,9 +117,7 @@ Een persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, wordt geacht aan belasting ond
a. in Nederland: indien de persoon voor de toepassing van de vennootschapsbelasting in Nederland is gevestigd; of
b. in Curaçao: indien de persoon voor toepassing van de winstbelasting in Curaçao is gevestigd; mits door die persoon verkregen inkomsten ingevolge de belastingwetgeving van Nederland onderscheidenlijk Curaçao behandeld worden als de inkomsten van die persoon en niet als de inkomsten van zijn rechthebbenden, leden of participanten.
**3.** Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, omvat de uitdrukking «inwoner van een land» niet enig persoon die in dat land slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in dat land.
**4.**
**3.**
Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide landen is, wordt zijn positie op de volgende wijze bepaald:
@ -118,13 +125,13 @@ a. hij wordt geacht slechts inwoner te zijn van het land waarin hij een duurzaam
b. indien niet kan worden bepaald in welk land hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de landen een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht alleen inwoner te zijn van het land waarin hij gewoonlijk verblijft;
c. indien hij in beide landen of in geen van beide gewoonlijk verblijft, regelen de bevoegde autoriteiten van de landen de aangelegenheid in onderling overleg.
**5.** Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner is van beide landen, stellen de bevoegde autoriteiten van beide landen in onderling overleg vast van welk land die persoon geacht wordt inwoner te zijn voor de toepassing van deze rijkswet. Bij ontbreken van onderlinge overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van beide landen, is die persoon niet gerechtigd tot enig voordeel dat uit deze rijkswet voortvloeit, met uitzondering van de artikelen 21, 23 en 24.
**4.** Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner is van beide landen, stellen de bevoegde autoriteiten van beide landen in onderling overleg vast van welk land die persoon geacht wordt inwoner te zijn voor de toepassing van deze rijkswet, met inachtneming van plaats van leiding, plaats van oprichting of enige andere soortgelijke omstandigheid, en volgens de bepalingen van artikel 24. Bij ontbreken van onderlinge overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van beide landen, is die persoon niet gerechtigd tot enig voordeel dat uit deze rijkswet voortvloeit, met uitzondering van de artikelen 21, 23 en 24.
**6.** Indien een entiteit door een land voor de belastingheffing wordt aangemerkt als transparant en door het andere land als niet-transparant en dit leidt tot dubbele belastingheffing of belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze rijkswet, treden de bevoegde autoriteiten in onderling overleg volgens de bepalingen van artikel 24 teneinde deze dubbele belastingheffing of belastingheffing die niet verenigbaar is met de bepalingen van deze rijkswet te voorkomen en tegelijkertijd te voorkomen dat, louter als gevolg van de toepassing van deze rijkswet, bestanddelen van het inkomen, geheel of gedeeltelijk, niet aan belasting onderworpen zijn.
**5.** Indien een entiteit door een land voor de belastingheffing wordt aangemerkt als transparant en door het andere land als niet-transparant en dit leidt tot dubbele belastingheffing of belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze rijkswet, treden de bevoegde autoriteiten in onderling overleg volgens de bepalingen van artikel 24 teneinde deze dubbele belastingheffing of belastingheffing die niet verenigbaar is met de bepalingen van deze rijkswet te voorkomen en tegelijkertijd te voorkomen dat, louter als gevolg van de toepassing van deze rijkswet, bestanddelen van het inkomen, geheel of gedeeltelijk, niet aan belasting onderworpen zijn.
**7.**
**6.**
Niettegenstaande de bepalingen van het zesde lid:
Niettegenstaande de bepalingen van het vijfde lid:
a. wordt een inkomensbestanddeel verkregen door tussenkomst van een persoon die fiscaal transparant is krachtens de wetgeving van een land, voor de toepassing van de rijkswet geacht te zijn verkregen door een inwoner van een land voor zover dat bestanddeel voor de toepassing van de belastingwetgeving van dat land wordt behandeld als het inkomen van een inwoner;
b. mag een inkomensbestanddeel dat door een land beschouwd wordt te zijn verkregen door een persoon die inwoner is van dat land en door het andere land als te zijn verkregen door een persoon die inwoner is van dat andere land, door elk land worden belast als het inkomen van de persoon die volgens dat land geacht wordt het bestanddeel te hebben verkregen;
@ -156,7 +163,7 @@ b. gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die meer dan 183 dagen duurt, ondersc
de in het andere land verrichte activiteiten bestaande uit de voornoemde diensten geacht een vaste inrichting te vormen van de onderneming in dat andere land, tenzij deze diensten beperkt zijn tot de werkzaamheden, bedoeld in het achtste lid, die, indien zij zouden worden verricht door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken. Voor de toepassing van dit lid worden diensten verricht door een natuurlijke persoon ten behoeve van een onderneming niet geacht verricht te zijn door een andere onderneming, tenzij die andere onderneming toezicht houdt op de manier waarop de diensten worden verricht door die natuurlijke persoon of die diensten aanstuurt of controleert.
**5.** Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede, derde en vierde lid, wordt een onderneming van een land die werkzaamheden verricht in de territoriale zee, en elk gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee, van het andere land waarbinnen met betrekking tot dat land rechtsmacht of soevereine rechten worden uitgeoefend als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b en onderdeel c (werkzaamheden buitengaats), geacht ter zake van die werkzaamheden, behoudens met betrekking tot de bepalingen van artikel 14, tweede lid, een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting, tenzij de werkzaamheden in kwestie in het andere land worden verricht gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die in een periode van twaalf maanden in totaal minder dan 30 dagen beslaat onderscheidenlijk beslaan.
**5.** Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede, derde en vierde lid, wordt een onderneming van een land die werkzaamheden verricht in de territoriale zee, en elk gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee, van het andere land waarbinnen met betrekking tot dat land rechtsmacht of soevereine rechten worden uitgeoefend als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b en onderdeel c (werkzaamheden buitengaats), geacht ter zake van die werkzaamheden een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting, tenzij de werkzaamheden in kwestie in het andere land worden verricht gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die in een periode van twaalf maanden in totaal minder dan 30 dagen beslaat onderscheidenlijk beslaan.
**6.**
@ -232,7 +239,7 @@ b. dezelfde personen onmiddellijk of middellijk deelnemen aan de leiding van, aa
en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mogen alle voordelen die een van de ondernemingen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald, maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de voordelen van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast. Het is echter wel te verstaan dat de omstandigheid dat gelieerde ondernemingen overeenkomsten hebben afgesloten, zoals «costsharing»-overeenkomsten of algemene dienstverleningsovereenkomsten, voor of gebaseerd op de toerekening van kosten van de leiding, de algemene beheerskosten, de technische en zakelijke kosten, kosten voor onderzoek en ontwikkeling en andere soortgelijke kosten, op zichzelf geen voorwaarde is als bedoeld in de voorgaande zin.
**2.** Indien een land in de voordelen van een onderneming van dat land voordelen begrijpt, en dienovereenkomstig belast, ter zake waarvan een onderneming van het andere land in dat andere land in de belastingheffing is betrokken en deze voordelen bestaan uit voordelen welke de onderneming van het eerstbedoelde land zou hebben behaald indien tussen de beide ondernemingen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen, past dat andere land het bedrag aan belasting dat in dat land over die voordelen is geheven, dienovereenkomstig aan indien dat andere land de aanpassing gerechtvaardigd acht. Bij de vaststelling van deze aanpassing wordt zorgvuldig rekening gehouden met de overige bepalingen van deze rijkswet en plegen de bevoegde autoriteiten van de landen zo nodig met elkaar overleg.
**2.** Indien een land in de voordelen van een onderneming van dat land voordelen begrijpt, en dienovereenkomstig belast, ter zake waarvan een onderneming van het andere land in dat andere land in de belastingheffing is betrokken en deze voordelen bestaan uit voordelen welke de onderneming van het eerstbedoelde land zou hebben behaald indien tussen de beide ondernemingen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen, past dat andere land het bedrag aan belasting dat in dat land over die voordelen is geheven, dienovereenkomstig aan. Bij de vaststelling van deze aanpassing wordt zorgvuldig rekening gehouden met de overige bepalingen van deze rijkswet en plegen de bevoegde autoriteiten van de landen zo nodig met elkaar overleg.
### Artikel 10
@ -244,7 +251,7 @@ en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in hun handel
Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid, zijn dividenden bedoeld in het eerste lid slechts in het andere land belastbaar, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden:
a. een lichaam is waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat inwoner is van het andere land en onmiddellijk ten minste 10 percent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt, mits het een kwalificerend lichaam is als bedoeld in het vierde lid;
a. een lichaam is waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat inwoner is van het andere land en onmiddellijk ten minste 10 percent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt gedurende een periode van 365 dagen die tevens omvat de dag van betaling van het dividend, mits het een kwalificerend lichaam is als bedoeld in het vierde lid en waarbij voor het berekenen van die periode van 365 dagen geen rekening wordt gehouden met veranderingen van gerechtigdheid die het rechtstreekse gevolg zijn van een bedrijfsreorganisatie zoals een fusie of een splitsing van de vennootschap die de aandelen bezit of de dividenden betaalt;
b. een land, of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, is; of
c. een pensioenfonds is.
@ -309,9 +316,16 @@ mits de aankoop of verkoop van aandelen op de desbetreffende effectenbeurs niet
**15.** De bevoegde autoriteit van het land waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is stelt vast op welke wijze de vermindering van overeenkomstig de wetgeving van dat land geheven belasting wordt verleend, voor zover dat het bedrag aan belasting dat ingevolge de bepalingen van dit artikel of artikel 30 mag worden geheven overschrijdt. Verzoeken om teruggaaf van belasting worden ingediend binnen een tijdvak van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven.
**16.**
De bepalingen van het derde lid, onderdelen a en c, en het achtste lid zijn niet van toepassing op dividenden die worden betaald:
a. door of aan een persoon die voor de toepassing van de Nederlandse vennootschapsbelasting een fiscale beleggingsinstelling is;
b. aan een persoon die voor de toepassing van de Curaçaose winstbelasting een Curaçaose Beleggingsvennootschap is, voor zover de inkomsten voortkomen uit beleggingen in effecten, depositos, financiële instrumenten of andere beleggingen, tenzij de Curaçaose Beleggingsvennootschap een lichaam is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel j, subonderdeel 5⁰.
### Artikel 11
**1.** Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 33 is rente afkomstig uit een land die wordt verkregen door een inwoner van het andere land die de uiteindelijk gerechtigde is, slechts belastbaar in dat andere land.
**1.** Rente afkomstig uit een land die wordt verkregen door een inwoner van het andere land die de uiteindelijk gerechtigde is, is slechts belastbaar in dat andere land.
**2.** De uitdrukking «rente», zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet verzekerd door hypotheek, al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst van de schuldenaar, en in het bijzonder inkomsten uit overheidsleningen en inkomsten uit obligaties of schuldbewijzen, waaronder begrepen de aan zodanige leningen, obligaties of schuldbewijzen verbonden premies en prijzen. In rekening gebrachte boetes voor te late betaling worden voor de toepassing van dit artikel niet als rente aangemerkt.
@ -409,7 +423,7 @@ Vergoedingen die een student of een voor een beroep of bedrijf in opleiding zijn
### Artikel 20
**1.** Bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een land, van waaruit ook afkomstig, die niet in de voorgaande artikelen of in artikel 33 van deze rijkswet zijn behandeld, zijn slechts in dat land belastbaar.
**1.** Bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een land, van waaruit ook afkomstig, die niet in de voorgaande artikelen van deze rijkswet zijn behandeld, zijn slechts in dat land belastbaar.
**2.** De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op inkomsten, niet zijnde inkomsten uit onroerende zaken zoals omschreven in artikel 6, tweede lid, indien de genieter van die inkomsten, die inwoner is van een land, in het andere land een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting en het recht of de zaak ter zake waarvan de inkomsten worden betaald tot het vermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing.
@ -425,25 +439,29 @@ Vergoedingen die een student of een voor een beroep of bedrijf in opleiding zijn
**4.** Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid verleent Nederland een aftrek op de Nederlandse belasting voor de in Curaçao betaalde belasting op bestanddelen van het inkomen die volgens artikel 7, eerste lid, artikel 10, twaalfde lid, artikel 11, derde lid, artikel 12, derde lid, en artikel 20, tweede lid, in Curaçao mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen, voor zover Nederland uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting een vermindering verleent op de Nederlandse belasting voor de in een derde land over die bestanddelen van het inkomen geheven belasting. Voor de berekening van deze aftrek zijn de bepalingen van het derde lid van overeenkomstige toepassing.
**5.** Curaçao is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van deze rijkswet in Nederland mogen worden belast.
**5.** De bepalingen van het tweede lid zijn niet van toepassing op inkomen verkregen door een inwoner van Nederland als Curaçao de bepalingen van deze rijkswet toepast om dergelijk inkomen vrij te stellen van belasting of de bepalingen van artikel 10, tweede lid, toepast op dergelijk inkomen. In dat geval zijn de bepalingen van het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
**6.** Indien een inwoner van Curaçao bestanddelen van het inkomen verkrijgt die volgens artikel 6, eerste, derde, vierde en vijfde lid, artikel 7, eerste lid, artikel 10, twaalfde lid, artikel 11, derde lid, artikel 12, derde lid, artikel 13, eerste, tweede en derde lid, artikel 14, eerste lid, artikel 17, tweede lid, artikel 18, eerste en derde lid, en artikel 20, tweede lid, in Nederland mogen worden belast en die in de in het vijfde lid bedoelde grondslag zijn begrepen, stelt Curaçao deze inkomensbestanddelen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Curaçaose wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Te dien einde worden genoemde inkomensbestanddelen geacht te zijn begrepen in het bedrag van de bestanddelen van het inkomen die ingevolge die bepalingen van Curaçaose belasting zijn vrijgesteld.
**6.** Curaçao is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van deze rijkswet in Nederland mogen worden belast.
**7.** Curaçao verleent voorts een aftrek op de met inachtneming van het zesde lid berekende Curaçaose belasting voor de bestanddelen van het inkomen die volgens artikel 10, tweede en veertiende lid, artikel 15, eerste lid, artikel 16, eerste en tweede lid, en artikel 17, derde lid, in Nederland mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de in het vijfde lid bedoelde grondslag zijn begrepen. Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in Nederland over deze bestanddelen van het inkomen betaalde belasting, maar bedraagt, indien de bepalingen in de Curaçaose wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting daarin voorzien, niet meer dan het bedrag van de aftrek die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest waarvoor Curaçao een vermindering verleent uit hoofde van de bepalingen in de Curaçaose wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Dit lid beperkt een tegemoetkoming nu of in de toekomst verleend uit hoofde van de bepalingen in de Curaçaose wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting niet, echter uitsluitend voor zover het de berekening van het bedrag van de aftrek op de Curaçaose belasting betreft die betrekking heeft op de som van inkomsten afkomstig uit meer dan een land en de voortwenteling van de belasting betaald in Nederland op bedoelde bestanddelen van het inkomen naar de volgende jaren.
**7.** Indien een inwoner van Curaçao bestanddelen van het inkomen verkrijgt die volgens artikel 6, eerste, derde, vierde en vijfde lid, artikel 7, eerste lid, artikel 10, twaalfde lid, artikel 11, derde lid, artikel 12, derde lid, artikel 13, eerste, tweede en derde lid, artikel 14, eerste lid, artikel 16, eerste en tweede lid, artikel 17, tweede lid, artikel 18, eerste en derde lid, en artikel 20, tweede lid, in Nederland mogen worden belast en die in de in het zesde lid bedoelde grondslag zijn begrepen, stelt Curaçao deze inkomensbestanddelen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Curaçaose wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Te dien einde worden genoemde inkomensbestanddelen geacht te zijn begrepen in het bedrag van de bestanddelen van het inkomen die ingevolge die bepalingen van Curaçaose belasting zijn vrijgesteld.
**8.** Niettegenstaande de bepalingen van het zesde lid verleent Curaçao een aftrek op de Curaçaose belasting voor de in Nederland betaalde belasting op bestanddelen van het inkomen die volgens artikel 7, eerste lid, artikel 10, twaalfde lid, artikel 11, derde lid, artikel 12, derde lid, en artikel 20, tweede lid, in Nederland mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de in het vijfde lid bedoelde grondslag zijn begrepen, voor zover Curaçao uit hoofde van de bepalingen in de Curaçaose wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting een vermindering verleent op de Nederlandse belasting voor de in een derde land over die bestanddelen van het inkomen geheven belasting. Voor de berekening van deze aftrek zijn de bepalingen van het zevende lid van overeenkomstige toepassing.
**8.** Curaçao verleent voorts een aftrek op de met inachtneming van het zevende lid berekende Curaçaose belasting voor de bestanddelen van het inkomen die volgens artikel 10, tweede en veertiende lid, artikel 15, eerste lid, en artikel 17, derde lid, in Nederland mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de in het zesde lid bedoelde grondslag zijn begrepen. Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in Nederland over deze bestanddelen van het inkomen betaalde belasting, maar bedraagt, indien de bepalingen in de Curaçaose wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting daarin voorzien, niet meer dan het bedrag van de aftrek die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest waarvoor Curaçao een vermindering verleent uit hoofde van de bepalingen in de Curaçaose wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Dit lid beperkt een tegemoetkoming nu of in de toekomst verleend uit hoofde van de bepalingen in de Curaçaose wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting niet, echter uitsluitend voor zover het de berekening van het bedrag van de aftrek op de Curaçaose belasting betreft die betrekking heeft op de som van inkomsten afkomstig uit meer dan een land en de voortwenteling van de belasting betaald in Nederland op bedoelde bestanddelen van het inkomen naar de volgende jaren.
**9.** Niettegenstaande de bepalingen van het zesde en achtste lid, wordt, indien sprake is van een vaste inrichting van een onderneming van Curaçao die is gelegen in het Caribische deel van Nederland en die, als deze een Nederlands lichaam zou zijn geweest en volgens artikel 5.2 van de Belastingwet BES geacht zou worden in het Europese deel van Nederland te zijn gevestigd, voor de daaraan toerekenbare bestanddelen van het inkomen die volgens artikel 7 aldaar mogen worden belast en die in de in het vijfde lid bedoelde grondslag zijn begrepen, op de voet van het achtste lid een aftrek op de Curaçaose belasting verleend voor de volgens de in het Caribische deel van Nederland toepasselijke belastingwetgeving betaalde belasting.
**9.** Niettegenstaande de bepalingen van het zevende lid verleent Curaçao een aftrek op de Curaçaose belasting voor de in Nederland betaalde belasting op bestanddelen van het inkomen die volgens artikel 7, eerste lid, artikel 10, twaalfde lid, artikel 11, derde lid, artikel 12, derde lid, en artikel 20, tweede lid, in Nederland mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de in het zesde lid bedoelde grondslag zijn begrepen, voor zover Curaçao uit hoofde van de bepalingen in de Curaçaose wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting een vermindering verleent op de Nederlandse belasting voor de in een derde land over die bestanddelen van het inkomen geheven belasting. Voor de berekening van deze aftrek zijn de bepalingen van het achtste lid van overeenkomstige toepassing.
**10.** Nederland zorgt ervoor dat het heffen van bronbelasting als bedoeld in artikel 33 niet leidt tot dubbele belasting, overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, tweede en derde lid, van Richtlijn 2003/48/EG of zorgt voor restitutie van de bronbelasting.
**10.** De bepalingen van het zevende lid zijn niet van toepassing op inkomen verkregen door een inwoner van Curaçao als Nederland de bepalingen van deze rijkswet toepast om dit inkomen vrij te stellen van belasting of de bepalingen van artikel 10, tweede lid, toepast op dergelijk inkomen. In dat geval zijn de bepalingen van het negende lid van overeenkomstige toepassing.
**11.** In het geval dat inkomen, verkregen volgens artikel 16, eerste en tweede lid, door een inwoner van Curaçao op basis van de in Nederland geldende belastingwetgeving niet onderworpen is aan een belasting naar het inkomen, zijn de bepalingen van het achtste lid van overeenkomstige toepassing op dit inkomen.
## Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen
### Artikel 22
**1.** De bepalingen van deze rijkswet vormen geen beletsel voor de toepassing van de in het belastingrecht van elk van de landen besloten liggende instrumenten ter bestrijding van fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik.
**1.** Niettegenstaande de overige bepalingen van deze rijkswet, wordt een voordeel uit hoofde van deze rijkswet niet toegekend met betrekking tot een inkomensbestanddeel indien, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat het verkrijgen van dit voordeel een van de voornaamste redenen was voor een constructie of transactie die direct of indirect tot dat voordeel heeft geleid, tenzij wordt vastgesteld dat toekenning van dit voordeel onder deze omstandigheden in overeenstemming zou zijn met het voorwerp en doel van de relevante bepalingen van deze rijkswet.
**2.** Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid, vindt artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, geen toepassing ter zake van een door een lichaam dat inwoner is van Curaçao gehouden belang in een lichaam dat inwoner is van Nederland, indien het eerstbedoelde lichaam met betrekking tot het gehouden belang in aanmerking komt voor de voordelen van artikel 10, derde lid, al dan niet in samenhang met artikel 10, vijfde lid.
**2.** Indien een persoon een voordeel uit hoofde van deze rijkswet wordt geweigerd ingevolge het eerste lid van dit artikel, dient de bevoegde autoriteit van het land dat het voordeel anderszins zou hebben toegekend deze persoon desalniettemin te behandelen alsof deze recht heeft op dit voordeel of op andere voordelen ter zake van een specifiek bestanddeel van het inkomen of het vermogen, indien deze bevoegde autoriteit, op verzoek van deze persoon en na bestudering van de relevante feiten en omstandigheden, vaststelt dat deze voordelen aan die persoon zouden zijn verleend bij het ontbreken van de transactie of constructie bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
**3.** De bevoegde autoriteit van een land raadpleegt de bevoegde autoriteit van het andere land alvorens een voordeel uit hoofde van het eerste of tweede lid van dit artikel te weigeren.
### Artikel 23
@ -472,7 +490,7 @@ Voor de toepassing van dit lid omvat de uitdrukking «pensioenregeling» mede ee
### Artikel 24
**1.** Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een land of van beide landen voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze rijkswet, kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die landen voorziet, de kwestie voorleggen aan de bevoegde autoriteit van het land waarvan hij inwoner is. De kwestie dient te worden voorgelegd binnen drie jaar nadat de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze rijkswet, voor het eerst te zijner kennis is gebracht.
**1.** Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een land of van beide landen voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze rijkswet, kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die landen voorziet, de kwestie voorleggen aan de bevoegde autoriteiten van een van beide landen. De kwestie dient te worden voorgelegd binnen drie jaar nadat de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze rijkswet, voor het eerst te zijner kennis is gebracht.
**2.** De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de kwestie in onderling overleg met de bevoegde autoriteit van het andere land op te lossen, met het oog op de vermijding van belastingheffing die niet in overeenstemming is met de rijkswet. Elke bereikte overeenstemming wordt ten uitvoer gelegd niettegenstaande de eventuele verjaringstermijnen in de nationale wetgeving van de landen.
@ -485,9 +503,9 @@ Voor de toepassing van dit lid omvat de uitdrukking «pensioenregeling» mede ee
Indien:
a. een persoon uit hoofde van het eerste lid een kwestie heeft voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van een land omdat de maatregelen van een of van beide landen ertoe hebben geleid dat de belastingheffing voor die persoon niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze rijkswet; en
b. de bevoegde autoriteiten er niet in slagen om binnen twee jaar nadat de kwestie is voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van het andere land overeenstemming te bereiken teneinde de kwestie op te lossen overeenkomstig het tweede lid;
b. de bevoegde autoriteiten er niet in slagen om binnen twee jaar na de datum waarop alle informatie die voor de bevoegde autoriteiten nodig is om de kwestie te kunnen beoordelen aan beide bevoegde autoriteiten ter beschikking is gesteld overeenstemming te bereiken teneinde de kwestie op te lossen overeenkomstig het tweede lid;
wordt elk onopgelost vraagstuk dat voortvloeit uit de kwestie op verzoek van de persoon voorgelegd voor arbitrage. De arbitrale uitspraak is bindend voor beide landen en wordt ten uitvoer gelegd ongeacht eventuele termijnen in de nationale wetgeving van deze landen, tenzij de rechtstreeks betrokken persoon de wederzijdse overeenstemming voor de tenuitvoerlegging van de arbitrale uitspraak niet aanvaardt.
wordt elk onopgelost vraagstuk dat voortvloeit uit de kwestie op schriftelijk verzoek van de persoon voorgelegd voor arbitrage. De arbitrale uitspraak is bindend voor beide landen en wordt ten uitvoer gelegd ongeacht eventuele termijnen in de nationale wetgeving van deze landen, tenzij de rechtstreeks betrokken persoon de wederzijdse overeenstemming voor de tenuitvoerlegging van de arbitrale uitspraak niet aanvaardt.
**6.** De landen regelen in onderling overleg de wijze van toepassing van het vijfde lid.
@ -578,9 +596,7 @@ In afwijking in zoverre van artikel 2 van deze rijkswet en artikel 3, eerste lid
### Artikel 30
**1.** Op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van Nederland aan een lichaam dat inwoner is, en was op het tijdstip van indiening bij koninklijke boodschap van deze rijkswet, van Curaçao, dat, behoudens ingeval artikel 10, tiende lid, van toepassing is, ter zake van deze dividenden niet in aanmerking komt voor de voordelen van artikel 10, derde lid, al of niet in samenhang met artikel 10, vijfde lid, blijft artikel 11, derde lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, zoals dat luidde op dat tijdstip, van toepassing tot en met 31 december 2019 indien het lichaam dat inwoner is van Curaçao de uiteindelijk gerechtigde is tot deze dividenden en voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is, en was op dat tijdstip, van het lichaam dat de dividenden betaalt, met dien verstande dat in artikel 11, derde lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, voor «8,3 percent» wordt gelezen «5 percent».
**2.** In afwijking van artikel 22 vindt artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, geen toepassing tot en met 31 december 2019 op het door het in het eerste lid bedoelde lichaam dat inwoner is van Curaçao gehouden belang in het lichaam dat inwoner is van Nederland. De eerste volzin blijft buiten toepassing op dividenden die worden betaald door het lichaam dat inwoner is van Nederland indien Nederland op basis van zijn wetgeving of enigerlei internationale regeling niet bevoegd is dividendbelasting te heffen over de dividenden die door dat lichaam worden betaald. In dat geval mag de belasting geheven over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, 5 percent van het brutobedrag van de dividenden niet overschrijden.
Vervallen
### Artikel 31
@ -596,44 +612,11 @@ In afwijking in zoverre van artikel 2 van deze rijkswet en artikel 3, eerste lid
### Artikel 33
**1.**
Voor de toepassing van dit artikel en artikel 21, tiende lid:
a. wordt verstaan onder:
1°. *Richtlijn 2003/48/EG:*
Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetalingen (PbEU 2003, L 157);
2°. *uiteindelijk gerechtigde:* een uiteindelijk gerechtigde als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2003/48/EG;
3°. *uitbetalende instantie:* een uitbetalende instantie als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2003/48/EG;
4°. *rentebetaling:* een rentebetaling als bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2003/48/EG, met inachtneming van artikel 15 van Richtlijn 2003/48/EG;
b. wordt onder termen die niet anderszins in dit artikel zijn omschreven verstaan: de betekenis die in Richtlijn 2003/48/EG daaraan wordt gegeven;
c. wordt in de bepalingen in Richtlijn 2003/48/EG waarnaar in dit artikel en in artikel 21, tiende lid, wordt verwezen in plaats van «lidstaten» gelezen: Nederland of Curaçao, al naargelang de context vereist.
**2.** Indien de uiteindelijk gerechtigde van rente woonachtig is in Nederland en de uitbetalende instantie in Curaçao is gevestigd, heft Curaçao gedurende de in artikel 10 van Richtlijn 2003/48/EG bedoelde overgangsperiode bronbelasting tegen een tarief van 35 percent. De uitbetalende instantie houdt de bronbelasting in op een wijze als omschreven in artikel 11, tweede en derde lid, van Richtlijn 2003/48/EG.
**3.** Het opleggen van bronbelasting door Curaçao op grond van dit artikel belet Nederland niet de inkomsten te belasten overeenkomstig het nationale recht met inachtneming van de overige bepalingen in deze rijkswet.
**4.** Tijdens de in het tweede lid bedoelde overgangsperiode kan Curaçao bepalen dat een marktdeelnemer die rente uitbetaalt of een rentebetaling bewerkstelligt voor een in Nederland gevestigde entiteit als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2003/48/EG, wordt aangemerkt als de uitbetalende instantie in plaats van de entiteit, en heft Curaçao de bronbelasting op die rente, tenzij die entiteit formeel heeft aanvaard dat haar naam en adres alsmede het totale bedrag van de rentebetaling die aan haar is verricht of voor haar is bewerkstelligd, worden meegedeeld overeenkomstig de laatste alinea van dat lid.
**5.** Curaçao behoudt 25 percent van de opbrengsten van de bronheffing, bedoeld in het tweede lid, en draagt 75 percent van de opbrengsten af aan Nederland. Indien Curaçao overeenkomstig het vierde lid bronbelasting heft, behoudt Curaçao 25 percent van de opbrengsten geheven op rentebetalingen aan in Nederland gevestigde entiteiten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2003/48/EG en draagt Curaçao 75 percent af aan Nederland. Die overdrachten vinden plaats uiterlijk in de zes maanden volgende op het eind van het belastingjaar van Curaçao. Curaçao treft de maatregelen die nodig zijn om het systeem voor de verdeling van de belastingopbrengsten correct te doen functioneren.
**6.** Curaçao voorziet in één van beide of beide procedures, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 2003/48/EG. Op verzoek van de uiteindelijk gerechtigde geeft de bevoegde autoriteit van Nederland een verklaring af in overeenstemming met artikel 13, tweede lid, van Richtlijn 2003/48/EG.
**7.** Voor de toepassing van dit artikel bepaalt Curaçao de procedures die nodig zijn om de uitbetalende instantie in staat te stellen de identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde vast te stellen en draagt zorg voor de toepassing van deze procedures in Curaçao. Deze procedures voldoen aan de minimumnormen van artikel 3, tweede en derde lid, van Richtlijn 2003/48/EG, met dien verstande dat met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, en in het derde lid, onderdeel a, de identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde worden vastgesteld op grond van de informatie waarover de uitbetalende instantie krachtens de toepassing van de desbetreffende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van Curaçao beschikt. De bestaande vrijstellingen of ontheffingen die in voorkomend geval op verzoek aan uiteindelijk gerechtigden met woonplaats in Nederland zijn verleend, zijn evenwel niet langer van toepassing en aan die uiteindelijk gerechtigden worden geen verdere vrijstellingen of ontheffingen van dien aard verleend.
**8.** Aan het einde van de overgangsperiode, bedoeld in het tweede lid, vindt artikel 10, derde lid, van Richtlijn 2003/48/EG overeenkomstige toepassing.
Vervallen
### Artikel 34
Na afloop van de in artikel 33, tweede lid, bedoelde overgangsperiode, of op een eerder bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt deze rijkswet als volgt gewijzigd:
1. Artikel 11, eerste lid, komt te luiden:
1. Rente afkomstig uit een land die wordt verkregen door een inwoner van het andere land die de uiteindelijk gerechtigde is, is slechts belastbaar in dat andere land.
2. In Artikel 20, eerste lid, vervalt: of in artikel 33.
3. Artikel 21, tiende lid, vervalt.
4. Artikel 33 vervalt.
Vervallen
### Artikel 35