2017-01-01 | BWBR0014168 | Mijnbouwwet
This commit is contained in:
parent
01e1248787
commit
5549d11746
1 changed files with 332 additions and 201 deletions
|
|
@ -67,7 +67,8 @@ af. essentiële wijziging: wezenlijke verandering die de kern betreffen;
|
|||
ag. pijpleiding:
|
||||
|
||||
1°. leiding die twee of meer mijnbouwwerken met elkaar verbindt ten behoeve van het vervoer van stoffen, te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk;
|
||||
2°. andere leiding dan bedoeld onder 1°, aan te wijzen door Onze Minister, die een mijnbouwwerk verbindt met een ander werk ten behoeve van het vervoer van stoffen te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk.
|
||||
2°. andere leiding dan bedoeld onder 1°, aan te wijzen door Onze Minister, die een mijnbouwwerk verbindt met een ander werk ten behoeve van het vervoer van stoffen te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk;
|
||||
ah. risicobeoordeling: wetenschappelijke of anderszins geobjectiveerde beoordeling, die bestaat uit een gevareninventarisatie, gevarenkarakterisatie, blootstellingschatting en risicokarakterisatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -89,7 +90,7 @@ ag. pijpleiding:
|
|||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
De rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte van de aardbodem is verplicht te gedogen dat de houder van een vergunning voor het opsporen van CO_2-opslagcomplexen, het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen, in de ondergrond CO_2 opslagcomplexen opspoort, delfstoffen of aardwarmte opspoort of wint of stoffen opslaat overeenkomstig de op deze activiteiten betrekking hebbende regels, voorzover deze activiteiten plaatsvinden op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte en onverminderd het recht dat de rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte heeft op vergoeding van de door deze activiteiten veroorzaakte schade.
|
||||
De rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte van de aardbodem is verplicht te gedogen dat de houder van een vergunning voor het opsporen van CO_2-opslagcomplexen, het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen, in de ondergrond CO_2 opslagcomplexen opspoort, delfstoffen of aardwarmte opspoort of wint of stoffen opslaat overeenkomstig de op deze activiteiten betrekking hebbende regels, voorzover deze activiteiten plaatsvinden op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte en heeft recht op een door Onze Minister vast te stellen vergoeding voor het gebruik van de oppervlakte van de houder van een vergunning voor het opsporen van CO_2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen, onverminderd het recht dat de rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte heeft op vergoeding van de door deze activiteiten veroorzaakte schade. De hoogte van de vergoeding voor het gebruik is afhankelijk van de impact van het mijnbouwwerk op de gebruiksrechten en waarde van de oppervlakte voor de rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte.
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
|
|
@ -97,7 +98,7 @@ Voor de toepassing van de Belemmeringenwet Verordeningen en de Belemmeringenwet
|
|||
|
||||
### Artikel 5a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Onze Minister draagt zorg voor de instelling van een onafhankelijk wetenschappelijk kennisprogramma, waarin de inbreng van nationale en internationale wetenschappers en deskundigen is geborgd.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Vergunningen voor opsporen en winnen van delfstoffen en aardwarmte
|
||||
|
||||
|
|
@ -130,6 +131,19 @@ Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorberei
|
|||
|
||||
**3.** Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van de in artikel 11, eerste lid, bedoelde andere delfstoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 7a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a of b, is verleend, wordt geen vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die vergunning zou gelden voor een activiteit tot het oprichten van een mijnbouwwerk:
|
||||
|
||||
a. in de op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming aangewezen Natura 2000-gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone,
|
||||
b. in een gebied, of een gedeelte daarvan, dat is gelegen binnen de Waddenzee, als aangewezen krachtens de Wet ruimtelijke ordening,
|
||||
c. in het op grond van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (Trb. 1973, 155) aangewezen werelderfgoedgebied Waddenzee, of
|
||||
d. op de Waddeneilanden.
|
||||
|
||||
**2.** Een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor een oppervlaktewinningsinstallatie in het gebied gelegen boven het op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming aangewezen Natura 2000-gebied Noordzeekustzone, maar binnen de 12-mijlszone wordt slechts verleend als medegebruik van een reeds bestaand mijnbouwplatform niet mogelijk is en als zichthinder is geminimaliseerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
Een winningsvergunning wordt slechts verleend, indien aannemelijk is dat de delfstoffen binnen het gebied waarvoor de vergunning zal gelden economisch winbaar zijn.
|
||||
|
|
@ -138,12 +152,27 @@ Een winningsvergunning wordt slechts verleend, indien aannemelijk is dat de delf
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 7 en 8 kan een vergunning slechts worden geweigerd:
|
||||
Onverminderd de artikelen 7 en 8 kan een vergunning slechts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd:
|
||||
|
||||
a. op grond van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager,
|
||||
b. op grond van de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten,
|
||||
c. op grond van het gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin, daaronder mede verstaan maatschappelijke verantwoordelijkheidszin, waarvan de aanvrager blijk heeft gegeven bij activiteiten als bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, en 25, eerste lid, onder een eerdere vergunning, of
|
||||
d. indien een keuze moet worden gemaakt uit twee of meer aanvragen om een vergunning die bij een beoordeling op grond van de onderdelen a, b en c gelijkwaardig zijn gebleken, in het belang van het doelmatig en voortvarend opsporen en winnen.
|
||||
b. op grond van de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten voor opsporing of winning te verrichten, waaronder de bij die activiteiten te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
|
||||
c. op grond van het gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin, daaronder mede verstaan maatschappelijke verantwoordelijkheidszin, waarvan de aanvrager blijk heeft gegeven bij activiteiten als bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, en 25, eerste lid, onder een eerdere vergunning,
|
||||
d. indien een keuze moet worden gemaakt uit twee of meer aanvragen om een vergunning die bij een beoordeling op grond van de onderdelen a, b en c gelijkwaardig zijn gebleken, in het belang van het doelmatig en voortvarend opsporen en winnen,
|
||||
e. indien:
|
||||
|
||||
1°. bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, of 10.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening voor een gebied op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, regels zijn gesteld inhoudende dat de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte door middel van een opsporings- of winningsinstallatie in dat gebied niet wordt of kan worden toegestaan,
|
||||
2°. bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 regels zijn gesteld over:
|
||||
|
||||
– het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte,
|
||||
– de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
|
||||
– de soort activiteit, of
|
||||
– de soort delfstof,
|
||||
f. indien het in de aanvraag aangeduide gebied door Onze Minister niet geschikt wordt geacht voor de in de aanvraag vermelde activiteit om reden van het belang van:
|
||||
|
||||
1°. de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat,
|
||||
2°. het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,
|
||||
3°. nadelige gevolgen die voor het milieu worden veroorzaakt, of
|
||||
4°. nadelige gevolgen die voor de natuur worden veroorzaakt.
|
||||
|
||||
**2.** Een vergunning kan op grond van de financiële mogelijkheden van de aanvrager worden geweigerd als onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan hem op te leggen verplichtingen als bedoeld in de artikelen 46, 47 en 102.
|
||||
|
||||
|
|
@ -169,7 +198,7 @@ c. de beschikbare informatie betreffende de technische bekwaamheden en de veilig
|
|||
|
||||
**1.** Onverminderd de artikelen 7 en 8 wordt de houder van een opsporingsvergunning die met gebruikmaking van die vergunning de aanwezigheid van de betrokken delfstoffen heeft aangetoond, op zijn aanvraag, ingediend gedurende de geldingsduur van die vergunning, een winningsvergunning voor die delfstoffen verleend voor het gebied waarvoor de opsporingsvergunning geldt. Indien de opsporingsvergunning geldt voor een gebied dat niet overeenkomstig artikel 11, vijfde lid, is begrensd en de aanwezigheid van de betrokken delfstoffen slechts in een deel van het gebied is aangetoond, wordt de winningsvergunning verleend voor het deel van het gebied, waarvoor verlening uit geologisch oogpunt gerechtvaardigd is.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid geldt niet, indien weigering van de winningsvergunning gerechtvaardigd wordt door een van de in artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met c, genoemde gronden. Artikel 9, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** Het eerste lid geldt niet, indien weigering van de winningsvergunning gerechtvaardigd wordt door een van de in artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met c, e en f, genoemde gronden. Artikel 9, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is ingediend, blijft de opsporingsvergunning, voorzover deze betrekking heeft op het aangevraagde gebied, tenminste gelden tot het tijdstip waarop de beschikking waarbij op de aanvraag wordt beslist onherroepelijk wordt. Indien een winningsvergunning wordt verleend, vervalt op het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt, voor het gebied waarvoor de winningsvergunning geldt, de opsporingsvergunning voor de betrokken delfstoffen. Voorzover hierdoor voorschriften als bedoeld in artikel 12 vervallen die nog niet zijn uitgewerkt, gaan zij gelden als voorschriften die zijn verbonden aan de winningsvergunning.
|
||||
|
||||
|
|
@ -195,9 +224,21 @@ c. de beschikbare informatie betreffende de technische bekwaamheden en de veilig
|
|||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
**1.** Een vergunning voor koolwaterstoffen wordt verleend onder geen andere beperkingen dan die bedoeld in artikel 11. Aan deze vergunning worden geen andere voorschriften verbonden dan die bedoeld in artikel 12.
|
||||
Een vergunning kan onder andere beperkingen dan die bedoeld in artikel 11 worden verleend of aan een vergunning kunnen andere voorschriften dan die bedoeld in de artikelen 12 en 98 worden verbonden uitsluitend in verband met:
|
||||
|
||||
**2.** Een vergunning die geen vergunning voor koolwaterstoffen is, kan tevens onder andere beperkingen dan die bedoeld in artikel 11 worden verleend. Aan deze vergunning kunnen tevens andere voorschriften worden verbonden dan die bedoeld in artikel 12. Deze andere beperkingen en voorschriften, anders dan voorschriften op grond van artikel 98, kunnen slechts worden gerechtvaardigd door het belang van de veiligheid, de landsverdediging of een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen.
|
||||
a. de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten voor opsporing of winning te verrichten, waaronder de bij die activiteiten te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
|
||||
b. bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, of 10.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening voor gebieden op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, gestelde regels over de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte door middel van een opsporings- of winningsinstallatie,
|
||||
c. bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 gestelde regels over:
|
||||
|
||||
1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte,
|
||||
2°. de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
|
||||
3°. de soort activiteit, of
|
||||
4°. de soort delfstof,
|
||||
d. de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,
|
||||
e. het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot opslaan van stoffen,
|
||||
f. de nadelige gevolgen die voor het milieu worden veroorzaakt,
|
||||
g. de nadelige gevolgen die voor de natuur worden veroorzaakt, of
|
||||
h. het belang van de landsverdediging.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2.3. Procedure
|
||||
|
||||
|
|
@ -226,21 +267,52 @@ d. een aanvraag die wordt ingediend overeenkomstig het derde lid.
|
|||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
Gedeputeerde staten van de provincie waarop de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft worden in de gelegenheid gesteld binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn advies uit te brengen over de ingediende aanvraag.
|
||||
**1.** Gedeputeerde staten van de provincie waarop de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft worden in de gelegenheid gesteld binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn advies uit te brengen over de ingediende aanvraag.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Gedeputeerde staten betrekken bij het advies:
|
||||
|
||||
a. het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft en
|
||||
b. het dagelijks bestuur van de waterschappen van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft met het oog op waterkwaliteit, waterkwantiteit en infrastructurele werken.
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister beslist op een aanvraag om een vergunning binnen zes maanden na de ontvangst daarvan. Indien artikel 15, eerste of vijfde lid, toepassing heeft gevonden, beslist Onze Minister op alle aanvragen binnen zes maanden na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 15, derde, onderscheidenlijk vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan de termijn, waarbinnen hij op een aanvraag dient te beslissen, eenmaal met ten hoogste zes maanden verlengen.
|
||||
**2.** Onze Minister kan de termijn, waarbinnen hij op een aanvraag beslist, eenmaal met ten hoogste zes maanden verlengen.
|
||||
|
||||
**3.** Van een beschikking tot verlening van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister de termijn, waarbinnen hij op een aanvraag beslist, tweemaal met ten hoogste een jaar verlengen indien de aanvraag betrekking heeft op:
|
||||
|
||||
a. een gebied waarvoor een aanvang voor de vaststelling van een structuurvisie met betrekking tot mijnbouwactiviteiten is gemaakt als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening voor gebieden op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, of
|
||||
b. een gebied op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, waarvoor in een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, respectievelijk 10.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening regels zijn gesteld in verband met de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte door middel van een opsporings- of winningsinstallatie en nationale belangen die regels met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.
|
||||
|
||||
**4.** Van een beschikking tot verlening van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2.4. Wijziging, overgang en intrekking
|
||||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 32c, kan Onze Minister een vergunning slechts op aanvraag van de houder wijzigen.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 32c kan Onze Minister een vergunning slechts wijzigen:
|
||||
|
||||
a. op aanvraag van de houder van de vergunning,
|
||||
b. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake de manier waarop de aanvrager de activiteiten voor opsporing of winning verricht of voornemens is te verrichten, waaronder de bij die activiteiten te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
|
||||
c. in verband met een vaststelling of wijziging van bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, of 10.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening voor een gebied op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, gestelde regels over de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte door middel van een opsporings- of winningsinstallatie,
|
||||
d. in verband met een vaststelling of wijziging van bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 gestelde regels over:
|
||||
|
||||
1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte,
|
||||
2°. de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
|
||||
3°. de soort activiteit,
|
||||
4°. de soort delfstof,
|
||||
e. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,
|
||||
f. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,
|
||||
g. voor zover de vergunning geldt voor de op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming aangewezen Natura 2000-gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone,
|
||||
h. voor zover de vergunning geldt voor een gebied gelegen binnen de Waddenzee als aangewezen krachtens de Wet ruimtelijke ordening of op de Waddeneilanden, of
|
||||
i. voor zover de vergunning geldt voor het op grond van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (Trb. 1973, 155) aangewezen werelderfgoedgebied Waddenzee.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -276,17 +348,30 @@ b. het samenvoegen van twee of meer vergunningen, waardoor een vergunning voor e
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan een vergunning intrekken, indien:
|
||||
Onze Minister kan een vergunning slechts geheel of gedeeltelijk intrekken:
|
||||
|
||||
a. de bij de aanvraag verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest,
|
||||
b. de vergunning niet langer nodig is voor de goede uitvoering van de activiteiten waarvoor zij geldt,
|
||||
c. dit wordt gerechtvaardigd door een wijziging in de technische of financiële mogelijkheden van de houder,
|
||||
d. niet overeenkomstig de vergunning is of wordt gehandeld, of
|
||||
e. voor de houder van de vergunning of de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon als zodanig geldende regels niet worden nageleefd.
|
||||
a. indien de bij de aanvraag verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest,
|
||||
b. indien de vergunning niet langer nodig is voor de goede uitvoering van de activiteiten waarvoor zij geldt,
|
||||
c. indien dit wordt gerechtvaardigd door een wijziging in de technische of financiële mogelijkheden van de houder,
|
||||
d. indien niet overeenkomstig de vergunning is of wordt gehandeld,
|
||||
e. indien voor de houder van de vergunning of de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon als zodanig geldende regels niet worden nageleefd,
|
||||
f. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake de manier waarop de aanvrager de activiteiten voor opsporing of winning verricht of voornemens is te verrichten, waaronder de bij die activiteiten te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
|
||||
g. in verband met een vaststelling of wijziging van bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, of 10.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening voor een gebied op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, gestelde regels inhoudende dat de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte door middel van een opsporings- of winningsinstallatie in dat gebied niet wordt of kan worden toegestaan,
|
||||
h. in verband met een vaststelling of wijziging van bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 gestelde regels over:
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister gaat niet over tot intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel d of e, dan nadat hij de houder schriftelijk heeft gewaarschuwd en de houder of de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon zich na de waarschuwing voortdurend of opnieuw aan de overtreding schuldig maakt.
|
||||
1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte,
|
||||
2°. de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
|
||||
3°. de soort activiteit, of
|
||||
4°. de soort delfstof,
|
||||
i. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,
|
||||
j. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,
|
||||
k. voor zover de vergunning geldt voor de op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming aangewezen Natura 2000-gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone,
|
||||
l. voor zover de vergunning geldt voor een gebied gelegen binnen de Waddenzee als aangewezen krachtens de Wet ruimtelijke ordening of op de Waddeneilanden, of
|
||||
m. voor zover de vergunning geldt voor het op grond van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (Trb. 1973, 155) aangewezen werelderfgoedgebied Waddenzee.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan een winningsvergunning op aanvraag van de houder intrekken. Een aanvraag tot intrekking kan slechts worden afgewezen, indien het voor een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen noodzakelijk is dat de houder een aan de vergunning verbonden voorschrift of een voor hem als zodanig geldende regel naleeft.
|
||||
**2.** Onze Minister gaat niet over tot gehele of gedeeltelijke intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel d of e, dan nadat hij de houder schriftelijk heeft gewaarschuwd en de houder of de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon zich na de waarschuwing voortdurend of opnieuw aan de overtreding schuldig maakt.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan een winningsvergunning op aanvraag van de houder geheel of gedeeltelijk intrekken. Een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking kan slechts worden afgewezen, indien het voor een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen noodzakelijk is dat de houder een aan de vergunning verbonden voorschrift of een voor hem als zodanig geldende regel naleeft.
|
||||
|
||||
**4.** De houder van een opsporingsvergunning kan afstand doen van de vergunning. De vergunning vervalt met ingang van de dag na die waarop Onze Minister een schriftelijke verklaring van de houder heeft ontvangen, waarbij deze van de vergunning afstand doet.
|
||||
|
||||
|
|
@ -297,7 +382,7 @@ De vergunning vervalt van rechtswege:
|
|||
a. als de houder een natuurlijke persoon is, met ingang van de dag na die waarop die persoon is overleden;
|
||||
b. als de houder een rechtspersoon is, met ingang van de dag na die waarop die persoon heeft opgehouden te bestaan.
|
||||
|
||||
**6.** Van een beschikking tot intrekking van een vergunning of van het vervallen van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
**6.** Van een beschikking tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning of van het vervallen van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2.5. Bijzondere bepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -364,11 +449,13 @@ b. CO_2-opslagcomplexen op te sporen.
|
|||
|
||||
**5.** Het derde lid is niet van toepassing op een houder van een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen indien hem voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze leden een onherroepelijke opslagvergunning voor hetzelfde gebied en voor dezelfde stof is verleend.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een vergunning voor het permanent opslaan van CO_2 of een vergunning voor opsporen van CO_2-opslagcomplexen niet verleend voor zover de vergunning bij de inwerkingtreding ervan zou gaan gelden voor een CO_2-opslagcomplex waarvoor op dat tijdstip reeds een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 geldt, ongeacht wie de houder van de desbetreffende vergunning is.
|
||||
**6.** In afwijking van het eerste lid wordt een vergunning voor het permanent opslaan van CO_2 of een vergunning voor opsporen van CO_2-opslagcomplexen niet verleend voor zover de vergunning bij de inwerkingtreding ervan zou gaan gelden voor een CO_2-opslagcomplex waarvoor op dat tijdstip reeds een vergunning als bedoeld in artikel 25 geldt, ongeacht wie de houder van de desbetreffende vergunning is.
|
||||
|
||||
**7.** In afwijking van het tweede lid kan voor een voorkomen waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 6 geldt, ten hoogste één vergunning voor permanent opslaan van CO_2 of een vergunning voor het opsporen van CO_2-opslagcomplexen worden verleend.
|
||||
|
||||
### Artikel 26a
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 26, zesde lid, wordt de houder van een vergunning voor het opsporen van CO_2-opslagcomplexen die met gebruikmaking van die vergunning de geschiktheid van een voorkomen voor permanent opslaan van CO_2 heeft aangetoond, op zijn aanvraag, ingediend gedurende de geldingsduur van die vergunning, een opslagvergunning voor het aangetoonde opslagvoorkomen verleend.
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 26, zesde en zevende lid, wordt de houder van een vergunning voor het opsporen van CO_2-opslagcomplexen die met gebruikmaking van die vergunning de geschiktheid van een voorkomen voor permanent opslaan van CO_2 heeft aangetoond, op zijn aanvraag, ingediend gedurende de geldingsduur van die vergunning, een opslagvergunning voor het aangetoonde opslagvoorkomen verleend.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid geldt niet, indien weigering van de opslagvergunning, bedoeld in het eerste lid, gerechtvaardigd wordt door één van de in artikel 27 genoemde gronden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -397,17 +484,24 @@ d. een aanvraag voor een vergunning voor permanent opslaan van CO_2 waarop artik
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 26 kan een opslagvergunning slechts worden geweigerd:
|
||||
Onverminderd artikel 26 kan een opslagvergunning slechts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd:
|
||||
|
||||
a. op grond van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager,
|
||||
b. op grond van de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten,
|
||||
b. op grond van de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten voor het opslaan van stoffen te verrichten, waaronder de daarbij te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
|
||||
c. op grond van het gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin waarvan de aanvrager blijk heeft gegeven bij activiteiten onder een eerdere vergunning op grond van deze wet,
|
||||
d. in het belang van de veiligheid,
|
||||
d. in het belang van de veiligheid voor omwonenden en het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,
|
||||
e. in het belang van de landsverdediging,
|
||||
f. in het belang van een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen of aardwarmte,
|
||||
f. in het belang van een planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,
|
||||
g. ter nakoming van het op 7 november 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol bij het op 29 december 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen (Trb. 1998, 134 en Trb. 2000, 27),
|
||||
h. indien het algemeen belang vereist dat het gebied waarvoor een opslagvergunning wordt aangevraagd, wordt gebruikt voor de opslag van andere dan in de aanvraag omschreven stoffen, of
|
||||
i. indien een keuze moet worden gemaakt uit twee of meer aanvragen om een vergunning die bij een beoordeling op grond van de onderdelen a tot en met h gelijkwaardig zijn gebleken, in het belang van het doelmatig en voortvarend opslaan.
|
||||
h. indien het algemeen belang vereist dat het gebied waarvoor een opslagvergunning wordt aangevraagd, wordt gebruikt voor de opslag van andere dan in de aanvraag omschreven stoffen,
|
||||
i. indien een keuze moet worden gemaakt uit twee of meer aanvragen om een vergunning die bij een beoordeling op grond van de onderdelen a tot en met h gelijkwaardig zijn gebleken, in het belang van het doelmatig en voortvarend opslaan,
|
||||
j. in verband met bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, of 10.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening voor een gebied op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, gestelde regels inhoudende dat het opslaan van stoffen door middel van een installatie in dat gebied niet wordt of kan worden toegestaan, of
|
||||
k. in verband met bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 gestelde regels over:
|
||||
|
||||
1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van het opslaan van stoffen,
|
||||
2°. de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
|
||||
3°. de soort activiteit, of
|
||||
4°. de soort stof die wordt opgeslagen.
|
||||
|
||||
**2.** Een vergunning kan op grond van de financiële mogelijkheden van de aanvrager worden geweigerd als onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan hem op te leggen verplichtingen als bedoeld in de artikelen 46, 47 en 102.
|
||||
|
||||
|
|
@ -431,31 +525,44 @@ b. de stoffen definitief in de ondergrond achtergelaten moeten worden.
|
|||
|
||||
**1.** Een opslagvergunning kan voorts onder andere beperkingen dan die bedoeld in artikel 28 worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
**2.** De beperkingen en voorschriften, anders dan voorschriften op grond van artikel 98, kunnen slechts worden gerechtvaardigd door het belang van de veiligheid, de landsverdediging of een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen of aardwarmte.
|
||||
**2.** De beperkingen en voorschriften, anders dan de voorschriften op grond van artikel 98, kunnen slechts worden gerechtvaardigd door het belang van de veiligheid voor omwonenden, het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan, de landsverdediging of het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid kunnen aan een vergunning voor permanent opslaan van CO_2 ook beperkingen en voorschriften als bedoeld in artikel 31d, eerste lid, worden verbonden.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
In aanvulling op het tweede lid kan een vergunning onder beperkingen worden verleend of kunnen aan een vergunning voorschriften worden verbonden:
|
||||
|
||||
a. in verband met de manier waarop de aanvrager de activiteiten voor het opslaan van stoffen verricht of voornemens is te verrichten, waaronder de daarbij te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
|
||||
b. in verband met bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, of 10.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening voor een gebied op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, gestelde regels over het opslaan van stoffen door middel van een installatie,
|
||||
c. in verband met bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 gestelde regels over:
|
||||
|
||||
1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied voor het opslaan van stoffen,
|
||||
2°. de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
|
||||
3°. de soort activiteit, of
|
||||
4°. de soort stof die wordt opgeslagen.
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan een opslagvergunning wijzigen of intrekken, indien dit wordt gerechtvaardigd op grond van de in artikel 29, tweede en derde lid, bedoelde belangen.
|
||||
**1.** Onze Minister kan een opslagvergunning wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken, indien dit wordt gerechtvaardigd op grond van de in artikel 29, tweede, derde en vierde lid, genoemde gronden.
|
||||
|
||||
**2.** Voorts kan Onze Minister een opslagvergunning wijzigen of intrekken, indien niet wordt voldaan aan artikel 39a.
|
||||
**2.** Voorts kan Onze Minister een opslagvergunning wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken, indien niet wordt voldaan aan artikel 39a.
|
||||
|
||||
**3.** Onverminderd het eerste lid kan Onze Minister ook op grond van artikel 31h een vergunning voor permanent opslaan van CO_2 wijzigen of intrekken.
|
||||
**3.** Onverminderd het eerste lid kan Onze Minister ook op grond van artikel 31h een vergunning voor permanent opslaan van CO_2 wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken.
|
||||
|
||||
**4.** Van een beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
**4.** Van een beschikking tot wijziging of gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Artikel 31
|
||||
|
||||
De houder van een opslagvergunning kan zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. De artikelen 20, tweede en derde lid, 26, tweede lid, en 27 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
De houder van een opslagvergunning kan zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. De artikelen 20, tweede en derde lid, artikel 26, tweede en zevende lid, en 27 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 31a
|
||||
|
||||
**1.** Ten aanzien van een opslagvergunning zijn de artikelen 14, 17, 19, 21, met uitzondering van het vierde lid, en 22 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** Ten aanzien van een opslagvergunning zijn de artikelen 14, 16, 17, 19, 21, met uitzondering van het vierde lid, en 22 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid zijn op vergunningen voor permanent opslaan van CO_2 uitsluitend de artikelen 14 en 22 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid zijn op vergunningen voor permanent opslaan van CO_2 uitsluitend de artikelen 14, 16 en 22 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Ten aanzien van een vergunning voor opsporen van CO_2-opslagcomplexen zijn de artikelen 9, eerste tot en met derde lid, 11, tweede, derde en vierde lid, 12, 13, tweede lid, 14, 17, 18 met dien verstande dat voor «andere delfstoffen» wordt gelezen «andere stoffen», 19, 20 met dien verstande dat in het eerste lid, tweede volzin, voor «Artikel 7, tweede lid» wordt gelezen «Artikel 26, zesde lid», 21, eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, en 22 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** Ten aanzien van een vergunning voor opsporen van CO_2-opslagcomplexen zijn de artikelen 9, eerste tot en met derde lid, 11, tweede, derde en vierde lid, 12, 13, tweede lid, 14, 16, 17, 18 met dien verstande dat voor «andere delfstoffen» wordt gelezen «andere stoffen», 19, 20 met dien verstande dat in het eerste lid, tweede volzin, voor «Artikel 7, tweede lid» wordt gelezen «Artikel 26, zesde en zevende lid», 21, eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, en 22 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.2. Aanvullende bepalingen omtrent het permanent opslaan van CO
|
||||
|
||||
|
|
@ -634,6 +741,10 @@ Onze Minister houdt een register bij van de verleende vergunningen voor permanen
|
|||
|
||||
Onze Minister draagt er zorg voor dat de milieu-informatie over permanent opslaan van CO_2 voor een ieder toegankelijk is. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 31o
|
||||
|
||||
Indien artikel 42, derde lid, van toepassing is, vangt de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO_2 niet aan met het permanent opslaan van CO_2 dan nadat een overeenkomst als bedoeld in artikel 42, derde lid, tot stand is gekomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
**1.** Een houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO_2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22 en een exploitant van een transportnetwerk zijn verplicht op voorwaarden die redelijk, transparant en niet-discriminerend zijn voor degene die daarom verzoekt CO_2 in zijn opslagvoorkomen op te slaan respectievelijk door zijn transportnetwerk te transporteren.
|
||||
|
|
@ -718,9 +829,41 @@ d. het belang van een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen of aardwar
|
|||
|
||||
**3.** Het winningsplan behoeft de instemming van Onze Minister.
|
||||
|
||||
**4.** Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van het besluit omtrent instemming met een winningsplan, voorzover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat of onder de territoriale zee vanuit een voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing indien het een besluit betreft inzake wijziging van een besluit omtrent instemming met een winningsplan.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
**5.** Het eerste lid is niet van toepassing op het winnen van delfstoffen in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid.
|
||||
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat, op:
|
||||
|
||||
a. de voorbereiding van een besluit omtrent instemming met een winningsplan en
|
||||
b. de voorbereiding van een wijziging van het besluit tot instemming met een winningsplan, tenzij de wijziging van ondergeschikte aard is en kennelijk niet kan leiden tot een andere beoordeling van:
|
||||
|
||||
1°. de effecten van de wijze van winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten,
|
||||
2°. de effecten van de bodembeweging ten gevolge van de winning en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging,
|
||||
3°. de risico’s voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Onze Minister stelt in de gelegenheid advies uit te brengen over een instemming met een winningsplan als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, of een besluit omtrent wijziging van een instemming met een winningsplan als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b:
|
||||
|
||||
a. gedeputeerde staten van een provincie binnen het gebied waarop een winningsplan betrekking heeft,
|
||||
b. burgemeester en wethouders van een gemeente binnen het gebied waarop het winningsplan betrekking heeft en
|
||||
c. het dagelijks bestuur van een waterschap binnen het gebied waarop een winningsplan betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**6.** Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op een besluit omtrent instemming met een winningsplan voor koolwaterstoffen met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
a. het coördinerende bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3:22 van de Algemene wet bestuursrecht is: de Minister van Economische Zaken;
|
||||
b. de besluiten, bedoeld in artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zijn:
|
||||
|
||||
1°. de instemming met het winningsplan, bedoeld in het derde lid,
|
||||
2°. de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
|
||||
3°. een besluit als bedoeld in de artikelen 6.2, eerste lid, onder a, 6.3, eerste lid, 6.5, 6.10, eerste lid, van de Waterwet te nemen door Onze Minister, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet,
|
||||
4°. de vergunning, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van deze wet,
|
||||
5°. andere daarvoor in aanmerking komende besluiten die door Onze Minister of Onze Minister die het aangaat worden genomen, waaronder besluiten met betrekking tot de Wet natuurbescherming.
|
||||
|
||||
**8.** Het eerste, zesde en zevende lid is niet van toepassing op het winnen van delfstoffen in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid.
|
||||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
|
|
@ -733,7 +876,8 @@ b. het aanvangstijdstip en de duur van de winning;
|
|||
c. de wijze van winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten;
|
||||
d. de hoeveelheden jaarlijks te winnen delfstoffen;
|
||||
e. de kosten op jaarbasis van het winnen van de delfstoffen;
|
||||
f. de bodembeweging ten gevolge van de winning en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging, voorzover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat of onder de territoriale zee vanuit een voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn, tenzij Onze Minister anders heeft bepaald.
|
||||
f. de bodembeweging ten gevolge van de winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging, voorzover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat, tenzij Onze Minister anders heeft bepaald;
|
||||
g. de risico’s voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan met een risicobeoordeling, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat.
|
||||
|
||||
**2.** De Technische commissie bodembeweging brengt aan Onze Minister advies uit omtrent het eerste lid, onderdeel f.
|
||||
|
||||
|
|
@ -743,14 +887,16 @@ f. de bodembeweging ten gevolge van de winning en de maatregelen ter voorkoming
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan zijn instemming met het opgestelde winningsplan slechts weigeren:
|
||||
Onze Minister kan zijn instemming met het opgestelde winningsplan slechts geheel of gedeeltelijk weigeren:
|
||||
|
||||
a. in het belang van het planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen;
|
||||
b. in verband met het risico van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem, voorzover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat of onder de territoriale zee vanuit een voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn, tenzij Onze Minister anders heeft bepaald.
|
||||
a. indien het in het winningsplan aangeduide gebied door Onze Minister niet geschikt wordt geacht voor de in het winningsplan vermelde activiteit om reden van het belang van de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,
|
||||
b. in het belang van het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,
|
||||
c. indien nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan, of
|
||||
d. indien nadelige gevolgen voor de natuur worden veroorzaakt.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan zijn instemming verlenen onder beperkingen of daaraan voorschriften verbinden, indien deze gerechtvaardigd worden door een grond als genoemd in het eerste lid.
|
||||
**2.** Onze Minister kan zijn instemming verlenen onder beperkingen of daaraan voorschriften verbinden, indien deze gerechtvaardigd worden door een grond als genoemd in het eerste lid of, voor zover het belang van de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan daardoor niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, door het belang van leveringszekerheid.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan zijn instemming intrekken of de beperkingen en voorschriften wijzigen, indien dat gerechtvaardigd wordt door de in het eerste lid genoemde gronden. De derde volzin van artikel 34, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op een besluit inzake intrekking van een besluit omtrent instemming met een winningsplan en inzake wijziging van beperkingen en voorschriften als bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
**3.** Onze Minister kan zijn instemming intrekken of beperkingen en voorschriften stellen of wijzigen, indien dat gerechtvaardigd wordt door veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake een grond als genoemd in het eerste lid. Onze Minister kan voorts beperkingen en voorschriften stellen of wijzigen indien dat gerechtvaardigd wordt door veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake het belang van leveringszekerheid voor zover het belang van de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan daardoor niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast.
|
||||
|
||||
### Artikel 37
|
||||
|
||||
|
|
@ -779,17 +925,17 @@ Binnen een termijn van twaalf maanden, nadat een opslagvergunning onherroepelijk
|
|||
|
||||
**1.** Dit artikel is van toepassing in die gevallen waarin artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing is op een mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**2.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een mijnbouwwerk op te richten of in stand te houden. Het verbod geldt niet voor mijnbouwwerken, behorende tot een categorie die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur van dit verbod is uitgezonderd en waarvoor die algemene maatregel van bestuur regels stelt ter bescherming van het milieu.
|
||||
**2.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een mijnbouwwerk op te richten of in stand te houden. Het verbod geldt niet voor mijnbouwwerken, behorende tot een categorie die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur van dit verbod is uitgezonderd en waarvoor die algemene maatregel van bestuur regels stelt ter bescherming van het milieu en de natuur.
|
||||
|
||||
**3.** De vergunning kan slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.
|
||||
**3.** De vergunning kan slechts in het belang van de bescherming van het milieu en de natuur worden geweigerd.
|
||||
|
||||
**4.** De vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De beperkingen en voorschriften kunnen slechts worden gerechtvaardigd door het belang van de bescherming van het milieu.
|
||||
**4.** De vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De beperkingen en voorschriften kunnen slechts worden gerechtvaardigd door het belang van de bescherming van het milieu en de natuur.
|
||||
|
||||
**5.** In de vergunning kan worden bepaald dat Onze Minister daarbij omschreven bevoegdheden heeft ter uitvoering van daarbij aangewezen voorschriften.
|
||||
|
||||
**6.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de aanvraag om een vergunning dient te geschieden en omtrent de gegevens en de bescheiden welke daarbij moeten worden overgelegd. Bij de regeling worden bestuursorganen aangewezen die in de gelegenheid moeten worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het nemen van een besluit, of die op andere wijze bij de voorbereidingsprocedure worden betrokken.
|
||||
|
||||
**7.** Onze Minister kan de beperkingen en voorschriften wijzigen, voorzover zij geen betrekking hebben op de plaats van het mijnbouwwerk en de wijziging wordt gerechtvaardigd door het belang van de bescherming van het milieu.
|
||||
**7.** Onze Minister kan de beperkingen en voorschriften wijzigen, voorzover zij geen betrekking hebben op de plaats van het mijnbouwwerk en de wijziging wordt gerechtvaardigd door het belang van de bescherming van het milieu en de natuur.
|
||||
|
||||
**8.** Artikel 21, eerste lid, met uitzondering van onderdeel c, en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -813,11 +959,11 @@ a. artikel 4.2 ten aanzien van een beschikking omtrent:
|
|||
2°. het verlenen van een vergunning voor het in stand houden van een mijnbouwwerk in een geval waarin het in het tweede lid bedoelde verbod niet gold voor dat mijnbouwwerk en het verbod op enig tijdstip is gaan gelden anders dan ten gevolge van een verandering van het mijnbouwwerk of van de werking daarvan;
|
||||
b. de artikelen 2.25, eerste lid, en 8.1.
|
||||
|
||||
**12.** De volgende onderdelen van de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing: hoofdstuk 7, de artikelen 8.40, eerste en tweede lid, 8.41, 8.42 en afdeling 13.2.
|
||||
**12.** De volgende onderdelen van de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing: hoofdstuk 7, de artikelen 8.40, eerste en tweede lid, 8.41, 8.42, 8.42a en afdeling 13.2.
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
**1.** Met het oog op de kans op beweging van de aardbodem worden metingen verricht voor de aanvang van het winnen van delfstoffen, tijdens het winnen en tot dertig jaar na het beëindigen van het winnen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent deze metingen en de rapportage over de uitkomsten daarvan.
|
||||
**1.** Met het oog op de kans op beweging van de aardbodem worden metingen verricht voor de aanvang van het winnen van delfstoffen, tijdens het winnen en tot dertig jaar na het beëindigen van het winnen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent deze metingen en de rapportage over de uitkomsten daarvan, waarbij in elk geval wordt bepaald dat de rapportage een analyse van de metingen bevat.
|
||||
|
||||
**2.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het winnen van aardwarmte en het opslaan van stoffen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -831,6 +977,8 @@ b. de artikelen 2.25, eerste lid, en 8.1.
|
|||
|
||||
**2.** Indien een vergunning voor het winnen van delfstoffen of aardwarmte geldt voor een gebied, waarin zich een voorkomen bevindt dat naar redelijkerwijs kan worden aangenomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, is de vergunninghouder verplicht om medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst tussen de vergunninghouder en de voor het aangrenzende gebied tot het winnen van de delfstoffen of aardwarmte gerechtigde, tenzij Onze Minister van deze verplichting ontheffing verleent. De overeenkomst strekt er toe dat het winnen in onderlinge overeenstemming zal geschieden. In de overeenkomst kan worden bepaald dat verplichtingen die krachtens de hoofdstukken 2, 3 en 4 rusten op de in artikel 22 bedoelde aangewezen personen, rusten op een van deze aangewezen personen. Onze Minister kan eisen stellen aan de tot stand te brengen overeenkomst. De overeenkomst en de wijzigingen in de overeenkomst worden aan Onze Minister overgelegd.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een vergunning voor het winnen van koolwaterstoffen geldt voor een gebied waarvoor een vergunning voor permanent opslaan van CO_2 geldt, is de houder van de winningsvergunning verplicht om medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst tussen de vergunninghouder en de houder van de vergunning voor permanent opslaan van CO_2. De overeenkomst strekt ertoe dat winnen en permanent opslaan van CO_2 in onderlinge overeenstemming zal geschieden. In de overeenkomst kan worden bepaald dat verplichtingen die krachtens de hoofdstukken 2, 3 en 4 rusten op de in artikel 22 bedoelde aangewezen personen, rusten op een van deze aangewezen personen. Onze Minister kan eisen stellen aan de tot stand te brengen overeenkomst. De overeenkomst en de wijzigingen in de overeenkomst worden aan Onze Minister overgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
**1.** Rondom een mijnbouwinstallatie geldt een veiligheidszone van 500 meter.
|
||||
|
|
@ -873,13 +1021,13 @@ Deze paragraaf is van toepassing op de opsporing en winning van koolwaterstoffen
|
|||
|
||||
### Artikel 45b
|
||||
|
||||
**1.** Een exploitant van een productie-installatie stelt een rapport inzake grote gevaren op voor een productie-installatie en dient dit in bij het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
**1.** Een exploitant van een productie-installatie stelt een rapport inzake grote gevaren op voor een productie-installatie en dient dit in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** Het rapport inzake grote gevaren behoeft de instemming van het Staatstoezicht op de mijnen voor zover het rapport ziet op een productie-installatie die is gelegen op het continentaal plat of in de territoriale zee en deze productie-installatie gelegen is aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn.
|
||||
**2.** Het rapport inzake grote gevaren behoeft de instemming van de inspecteur-generaal der mijnen voor zover het rapport ziet op een productie-installatie die is gelegen op het continentaal plat of in de territoriale zee en deze productie-installatie gelegen is aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn.
|
||||
|
||||
**3.** Een rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid kan, indien het Staatstoezicht op de mijnen daarmee instemt, voor een groep van installaties worden opgesteld.
|
||||
**3.** Een rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid kan, indien de inspecteur-generaal der mijnen daarmee instemt, voor een groep van installaties worden opgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Een exploitant van een productie-installatie als bedoeld in het tweede lid start niet met activiteiten op productie-installaties of zet deze activiteiten niet voort, met uitzondering van verkenningsonderzoek, voordat het Staatstoezicht op de mijnen heeft ingestemd met het rapport inzake grote gevaren voor de desbetreffende productie-installaties.
|
||||
**4.** Een exploitant van een productie-installatie als bedoeld in het tweede lid start niet met activiteiten op productie-installaties of zet deze activiteiten niet voort, met uitzondering van verkenningsonderzoek, voordat de inspecteur-generaal der mijnen heeft ingestemd met het rapport inzake grote gevaren voor de desbetreffende productie-installaties.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de indiening van en de instemming met het rapport inzake grote gevaren.
|
||||
|
||||
|
|
@ -897,15 +1045,15 @@ c. een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie, bedoeld in
|
|||
|
||||
### Artikel 45d
|
||||
|
||||
**1.** Een exploitant van een productie-installatie herziet om de vijf jaar het rapport inzake grote gevaren en brengt de resultaten van de herziening ter kennis van het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
**1.** Een exploitant van een productie-installatie herziet om de vijf jaar het rapport inzake grote gevaren en brengt de resultaten van de herziening ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** Het Staatstoezicht op de mijnen kan bepalen dat de herziening eerder geschiedt.
|
||||
**2.** De inspecteur-generaal der mijnen kan bepalen dat de herziening eerder geschiedt.
|
||||
|
||||
### Artikel 45e
|
||||
|
||||
**1.** In het geval van een essentiële wijziging van een productie-installatie of van ontmanteling van een productie-installatie, dient de exploitant van deze productie-installatie een gewijzigd rapport inzake grote gevaren in bij het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
**1.** In het geval van een essentiële wijziging van een productie-installatie of van ontmanteling van een productie-installatie, dient de exploitant van deze productie-installatie een gewijzigd rapport inzake grote gevaren in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** De geplande wijzigingen of de ontmanteling worden niet uitgevoerd voordat het Staatstoezicht op de mijnen heeft ingestemd met het gewijzigd rapport inzake grote gevaren voor zover het een productie-installatie betreft die is gelegen op het continentaal plat of in de territoriale zee, voor zover deze productie-installatie is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgestelde lijn.
|
||||
**2.** De geplande wijzigingen of de ontmanteling worden niet uitgevoerd voordat de inspecteur-generaal der mijnen heeft ingestemd met het gewijzigd rapport inzake grote gevaren voor zover het een productie-installatie betreft die is gelegen op het continentaal plat of in de territoriale zee, voor zover deze productie-installatie is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgestelde lijn.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de indiening van en de instemming met het gewijzigd rapport inzake grote gevaren.
|
||||
|
||||
|
|
@ -913,11 +1061,11 @@ c. een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie, bedoeld in
|
|||
|
||||
### Artikel 45f
|
||||
|
||||
**1.** Een eigenaar van een niet-productie-installatie stelt een rapport inzake grote gevaren op voor de niet-productie-installatie en dient het bij het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
**1.** Een eigenaar van een niet-productie-installatie stelt een rapport inzake grote gevaren op voor de niet-productie-installatie en dient het bij de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** Het rapport inzake grote gevaren behoeft de instemming van het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
**2.** Het rapport inzake grote gevaren behoeft de instemming van de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**3.** Een eigenaar van een niet-productie-installatie start niet met activiteiten op een niet-productie-installatie, waaronder gecombineerde activiteiten of boorgatactiviteiten, met uitzondering van verkenningsonderzoek, of zet deze activiteiten niet voort voordat het Staatstoezicht op de mijnen heeft ingestemd met het rapport inzake grote gevaren voor de betreffende niet-productie-installatie.
|
||||
**3.** Een eigenaar van een niet-productie-installatie start niet met activiteiten op een niet-productie-installatie, waaronder gecombineerde activiteiten of boorgatactiviteiten, met uitzondering van verkenningsonderzoek, of zet deze activiteiten niet voort voordat de inspecteur-generaal der mijnen heeft ingestemd met het rapport inzake grote gevaren voor de betreffende niet-productie-installatie.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de indiening van en de instemming met het rapport inzake grote gevaren.
|
||||
|
||||
|
|
@ -937,13 +1085,13 @@ c. een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie, bedoeld in
|
|||
|
||||
**1.** Een eigenaar van een niet-productie-installatie herziet om de vijf jaar het rapport inzake grote gevaren en brengt de resultaten van de herziening ter kennis van het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** Het Staatstoezicht op de mijnen kan bepalen dat de herziening eerder geschiedt.
|
||||
**2.** De inspecteur-generaal der mijnen kan bepalen dat de herziening eerder geschiedt.
|
||||
|
||||
### Artikel 45i
|
||||
|
||||
**1.** In het geval van een essentiële wijziging van een niet-productie-installatie of van ontmanteling van een vaste niet-productie-installatie, dient de eigenaar van deze installatie een gewijzigd rapport inzake grote gevaren in bij het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
**1.** In het geval van een essentiële wijziging van een niet-productie-installatie of van ontmanteling van een vaste niet-productie-installatie, dient de eigenaar van deze installatie een gewijzigd rapport inzake grote gevaren in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** De geplande wijzigingen en de ontmanteling worden niet uitgevoerd voordat het Staatstoezicht op de mijnen heeft ingestemd met het gewijzigd rapport inzake grote gevaren.
|
||||
**2.** De geplande wijzigingen en de ontmanteling worden niet uitgevoerd voordat de inspecteur-generaal der mijnen heeft ingestemd met het gewijzigd rapport inzake grote gevaren.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het gewijzigd rapport inzake grote gevaren.
|
||||
|
||||
|
|
@ -983,7 +1131,7 @@ a. de eisen waaraan de regeling voor onafhankelijke verificatie moet voldoen,
|
|||
b. de selectiecriteria voor een onafhankelijke verificateur,
|
||||
c. het moment waarop de regeling voor onafhankelijke verificatie getroffen wordt,
|
||||
d. de wijze waarop de exploitant of de eigenaar uitvoering geeft aan het advies van de onafhankelijke verificateur en
|
||||
e. de wijze van bekendmaking van het advies van de onafhankelijke verificateur aan het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
e. de wijze van bekendmaking van het advies van de onafhankelijke verificateur aan de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -996,35 +1144,35 @@ b. waarbinnen de exploitant en de eigenaar een regeling voor onafhankelijke veri
|
|||
|
||||
### Artikel 45m
|
||||
|
||||
**1.** De exploitant dient bij een voorgenomen productie-installatie een kennisgeving van het ontwerp in bij het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
**1.** De exploitant dient bij een voorgenomen productie-installatie een kennisgeving van het ontwerp in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** Wanneer er vóór de indiening van het rapport inzake grote gevaren een essentiële wijziging wordt aangebracht in het ontwerp van de voorgenomen productie-installatie, meldt de exploitant dit zo snel mogelijk bij het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
**2.** Wanneer er vóór de indiening van het rapport inzake grote gevaren een essentiële wijziging wordt aangebracht in het ontwerp van de voorgenomen productie-installatie, meldt de exploitant dit zo snel mogelijk bij de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
### Artikel 45n
|
||||
|
||||
**1.** De exploitant dient in het geval van een boorgatactiviteit, een kennisgeving van de boorgatactiviteit in bij het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
**1.** De exploitant dient in het geval van een boorgatactiviteit, een kennisgeving van de boorgatactiviteit in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, bevat tevens het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen voor zover dit beleid niet reeds eerder is ingediend bij het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
**2.** De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, bevat tevens het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen voor zover dit beleid niet reeds eerder is ingediend bij de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**3.** Bij een essentiële wijziging in de gegevens van een ingediende kennisgeving van boorgatactiviteiten betrekt de exploitant een onafhankelijke verificateur bij het opstellen daarvan en stelt het Staatstoezicht op de mijnen in kennis van deze wijziging.
|
||||
**3.** Bij een essentiële wijziging in de gegevens van een ingediende kennisgeving van boorgatactiviteiten betrekt de exploitant een onafhankelijke verificateur bij het opstellen daarvan en stelt de inspecteur-generaal der mijnen in kennis van deze wijziging.
|
||||
|
||||
### Artikel 45o
|
||||
|
||||
**1.** De exploitant van een productie-installatie dient in het geval een bestaande mijnbouwinstallatie verplaatst moet worden naar een nieuwe productielocatie, een kennisgeving in bij het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
**1.** De exploitant van een productie-installatie dient in het geval een bestaande mijnbouwinstallatie verplaatst moet worden naar een nieuwe productielocatie, een kennisgeving in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** Wanneer er vóór de indiening van het rapport inzake grote gevaren een essentiële wijziging wordt aangebracht in de kennisgeving van de verplaatsing, meldt de exploitant dit zo snel mogelijk bij het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
**2.** Wanneer er vóór de indiening van het rapport inzake grote gevaren een essentiële wijziging wordt aangebracht in de kennisgeving van de verplaatsing, meldt de exploitant dit zo snel mogelijk bij de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
### Artikel 45p
|
||||
|
||||
**1.** De exploitant van een productie-installatie dient in het geval van een gecombineerde activiteit, een kennisgeving van gecombineerde activiteiten in bij het Staatstoezicht op de mijnen.
|
||||
**1.** De exploitant van een productie-installatie dient in het geval van een gecombineerde activiteit, een kennisgeving van gecombineerde activiteiten in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** De kennisgeving van gecombineerde activiteiten wordt gezamenlijk opgesteld door de exploitant van de productie-installatie en de betrokken eigenaren van de niet-productie-installaties.
|
||||
|
||||
**3.** De exploitant van een productie-installatie en de eigenaar van een niet-productie-installatie starten niet met boorgatactiviteiten of gecombineerde activiteiten, voordat een kennisgeving aan het Staatstoezicht op de mijnen is voorgelegd.
|
||||
**3.** De exploitant van een productie-installatie en de eigenaar van een niet-productie-installatie starten niet met boorgatactiviteiten of gecombineerde activiteiten, voordat een kennisgeving aan de inspecteur-generaal der mijnen is voorgelegd.
|
||||
|
||||
**4.** De exploitant van een productie-installatie en de eigenaar van een niet-productie-installatie beginnen niet met of staken de boorgatactiviteiten of de gecombineerde activiteiten, indien het Staatstoezicht op de mijnen bezwaren heeft geuit over de inhoud van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
**4.** De exploitant van een productie-installatie en de eigenaar van een niet-productie-installatie beginnen niet met of staken de boorgatactiviteiten of de gecombineerde activiteiten, indien de inspecteur-generaal der mijnen bezwaren heeft geuit over de inhoud van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** De exploitant van een productie-installatie stelt het Staatstoezicht op de mijnen in kennis van elke essentiële wijziging in de ingediende kennisgeving van gecombineerde activiteiten.
|
||||
**5.** De exploitant van een productie-installatie stelt de inspecteur-generaal der mijnen in kennis van elke essentiële wijziging in de ingediende kennisgeving van gecombineerde activiteiten.
|
||||
|
||||
### Artikel 45q
|
||||
|
||||
|
|
@ -1033,7 +1181,7 @@ b. waarbinnen de exploitant en de eigenaar een regeling voor onafhankelijke veri
|
|||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
|
||||
|
||||
a. de inhoud van de kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o en 45p;
|
||||
b. de verplichtingen van de exploitant of de eigenaar inzake eventuele opmerkingen van het Staatstoezicht op de mijnen over de inhoud en de wijzigingen van de kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o en 45p.
|
||||
b. de verplichtingen van de exploitant of de eigenaar inzake eventuele opmerkingen van de inspecteur-generaal der mijnen over de inhoud en de wijzigingen van de kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o en 45p.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o en 45p, moeten worden ingediend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1081,16 +1229,20 @@ c. het opslaan van stoffen;
|
|||
d. het instellen van een verkenningsonderzoek;
|
||||
e. boorgaten, anders dan ten behoeve van het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte dan wel het opslaan van stoffen, dieper dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem;
|
||||
f. pijpleidingen en kabels die worden gebruikt ten behoeve van het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel ten behoeve van het opslaan van stoffen;
|
||||
g. de stoffen die samen met CO_2, worden getransporteerd en opgeslagen.
|
||||
g. de stoffen die samen met CO_2, worden getransporteerd en opgeslagen;
|
||||
h. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte of het opslaan van stoffen,
|
||||
i. de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
|
||||
j. de soort activiteit, en
|
||||
k. de soort delfstof of de soort stof die wordt opgeslagen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De in het eerste lid bedoelde regels kunnen worden gesteld ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen, aardwarmte en andere natuurlijke rijkdommen;
|
||||
b. de bescherming van de veiligheid;
|
||||
a. een gebruik van ondergrond of planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen;
|
||||
b. de bescherming van de veiligheid voor omwonenden;
|
||||
c. de bescherming van het milieu;
|
||||
d. het beperken van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem.
|
||||
d. het voorkomen van schade aan gebouwen en infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1099,7 +1251,7 @@ De in het eerste lid bedoelde regels kunnen voorts worden gesteld, voorzover de
|
|||
a. de scheepvaart, de landsverdediging, de visserij, de opwekking van elektriciteit, het instandhouden van de levende rijkdommen van de zee, het zuiver wetenschappelijk onderzoek en het leggen en onderhouden van onderzeese kabels en pijpleidingen;
|
||||
b. de bescherming van historische, oudheidkundige en andere wetenschappelijke vondsten.
|
||||
|
||||
**4.** De in het eerste lid bedoelde regels kunnen, voorzover die gesteld worden, beperkingen inhouden.
|
||||
**4.** De in het eerste lid bedoelde regels kunnen, voorzover die gesteld worden, inhouden het weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning of een instemming, het stellen van beperkingen of het verbinden van voorschriften aan een vergunning of een instemming.
|
||||
|
||||
**5.** De in het eerste lid bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het verwijderen of achterlaten en op het na verwijdering slopen of hergebruiken van niet meer in gebruik zijnde mijnbouwwerken, kabels en pijpleidingen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1733,7 +1885,17 @@ De Mijnraad heeft tot taak om in verband met het opsporen of winnen van delfstof
|
|||
a. Onze Minister desgevraagd te adviseren over door hem te geven beschikkingen;
|
||||
b. Onze Minister desgevraagd de inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene beleidsvoornemens.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister vraagt in elk geval advies aan de Mijnraad inzake door hem te geven beschikkingen inzake verlening of intrekking van vergunningen als bedoeld in artikel 6 of 25.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Onze Minister vraagt in elk geval advies aan de Mijnraad inzake door hem te geven beschikkingen inzake:
|
||||
|
||||
a. de verlening of intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, of 25, eerste lid;
|
||||
b. een instemming met een winningsplan als bedoeld in artikel 34, derde lid, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat;
|
||||
c. een besluit omtrent wijziging van een instemming met een winningsplan, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat, tenzij de wijziging van ondergeschikte aard is en kennelijk niet kan leiden tot een andere beoordeling van:
|
||||
|
||||
1°. de effecten van de wijze van winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten,
|
||||
2°. de effecten van de bodembeweging ten gevolge van de winning en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging,
|
||||
3°. de risico’s voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan.
|
||||
|
||||
### Artikel 106
|
||||
|
||||
|
|
@ -1761,7 +1923,7 @@ Leden van de Mijnraad onthouden zich van stemming over een advies, indien dit ee
|
|||
|
||||
### Artikel 110
|
||||
|
||||
De Mijnraad stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op van de werkzaamheden en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden.
|
||||
De Mijnraad stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op van de werkzaamheden en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden. Onze Minister zendt het verslag alsmede een schriftelijke reactie daarop aan de Staten-Generaal.
|
||||
|
||||
### Artikel 111
|
||||
|
||||
|
|
@ -1923,7 +2085,7 @@ d. een raming van de winning van aardgas per vergunninggebied, dan wel gebieden
|
|||
e. de bestaande en toekomstige faciliteiten voor de ondergrondse opslag van aardgas;
|
||||
f. de winningsplannen, als bedoeld in artikel 34, die zijn ingediend en waarvoor de instemming van Onze Minister is gegeven.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 8. Toezicht en handhaving
|
||||
## Hoofdstuk 8. Toezicht, handhaving en retributies
|
||||
|
||||
### Paragraaf 8.1. Het Staatstoezicht op de mijnen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1935,37 +2097,53 @@ f. de winningsplannen, als bedoeld in artikel 34, die zijn ingediend en waarvoor
|
|||
|
||||
### Artikel 127
|
||||
|
||||
**1.** Het Staatstoezicht op de mijnen heeft tot taak het toezien op het verrichten van verkenningsonderzoeken, op het opsporen en het winnen van delfstoffen en aardwarmte en op het opslaan van stoffen.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
De inspecteur-generaal der mijnen heeft tot taak:
|
||||
|
||||
Het Staatstoezicht op de mijnen heeft tevens tot taak:
|
||||
a. het toezicht uit te oefenen op de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels, met uitzondering van het bij of krachtens artikel 52 en de hoofdstukken 5, 6 en 9, bepaalde met uitzondering van artikel 111, artikel 120, tweede lid, en artikel 111 in samenhang met artikel 121, en het toezicht uit te oefenen op de naleving van de bij of krachtens een andere wet gestelde regels waarvoor ambtenaren van het Staatstoezicht op de mijnen zijn aangewezen als toezichthouders;
|
||||
b. Onze Minister te adviseren bij besluiten die Onze Minister neemt inzake mijnbouw;
|
||||
c. risicobeoordelingen te toetsen voor advisering aan Onze Minister;
|
||||
d. onderzoek te doen verrichten, indien dat nodig is voor het toetsen van een risicobeoordeling;
|
||||
e. gevraagd en ongevraagd adviezen te verstrekken naar aanleiding van het toezicht op de naleving, de risicobeoordelingen en het onderzoek;
|
||||
f. het rapport inzake grote gevaren te beoordelen voor een instemming als bedoeld in de artikelen 45b, tweede lid, 45e, tweede lid, 45f, tweede lid en 45i, tweede lid;
|
||||
g. kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o, 45p, te beoordelen;
|
||||
h. een mechanisme op te zetten voor vertrouwelijke melding van veiligheids- en milieukwesties met betrekking tot activiteiten die zien op de opsporing of winning van koolwaterstoffen en het onderzoeken van deze meldingen;
|
||||
i. regelmatig kennis, gegevens en ervaringen uit te wisselen met toezichthouders van andere lidstaten overeenkomstig artikel 27 van richtlijn 2013/30/EU;
|
||||
j. informatie uit te wisselen overeenkomstig artikel 23 van richtlijn 2013/30/EU;
|
||||
k. informatie te publiceren overeenkomstig artikel 24 van richtlijn 2013/30/EU.
|
||||
|
||||
a. in te stemmen met rapporten inzake grote gevaren, bedoeld in de artikelen 45b en 45f;
|
||||
b. kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o, 45p te beoordelen;
|
||||
c. het adviseren van Onze Minister inzake vergunningverlening, bedoeld in artikel 6;
|
||||
d. een mechanisme op te zetten voor vertrouwelijke melding van veiligheids- en milieukwesties met betrekking tot activiteiten die zien op de opsporing of winning van koolwaterstoffen en het onderzoeken van deze meldingen;
|
||||
e. regelmatig kennis, gegevens en ervaringen uit te wisselen met toezichthouders van andere lidstaten overeenkomstig artikel 27 van richtlijn 2013/30/EU;
|
||||
f. informatie uit te wisselen overeenkomstig artikel 23 van richtlijn 2013/30/EU;
|
||||
g. informatie te publiceren overeenkomstig artikel 24 van richtlijn 2013/30/EU.
|
||||
**2.** De inspecteur-generaal der mijnen stelt na elke inspectie, verricht in het kader van paragraaf 3.2 een verslag op over de naleving van de voorschriften en de voorgeschreven maatregelen. Het verslag wordt ter kennis gebracht van de betrokken houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO_2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22, en binnen twee maanden na de inspectie openbaar gemaakt.
|
||||
|
||||
**3.** De inspecteur-generaal der mijnen stelt na elke inspectie, verricht in het kader van paragraaf 3.2 een verslag op over de naleving van de voorschriften en de voorgeschreven maatregelen. Het verslag wordt ter kennis gebracht van de betrokken houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO_2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22 en binnen twee maanden na de inspectie openbaar gemaakt.
|
||||
**3.** De inspecteur-generaal der mijnen stelt bij een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 33, een onderzoek in en dient een samenvatting van de bevindingen in bij de Europese Commissie en Onze Minister.
|
||||
|
||||
**4.** De inspecteur-generaal der mijnen stelt bij een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 33, een onderzoek in en dient een samenvatting van de bevindingen in bij de Europese Commissie.
|
||||
|
||||
**5.** De inspecteur-generaal der mijnen draagt er zorg voor dat de aanbevelingen naar aanleiding van de bevindingen, bedoeld in het vierde lid, worden uitgevoerd, voor zover deze binnen diens bevoegdheid vallen.
|
||||
**4.** De inspecteur-generaal der mijnen draagt er zorg voor dat de aanbevelingen naar aanleiding van de bevindingen, bedoeld in het derde lid, worden uitgevoerd, voor zover deze binnen diens bevoegdheid vallen.
|
||||
|
||||
### Artikel 128
|
||||
|
||||
**1.** De inspecteur-generaal der mijnen brengt jaarlijks voor 1 mei aan Onze Minister verslag uit over de werkzaamheden van het Staatstoezicht op de mijnen in het afgelopen jaar.
|
||||
**1.** De inspecteur-generaal der mijnen brengt jaarlijks voor 1 mei aan Onze Minister verslag uit over de werkzaamheden van het Staatstoezicht op de mijnen in het afgelopen jaar. De inspecteur-generaal der mijnen kan voorzien in verslaglegging op andere momenten waarop de inspecteur-generaal dat nodig oordeelt.
|
||||
|
||||
**2.** De inspecteur-generaal der mijnen doet in het verslag de aanbevelingen die hij wenselijk acht met het oog op een doelmatige en voortvarende uitvoering in de toekomst van de in artikel 127 genoemde activiteiten.
|
||||
|
||||
**3.** De inspecteur-generaal der mijnen dient jaarlijks voor een bij ministeriële regeling vast te stellen datum, aan Onze Minister een jaarplan in, waarin de plannen worden uitgewerkt voor een effectief toezicht gebaseerd op risicobeheer en waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan de naleving van de verplichtingen, genoemd in § 4.1a.
|
||||
**3.** Onze Minister zendt het verslag alsmede een schriftelijke reactie daarop aan de Staten-Generaal.
|
||||
|
||||
**4.** De inspecteur-generaal der mijnen dient jaarlijks voor een bij ministeriële regeling vast te stellen datum, aan Onze Minister een jaarplan in, waarin de plannen worden uitgewerkt voor een effectief toezicht gebaseerd op risicobeheer en waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan de naleving van de verplichtingen, genoemd in § 4.1a.
|
||||
|
||||
### Artikel 128a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Onze Minister geeft een aanwijzing aan de inspecteur-generaal der mijnen uitsluitend in schriftelijke vorm.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister verleent geen mandaat voor het geven van een aanwijzing.
|
||||
|
||||
**3.** Een aanwijzing wordt door Onze Minister onverwijld aan de Staten-Generaal gezonden.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 10:6 van de Algemene wet bestuursrecht en in afwijking van de artikelen 10:22, eerste lid, en 10:23 van de Algemene wet bestuursrecht ziet een bijzondere aanwijzing niet op:
|
||||
|
||||
a. het weerhouden van de inspecteur-generaal der mijnen om een specifiek onderzoek te verrichten of af te ronden;
|
||||
b. de wijze waarop de inspecteur-generaal der mijnen een specifiek onderzoek verricht;
|
||||
c. iedere vorm van bevindingen, oordelen en adviezen van de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
### Artikel 129
|
||||
|
||||
|
|
@ -2003,17 +2181,25 @@ c. te voorzien in maaltijden en andere benodigdheden.
|
|||
|
||||
### Artikel 132
|
||||
|
||||
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen die bij of krachtens artikel 52 zijn gesteld.
|
||||
De inspecteur-generaal der mijnen is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen die bij of krachtens artikel 52 en de hoofdstukken 5, 6 en 9, zijn gesteld met uitzondering van artikel 111, artikel 120, tweede lid, en artikel 111 in samenhang met artikel 121.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 8.4. Retributie
|
||||
|
||||
### Artikel 133
|
||||
|
||||
**1.** De kosten voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 127, tweede lid, onderdelen a tot en met c, en het toezicht hierop, bedoeld in artikel 127, eerste lid, worden doorberekend aan de exploitanten van een productie-installatie en de eigenaren van een niet-productie-installatie.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de doorberekening van de betreffende kosten.
|
||||
Een exploitant van een productie-installatie, een eigenaar van een niet-productie-installatie, een eigenaar van een pijpleiding en een netbeheerder als bedoeld in artikel 1 van de Gaswet zijn, indien van toepassing in afwijking van artikel 2.9a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een vergoeding verschuldigd voor:
|
||||
|
||||
**3.** De bedragen die Onze Minister ter vergoeding van de kosten van de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, aan de exploitanten van productie-installaties en eigenaren van niet-productie-installaties in rekening brengt worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
|
||||
a. het door Onze Minister op aanvraag verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning, ontheffing of instemming met betrekking tot mijnbouw, of het beoordelen van een melding voor een handeling met een mobiele installatie;
|
||||
b. de door de inspecteur-generaal uit te voeren taken als bedoeld in artikel 127, eerste lid, onderdelen a tot en met g, met dien verstande dat een vergoeding niet in rekening wordt gebracht voor:
|
||||
|
||||
1°. advisering en het doen uitvoeren van onderzoek dat geen verband houdt met het verlenen, wijzigen of intrekken op aanvraag van een vergunning of instemming;
|
||||
2°. het vaststellen van een besluit als bedoeld in artikel 132.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de vergoeding.
|
||||
|
||||
**3.** De hoogte van de vergoeding wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan de verschuldigde bedragen invorderen bij dwangbevel. Titel 4.4, met uitzondering van de artikelen 4:85 en 4:95, van de Algemene wet bestuursrecht is, voor zover al niet van toepassing, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2124,7 +2310,7 @@ Het bedrag dat aan voorschotten kan worden verstrekt bedraagt ten hoogste 60 pro
|
|||
|
||||
De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op de aanleg of de uitbreiding van:
|
||||
|
||||
a. een mijnbouwwerk ten behoeve van de opsporing of winning van koolwaterstoffen in of onder een gebied dat is aangewezen op grond van de artikelen 10 of 10a van de Natuurbeschermingswet 1998;
|
||||
a. een mijnbouwwerk ten behoeve van de opsporing of winning van koolwaterstoffen in of onder een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in de Wet natuurbescherming;
|
||||
b. een mijnbouwwerk ten behoeve van de opslag van stoffen;
|
||||
c. pijpleidingen die uitsluitend of in hoofdzaak zijn bestemd voor het vervoer van delfstoffen respectievelijk het vervoer van stoffen in verband met het opsporen of winnen van delfstoffen respectievelijk het opslaan van stoffen met behulp van een mijnbouwwerk als bedoeld in onderdeel a respectievelijk onderdeel b;
|
||||
d. een mijnbouwwerk of pijpleidingen, voor zover het een project betreft voor olie of koolstofdioxide dat is opgenomen op de Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang, bedoeld in artikel 3, vierde lid, Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PbEU 2013, L 115).
|
||||
|
|
@ -2140,6 +2326,16 @@ b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onde
|
|||
c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of
|
||||
d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op de aanleg of de uitbreiding van dat werk of die leiding. Onze Minister hoort de mijnbouwondernemer en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu besluiten tot toepassing van de procedure, bedoeld in het eerste lid, aanhef, voor de aanleg of de uitbreiding van een mijnbouwwerk ten behoeve van de opsporing of winning van koolwaterstoffen in of onder andere gebieden dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien:
|
||||
|
||||
a. een gebied niet geheel is uitgesloten van de opsporing of winning van koolwaterstoffen bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel e,
|
||||
b. een belang als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel f, zich niet tegen aanleg of uitbreiding in dat gebied verzet,
|
||||
c. het desbetreffende gebied niet geheel of ten dele is gelegen binnen de op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming aangewezen Natura 2000-gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone,
|
||||
d. het desbetreffende gebied niet geheel of ten dele is gelegen binnen de Waddenzee als aangewezen krachtens de Wet ruimtelijke ordening of op de Waddeneilanden, en
|
||||
e. het desbetreffende gebied niet geheel of ten dele is gelegen binnen het gebied dat op grond van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (Trb. 1973, 155) is aangewezen als werelderfgoedgebied Waddenzee.
|
||||
|
||||
### Artikel 141b
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister is de aangewezen minister, bedoeld in artikel 3.35, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
|
||||
|
|
@ -2200,6 +2396,18 @@ b. een vergunning verleend krachtens artikel 30a van het Mijnreglement continent
|
|||
|
||||
**7.** De beperkingen of voorschriften die aan een goedkeuring of een vergunning als bedoeld in het vijfde lid zijn verbonden, gaan gelden als aan de mijnbouwmilieuvergunning of aan de milieuvergunning verbonden beperkingen of voorschriften.
|
||||
|
||||
**8.** Een houder van een winningsvergunning als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, die voor 1965 is verleend voor het winnen van koolwaterstoffen, die met toepassing van artikel 20, eerste lid, een deel van zijn vergunning op een ander wil doen overgaan, dient in afwijking van artikel 20, tweede lid, tevens een aanvraag in tot afsplitsing van dat deel van die vergunning. Bij een afsplitsing wordt de vergunning uitsluitend gewijzigd door van het gebied waarop die vergunning betrekking heeft, af te splitsen een gebiedsdeel dat de vergunninghouder wil doen overgaan op een ander en wordt aan deze vergunninghouder voor het afgesplitste gebiedsdeel een winningsvergunning verleend die niet als een winningsvergunning als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt beschouwd.
|
||||
|
||||
**9.** Aan de winningsvergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel worden de beperkingen en voorschriften verbonden die zijn verbonden aan de winningsvergunning waarvan dat gebiedsdeel is afgesplitst, voor zover dit verenigbaar is met het bij en krachtens de wet bepaalde.
|
||||
|
||||
**10.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het afsplitsen van een winningsvergunning als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, die voor 1965 is verleend voor het winnen van koolwaterstoffen met betrekking tot de bepaling van het af te splitsen gebied en het aan de afsplitsing aanpassen van beperkingen die zijn gesteld of voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, mede met het oog op het planmatig beheer of gebruik van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.
|
||||
|
||||
**11.** Een overeenkomst als bedoeld in artikel 147, eerste en tweede lid, blijft door een afsplitsing van een winningsvergunning, ongewijzigd in stand voor het gebied waarop de winningsvergunning waarvan een deel is afgesplitst betrekking heeft en vervalt voor het afgesplitste gebiedsdeel op het tijdstip dat de daarvoor verleende winningsvergunning in werking treedt.
|
||||
|
||||
**12.** Een afsplitsing van een winningsvergunning en een voor een afgesplitst gebiedsdeel verleende winningsvergunning, treden niet eerder in werking dan op het tijdstip waarop de voor het afgesplitste gebiedsdeel verleende winningsvergunning onherroepelijk op een ander overgaat.
|
||||
|
||||
**13.** Op een houder van een voor een afgesplitst gebiedsdeel verleende winningsvergunning, is ten aanzien van die vergunning het vierde lid van overeenkomstige toepassing en is paragraaf 5.2.3 niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 144
|
||||
|
||||
Als winningsplan als bedoeld in artikel 34 geldt een door Onze Minister goedgekeurd winningsplan als bedoeld in artikel 5.2 van de Regeling vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996.
|
||||
|
|
@ -2377,11 +2585,20 @@ De bijdrage, bedoeld in artikel 135, vierde lid, onderdeel a, is voor het eerst
|
|||
|
||||
### Artikel 167a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De wijziging van de artikelen 18 en 21 van deze wet bij wet van 21 december 2016, houdende wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings- en opslagvergunningen) (Stb. 2016, 554), heeft geen gevolgen voor de houder van een winningsvergunning of een opslagvergunning, aan wie een instemming met het winningsplan als bedoeld in artikel 34, derde lid, respectievelijk een plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, is verleend voor de datum van inwerkingtreding van die wijziging.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister een instemming met het winningsplan geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen na de datum van inwerkingtreding van dit artikel, indien dit wordt gerechtvaardigd door veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten om reden van het belang van:
|
||||
|
||||
1°. de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan of
|
||||
2°. het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.
|
||||
|
||||
**3.** Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, geldt het eerste lid niet.
|
||||
|
||||
### Artikel 167b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
De wijziging van de bijlage bij deze wet bij wet van 21 december 2016, houdende wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings- en opslagvergunningen) (Stb. 2016, 554), heeft geen gevolgen voor de houder van een vergunning, die voor de datum van inwerkingtreding van die wijziging is verleend.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 12. Intrekking en wijziging van enige wetten
|
||||
|
||||
|
|
@ -2518,92 +2735,6 @@ Deze wet wordt aangehaald als: Mijnbouwwet.
|
|||
|
||||
## Bijlage . Bijlage bij de
|
||||
|
||||
De lijn, bedoeld in de artikelen 34, vierde lid, 35, eerste lid, onderdeel f, 36, eerste lid, onderdeel b, 38, 41, derde lid, 46, vijfde lid, 54, onderdelen d en e, 134, tweede lid, 135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°, 142, tweede lid, en 145, tweede lid, onderdeel a, is de lijn, welke wordt gevormd door de verbindingslijn tussen de punten c'' en L', welke met een rode kleur is aangegeven op de bij de aanvullende overeenkomst van 14 mei 1962 bij het Eems-Dollard-verdrag (Trb. 1962, 54) gevoegde kaart, en vervolgens door de bogen van grootcirkels tussen de volgende punten, in de volgorde als hieronder aangegeven:
|
||||
De lijn, bedoeld in de artikelen 31d, tweede lid, 34, vierde lid, 35, eerste lid, onderdeel f, 36, eerste lid, onderdeel b, 41, derde lid, 46, vijfde lid, 54, onderdelen d en e, 134, tweede lid, 135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°, 142, eerste lid, en 145, tweede lid, onderdeel a, is de lijn, gevormd door de bogen van grootcirkels in de volgorde tussen de punten, bedoeld op de kaart die in de tabel zijn uitgedrukt in geografische coördinaten berekend volgens het European Terrestrial Reference System 1989, bedoeld in bijlage II, onder 1.2, van Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PbEU 2010, L 323):
|
||||
|
||||
1. genoemd punt L';
|
||||
|
||||
2. 53° 33' 36" N.B., 6° 16' 02" O.L.;
|
||||
|
||||
3. 53° 30' 12" N.B., 6° 03' 00" O.L.;
|
||||
|
||||
4. 53° 31' 22" N.B., 5° 56' 27" O.L.;
|
||||
|
||||
5. 53° 30' 00" N.B., 5° 31' 30" O.L.;
|
||||
|
||||
6. 53° 25' 12" N.B., 5° 08' 06" O.L.;
|
||||
|
||||
7. 53° 21' 21" N.B., 5° 04' 30" O.L.;
|
||||
|
||||
8. 53° 19' 19" N.B., 4° 56' 12" O.L.;
|
||||
|
||||
9. 53° 15' 00" N.B., 4° 49' 00" O.L.;
|
||||
|
||||
10. 53° 06' 30" N.B., 4° 40' 00" O.L.;
|
||||
|
||||
11. 53° 01' 30" N.B., 4° 37' 30" O.L.;
|
||||
|
||||
12. 52° 54' 00" N.B., 4° 38' 00" O.L.;
|
||||
|
||||
13. 52° 44' 12" N.B., 4° 33' 42" O.L.;
|
||||
|
||||
14. 52° 37' 00" N.B., 4° 32' 24" O.L.;
|
||||
|
||||
15. 52° 28' 30" N.B., 4° 30' 00" O.L.;
|
||||
|
||||
16. 52° 23' 00" N.B., 4° 26' 36" O.L.;
|
||||
|
||||
17. 52° 21' 02" N.B., 4° 24' 57" O.L.;
|
||||
|
||||
18. 52° 17' 55" N.B., 4° 22' 45" O.L.;
|
||||
|
||||
19. 52° 16' 25" N.B., 4° 21' 34" O.L.;
|
||||
|
||||
20. 52° 15' 35" N.B., 4° 20' 47" O.L.;
|
||||
|
||||
21. 52° 14' 54" N.B., 4° 20' 20" O.L.;
|
||||
|
||||
22. 52° 13' 21" N.B., 4° 18' 54" O.L.;
|
||||
|
||||
23. 52° 12' 03" N.B., 4° 17' 30" O.L.;
|
||||
|
||||
24. 52° 10' 56" N.B., 4° 16' 07" O.L.;
|
||||
|
||||
25. 52° 09' 47" N.B., 4° 14' 37" O.L.;
|
||||
|
||||
26. 52° 09' 26" N.B., 4° 13' 46" O.L.;
|
||||
|
||||
27. 52° 09' 05" N.B., 4° 13' 12" O.L.;
|
||||
|
||||
28. 52° 08' 30" N.B., 4° 12' 31" O.L.;
|
||||
|
||||
29. 52° 08' 03" N.B., 4° 11' 50" O.L.;
|
||||
|
||||
30. 52° 07' 33" N.B., 4° 11' 15" O.L.;
|
||||
|
||||
31. 52° 06' 51" N.B., 4° 10' 19" O.L.;
|
||||
|
||||
32. 52° 04' 13" N.B., 4° 06' 39" O.L.;
|
||||
|
||||
33. 52° 03' 54" N.B., 4° 06' 05" O.L.;
|
||||
|
||||
34. 52° 02' 09" N.B., 4° 04' 03" O.L.;
|
||||
|
||||
35. 52° 00' 00" N.B., 4° 01' 00" O.L.;
|
||||
|
||||
36. 51° 53' 00" N.B., 3° 55' 30" O.L.;
|
||||
|
||||
37. 51° 51' 00" N.B., 3° 48' 48" O.L.;
|
||||
|
||||
38. 51° 47' 30" N.B., 3° 45' 18" O.L.;
|
||||
|
||||
39. 51° 44' 12" N.B., 3° 35' 24" O.L.;
|
||||
|
||||
40. 51° 39' 12" N.B., 3° 35' 24" O.L.;
|
||||
|
||||
41. 51° 37' 18" N.B., 3° 29' 30" O.L.;
|
||||
|
||||
42. 51° 34' 00" N.B., 3° 22' 10" O.L.;
|
||||
|
||||
43. 51° 24' 40" N.B., 3° 17' 52" O.L.
|
||||
|
||||
De ligging van de bovenbedoelde punten 2 tot en met 43 is uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening.
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue