2002-03-15 | BWBR0011545 | Besluit studiefinanciering 2000

This commit is contained in:
Coornhert 2002-03-15 12:00:00 +00:00
parent 7d0c5d2360
commit 55a08771c8

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit studiefinanciering 2000
bwb_id: BWBR0011545
type: AMvB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2023-09-01'
datum_inwerkingtreding: '2000-09-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0011545
citeertitel: Besluit studiefinanciering 2000
---
@ -14,342 +14,189 @@ citeertitel: Besluit studiefinanciering 2000
### Artikel 1
**1.**
In dit besluit wordt verstaan onder:
**aflosfase**: aflosfase, bedoeld in artikel 6.7 van de wet,
**familielid**: familielid als bedoeld in richtlijn 2004/38/EG,
**richtlijn 2004/38/EG:** richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158),
**wet**: Wet studiefinanciering 2000.
**2.** In hoofdstuk 3a van dit besluit wordt verstaan onder **aanvullende beurs**: toegekende en uitbetaalde aanvullende beurs als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de wet.
**3.** Een wijziging van richtlijn 2004/38/EG gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
### Artikel 1a
**1.** Artikel 3 berust op artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c, van de Wet studiefinanciering 2000.
**2.** Artikel 3a berust op artikel 2.2, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000.
In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet studiefinanciering 2000.
### Artikel 2
Onder «belastbaar minimumloon», bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, wordt verstaan:
**1.**
108% van het twaalfvoud van het voor de maand januari van het berekeningsjaar geldende in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag per maand.
Onder «gecorrigeerde belastbare minimumloon», bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, wordt verstaan:
a. de som van:
1°. het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, getotaliseerd over de kalendermaanden van het kalenderjaar, en
2°. een bedrag gelijk aan de som van het volgens artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van toepassing zijnde percentage van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag over de 12 maanden aanvangende in de maand juni voorafgaand aan het jaar waarvoor het gecorrigeerde belastbare minimumloon wordt vastgesteld,
b. vermeerderd met het door de werkgever verschuldigde gedeelte van de premie voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet over de som van de hiervoor in onderdeel a bedoelde bedragen,
c. verminderd met het bedrag van de premies die, bij een loon gelijk aan de overeenkomstig de in onderdeel a bepaalde som, bij wijze van inhouding zouden zijn geheven ingevolge de Werkloosheidswet, en
d. verminderd met 12% van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, maar niet minder dan € 119,-, en niet meer dan € 1605,.
**2.** Indien ingevolge de Werkloosheidswet, een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt bij toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage gehanteerd.
**3.** Indien in de loop van het kalenderjaar de premie ingevolge de Ziekenfondswet of de Werkloosheidswet wijziging ondergaat, wordt de hoogte van de premie over het gehele kalenderjaar naar evenredigheid berekend.
## Hoofdstuk 2. Reikwijdte
### Artikel 3
**1.**
Met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf heeft:
a. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000;
b. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000;
c. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000;
d. op grond van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover hij reeds studiefinancieringsgenietende is; of
e. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 die is verleend onder een beperking:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, van de Vreemdelingenwet 2000, onder de beperking:
1°. verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in onderdeel a, b, c of dit onderdeel;
2°. verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;
3°. als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;
4°. verband houdend met afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet als bedoeld in artikel 3.17a, onderdeel b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; of
5°. verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden die volgt op een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 die is verleend onder de beperking medische behandeling;
6°. verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden die als eerste verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000 wordt toegekend.
**2.** Met een Nederlander wordt eveneens gelijkgesteld de vreemdeling ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
### Artikel 3a
**1.**
Artikel 2.2, tweede lid, van de wet is van toepassing op een persoon die:
a. een nationaliteit heeft van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland;
b. niet het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG, heeft verworven; en
c. geen:
1°. werknemer;
2°. zelfstandige;
3°. persoon die de status van werknemer of zelfstandige heeft behouden; of
4°. familie van een persoon als bedoeld in onderdeel 1° tot en met 3° is.
**2.**
Artikel 2.2, tweede lid, van de wet is eveneens van toepassing op een persoon die in Nederland rechtmatig verblijf heeft op grond van:
a. een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.30b van het Vreemdelingenbesluit 2000; of
b. een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.33 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
**3.** Artikel 2.2, tweede lid, van de wet is eveneens van toepassing op familieleden van een persoon als bedoeld in het eerste en tweede lid.
**4.** Voor mbo-studenten wordt de tegemoetkoming op grond van het eerste tot en met derde lid verstrekt in de vorm van een gift ter hoogte van het bedrag van de basisbeurs voor een thuiswonende mbo-student, genoemd in artikel 3.18, overzicht 2, onder A, van de wet. De tegemoetkoming wordt toegekend in één bedrag per studiejaar. Indien de aanspraak gedurende een studiejaar ontstaat bestaat de aanspraak uit een twaalfde van het bedrag per studiejaar maal het aantal resterende maanden van dat studiejaar. Indien de mbo-student in aanmerking komt voor het levenlanglerenkrediet wordt de tegemoetkoming toegekend in de vorm van levenlanglerenkrediet.
**5.** Voor ho-studenten wordt de tegemoetkoming op grond van het eerste tot en met derde lid verstrekt in de vorm van een aanspraak op het collegegeldkrediet, bedoeld in artikel 3.16a, of het levenlanglerenkrediet van de wet.
**6.** Op de tegemoetkoming is artikel 3.21, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.
1°. verband houdende met gezinshereniging of gezinsvorming als bedoeld in artikel 15 van de Vreemdelingenwet 2000 met een Nederlander of met een vreemdeling als bedoeld in de onderdelen a of b van dit artikel,
2°. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, of
3°. verblijf ter adoptie of als pleegkind of als gevolg daarvan voortgezet verblijf,
b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van die wet,
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet,
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van die wet,
e. bedoeld in artikel 8, onderdelen g of h van die wet, voor zover hij reeds studiefinancieringsgenietende is, of
f. ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt als bedoeld in de hoofdstukken 3 of 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
### Artikel 4
Vervallen
Het onderwijs, bedoeld in artikel 2.11 van de wet, is het onderwijs aan:
## Hoofdstuk 2a. Criteria toekenning meeneembare studiefinanciering
a. Stichting Kweekschool voor Vroedvrouwen te Amsterdam,
b. Vroedvrouwenschool Kerkrade uitgaande van de RK Stichting Moederschapszorg te Kerkrade,
c. Stichting Rotterdamse Opleiding tot Verloskundige te Rotterdam,
d. Stichting Rijksakademie van beeldende kunsten te Amsterdam,
e. Stichting Jan van Eyk-Akademie te Maastricht, en
f. Opleiding Restauratoren, onderdeel van het Instituut Collectie Nederland te Amsterdam.
### Artikel 5
In afwijking van artikel 1.1, eerste lid, van de wet, wordt in dit hoofdstuk onder partner verstaan: een echtgenoot of partner als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a en b, of artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2004/38/EG.
Op het normbedrag voor de particuliere ziektekostenverzekering, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, van de wet, worden per 1 januari van ieder kalenderjaar ten hoogste twee correcties op het normbedrag, genoemd in artikel 3.18, overzicht 1, of het daarvoor in de plaats getreden normbedrag, aangebracht:
### Artikel 5a
**1.**
Van een band met Nederland, als bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, onderdeel a, van de wet, is sprake indien aan ten minste één van de volgende criteria is voldaan:
a. de ho-student valt binnen de reikwijdte van artikel 45 of 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, of is daarmee gelijkgesteld op grond van het recht van de Europese Unie, en hij of zijn ouder of partner werkt in Nederland, anders dan louter marginaal en bijkomstig;
b. de ho-student heeft ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding in Nederland gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf gehad;
c. de ho-student heeft ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding in Nederland gewerkt, anders dan louter marginaal en bijkomstig;
d. de ho-student heeft volledig Nederlands onderwijs dat is geregeld bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 of de Wet op de expertisecentra gevolgd in Nederland.
**2.**
Van een band met Nederland is voorts sprake indien de ho-student voldoende vaardig is in de Nederlandse taal, wat in ieder geval kan worden aangetoond met een NT2-diploma, en aan ten minste één van de volgende criteria voldoet:
a. de ho-student heeft voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding gedurende een periode van ten minste 3 jaren in Nederland gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf gehad;
b. de ho-student heeft voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding gedurende een periode van ten minste 3 jaren in Nederland gewerkt, anders dan louter marginaal en bijkomstig;
c. een ouder of de partner van de ho-student heeft voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding gedurende een periode van ten minste 3 jaren in Nederland gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf gehad;
d. een ouder of de partner van de ho-student heeft voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding gedurende een periode van ten minste 3 jaren in Nederland gewerkt, anders dan louter marginaal en bijkomstig;
e. de ho-student heeft Nederlands onderwijs dat is geregeld bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek gevolgd in Nederland gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 6 jaren.
**3.** De ho-student kan op grond van een combinatie van de in het tweede lid genoemde criteria of op grond van andere omstandigheden aantonen dat er sprake is van een band met Nederland.
a. indien een overheveling van verstrekkingen naar de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten in het kader van de stelselwijziging zorgsector heeft plaatsgevonden, wordt door Onze Minister het normbedrag daaraan aangepast, en
b. het normbedrag, of indien onderdeel a is toegepast, het door toepassing van onderdeel a gewijzigde normbedrag, wordt per 1 januari van ieder kalenderjaar door Onze Minister overeenkomstig artikel 17, tweede lid, aangepast.
## Hoofdstuk 3. Weigerachtige of onvindbare ouders
### Artikel 6
**1.**
Aanspraak op aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet bestaat in ieder geval, indien:
Aanspraak op aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet, voor wat betreft de aanvullende lening die voortvloeit uit de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de weigerachtige of onvindbare ouder, bestaat in ieder geval, indien:
a. sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en student,
b. het gezag van de ouder is beëindigd op grond van artikel 266 of 267 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
c. de student geen contact met de ouder heeft,
d. sprake is van voor de student niet inbare alimentatie als bedoeld in titel 17 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of
e. gegevens over de verblijfplaats van de ouder niet kunnen worden achterhaald.
**2.**
Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet wordt niet in behandeling genomen indien deze betrekking heeft op:
a. een periode die meer dan twee jaar voor het moment van aanvragen ligt, of
b. een periode waarover geen aanvullende beurs is aangevraagd.
a. sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en studerende,
b. de ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet of ontheven,
c. de studerende geen contact met de ouder heeft,
d. sprake is van voor de studerende niet inbare alimentatie als bedoeld in titel 17 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of
e. gegevens over het inkomen van de ouder niet kunnen worden achterhaald.
### Artikel 7
**1.** Van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en student als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, is sprake, indien de ouder om ernstige redenen structureel weigert de veronderstelde ouderlijke bijdrage te verstrekken.
**1.** Van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en studerende als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, is sprake, indien de ouder om ernstige redenen structureel weigert de veronderstelde ouderlijke bijdrage te verstrekken.
**2.** Onze Minister stelt bij de ouder vast dat er sprake is van weigering. Indien die ouder geen medewerking voor die vaststelling verleent, kan de verklaring van een onafhankelijke derde voor de betreffende ouderverklaring in de plaats treden.
**2.** De IB-Groep stelt bij de ouder vast dat er sprake is van weigering. Indien die ouder geen medewerking voor die vaststelling verleent, kan de verklaring van een onafhankelijke derde voor de betreffende ouderverklaring in de plaats treden.
**3.** De ernst van het conflict wordt aangetoond aan de hand van een verklaring afgegeven door een ter zake deskundige.
### Artikel 8
Als bewijs dat het gezag van de ouder is beëindigd, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, dient een afschrift van de beschikking van de rechtbank te worden overlegd.
Als bewijs dat de ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet of ontheven, bedoeld in artikel 6, onderdeel b, dient een afschrift van de beschikking van de rechtbank.
### Artikel 9
Van geen contact met de ouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, is sprake, indien de student vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt geen wezenlijk contact met de ouder had. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige te worden overlegd.
Van geen contact met de ouder als bedoeld in artikel 6, onderdeel c, is sprake, indien de studerende vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt geen wezenlijk contact met de ouder had. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige.
### Artikel 10
Van voor de student niet inbare alimentatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, is sprake, indien de alimentatie oninbaar is gedurende ten minste 12 maanden voorafgaande aan de maand waarin de student voor het eerst studiefinanciering ontvangt. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige te worden overlegd.
Van voor de studerende niet inbare alimentatie als bedoeld in artikel 6, onderdeel d, is sprake, indien de alimentatie oninbaar is gedurende ten minste 12 maanden voorafgaande aan de maand waarin de studerende voor het eerst studiefinanciering ontvangt. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige.
### Artikel 11
Artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel e, is van toepassing indien de student de verblijfplaats van de ouder niet kent en die verblijfplaats niet wordt achterhaald na onderzoek van Onze Minister gedurende ten hoogste 3 maanden onderscheidenlijk ten hoogste 6 maanden in geval van onderzoek in het buitenland.
**1.** Indien de studerende de verblijfplaats van de ouder niet kent, onderzoekt de IB-Groep in een geval als bedoeld in artikel 6, onderdeel e, de verblijfplaats van die ouder gedurende ten hoogste 3 maanden onderscheidenlijk ten hoogste 6 maanden in geval van onderzoek in het buitenland. Indien de verblijfplaats van die ouder niet wordt achterhaald, wordt geen rekening gehouden met de veronderstelde ouderlijke bijdrage.
**2.** Indien de verblijfplaats van een ouder wordt achterhaald, vraagt de IB-Groep bij die ouder of bij de belastingdienst de gegevens op over het belastbare inkomen.
### Artikel 12
**1.** Indien een student van zijn ouder alimentatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, ontvangt, komt het door de rechter vastgestelde bedrag aan alimentatie van de student in de plaats van de veronderstelde ouderlijk bijdrage. Als bewijs van de hoogte van de alimentatie dient in ieder geval de beschikking van de rechtbank of een notariële akte te worden overlegd. Het bedrag dat in het bewijsstuk wordt genoemd, wordt vermeerderd met de wettelijke indexering.
**1.** Indien een studerende van zijn ouder alimentatie als bedoeld in artikel 6, onderdeel d, ontvangt, komt de ontvangen alimentatie van de studerende in de plaats van de veronderstelde ouderlijk bijdrage. Als bewijs van de hoogte van de alimentatie dient in ieder geval de beschikking van de rechtbank of een notariële akte. Het bedrag dat in het bewijsstuk wordt genoemd, wordt vermeerderd met de wettelijke indexering.
**2.** Indien nog geen beschikking is afgegeven, wordt de door de rechter vastgestelde alimentatie van de student in de plaats van de veronderstelde ouderlijke bijdrage gesteld vanaf de ingangsdatum van de alimentatie zoals die datum door de rechter is vastgesteld.
## Hoofdstuk 3a. Kwijtschelding aanvullende beurs
### Artikel 12a
In aanvulling op het begrip partner, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, is in dit hoofdstuk slechts sprake van partner van de debiteur indien in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak het partnerschap een tijdvak van meer dan 6 maanden omvat.
### Artikel 12b
Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur zonder partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak gelijk is aan of lager is dan 1,5 maal het belastbaar minimumloon.
### Artikel 12c
**1.** Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur zonder partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak hoger is dan 1,5 maal het belastbaar minimumloon en lager is dan 2 maal het belastbaar minimumloon.
**2.** De hoogte van de kwijtschelding tussen 1,5 en 2 maal het belastbaar minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate het toetsingsinkomen hoger is.
### Artikel 12d
Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur en diens partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak gelijk is aan of lager is dan 2 maal het belastbaar minimumloon.
### Artikel 12e
**1.** Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur en diens partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak hoger is dan 2 maal het belastbaar minimumloon en lager is dan 2,5 maal het belastbaar minimumloon.
**2.** De hoogte van de kwijtschelding tussen 2 en 2,5 maal het belastbaar minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate het toetsingsinkomen hoger is.
### Artikel 12f
**1.** Onze Minister neemt een aanvraag die wordt ingediend voor 1 november van het vierde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak, niet eerder dan op die datum in behandeling, waarbij 1 november geldt als datum van indiening.
**2.** Onze Minister besluit binnen 8 weken na de indiening van een aanvraag van een debiteur om kwijtschelding van de aanvullende beurs.
**3.** Onze Minister neemt slechts een aanvraag in behandeling die wordt ingediend binnen de diplomatermijn, genoemd in de artikelen 4.9 en 5.5 van de wet, of, indien dit daarna is, binnen 5 jaren volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak.
**4.** Het kwijt te schelden bedrag wordt aan de aanvrager uitbetaald indien verrekening niet mogelijk is.
**2.** Indien nog geen beschikking is afgegeven, wordt de ontvangen alimentatie van de studerende in de plaats van de veronderstelde ouderlijk bijdrage gesteld vanaf de datum dat het verzoek bij de rechtbank is ingediend.
## Hoofdstuk 4. Uitbetaling en verrekening
### Artikel 13
**1.** Studiefinanciering wordt uitbetaald tussen de twintigste en dertigste dag van elke maand.
**1.** Studiefinanciering wordt uitbetaald door bijschrijving op de daartoe door de studerende aangewezen bank- of postbankrekening in Nederland.
**2.** Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, van de wet een beschikking op een bezwaarschrift of een uitspraak op een beroep daartoe aanleiding geeft, verrekent Onze Minister het bedrag aan studiefinanciering dat te weinig was toegekend met de betrokkene, of wordt dat bedrag ineens aan de betrokkene uitbetaald.
**2.** Studiefinanciering wordt uitbetaald tussen de twintigste en dertigste dag van elke maand.
**3.** Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, van de wet een beschikking op een bezwaarschrift of een uitspraak op een beroep daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag aan studiefinanciering dat te weinig was toegekend, aan de betrokkene ineens uitbetaald of met hem verrekend.
### Artikel 14
Vervallen
**1.** Aan een deelnemer in wiens budget de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3.2, derde lid, onderdeel a, van de wet, is opgenomen en aan wie over de maand augustus van enig kalenderjaar een aanvullende beurs is toegekend die groter is dan het bedrag van de maximale aanvullende beurs verminderd met € 90,-, wordt in die maand een voorschot verstrekt op die tegemoetkoming. Het voorschot bedraagt 12 maal deze maandelijkse tegemoetkoming voor het studiejaar dat aanvangt in dat kalenderjaar.
**2.** Het eerste lid is van toepassing indien een aanvullende beurs zou zijn toegekend ingeval de artikelen 4.3 en 4.5 van de wet niet waren toegepast.
**3.** De maandbetaling wordt met ingang van de maand augustus van het kalenderjaar waarin het voorschot is verstrekt, verminderd met eentwaalfde deel van het bedrag van het voorschot.
**4.** Ingeval de aanspraak van een deelnemer op studiefinanciering na 30 september van een studiejaar wordt beëindigd en hem niet met betrekking tot een latere maand in dat studiejaar opnieuw studiefinanciering of een tegemoetkoming als bedoeld in de hoofdstukken 5 of 10 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt toegekend, wordt het voorschot voorzover dat betrekking heeft op de maanden waarin geen aanspraak op studiefinanciering bestond, niet verrekend of teruggevorderd.
### Artikel 15
Vervallen
Ten aanzien van degenen die lesgeld zijn verschuldigd op grond van artikel 3 van de Les- en cursusgeldwet, wordt het voorschot, bedoeld in artikel 14, niet uitbetaald maar verrekend met de verplichting tot het betalen van lesgeld.
## Hoofdstuk 5. Verstrekken van inlichtingen
### Artikel 16
Het verstrekken van inlichtingen, benodigd voor de uitvoering van de wet, door organen met een publiekrechtelijke taak geschiedt binnen 8 weken na de dag van verzending van de aanvraag om inlichtingen, indien door het college van burgemeester en wethouders te verschaffen inlichtingen onderzoek buiten de basisregistratie personen noodzakelijk maken. In alle overige gevallen geschiedt het verstrekken van inlichtingen binnen 4 weken na de dag van verzending van de aanvraag om inlichtingen. Onze Minister kan bij de aanvraag om inlichtingen aangeven hoe de overdracht van informatie plaatsvindt.
**1.** Het verstrekken van inlichtingen, benodigd voor de uitvoering van de wet, door organen met een publiekrechtelijke taak geschiedt binnen 8 weken na de dag van verzending van de aanvraag om inlichtingen, indien door de gemeente te verschaffen inlichtingen onderzoek buiten de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens noodzakelijk maken. In alle overige gevallen geschiedt het verstrekken van inlichtingen binnen 4 weken na de dag van verzending van de aanvraag om inlichtingen. De IB-Groep kan bij de aanvraag om inlichtingen aangeven hoe de overdracht van informatie moet plaatsvinden.
**2.** Het eerste lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van gegevens door de inspecteur, bedoeld in artikel 9.6a van de wet.
## Hoofdstuk 6. Aanpassing van bedragen
### Artikel 17
**1.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.9, tweede lid, en 3.9a, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
**1.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.9, derde lid, en 3.17, eerste lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
**2.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 3.27, tweede lid, 4.7, 4.18, 5.2, 12.14, tweede lid, 12.15, derde lid, 12.16, eerste en tweede lid, 12.30, derde lid, en 12.31, tweede lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
**2.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 5.2, 5.4 en 10.3 van de wet per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de consumentenprijs over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
**3.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder de consumentenprijsindex en het indexcijfer van de CAO-lonen wordt verstaan.
**3.** Als indexcijfer van de CAO-lonen wordt gehanteerd de reeks CAO-lonen per maand inclusief bijzondere beloningen, zoals dat wordt berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek en bekendgemaakt in het Statistisch bulletin van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
## Hoofdstuk 7. Terugbetaling levenlanglerenkrediet in geval van samenloop
**4.** Als indexcijfer van de consumentenprijs wordt gehanteerd de reeks werknemersgezinnen met een laag inkomen, zoals dat wordt berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek en bekendgemaakt in het Statistisch bulletin van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
## Hoofdstuk 7. Omzetting tempobeurs
### Artikel 18
**1.** Indien de debiteur naast de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet ook op een andere lening aflost, wordt voor de draagkracht uitgegaan van de hoogste draagkracht die op basis van de terugbetalingsvoorwaarden behorende bij de verschillende soorten leningen die de debiteur heeft, kan worden vastgesteld.
**2.** De draagkracht wordt voor elke soort lening afzonderlijk berekend, waarna de hoogste draagkracht wordt uitgedrukt in een bedrag per maand.
**3.** Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is op wie hoofdstuk 6 van de wet van toepassing is, is artikel 6.14 van toepassing op de berekening van de draagkracht.
### Artikel 18a
**1.**
Indien de debiteur, bedoeld in artikel 6.10, tweede lid, onder c, van de wet, naast de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet ook een lening hoger onderwijs aflost en voldoende draagkracht heeft om de verschillende terugbetalingstermijnen volledig te voldoen, wordt de draagkracht als volgt verdeeld over de verschillende aflossingstermijnen:
Indien over een studiejaar de tempobeurs van een student op grond van artikel 10.7, derde lid, eerste volzin, van de wet is omgezet in lening, en die student over dat studiejaar op de voet van artikel 10.6, tweede lid, van de wet, ten minste 10 studiepunten heeft behaald, zet de IB-Groep op aanvraag van de student het desbetreffende bedrag aan lening alsnog om in gift indien de student aan de volgende voorwaarden voldoet:
a. ten hoogste 12 procent van het inkomen tussen 84 procent en 99,99 procent van het wettelijk minimumloon wordt benut voor de aflossing van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet;
b. van het bedrag aan draagkracht dat daarna nog resteert, wordt ten hoogste 12 procent van het inkomen dat uitstijgt boven 100 procent van het wettelijk minimumloon benut voor de aflossing van beide leningen, waarbij een derde deel van dat aflossingsbedrag wordt benut voor de aflossing van de lening hoger onderwijs en twee derde deel wordt benut voor de aflossing van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet.
a. hij heeft aan opleidingen waarop artikel 10.6 van de wet van toepassing is, een aantal studiepunten behaald dat ten minste gelijk is aan de voor de laatst gevolgde opleiding geldende studielast, en
b. dit aantal studiepunten is behaald binnen het aantal maanden, gemeten vanaf het tijdstip waarop de student voor het eerst studiefinanciering ontving voor het volgen van hoger onderwijs, dat de uitkomst is van de formule (studielast x 12 : 42) + 12.
**2.**
**2.** Onder studielast, genoemd in het eerste lid, wordt verstaan de studielast, bedoeld in artikel 7.4 van de WHW.
Voor de debiteur, bedoeld in artikel 6.10, tweede lid, onder a of b, van de wet, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
**3.** Het aantal maanden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verhoogd met het aantal maanden waarover de student recht heeft gehad op een financiële voorziening als bedoeld in artikel 7.51, tweede lid, van de WHW. De in de vorige volzin bedoelde verhoging omvat ten hoogste 12 maanden.
a. voor 84 procent wordt gelezen 120 procent;
b. voor 99,99 procent wordt gelezen 142,99 procent;
c. voor 100 procent wordt gelezen 143 procent.
**4.** Indien de uitkomst van de berekening van het aantal maanden, bedoeld in het tweede en derde lid, niet een geheel getal is, wordt zij afgerond op het naastgelegen gehele, hogere getal.
**3.** Indien voor de debiteur, bedoeld in artikel 6.10, tweede lid, onder a, na de toepassing van het tweede lid nog een bedrag aan draagkracht resteert, kan die draagkracht worden benut voor de aflossing van de studielening van de partner.
**5.** Indien een student gelijktijdig meer dan een opleiding volgt, geldt de studielast van de langste opleiding waarvoor studiefinanciering is verstrekt.
### Artikel 18b
**6.** Bij de omzetting gaat de rente die over het om te zetten bedrag is opgebouwd, teniet.
Indien de berekende terugbetalingstermijn hoger is dan de op grond van artikel 18 berekende draagkracht, worden aflossingen eerst afgeboekt op de terugbetalingstermijn behorende bij de lening met de kortste resterende terugbetalingsperiode, of bij een gelijke resterende terugbetalingsperiode op de lening die is ontstaan door de toekenning van het levenlanglerenkrediet.
**7.** Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien artikel 10.6, derde lid, van de wet is toegepast.
### Artikel 18c
**8.** De omzetting kan jegens een student slechts eenmaal plaatsvinden, doch niet met betrekking tot een studiejaar waarover de student te eniger tijd aanspraak heeft gehad op een financiële voorziening als bedoeld in artikel 7.51, tweede lid, van de WHW. Indien er ten behoeve van meer dan een studiejaar omzetting mogelijk is, geeft de student aan ten behoeve van welk studiejaar de omzetting dient plaats te vinden.
**1.** Indien aan de debiteur een aflossingsvrije periode, bedoeld in de artikelen 6.7, tweede lid, 10a.5, eerste lid, van de wet of artikel 4.7, tweede lid, van de Wet studiefinanciering BES, wordt toegekend, wordt de draagkracht die is vastgesteld op grond van artikel 18 opnieuw bepaald, waarbij de draagkrachtberekening behorende bij de opgeschorte lening niet langer wordt gehanteerd.
**9.** De student zendt de aanvraag uiterlijk 3 maanden na het einde van de termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, verhoogd met het aantal maanden, bedoeld in het derde lid, aan de IB-Groep. De aanvraag gaat vergezeld van gewaarmerkte verklaringen van de instelling dan wel de instellingen, waaruit de studievoortgang blijkt.
**2.** Indien het eerste lid wordt toegepast, wordt de als gevolg daarvan resterende draagkracht benut voor de terugbetalingstermijn behorende bij de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet.
### Artikel 18d
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van dit hoofdstuk.
## Hoofdstuk 8. Tegemoetkoming voor de eerste vier cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs
## Hoofdstuk 8
### Artikel 19
In dit hoofdstuk wordt onder tegemoetkoming verstaan: tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12.15, eerste lid, van de wet.
Vervallen
### Artikel 20
**1.** De tegemoetkoming wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin Onze Minister over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, ambtshalve toegekend, met dien verstande dat de toekenning aan een rechthebbende waarvan Onze Minister reeds voor of op 31 december 2024 over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, geschiedt in 2025.
**2.**
In afwijking van het eerste lid wordt de tegemoetkoming op aanvraag toegekend aan een rechthebbende op een tegemoetkoming die:
a. een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 12.15, tweede lid, onderdeel b, van de wet heeft afgerond aan een instelling waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is; en
b. die niet reeds een gewaarmerkte kopie van het aan het examen van die opleiding of opleidingen verbonden diploma aan Onze Minister heeft verstrekt in het kader van de omzettingsprocedure, bedoeld in artikel 5.9, tweede lid, van de wet.
**3.** De rechthebbende, bedoeld in het tweede lid, zendt uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs een kopie van het diploma als bedoeld in het tweede lid aan Onze Minister en dient daarbij op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze een aanvraag van de tegemoetkoming in. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. Onze Minister besluit uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.
Vervallen
### Artikel 21
**1.**
De tegemoetkoming wordt verstrekt in de vorm van:
a. een kwijtschelding van de openstaande studieschuld of een deel daarvan; of
b. een bijschrijving op de bij Onze Minister voor de toekenning van studiefinanciering bekende bankrekening, indien:
1° er op het moment van toekenning geen studieschuld openstaat; of
2° er na de kwijtschelding, bedoeld in onderdeel a, nog aanspraak op een deel van de tegemoetkoming bestaat.
**2.** Indien bij Onze Minister de benodigde gegevens van de rechthebbende op een tegemoetkoming over de bankrekening waarop de tegemoetkoming kan worden uitbetaald niet bekend zijn, wordt de rechthebbende verzocht deze gegevens binnen twaalf maanden te verstrekken. Indien de rechthebbende op een tegemoetkoming niet binnen deze termijn de gegevens aanvult, vervalt de aanspraak op de tegemoetkoming op grond van een daartoe strekkend besluit van Onze Minister.
## Hoofdstuk 8a. Tegemoetkoming voor cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs
### Artikel 21a
In dit hoofdstuk wordt onder tegemoetkoming verstaan: tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12.30, eerste lid, van de wet.
### Artikel 21b
**1.** De tegemoetkoming wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin Onze Minister over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, ambtshalve toegekend, met dien verstande dat de toekenning aan een rechthebbende waarvan Onze Minister reeds voor of op 31 december 2024 over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, geschiedt in 2025.
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de tegemoetkoming op aanvraag toegekend voor de periode waarover Onze Minister niet over de voor vaststelling van de aanspraak van een rechthebbende benodigde gegevens beschikt.
**3.** De rechthebbende, bedoeld in het tweede lid, dient uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs of, indien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, uiterlijk binnen tien jaar en drie maanden nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze een aanvraag in. Onze Minister besluit uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.
### Artikel 21c
**1.**
De tegemoetkoming wordt verstrekt in de vorm van:
a. een kwijtschelding van de openstaande studieschuld of een deel daarvan; of
b. een bijschrijving op de bij de Onze Minister voor de toekenning van studiefinanciering bekende bankrekening, indien:
1° er op het moment van toekenning geen studieschuld openstaat; of
2° er na de kwijtschelding, bedoeld in onderdeel a, nog aanspraak op een deel van de tegemoetkoming bestaat.
**2.** Indien bij Onze Minister de benodigde gegevens van de rechthebbende op een tegemoetkoming over de bankrekening waarop de tegemoetkoming kan worden uitbetaald niet bekend zijn, wordt de rechthebbende verzocht deze gegevens binnen twaalf maanden te verstrekken. Indien de rechthebbende op een tegemoetkoming niet binnen deze termijn de gegevens aanvult, vervalt de aanspraak op de tegemoetkoming op grond van een daartoe strekkend besluit van Onze Minister.
Vervallen
### Artikel 22
@ -391,27 +238,40 @@ Vervallen
### Artikel 30a
Vervallen
**1.**
Voorzover het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht, bedoeld in artikel 6.11 van de wet, wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld een aan het kalenderjaar 2001 voorafgaand kalenderjaar is, wordt voor de toepassing van artikel 2 onder gecorrigeerde belastbare minimumloon verstaan:
a. de som van:
1°. het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, getotaliseerd over de kalendermaanden van het kalenderjaar, en
2°. een bedrag gelijk aan de som van het volgens artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van toepassing zijnde percentage van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag over de 12 maanden aanvangende in de maand juni voorafgaand aan het jaar waarvoor het belastbare minimumloon wordt vastgesteld,
b. vermeerderd met het door de werkgever verschuldigde gedeelte van de premie voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet over de som van de hiervoor in onderdeel a bedoelde bedragen,
c. verminderd met het bedrag van de premies die, bij een loon gelijk aan de overeenkomstig de in onderdeel a bepaalde som, bij wijze van inhouding zouden zijn geheven ingevolge de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziektewet,
d. vermeerderd met het bedrag van de overhevelingstoeslag, berekend, overeenkomstig de bij en krachtens artikel 2 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen gestelde regels, over het uit onderdelen a, b en c resulterende bedrag, en
e. verminderd met het bedrag van de forfaitaire aftrek voor de op inkomsten uit tegenwoordige arbeid betrekking hebbende aftrekbare kosten, bedoeld in artikel 37 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
**2.** Bij de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van de wetten, genoemd in het eerste lid, zoals die luidden in het kalenderjaar waarvoor de draagkracht wordt berekend.
**3.** Indien ingevolge een of meer van de wetten, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt bij toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage gehanteerd.
**4.** Indien in de loop van het kalenderjaar de premie van een of meer van de wetten, genoemd in het eerste lid, de onderdelen b en c, wijziging ondergaat, wordt de hoogte van de premie over het gehele kalenderjaar naar evenredigheid berekend.
### Artikel 31
Vervallen
Wijzigt dit besluit.
### Artikel 32
Vervallen
Artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, en tweede lid, van het Besluit studiefinanciering zoals dat luidde op 31 december 1996, blijft van toepassing op degene die op dat tijdstip studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering genoot.
### Artikel 33
Op een ho-student die voor 1 september 2007 op grond van artikel 3a studiefinanciering ontving, blijft artikel 3a, zoals dat luidde op 31 augustus 2007, van toepassing zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering op grond van dat artikel geniet.
Wijzigt dit besluit.
### Artikel 34
Vervallen
### Artikel 34a
Artikel 17, tweede lid, is niet van toepassing in de kalenderjaren 2011 en 2012.
Wijzigt dit besluit.
## Hoofdstuk 10. Wijzigingen in andere besluiten