2011-01-01 | BWBW33099 | Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
This commit is contained in:
parent
9e51ec88a4
commit
56194bf099
1 changed files with 143 additions and 271 deletions
|
|
@ -417,35 +417,35 @@ In Amsterdam is in 2004 een kind gevonden, waarvan de afstamming niet kan worden
|
|||
|
||||
**Nederlander is het kind van een vader of moeder die ten tijde van de geboorte van het kind zijn of haar hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten en die zelf geboren is als kind van een vader of moeder die ten tijde van zijn of haar geboorte in een van die landen hoofdverblijf had, mits het kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten.**
|
||||
|
||||
Van 1 juli 1893 tot 1 januari 1985 gold de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI 1892). Onder de werking van artikel 2 sub a van de WNI 18921De laatste versie van dit artikellid luidde: ‘Nederlanders zijn ook: het kind van een tijdens de geboorte in Nederland of in Curaçao of Sint Maarten wonende vader of moeder, naar de in artikel 1, eerste lid, onder a en c, gemaakte onderscheidingen, die zelf geboren is uit een in van deze landen wonende moeder.’verkreeg een kind van rechtswege het Nederlanderschap als:
|
||||
Van 1 juli 1893 tot 1 januari 1985 gold de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI 1892). Onder de werking van artikel 2 sub a van de WNI 18921De laatste versie van dit artikellid luidde: ‘Nederlanders zijn ook: het kind van een tijdens de geboorte in Nederland of in de Nederlandse Antillen wonende vader of moeder, naar de in artikel 1, eerste lid, onder a en c, gemaakte onderscheidingen, die zelf geboren is uit een in van deze landen wonende moeder.’verkreeg een kind van rechtswege het Nederlanderschap als:
|
||||
|
||||
• zijn vader of, als het kind (juridisch gezien) geen vader had, zijn moeder in het Koninkrijk woonde op het tijdstip van zijn geboorte; en
|
||||
• de grootmoeder van vaderszijde of, als er (juridische) geen vader was, de grootmoeder van moederszijde in het Koninkrijk woonde, toen de vader c.q. de moeder werd geboren (de WNI knoopte voor wettige en door de vader erkende en gewettigde kinderen uitsluitend aan bij de woonplaats van de grootmoeder langs vaderszijde).
|
||||
|
||||
De WNI 1892 was oorspronkelijk slechts geldig op het grond gebied van het ‘Rijk’, waaronder Nederland moet worden verstaan. Dit duurde van 1893 tot 27 december 1949.
|
||||
De WNI 1892 was oorspronkelijk slechts geldig op het grond gebied van het ‘Rijk’, waaronder Nederland moet worden verstaan. Dit duurde van 1893 tot 27 december 1949.
|
||||
|
||||
Pas bij Wet van 21 december 1951 (Stb. 593), die in werking trad op 29 december 1951 en terugwerkende kracht werd verleend tot 27 december 1949, werd de werking van de WNI 1892 uitgebreid tot Suriname en Curaçao of Sint Maarten (destijds nog inclusief Aruba). Onder het begrip *Koninkrijk* in de WNI 1892 moet met terugwerkende kracht tot 27 december 1949, vanaf 1951 naast Nederland, ook worden verstaan Suriname en Curaçao of Sint Maarten, waaronder ook Aruba viel dat eerst op 1 januari 1986 status aparte kreeg. Sinds 25 november 1975 valt Suriname niet meer onder het Koninkrijk, omdat het land op dat tijdstip onafhankelijk werd.
|
||||
Pas bij Wet van 21 december 1951 (Stb. 593), die in werking trad op 29 december 1951 en terugwerkende kracht werd verleend tot 27 december 1949, werd de werking van de WNI 1892 uitgebreid tot Suriname en de Nederlandse Antillen (destijds nog inclusief Aruba). Onder het begrip *Koninkrijk* in de WNI 1892 moet met terugwerkende kracht tot 27 december 1949, vanaf 1951 naast Nederland, ook worden verstaan Suriname en de Nederlandse Antillen, waaronder ook Aruba viel dat eerst op 1 januari 1986 status aparte kreeg. Sinds 25 november 1975 valt Suriname niet meer onder het Koninkrijk, omdat het land op dat tijdstip onafhankelijk werd.
|
||||
|
||||
Op 1 januari 1985 trad de RWN in werking en deze is nog steeds geldig. Het op 1 januari 1985 inwerking getreden artikel 3, derde lid RWN is op 1 april 2003 wezenlijk gewijzigd, doordat ook de ‘grootvader’, naast ‘grootmoeder’ een rol kreeg in het artikel.
|
||||
Op 1 januari 1985 trad de RWN in werking en deze is nog steeds geldig. Het op 1 januari 1985 inwerking getreden artikel 3, derde lid RWN is op 1 april 2003 wezenlijk gewijzigd, doordat ook de ‘grootvader’, naast ‘grootmoeder’ een rol kreeg in het artikel.
|
||||
|
||||
In artikel 3, derde lid (oud) RWN2Artikel 3, derde lid (oud) RWN luidde tot 01.04.2003: ‘Nederlander is het kind van een ten tijde van zijn geboorte in Nederland, Curaçao of Sint Maarten, of Aruba wonende vader of moeder die zelf geboren is uit een in één van die landen wonende moeder.’is bepaald dat een kind Nederlander is als:
|
||||
In artikel 3, derde lid (oud) RWN2Artikel 3, derde lid (oud) RWN luidde tot 01.04.2003: ‘Nederlander is het kind van een ten tijde van zijn geboorte in Nederland, de Nederlandse Antillen, of Aruba wonende vader of moeder die zelf geboren is uit een in één van die landen wonende moeder.’is bepaald dat een kind Nederlander is als:
|
||||
|
||||
• zijn vader of moeder in Nederland, Curaçao of Sint Maarten of Aruba woonde op het tijdstip van zijn geboorte; en
|
||||
• de grootmoeder van vaderszijde of de grootmoeder van moederszijde in Nederland, Curaçao of Sint Maarten of Aruba woonde, toen de vader c.q. de moeder werd geboren (dus grootmoeder via de vader of de moeder van het kind).
|
||||
• zijn vader of moeder in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba woonde op het tijdstip van zijn geboorte; en
|
||||
• de grootmoeder van vaderszijde of de grootmoeder van moederszijde in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba woonde, toen de vader c.q. de moeder werd geboren (dus grootmoeder via de vader of de moeder van het kind).
|
||||
|
||||
Het huidige artikel 3, derde lid, RWN wijkt op drie punten af van het oude artikel 3, derde lid.
|
||||
Het huidige artikel 3, derde lid, RWN wijkt op drie punten af van het oude artikel 3, derde lid.
|
||||
|
||||
1. Hoofdverblijf neemt de plaats in van het begrip woonplaats;
|
||||
2. De grootvader krijgt naast grootmoeder ook een rol (vóór 1 april 2003 was alleen de woonplaats van een grootmoeder van belang);
|
||||
3. Het kind moet ten tijde van zijn geboorte hoofdverblijf hebben in Nederland, Curaçao of Sint Maarten of Aruba (vóór 1 april 2003 werd hoofdverblijf niet vereist).
|
||||
2. De grootvader krijgt naast grootmoeder ook een rol (vóór 1 april 2003 was alleen de woonplaats van een grootmoeder van belang);
|
||||
3. Het kind moet ten tijde van zijn geboorte hoofdverblijf hebben in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba (vóór 1 april 2003 werd hoofdverblijf niet vereist).
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 27, tweede lid, RWN is de huidige redactie van artikel 3, derde lid alleen van toepassing op kinderen geboren op of na 1 april 2003.
|
||||
Ingevolge artikel 27, tweede lid, RWN is de huidige redactie van artikel 3, derde lid alleen van toepassing op kinderen geboren op of na 1 april 2003.
|
||||
|
||||
Artikel 3, derde lid, zoals dat luidt sinds 1 april 2003, werkt dus niet terug tot 1 januari 1985. Voldeed dan ook een tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 geboren kind niet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, (oud) RWN, maar achteraf bezien wél aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN zoals die bepaling vanaf 1 april 2003 is komen te luiden, dan is het kind daarmee geen Nederlander geworden.
|
||||
Artikel 3, derde lid, zoals dat luidt sinds 1 april 2003, werkt dus niet terug tot 1 januari 1985. Voldeed dan ook een tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 geboren kind niet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, (oud) RWN, maar achteraf bezien wél aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN zoals die bepaling vanaf 1 april 2003 is komen te luiden, dan is het kind daarmee geen Nederlander geworden.
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van dit artikellid speelt de geboorteplaats van kind, ouders en grootouders geen enkele rol; uitsluitend het hoofdverblijf is bepalend. Het gaat er hier in feite om dat de derde binnen het Koninkrijk wonende (hoofdverblijf hebbende) generatie van een niet-Nederlandse familie bij geboorte van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt, omdat die generatie geacht wordt een (zeer) sterke band met Nederland, Curaçao of Sint Maarten of Aruba te hebben. Een kind kan dan ook op grond van deze bepaling het Nederlanderschap verkrijgen, zelfs als geen van zijn ouders of grootouders die nationaliteit bezit of ooit heeft bezeten.
|
||||
Voor de toepassing van dit artikellid speelt de geboorteplaats van kind, ouders en grootouders geen enkele rol; uitsluitend het hoofdverblijf is bepalend. Het gaat er hier in feite om dat de derde binnen het Koninkrijk wonende (hoofdverblijf hebbende) generatie van een niet-Nederlandse familie bij geboorte van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt, omdat die generatie geacht wordt een (zeer) sterke band met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba te hebben. Een kind kan dan ook op grond van deze bepaling het Nederlanderschap verkrijgen, zelfs als geen van zijn ouders of grootouders die nationaliteit bezit of ooit heeft bezeten.
|
||||
|
||||
Hoewel dit artikellid geen strikte territorialiteitsbepaling is, ligt het voor de hand dat in de meeste gevallen de geboorte van het kind in Nederland, Curaçao of Sint Maarten of Aruba plaats zal hebben. Geboorte van het kind binnen het Koninkrijk is echter geen vereiste om het Nederlanderschap te verkrijgen op grond van het onderhavige artikellid. Dit om te voorkomen dat een kind, dat min of meer toevallig buiten het Koninkrijk wordt geboren, de Nederlandse nationaliteit niet verkrijgt. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een gezin dat in de grensstreek woont en waarvan het kind in een ziekenhuis over de grens wordt geboren, of aan een (al dan niet onverwachte) geboorte tijdens een vakantie in het buitenland.
|
||||
Hoewel dit artikellid geen strikte territorialiteitsbepaling is, ligt het voor de hand dat in de meeste gevallen de geboorte van het kind in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba plaats zal hebben. Geboorte van het kind binnen het Koninkrijk is echter geen vereiste om het Nederlanderschap te verkrijgen op grond van het onderhavige artikellid. Dit om te voorkomen dat een kind, dat min of meer toevallig buiten het Koninkrijk wordt geboren, de Nederlandse nationaliteit niet verkrijgt. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een gezin dat in de grensstreek woont en waarvan het kind in een ziekenhuis over de grens wordt geboren, of aan een (al dan niet onverwachte) geboorte tijdens een vakantie in het buitenland.
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van dit artikellid heeft een kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf daar waar zijn beide ouders hun gewone verblijfplaats hebben. Hebben beide ouders derhalve hoofdverblijf in Nederland, dan heeft het kind eveneens hoofdverblijf in Nederland, ongeacht de plaats van geboorte. Hebben de ouders ieder een andere verblijfplaats, dan heeft het kind zijn hoofdverblijf bij de ouder die het kind verzorgt. Zie voor het begrip ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN.
|
||||
|
||||
|
|
@ -453,7 +453,7 @@ Een kind kan het Nederlanderschap zowel via de vader als via de moeder ontlenen
|
|||
|
||||
Voorwaarden voor verkrijging Nederlanderschap via de vaderlijke lijn:
|
||||
|
||||
• de vader dient op het moment van de geboorte van het kind hoofdverblijf te hebben binnen het Koninkrijk (Nederland, Curaçao of Sint Maarten of Aruba); én
|
||||
• de vader dient op het moment van de geboorte van het kind hoofdverblijf te hebben binnen het Koninkrijk (Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba); én
|
||||
• de vader is geboren als kind van een vader of moeder die ten tijde van zijn geboorte hoofdverblijf had binnen het Koninkrijk; én
|
||||
• het pasgeboren kind heeft ten tijde van zijn geboorte hoofdverblijf binnen het Koninkrijk.
|
||||
|
||||
|
|
@ -463,54 +463,55 @@ Voorwaarden verkrijging Nederlanderschap via de moederlijke lijn:
|
|||
• de moeder is geboren als kind van een vader of moeder die ten tijde van haar geboorte hoofdverblijf had binnen het Koninkrijk; én
|
||||
• het pasgeboren kind heeft ten tijde van zijn geboorte hoofdverblijf binnen het Koninkrijk.
|
||||
|
||||
N.B. Indien vóór 1 april 2003 het vaderschap van een kind gerechtelijk is vastgesteld, kan dat tot gevolg hebben gehad dat het betreffende kind geacht wordt vanaf de geboorte Nederlander te zijn ingevolge artikel 3, derde lid, RWN (zie de toelichting bij artikel 4 RWN).
|
||||
N.B. Indien vóór 1 april 2003 het vaderschap van een kind gerechtelijk is vastgesteld, kan dat tot gevolg hebben gehad dat het betreffende kind geacht wordt vanaf de geboorte Nederlander te zijn ingevolge artikel 3, derde lid, RWN (zie de toelichting bij artikel 4 RWN).
|
||||
|
||||
Een erkenning van een kind vóór zijn geboorte (als ongeboren vrucht) heeft ook nationaliteitsrechtelijke gevolg (verkrijging van het Nederlanderschap bij de geboorte), indien het kind is erkend door een niet-Nederlandse man en hij aan alle voorwaarden van dit artikellid voldoet. In dat geval heeft het kind, als een kind dat staand het huwelijk van zijn ouders is geboren, vanaf de geboorte een juridische vader.
|
||||
|
||||
Postnatale erkenning of wettiging van een kind door een niet-Nederlandse man leidt echter ook tot verkrijging de Nederlandse nationaliteit, maar dan vanaf de datum van erkenning of wettiging op grond van dit artikellid (en ook op grond van artikel 3, derde lid (oud) RWN).
|
||||
Postnatale erkenning of wettiging van een kind door een niet-Nederlandse man leidt echter ook tot verkrijging de Nederlandse nationaliteit, maar dan vanaf de datum van erkenning of wettiging op grond van dit artikellid (en ook op grond van artikel 3, derde lid (oud) RWN).
|
||||
|
||||
Indien het een prénatale of postnatale erkenning betreft naar buitenlands recht, dient deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. Dit geldt ook voor de buitenlandse wettiging zonder erkenning. Nederland is gebonden aan de CIEC-overeenkomst van Rome 10 september 1970 (TRB. 1972, nr. 61) inzake wettiging door huwelijk (zie verder de toelichting bij artikel 4, derde lid RWN).
|
||||
Indien het een prénatale of postnatale erkenning betreft naar buitenlands recht, dient deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. Dit geldt ook voor de buitenlandse wettiging zonder erkenning. Nederland is gebonden aan de CIEC-overeenkomst van Rome 10 september 1970 (TRB. 1972, nr. 61) inzake wettiging door huwelijk (zie verder de toelichting bij artikel 4, derde lid RWN).
|
||||
|
||||
Hieronder volgt een naar perioden ingedeeld overzicht van de verkrijging van al dan niet de Nederlandse nationaliteit ingevolge het oude en huidige artikel 3, derde lid in geval van postnatale erkenning of wettiging door een niet-Nederlandse man vanaf 1 januari 1985.
|
||||
Hieronder volgt een naar perioden ingedeeld overzicht van de verkrijging van al dan niet de Nederlandse nationaliteit ingevolge het oude en huidige artikel 3, derde lid in geval van postnatale erkenning of wettiging door een niet-Nederlandse man vanaf 1 januari 1985.
|
||||
|
||||
De perioden corresponderen met de wetswijzigingen die plaatshebben gehad ten aanzien van de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door erkenning als minderjarige door een man met de Nederlandse nationaliteit. Het betreft achtereenvolgens:
|
||||
|
||||
• 01.01.1985-01.04.2003;
|
||||
• 01.04.2003-01.03.2009;
|
||||
• 01.03.2009-heden.
|
||||
• 01.01.1985–01.04.2003;
|
||||
• 01.04.2003–01.03.2009;
|
||||
• 01.03.2009–heden.
|
||||
|
||||
Om te bezien of van rechtswege de Nederlandse nationaliteit is verkregen, moet worden gekeken op welke datum de erkenning dan wel de wettiging heeft plaatsgehad.
|
||||
|
||||
Tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 werd van rechtswege Nederlander het minderjarig kind dat door een Nederlandse man postnataal werd erkend of door hem werd gewettigd zonder erkenning als gevolg van een opvolgend huwelijk tussen de ouders (artikel 4 (oud) RWN).
|
||||
Tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 werd van rechtswege Nederlander het minderjarig kind dat door een Nederlandse man postnataal werd erkend of door hem werd gewettigd zonder erkenning als gevolg van een opvolgend huwelijk tussen de ouders (artikel 4 (oud) RWN).
|
||||
|
||||
Hieruit volgt dat het kind dat op of na 1 januari 1985 en vóór 1 april 2003 postnataal is erkend door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, (oud) RWN, het Nederlander schap heeft verkregen op grond van artikel 3, derde lid (oud) RWN. De Hoge Raad heeft dit bepaald in zijn beschikking van 10 juli 2009 (nr. 08/02921, LJN: BI 1122).
|
||||
Hieruit volgt dat het kind dat op of na 1 januari 1985 en vóór 1 april 2003 postnataal is erkend door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, (oud) RWN, het Nederlander schap heeft verkregen op grond van artikel 3, derde lid (oud) RWN. De Hoge Raad heeft dit bepaald in zijn beschikking van 10 juli 2009 (nr. 08/02921, LJN: BI 1122).
|
||||
|
||||
Dit betekent dat een minderjarig kind dat tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 is erkend door een ten tijde van zijn geboorte in het Koninkrijk wonende niet-Nederlandse man, die zelf geboren is uit een in het Koninkrijk wonende niet-Nederlandse moeder, Nederlander wordt. In dat geval verkrijgt het kind het Nederlanderschap niet vanaf zijn geboorte, maar vanaf de datum van erkenning, omdat het kind eerst vanaf de datum van de erkenning een juridische vader heeft.
|
||||
Dit betekent dat een minderjarig kind dat tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 is erkend door een ten tijde van zijn geboorte in het Koninkrijk wonende niet-Nederlandse man, die zelf geboren is uit een in het Koninkrijk wonende niet-Nederlandse moeder, Nederlander wordt. In dat geval verkrijgt het kind het Nederlanderschap niet vanaf zijn geboorte, maar vanaf de datum van erkenning, omdat het kind eerst vanaf de datum van de erkenning een juridische vader heeft.
|
||||
|
||||
Dit geldt ook voor kinderen die tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 zonder erkenning zijn gewettigd door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid (oud) RWN. Deze kinderen verkrijgen het Nederlanderschap vanaf de datum van het (opvolgend) huwelijk op grond van artikel 3, derde lid (oud) RWN.
|
||||
Dit geldt ook voor kinderen die tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 zonder erkenning zijn gewettigd door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid (oud) RWN. Deze kinderen verkrijgen het Nederlanderschap vanaf de datum van het (opvolgend) huwelijk op grond van artikel 3, derde lid (oud) RWN.
|
||||
|
||||
De voorwaarden in de periode 1 januari 1985 tot 1 april 2003 zijn dus als volgt.
|
||||
De voorwaarden in de periode 1 januari 1985 tot 1 april 2003 zijn dus als volgt.
|
||||
|
||||
• Postnatale erkenning of wettiging zonder erkenning;
|
||||
• van een minderjarig kind;
|
||||
• in de periode 1 januari 1985 tot 1 april 2003;
|
||||
• door een man/juridische vader (biologisch vaderschap niet van belang) met een vreemde nationaliteit; en
|
||||
• de vader is zelf geboren uit een moeder met een vreemde nationaliteit die ten tijde van de geboorte van de vader woonplaats in het Koninkrijk had.
|
||||
• in de periode 1 januari 1985 tot 1 april 2003;
|
||||
• door een man/juridische vader (biologisch vaderschap niet van belang) met een vreemde nationaliteit;
|
||||
• de erkennende vader had ten tijde van de geboorte van het minderjarige kind zijn woonplaats in het Koninkrijk; en
|
||||
• de vader is zelf geboren uit een moeder met een vreemde nationaliteit die ten tijde van de geboorte van de vader woonplaats in het Koninkrijk had;
|
||||
|
||||
Kinderen die op of na 1 april 2003 en vóór 1 maart 2009 postnataal zijn erkend of zijn gewettigd (zonder erkenning) door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN, verkrijgen *niet* het Nederlanderschap op grond van het huidig artikel 3, derde lid, RWN.
|
||||
Kinderen die op of na 1 april 2003 en vóór 1 maart 2009 postnataal zijn erkend of zijn gewettigd (zonder erkenning) door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN, verkrijgen *niet* het Nederlanderschap op grond van het huidig artikel 3, derde lid, RWN.
|
||||
|
||||
Dit komt doordat tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 een postnatale erkenning en een wettiging (zonder erkenning) door een Nederlandse man ook niet van rechtswege de verkrijging van het Nederlanderschap tot gevolg had.
|
||||
Dit komt doordat tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 een postnatale erkenning en een wettiging (zonder erkenning) door een Nederlandse man ook niet van rechtswege de verkrijging van het Nederlanderschap tot gevolg had.
|
||||
|
||||
De beschikking van de Hoge Raad geeft dus geen aanleiding om het beleid rond de toepassing van artikel 3, derde lid RWN gedurende deze periode aan te passen.
|
||||
De beschikking van de Hoge Raad geeft dus geen aanleiding om het beleid rond de toepassing van artikel 3, derde lid RWN gedurende deze periode aan te passen.
|
||||
|
||||
Per 1 maart 2009 heeft een postnatale erkenning en wettiging (zonder erkenning) door een Nederlander opnieuw de Nederlandse nationaliteit van rechtswege tot gevolg voor een minderjarig kind (artikel 4, tweede lid, RWN en verder).
|
||||
Per 1 maart 2009 heeft een postnatale erkenning en wettiging (zonder erkenning) door een Nederlander opnieuw de Nederlandse nationaliteit van rechtswege tot gevolg voor een minderjarig kind (artikel 4, tweede lid, RWN en verder).
|
||||
|
||||
Indien het kind op het moment van de erkenning door een Nederlandse man zeven jaar of ouder is, moet worden aangetoond dat deze man zijn biologische vader is. Dit gebeurt door middel van een DNA-test van een laboratorium als bedoeld in het besluit DNA-onderzoek vaderschap (Stb. 2008, 417).
|
||||
Indien het kind op het moment van de erkenning door een Nederlandse man zeven jaar of ouder is, moet worden aangetoond dat deze man zijn biologische vader is. Dit gebeurt door middel van een DNA-test van een laboratorium als bedoeld in het besluit DNA-onderzoek vaderschap (Stb. 2008, 417).
|
||||
|
||||
Voor kinderen die vóór hun meerderjarigheid op of na 1 maart 2009 postnataal zijn erkend of gewettigd (zonder erkenning) door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid RWN, geldt dan het volgende.
|
||||
Voor kinderen die vóór hun meerderjarigheid op of na 1 maart 2009 postnataal zijn erkend of gewettigd (zonder erkenning) door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid RWN, geldt dan het volgende.
|
||||
|
||||
a. Het kind dat op of na 1 maart 2009 postnataal is erkend door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid RWN, en op het moment van de erkenning jonger dan zeven was of is gewettigd door een niet-Nederlandse man gedurende zijn minderjarigheid, verkrijgt het Nederlanderschap op grond van artikel 3, derde lid, RWN vanaf datum erkenning of datum (opvolgend) huwelijk.
|
||||
b. Het kind dat postnataal is erkend op of na 1 maart 2009 door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid RWN, en zeven jaar en ouder was ten tijde van de erkenning, verkrijgt het Nederlanderschap vanaf de datum van de erkenning nadat gerechtelijk is vastgesteld dat de erkenner de biologische vader is van het kind of nadat de erkenner bewijs heeft overgelegd van het biologisch vaderschap, dat voldoet aan de eisen die aan DNA-onderzoek worden gesteld op grond van het Besluit DNA-onderzoek vaderschap.
|
||||
a. Het kind dat op of na 1 maart 2009 postnataal is erkend door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid RWN, en op het moment van de erkenning jonger dan zeven was of is gewettigd door een niet-Nederlandse man gedurende zijn minderjarigheid, verkrijgt het Nederlanderschap op grond van artikel 3, derde lid, RWN vanaf datum erkenning of datum (opvolgend) huwelijk.
|
||||
b. Het kind dat postnataal is erkend op of na 1 maart 2009 door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid RWN, en zeven jaar en ouder was ten tijde van de erkenning, verkrijgt het Nederlanderschap vanaf de datum van de erkenning nadat gerechtelijk is vastgesteld dat de erkenner de biologische vader is van het kind of nadat de erkenner bewijs heeft overgelegd van het biologisch vaderschap, dat voldoet aan de eisen die aan DNA-onderzoek worden gesteld op grond van het Besluit DNA-onderzoek vaderschap.
|
||||
|
||||
De voorwaarden in de periode op of na 1 maart 2009 zijn dus als volgt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -523,19 +524,19 @@ De voorwaarden in de periode op of na 1 maart 2009 zijn dus als volgt.
|
|||
|
||||
De rechter bijvoorbeeld bedoeld in artikel 17 RWN kan deze vaststelling doen.
|
||||
|
||||
Een verzoekschrift ex artikel 17 RWN kan worden ingediend bij de rechtbank ’s-Gravenhage of het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Curaçao of Sint Maarten of Aruba. Een rechterlijke uitspraak op grond van artikel 1:207 BW, waarin de rechter heeft vastgesteld dat de erkenner de biologische vader is van de erkende, is eveneens een voldoende bewijsstuk.
|
||||
Een verzoekschrift ex artikel 17 RWN kan worden ingediend bij de rechtbank ’s-Gravenhage of het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen of Aruba. Een rechterlijke uitspraak op grond van artikel 1:207 BW, waarin de rechter heeft vastgesteld dat de erkenner de biologische vader is van de erkende, is eveneens een voldoende bewijsstuk.
|
||||
|
||||
Bovendien moet worden geoordeeld dat het redelijkerwijs zo moet zijn dat bij het erkende kind de Nederlandse nationaliteit in de GBA kan worden opgenomen indien sprake is van:
|
||||
|
||||
• Een vreemdeling die op of na 1 maart 2009 is erkend tijdens zijn minderjarigheid, maar wel op dat moment ouder dan zes jaar is,
|
||||
• door een vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid RWN (zie hierboven) en
|
||||
• door een vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid RWN (zie hierboven) en
|
||||
• er voldoende betrouwbaar te achten bewijs van biologisch vaderschap van de erkenner wordt overgelegd.
|
||||
|
||||
In beginsel is de bewijsvoering ter zake van het biologisch vaderschap hierbij vrij. Er is namelijk ten aanzien van de hier aan de orde zijnde kwestie geen nationaliteitsrechtelijke regelgeving. Dit betekent echter niet dat ten behoeve van de vermelding van de Nederlandse nationaliteit in de GBA genoegen kan en mag worden genomen met ongeacht welk onderzoeksrapport op het gebied van vaderschapsvaststelling. Vastgesteld moet worden dat aan op een andere wijze dan volgens de wijze als neergelegd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (Stb. 2008, 417) tot standgekomen testresultaten niet hetzelfde gewicht kan en mag worden gegeven als aan rapporten die dat wel zijn. De wijze van identiteitsvaststelling van degenen die het DNA-materiaal hebben afgestaan en de wijze waarop en door wie het materiaal wordt afgenomen zijn daarbij wezenlijke verschillen.
|
||||
In beginsel is de bewijsvoering ter zake van het biologisch vaderschap hierbij vrij. Er is namelijk ten aanzien van de hier aan de orde zijnde kwestie geen nationaliteitsrechtelijke regelgeving. Dit betekent echter niet dat ten behoeve van de vermelding van de Nederlandse nationaliteit in de GBA genoegen kan en mag worden genomen met ongeacht welk onderzoeksrapport op het gebied van vaderschapsvaststelling. Vastgesteld moet worden dat aan op een andere wijze dan volgens de wijze als neergelegd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (Stb. 2008, 417) tot standgekomen testresultaten niet hetzelfde gewicht kan en mag worden gegeven als aan rapporten die dat wel zijn. De wijze van identiteitsvaststelling van degenen die het DNA-materiaal hebben afgestaan en de wijze waarop en door wie het materiaal wordt afgenomen zijn daarbij wezenlijke verschillen.
|
||||
|
||||
Om deze reden geldt dat bij het overleggen van bewijs dat voldoet aan alle voorwaarden genoemd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (zie artikel 4, zesde lid, RWN) er voldoende zekerheid is omtrent het biologisch vaderschap om de verkrijging van het Nederlanderschap door de erkende op te nemen in de GBA.
|
||||
Om deze reden geldt dat bij het overleggen van bewijs dat voldoet aan alle voorwaarden genoemd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (zie artikel 4, zesde lid, RWN) er voldoende zekerheid is omtrent het biologisch vaderschap om de verkrijging van het Nederlanderschap door de erkende op te nemen in de GBA.
|
||||
|
||||
Ter zake van overgelegd bewijs dat *niet* voldoet aan alle voorwaarden genoemd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (zie artikel 4, zesde lid, RWN) moet worden vastgesteld dat, om reden dat de exacte bewijswaarde niet kan worden beoordeeld door de gemeente, moet worden geoordeeld dat sprake is van onvoldoende bewijslevering van het biologisch vaderschap. Dit betekent dat een verkrijging van van het Nederlanderschap door de erkende niet kan worden opgenomen in de GBA.
|
||||
Ter zake van overgelegd bewijs dat *niet* voldoet aan alle voorwaarden genoemd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (zie artikel 4, zesde lid, RWN) moet worden vastgesteld dat, om reden dat de exacte bewijswaarde niet kan worden beoordeeld door de gemeente, moet worden geoordeeld dat sprake is van onvoldoende bewijslevering van het biologisch vaderschap. Dit betekent dat een verkrijging van van het Nederlanderschap door de erkende niet kan worden opgenomen in de GBA.
|
||||
|
||||
Tijdens de vakantie in Nederland van een in Duitsland wonend Duits echtpaar wordt in Haarlem hun zoon A geboren. A trouwt in 2000 met een Française, die geboren is in Frankrijk uit aldaar wonende ouders. Tijdens de vakantie van A en zijn echtgenote, die beiden in Frankrijk wonen, wordt in 2004 in Vlissingen zoon B geboren.
|
||||
|
||||
|
|
@ -543,11 +544,11 @@ B, geboren in Nederland, als zoon van een vader die ook in Nederland is geboren,
|
|||
|
||||
In 2004 wordt in Marokko kind A geboren, zoon van een te Rotterdam wonend Marokkaans echtpaar. De moeder is uitsluitend in verband met de geboorte van het kind voor slechts korte tijd naar Marokko gegaan en spoedig na de geboorte met het kind naar Nederland teruggekeerd. Toen vader B geboren werd woonden zijn ouders in Frankrijk en toen moeder C geboren werd woonde haar vader in België en haar moeder in Nederland.
|
||||
|
||||
A is (behalve Marokkaan ook) Nederlander ingevolge artikel 3, derde lid, RWN.
|
||||
A is (behalve Marokkaan ook) Nederlander ingevolge artikel 3, derde lid, RWN.
|
||||
|
||||
Het feit dat C ten tijde van de geboorte van A in Marokko verbleef, wil niet zeggen dat zij daardoor geen hoofdverblijf meer had in Nederland. Aangezien haar korte verblijf in Marokko uitsluitend verband hield met de geboorte van A en zij spoedig na die geboorte met het kind naar Nederland is teruggekeerd, moet zij geacht worden haar hoofdverblijf in Nederland te hebben behouden. Nu beide ouders van A ten tijde van zijn geboorte hoofdverblijf hadden in Nederland, heeft ook A op dat tijdstip daar hoofdverblijf.
|
||||
|
||||
De geboorteplaats van A of die van zijn ouders, c.q. grootouders, speelt geen enkele rol. A voldoet via de moederlijke lijn aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN. Immers, ten tijde van zijn geboorte hadden hij en zijn moeder C hoofdverblijf in Nederland en C is geboren als kind van een moeder die ten tijde van de geboorte van C hoofdverblijf had in Nederland.
|
||||
De geboorteplaats van A of die van zijn ouders, c.q. grootouders, speelt geen enkele rol. A voldoet via de moederlijke lijn aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN. Immers, ten tijde van zijn geboorte hadden hij en zijn moeder C hoofdverblijf in Nederland en C is geboren als kind van een moeder die ten tijde van de geboorte van C hoofdverblijf had in Nederland.
|
||||
|
||||
D is in 2004 in Nederland geboren als kind van de in Nederland wonende Turkse moeder E en de in België wonende Turkse vader F. De moeder is in België geboren uit aldaar wonende ouders en de vader is geboren uit een in Nederland wonende moeder.
|
||||
|
||||
|
|
@ -557,11 +558,11 @@ Niet mag worden gesteld dat D Nederlander is vanwege het feit dat hij bij geboor
|
|||
|
||||
Volgen we de vaderlijke lijn, dan moeten we al bij de vader stoppen, omdat die bij de geboorte van D geen hoofdverblijf had binnen het Koninkrijk (hij woonde in België). Volgen we de moederlijke lijn, dan moeten we stoppen bij de grootouders van moederszijde, omdat die ten tijde van de geboorte van de moeder van D in België woonden.
|
||||
|
||||
Conclusie is dan ook, dat D noch via de moederlijke, noch via de vaderlijke lijn, Nederlander is ingevolge artikel 3, derde lid, RWN. Hij heeft bij zijn geboorte niet de Nederlandse nationaliteit verkregen.
|
||||
Conclusie is dan ook, dat D noch via de moederlijke, noch via de vaderlijke lijn, Nederlander is ingevolge artikel 3, derde lid, RWN. Hij heeft bij zijn geboorte niet de Nederlandse nationaliteit verkregen.
|
||||
|
||||
Van een Turks echtpaar is zowel de man als de vrouw in Nederland geboren uit in Nederland wonende ouders. De vrouw heeft zich in Turkije gevestigd en de man is in Nederland blijven wonen. In 2004 wordt in Turkije uit de vrouw kind G geboren. Het kind blijft in Turkije bij de moeder, door wie het vanaf de geboorte wordt verzorgd. Kind G verkrijgt bij zijn geboorte niet het Nederlanderschap op grond van artikel 3, derde lid, RWN. De vader heeft weliswaar ten tijde van de geboorte van het kind zijn hoofdverblijf in Nederland en hij is zelf geboren uit in Nederland wonende ouders, doch kind G heeft ten tijde van zijn geboorte geen hoofdverblijf in Nederland, maar in Turkije (bij zijn moeder, door wie hij wordt verzorgd).
|
||||
Van een Turks echtpaar is zowel de man als de vrouw in Nederland geboren uit in Nederland wonende ouders. De vrouw heeft zich in Turkije gevestigd en de man is in Nederland blijven wonen. In 2004 wordt in Turkije uit de vrouw kind G geboren. Het kind blijft in Turkije bij de moeder, door wie het vanaf de geboorte wordt verzorgd. Kind G verkrijgt bij zijn geboorte niet het Nederlanderschap op grond van artikel 3, derde lid, RWN. De vader heeft weliswaar ten tijde van de geboorte van het kind zijn hoofdverblijf in Nederland en hij is zelf geboren uit in Nederland wonende ouders, doch kind G heeft ten tijde van zijn geboorte geen hoofdverblijf in Nederland, maar in Turkije (bij zijn moeder, door wie hij wordt verzorgd).
|
||||
|
||||
Had de moeder van G haar hoofdverblijf in Nederland, maar is zij uitsluitend in verband met de geboorte van het kind voor slechts korte tijd naar Turkije gegaan en spoedig na de geboorte met G naar Nederland teruggekeerd, dan moeten zij en G geacht worden ten tijde van de geboorte van het kind hoofdverblijf te hebben gehad in Nederland, waardoor G dus wel Nederlander is ingevolge artikel 3, derde lid, RWN.
|
||||
Had de moeder van G haar hoofdverblijf in Nederland, maar is zij uitsluitend in verband met de geboorte van het kind voor slechts korte tijd naar Turkije gegaan en spoedig na de geboorte met G naar Nederland teruggekeerd, dan moeten zij en G geacht worden ten tijde van de geboorte van het kind hoofdverblijf te hebben gehad in Nederland, waardoor G dus wel Nederlander is ingevolge artikel 3, derde lid, RWN.
|
||||
|
||||
Kinderen K en I worden respectievelijk in 1999 en 2001 geboren in Nederland als natuurlijke kinderen van een in Nederland woonachtige Moldavische vrouw.
|
||||
|
||||
|
|
@ -569,15 +570,15 @@ Op 12 november 2002 worden deze kinderen erkend door een Turkse man. Deze man is
|
|||
|
||||
Hij is tevens getogen in Nederland en woont en werkt in Nederland. De kinderen wonen en leven sinds hun geboorte met moeder en vader als gezin samen in Nederland.
|
||||
|
||||
K en I zijn Nederlander vanaf 12 november 2002 (datum van de erkenning) op grond van artikel 3, derde lid (oud) RWN, nu zij als minderjarigen vóór 1 april 2003 zijn erkend door een ten tijde van hun geboorte in Nederland wonende man die zelf geboren is uit in Nederland wonende (Turkse) moeder.
|
||||
K en I zijn Nederlander vanaf 12 november 2002 (datum van de erkenning) op grond van artikel 3, derde lid (oud) RWN, nu zij als minderjarigen vóór 1 april 2003 zijn erkend door een ten tijde van hun geboorte in Nederland wonende man die zelf geboren is uit in Nederland wonende (Turkse) moeder.
|
||||
|
||||
Kind J wordt op drie jarige leeftijd in 2004 gewettigd in Turkije door het opvolgend huwelijk tussen zijn Turkse moeder en een Turkse man. J is geboren in Nederland en woont daar ook. De Turkse wettiging kan worden erkend in Nederland op grond van het CIEC-verdrag van Rome. De Turkse vader wordt de juridische vader van J. Voorts wordt aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid RWN voldaan. Echter, J verkrijgt niet van rechtswege met ingang van datum erkenning het Nederlanderschap op grond van artikel 3, derde lid RWN, want tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 verkreeg ook het kind dat door een Nederlander was gewettigd van niet rechtswege het Nederlanderschap. Met andere woorden wettiging door een Nederlander had toen niet automatisch de Nederlandse nationaliteit tot gevolg en dus ook niet op grond van artikel 3, derde lid, RWN.
|
||||
Kind J wordt op drie jarige leeftijd in 2004 gewettigd in Turkije door het opvolgend huwelijk tussen zijn Turkse moeder en een Turkse man. J is geboren in Nederland en woont daar ook. De Turkse wettiging kan worden erkend in Nederland op grond van het CIEC-verdrag van Rome. De Turkse vader wordt de juridische vader van J. Voorts wordt aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid RWN voldaan. Echter, J verkrijgt niet van rechtswege met ingang van datum erkenning het Nederlanderschap op grond van artikel 3, derde lid RWN, want tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 verkreeg ook het kind dat door een Nederlander was gewettigd van niet rechtswege het Nederlanderschap. Met andere woorden wettiging door een Nederlander had toen niet automatisch de Nederlandse nationaliteit tot gevolg en dus ook niet op grond van artikel 3, derde lid, RWN.
|
||||
|
||||
Kind K is in 2000 geboren in Amsterdam uit een aldaar wonende Surinaamse moeder. Op 1 augustus 2009 wordt K erkend te Amsterdam door een Ghanese man, wiens vader hoofdverblijf had in Nederland ten tijde van zijn geboorte. De Ghanese man heeft hoofdverblijf in Nederland vanaf zijn geboorte. Bij de gemeente wordt vrijwillig DNA-bewijs overgelegd van Baseclear/Verilabs, waaruit blijkt dat het DNA-materiaal is afgenomen op het kantoor van Verilabs en dat de Ghanese vader voor 99,9 % de biologische vader is van K.
|
||||
Kind K is in 2000 geboren in Amsterdam uit een aldaar wonende Surinaamse moeder. Op 1 augustus 2009 wordt K erkend te Amsterdam door een Ghanese man, wiens vader hoofdverblijf had in Nederland ten tijde van zijn geboorte. De Ghanese man heeft hoofdverblijf in Nederland vanaf zijn geboorte. Bij de gemeente wordt vrijwillig DNA-bewijs overgelegd van Baseclear/Verilabs, waaruit blijkt dat het DNA-materiaal is afgenomen op het kantoor van Verilabs en dat de Ghanese vader voor 99,9 % de biologische vader is van K.
|
||||
|
||||
K is Nederlander met ingang van 1 augustus 2009 op grond van artikel 3, derde lid RWN. Immers, voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN.
|
||||
K is Nederlander met ingang van 1 augustus 2009 op grond van artikel 3, derde lid RWN. Immers, voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN.
|
||||
|
||||
Per 1 april 2003 kan immers een kind ingevolge dit artikellid ook het Nederlanderschap verkrijgen via de vaderlijke lijn. Daarnaast verkrijgt per 1 maart 2009 een minderjarige van zeven jaar en ouder weer van rechtswege de Nederlandse nationaliteit als hij door een Nederlander is erkend en DNA-bewijs wordt overgelegd. Het overgelegd DNA-bewijs, waaruit biologisch vaderschap van de erkenner blijkt, voldoet tenslotte aan de eisen gesteld in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap.
|
||||
Per 1 april 2003 kan immers een kind ingevolge dit artikellid ook het Nederlanderschap verkrijgen via de vaderlijke lijn. Daarnaast verkrijgt per 1 maart 2009 een minderjarige van zeven jaar en ouder weer van rechtswege de Nederlandse nationaliteit als hij door een Nederlander is erkend en DNA-bewijs wordt overgelegd. Het overgelegd DNA-bewijs, waaruit biologisch vaderschap van de erkenner blijkt, voldoet tenslotte aan de eisen gesteld in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap.
|
||||
|
||||
## 4
|
||||
|
||||
|
|
@ -2420,9 +2421,9 @@ De burgemeester zendt de volgende stukken in kopie (conform origineel) aan de Im
|
|||
|
||||
Voornoemde stukken zijn nodig in verband met de opname van deze documenten in het nationaliteitenregister (artikel 12, eerste lid, BVVN) en om de afstandsprocedure van de optant (indien van toepassing) te controleren.
|
||||
|
||||
Het uitwisselingsformulier als bedoeld in de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit moet volledig worden ingevuld bij de verkrijging van het Nederlanderschap door een persoon met de nationaliteit van: België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal en Turkije (Model 1.35).
|
||||
Indien van toepassing moet een uitwisselingsformulier betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit (model 1.35) worden opgemaakt en worden verzonden naar het land van herkomst. Dit is, ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
|
||||
|
||||
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 (Model 1.35a) toe. De burgemeester maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder. Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door optie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.
|
||||
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 (Model 1.35a) toe. De burgemeester maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder. Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door optie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.
|
||||
|
||||
N.B. Indien de persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel wordt geen uitwisselingsformulier opgemaakt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2434,7 +2435,7 @@ Daarnaast stelt hij, indien de medeverkrijging betrekking heeft op een kind dat
|
|||
|
||||
Bovendien wordt de politie van de woonplaats van betrokkene(n) door de burgemeester op de hoogte gesteld.
|
||||
|
||||
Indien naamsvaststelling heeft plaatsgevonden, worden ook de Centrale Justitiële documentatiedienst en -indien in Nederland de ambtenaar van de burgerlijke stand een geboorteakte heeft opgemaakt- de betreffende ambtenaar van de burgerlijke stand op de hoogte gesteld. Dit geldt ook voor naamsvaststellingen die gevolgen hebben voor de namen van de kinderen van de optant, van welke kinderen in Nederland bij de ambtenaar van de burgerlijke stand geboorteakten zijn opgemaakt.
|
||||
Indien naamsvaststelling heeft plaatsgevonden, worden ook de Centrale Justitiële documentatiedienst en – indien in Nederland de ambtenaar van de burgerlijke stand een geboorteakte heeft opgemaakt – de betreffende ambtenaar van de burgerlijke stand op de hoogte gesteld. Dit geldt ook voor naamsvaststellingen die gevolgen hebben voor de namen van de kinderen van de optant, van welke kinderen in Nederland bij de ambtenaar van de burgerlijke stand geboorteakten zijn opgemaakt.
|
||||
|
||||
###### 2.6.1. Administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie
|
||||
|
||||
|
|
@ -3307,14 +3308,14 @@ De burgemeester zendt het verzoek om naturalisatie, de door hem over de verzoeke
|
|||
|
||||
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen (artikel 9, vierde lid, RWN). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing (artikel 38, eerste lid, BVVN). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot aanhouding van verzoeken worden per aangetekende post aan verzoeker verzonden. In geval van een positieve beslissing stuurt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zo snel mogelijk aan de burgemeester van de woonplaats van de verzoeker. De burgemeester draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit. (Zie ook paragraaf 3.13.) Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de mee-genaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
|
||||
|
||||
Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, als bedoeld in de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal en Turkije (model 1.35). Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit maakt de IND, na ontvangst van het terugmeldformulier, een formulier op gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 (Model 1.35a) toe. De IND maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige die door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door naturalisatie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.
|
||||
Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit (model 1.35). Dit is, ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
|
||||
|
||||
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit maakt de IND, na ontvangst van het terugmeldformulier, een formulier op gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 (Model 1.35a) toe. De IND maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige die door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door naturalisatie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.
|
||||
|
||||
Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.
|
||||
|
||||
N.B. Indien de persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel wordt geen uitwisselingsformulier opgemaakt.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
##### 3.11. Bezwaar
|
||||
|
||||
Een beslissing tot buitenbehandelingstelling, aanhouding of afwijzing van een verzoek om naturalisatie of tot afwijzing van een verzoek om medeverlening, is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen een bezwaarschrift kan worden ingediend (de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb zijn van toepassing). Voorts kan in de volgende gevallen bezwaar worden ingediend:
|
||||
|
|
@ -3903,8 +3904,8 @@ De verzoeker kan een beroep doen op de vrijstellingsgrond geformuleerd in artike
|
|||
|
||||
De verzoeker kan een beroep doen op de gedeeltelijke vrijstellingsgronden als genoemd in artikel 4 van de Regeling naturalisatietoets Nederland. Indien verzoeker voor gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen in aanmerking wil komen dient hij het volgende te overleggen:
|
||||
|
||||
– een certificaat oudkomers als bedoeld in de Regeling certificaat oudkomers, met daarop de aantekening dat voor de onderdelen Lezen, Spreken, Schrijven en Luisteren tenminste het niveau 2 van referentie kader NT2 is behaald; én
|
||||
– een door het college van burgemeester en wethouders afgegeven gewaarmerkte kopie over de verklaring van de onderwijsinstelling waar de NT2-profieltoets is afgelegd.
|
||||
• een certificaat oudkomers als bedoeld in de Regeling certificaat oudkomers, met daarop de aantekening dat voor de onderdelen Lezen, Spreken, Schrijven en Luisteren tenminste het niveau 2 van referentie kader NT2 is behaald; én
|
||||
• een door het college van burgemeester en wethouders afgegeven gewaarmerkte kopie over de verklaring van de onderwijsinstelling waar de NT2-profieltoets is afgelegd.
|
||||
|
||||
De verzoeker die een beroep doet op vrijstelling van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) dient nog wel het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) af te leggen. Dit toont verzoeker aan door de door de DUO verstrekte resultatenbrief van het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) te overleggen, met het resultaat ‘geslaagd’.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3922,13 +3923,13 @@ Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt hij de resultatenbrief e
|
|||
|
||||
Van het afleggen van het examen kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) is vrijgesteld de verzoeker die aantoont dat hij bij het op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (1998–2006) behaalde Certificaat Inburgering het onderdeel Maatschappij Oriëntatie met een voor de naturalisatie voldoende niveau heeft behaald.
|
||||
|
||||
Het niveau van het onderdeel Maatschappij Oriëntatie wordt als voldoende beoordeeld indien het hier het niveau 2 van de Kwalificatiestructuur Educatie (KSE) betreft. Het behaalde niveau moet blijken uit het Certificaat Inburgering of de bij het Certificaat behorende ROC-verklaring. Indien op deze twee bescheiden het behaalde KSE-niveau niet is vermeld, geldt dat geconcludeerd moet worden dat het niveau 2 KSE is behaald indien de score 85% of hoger is (tot en met 31 augustus 2001) of 80% of hoger is (vanaf 1 september 2001). De datum van de ROC-verklaring is bepalend voor de vaststelling welk percentage dient te zijn behaald. Indien betrokkene is vrijgesteld van het vorengenoemd onderdeel en voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen slaagt, dan krijgt hij voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen een resultatenbrief. De overige onderdelen van het inburgeringsexamen zijn: het decentraal praktijkdeel (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan), de Toets Gesproken Nederlands (TGN) en het Elektronisch Praktijkexamen (EPE).
|
||||
Het niveau van het onderdeel Maatschappij Oriëntatie wordt als voldoende beoordeeld indien het hier het niveau 2 van de Kwalificatiestructuur Educatie (KSE) betreft. Het behaalde niveau moet blijken uit het Certificaat Inburgering of de bij het Certificaat behorende ROC-verklaring. Indien op deze twee bescheiden het behaalde KSE-niveau niet is vermeld, geldt dat geconcludeerd moet worden dat het niveau 2 KSE is behaald indien de score 85% of hoger is (tot en met 31 augustus 2001) of 80% of hoger is (vanaf 1 september 2001). De datum van de ROC-verklaring is bepalend voor de vaststelling welk percentage dient te zijn behaald. Indien betrokkene is vrijgesteld van het vorengenoemd onderdeel en voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen slaagt, dan krijgt hij voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen een resultatenbrief. De overige onderdelen van het inburgeringsexamen zijn: het decentraal praktijkdeel (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan), de Toets Gesproken Nederlands (TGN) en het Elektronisch Praktijkexamen (EPE).
|
||||
|
||||
Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het Certificaat inburgering Nieuwkomers en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat het onderdeel Maatschappij Oriëntatie met niveau 2 KSE is beoordeeld én:
|
||||
|
||||
– de resultatenbrief van het inburgeringsexamen waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor de onderdelen EPE, TGN en het decentraal praktijkdeel; of
|
||||
– een verklaring educatie waaruit blijkt dat ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald, dan wel ten minste het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Het document dient te zijn afgegeven op basis op basis van de resultaten van een toets ter afronding van een NT2-taaltraject; of
|
||||
– het certificaat als bedoeld in artikel 4, eerste lid Regeling naturalisatietoets Nederland (het oudkomers Certificaat) met daarop de aantekening dat voor de onderdelen Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken is behaald ten minste het niveau 2 van het referentiekader NT2.
|
||||
• de resultatenbrief van het inburgeringsexamen waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor de onderdelen EPE, TGN en het decentraal praktijkdeel; of
|
||||
• een verklaring educatie waaruit blijkt dat ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald, dan wel ten minste het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Het document dient te zijn afgegeven op basis op basis van de resultaten van een toets ter afronding van een NT2-taaltraject; of
|
||||
• het certificaat als bedoeld in artikel 4, eerste lid Regeling naturalisatietoets Nederland (het oudkomers Certificaat) met daarop de aantekening dat voor de onderdelen Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken is behaald ten minste het niveau 2 van het referentiekader NT2.
|
||||
|
||||
Van het afleggen van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) is vrijgesteld de verzoeker die aantoont dat hij in het op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (1998–2006) behaalde Certificaat Inburgering Nieuwkomers, het onderdeel Nederlands als Tweede Taal heeft behaald met een voor de onderdelen Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken voldoende niveau voor de naturalisatie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3936,9 +3937,9 @@ Het niveau van het onderdeel Nederlands als Tweede Taal wordt als voldoende beoo
|
|||
|
||||
Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het Certificaat inburgering Nieuwkomers, en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat de taalonderdelen lezen, schrijven, luisteren en spreken ten minste met niveau 2 KSE is beoordeeld én:
|
||||
|
||||
– de resultatenbrief van de het inburgeringsexamen waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor KNS; of
|
||||
– deel 1 van de naturalisatietoets; of
|
||||
– het Certificaat inburgering en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat het onderdeel Maatschappij - 0riëntatie ten minste met niveau 2 KSE is beoordeeld.
|
||||
• de resultatenbrief van de het inburgeringsexamen waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor KNS; of
|
||||
• deel 1 van de naturalisatietoets; of
|
||||
• het Certificaat inburgering en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat het onderdeel Maatschappij Oriëntatie ten minste met niveau 2 KSE is beoordeeld.
|
||||
|
||||
Van het afleggen van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) is vrijgesteld de verzoeker die middels een Verklaring Educatie van het ROC kan aantonen dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal bij de onderdelen lezen, luisteren, spreken en schrijven ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald, dan wel ten minste het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Het document dient te zijn afgegeven op basis van de resultaten van een toets ter afronding van een NT2-taaltraject.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3952,35 +3953,31 @@ a. de naam van het document;
|
|||
b. de naam en handtekening van de verantwoordelijke van het regionaal opleidingencentrum;
|
||||
c. de echtheidskenmerken van het regionaal opleidingencentrum;
|
||||
d. de naam en geboortedatum van de deelnemer aan het NT2-taaltraject die overeenkomen met de naam en geboortedatum zoals vermeld op zijn identiteitsdocument;
|
||||
e. de behaalde taalniveaus uitgesplitst naar de vier taalvaardigheden Lezen,
|
||||
|
||||
Luisteren, Schrijven en Spreken.
|
||||
e. de behaalde taalniveaus uitgesplitst naar de vier taalvaardigheden Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken.
|
||||
f. de datum waarop de toetsresultaten zijn behaald.
|
||||
|
||||
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker de Verklaring Educatie die aan bovengenoemde eisen voldoet, en waaruit blijkt dat verschillen taalonderdelen tenminste op niveau 2 zijn behaald en
|
||||
|
||||
– de resultatenbrief van het inburgeringsexamen waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor KNS; of
|
||||
– deel 1 van de naturalisatietoets (zoals die tot 1 januari 2007 gold); of
|
||||
– het Certificaat inburgering nieuwkomers en de bij het certificaat behorende
|
||||
|
||||
ROC-verklaring waaruit blijkt dat het onderdeel Maatschappij Oriëntatie ten minste met niveau 2 KSE is beoordeeld.
|
||||
• de resultatenbrief van het inburgeringsexamen waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor KNS; of
|
||||
• deel 1 van de naturalisatietoets (zoals die tot 1 januari 2007 gold); of
|
||||
• het Certificaat inburgering nieuwkomers en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat het onderdeel Maatschappij Oriëntatie ten minste met niveau 2 KSE is beoordeeld.
|
||||
|
||||
Van het afleggen van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) is vrijgesteld de verzoeker die beschikt over één van de volgende certificaten van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (CnaVT):
|
||||
|
||||
a. Certificaat Profiel Maatschappelijke Taalvaardigheid (ERK-niveau B1);
|
||||
b. Certificaat Profiel Professionele Taalvaardigheid (ERK-niveau B2);
|
||||
c. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Hoger Onderwijs (ERK-niveau B2);
|
||||
d. Certificaat Profiel Academische Taalvaardigheid (ERK-niveau C1).
|
||||
d. Certificaat Profiel Academische Taalvaardigheid (ERK-niveau C1);
|
||||
e. Certificaat Profiel Toeristische en Informele Taalvaardigheid (ERK-niveau A2);
|
||||
f. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Praktische Beroepen (ERK-niveau A2).
|
||||
|
||||
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog slechts het onderdeel Kennis van de Nederlandse samenleving van het inburgeringsexamen behalen. Indien de verzoeker hiervoor slaagt, dan ontvangt hij hiervan een resultatenbrief.
|
||||
|
||||
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker één van de vier certificaten zoals hierboven omschreven én:
|
||||
|
||||
– de resultatenbrief van het inburgeringsexamen waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor KNS; of
|
||||
– deel 1 van de naturalisatietoets (zoals die tot 1 januari 2007 gold); of
|
||||
– het Certificaat inburgering nieuwkomers en de bij het certificaat behorende
|
||||
|
||||
ROC-verklaring waaruit blijkt dat het onderdeel Maatschappij Oriëntatie ten minste met niveau 2 KSE is beoordeeld.
|
||||
• de resultatenbrief van het inburgeringsexamen waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor KNS; of
|
||||
• deel 1 van de naturalisatietoets (zoals die tot 1 januari 2007 gold); of
|
||||
• het Certificaat inburgering nieuwkomers en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat het onderdeel Maatschappij Oriëntatie ten minste met niveau 2 KSE is beoordeeld.
|
||||
|
||||
###### 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
|
||||
|
||||
|
|
@ -5783,19 +5780,20 @@ Geen.
|
|||
|
||||
Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het recht dat verschuldigd is voor het afleggen en de behandeling van de verklaring van optie en van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap, de gevallen en de mate waarin daarvan ontheffing kan worden verleend en de wijze waarop het moet worden voldaan.
|
||||
|
||||
De te betalen bedragen voor het afleggen van een optieverklaring en voor het indienen van een verzoek om naturalisatie zijn vastgelegd in het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 (BON, Stb. 2009, 388).
|
||||
De te betalen bedragen voor het afleggen van een optieverklaring en voor het indienen van een verzoek om naturalisatie zijn vastgelegd in het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002.
|
||||
|
||||
Met het oog op de jaarlijkse indexering van de optie- en naturalisatiegelden (zie artikel 9, eerste lid, BON) zijn geen concrete bedragen opgenomen in deonderstaande toelichting. Verwezen wordt naar de in onderstaande tabel vermelde tariefgroepen en de daarbij behorende tariefcodes en bedragen.
|
||||
Met het oog op de jaarlijkse indexering van de optie- en naturalisatiegelden (zie artikel 9, eerste lid, BON) zijn geen concrete bedragen opgenomen in deonderstaande toelichting. Verwezen wordt naar de in onderstaande tabel vermelde tariefgroepen en de daarbij behorende tariefcodes en bedragen.
|
||||
|
||||
| Tariefgroep | Tarief(code) | Bedrag |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| optie; enkelvoudig | A | € 148 |
|
||||
| optie; gemeenschappelijk | B | € 253 |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; standaard | C | € 567 |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; standaard | D | € 719 |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; verlaagd | E | € 517 |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; verlaagd | F | € 669 |
|
||||
| naturalisatie; meenaturaliserende minderjarige | G | € 85 |
|
||||
| optie; enkelvoudig | A | € 168 |
|
||||
| optie; gemeenschappelijk | B | € 286 |
|
||||
| optie; medeopterende minderjarige | C | € 20 |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; standaard | D | € 789 |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; standaard | E | € 1008 |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; verlaagd | F | € 587 |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; verlaagd | G | € 806 |
|
||||
| naturalisatie; meenaturaliserende minderjarige | H | € 116 |
|
||||
|
||||
#### 1. Optiegelden
|
||||
|
||||
|
|
@ -5805,20 +5803,19 @@ Tarief A is verschuldigd indien een optant een optieverklaring aflegt op grond v
|
|||
|
||||
Tarief B is verschuldigd indien twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee:
|
||||
|
||||
– met elkaar gehuwden; of
|
||||
– personen die een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan; of
|
||||
– ongehuwden die samenleven in een duurzame relatie.
|
||||
• met elkaar gehuwden; of
|
||||
• personen die een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan; of
|
||||
• ongehuwden die samenleven in een duurzame relatie.
|
||||
|
||||
De regeling voor de optiegelden bevat, anders dan bij de naturalisatiegelden het geval is, geen verlaagd tarief voor een houder van een asielvergunning dan wel een staatloze.
|
||||
|
||||
Tarief C is verschuldigd voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening bij optie als bedoeld in artikel 6, achtste lid, RWN. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te opteren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen bij het afleggen van hun optieverklaring (tarief A of B), het tarief C moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening bij optie wordt ingediend.
|
||||
|
||||
Zie voor de betalingsprocedure verder paragraaf 3 (betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden).
|
||||
|
||||
##### 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
|
||||
|
||||
De volgende categorieën optanten zijn vrijgesteld van leges (artikel 4, eerste lid, BON):
|
||||
|
||||
– minderjarige (klein)kinderen die in de optieverklaring van een opterende (groot)ouder worden genoemd (artikel 6, achtste lid, RWN);
|
||||
– optanten die ingevolge de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander worden behandeld.
|
||||
Optanten die ingevolge de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander worden behandeld zijn ingevolge artikel 4, eerste lid, BON vrijgesteld van leges.
|
||||
|
||||
##### 1.3. Ontheffing van optiegelden
|
||||
|
||||
|
|
@ -5841,38 +5838,38 @@ Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat
|
|||
|
||||
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval dient te worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
|
||||
|
||||
1. Tarief C: het standaard tarief voor een enkelvoudig verzoek;
|
||||
2. Tarief D: het standaard tarief voor een gemeenschappelijk verzoek;
|
||||
3. Tarief E: het verlaagd tarief voor een enkelvoudig verzoek;
|
||||
4. Tarief F: het verlaagd tarief voor een gemeenschappelijk verzoek;
|
||||
5. Tarief G: het tarief voor een verzoek tot medenaturalisatie ten behoeve van een minderjarig kind.
|
||||
1. Tarief D: het standaard tarief voor een enkelvoudig verzoek;
|
||||
2. Tarief E: het standaard tarief voor een gemeenschappelijk verzoek;
|
||||
3. Tarief F: het verlaagd tarief voor een enkelvoudig verzoek;
|
||||
4. Tarief G: het verlaagd tarief voor een gemeenschappelijk verzoek;
|
||||
5. Tarief H: het tarief voor een verzoek tot medenaturalisatie ten behoeve van een minderjarig kind.
|
||||
|
||||
Zie voor gevallen van categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden paragraaf 2.5 en voor de mogelijkheid een ontheffingsverzoek van de betalingsverplichting in te dienen paragraaf 2.6.
|
||||
|
||||
##### 2.2. Tarieven C en D
|
||||
##### 2.2. Tarieven D en E
|
||||
|
||||
Bepaling normaal dan wel verlaagd tarief
|
||||
|
||||
Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief E of F (zie paragraaf 2.3), dan zijn de tarieven C of D verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.
|
||||
Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie paragraaf 2.3), dan zijn de tarieven D en E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.
|
||||
|
||||
Definitie gemeenschappelijk verzoek
|
||||
|
||||
Een gemeenschappelijk verzoek wil zeggen dat een verzoek om naturalisatie is ingediend door twee met elkaar gehuwden of door twee wederzijds geregistreerde partners dan wel door twee ongehuwde personen die in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleven.
|
||||
|
||||
20091500205-10-200930-09-2009WBN2009/320091500205-10-200930-09-2009WBN2009/301-01-2010
|
||||
20101479601-10-201013-09-2010WBN2010/1120101479601-10-201013-09-2010WBN2010/1101-01-2011
|
||||
|
||||
##### 2.3. Tarieven E en F
|
||||
##### 2.3. Tarieven F en G
|
||||
|
||||
Het verlaagd tarief voor een verzoek om naturalisatie geldt in de volgende gevallen:
|
||||
|
||||
a. In het geval de meerderjarige verzoeker houder is van een verblijfsvergunning asiel of staatloos is, is het tarief E verschuldigd.
|
||||
b. In het geval sprake is van een gemeenschappelijk verzoek, dat wil zeggen een verzoek om naturalisatie van twee met elkaar gehuwden of van twee geregistreerde partners dan wel van twee ongehuwde personen die in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleven en beiden of één van beide partners is/zijn houder van een verblijfsvergunning asiel of is/zijn staatloos, is het tarief F verschuldigd.
|
||||
a. In het geval de meerderjarige verzoeker houder is van een verblijfsvergunning asiel of staatloos is, is het tarief F verschuldigd.
|
||||
b. In het geval sprake is van een gemeenschappelijk verzoek, dat wil zeggen een verzoek om naturalisatie van twee met elkaar gehuwden of van twee geregistreerde partners dan wel van twee ongehuwde personen die in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleven en beiden of één van beide partners is/zijn houder van een verblijfsvergunning asiel of is/zijn staatloos, is het tarief G verschuldigd.
|
||||
|
||||
Om in aanmerking te komen voor het verlaagd tarief dient betrokkene in de GBA te staan ingeschreven met de nationaliteitscode voor ‘staatloos’ (code 499). Is betrokkene in de GBA opgenomen met ‘onbekende nationaliteit’, dan geldt dat het normale tarief van toepassing is, tenzij hij/zij houder is van een verblijfsvergunning asiel.
|
||||
Om in aanmerking te komen voor het verlaagd tarief dient betrokkene in de GBA te staan ingeschreven met de nationaliteitscode voor ‘staatloos’ (code 499). Is betrokkene in de GBA opgenomen met ‘onbekende nationaliteit’, dan geldt dat het normale tarief van toepassing is, tenzij betrokkene houder is van een verblijfsvergunning asiel.
|
||||
|
||||
##### 2.4. Tarief G
|
||||
##### 2.4. Tarief H
|
||||
|
||||
Voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, RWN, is het tarief onder G verschuldigd. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te naturaliseren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen voor hun naturalisatie (tarief C, D, E of F), het tarief G moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening wordt ingediend.
|
||||
Voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, RWN, is het tarief onder H verschuldigd. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te naturaliseren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen voor hun naturalisatie (tarief D, E, F of G ), het tarief H moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening wordt ingediend.
|
||||
|
||||
##### 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
|
||||
|
||||
|
|
@ -5882,42 +5879,43 @@ Het uitgangspunt van de Wet betreffende de positie van Molukkers van 9 september
|
|||
|
||||
##### 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van denaturalisatiegelden:
|
||||
Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van de naturalisatiegelden:
|
||||
|
||||
a. een minderjarige die zelfstandig een verzoek om naturalisatie indient;
|
||||
b. een persoon die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander is aangemerkt;
|
||||
c. een persoon die op grond van staatsbelang of van zijn verdiensten voor de staat genaturaliseerd wordt.
|
||||
|
||||
1. *Een hoogleraar van vreemde nationaliteit komt in aanmerking voor de functie van Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Voor de vervulling van dit ambt is het bezit van het Nederlanderschap vereist. Deze persoon kan op grond van staatsbelang voor naturalisatie in aanmerking komen (ervan uitgaande dat tegen het verblijf voor onbepaalde duur geen bedenkingen bestaan).*
|
||||
2. *Een militair van vreemde nationaliteit die een uitzonderlijk hoge Nederlandse militaire onderscheiding heeft gekregen, kan op grond van verdiensten voor de Staat in aanmerking komen voor naturalisatie.*
|
||||
1. Een hoogleraar van vreemde nationaliteit komt in aanmerking voor de functie van Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Voor de vervulling van dit ambt is het bezit van het Nederlanderschap vereist. Deze persoon kan op grond van staatsbelang voor naturalisatie in aanmerking komen (ervan uitgaande dat tegen het verblijf voor onbepaalde duur geen bedenkingen bestaan).
|
||||
2. Een militair van vreemde nationaliteit die een uitzonderlijk hoge Nederlandse militaire onderscheiding heeft gekregen, kan op grond van verdiensten voor de Staat in aanmerking komen voor naturalisatie.
|
||||
|
||||
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is gemandateerd aan de burgemeester. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.24 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.25 beschikbaar.
|
||||
|
||||
#### 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
|
||||
|
||||
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd alvorens een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling heeft in Nederland plaats bij de autoriteit die de verklaring of het verzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de verklaring van optie in behandeling genomen (zie de nota van toelichting bij het BON). Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure – toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen – zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk artikelen 2 en 3 BON).
|
||||
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd alvorens een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling wordt in Nederland voldaan bij de autoriteit die de verklaring of het verzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de verklaring van optie in behandeling genomen (zie de nota van toelichting bij het BON). Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure - toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen - zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk artikelen 2 en 3 BON).
|
||||
De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het verzoek om naturalisatie wordt in beginsel vastgesteld (ingevolge de in paragrafen 1.1, 1.3, 2.2 tot en met 2.4 en 2.6 opgenomen richtlijnen) op het moment dat de verklaring of het verzoek door de burgemeester in ontvangst wordt genomen.
|
||||
|
||||
Vrijgesteld van en ingelicht over de optiegelden (model 1.25) en naturalisatiegelden (model 2.8)
|
||||
|
||||
Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnformeerd over de hoogte en de termijn van de te betalen naturalisatiegelden en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde naturalisatiegelden dan wel is vrijgesteld van de betaling dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend, zijn opgenomen als model 1.25 en model 2.8. De vaststelling van de hoogte van de te betalen naturalisatiegelden is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in artikel 6:3 Awb en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.
|
||||
|
||||
Buitenbehandelingstelling
|
||||
Buiten behandelingstelling
|
||||
|
||||
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen (hiervoor zijn model 1.25 en model 2.8 beschikbaar). De termijn van zes weken vloeit voort uit artikel 6 BON. Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de verklaring of het verzoek buitenbehandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene (artikel 4, tweede lid, BVVN). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26 en 2.23.
|
||||
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen (hiervoor zijn model 1.25 en model 2.8 beschikbaar). De termijn van zes weken vloeit voort uit artikel 6 BON. Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de verklaring of het verzoek buiten behandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene (artikel 4, tweede lid, BVVN). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26 en 2.23.
|
||||
Is verzocht om ontheffing van optie- of naturalisatiegelden, dan wordt de zes-wekentermijn opgeschort tot de dag waarop op het ontheffingsverzoek (negatief) is beslist.
|
||||
Tegen de buitenbehandelingstelling van een optieverklaring of een verzoek om naturalisatie kan binnen zes weken bezwaar worden aangetekend bij de Minister van Justitie. Het bezwaar wordt behandeld door het regiokantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst waar de gemeente onder valt.
|
||||
Stelt de burgemeester een verzoek om naturalisatie buiten behandeling, dan brengt hij geen advies uit aan de Minister. Zowel indien de verzoeker bezwaar aantekent tegen de buitenbehandelingstelling, als wanneer de verzoeker dat niet doet, stuurt de burgemeester het dossier inzake verzoek om naturalisatie aan de IND.
|
||||
Stelt de burgemeester een verzoek om naturalisatie buiten behandeling, dan brengt hij geen advies uit aan de Minister. Zowel indien de verzoeker bezwaar aantekent tegen de buitenbehandelingstelling, als wanneer de verzoeker dat niet doet, stuurt de burgemeester het dossier inzake het verzoek om naturalisatie aan de IND.
|
||||
|
||||
Overgangsregeling nieuwe legessystematiek per 1 januari 2010
|
||||
Overgangsregeling legesverhoging per 1 januari 2011
|
||||
|
||||
Voor verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend bij de gemeente na 31 oktober 2009, maar vóór 1 januari 2010 en waarvoor de verschuldigde betaling van de leges niet direct heeft plaatsgevonden, geldt het volgende. Om als op tijd ingediend te gelden, moet een voor 1 januari 2010 gedateerd model 2.1 (verzoek om naturalisatie) in het dossier aanwezig zijn.
|
||||
In afwijking van hetgeen in paragraaf 3.7.4 bij artikel 7 is opgenomen, wordt de verzoeker die de verschuldigde leges niet direct bij indiening van het verzoek om naturalisatie voldoet een termijn gegund tot 1 maart 2010 om de leges alsnog te voldoen dan wel aan te vullen als bedoeld in art. 4:5, eerste lid Awb.
|
||||
Bij betaling van een tussen 31 oktober 2009 en 1 januari 2010 ingediend naturalisatieverzoek vóór 1 maart 2010 gelden nog de leges van vóór 1 januari 2010. Wordt in deze gevallen niet vóór 1 maart 2010 betaald, dan wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 Awb buitenbehandeling gesteld. Deze buitenbehandelingstelling moet ingevolge art. 4:5, vierde lid Awb binnen vier weken na 1 maart 2010 aan de verzoeker worden bekendgemaakt. Dit betekent dat de verzoeker het bericht van buitenbehandelingstelling voor 29 maart 2010 moet hebben ontvangen. Zolang (dan wel na 29 maart 2010: indien) het verzoek niet buitenbehandeling is gesteld, kunnen de leges nog betaald worden en kan het verzoek nog aangevuld worden met ontbrekende documenten. Wordt ná 28 februari 2010, maar vóór de buitenbehandelingstelling alsnog betaald, dan heft de burgemeester de leges zoals die vanaf 1 januari 2010 gelden. De overgangsperiode is dan namelijk verstreken en de legesbedragen zoals die gelden vanaf 1 januari 2010 zijn dan van toepassing.
|
||||
De gemeente verstrekt bij verzoeken ingediend gedurende de overgangsperiode (dus na 31 oktober 2009 tot 1 januari 2010) bij model 2.8 aan verzoekers een bijlage met de volgende tekst:
|
||||
‘Voor naturalisatieverzoeken die op of na 1 november 2009, maar voor 1 januari 2010 zijn ingediend, geldt dat de leges uiterlijk 1 maart 2010 moeten zijn betaald. Alleen dan gelden de legestarieven zoals die tot 1 januari 2010 golden. Heeft u op 1 maart 2010 nog niet betaald, dan zal uw verzoek op zijn laatst 28 maart 2010 buiten behandeling gesteld worden. Wordt op of na 1 maart 2010 – maar vóór de buitenbehandelingstelling – alsnog betaald, dan gelden de nieuwe tarieven van 2010.’
|
||||
Voor verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend bij de gemeente na 31 oktober 2010, maar vóór 1 januari 2011 en waarvoor de verschuldigde betaling van de leges niet direct heeft plaatsgevonden, geldt het volgende. Om als op tijd ingediend te gelden, moet een vóór 1 januari 2011 gedateerd en door verzoeker ondertekend model 2.1 (verzoek om naturalisatie) in het dossier aanwezig zijn. Dit voor 1 januari 2011 ingevulde en ondertekende model moet in het dossier aanwezig zijn, omdat er anders geen sprake is van een rechtsgeldige aanvraag in het kader van de Awb. Deze overgangsregeling geldt dus uitdrukkelijk alleen voor verzoeken waarbij model 2.1 tussen 31 oktober 2010 en 1 januari 2011 is ingevuld en ondertekend.
|
||||
In afwijking van hetgeen in paragraaf 3.7.4 bij artikel 7 is opgenomen, wordt de verzoeker die de verschuldigde leges niet direct bij indiening van het verzoek om naturalisatie voldoet een termijn gegund tot 1 maart 2011 om de leges alsnog te voldoen dan wel aan te vullen als bedoeld in art. 4:5, eerste lid Awb.
|
||||
Bij betaling van een tussen 31 oktober 2010 en 1 januari 2011 ingediend naturalisatieverzoek vóór 1 maart 2011 gelden nog de leges van vóór 1 januari 2011. Wordt in deze gevallen niet vóór 1 maart 2011 betaald, dan wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 Awb buitenbehandeling gesteld. Deze buitenbehandelingstelling moet ingevolge art. 4:5, vierde lid Awb binnen vier weken na 1 maart 2011 aan de verzoeker worden bekendgemaakt. Dit betekent dat de verzoeker de beslissing van buitenbehandelingstelling voor 29 maart 2011 moet hebben ontvangen.
|
||||
Zolang het verzoek niet buitenbehandeling is gesteld, kunnen de leges nog betaald worden en kan het verzoek nog aangevuld worden met ontbrekende documenten. Wordt ná 28 februari 2011, maar vóór de buitenbehandelingstelling alsnog betaald, dan heft de burgemeester de leges zoals die vanaf 1 januari 2011 gelden. De overgangsperiode is dan namelijk verstreken en de legesbedragen zoals die gelden vanaf 1 januari 2011 zijn dan van toepassing.
|
||||
De gemeente verstrekt bij verzoeken ingediend gedurende de overgangsperiode (dus na 31 oktober 2010 tot 1 januari 2011) bij model 2.8 aan verzoekers een bijlage met de volgende tekst:
|
||||
‘Voor naturalisatieverzoeken die op of na 1 november 2010, maar voor 1 januari 2011 zijn ingediend, geldt dat de leges uiterlijk 1 maart 2011 moeten zijn betaald. Alleen dan gelden de legestarieven zoals die tot 1 januari 2011 golden. Heeft u op 1 maart 2011 nog niet betaald, dan zal uw verzoek op zijn laatst 28 maart 2011 buiten behandeling gesteld worden. Wordt op of na 1 maart 2011 – maar vóór de buitenbehandelingstelling – alsnog betaald, dan gelden de nieuwe tarieven van 2011.’
|
||||
|
||||
20091500205-10-200930-09-2009WBN2009/320091500205-10-200930-09-2009WBN2009/301-01-2010
|
||||
20101479601-10-201013-09-2010WBN2010/1120101479601-10-201013-09-2010WBN2010/1101-01-2011
|
||||
|
||||
#### 4. Afdracht naturalisatiegelden
|
||||
|
||||
|
|
@ -5927,23 +5925,25 @@ Artikel 8 BON bepaalt dat een gedeelte van de ontvangen naturalisatiegelden moet
|
|||
|
||||
De afdracht van naturalisatiegelden alsmede het indienen van verzoeken tot vergoeding van leges waarvoor ontheffing is verleend door de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland geschiedt via de Minister van Buitenlandse Zaken aan de IND.
|
||||
|
||||
De gemeente behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie € 148, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan het ministerie van Justitie (de IND) (€ 419 bij standaard tarief en € 369 bij verlaagd tarief).
|
||||
De gemeente behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie € 168, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan het ministerie van Justitie (de IND) (€ 621 bij standaard tarief en € 419 bij verlaagd tarief).
|
||||
|
||||
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de gemeente € 253 eveneens ongeacht of standaard of verlaagd tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan het ministerie van Justitie (€ 466 bij het standaard tarief en € 416 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, RWN wordt het volledige bedrag dat door de gemeente is ontvangen, te weten € 85 per kind, afgedragen aan het ministerie van Justitie (de IND). Indien de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente die de leges geïnd heeft het bedrag van € 148 of € 253 en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
|
||||
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de gemeente € 286 eveneens ongeacht of het standaard of het verlaagde tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan het ministerie van Justitie (€ 722 bij het standaard tarief en € 520 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, RWN behoudt de gemeente € 20 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (€ 96) wordt afgedragen aan het ministerie van Justitie (de IND). Indien de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente die de leges geïnd heeft het gemeentelijke deel van de leges en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
|
||||
|
||||
Vanaf 1 januari 2010 gelden de volgende afdrachtcodes:
|
||||
Vanaf 1 januari 2011 gelden de volgende afdrachtcodes:
|
||||
|
||||
| Tariefgroep | Af te dragen bedrag | Afdrachtcode |
|
||||
| Tariefgroep | af te dragen | afdrachtcode bedrag |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| | | |
|
||||
| optie; enkelvoudig | nvt | nvt |
|
||||
| optie; gemeenschappelijk | nvt | nvt |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; standaard | € 419 | 100 |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; standaard | € 466 | 103 |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; verlaagd | € 369 | 101 |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; verlaagd | € 416 | 104 |
|
||||
| naturalisatie; meenaturaliserende minderjarige | € 85 | 105 |
|
||||
| optie; medeopterende minderjarige | nvt | nvt |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; standaard | € 621 | 110 |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; standaard | € 722 | 113 |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; verlaagd | €419 | 111 |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; verlaagd | € 520 | 114 |
|
||||
| naturalisatie; meenaturaliserende minderjarige | € 96 | 115 |
|
||||
|
||||
In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de gemeente verzoeken om een vergoeding (artikel 8, tweede lid, BON). Een dergelijk schriftelijk verzoek dient te worden gericht aan het Hoofd Financieel Beheer van de Stafdirectie Middelen & Control van de IND, Postbus 5800, 2280 HV te Rijswijk. Indien het verzoek van de gemeente door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de gemeente een bedrag van € 148 voor een enkelvoudig verzoek en € 253 voor een gemeenschappelijk verzoek.
|
||||
In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de gemeente verzoeken om een vergoeding (artikel 8, tweede lid, BON). Een dergelijk schriftelijk verzoek dient te worden gericht aan het Hoofd Financiële administratie van de Stafdirectie Middelen & Control van de IND, Postbus 1821, 2280 DV te Rijswijk. Indien het verzoek van de gemeente door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de gemeente een bedrag van € 168 voor een enkelvoudig verzoek en € 286 voor een gemeenschappelijk verzoek.
|
||||
|
||||
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
|
||||
|
||||
|
|
@ -8019,23 +8019,7 @@ Artikel VII, tweede lid RRWN, nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe
|
|||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
verklaart dat: hij/zij* in het kader van de verkrijging en het behoud van zijn/haar* verblijfsvergunning en/of verblijfsstatus van de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid heeft verstrekt en geen relevante gegevens heeft verzwegen.
|
||||
|
||||
verklaart voorts dat:
|
||||
|
||||
verklaart dat bovenstaande verklaring betreffende de verblijfsstatus tevens geldt voor de in de optie genoemde kinderen en de bovenstaande verklaring betreffende het gedrag tevens geldt voor de in de optieverklaring genoemde kinderen die op het moment van de optieverklaring de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt;**
|
||||
|
||||
verklaart dat hij/zij niet, tevens naar vreemd recht, getrouwd is met een ander persoon dan vermeld in het uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (zie bijlage van deze verklaring);**
|
||||
|
||||
hij/zij* van mening is dat het openbare orde aspect hem/haar/het kind* niet kan worden tegengeworpen vanwege de volgende bijzondere feiten of omstandigheden:
|
||||
|
||||
.....
|
||||
|
||||
.....
|
||||
|
||||
Ik ben mij ervan bewust dat het verstrekken van onjuiste gegevens of het verzwijgen van relevante gegevens kan leiden tot intrekking van het naturalisatiebesluit, zelfs als dit tot staatloosheid leidt.
|
||||
|
||||
bijlage: ja/nee *
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
|
|
@ -8063,18 +8047,6 @@ Vervallen.
|
|||
|
||||
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
|
||||
|
||||
Ondergenoemde2Is verzoeker minderjarig dan worden de persoonsgegevens van de wettelijk vertegenwoordiger opgenomen en tekent deze de verklaring.
|
||||
|
||||
verklaart door de behandelend ambtenaar te zijn ingelicht over de regeling inzake de te betalen optiegelden. Optant verklaart voorts te zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om ontheffing van de betaling van de optiegelden.
|
||||
|
||||
Optant is ermee bekend dat betaalde optiegelden niet worden terugbetaald, ook niet bij weigering van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap of intrekking van de verklaring. Optant is bekend dat hij/zij dient te betalen het bedrag van
|
||||
|
||||
Optant is ermee bekend dat hij vanaf heden op grond van artikel 4:5, eerste lid Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken in de gelegenheid is gesteld het verschuldigde bedrag per kas aan de gemeente te betalen. Betrokkene is ermee bekend dat, indien niet is betaald binnen de bedoelde zes weken, de verklaring van optie conform artikel 6 Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 buiten behandeling wordt gesteld.
|
||||
|
||||
de burgemeester,
|
||||
|
||||
namens deze,
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
|
@ -8175,27 +8147,9 @@ bijlage: ja/nee *
|
|||
|
||||
alsook: **Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
|
||||
|
||||
(gemeente)nummer: .....
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Verzoeker2Is de verzoeker minderjarig dan worden de persoonsgegevens van de wettelijk vertegenwoordiger opgenomen en tekent deze de verklaring. ,
|
||||
|
||||
verklaart door de behandelend ambtenaar te zijn ingelicht over de regeling inzake de te betalen naturalisatiegelden. Verzoeker verklaart voorts te zijn geïnformeerd over de regels met betrekking tot het laag tarief en de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om ontheffing van de betaling van de naturalisatiegelden. Verzoeker is ermee bekend dat betaalde naturalisatiegelden niet worden terugbetaald, ook niet bij afwijzing of intrekking van het verzoek.
|
||||
|
||||
Verzoeker is ermee bekend dat voor de behandeling van het verzoek om naturalisatie is verschuldigd:
|
||||
|
||||
*Ondergetekende is ermee bekend dat hij vanaf heden op grond van artikel 4:5, eerste lid Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken in de gelegenheid is gesteld het verschuldigde bedrag per kas aan de gemeente te betalen. Betrokkene is ermee bekend dat indien niet is betaald binnen de bedoelde zes weken het verzoek om naturalisatie conform artikel 6 Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 buiten behandeling wordt gesteld.*
|
||||
|
||||
alsook: **Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
|
||||
|
||||
Ambassade/Consulaat-Generaal te: ..................................
|
||||
|
||||
Verzoeker2Is de verzoeker minderjarig dan worden de persoonsgegevens van de wettelijk vertegenwoordiger opgenomen en tekent deze de verklaring. ,
|
||||
|
||||
verklaart door de behandelend ambtenaar te zijn ingelicht over de regeling inzake de te betalen naturalisatiegelden. Verzoeker verklaart voorts te zijn geïnformeerd over de regels met betrekking tot het laag tarief en de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om ontheffing van de betaling van de naturalisatiegelden. Verzoeker is ermee bekend dat betaalde naturalisatiegelden niet worden terugbetaald, ook niet bij afwijzing of intrekking van het verzoek.
|
||||
|
||||
Verzoeker is ermee bekend dat voor de behandeling van het verzoek om naturalisatie is verschuldigd:
|
||||
|
||||
*Ondergetekende is ermee bekend dat hij vanaf heden op grond van artikel 4:5, eerste lid Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken in de gelegenheid is gesteld het verschuldigde bedrag per kas aan bovengenoemde ambassade/consulaat-generaal te betalen. Betrokkene is ermee bekend dat indien niet is betaald binnen de bedoelde zes weken het verzoek om naturalisatie conform artikel 6 Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 buiten behandeling wordt gesteld.*
|
||||
alsook:**Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
|
|
@ -8267,95 +8221,13 @@ Verzoeker is ermee bekend dat voor de behandeling van het verzoek om naturalisat
|
|||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Voor het onderzoek naar ongeletterdheid
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
**Ondergetekende,**
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Achterna(a)m(en): ..........M/V
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
voorna(a)m(en): ..........
|
||||
|
||||
geboortedatum: ..........
|
||||
|
||||
geboorteplaats en geboorteland: ..........
|
||||
|
||||
nationaliteit(en): ..........
|
||||
|
||||
adres: ..........
|
||||
|
||||
postcode en woonplaats: ..........
|
||||
|
||||
telefoon: ..........
|
||||
|
||||
einddatum verblijfsvergunning2Goed leesbare kopie van het verblijfsdocument (en indien aanwezig een kopie van het paspoort) meezenden met dit formulier.: ..........
|
||||
|
||||
Plaats van indiening naturalisatieverzoek: ..........
|
||||
|
||||
meldt zich aan voor:
|
||||
|
||||
Een onderzoek naar ongeletterdheid/analfabetisme en leervermogen (dit onderzoek kost € 287).
|
||||
|
||||
**Ondergetekende is door de gemeente geïnformeerd dat hij met dit formulier het bewijs moet meesturen dat hij/zij met één of meer cursussen Nederlands zich heeft ingespannen om Nederlands te leren lezen en schrijven. Ontbreken de benodigde stukken, dan neemt het ROC de aanmelding niet in behandeling.**
|
||||
|
||||
Moedertaal (ik spreek thuis): ..........
|
||||
|
||||
Aantal jaren in Nederland: ..........
|
||||
|
||||
Verplicht geweest een programma ingevolge de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) of de Wet Inburgering (WI) te volgen (indien van toepassing):
|
||||
|
||||
**ja / nee**
|
||||
|
||||
Hoogste gevolgde opleiding in herkomstland .......... afgerond met diploma:
|
||||
|
||||
**ja / nee**
|
||||
|
||||
Hoogste gevolgde opleiding in Nederland (indien van toepassing):..........afgerond met diploma:
|
||||
|
||||
**ja / nee**
|
||||
|
||||
Voor het onderzoek naar ongeletterdheid
|
||||
|
||||
Ondergetekende,
|
||||
|
||||
(geslachtsna(a)m(en):
|
||||
|
||||
voorna(a)m(en):
|
||||
|
||||
geboortedatum:
|
||||
|
||||
geboorteplaats en geboorteland:
|
||||
|
||||
nationaliteit(en):
|
||||
|
||||
adres:
|
||||
|
||||
postcode en woonplaats:
|
||||
|
||||
telefoon:
|
||||
|
||||
Plaats van indiening naturalisatieverzoek:
|
||||
|
||||
meldt zich aan voor2Goed leesbare kopie van het paspoort meezenden met dit formulier.:
|
||||
|
||||
Een onderzoek naar ongeletterdheid/analfabetisme en leervermogen (dit onderzoek kost € 287).
|
||||
|
||||
**Ondergetekende is door de medewerker van de Nederlandse diplomatieke en/of consulaire post in het buitenland geïnformeerd dat hij met dit formulier het bewijs moet meesturen dat hij/zij met één of meer cursussen Nederlands zich heeft ingespannen om Nederlands te leren lezen en schrijven. Ontbreken de benodigde stukken, dan neemt het ROC de aanmelding niet in behandeling.**
|
||||
|
||||
Moedertaal (ik spreek thuis):
|
||||
|
||||
Aantal jaren in Nederland (indien van toepassing):
|
||||
|
||||
Hoogste gevolgde opleiding in herkomstland .......... afgerond met diploma: ja/nee
|
||||
|
||||
Hoogste gevolgde opleiding in Nederland (indien van toepassing):
|
||||
|
||||
afgerond met diploma: ja/nee
|
||||
|
||||
..........
|
||||
|
||||
Handtekening
|
||||
|
||||
plaats en datum
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue