2007-09-23 | BWBR0022587 | Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven (PPE) 2007

This commit is contained in:
Coornhert 2007-09-23 12:00:00 +00:00
parent 371662dedd
commit 5690ec4893

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven (PPE) 2007
bwb_id: BWBR0022587
type: pbo
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2007-11-01'
datum_inwerkingtreding: '2007-09-23'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0022587
citeertitel: Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven (PPE) 2007
---
@ -16,31 +16,37 @@ Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordenin
### Artikel 2
De in artikel 2, derde lid, van de Verordening genoemde eisen waaraan de ondernemer die zijn opfokleghennen in kooien houdt, heeft te voldoen, zijn opgenomen in Bijlage I.
De ondernemer die zijn pluimvee in kooien houdt is niet verplicht bij iedere stal de voorruimte te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen indien hij voldoet aan de eisen zoals omschreven in Bijlage I.
### Artikel 3
**1.** De uitslag van een hygiënogram als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Verordening, is kleiner dan of gelijk aan 1,5.
**1.** Een hygiënogram dient een score te hebben die kleiner of gelijk is aan 1,5.
**2.** Indien de in het eerste lid bedoelde uitslag groter dan 1,5 maar kleiner dan of gelijk aan 3,0 is, dan wordt door een professioneel ontsmettingsbedrijf de stal opnieuw ontsmet. Daarna mag een nieuw koppel opfokleghennen worden geplaatst. Na de eerstvolgende leegstandsperiode mag een nieuw koppel opfokleghennen worden geplaatst indien de uitslag van het hygiënogram kleiner dan of gelijk is aan 1,5.
**2.** Indien de score groter dan 1,5 maar kleiner of gelijk aan 3,0 is dan dient door een professioneel ontsmettingsbedrijf de betreffende stal opnieuw te worden ontsmet. Na de volgende leegstandsperiode mogen pas nieuwe dieren geplaatst worden indien de uitslag van het onderzoek kleiner of gelijk is aan 1,5.
**3.** Indien de in het eerste lid bedoelde uitslag groter is dan 3,0 dan wordt de stal door een professioneel ontsmettingsbedrijf opnieuw ontsmet. Na het ontsmetten wordt een hygiënogram uitgevoerd. Een nieuw koppel opfokleghennen mag alleen dan worden geplaatst indien de uitslag van het hygiënogram kleiner dan of gelijk is aan 1,5.
**3.** Indien de score groter is dan 3,0 dan dient de betreffende stal door een professioneel ontsmettingsbedrijf opnieuw te worden ontsmet. Na het ontsmetten dient een hygiënogram te worden verricht, waarvan de score kleiner of gelijk aan 1,5 dient te zijn alvorens nieuwe dieren worden geplaatst.
**4.** Wanneer overeenkomstig Bijlage II onder b. van het Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen HOSOWO-instanties (PPE) 2007 de uitslag van twee van de vijf onderdelen van de visuele controle slecht is, wordt na de volgende ronde nogmaals een hygiënogram uitgevoerd.
### Artikel 4
**1.** Voorafgaand aan het overplaatsen van een koppel opfokleghennen worden van tenminste 0,5% van dat koppel door of namens GD bloedmonsters genomen, met een minimum van 24 monsters en een maximum van 60 monsters. De analyse van de bloedmonsters wordt uitgevoerd door GD overeenkomstig Bijlage II onderdeel D.
**1.** Voorafgaand aan het overplaatsen van een koppel pluimvee dient ten minste 0,5% van dat koppel te worden bemonsterd door middel van bloedmonsters, met een minimum van 24 kippen en een maximum van 60 kippen.
**2.** In afwijking van het eerste lid kunnen van een koppel opf okleghennen door of namens de ondernemer mestmonsters worden genomen overeenkomstig Bijlage II onderdeel A.l.
**2.** Het onderzoek op de aanwezigheid van antistoffen tegen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium vindt plaats maximaal 21 dagen voordat het betreffende koppel pluimvee wordt overgeplaatst.
**3.** Het in het eerste of tweede lid bedoelde onderzoek vindt plaats maximaal 14 dagen voordat het koppel, al dan niet binnen één bedrijf, wordt overgeplaatst.
**3.** De ondernemer die zijn pluimvee ent tegen Salmonella enteritidis is verplicht dit schriftelijk door te geven aan het productschap.
**4.** Indien uit het onderzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid blijkt dat een monster is besmet met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium, wordt dit door de ondernemer onverwijld aan GD gemeld. GD voert vervolgens in opdracht van de voorzitter een verificatieonderzoek uit overeenkomstig Bijlage II onderdelen A.2 en C.
**4.** Een koppel opfokleghennen dat binnen een bedrijf naar de leghennenstal wordt overgeplaatst, dient ook voorafgaand aan de overplaatsing op Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium te worden onderzocht.
**5.** In geval uit het onderzoek van de monsters bedoeld in het eerste lid blijkt dat een koppel pluimvee is besmet met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium worden de door dat koppel geproduceerde eieren afgezet naar de eiproductenindustrie of ondergaan zij een andere effectieve en toegestane (warmte)behandeling of wordt het koppel geruimd. De in de vorige zin bedoelde eieren worden niet als klasse A eieren verhandeld.
**6.** Pas als uit verificatie-onderzoek door de GD blijkt dat het koppel vrij is van Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium mogen de eieren weer als klasse A eieren worden verhandeld. Ten behoeve van het verificatie-onderzoek worden door de GD 150 mestmonsters genomen die tot 6 monsters van ieder 25 worden gepoold.
### Artikel 5
De resultaten van de analyse van de monsters als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a. van de Verordening worden door of namens de ondernemer doorgegeven overeenkomstig Bijlage II onderdeel E.
De informatie die verkregen is uit het onderzoek van de monsters als bedoeld in artikel 4, dient schriftelijk te worden vastgelegd en door de ondernemer te worden doorgegeven aan het productschap en aan de afnemer van de dieren.
Indien de analyseresultaten van het onderzoek door het betreffende erkende laboratorium rechtstreeks aan het productschap worden doorgegeven heeft de ondernemer voldaan aan de in de vorige zin bedoelde verplichting om de informatie door te geven aan het productschap.
### Artikel 6
@ -52,16 +58,18 @@ Indien bij een koppel opfokleghennen besmetting met Salmonella enteritidis of Sa
**2.** Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag van dagtekening in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie, waarin het wordt geplaatst.
## Bijlage I:. Hygiënemaatregelen kooihuisvesting
## Bijlage I:. Pluimvee in legbatterijen
De ondernemer die een opfokleghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee in kooien houdt is niet verplicht iedere stal te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen, mits hij voldoet aan de volgende voorwaarden:
De ondernemer die een opfokleghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee in legbatterijen houdt is niet verplicht iedere stal te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen, mits hij voldoet aan de volgende voorwaarden:
Zodra het de ondernemer bekend is geworden dat een koppel besmet is met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium dan dient de ondernemer bij iedere stal de voorruimte weer te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel van schoeisel te wisselen. Zodra het (nieuwe) koppel vrij is van Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium wordt weer aan voorwaarde 1 voldaan.
Zodra bekend wordt dat een koppel besmet is met S.e. en/of S.t. dan dient de ondernemer bij iedere stal de voorruimte weer te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel van schoeisel te wisselen. Zodra het (nieuwe) koppel weer vrij is van S.e. en of S.t. wordt weer aan voorwaarde 1 voldaan.
En mits hij de hygiëne op één van de volgende wijzen heeft gewaarborgd:
Hygiënesluis per bedrijfsgebouw die volledig afgescheiden is van de ruimte waarin het pluimvee wordt gehouden, waarbij een fysieke scheiding aanwezig is tussen bufferdeel en schoon deel en waar in het bufferdeel van kleding en schoeisel wordt gewisseld. In het schone deel dient voldoende bedrijfsgebouw eigen schoeisel en kleding aanwezig te zijn. Met dezelfde kleding en schoeisel mag nooit het volgende bedrijfsgebouw worden betreden.
Optie A: hygiënesluis per bedrijfsgebouw.
Hygiënesluis per bedrijfsgebouw die volledig afgescheiden is van de ruimte waarin het pluimvee gehouden wordt, waarbij een fysieke scheiding aanwezig is tussen bufferdeel en schoon deel en waar in het bufferdeel van kleding en schoeisel gewisseld wordt. In het schone deel dienen voldoende aantallen bedrijfsgebouweigen schoeisel en -kleding aanwezig te zijn. Met dezelfde kleding en schoeisel mag nooit het volgende bedrijfsgebouw worden betreden.
Optie B: hygiënesluis per bedrijf.
Per bedrijf van kleding wisselen in een aparte omkleedruimte/kantine, die alleen deze functie heeft. Hier worden ook schone laarzen aangetrokken. Deze ruimte wordt gezien als de centrale hygiënesluis. Per bedrijfsgebouw is bedrijfsgebouweigen schoeisel aanwezig, dat ook bij het betreden van dat gebouw gebruikt wordt. Alle stallen binnen dit bedrijfsgebouw mogen worden betreden.
## Bijlage II. Onderzoeksprogramma opfokleghennenbedrijven