diff --git a/wet/wijzigingswet-enkele-onderwijswetten-herziening-organisatie-en-financiering-van/BWBR0032176/README.md b/wet/wijzigingswet-enkele-onderwijswetten-herziening-organisatie-en-financiering-van/BWBR0032176/README.md index 2ee981cc863..2235b827183 100644 --- a/wet/wijzigingswet-enkele-onderwijswetten-herziening-organisatie-en-financiering-van/BWBR0032176/README.md +++ b/wet/wijzigingswet-enkele-onderwijswetten-herziening-organisatie-en-financiering-van/BWBR0032176/README.md @@ -44,35 +44,37 @@ Wijzigt de Leerplichtwet 1969. ### Artikel VIII +Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de expertisecentra, enz. (invoering regeling leerlinggebonden financiering). + Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### Artikel IX -**1.** De rechtspersoon, bedoeld in artikel 18a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, wordt uiterlijk op 1 november volgend op de datum van inwerkingtreding van dat artikel opgericht. +**1.** De rechtspersoon, bedoeld in artikel 18a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, wordt uiterlijk op 1 november volgend op de datum van inwerkingtreding van dat artikel opgericht. -**2.** De rechtspersoon, bedoeld in artikel in 17a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt uiterlijk op 1 november volgend op de datum van inwerkingtreding van dat artikel opgericht. +**2.** De rechtspersoon, bedoeld in artikel in 17a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt uiterlijk op 1 november volgend op de datum van inwerkingtreding van dat artikel opgericht. -**3.** Het eerste ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband wordt voor 1 mei volgend op de datum van inwerkingtreding van de artikelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, toegezonden aan de inspectie. +**3.** Het eerste ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband wordt voor 1 mei volgend op de datum van inwerkingtreding van de artikelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, toegezonden aan de inspectie. ### Artikel IXa -**1.** Het samenwerkingsverband legt een voorstel voor het eerste ondersteuningsplan uiterlijk op 1 februari volgend op de datum van inwerkingtreding van artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs voor aan de ondersteuningsplanraad. De ondersteuningsplanraad spreekt zich binnen vier weken uit over dit voorstel. +**1.** Het samenwerkingsverband legt een voorstel voor het eerste ondersteuningsplan uiterlijk op 1 februari volgend op de datum van inwerkingtreding van artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs voor aan de ondersteuningsplanraad. De ondersteuningsplanraad spreekt zich binnen vier weken uit over dit voorstel. **2.** Indien aan het te nemen besluit van het samenwerkingsverband over het eerste ondersteuningsplan de instemming is onthouden, wordt het voorstel door het samenwerkingsverband binnen twee weken voorgelegd aan de commissie voor geschillen, bedoeld in de Wet medezeggenschap op scholen. -**3.** De commissie voor geschillen doet in geschillen over het eerste ondersteuningsplan uiterlijk op 15 april volgend op de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid, uitspraak. +**3.** De commissie voor geschillen doet in geschillen over het eerste ondersteuningsplan uiterlijk op 15 april volgend op de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid, uitspraak. **4.** Van een uitspraak van de commissie voor geschillen als bedoeld in het derde lid staat, in afwijking van artikel 36 van de Wet medezeggenschap op scholen, geen beroep open bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam. ### Artikel X -**1.** In het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, voor het aantal leerlingen van alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, een overgangsbekostiging voor personele kosten. De overgangsbekostiging wordt berekend door voor elke leerling de personele bekostiging van het voor die leerling geldende leerlinggebonden budget te verminderen met de personele bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 70a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen. +**1.** In het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, voor het aantal leerlingen van alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, een overgangsbekostiging voor personele kosten. De overgangsbekostiging wordt berekend door voor elke leerling de personele bekostiging van het voor die leerling geldende leerlinggebonden budget te verminderen met de personele bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 70a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen. -**2.** In het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs tot 1 januari van het desbetreffende schooljaar voor het aantal leerlingen van alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, een overgangsbekostiging voor materiële instandhouding. De overgangsbekostiging wordt berekend door voor elke leerling de materiële bekostiging van het voor die leerling geldende leerlinggebonden budget te verminderen met de materiële bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 70a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen. +**2.** In het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs tot 1 januari van het desbetreffende schooljaar voor het aantal leerlingen van alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, een overgangsbekostiging voor materiële instandhouding. De overgangsbekostiging wordt berekend door voor elke leerling de materiële bekostiging van het voor die leerling geldende leerlinggebonden budget te verminderen met de materiële bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 70a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen. -**3.** In het eerste schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor het aantal leerlingen van alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, een overgangsbekostiging voor personele kosten. De overgangsbekostiging wordt berekend door voor elke leerling de personele bekostiging van het voor die leerling geldende leerlinggebonden budget te verminderen met de personele bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 77a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen. +**3.** In het eerste schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor het aantal leerlingen van alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, een overgangsbekostiging voor personele kosten. De overgangsbekostiging wordt berekend door voor elke leerling de personele bekostiging van het voor die leerling geldende leerlinggebonden budget te verminderen met de personele bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 77a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen. -**4.** In het eerste schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs tot 1 januari van het desbetreffende schooljaar voor het aantal leerlingen van alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, een overgangsbekostiging voor materiële instandhouding. De overgangsbekostiging wordt berekend door voor elke leerling de materiële bekostiging van het voor die leerling geldende leerlinggebonden budget te verminderen met de materiële bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 77a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen. +**4.** In het eerste schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs tot 1 januari van het desbetreffende schooljaar voor het aantal leerlingen van alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, een overgangsbekostiging voor materiële instandhouding. De overgangsbekostiging wordt berekend door voor elke leerling de materiële bekostiging van het voor die leerling geldende leerlinggebonden budget te verminderen met de materiële bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 77a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen. **5.** De omvang van de bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt berekend op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze overeenkomstig artikel 70a, tweede en vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepalingen luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen. @@ -80,13 +82,13 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### Artikel XI -**1.** In het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het bevoegd gezag van een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor het aantal leerlingen waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, de personele bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 70a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen. Het bevoegd gezag, bedoeld in de eerste volzin, maakt met het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waartoe de scholen, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, afspraken over de besteding van de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin. In afwijking van de eerste volzin, ontvangt het samenwerkingsverband waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, indien de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs daarmee instemmen. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld omtrent de toepassing van de vorige volzin. +**1.** In het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het bevoegd gezag van een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor het aantal leerlingen waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, de personele bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 70a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen. Het bevoegd gezag, bedoeld in de eerste volzin, maakt met het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waartoe de scholen, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, afspraken over de besteding van de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin. In afwijking van de eerste volzin, ontvangt het samenwerkingsverband waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, indien de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs daarmee instemmen. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld omtrent de toepassing van de vorige volzin. -**2.** In het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het bevoegd gezag van een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor het aantal leerlingen waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, tot 1 januari van het desbetreffende schooljaar de materiële bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 70a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen. Het bevoegd gezag, bedoeld in de eerste volzin, maakt met het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, afspraken over de besteding van de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin. In afwijking van de eerste volzin, ontvangt het samenwerkingsverband waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, indien de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs daarmee instemmen. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld omtrent de toepassing van de vorige volzin. +**2.** In het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het bevoegd gezag van een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor het aantal leerlingen waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, tot 1 januari van het desbetreffende schooljaar de materiële bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 70a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen. Het bevoegd gezag, bedoeld in de eerste volzin, maakt met het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, afspraken over de besteding van de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin. In afwijking van de eerste volzin, ontvangt het samenwerkingsverband waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, indien de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs daarmee instemmen. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld omtrent de toepassing van de vorige volzin. -**3.** In het eerste schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor het aantal leerlingen waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, de personele bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 77a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen. Het bevoegd gezag, bedoeld in de eerste volzin, maakt met het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, afspraken over de besteding van de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin. In afwijking van de eerste volzin, ontvangt het samenwerkingsverband waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, indien de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs daarmee instemmen. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld omtrent de toepassing van de vorige volzin. +**3.** In het eerste schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor het aantal leerlingen waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, de personele bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 77a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen. Het bevoegd gezag, bedoeld in de eerste volzin, maakt met het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, afspraken over de besteding van de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin. In afwijking van de eerste volzin, ontvangt het samenwerkingsverband waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, indien de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs daarmee instemmen. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld omtrent de toepassing van de vorige volzin. -**4.** In het eerste schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor het aantal leerlingen waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, tot 1 januari van het desbetreffende schooljaar de materiële bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 77a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen. Het bevoegd gezag, bedoeld in de eerste volzin, maakt met het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, afspraken over de besteding van de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin. In afwijking van de eerste volzin, ontvangt het samenwerkingsverband waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, indien de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs daarmee instemmen. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld omtrent de toepassing van de vorige volzin. +**4.** In het eerste schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor het aantal leerlingen waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, tot 1 januari van het desbetreffende schooljaar de materiële bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 77a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen. Het bevoegd gezag, bedoeld in de eerste volzin, maakt met het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, afspraken over de besteding van de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin. In afwijking van de eerste volzin, ontvangt het samenwerkingsverband waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, indien de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs daarmee instemmen. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld omtrent de toepassing van de vorige volzin. **5.** De omvang van de bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt berekend op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze overeenkomstig artikel 70a, tweede en vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepalingen luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen. @@ -108,9 +110,9 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### Artikel XII -**1.** De artikelen 118, tiende lid, en 132, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs en de artikelen 85b, derde lid, en 89a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 18a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover het leerlingen betreft die woonachtig zijn in het gebied van het samenwerkingsverband en die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, waren ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs respectievelijk voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, en die tot dat onderwijs toelaatbaar zijn verklaard door een commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel K, van deze wet, van wie de geldigheidsduur van de indicatie eindigt op een datum die is gelegen na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikelonderdeel. +**1.** De artikelen 118, tiende lid, en 132, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs en de artikelen 85b, derde lid, en 89a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 18a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover het leerlingen betreft die woonachtig zijn in het gebied van het samenwerkingsverband en die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, waren ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs respectievelijk voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, en die tot dat onderwijs toelaatbaar zijn verklaard door een commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel K, van deze wet, van wie de geldigheidsduur van de indicatie eindigt op een datum die is gelegen na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikelonderdeel. -**2.** De artikelen 118, tiende lid, en 132, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs en de artikelen 85b, derde lid, en 89a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bekostiging van een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 17a, zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover het leerlingen betreft die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, waren ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs respectievelijk voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, die is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband, en die tot dat onderwijs toelaatbaar zijn verklaard door een commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel K, van deze wet, van wie de geldigheidsduur van de indicatie eindigt op een datum die is gelegen na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikelonderdeel. +**2.** De artikelen 118, tiende lid, en 132, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs en de artikelen 85b, derde lid, en 89a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bekostiging van een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 17a, zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover het leerlingen betreft die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, waren ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs respectievelijk voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, die is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband, en die tot dat onderwijs toelaatbaar zijn verklaard door een commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel K, van deze wet, van wie de geldigheidsduur van de indicatie eindigt op een datum die is gelegen na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikelonderdeel. **3.** Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt bij ministeriële regeling de indicatie van de leerling voor een bepaalde onderwijssoort omgezet naar één van de normbedragen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Dit normbedrag blijft van toepassing totdat het samenwerkingsverband het normbedrag heeft bepaald dan wel de leerling niet langer is ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs respectievelijk voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra. @@ -118,15 +120,15 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden **1.** Vanaf het tweede schooljaar vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 132 van de Wet op het primair onderwijs wordt gedurende vijf schooljaren voor alle samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs de bekostiging, bedoeld in artikel 132, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs gecorrigeerd door het bedrag, berekend volgens het tweede lid, erbij op te tellen indien het een positief bedrag is dan wel af te trekken indien het een negatief bedrag is. -**2.** De correctie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het bedrag, bedoeld in artikel 132, vierde lid, eerste volzin, van de Wet op het primair onderwijs op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011 wordt verminderd met het bedrag dat gemoeid is met de leerlingen die op 31 juli 2011 14 jaar of ouder waren. Het resterende bedrag wordt vermeerderd met de som van de personele bedragen van het leerlinggebonden budget, bedoeld in artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop genoemd artikel is vervallen, voor de vestigingen van de scholen, behorend tot het samenwerkingsverband op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011. De som van de in de eerste volzin bedoelde bedragen wordt verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 132, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs, op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 2011. De uitkomst van deze berekening wordt in het tweede schooljaar vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100% en vervolgens in het derde, vierde, vijfde en zesde schooljaar vermenigvuldigd met een voor dat schooljaar bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage. +**2.** De correctie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het bedrag, bedoeld in artikel 132, vierde lid, eerste volzin, van de Wet op het primair onderwijs op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011 wordt verminderd met het bedrag dat gemoeid is met de leerlingen die op 31 juli 2011 14 jaar of ouder waren. Het resterende bedrag wordt vermeerderd met de som van de personele bedragen van het leerlinggebonden budget, bedoeld in artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop genoemd artikel is vervallen, voor de vestigingen van de scholen, behorend tot het samenwerkingsverband op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011. De som van de in de eerste volzin bedoelde bedragen wordt verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 132, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs, op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 2011. De uitkomst van deze berekening wordt in het tweede schooljaar vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100% en vervolgens in het derde, vierde, vijfde en zesde schooljaar vermenigvuldigd met een voor dat schooljaar bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat verschillend kan worden vastgesteld voor correcties waarbij een bedrag wordt opgeteld en correcties waarbij een bedrag wordt afgetrokken. **3.** De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. ### Artikel XIV -**1.** Vanaf 1 januari na de datum van inwerkingtreding van artikel 118 van de Wet op het primair onderwijs wordt gedurende vijf jaren voor alle samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs de bekostiging, bedoeld in artikel 118, achtste lid, van de Wet op het primair onderwijs gecorrigeerd door het bedrag, berekend volgens het tweede lid, erbij op te tellen indien het een positief bedrag is dan wel af te trekken indien het een negatief bedrag is. +**1.** Vanaf 1 januari na de datum van inwerkingtreding van artikel 118 van de Wet op het primair onderwijs wordt gedurende vijf jaren voor alle samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs de bekostiging, bedoeld in artikel 118, achtste lid, van de Wet op het primair onderwijs gecorrigeerd door het bedrag, berekend volgens het tweede lid, erbij op te tellen indien het een positief bedrag is dan wel af te trekken indien het een negatief bedrag is. -**2.** De correctie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het bedrag, bedoeld in artikel 118, tiende lid, eerste volzin, van de Wet op het primair onderwijs op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011 wordt verminderd met het bedrag dat gemoeid is met de leerlingen die op 31 juli 2011 14 jaar of ouder waren. Het resterende bedrag wordt vermeerderd met de som van de materiële bedragen van het leerlinggebonden budget, bedoeld in artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop genoemd artikel is vervallen, voor de vestigingen van de scholen, behorend tot het samenwerkingsverband op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011. De som van de in de eerste volzin bedoelde bedragen wordt verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 118, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs, op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 2011. De uitkomst van deze berekening wordt in het tweede jaar vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100% en vervolgens in het derde, vierde, vijfde en zesde jaar vermenigvuldigd met een voor dat jaar bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage. +**2.** De correctie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het bedrag, bedoeld in artikel 118, tiende lid, eerste volzin, van de Wet op het primair onderwijs op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011 wordt verminderd met het bedrag dat gemoeid is met de leerlingen die op 31 juli 2011 14 jaar of ouder waren. Het resterende bedrag wordt vermeerderd met de som van de materiële bedragen van het leerlinggebonden budget, bedoeld in artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop genoemd artikel is vervallen, voor de vestigingen van de scholen, behorend tot het samenwerkingsverband op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011. De som van de in de eerste volzin bedoelde bedragen wordt verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 118, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs, op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 2011. De uitkomst van deze berekening wordt in het tweede jaar vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100% en vervolgens in het derde, vierde, vijfde en zesde jaar vermenigvuldigd met een voor dat jaar bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat verschillend kan worden vastgesteld voor correcties waarbij een bedrag wordt opgeteld en correcties waarbij een bedrag wordt afgetrokken. **3.** De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. @@ -134,15 +136,15 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden **1.** Vanaf het tweede schooljaar vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 85b van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt gedurende vijf schooljaren voor alle samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs de bekostiging, bedoeld in artikel 85b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs gecorrigeerd door het bedrag, berekend volgens het tweede lid, erbij op te tellen indien het een positief bedrag is dan wel af te trekken indien het een negatief bedrag is. -**2.** De correctie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het bedrag, bedoeld in artikel 85b, derde lid, eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011 wordt vermeerderd met het bedrag dat gemoeid is met de leerlingen die op 31 juli 2011 14 jaar of ouder waren en op 1 oktober 2011 stonden ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal of voortgezet onderwijs voor zover daaraan speciaal onderwijs werd verzorgd en die woonachtig zijn in het gebied van het samenwerkingsverband. Dit bedrag wordt vervolgens vermeerderd met de som van de personele bedragen van het leerlinggebonden budget, bedoeld in artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop genoemd artikel is vervallen, voor de vestigingen van de scholen, behorend tot het samenwerkingsverband op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011. De som van de in de eerste volzin bedoelde bedragen wordt verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 85b, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 2011. De uitkomst van deze berekening wordt in het tweede schooljaar vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100% en vervolgens in het derde, vierde, vijfde en zesde schooljaar vermenigvuldigd met een voor dat schooljaar bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage. +**2.** De correctie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het bedrag, bedoeld in artikel 85b, derde lid, eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011 wordt vermeerderd met het bedrag dat gemoeid is met de leerlingen die op 31 juli 2011 14 jaar of ouder waren en op 1 oktober 2011 stonden ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal of voortgezet onderwijs voor zover daaraan speciaal onderwijs werd verzorgd en die woonachtig zijn in het gebied van het samenwerkingsverband. Dit bedrag wordt vervolgens vermeerderd met de som van de personele bedragen van het leerlinggebonden budget, bedoeld in artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop genoemd artikel is vervallen, voor de vestigingen van de scholen, behorend tot het samenwerkingsverband op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011. De som van de in de eerste volzin bedoelde bedragen wordt verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 85b, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 2011. De uitkomst van deze berekening wordt in het tweede schooljaar vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100% en vervolgens in het derde, vierde, vijfde en zesde schooljaar vermenigvuldigd met een voor dat schooljaar bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat verschillend kan worden vastgesteld voor correcties waarbij een bedrag wordt opgeteld en correcties waarbij een bedrag wordt afgetrokken. **3.** De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. ### Artikel XVI -**1.** Vanaf 1 januari na de datum van inwerkingtreding van artikel 89a van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt gedurende vijf jaren voor alle samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs de bekostiging, bedoeld in artikel 89a, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs gecorrigeerd door het bedrag, berekend volgens het tweede lid, erbij op te tellen indien het een positief bedrag is dan wel af te trekken indien het een negatief bedrag is. +**1.** Vanaf 1 januari na de datum van inwerkingtreding van artikel 89a van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt gedurende vijf jaren voor alle samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs de bekostiging, bedoeld in artikel 89a, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs gecorrigeerd door het bedrag, berekend volgens het tweede lid, erbij op te tellen indien het een positief bedrag is dan wel af te trekken indien het een negatief bedrag is. -**2.** De correctie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het bedrag, bedoeld in artikel 89a, derde lid, eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011 wordt vermeerderd met het bedrag van dat gemoeid is met de leerlingen die op 31 juli 2011 14 jaar of ouder waren en op 1 oktober 2011 stonden ingeschreven op het speciaal onderwijs, of een school voor speciaal of voortgezet onderwijs voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd en die woonachtig zijn in het gebied van het samenwerkingsverband. Dit bedrag wordt vervolgens vermeerderd met de som van de materiële bedragen van het leerlinggebonden budget, bedoeld in artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop genoemd artikel is vervallen, voor de vestigingen van de scholen, behorend tot het samenwerkingsverband op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011. De som van de in de eerste volzin bedoelde bedragen wordt verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 89a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 2011. De uitkomst van deze berekening wordt in het tweede jaar vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100% en vervolgens in het derde, vierde, vijfde en zesde jaar vermenigvuldigd met een voor dat jaar bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage. +**2.** De correctie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het bedrag, bedoeld in artikel 89a, derde lid, eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011 wordt vermeerderd met het bedrag van dat gemoeid is met de leerlingen die op 31 juli 2011 14 jaar of ouder waren en op 1 oktober 2011 stonden ingeschreven op het speciaal onderwijs, of een school voor speciaal of voortgezet onderwijs voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd en die woonachtig zijn in het gebied van het samenwerkingsverband. Dit bedrag wordt vervolgens vermeerderd met de som van de materiële bedragen van het leerlinggebonden budget, bedoeld in artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop genoemd artikel is vervallen, voor de vestigingen van de scholen, behorend tot het samenwerkingsverband op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011. De som van de in de eerste volzin bedoelde bedragen wordt verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 89a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 2011. De uitkomst van deze berekening wordt in het tweede jaar vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100% en vervolgens in het derde, vierde, vijfde en zesde jaar vermenigvuldigd met een voor dat jaar bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat verschillend kan worden vastgesteld voor correcties waarbij een bedrag wordt opgeteld en correcties waarbij een bedrag wordt afgetrokken. **3.** De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. @@ -198,11 +200,11 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### Artikel XXIII -**1.** In afwijking van artikel 8, eerste lid, derde volzin, van de Wet op de expertisecentra wordt het onderwijs, bedoeld in die volzin, tot 1 augustus 2015 gegeven in scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, verdeeld als aangegeven in de in die volzin genoemde onderwijssoorten. +**1.** In afwijking van artikel 8, eerste lid, derde volzin, van de Wet op de expertisecentra wordt het onderwijs, bedoeld in die volzin, tot 1 augustus 2015 gegeven in scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, verdeeld als aangegeven in de in die volzin genoemde onderwijssoorten. **2.** Het bevoegd gezag van een instelling in oprichting meldt Onze Minister welke scholen als bedoeld in het eerste lid in dat schooljaar samenwerken in de instelling in oprichting. -**3.** Voor de bekostiging van personeel wordt aan de scholen, bedoeld in het eerste lid, een bedrag per school en een bedrag per leerling toegekend, welke bedragen worden verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. De bedragen, bedoeld in de eerste volzin, worden bij ministeriële regeling vastgesteld. In aanvulling op de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, ontvangt de school van de instelling in oprichting waarmee wordt samengewerkt, een bedrag in verband met de auditieve en communicatieve handicap van de leerlingen. +**3.** Voor de bekostiging van personeel wordt aan de scholen, bedoeld in het eerste lid, een bedrag per school en een bedrag per leerling toegekend, welke bedragen worden verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. De bedragen, bedoeld in de eerste volzin, worden bij ministeriële regeling vastgesteld. In aanvulling op de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, ontvangt de school van de instelling in oprichting waarmee wordt samengewerkt, een bedrag in verband met de auditieve en communicatieve handicap van de leerlingen. **4.** De instelling in oprichting ontvangt jaarlijks een bij ministeriële regeling vast te stellen bekostiging in verband met de auditieve en communicatieve handicap van de leerlingen van de scholen, bedoeld in het eerste lid, die is gebaseerd op het aantal leerlingen van de scholen waarmee de instelling in oprichting samenwerkt. @@ -210,7 +212,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### Artikel XXIV -**1.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke scholen voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 2, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, met ingang van 1 augustus 2015 in aanmerking kunnen worden gebracht voor bekostiging als instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan auditief of communicatief gehandicapte kinderen of nevenvestiging daarvan, als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, en onder welke voorwaarden dit geschiedt. +**1.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke scholen voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 2, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, met ingang van 1 augustus 2015 in aanmerking kunnen worden gebracht voor bekostiging als instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan auditief of communicatief gehandicapte kinderen of nevenvestiging daarvan, als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, en onder welke voorwaarden dit geschiedt. **2.** Titel III, Afdeling 1, van de Wet op de expertisecentra is niet van toepassing op een bestuursoverdracht of samenvoeging die samenhangt met de omzetting, bedoeld in het eerste lid.