2006-05-10 | BWBR0019815 | Inkomstenbelasting, lijfrenten, lijfrentepremieaftrek en bestaande rechten op periodieke uitkeringen

This commit is contained in:
Coornhert 2006-05-10 12:00:00 +00:00
parent 3ce333de4a
commit 5828a34ece

View file

@ -18,11 +18,74 @@ Met dit besluit heeft actualisatie plaatsgevonden van al het voor de Wet IB 2001
## 1. Inleiding
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
In dit besluit zijn in de eerste plaats de geldende beleidsstandpunten opgenomen op het terrein van de lijfrenten en de aftrek van premies voor lijfrenten als uitgaven voor inkomensvoorzieningen onder de Wet IB 2001. In dit besluit zijn niet opgenomen de beleidsstandpunten die specifiek betrekking hebben op lijfrenten en stamrechten in de winstsfeer (opgenomen in het Besluit van 28 december 2004, nr. CPP2004/633M).
Ook standpunten die betrekking hebben op de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingwet 1990  zoals bij voorbeeld inzake de aansprakelijkheid van verzekeraars ter zake van lijfrenten  zijn niet in dit besluit opgenomen maar zijn of worden separaat gepubliceerd.
In de tweede plaats zijn in dit besluit de geldende beleidsstandpunten opgenomen betreffende vóór 2001 gesloten lijfrenten en andere rechten op periodieke uitkeringen waarop de Invoeringswet Wet IB 2001 van toepassing is.
Beleidsstandpunten die louter betrekking hebben op de Wet IB 1964, zijn niet in dit overzichtsbesluit opgenomen. Nadrukkelijk wijs ik erop dat die standpunten nog van belang kunnen zijn voor het bepalen van het inkomen uit een recht op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake waarvan de overeenkomst tot stand is gekomen vóór 1 januari 2001.
De opgenomen standpunten zijn in het algemeen niet inhoudelijk gewijzigd; wel zijn de teksten daarvan geactualiseerd en waar nodig verduidelijkt. Inhoudelijke wijzigingen zijn in dit besluit opgenomen in de volgende onderdelen: 5.1.11 en 8.1.3.
Niet meer van belang zijnde standpunten, vervallen standpunten en helpdeskvragen zijn niet meer opgenomen.
De geactualiseerde standpunten zijn thematisch gerangschikt en zoveel mogelijk samengevoegd naar de situaties die met betrekking tot lijfrenten aan de orde kunnen zijn. Daarbij worden ook de relevante wetsartikelen vermeld.
In dit overzichtsbesluit zijn de besluiten opgenomen die ten behoeve van het regime van de lijfrenten en de lijfrentepremieaftrek zijn gepubliceerd tot 1 januari 2006.
De navolgende besluiten zijn geactualiseerd en geheel of gedeeltelijk opgenomen in dit besluit:
Besluit van 25 augustus 2000, nr. CPP2000/1313M, vraag B.3.8.a, C.5;
Besluit van 8 december 2000, nr. CPP2000/2845M;
Besluit van 8 december 2000, nr. CPP2000/2846M;
Besluit van 8 december 2000, nr. CPP2000/2847M;
Besluit van 8 december 2000, nr. CPP2000/2848M;
Besluit van 29 november 2001, nr. CPP2001/1681M, de vragen 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 20, 27, 30;
Besluit van 30 november 2001, nr. CPP2001/3035M, vraag C.4;
Besluit van 13 mei 2002, nr. CPP2002/1130M;
Besluit van 13 augustus 2002, nr. CPP2002/2152M, de vragen 1, 2, 3, 4, 5, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20;
Besluit van 28 augustus 2002, nr. CPP2002/1275M;
Besluit van 3 september 2002, nr. CPP2002/867M;
Besluit van 7 oktober 2003, nr. CPP2003/2203M;
Besluit van 10 februari 2004, nr. CPP2004/76M;
Besluit van 6 mei 2004, nr. CPP2004/477M;
Besluit van 7 december 2005, nr. CPP2005/2828M.
In dit besluit zijn niet opgenomen, besluiten of onderdelen daarvan die zijn vervallen of die het belang hebben verloren. Het gaat om de volgende besluiten of onderdelen daarvan:
Besluit van 25 augustus 2000, nr. CPP2000/1313M, de vragen B.3.7.b, B.3.7.c, B.3.7.d, C.4;
Besluit van 19 december 2000, nr. CPP2000/2985M, de vragen C.15, C.16, C.17 en C.18;
Besluit van 13 februari 2001, nr. CPP2000/3210M, vraag B.3.7.g, C.36, C.37, C.38;
Besluit van 29 november 2001, nr. CPP2001/1681M, de vragen 2, 18;
Besluit van 30 november 2001, nr. CPP2001/3035M, de vragen C.17, C.18, C.40;
Besluit van 4 december 2001, nr. DGB2001/1339M;
Besluit van 21 februari 2002, nr. CPP2002/535M;
Besluit van 9 oktober 2003, nr. CPP2003/2335M;
Besluit van 4 april 2005, nr. CPP2005/318M.
In dit besluit zijn niet opgenomen besluiten of onderdelen daarvan met een louter voorlichtend karakter. Voor zover noodzakelijk worden deze geactualiseerd en opgenomen in voorlichtingsmateriaal. Het gaat om de volgende besluiten of onderdelen daarvan:
Besluit van 25 augustus 2000, nr. CPP2000/1313M, vraag B.3.7.a;
Besluit van 13 februari 2001, nr. CPP2000/3210M, de vragen B.3.7.e, B.3.7.f, C.39;
Besluit van 29 november 2001, nr. CPP2001/1681M, de vragen 12, 13, 14, 15, 16, 17, 19, 21, 22, 23, 24 25, 26, 28, 29, 31;
Besluit van 21 december 2001, nr. CPP2001/3116M;
Besluit van 30 november 2001, nr. CPP2001/3035M, vraag B.3.7.g;
Besluit van 13 augustus 2002, nr. CPP2002/2152M, de vragen 6, 7, 8, 9, 10, 21.
### 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Wet inkomstenbelasting 2001: Wet IB 2001
Wet op de inkomstenbelasting 1964: Wet IB 1964
Algemene wet inzake rijksbelastingen: AWR
Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001: Invoeringswet
Wet op de loonbelasting 1964: Wet LB 1964
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001: Uitv.Besl.IB 2001
## 2. Voorwaarden voor lijfrenten en levensverzekeringen algemeen (
@ -100,7 +163,13 @@ Op grond van de wettekst gaat het om lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aa
#### 3.1.3. Premieaftrek voor meerderjarig invalide kind; hoogte premieaftrek
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
In de wet is geen maximum opgenomen voor de aftrek van premies ten behoeve van meerderjarige invalide kinderen. Dit brengt echter niet mee dat ouders zonder enige begrenzing dergelijke premies in aftrek kunnen brengen.Ter toelichting dient het volgende. De huidige bepaling is de opvolger van artikel 45, eerste lid, onderdeel g, onder 5, Wet IB 1964, zoals deze bepaling luidde op 31 december 2000. Laatstgenoemde bepaling is weer de opvolger van artikel 45, vierde lid, Wet IB 1964, zoals die bepaling luidde tot 1 januari 1992. Hierna ga ik in op de betekenis van deze laatste bepaling.
In artikel 45, vierde lid, Wet IB 64, zoals die bepaling luidde tot 1 januari 1992, was bepaald dat de lijfrenten dienden te strekken tot voorziening in het levensonderhoud van het invalide kind. In de tekst met ingang van 1 januari 1992 is dit niet verwoord, maar in de parlementaire stukken is tot uitdrukking gebracht dat geen wijziging is beoogd ten opzichte van de tekst zoals deze luidde tot die datum. De premies worden met andere woorden betaald om een toekomstvoorziening op te bouwen voor geestelijk of lichamelijk gebrekkige kinderen die niet of slechts zeer ten dele in staat zijn of zullen zijn in hun eigen levensonderhoud te voorzien.
Deze uitgangspunten brengen mee dat er weliswaar geen getalsmatige beperking geldt voor de lijfrentepremieaftrek ten behoeve van meerderjarige invalide kinderen, maar dat wel dient te worden beoordeeld of sprake is van een invalide kind op de ingangsdatum van de lijfrente. Tevens dient te worden beordeeld of de lijfrente dient of kan dienen om te voorzien in het levensonderhoud van het kind.
Mede op grond van doelmatigheidsoverwegingen kan met betrekking tot het laatste criterium worden volstaan met een ruimhartige beoordeling. Met name dient er daarbij niet van uit te worden gegaan dat het invalide kind een norminkomen heeft op minimumniveau. Ten minste dient rekening te worden gehouden met het inkomensniveau en de maatschappelijke positie van de ouders, terwijl ook het feit dat aan invaliditeit extra kosten zijn verbonden dient te worden meegewogen.
### 3.2. Periodieke uitkering of kapitaalverzekering bij arbeidsongeschiktheid?
@ -184,7 +253,13 @@ Als geheel voldoet deze lijfrente niet aan de voorwaarden omdat geen sprake is v
#### 4.3.1. Algemeen
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Op grond artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 dient een nabestaandenlijfrente in te gaan na het overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of zijn gewezen partner. Uitstel van de ingangsdatum van de nabestaandenlijfrente leidt tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Ik merk hierbij op dat er na het overlijden wel een redelijke termijn kan worden gehanteerd om de nabestaandenlijfrente vorm te geven en te doen ingaan.
Hieraan doet niet af dat de Hoge Raad in zijn arrest van 18 november 2005, nr. 39 585 voor de toepassing van de Wet IB 1964 heeft geoordeeld dat een nabestaandenlijfrente fiscaal geruisloos door de gerechtigde kan worden omgezet in een andere (uitgestelde) lijfrente die op grond van artikel 45 van de Wet IB 1964 is toegestaan. Met ingang van 1 januari 2001 geldt immers op grond van artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001, dat bij wijziging van een lijfrente  omzetting daaronder begrepen  op zodanige wijze dat beoordeeld vanuit de verzekeringnemer de lijfrente niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.125 Wet IB 2001, negatieve uitgaven in aanmerking worden genomen. Dit brengt mee dat een nabestaandenlijfrente niet fiscaal geruisloos kan worden omgezet in bij voorbeeld een (uitgestelde) oudedagslijfrente ten behoeve van de nabestaanden.
Wellicht ten overvloede merk ik op dat het voorgaande ook geldt voor nabestaandenlijfrenten die zijn bedongen met toepassing van artikel 45 Wet IB 1964 en die na 1 januari 2001 worden of zijn omgezet. Artikel 3.133 Wet IB 2001 is, gelet op Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel T, eerste lid Invoeringswet, immers ook van toepassing op dergelijke lijfrenten.
Hierna ga ik in op de situatie waarin de nabestaande naast een nabestaandenlijfrente tevens recht heeft op een Anw-uitkering.
#### 4.3.2. Situaties van gerechtigdheid tot een Anw-uitkering
@ -228,7 +303,17 @@ Voor de nabestaandenlijfrente keur ik goed dat voor de bepaling van de (1%) ster
#### 4.6.1. Algemeen; vanaf 2006 geen premieaftrek meer voor overbruggingslijfrente
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Op grond van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling, Stb. 2005, 115 (hierna: Wet VPL), die wat dit onderdeel betreft in werking is getreden op 1 januari 2006, is met ingang van die datum geen premieaftrek meer mogelijk voor tijdelijke lijfrenten die voorafgaan aan de pensioendatum. Dergelijke lijfrenten worden in de praktijk overbruggingslijfrenten genoemd. Wel is het op grond van het in de Wet VPL opgenomen overgangsrecht mogelijk om in de toekomst nog overbruggingslijfrenten te bedingen voor zover er sprake is van op 31 december 2005 bestaande aanspraken (eerbiedigende werking, zie artikel 10a.1 Wet IB 2001, onderdeel van artikel III Wet VPL).
Voor die eerbiedigende werking geldt als voorwaarde dat de polis (mede) betrekking heeft op een overbruggingslijfrente. Dit houdt in dat de overbruggingslijfrente uitdrukkelijk (mede) verzekerd dient te zijn. In vele bestaande lijfrentepolissen worden overbruggingslijfrenten echter niet met zoveel woorden genoemd. Eenvoudshalve zijn meestal uitsluitend de zogenoemde oudedagslijfrenten in de polis opgenomen, met als achterliggende gedachte dat op grond van de Wet IB 2001 (wettekst tot en met 2005) een fiscaal geruisloze omzetting in een overbruggingslijfrente steeds mogelijk is.
Vanaf 2006 is de mogelijkheid tot omzetting in een overbruggingslijfrente vervallen. In situaties waarin men een dergelijke omzetting toch zou willen, had de overbruggingslijfrente in 2005 (alsnog) uitdrukkelijk in de bestaande lijfrentepolis moeten worden opgenomen om in de toekomst gebruik te kunnen maken van de eerbiedigende werking van het overgangsrecht van artikel 10a.1 Wet IB 2001.
Om te voorkomen dat lijfrentepolissen alleen om deze reden moeten worden aangepast, heb ik goedgekeurd dat de hiervóór vermelde aanpassing van lijfrentepolissen niet nodig is om in de toekomst overbruggingslijfrenten te kunnen bedingen met betrekking tot op 31 december 2005 bestaande aanspraken.
De goedkeuring geldt ook voor lijfrenten die zijn bedongen in het kader van de omzetting van de fiscale oudedagsreserve in een lijfrente en/of in het kader van de omzetting van stakingswinst in een lijfrente.
De goedkeuring geldt eveneens voor stamrechten die in het verleden zijn bedongen met toepassing van artikel 19 (oud) en artikel 44j (oud) van de Wet IB 1964. Dergelijke stamrechten mogen thans worden omgezet in een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 Wet IB 2001. De omzetting in een overbruggingslijfrente kan in dit kader ook plaatsvinden na het kalenderjaar 2005.
#### 4.6.2. Overige aspecten in verband met afschaffen overbruggingslijfrente
@ -244,23 +329,45 @@ Met betrekking tot de waarde in het economische verkeer van lijfrenten waarvoor
#### 5.1.1. Inleiding
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Premies die aanspraak geven op inkomensvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.124, onderdelen a t/m c, Wet IB 2001 zijn onder voorwaarden aftrekbaar als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Daarbij gaat het om premies, waaronder ook koopsommen, voor een overeenkomst van lijfrente of een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Aftrek van dergelijke premies binnen de daarvoor geldende wettelijke begrenzingen is uitsluitend mogelijk als de overeenkomst voldoet aan bepaalde, nauw omschreven voorwaarden met betrekking tot onder meer de soort verzekerde uitkeringen, de gerechtigden, de ingangs- en einddata van de uitkeringen en de verzekeraar.
Hierna ga ik in op situaties waarin lijfrenten zijn gesloten onder de Wet IB 1964, terwijl de verzekeringnemer de met ingang van 2001 betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek wil brengen.
#### 5.1.2. Lijfrenten gesloten onder de Wet IB 1964; Brede-herwaarderinglijfrenten
De voorwaarden voor lijfrenten waarvoor premieaftrek mogelijk was op grond van het zogenoemde regime Brede herwaardering van de Wet IB 1964  tekst Wet IB 1964 voor de jaren 1992 tot en met 2000  wijken maar op enkele punten af van de voorwaarden voor premieaftrek op grond van het regime voor lijfrenten van de Wet IB 2001.
Mede gelet op de geringe verschillen tussen de voorwaarden voor Brede-herwaarderinglijfrenten en de voorwaarden voor IB-2001-lijfrenten keur ik goed dat aanpassing van Brede-herwaarderinglijfrenten achterwege kan blijven tot het tijdstip waarop het polisblad waarop de lijfrente is omschreven om andere redenen door de verzekeraar wordt aangepast.
Dit is slechts anders indien (mede) een (tijdelijke) oudedagslijfrente is verzekerd met een ingangsdatum later dan het jaar waarin degene die de lijfrente gaat genieten 70 jaar wordt. In dergelijke gevallen is het noodzakelijk om de ingangsdatum van de lijfrente aan te passen om voor premieaftrek in aanmerking te komen.
Ik merk nog op dat indien de overeenkomst wordt aangepast aan de Wet IB 2001, het voor Brede-herwaarderinglijfrenten niet nodig is om in de polis op te nemen dat de lijfrente niet kan worden prijsgegeven. Zie de goedkeuring opgenomen onder 1.3.3.
#### 5.1.3. Lijfrenten gesloten onder de Wet IB 1964; pre-Brede-herwaarderinglijfrenten
De onder 4.1.2 opgenomen goedkeuring geldt niet voor lijfrenten waarop het regime van de Wet IB 1964, zoals die wet luidde vóór 1 januari 1992, nog van toepassing was (pr-Brede-herwaarderinglijfrenten). De vormgeving van pre-Brede-herwaarderinglijfrenten wijkt namelijk sterk af van de vormgeving van lijfrenten van het regime van de Wet IB 2001. Voor aftrek van premies ter zake van pre-Brede-herwaarderinglijfrenten geldt derhalve dat de polis op het tijdstip van premiebetaling volledig dient te zijn aangepast aan het regime van de Wet IB 2001.
Voor de volledigheid merk ik nog op dat voor premies betaald voor pre-Brede-herwaarderinglijfrenten voor de jaren 2001 en 2002 is goedgekeurd dat aanpassing van de polis uiterlijk op 31 december 2002 diende te hebben plaatsgevonden dan wel op het nadien gelegen tijdstip waarop de aangifte over 2001 werd gedaan. Deze goedkeuring heeft gevolgen voor de gehele looptijd van de lijfrente.
### 5.2. Omzetting in lijfrente IB 2001; geen afkoop
Indien een lijfrente die is gesloten vóór 1 januari 2001 wordt omgezet in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek op grond van de Wet IB 2001, is geen sprake is van een afkoop in fiscale zin. Na een dergelijke omzetting vormt de naar het nieuwe recht vormgegeven aanspraak de voortzetting van de omgezette aanspraak. Ook indien de betreffende aanspraak slechts gedeeltelijk wordt omgezet in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek op grond van de Wet IB 2001 is geen sprake van een afkoop in fiscale zin.
### 5.3. Omzetting in lijfrente IB 2001; gevolgen voor gedeelte van lijfrente opgebouwd vóór 1 januari 2001
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Hierna neem ik een standpunt in over de gevolgen van een omzetting van een lijfrente gesloten vóór 1 januari 2001 in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek op grond van de Wet IB 2001. Het betreft het gedeelte van de lijfrente dat voortvloeit uit premiebetalingen die zijn gedaan vóór 1 januari 2001.
Voor dit onderwerp is van belang Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O Invoeringswet. Indien het een premiebetaling vóór 2001 betreft zoals omschreven in Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, onderdelen a, b en c, Invoeringswet blijven voor de bepaling van het inkomen uit een dergelijke lijfrente altijd de bepalingen van de Wet IB 1964 van toepassing (eerbiedigende werking). Een latere omzetting of aanpassing van die lijfrente op welke wijze dan ook brengt hierin geen wijziging. Dit geldt eveneens voor een pré-Brede-herwaarderinglijfrente die wordt aangepast aan de voorwaarden voor premieaftrek van het regime IB 2001.
### 5.4. Omzetting in lijfrente IB 2001; gevolgen voor gedeelte lijfrente opgebouwd met ingang van 2001
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Hierna neem ik een standpunt in over de gevolgen van een omzetting van een lijfrente gesloten vóór 1 januari 2001 in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek op grond van de Wet IB 2001. Het betreft het gedeelte van de lijfrente dat voortvloeit uit premiebetalingen gedaan op of na 1 januari 2001.
Ik onderscheid hierbij de volgende gevallen.
A. Voorzover de lijfrente voortvloeit uit premies die zijn afgetrokken als uitgaven voor inkomensvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.124 Wet IB 2001, zijn daarop de bepalingen van de Wet IB 2001 van toepassing. Dit betekent dat de lijfrente en de daaruit in de toekomst voortvloeiende uitkeringen tot box 1 behoren.
B. Voorzover de lijfrente voortvloeit uit premies die niet als uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn afgetrokken en voor zover die premies per lijfrenteovereenkomst een bedrag van € 2.269 per kalenderjaar niet te boven gaan, blijven daarop op grond van Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, onderdeel d, Invoeringswet de bepalingen van de Wet IB 1964 van toepassing (eerbiedigende werking). Het moet dan gaan om een overeenkomst die tot stand is gekomen vóór 14 september 1999 en waarvan nadien de premiebetalingen niet zijn verhoogd. Dit betekent dat de lijfrente (geheel) tot box 1 behoort. De daaruit in de toekomst voortvloeiende uitkeringen worden in box 1 belast onder toepassing van de saldomethode in verband met de niet afgetrokken premies.
C. Voorzover de lijfrente voortvloeit uit niet afgetrokken premies die per lijfrenteovereenkomst een bedrag van € 2.269 per kalenderjaar te boven gaan of als geen aanspraak op eerbiedigende werking bestaat, zijn op die lijfrente uitsluitend de bepalingen van de Wet IB 2001 van toepassing. Dit betekent dat de lijfrente in zoverre behoort tot de heffingsgrondslag van box 3.
## 6. Hoogte van de lijfrentepremieaftrek (
@ -482,7 +589,11 @@ Indien aan de offerte een opschortende voorwaarde is verbonden kan de overeenkom
#### 8.1.1. Inleiding
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening zijn uitsluitend belastbaar in box 1 voor zover de voor die voorziening betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen (zie artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001). In zoverre de premies niet in aftrek zijn gebracht, zijn de termijnen niet belastbaar in box 1, maar behoort het recht (op de termijnen) tot de rendementsgrondslag van box 3. Anders dan onder de Wet IB 1964 heeft de belastingplichtige dus de keuze om een lijfrentepremie al dan niet in aftrek te brengen.
Het al dan niet in aftrek brengen van betaalde premies kan berusten op een bewuste keuze of op een verzuim. In gevallen waarin is verzuimd de premie in aftrek te brengen kan het gaan om contracten waarvoor in voorgaande jaren al premies in aftrek zijn gebracht. Deze contracten zouden door het niet in aftrek brengen van één of meer premies in de toekomst moeten worden gesplitst in een box-1-gedeelte en in een box-3-gedeelte.
Hierna ga ik in op de mogelijkheden om alsnog premieaftrek alsnog te bewerkstelligen.
#### 8.1.2. Situaties waarin is verzuimd om premies in aftrek te brengen
@ -542,7 +653,11 @@ Het voorgaande geldt onverkort voor situaties waarin aftrekbare lijfrentepremies
#### 9.1.1. Inleiding
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Aftrek van premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen vindt plaats onder strikte voorwaarden. Schending van die voorwaarden heeft tot gevolg dat bepaalde sancties intreden. Voor zover de opgebouwde rechten niet onder de eerbiedigende werking van artikel 75 Wet IB 1964 vallen worden bij verboden handelingen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen ter grootte van de waarde in het economisch verkeer van het betreffende recht.
Indien nog geen uitkering is vervallen wordt die waarde in het economische verkeer ten minste gesteld op de premies die in aftrek op het inkomen zijn gebracht (de zogenoemde minimum waarderingsregel). Tevens is over de waarde in het economische verkeer van het recht revisierente verschuldigd.
Hierna geef ik mijn oordeel over een aantal vraagpunten inzake de schending van voorwaarden van de lijfrentepremieaftrek.
#### 9.1.2. Premievakantie bij gemengde lijfrente; gevolgen
@ -572,7 +687,11 @@ Van oneigenlijk gebruik van de fiscaal begeleide oudedagsvoorzieningen is naar m
#### 9.2.3. Negatieve uitgaven bij verbetering pensioen
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
In artikel 3.127, eerste en tweede lid, Wet IB 2001 is geregeld dat de belastingplichtige ingeval van een zogenoemd pensioentekort van het inkomen aftrekbare lijfrentepremies kan betalen (jaarruimte en reserveringsruimte). In de jaren vóór 2001 was op grond van artikel 45a, tweede en derde lid, van de Wet IB 1964 een vergelijkbare aanvullende premieaftrek mogelijk wegens een pensioentekort. Hierna ga ik in op de gevolgen van pensioenverbetering die betrekking heeft op jaren vóór 2001.
Het terugnemen van lijfrentepremieaftrek op grond van artikel 3.133, tweede lid, onderdeel k, Wet IB 2001 wegens pensioenverbetering vindt uitsluitend plaats ten aanzien van premies die in de jaren 2001 en volgende op grond van artikel 3.127, eerste en tweede lid, Wet IB 2001 in aftrek zijn gebracht. Met andere woorden, op premieaftrek die heeft plaatsgevonden onder de Wet IB 1964 wordt bij pensioenverbetering niet teruggekomen.
Ter voorkoming van misverstand wijs ik erop dat indien met ingang van 2001 premies zijn afgetrokken met toepassing van de regeling van de reserveringsruimte, gebaseerd op een pensioentekort uit de jaren vóór 2001, wel negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen bij een pensioenverbetering die betrekking heeft op dat pensioentekort uit de jaren vóór 2001.
## 10. Ingetrokken regeling(en)